Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Welzijn over het NOS-artikel ‘Raad van State kraakt plan om voorrang statushouders te schrappen, Keijzer zet door’
Vragen van het lid Welzijn (Nieuw Sociaal Contract) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het NOS-artikel «Raad van State kraakt plan om voorrang statushouders te schrappen, Keijzer zet door» (ingezonden 24 september 2025).
Antwoord van Minister Keijzer (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) (ontvangen
31 oktober 2025).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van dit artikel?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe weegt u het advies van de Raad van State af tegen uw politieke doelstelling om
Nederlandse woningzoekenden voorrang te geven?
Antwoord 2
Het kabinet beoogt met het wetsvoorstel nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders
een gelijk speelveld te creëren voor reguliere woningzoekenden en statushouders. De
Raad van State heeft over dit wetsvoorstel een advies gegeven. Ik heb dit advies zorgvuldig
bestudeerd. In het nader rapport, dat inmiddels met het wetsvoorstel bij uw Kamer
is ingediend, wordt op de inhoud van het advies ingegaan.
Vraag 3
Hoe verzoent u het schrappen van voorrang voor statushouders met het grondrecht op
gelijke behandeling?
Antwoord 3
Ik deel met de Raad van State het belang van een gelijke behandeling voor iedereen
in Nederland. Daarbij moet worden opgemerkt dat het recht op gelijke behandeling,
zoals vervat in onder meer artikel 1 van de Grondwet, in de eerste plaats betekent
dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Zoals in het nader rapport is
toegelicht acht het kabinet het voorgestelde verbod op voorrang objectief gerechtvaardigd
en heeft het kabinet daarom besloten het voorstel in te dienen bij uw Kamer. Door
het verbod op voorrang wordt een meer gelijke positie tussen statushouders en andere
woningzoekenden nagestreefd. Op deze manier wordt in de praktijk juist de gelijke
behandeling bevorderd.
Vraag 4, 5 en 6
Hoe bent u van plan tot een grondrechtelijk juiste oplossing te komen?
Wat is uw zienswijze op het feit dat de Raad van State het «niet realistisch» noemt
dat aangekondigde maatregelen voor statushouders op tijd effect hebben?
Hoe bent u van plan de aangekondigde maatregelen wel op tijd effectief te laten zijn
voor statushouders?
Antwoord 4, 5 en 6
Ik ben van mening dat er in het wetsvoorstel sprake is van een objectieve rechtvaardiging
voor het gemaakte onderscheid. Het voorgestelde verbod op voorrang moet in samenhang
gezien worden met verschillende andere wettelijke maatregelen2 met het beoogde effect om grip te krijgen op asielmigratie. De wetsvoorstellen inzake
asielnoodmaatregelen en de invoering van het twee statusstelsel zijn op 3 juli 2025
door de Tweede Kamer aangenomen. Ook wordt gewerkt aan de implementatie van het Europese
migratiepact. Het kabinet neemt daarbij als uitgangspunt dat er voor statushouders
– net zoals voor iedere andere woningzoekende – in beginsel sprake is van een eigen
verantwoordelijkheid om indien mogelijk te voorzien in de huisvesting, bijvoorbeeld
bij vrienden of familie. Verder kunnen zij zelf mogelijk een woning kopen of huren
(in het particulier segment, onzelfstandig, bij een hospita, of anderszins), of kunnen
zij een beroep doen op hun werkgever als zij werk hebben.
In de brief over het samenhangend pakket aan maatregelen die op 11 juli aan uw Kamer
is verstuurd3, licht het kabinet toe welke maatregelen verder moeten zorgen voor voldoende uitstroom
uit de asielopvang. Dit gaat om het uitbreiden van huisvestingsmogelijkheden voor
statushouders, door onder meer de realisatie van meer (tijdelijke) woningvoorraad
en de inzet op woningdelen. Het kabinet ondersteunt gemeenten hierbij met verschillende
financiële regelingen. Zo kunnen gemeenten momenteel gebruikmaken van de Stimuleringsregeling
Flex- en Transformatiewoningen (SFT), de bekostigingsregeling doorstroomlocaties en
de regeling voor een eenmalige bijdrage bij uitstroom naar onzelfstandig wonen of
tijdelijk onderdak (HAR+). De regeling doorstroomlocaties en de HAR+, die ook kunnen
worden ingezet voor onzelfstandige verhuur (woningdelen), hebben als doel om de uitstroom
van statushouders te versnellen. Daarnaast wil het kabinet gemeenten nog extra ondersteunen
bij het plaatsen van tijdelijke woningen. Hiertoe bereid ik een aanpassing op de SFT-regeling
voor. Het voornemen is om deze regeling met een jaar te verlengen tot en met 2027.
Het budget wil ik tevens verhogen naar € 178,5 miljoen. In aanvulling op de bijdrage
aan de onrendabele business case van € 14.000,– per woning, ontvangen gemeenten ook
€ 6.000,– per woning voor sociaal beheer. Mijn voornemen is dat ook onzelfstandige
woonruimten en splitsen van woonruimte onder deze regeling gaan vallen.
Naast deze inzet op de uitbreiding van de huisvestingsopties voor statushouders, wordt
in het wetsvoorstel een gefaseerde inwerkingtreding van het verbod op voorrang voorgesteld.
In het eerste jaar na inwerkingtreding van het verbod op voorrang (de implementatiefase),
blijft het namelijk mogelijk om alleenstaande statushouders voorrang te geven wanneer
zij gaan wonen in onzelfstandige woonruimte (woningdelen). Dit is behulpzaam om woningdelen
voor alleenstaande statushouders de norm te maken. Daarnaast versterken we de aanpak
om statushouders de gelegenheid te bieden om sneller mee te kunnen doen in de Nederlandse
samenleving, door extra inzet op taalverwerving, participatie en inburgering.
Het kabinet verwacht dat de instroombeperkende maatregelen, het beroep op de eigen
verantwoordelijkheid van statushouders, de inzet op het uitbreiden van huisvestingsopties,
de voorgestelde fasering en het sneller laten meedoen van statushouders in de samenleving,
zullen leiden tot een genormaliseerde positie van statushouders ten opzichte van andere
woningzoekenden op de woningmarkt.
Vraag 7
Heeft u verder onderzocht of er alternatieve maatregelen mogelijk zijn waarmee statushouders
niet volledig benadeeld worden, en wat kwam er uit dit onderzoek?
Antwoord 7
Het doel van het verbod op voorrang is om een gelijk speelveld voor statushouders
en andere woningzoekenden te creëren. De maatregelen die het kabinet hiervoor neemt
zijn beschreven in de brief van 11 juli over het samenhangend pakket aan maatregelen,
zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Vraag 8
Bent u bekend met het gegeven dat volgens het Centraal Orgaan opvang asielzoekers
(COA) 6 tot 10% van de vrijgekomen sociale huurwoningen naar statushouders gaat?
Antwoord 8
Ja.
Vraag 9 en 10
Is dit percentage het juiste percentage en zo niet, wat is dan wel het juiste percentage,
waarom en wat is de bron?
Worden alle typen sociale huurwoningen en situaties waarop deze woningen vrijkomen
(denk aan nieuwe woningen, doorstroom etc.) in dit percentage meegenomen, zo niet
wat dan wel en waarom is de keuze gemaakt om met deze data te komen tot het juiste
percentage?
Antwoord 9 en 10
Wiskundige en cultureel antropoloog dr. Jan van de Beek stelt dat er een vergelijking
gemaakt moet worden met de groep waarmee statushouders daadwerkelijk concurreren – namelijk
woningzoekenden die nog geen corporatiewoning huren en in het bijzonder jonge sociale
huurstarters met een laag inkomen4. In de vergelijking die hij maakt gebruikt hij een groep inwoners die voldoet aan
vergelijkbare kenmerken als statushouders en die begon met het huren van een corporatiewoning
tussen 2015 en 2018. Van de Beek schatte op basis hiervan in dat, gedurende de periode
2015–2018, gemiddeld per jaar ongeveer 32% van het aantal vrijgekomen huurwoningen
waarvoor sociale huurstarters met een leeftijd tot 65 jaar en een laag inkomen in
aanmerking komen aan statushouders werd toegewezen.
Het algemene toewijzingspercentage ligt wel rond de in vraag 8 genoemde percentages.
Een meerderheid van de woningcorporaties rapporteerde dat in 2024 het algemene toewijzingspercentage
ongeveer rond de 7,4% lag. Dit is in lijn met een publicatie van het CBS uit maart
dit jaar waarin wordt gesteld dat het algemene toewijzingspercentage in 2022 op ongeveer
7% lag5.
Echter worden vrijwel alle typen zelfstandige sociale huurwoningen en manieren van
toewijzing meegenomen in de hierboven genoemde algemene toewijzingspercentages. Gedeelde
woningen niet, deze zijn niet meegenomen in de rapportage van de woningcorporaties
of de publicatie van het CBS. Het CBS rapporteert in de genoemde rapportage wel toewijzingen
aan huishoudens die geen vrije woning achterlaten. Als gekeken wordt naar deze groep
dan bedraagt het percentage woningen toegewezen aan statushouders in 2022 12%. Hierin
worden echter nog steeds doelgroepenwoningen, zoals woningen voor ouderen, meegenomen
evenals doorstromers die geen vrije woning achterlaten.
Dit betekent dat de vergelijking met een reguliere starter in de sociale huursector
die niet in aanmerking komt voor een doelgroepenwoning (zoals een woning bedoeld voor
ouderen) niet gemaakt kan worden op basis van de genoemde percentages. Om deze vergelijking
te maken zijn meer gegevens nodig die nu niet voorhanden zijn. Ik werk aan een verrijking
van bestaande gegevens en verbetering van gegevensverzameling om in de komende periode
tot een completer beeld te komen.
Vraag 11
Hoe verschilt het percentage tussen de starters en statushouders per gemeente uitgesplitst
naar kleine, middel, middelgrote en grote gemeenten?
Antwoord 11
Hierover zijn op dit moment geen gegevens bekend.
Vraag 12
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn bij het verkrijgen van voorrang voor statushouders
op een sociale huurwoning voor de wachttijd van niet-statushouders die op de wachtlijst
staan?
Antwoord 12
Als een sociale huurwoning aan een huishouden met statushouders wordt toegewezen,
dan is deze woning niet meer beschikbaar voor andere woningzoekenden op de wachtlijst.
Zij zullen dan dus over het algemeen langer moeten wachten op toewijzing van een woning.
Het is moeilijk om te bepalen in welke mate de wachttijd toeneemt. Er zijn in Nederland
meer dan 40 verschillende woonruimteverdeelsystemen, die allemaal een andere systematiek
voor het toewijzen van woningen kunnen gebruiken. De werkelijke wachttijd wordt dus
altijd lokaal bepaald. Daarnaast zijn er nog andere factoren die het bepalen van de
wachttijd complex maken.
Vraag 13
Wat is het percentage statushouders dat een vrijgekomen sociale huurwoning bemachtigt
in verhouding tot de starters op de woningmarkt die op de wachtlijst staan voor een
sociale huurwoning?
Antwoord 13
Zoals eerder gezegd is dit niet te bepalen op basis van de huidig beschikbare gegevens
en hangt dit ook af van de gekozen definitie van een starter en startershuishouden.
Bij gebrek aan beschikbare gegevens heeft dr. Jan van de Beek wel een beredeneerde
schatting hiervan gemaakt, hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Vraag 14
Kunt u deze vragen één voor één voor het verkiezingsreces beantwoorden?
Antwoord 14
Ik heb de antwoorden zoveel als mogelijk één voor één beantwoord. Dit is niet gelukt
binnen de gevraagde termijn in verband met de benodigde (interdepartementale) afstemming.
Daarnaast vond de behandeling van het wetsvoorstel in de ministerraad pas plaats toen
het verkiezingsreces al begonnen was.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.