Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid De Korte over de brief Oversterfte (Kamerstuk 25 295, nr. 2234)
Vragen van het lid De Korte (Nieuw Sociaal Contract) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief Oversterfte (Kamerstuk 25 295, nr. 2234) (ingezonden 13 oktober 2025).
Antwoord van Minister Bruijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 5 november
2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 304.
Vraag 1
Wat is de reden dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stelt
dat de sterftemonitor enkel is bedoeld als signalerings- en analysetool voor acute
verheffingen en niet om langdurige trends in oversterfte te monitoren?
Antwoord 1
Het model dat het RIVM gebruikt voor het berekenen van de oversterfte is er primair
op gericht te bepalen of sprake is van incidentele oversterfte. Zo kan bijvoorbeeld
worden bepaald wat de invloed van een griepepidemie of een hittegolf op de waargenomen
sterfte is. Het model baseert zich hierbij op wekelijkse sterftegegevens uit de vijf
voorafgaande jaren, waarbij rekening gehouden wordt met bijzondere omstandigheden
in de afgelopen vijf jaren die tot verhoogde sterfte leidden.
Vraag 2
Deelt u de mening dat de afwijkingen van de schattingen van het aantal sterfgevallen
en het werkelijk aantal sterfgevallen belangrijk zijn om goed in te spelen op beleid
zoals het aantal woningen, de benodigde zorg en de pensioenen? Kunt u het antwoord
toelichten?
Antwoord 2
Ik ben van mening dat het belangrijk is prognoses te hebben die (toekomstige) veranderingen
in de bevolkingssamenstelling inzichtelijk maken, waaronder factoren die verband houden
met sterfte, om zo goed in te kunnen spelen op beleid zoals het aantal woningen, de
benodigde zorg en de pensioenen. Het is van belang te onderstrepen dat de wekelijkse
oversterfte die het RIVM rapporteert, gebaseerd op wekelijks door CBS gerapporteerde
sterfte-aantallen, slechts één van meerdere indicatoren is gerelateerd aan trends
in sterfte. De oversterftemonitor wordt niet gebruikt voor lange termijn verwachtingen
van sterfte. Andere indicatoren zoals de geschatte periode-levensverwachting, leeftijdsspecifieke
sterftekansen en doodsoorzaken(trends), die het CBS publiceert, zijn ook belangrijke
indicatoren om trends in sterfte te monitoren.
Vraag 3
Kunt u verklaren dat het aantal overlijdens na 2023 (coronatijd) niet is gedaald (aantal
overlijdens waren achtereenvolgens volgens statline 2017: 150,214, 2018: 153,363,
2019: 151.885, 2020: 168.678, 2021: 170,972, 2022: 170.112, 2023: 169,521, 2024: 172,051)?
Kan deze blijvende stijging verklaard worden vanuit een trend van oversterfte? Klopt
het dat deze stijging niet verklaard kan worden door de toename van het aantal ouderen?
Antwoord 3
Het CBS heeft in maart jl. het onderzoek Trends in sterfte en doodsoorzaken, 2014–20241 gepubliceerd. Een belangrijke bevinding is dat met de vergrijzing ook het jaarlijks
aantal overledenen toeneemt. Deze stijging kan dus wel degelijk (deels) aan de vergrijzing
worden toegeschreven. Het rapport noemt ook nog andere trends in doodsoorzaken, zoals
een stijging van de gestandaardiseerde sterfte aan psychische stoornissen en ziekten
van het zenuwstelsel (onder andere dementie en de ziekte van Alzheimer) en accidentele
vallen, en noemt ook dat toekomstige data nodig zijn om een beter beeld te krijgen
van de ontwikkelingen in de doodsoorzaken na de coronapandemie.
Vraag 4
Bent u bereid om het RIVM te verzoeken in beeld te laten brengen wat de langdurige
oversterfte is? Zo ja, hoe wordt dit gedaan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Nee, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf, is het doel van de RIVM sterftemonitoring
niet het maken van lange termijn sterftetrends. Het CBS maakt prognoses over sterftetrends
op de langere termijn.
Vraag 5
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de oorzaken van langdurige oversterfte zoals
aangegeven in vraag 3?
Antwoord 5
Er zijn (en worden) vanuit het Ministerie van VWS zeer veel onderzoeksprogramma’s
gefaciliteerd en gefinancierd naar de oorzaken van oversterfte en de gevolgen van
de coronapandemie, waaronder onderzoeken naar het effect van de maatregelen, post-covid,
onderzoek naar optimale medisch-specialistische zorg bij COVID-19 en de impact van
uitgestelde zorg door de COVID-19 pandemie. Daarnaast zijn veel data beschikbaar gemaakt
voor externe onderzoekers om onderzoek mee te verrichten. Tevens heeft het CBS in
maart jl. reeds een (beschrijvend) onderzoek Trends in sterfte en doodsoorzaken, 2014–20242 gepubliceerd met daarin ook analyses over de sterfte van de jaren na de coronapandemie.
Hierop aanvullend onderzoek zal op dit moment nog geen compleet beeld geven van de
oorzaken, omdat hier soms meerdere jaren overheen moeten gaan.
Gezien bovenstaande redenen, het eerdere advies van de ZonMw begeleidingscommissie
om geen aanvullende overkoepelend onderzoek naar de oversterfte te faciliteren en
de huidige beperkte financiële middelen geef ik op dit moment geen opdracht tot nieuw
onderzoek.
Vraag 6
Klopt het dat oversterfte in vergelijking tot de geschatte aantal sterfgevallen betekent
dat de gemiddelde levensverwachting niet stijgt? Kan de Minister aangeven wat dit
betekent voor het beleid ten aanzien van volksgezondheid, wonen en pensioenen?
Antwoord 6
Nee, de gemiddelde periode-levensverwachting steeg van 81,4 jaar naar 81,9 jaar tussen
2021 en 2024. Het ligt nog iets lager dan in 2019 (82,1 jaar) maar er is wel sprake
van een stijging, en de huidige waarde is de op één na hoogste ooit.
De periode-levensverwachting in een jaar berekent hoe oud een kind geboren in dat
jaar gemiddeld zou worden als de sterftekansen-naar-leeftijd van dat jaar hun hele
leven zouden gelden. De werkelijke gemiddelde levensduur kan alleen bepaald worden
voor jaren die ver in het verleden liggen, of door een prognose van de sterftekansen
in de toekomst te maken.
Vraag 7
Wat is de huidige (feitelijke) gemiddelde leeftijd bij overlijden in Nederland en
wat is die in een aantal westerse landen zoals de Verenigd Koninkrijk, Zweden Duitsland
en België? Als er een verschil blijkt te zijn tussen Nederland en deze landen, hoe
kan dat verschil worden verklaard?
Antwoord 7
Het is in dit verband meer gebruikelijk te kijken naar de periode-levensverwachting,
de gemiddelde leeftijd bij overlijden wordt namelijk sterk beïnvloed door het aandeel
ouderen in de bevolking dus is geen goede samenvattende maat voor het sterfterisico.
Het EU-gemiddelde van de periode-levensverwachting bij geboorte (mannen en vrouwen
samen) lag in 2023 op 81,4 jaar.3 In Nederland was de periode-levensverwachting in 2023 81,9 jaar. In andere westerse
EU-landen4 lag dit soms hoger (zoals in Zweden (83,4) en België (82,5)) en soms lager (zoals
in Duitsland (81,1)).
De verschillen tussen landen in Europa zijn mede het gevolg van verschillen tussen
landen in welvaart, gezondheid en aanbod van en toegang tot gezondheidszorg.5,
6
Vraag 8
Zijn bovenstaande antwoorden voor u aanleiding om de gemiddelde levensverwachting
van Nederlanders bij te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Nee. De levensverwachting wordt door het CBS berekend.
Vraag 9
Kunt u toelichten waarom het advies van de ZonMw-begeleidingscommissie om geen overkoepelend
integraal vervolgonderzoek te starten wordt overgenomen, terwijl diezelfde commissie
expliciet adviseert vervolgonderzoek te faciliteren met data uit 2022, 2023 en 2024
en de langetermijneffecten te blijven monitoren? Bent u bereid conform dit advies
een onafhankelijk onderzoeksprogramma te starten dat de oversterfte vanaf 2020 met
data uit de jaren 2023 en 2024 in kaart brengt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Mijn ambtsvoorgangers zijn al meerdere malen ingegaan op de vraag waarom het advies
van de ZonMw-begeleidingscommissie om geen overkoepelend integraal vervolgonderzoek
te starten, is overgenomen.7 Daarbij is ook steeds benoemd dat data uit 2022, 2023 en 2024 voor onderzoekers bij
het CBS beschikbaar zijn gesteld om zelf onderzoek op uit te voeren. Daarnaast voert
het CBS zelf ook onderzoek naar sterftetrends, zoals genoemd in het antwoord op vraag
5.
Ondertekenaars
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.