Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 670 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 28 oktober 2025
Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt gegeven mede namens de Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de
schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt.
De regering is erkentelijk voor de getoonde belangstelling en de vragen van de leden
van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, en BBB.
Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling van het
verslag. Een enkele keer is daarbij de beantwoording van vragen die door meerdere
fracties zijn gesteld, samengenomen.
Alvorens in te gaan op de vragen in het verslag, wens ik enkele aspecten met betrekking
tot de herziening van de urennorm nader toe te lichten. Ik heb de tijd genomen om,
naar aanleiding van uw kritische vragen over de onderwijskwaliteit bij de herziene
urennorm, te bezien waar in het wetsvoorstel risico’s ontstaan en hoe ik deze weeg.
Tevens wil ik ingaan op de motie1 van het lid Soepboer, waarin is toegezegd om met gegevens van de inspectie in kaart
te brengen hoeveel contacturen in het mbo daadwerkelijk worden gehaald.
Nadere toelichting herziening van de urennorm
De kracht van het mbo ligt in de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het
werkveld. Het is een unieke combinatie van onderwijs en praktische beroepsbeleving
binnen een opleiding. Tot voor kort bestond het onderwijs uit een theoretisch deel
op school en een praktisch deel in de vorm van stages, en de urennorm was hierop afgestemd.
De snel veranderende arbeidsmarkt en de dynamiek van de werkplek vereisen echter een
onderwijsprogramma dat voldoende flexibiliteit biedt en waarbij onderwijsvormen worden
toegepast die een integratie van school en praktijk mogelijk maken.
Een van de concrete redenen voor de herziening van de urennorm is het signaal uit
de sector zelf. In 2019 werd een petitie2, ondertekend door 700 onderwijsprofessionals, gepresenteerd waarin werd gepleit voor
meer ruimte binnen de urennorm. Ook de MBO Raad en JOB mbo ondersteunen het idee dat
deze flexibiliteit wenselijk is. Er is meer nodig dan louter klassikale lessen om
studenten voor te bereiden op hun toekomstige loopbaan: er moeten nieuwe onderwijsvormen
worden ontwikkeld die beter aansluiten bij de veranderingen in de samenleving en op
de arbeidsmarkt. Een voorbeeld hiervan is dat het binnen bepaalde opleidingen van
belang kan zijn dat startende studenten de gelegenheid krijgen om zich uitvoerig te
oriënteren op de arbeidsmarkt, aangezien het beroepsbeeld vaak nog niet volledig duidelijk
is. Het is dan van grote waarde dat studenten in de beginfase van hun opleiding in
verschillende bedrijven of organisaties kunnen meelopen, zodat zij een goed beeld
krijgen van de praktijk. Dit gebeurt doorgaans door bedrijfsbezoeken met de gehele
klas, begeleid door een docent, waardoor het binnen de begeleide onderwijsuren kan
plaatsvinden. Er is inmiddels echter inzicht ontstaan dat dergelijke meeloopdagen
effectiever kunnen zijn als studenten individueel of in kleine groepjes deelnemen.
Dit biedt meer ruimte en tijd voor persoonlijke vragen en het opdoen van praktijkervaringen.
Een docent kan niet op elk moment bij elke student of elke groep studenten aanwezig
zijn.
Met de indiening van het wetsvoorstel is een sentiment ontstaan waarbij de indruk
wordt gewekt dat er minder lesgegeven zal worden binnen het mbo. Dit is niet het geval.
De flexibiliteit die door de aanpassing van de urennorm wordt gecreëerd, betekent
niet dat er minder onderwijs wordt aangeboden, maar dat er meer ruimte ontstaat om
het onderwijs anders in te richten, zodat het beter aansluit bij de huidige en toekomstige
ontwikkelingen in het werkveld.
De bestaande urennorm in het mbo is niet zonder reden ingesteld. Een solide en intensief
onderwijsprogramma is van essentieel belang voor zowel de leerresultaten als de motivatie
van studenten. Om deze reden blijft het wetsvoorstel uitgaan van een robuuste basis,
waarbij ten minste driekwart van het onderwijsprogramma bestaat uit begeleide onderwijsuren
en stages. De resterende uren kunnen flexibel worden ingezet als begeleide onderwijstijd
(bot), beroepspraktijkvorming (bpv) óf andere leer- en werkvormen. De flexibele uren
maken altijd deel uit van het door het onderwijsteam samengestelde onderwijsprogramma,
dat gebaseerd moet zijn op de onderwijskundige visie van de onderwijsinstelling. De
inspectie zal toezicht houden op de verantwoording hiervan. Onderwijsprofessionals
zullen steeds afwegen op welke manier studenten het best voorbereid kunnen worden
op de arbeidsmarkt van de toekomst. Het betreft dus geen zelfstudie-uren, waarbij
studenten op eigen initiatief werk zoals huiswerk of studie voor toetsen en examens
kunnen verrichten.
In onderstaande schematische weergave is een voorbeeld te zien van een 3-jarige mbo-opleiding.
Het onderwijsprogramma blijft in aantal uren gelijk, maar de verdeling binnen het
onderwijsprogramma wordt in het wetsvoorstel veranderd. Er blijft een groot gedeelte
(driekwart) bot en bpv, en er komt meer ruimte voor flexibele invulling om mee te
gaan met veranderingen op de arbeidsmarkt.
De ontwikkeling van de urennorm en het zicht op de begeleide onderwijsuren
Sinds 2008 is er in het mbo een urennorm van kracht, die destijds minimaal 850 klokuren
per studiejaar voorschreef. In die periode werd er geen onderscheid gemaakt tussen
bot en bpv. Na de inwerkingtreding van deze urennorm heeft de inspectie, mede omdat
het naleven van de minimale urennorm als bekostigingsmaatstaf fungeerde, onderzoek
verricht naar de naleving van de urennorm door mbo-opleidingen. Wanneer een onderwijsinstelling
niet kon aantonen dat voldoende uren waren besteed aan bot of bpv, kon bekostiging
worden teruggevorderd. De hoge terugvorderingen van bekostiging hebben tot veel onzekerheid
binnen instellingen geleid. Deze handhavingspraktijk leidde tot een «controletoren»,
zoals de Algemene Rekenkamer opmerkte in haar rapport over administratieve lasten
in het mbo.3 De Algemene Rekenkamer stelde dat de administratieve lasten die het toezicht op onderwijstijd
voor mbo-instellingen met zich meebrengt, niet in verhouding staan tot de opbrengsten
van het toezicht. Door deze vorm van toezicht ging de focus van verbetering van de
onderwijskwaliteit naar de verantwoording van de uren, waarbij het aantal uren een
doel in plaats van middel voor het bereiken van onderwijskwaliteit werd.
In 2013–2014 heeft toenmalig Minister Bussemaker op advies van de Algemene Rekenkamer
besloten het toezicht op de onderwijstijd te versoepelen4. Dit ging gepaard met de herziening van de urennorm, zoals deze thans wordt gehanteerd.
De minimale urennorm werd aangescherpt, omdat onder andere bleek dat een erg groot
deel van de totale opleidingstijd in de beroepsopleidende leerweg (bol) bestond uit
bpv. Ook raakten studenten ongemotiveerd door te lange opleidingen met veel lesuitval.
Het doel van de nieuwe urennorm was om een goede en intensieve benutting van de onderwijstijd
te bevorderen. Naast de herziening van de urennorm is in die tijd ook de opleidingsduur
voor opleidingen vastgesteld, om ervoor te zorgen dat te lange opleidingen niet meer
mogelijk waren. Het ging hierbij om het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs
door de tijd die studenten in het onderwijs doorbrengen intensief en efficiënt te
benutten, zodat zij het allerbeste uit hun schooltijd konden halen. Er moest daarom
een intensief, gestructureerd en uitdagend onderwijsprogramma komen. Hierbij ging
het concreet om een studiebelasting van 1.600 uren (40 weken van 40 uur) per jaar.
Binnen deze studiebelastingsnorm moest een goed en evenwichtig onderwijsprogramma
worden ontwikkeld dat bestaat uit een schoolcomponent (begeleide onderwijsuren) en
een stevig component beroepspraktijkvorming. Om dit te bewerkstelligen is de nieuwe
minimale urennorm van 1.000 uur ingevoerd zoals we die nu kennen, die zorgt voor een
stevige basis.
Ook het toezicht op de onderwijstijd door de inspectie is toen anders ingericht. De
inspectie focust op de kwaliteit van opleiding in het geheel. De inspectie voert nader
onderzoek uit wanneer de kwaliteit onvoldoende blijkt te zijn. Hierbij kan ook worden
gekeken naar het onderwijsprogramma en de onderwijstijd, één van de factoren die de
onderwijskwaliteit kunnen beïnvloeden. Als de minimale onderwijstijd niet wordt gehaald,
kan de inspectie een herstelopdracht geven om alsnog een programma te ontwikkelen
dat wel aan de minimale urennorm voldoet. De afgelopen twee jaar is er bij één mbo-opleiding
naar aanleiding van kwaliteitsonderzoek sprake geweest van een herstelopdracht voor
onderwijstijd.
Het daadwerkelijk aantal gerealiseerde begeleide onderwijsuren wordt sinds 2014 niet
meer bijgehouden nadat het toezicht op de onderwijstijd is verlicht naar aanleiding
van het rapport van de Algemene Rekenkamer. Naar aanleiding van de motie van het lid
Soepboer is contact geweest met de inspectie over welke data beschikbaar zijn over
de gerealiseerde begeleide onderwijsuren. De inspectie geeft aan dat er in eerste
instantie gekeken wordt naar hoe de kwaliteitsborging instellingsbreed geregeld is.
Indien daar aanleiding toe is, kan het onderzoek naar onderwijstijd op opleidingsniveau
worden uitgebreid. Dit gebeurt met name wanneer er op opleidingsniveau tekorten zijn
op het gebied van opbrengsten, leertijd en/of tevredenheid van studenten, medewerkers
of bedrijven. Het toezicht van de inspectie is bestuursgericht, waarbij in het kader
van verificatie-activiteiten opleidingen en leerwegen worden bezocht. De urennorm,
en het eventueel afwijken hiervan, kan onderwerp van gesprek zijn bij een bestuursonderzoek.
Daar worden ter verificatie ook vragen over gesteld aan de studentenraad van een instelling.
Vanaf februari 2024 is de inspectie begonnen met steekproefkwaliteitsonderzoeken.
Op basis van deze onderzoeken is er voor de inspectie nog geen aanleiding geweest
om aanvullende onderzoeken naar onderwijstijd uit te voeren. De inspectie krijgt per
jaar enkele tientallen signalen over onderwijstijd in het mbo (in 2024 waren het er
bijvoorbeeld 46). Deze signalen leiden in de regel niet direct tot contact met de
instelling. Wanneer er sprake van een patroon, kan dat wel leiden tot contact met
de instelling. De insteek is dan altijd de kwaliteit van het onderwijs, niet de onderwijstijd
of de contacturen op zichzelf. Bij twee opleidingen heeft de inspectie verdiepend
onderzoek gedaan. Ook van die instellingen heeft de inspectie geen overzicht van de
gerealiseerde onderwijstijd.
Kortom, de inspectie beschikt niet over gegevens over de gerealiseerde onderwijstijd
ofwel (gerealiseerde) contacturen van mbo-opleidingen, ook niet van de enkele opleidingen
waar de onderwijstijd is betrokken in onderzoek. Naar aanleiding van het rapport van
de Algemene Rekenkamer is het toezicht op de onderwijstijd aangepast en focust de
inspectie sindsdien op kwaliteit, waarbij naar de urennorm kan worden gekeken als
er risico’s of tekortkomingen worden geconstateerd.
Kwaliteit van onderwijs
Allereerst ben ik ervan overtuigd dat het bieden van flexibiliteit aan de sector cruciaal
is om innovatie en maatwerk te stimuleren. Ik vertrouw op de professionaliteit en
deskundigheid van onderwijsteams om binnen deze kaders een evenwichtig en kwalitatief
hoogwaardig onderwijsprogramma te realiseren, waarbij het belang én de onderwijsbehoefte
van de student voorop staan.
In uw Kamer zijn zorgen geuit over de plannen om de urennorm te herzien, met name
over de invulling van de flexibele uren. De zorgen richten zich met name op de mogelijkheid
van instellingen of onderwijsteams om de flexibele uren te gebruiken voor bijvoorbeeld
zelfstudie-uren of zogenoemde «huiswerkuren». Ik begrijp uw zorgen, vooral als het
gaat om het waarborgen van de onderwijskwaliteit. Daarom heb ik dit onderdeel van
het wetsvoorstel opnieuw bekeken en overleg gehad met de Inspectie van het Onderwijs
(hierna: inspectie) over mogelijke risico’s van deze wijziging. Ik ben van mening
dat voldoende waarborgen voor de onderwijskwaliteit zijn ingebouwd. De inspectie geeft
aan dat instellingen over het algemeen zorgvuldig omgaan met de onderwijstijd en verwacht
– op basis van de huidige praktijk – dat dit na invoering van dit wetsvoorstel niet
zal veranderen.
Inspectietoezicht op het onderwijsprogramma op opleidingsniveau
Met de aanpassing van de urennorm in het wetsvoorstel worden onderwijsteams verplicht
het onderwijsprogramma te onderbouwen. Dit gebeurt op basis van de onderwijskundige
visie van de instelling. De inspectie ziet hier in het toezicht op toe. Wanneer de
inspectie een onderwijsprogramma op opleidingsniveau beoordeelt, wordt in samenhang
naar verschillende onderdelen gekeken. De inspectie houdt in dat kader toezicht op
de kwaliteit van het onderwijsprogramma, waarbij gekeken wordt of het onderwijsprogramma is afgestemd
op de studentenpopulatie en aansluit bij het niveau van het kwalificatiedossier en
de onderwijsbehoeften van de studenten, en op de uitvoering hiervan waarbij op opleidingsniveau wordt gekeken of het pedagogisch en didactisch
handelen van het onderwijsteam studenten in staat stelt om te leren en zich te ontwikkelen.5
In de praktijk betekent dit dat er wordt gekeken of de uitvoering van het onderwijs
is afgestemd op de studentpopulatie en of dit aansluit bij de onderwijsbehoeften van
de studenten. Daarnaast wordt er gekeken of er effectieve leersituaties zijn, of er
een passend en stimulerend leerklimaat wordt gecreëerd waarin studenten actief worden
betrokken. Ook wordt er gekeken of het handelen van docenten is gericht op het ondersteunen
en het voldoende uitdagen van studenten. De inspectie beoordeelt het onderwijs op
basis van aangeleverde documenten, eigen waarnemingen en ook op basis van gesprekken
met betrokkenen, waaronder studenten, docenten en vertegenwoordigers van bpv-bedrijven.
Studenten geven tijdens het toezicht over het algemeen goed blijk te kunnen reflecteren
op de kwaliteit van de lessen, waardoor hun reacties waardevol zijn voor het toezicht.
Wanneer de inspectie constateert dat ofwel het aanbod, ofwel de uitvoering ervan niet
voldoet aan de genoemde eisen of tegenstrijdigheden laat zien, leidt dit altijd tot
een aanvullend gesprek met het onderwijsteam over het onderwijs. Zo nodig geeft de
inspectie een herstelopdracht waarbij de opleiding en het bestuur de kans krijgen
om tot herstel te komen. Als daaraan niet voldaan is, kan de inspectie handhavend
optreden.
Hoewel de inspectie aangeeft op dit moment zelden te stuiten op situaties waarbij
uren oneigenlijk worden ingezet, komt het wel eens voor dat hiervan wél sprake is.
Dit gebeurt nu niet stelselmatig, maar in enkele gevallen heeft dit geleid tot aanvullende
gesprekken met onderwijsteams, management en bestuur en een negatief oordeel met daaraan
gekoppeld een herstelopdracht.
Op de onderwijsactiviteiten binnen de flexibele uren van het onderwijsprogramma zal
de inspectie op eenzelfde manier toezicht houden. Wanneer er sprake is van invulling
van de uren, welke niet leiden tot voldoende onderwijskwaliteit, bijvoorbeeld wanneer
deze worden ingevuld met ineffectieve zelfstudie-uren, kan dit worden onderzocht en
beoordeeld met het huidige handhavingsinstrumentarium.
Mede naar aanleiding van de gesprekken met de inspectie concludeer ik dat de risico’s,
waar uw Kamer mij op wijst naar verwachting beperkt zijn en zich niet stelmatig zullen
voordoen.
I ALGEMEEN DEEL
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
wetsvoorstel, maar vragen in hoeverre is nagedacht over hoe al deze individuele voorstellen
tezamen ervoor zorgen dat de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt
er makkelijker op wordt.
Met dit wetsvoorstel kunnen studenten meer hybride en innovatieve onderwijsvormen
volgen op het snijvlak van het onderwijs en de arbeidsmarkt. Ook krijgen zij meer
ruimte om keuzedelen te kiezen die beter passen bij hun leerwensen en die van de arbeidsmarkt.
Studenten met relevante leer- of werkervaring, zoals havisten en zij-instromers, kunnen
gemakkelijker een verkorte opleiding volgen die rekening houdt met wat zij al kennen
of kunnen, waardoor zij sneller een diploma kunnen halen en inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt.
Ook bij- en omscholing met behulp van (alleen) een arbeidsmarktrelevant onderdeel
van een mbo-opleiding wordt met dit wetsvoorstel gemakkelijker. Deze maatregelen leiden
er gezamenlijk toe dat het mbo-onderwijs meer op maat gesneden is en beter aansluit
op de arbeidsmarkt.
Deze leden constateren dat er enerzijds door dit wetsvoorstel dingen beter worden
geregeld en makkelijker worden en dat er anderzijds ook veel extra opties bij lijken
te komen binnen het beroepsonderwijs om mensen op te leiden. Zij vragen of dat nu
eigenlijk wenselijk is, omdat veelgehoorde kritiek over om- of bijscholen is dat er
een wirwar aan trajecten is waardoor mensen door de bomen het bos niet meer zien.
Het wetsvoorstel voegt geen nieuwe mogelijkheden toe om mensen op te leiden, maar
biedt duidelijkheid over de wijze waarop reeds beschikbare opleidingsmogelijkheden
binnen het mbo kunnen worden uitgevoerd. Zo worden in het wetsvoorstel kaders en voorwaarden
beschreven voor mbo-instellingen die een verkorte opleiding willen aanbieden aan mensen
met relevante leer- en werkervaring, zoals havisten en zij-instromers. Ook wordt met
het wetsvoorstel de huidige niet-bekostigde derde leerweg in de WEB voorzien van een
duidelijke naam: de loopbaanbegeleidende leerweg en wordt het wettelijk kader voor
het aanbieden van een deel van een mbo-opleiding in deze leerweg verhelderd.
De regering bewaakt de samenhang in het beleid voor leven lang ontwikkelen; dit gebeurt
via de Onderwijsagenda LLO.6 Ook via de zogenoemde Sectorale Ontwikkelpaden wordt op overzichtelijke wijze de
opleidingsmogelijkheden voor functies in kraptesectoren in beeld gebracht.7
Hoe zorgt dit wetsvoorstel ervoor dat om- of bijscholen daadwerkelijk makkelijker
wordt voor aspirant-studenten?
Het mbo biedt al ruimte voor om- en bijscholing. Op dit moment kunnen mbo-instellingen
een diplomagerichte opleiding verkorten voor mensen met leer- en werkervaring en in
de niet-bekostigde derde leerweg een deel van een mbo-opleiding aanbieden gericht
op het halen van een mbo-certificaat of praktijkverklaring. Met de maatregelen in
dit wetsvoorstel worden een aantal knelpunten en onduidelijkheden in regelgeving weggenomen.
Hierdoor wordt de uitvoering voor mbo-instellingen eenvoudiger, en zullen onderwijsinstellingen,
naar verwachting, dergelijke trajecten voor om- en bijscholing vaker aanbieden. Op
deze wijze wordt om- en bijscholing voor aspirant-studenten daadwerkelijk makkelijker.
De regering werkt ook aan het oplossen van andere knelpunten op het gebied van bij-
en omscholing; hiervoor wordt verwezen naar de Beleidslijnen Leven Lang Ontwikkelen.8
Verwacht de regering dat er door dit wetsvoorstel meer doelgroepen worden aangesproken
om zich te laten om- of bijscholen?
Het mbo biedt op dit moment al ruimte voor om- en bijscholing, zowel voor mensen met
leer- en werkervaring die een verkorte diplomagerichte opleiding willen volgen als
voor mensen die alleen een onderdeel van een mbo-opleiding willen volgen. Met dit
wetsvoorstel komen daar geen nieuwe doelgroepen bij. Met het wetsvoorstel wordt aan
mbo-instellingen meer duidelijkheid geboden over de wijze waarop deze bij- en omscholing
kan worden uitgevoerd. Zo worden in het wetsvoorstel de kaders en voorwaarden beschreven
voor mbo-instellingen die een verkorte opleiding willen aanbieden aan mensen met leer-
en werkervaring. Ook wordt met het wetsvoorstel de huidige niet-bekostigde derde leerweg
in de WEB voorzien van een duidelijke naam: de loopbaanbegeleidende leerweg en wordt
het wettelijk kader voor het aanbieden van een deel van een mbo-opleiding in deze
leerweg verhelderd. Wel is de ambitie van de regering dat het aantal personen toeneemt
dat bij- en omscholing via het mbo volgt. De maatregelen in het wetsvoorstel kunnen
dit bevorderen. De regering werkt ook aan het oplossen van andere knelpunten op het
gebied van bij- en omscholing; hiervoor wordt verwezen naar de Beleidslijnen Leven
Lang Ontwikkelen.9
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet educatie
en beroepsonderwijs. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de NSC-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van dit wetsvoorstel,
dat (onder andere) de in 2014 aangescherpte urennorm, ingevoerd na talrijke klachten
over lesuitval, weer zou versoepelen. Deze leden hebben daarom de volgende opmerkingen
en vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Verbetering
aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt en hebben nog enkele vragen.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
wetsvoorstel, dat beoogt een verbetering te bewerkstellingen in de aansluiting tussen
het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt. Deze leden zijn ook van meer regelvrijheid
in het mbo om opleidingen flexibel vorm te geven, zodat mbo-opleidingen hun maatschappelijke
taak serieus op kunnen pakken. Ook om in te kunnen spelen op de snel veranderende
arbeidsmarktbehoeften, zoals bijvoorbeeld groene en digitale banen, moet er meer regelruimte
worden gecreëerd. Daarbij denken zij ook dat het voor studenten gunstiger is als er
sprake is van meer flexibiliteit en relevantie. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
hebben nog enkele vragen over voorliggend wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie vragen of er voldoende draagvlak bestaat bij onderwijsinstellingen,
docenten en ouders.
Er bestaat breed draagvlak voor dit wetsvoorstel bij mbo-instellingen, docenten en
studenten. Zo hebben 700 onderwijsprofessionals een petitie getekend met het verzoek
om de urennorm aan te passen.10 Mbo-instellingen, docenten en studenten zien de maatregelen als een kans om het beroepsonderwijs
flexibeler te maken en beter afgestemd te laten zijn op de arbeidsmarkt. Ouders zijn
daarentegen wel kritisch over de wijzigingen van de urennorm, zoals zij in een brief
aan uw Kamer hebben laten weten.11
Zijn onderwijsinstellingen, docenten en ouders voldoende geraadpleegd voor voldoende
draagvlak?
Mbo-instellingen, docenten en studenten hebben gevraagd om de wijzigingen in dit wetsvoorstel.
Bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel is dan ook veel afgestemd met de MBO Raad,
NRTO en JOB MBO. Deze organisaties vertegenwoordigen respectievelijk de mbo-instellingen,
private opleiders en studenten en hebben dagelijks te maken met mbo-specifieke regelgeving
en de praktische uitvoering ervan. Hoewel ouders een belangrijke rol spelen in de
begeleiding van studenten, vind ik het essentieel om de visie van studenten zelf,
via JOB MBO, te betrekken bij beleidsvorming. Zij zijn immers direct betrokkenen.
Tijdens de internetconsultatie hebben tenslotte overige belanghebbenden kunnen meedenken
over en feedback gegeven op het wetsvoorstel.
De leden van de NSC-fractie zijn van mening dat het buiten kijf staat dat de arbeidsmarkt
met grote tekorten te kampen heeft en dat opgeleide vakmensen vanuit het mbo daar
hard nodig zijn. Maar het mbo is niet een «handjesfabriek» om zo snel mogelijk zo
veel mogelijk mensen, al dan niet voldoende voorbereid, aan te leveren op de arbeidsmarkt.
Wat deze leden betreft hebben ook hier studenten recht op voldoende ondersteuning
en contactmomenten met docenten om zich, niet slechts als werker, maar in de volle
breedte als persoon te kunnen ontwikkelen. Studenten hebben recht op onderwijs van
voldoende kwaliteit. De huidige lesurennorm is ingevoerd om dat recht wettelijk te
borgen. De leden zijn van oordeel dat deze wettelijke borging er ook moet blijven
en dat in ieder geval dit onderdeel van het wetsvoorstel, waarvoor zij ook in breder
opzicht onvoldoende onderbouwing zien in deze toelichting, moet worden verworpen.
2. Betere aansluiting beroepsonderwijs arbeidsmarkt door meer ruimte voor andere onderwijsactiviteiten
De leden van de VVD-fractie constateren dat het verbeteren van het bbl-offensief (beroepsbegeleidende
leerweg) niet wordt benoemd in dit voorstel ter verbetering van de aansluiting met
de arbeidsmarkt. Deze leden zijn van mening dat extra aandacht voor het bbl-offensief
kan leiden tot een betere aansluiting op de arbeidsmarkt en vragen waarom dit niet
is meegenomen als mogelijke wijziging.
Het bbl-offensief en dit wetsvoorstel zijn verschillende manieren om te werken aan
de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Met het bbl-offensief vergroot
de regering de bekendheid, aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van de bbl. Zodat
meer mensen, voor wie de bbl een passende opleidingsroute is, kiezen voor de bbl,
er meer mogelijkheden zijn om laagdrempelig in te stromen en zij betere begeleiding
krijgen. In het bbl-offensief zijn vijf actielijnen opgesteld: 1. Bekendheid van de
bbl vergroten; 2. Begeleiding verbeteren; 3. Bbl inzetten bij voortijdig schoolverlaten
en ongediplomeerd aan het werk; 4. Maatwerk voor zij-instromers (flexibiliteit) en
5. Verbetering financiële positie bbl-student. De actielijnen worden samen met de
partners doorontwikkeld en uitgevoerd, hierbij is geen wetgeving nodig. Onlangs is
de Tweede Kamer over de stand van zaken van het bbl-offensief geïnformeerd12.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het instellen van een numerus fixus niet
wordt benoemd in dit wetsvoorstel. Deze leden vragen waarom ervoor is gekozen om de
numerus fixus niet als mogelijke wijziging mee te nemen voor het verbeteren van de
aansluiting op de arbeidsmarkt.
Een wetswijziging is niet nodig, aangezien in artikel 8.1.1c van de WEB al is geregeld
dat mbo-opleidingen een numerus fixus kunnen instellen, als er onvoldoende arbeidsmarktperspectief
is. Dit kan gaan om een beperkt arbeidsmarktperspectief of onvoldoende opleidingscapaciteit,
bijvoorbeeld onvoldoende stage- of praktijkleerplekken.
2.1 Probleembeschrijving en doelstelling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de flexibiliteit in uren straks
wordt vormgeven.
Een mbo-opleiding blijft een studielast van 1.600 uur per jaar (40 weken, 40 uur per
week) houden. Deze studielast bestaat voor een deel uit het onderwijsprogramma (minimaal
1.000 uur) dat door de school wordt samengesteld, en voor een deel uit zelfstudie
(600 uur) dat door de student zelf ingevuld kan worden. Aan de 600 uur zelfstudie
in de huidige urennorm, is in dit wetsvoorstel niets veranderd. De verdeling van de
uren binnen het onderwijsprogramma van 1.000 uur wordt in het wetsvoorstel aangepast.
De (nieuwe) flexibele uren zijn uren waarin een onderwijsteam onderwijsactiviteiten
kan programmeren, die buiten de definities van de bot en bpv vallen. Hierbij kan worden
gedacht aan studenten die in groepsverband een opdracht bij een bedrijf of organisatie
uitvoeren. Daarbij blijft de rol en inzet van de docent van groot belang om duidelijke,
gestructureerde en uitdagende opdrachten te bieden. Gedurende het gehele onderwijs-
en leerproces bewaakt de docent de studievoortgang van alle studenten en biedt zo
nodig (individuele) begeleiding.
Wordt deze flexibiliteit in uren toepasbaar op de opleiding of per individuele student?
Het verschil hiertussen maakt volgens deze leden nogal uit voor de succesfactor van
de flexibilisering, maar zij kunnen uit de toelichting niet helemaal afleiden hoe
de praktijk straks wordt vormgegeven.
De zogenoemde flexibele uren, zoals deze in het wetsvoorstel zijn opgenomen zijn toepasbaar
op de gehele opleiding, zodat voor een opleiding meer ruimte wordt gecreëerd in het
aanbieden van onderwijsactiviteiten die niet vallen onder de definitie van bot- of
bpv-uren. Daarnaast is en blijft het mogelijk om maatwerk te bieden aan individuele
studenten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat studenten een opleiding
kunnen volgen die goed aansluit bij hun behoeften. Deze leden lezen dat de hoeveelheid
begeleide onderwijstijd (bot-uren) er nu voor zorgen dat studenten soms de schoolbanken
in worden gedwongen, terwijl ze behoefte hebben aan meer praktijk. Zij vragen hoe
de flexibilisering van onderwijsuren zich verhoudt tot de twee leerwegen die er nu
al zijn, namelijk de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg
(bbl), waarbij in de laatste vorm ook veel ruimte is voor praktijk.
Het verschil tussen een bol- en een bbl-opleiding is de hoeveelheid uren die er op
school en in de beroepspraktijk worden gevolgd. Een bol-opleiding kent een meer door
de docent gestuurde instructievorm waarbij de onderwijsinstelling het merendeel van
het opleidingsprogramma aanbiedt. Een bbl-opleiding heeft een meer praktijkgerichte
benadering waarbij de student de meeste uren in de beroepspraktijk doorbrengt. Het
wetsvoorstel wijzigt alleen iets aan de invulling van urennorm voor de bol-opleidingen.
Een deel van de geprogrammeerde uren bij een dergelijke opleiding zal met het wetsvoorstel
flexibeler in te zetten zijn, om ook voor deze studenten een sterkere koppeling te
kunnen maken met de beroepspraktijk. Studenten die een bbl-opleidingen volgen hebben
al een dusdanig grote praktijkcomponent, dat het niet logisch is om van het beperkte
aantal uren dat ze op school doorbrengen nog meer uren te flexibiliseren ten behoeve
van de beroepspraktijk.
Zorgt de flexibilsering dat er wordt voldaan aan een behoefte die nu niet wordt teruggevonden
in de bol- of bbl-route?
Inderdaad, de mogelijkheden voor invulling van de urennorm wordt op dit moment als
te rigide ervaren. De huidige urennorm past onvoldoende bij de uitdagingen waar we
nu voor staan. De verhoging van de flexibele uren betekent dat er meer ruimte is voor
differentiatie en om de onderwijsactiviteiten aan te laten sluiten op het beroepsgerichte
karakter van het mbo.
De leden van de NSC-fractie lezen dat de huidige lesurennorm in de WEB13 in 2014 is ingevoerd, onder meer naar aanleiding van veel klachten over lesuitval.
Deze leden vragen wat het effect sindsdien is geweest op lesuitval in het mbo. Heeft
de regering daar zicht op?
Uit de beleidsdoorlichting van 2014–201814 bleek dat de kwaliteit van het beroepsonderwijs zich over vrijwel de gehele linie
positief heeft ontwikkeld. Zo was het studentsucces gestegen en voelde een hoger percentage
studenten zich uitgedaagd. Ook het aantal voortijdig schoolverlaters was gedaald over
de gehele periode. Het intensiveren van de opleiding ging gepaard met meer contacturen.
Een intensieve benutting van de onderwijstijd blijft ook met dit wetsvoorstel bestaan.
Het onderwijsprogramma van 1.000 uur dat door de opleiding verzorgd wordt, verandert
dan ook niet. Wel wordt binnen dit onderwijsprogramma meer ruimte geboden voor andere
onderwijsvormen. Hiermee zet de regering in op kwaliteit, en wordt vastgehouden aan
het goede van de urennorm en wordt er doorontwikkeld naar een nog betere verbinding
met de praktijk. Verder zijn er geen cijfers bekend over de ontwikkeling van de lesuitval
op het mbo.
Wat kan de regering daarover met de leden delen? In verband daarmee herinneren de
leden van de NSC-fractie de regering ook aan een aangenomen motie van het lid Soepboer
over het in kaart brengen hoeveel contacturen en lesuren mbo-studenten daadwerkelijk
hebben gekregen in de afgelopen vijf jaar.15 Deze leden zijn benieuwd naar de staat van uitvoering en kijken uit naar de resultaten.
In de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag is uiteengezet hoe de
motie is uitgevoerd.
De leden van de NSC-fractie lezen dat er sinds de invoering van de norm veel onduidelijkheid
bestaat bij instellingen over wat de lesurennorm vraagt als het gaat om de invulling
van onderwijstijd. Kan de regering aangeven wat er onduidelijk is?
De onduidelijkheid die er bestaat rondom de onderwijsurennorm is divers van aard.
Zo is er regelmatig verwarring of de urennorm ook voor individuele studenten geldt,
en welke onderwijsactiviteiten onder de bot-uren vallen. Ook worden er regelmatig
vragen gesteld over de mogelijkheid tot afwijken van de urennorm bij de uren van het
onderwijsprogramma.
Op basis van de memorie van toelichting constateren de leden van de NSC-fractie bovendien
dat er een goede reden was om in 2014 de lesurennorm in de WEB op te nemen. Desondanks
lezen deze leden dat de regering nu concludeert dat de wettelijke normering voor onderwijstijd
aanpassing behoeft. Zij vragen hoe de regering naar deze geschiedenis kijkt. Wat is
er veranderd dat maakt dat het probleem waarvoor de lesurennorm een oplossing moest
bieden nu geen probleem meer is of niet meer bestaat?
Het probleem van voor 2014 kwam voornamelijk voort uit klachten over uitval en het
feit dat, in een aantal gevallen, een relatief groot deel van het onderwijsprogramma
uit bpv bestond. Momenteel is dit minder een probleem, omdat we een verplichte minimale
urennorm in het mbo kennen, met een scherp onderscheid tussen bot en bpv. In het wetsvoorstel
behouden we de verplichte minimale urennorm voor het onderwijsprogramma van 1.000
uur. Hierin is ook nog steeds een scherp onderscheid tussen bot en bpv. De regering
kiest voor een iets andere verdeling van de uren waarbij we een robuuste basis behouden
(minimaal 75% van het onderwijsprogramma is bot of bpv) en ruimte geven voor innovatieve
praktijkgerichte onderwijsvormen, die vanuit een onderwijskundige visie onderbouwd
moeten zijn.
Deelt de regering met de leden van de NSC-fractie de zorg dat het versoepelen van
de lesurennorm de problemen waarvoor die norm in het leven is geroepen weer aanwakkert?
Nee. In het verleden was er echt een probleem met de kwaliteit in het mbo. Dit was
mede ingegeven door de urennorm die enerzijds lager was dan de huidige urennorm en
anderzijds geen onderscheid kende tussen bot en bpv. De invoering van de huidige urennorm
is een van de maatregelen geweest om de kwaliteit in het mbo te verbeteren. De strikte
urennorm heeft naast positieve effecten op de kwaliteit van het onderwijs ook een
keerzijde; het biedt scholen weinig flexibiliteit voor innovatieve vormen van onderwijs.
Met het wetsvoorstel blijft de stevige basis behouden, waarbij minimaal 75% van het
onderwijsprogramma uit bot of bpv bestaat. Daarnaast wordt ruimte geboden voor praktijkgerichte
onderwijsactiviteiten buiten de klassieke klaslokaal-situatie om. Daarbij is nog steeds
de bedoeling dat de docent rekening houdt met de voorkennis van studenten en daarop
voortbouwt, de instructie duidelijk, gestructureerd en uitdagend aanbiedt en studenten
stimuleert om leerstof actief te verwerken, met afwisselende oefeningen. De onderwijsinstelling
onderbouwt het curriculum vanuit een onderwijskundige visie. Dit zal niet leiden tot
de problemen waar de sector meer dan tien jaar geleden mee te maken had toen deze
strikte urennorm met een scherp onderscheid tussen bot en bpv niet bestond.
Deze leden vinden het in dit verband ook opmerkelijk dat de regering zich in haar
conclusie baseert op signalen die naar eigen zeggen «in aantal beperkt zijn».16 Zij zetten daarom grote vraagtekens bij de deugdelijkheid van de motivering van dit
wetsvoorstel, zeker gelet op de zojuist genoemde zorg. Is de regering het ermee eens
dat wetgeving een zwaar instrument is, juist daarom om een forse rechtvaardiging vraagt,
en erkent zij dat een gering aantal signalen vanzelfsprekend hiervoor niet toereikend
is?
Wetgeving is een zwaar instrument en is daarmee iets dat niet zomaar wordt ingezet.
Het vraagt dan ook om een heldere rechtvaardiging om een wet te wijzigen. Wat gewaarborgd
moet worden, is dat studenten goed worden voorbereid voor de arbeidsmarkt en het beroep
waarvoor zij studeren.
In het verleden is geprobeerd om de verwarring en de vragen rondom de urennorm te
verhelderen in de brochure «Ruimte in regels in MBO». Dit neemt niet weg dat er blijvende
signalen zijn over te rigide ervaren regels voor onderwijstijd in het mbo. Via onder
andere de mbo-brigade zijn er diverse signalen binnengekomen, waaronder een petitie
die door 700 onderwijsprofessionals is getekend. In deze petitie werd de regering
verzocht de aanbevelingen vanuit de petitie mee te nemen in de wetgevingsplannen rondom
onderwijstijd. Dit was één van de bedoelde signalen, maar wel een signaal dat gedragen
werd door 700 onderwijsprofessionals. Ook in de evaluatie van het geboden onderwijs
tijdens de coronaperiode en de gesprekken die in het veld gevoerd worden over onderwijstijd,
komen dergelijke signalen naar boven, zoals bijvoorbeeld vanuit JOB mbo en de MBO
Raad. Deze signalen zijn aanleiding geweest om in gesprek te gaan met de sector. Gesprekken
met instellingen, docenten en studenten bevestigden, dat er veel behoefte is aan een
aanpassing van de urennorm.
Is zij het met de leden van de NSC-fractie eens dat dit wetsvoorstel hoe dan ook vraagt
om een veel betere motivering?
Zoals bij elk wetsvoorstel is zeer zorgvuldig gekeken naar het probleem, het beoogde
doel, de opties om dat doel te realiseren, en de gevolgen van de gekozen optie, waarbij
de belangen van betrokkenen centraal zijn gesteld. Het doel van dit wetsvoorstel is
om het beroepsonderwijs beter te laten aansluiten op de arbeidsmarkt. De voorgestelde
maatregelen zijn in de memorie van toelichting uitvoerig gemotiveerd.
De leden van de NSC-fractie begrijpen dat de huidige lesurennorm niet tegemoetkomt
aan de behoeften van studenten die in het eerste studiejaar van een basisberoeps-,
vak-, middenkader- of specialistenopleiding gebaat zijn bij een meer intensieve kennismaking
met de praktijk. In de memorie van toelichting wordt in verband daarmee wel gesproken
van «sommige studenten».17 Dit wekt bij deze leden de suggestie dat het om uitzonderingen op de regel gaat.
Dientengevolge merken zij op dat de huidige wetgeving al voorziet in ruimte om op
individuele basis (en zelfs groepsbasis) af te wijken van de lesurennorm.18 Klopt het dat het hier inderdaad om uitzonderingen gaat en, zo ja, kan de regering
aangeven waarom, gelet op de bestaande mogelijkheden om van de (met goede reden ingevoerde)
urennorm af te wijken, zij toch van mening is dat een wetswijziging hier het meest
voor de hand ligt?
Met «sommige studenten» in de memorie van toelichting wordt bedoeld: een deel van
de studenten in het mbo. Een deel van deze studenten is gebaat bij een meer intensieve
kennismaking met de beroepspraktijk. Het gaat dus niet altijd om individuele studenten,
maar in bepaalde gevallen ook voor gehele opleidingen en daarmee een groep studenten.
In de huidige wetgeving omtrent de urennorm is het binnen het onderwijsprogramma mogelijk
om ofwel bot-uren of wel bpv-uren te programmeren. Hier staan urennormen over opgenomen
in de wet. Opleidingen kunnen van deze minimale normen afwijken, mits goed gemotiveerd
door het bevoegd gezag. De aanpassing van de urennorm in het wetsvoorstel gaat niet
alleen over een nieuwe verdeling tussen bot en bpv, maar met name over de flexibele
uren die ook anders ingevuld kunnen worden dan bot en bpv. De afwijkingsmogelijkheid,
zoals deze in de huidige wet is opgenomen, voorziet niet in een deel van het onderwijsprogramma
dat anders ingevuld kan worden dan bot of bpv.
De leden van de NSC-fractie constateren ook dat de bestaande lesurennorm een minimumnorm
is. Huidige wetgeving laat instellingen daarmee al de mogelijkheid om, in aanvulling
op het minimumaantal bot-uren, een intensievere kennismaking met de praktijk aan te
bieden als vast onderdeel van een opleiding. Kan de regering aangeven waarom zij van
oordeel is dat de huidige wetgeving desalniettemin ontoereikend is en aanpassing behoeft?
Het klopt dat het gaat om een minimumnorm, die in de wetgeving is opgenomen. Wanneer
het bevoegd gezag van mening is dat voor die opleiding een intensievere kennismaking
met de praktijk nodig is, is het mogelijk om meer bot-uren of bpv-uren te programmeren.
Meer uren in het onderwijsprogramma zal tot een hogere studiedruk leiden. Uit recente
onderzoeken zoals «Als je door de bomen het bos niet meer ziet»19 blijkt dat een vijfde van de studenten veel prestatiedruk ervaart. In het wetsvoorstel
wordt juist ruimte gecreëerd om intensievere kennismaking met de praktijk binnen de
urennorm mogelijk te maken in plaats van bovenop de minimale urennorm die al vrij
stevig zijn. Kortom, studenten moeten de mogelijkheid krijgen voor intensievere kennismaking
met de praktijk, maar dit mag niet ten koste gaan van het welzijn van deze studenten.
Wat beperkt instellingen op dit moment om de extra intensieve kennismaking met de
praktijk waar sommige studenten behoefte aan hebben al te verzorgen?
De huidige urennorm kent geen mogelijkheden om binnen het onderwijsprogramma andere
onderwijsactiviteiten aan te bieden dan bot en bpv. Dit soort onderwijsactiviteiten
komen dan bovenop het al vrij intensieve onderwijsprogramma. Instellingen zijn dan
gauw geneigd dit soort activiteiten niet, of op vrijwillige basis aan te bieden. Met
het wetsvoorstel wordt de ruimte geboden om dit soort innovatieve en hybride vormen
van onderwijs op te nemen in het reguliere onderwijsprogramma.
Is de regering het ermee eens dat uit het feit dat sommige studenten behoefte hebben
aan een meer intensieve en tijdige kennismaking met de praktijk in het eerste studiejaar,
het niet automatisch volgt dat zij minder behoefte hebben aan bot-uren?
De huidige urennorm schrijft voor dat er in het eerste jaar minimaal 700 uur bot geprogrammeerd
wordt. Om tot een gemiddeld jaarlijks onderwijsprogramma van 1.000 uur te komen, blijft
er nog zo’n 300 uur over voor bpv. Wanneer studenten gebaat zouden zijn bij een intensievere
kennismaking met de praktijk (meer dan 300 uur bpv) dan zou dit leiden tot een zwaarder
onderwijsprogramma. Dit kan het risico op uitval vergroten. Terwijl daar waar bot
en bpv samenkomen, mooie hybride vormen van onderwijs kunnen ontstaan die juist motiverend
kunnen werken. Binnen de huidige urennorm is niet altijd ruimte voor deze onderwijsvormen.
Juist om dit mogelijk te maken worden flexibele uren geïntroduceerd. De flexibele
uren geven instellingen meer mogelijkheden om te variëren in het soort onderwijsactiviteit.
Het kan gaan om bot, bpv of andere hybride praktijkgerichte activiteiten, wat maakt
dat het onderwijsprogramma beter aan kan sluiten bij de behoefte van studenten.
De leden van de NSC-fractie lezen dat het onderhavige wetsvoorstel een drempel beoogt
weg te nemen zodat instellingen makkelijker overgaan tot alternatieve invullingen
van de onderwijstijd. Begrijpen deze leden het goed dat het voorstel dit deels realiseert
door instellingen vrij te stellen van de verplichting om voor deze keuze nog instemming
van de studentenraad te verkrijgen? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen? Het waren de
vele klachten over lesuitval van studenten die uiteindelijk hebben geleid tot de invoering
van de huidige lesurennorm.
De herziening van de urennorm leidt ertoe dat instellingen meer ruimte krijgen om
het onderwijsprogramma in te vullen. Hierbij is het van belang dat het onderwijsprogramma
in lijn is met de onderwijskundige visie van de instelling en dat het aansluit bij
de onderwijsbehoeften van studenten. Onderwijsteams wordt dan ook gevraagd bij het
samenstellen van het onderwijsprogramma te verantwoorden welke keuzes daarbij gemaakt
zijn. De kwaliteit van het onderwijs binnen een instelling wordt middels een regelmatige
cyclus geëvalueerd en beoordeeld, waarbij het oordeel van studenten altijd moet worden
betrokken. De inspectie ziet toe op de werking van deze cyclus. De inspectie beoordeelt
zelf ook het onderwijsprogramma en de uitvoering hiervan. Ook hierbij wordt de mening
van studenten gevraagd. In de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag
wordt nader toegelicht hoe dit toezicht van de inspectie eruit ziet. Binnen de huidige
wetgeving bestaat voor instellingen de mogelijkheid om, mits de opleiding aantoonbaar
van voldoende kwaliteit is, af te wijken van de minimale urennorm.
Het bevoegd gezag moet hiervoor eerst instemming krijgen van de studentenraad en legt
verantwoording af in het jaarverslag.20 Van deze ruimte maken instellingen op dit moment nauwelijks gebruik. Een verklaring
hiervoor is dat deze eisen maken dat afwijken als iets bijzonders wordt ervaren. Docenten
en bestuurders blijken de neiging te hebben om zich te conformeren aan de onderwijsuren
die zijn voorgeschreven in de WEB en daarmee liever af te zien van een andere verdeling
voor bot en bpv. Door meer ruimte te bieden in de urennorm, ontstaat de mogelijkheid
om het onderwijsprogramma anders in te vullen. Hierdoor is de mogelijkheid om af te
wijken, waarvoor de studentenraad formeel instemming dient te verlenen, niet meer
nodig. De signalen, op basis waarvan het wetsvoorstel om de urennorm aan te passen
is ontstaan, geven aanleiding om ruimte te creëren voor hybride vormen van onderwijs
waar veel behoefte aan is, en dus om de urennorm aan te passen. Studenten geven momenteel
juist ook aan onnodig veel in de klas te zitten en hebben het gevoel hier te zitten
om de bij regelgeving verplichte uren op te vullen. De mogelijkheid om het onderwijsprogramma,
en dus lesuren, anders in te vullen zorgt voor een zinvollere besteding van de onderwijstijd.
Is de regering het met de leden eens dat, juist omdat het hier gaat om de vraag hoe
instellingen beter de onderwijsbehoeften van de betrokken studenten kunnen waarborgen,
instemming van de studentenraad nog steeds essentieel kan zijn?
Het onderwijsprogramma dat door onderwijsteams wordt samengesteld, moet altijd worden
vormgegeven zodat het past bij de onderwijsbehoeften van de studenten, zoals ook in
het onderzoekskader van de inspectie beschreven staat. Dat is nu het geval en verandert
met dit wetsvoorstel niet. Daarnaast verwacht ik van onderwijsteams dat ze studenten
betrekken bij de totstandkoming van het onderwijsprogramma. Dit verwacht ik ook nu
al met de huidige urennorm, en niet alleen voor opleidingen die van deze urennorm
afwijken. Omdat er voor het onderwijsprogramma nu ruimte wordt gecreëerd – die bewust
niet strak gedefinieerd wordt om innovaties in het onderwijs mogelijk te maken – vraag
ik onderwijsteams nu het onderwijsprogramma in te vullen op een wijze dat het aansluit
bij de pedagogisch-didactische behoeften van de studenten. Dat het formele instemmingsrecht
voor studenten, op een deel van de opleidingen (namelijk de opleidingen die afwijken
van de minimumnormen) verdwijnt, betekent allerminst dat de mening van studenten over
het onderwijsprogramma en de uitvoering hiervan verdwijnt, zij het in een andere vorm
dan het formele instemmingsrecht van de studentenraad. De mening van studenten wordt
bijvoorbeeld nog steeds betrokken in het oordeel van de inspectie. Dit gebeurt zowel
tijdens reguliere vierjaarlijkse bezoeken als bij steekproeven en risicogerichte onderzoeken.
In de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag wordt verder toegelicht
hoe dit inspectietoezicht eruit ziet.
2.2 Voorstel voor wijziging regels rondom urennorm
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel meer ruimte
wordt gegeven in het type onderwijsactiviteiten alsmede dat ruimte komt voor nieuwe
leer- en werkvormen. Deze leden vinden het goed dat meer ruimte komt voor het invullen
van andere leer- en werkvormen, maar vragen hoe geborgd gaat worden dat deze leer-
en werkvormen net zo veel bijdragen aan het leerproces van de student als de reguliere
leer- en werkvormen. Hoe gaat de regering voorkomen dat studenten niet de dupe worden
van experimenten met leer- en werkvormen die misschien niet werken? Of waar de samenwerking
met het bedrijfsleven vooral is gericht op zo veel mogelijk studenten aantrekken voor
werk in plaats van dat studenten er echt wat van leren?
Door de professionaliteit van de mbo-docenten zal er altijd goed na worden gedacht
hoe het onderwijsprogramma vormgegeven wordt. Steeds vaker worden onderwijsprogramma’s
«evidence-informed» samengesteld. Dat wil zeggen dat het onderwijs ontwikkeld wordt
op een manier die bewezen succesvol is.
Evidence-informed onderwijsprogramma’s zullen ervoor zorgen dat studenten niet de
dupe worden van «mislukte experimenten». Daarnaast blijft de inspectie, net als nu,
toezicht houden op de kwaliteit van het onderwijs. In de inleiding op deze nota naar
aanleiding van het verslag is nader toegelicht hoe dit toezicht er in de praktijk
uit ziet, specifiek op het onderwijsprogramma en de uitvoering hiervan.
Het onderwijsprogramma wordt altijd samengesteld door het onderwijsteam, bestaande
uit deskundige onderwijsprofessionals. Wanneer zij ervan overtuigd zijn dat bepaalde
onderwijsactiviteiten, in samenwerking met het bedrijfsleven, van meerwaarde zijn
voor de ontwikkeling van de studenten, worden hier in contact met het bedrijfsleven
doelmatige onderwijsactiviteiten bij ontworpen. Ook bij de flexibele uren, waarbij
de instelling leer- en werkvormen in innovatieve en hybride leercontexten kan aanbieden,
zonder dat (volledig) sprake is van onderwijs onder verantwoordelijkheid en met actieve
betrokkenheid van een docent geldt dus dat het onderwijs «in the lead» is bij het
vormgeven van het onderwijs, en niet het bedrijfsleven.
Zij vragen ook hoe geborgd wordt dat het leerproces van studenten te allen tijde centraal
staat bij het gebruik van alternatieve leer- en werkvormen.
In alles wat een onderwijsteam doet, staat het leerproces van studenten centraal.
Onderwijsteams werken bijvoorbeeld met een teamplan en met het onderwijs- en examenreglement
(OER). Dit zijn documenten waarin beschreven staat wat het onderwijs inhoudt en hoe
het vormgegeven wordt. De introductie van ruimte voor alternatieve leer- en werkvormen
doet hieraan niks af. Hierbij moeten onderwijsteams laten zien dat de onderwijsactiviteiten
aansluiten bij de pedagogisch-didactische behoeften van studenten. Daarnaast houdt
de inspectie op basis van een aantal standaarden in het onderzoekskader ook toezicht
op het aansluiten van het onderwijs op de onderwijsbehoeften van de studenten. In
de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag is nader toegelicht hoe
dit toezicht eruit ziet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het ook mogelijk is dat de flexibele
uren worden besteed aan projecten waarin mbo-, hbo- en wo-studenten samen aan een
opdracht werken. Deze samenwerking over verschillende onderwijssoorten heen moedigen
deze leden ten zeerste aan. Zij vragen of de flexibele uren, zoals die in dit wetsvoorstel
worden geregeld, al bestaan in het hbo en wo, of anders, op welke andere manier het
mogelijk wordt gemaakt voor hbo- en wo-studenten om mee te werken aan zulke projecten.
Het hbo en wo kent geen minimale urennorm. Onderwijsactiviteiten in de flexibele uren,
zoals deze in het wetsvoorstel voor het mbo mogelijk worden gemaakt, zijn in het hbo
en wo dus al mogelijk.
Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie in hoeverre het creëren van
meer ruimte voor andere onderwijsactiviteiten kan bijdragen aan een gelijkwaardige
positie van het mbo ten opzichte van het hbo en wo.
In eerste instantie gaat dit wetsvoorstel over de verbetering van de aansluiting van
het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt. Wanneer dit gepaard gaat met projecten in samenwerking
met het hbo en wo dan is dit in de gedachte van een waaier aan opleidingen een heel
mooie bijkomstigheid. Hoe meer mbo-studenten in projecten samenwerken met studenten
in het hbo en wo, hoe meer dit bijdraagt aan wederzijde waardering en een door de
maatschappij ervaren gelijkwaardige positie van mbo-, hbo- en wo-studenten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering in plaats van de flexibiliseren
van de onderwijsuren ook heeft overwogen om te kijken naar het aanpassen van de hoeveelheid
uren. Uit het onderzoek van het Trimbos instituut «Als je door de bomen het bos niet
meer ziet» komt naar voren dat dat de hoge studiebelasting leidt tot prestatiedruk
en vooral stress onder zowel studenten als onderwijsprofessionals in het mbo.21 Heeft de regering bij het opstellen van dit wetsvoorstel ook overwogen om het aantal
onderwijsuren aan te passen?
Voorafgaand aan dit wetsvoorstel zijn diverse scenario’s overwogen. Zo is bijvoorbeeld
overwogen of de definities van bot- of bpv-uren aangepast zouden kunnen worden om
alternatieve leer- en werkvormen mogelijk te maken. Dit leek niet ideaal, omdat hiermee
alle bot- en bpv-uren op deze manier ingevuld zouden kunnen worden. De regering wil
naast het creëren van ruimte nog steeds vasthouden aan een stevige basis van begeleide
uren en ook bpv. Ook is overwogen om de flexibele uren bovenop de al bestaande bot-
en bpv-uren mogelijk te maken, maar in het kader van de door studenten ervaren prestatiedruk,
was dit ook geen goede optie. Vanuit verschillende scenario’s is dus gekozen om binnen
de bestaande urennorm ruimte te creëren om alternatieve leer- en werkvormen mogelijk
te maken, om het onderwijsprogramma mee te kunnen verrijken. Hiermee lijkt een juiste
balans gevonden tussen enerzijds een stevige basis van bot en bpv en anderzijds het
bieden van ruimte voor andere onderwijsactiviteiten. Daarbij is opgemerkt dat ook
bij flexibele uren het onderwijsteam «in the lead» is en de gevraagde inspanning van
studenten hetzelfde blijft als bij bot- of bpv-uren. Wel kan een keuze voor hybride
praktijkgerichte opleidingsvormen meer motiverend werken voor studenten, wat weer
tot minder prestatiedruk kan leiden.
Welke redenen liggen er ten grondslag aan de keuze om niet te tornen aan de studiebelasting?
Reguliere opleidingen in het mbo zijn voltijds ingericht en hebben per volledig studiejaar
een studielast van ten minste 1600 klokuren. Dit is gebaseerd op 40 weken van 40 uur.
Er is niet getornd aan de studiebelasting, omdat de wijziging van de urennorm niet
als doel heeft dat studenten een zwaardere of lichtere inspanning zouden moeten leveren.
De inspanningen van studenten blijven ongewijzigd, maar met de introductie van de
flexibele uren, naast een stevige basis van bot- en bpv-uren, kan aan studenten meer
variatie in onderwijsvormen worden geboden, waaronder hybride onderwijsvormen op het
snijvlak van lessen op school en bpv. Hierdoor worden studenten nog beter voorbereid
op de arbeidsmarkt.
De leden van de VVD-fractie lezen dat dit wetsvoorstel de regels rondom onderwijstijd
zal aanpassen. Deze leden vragen of dit niet zal leiden tot een daling van de onderwijskwaliteit,
gezien het feit dat er minder lessen worden gegeven door bevoegde docenten.
De onderwijsactiviteiten in de flexibele uren worden altijd voorbereid en begeleid
door dezelfde onderwijsprofessionals die de studenten tijdens de begeleide onderwijsuren
begeleiden. De kwaliteit van deze activiteiten zal niet minder zijn dan die van de
klassieke lessen in de klas. Meer les in de klas betekent niet per definitie dat de
kwaliteit van het onderwijs beter is. Hybride vormen van onderwijs zorgen voor een
betere aansluiting op de arbeidsmarkt en doen daardoor kwalitatief niet onder voor
de begeleide onderwijsuren. Een voorbeeld hiervan zijn werkvormen, waarbij de instelling
nauw samenwerkt met het bedrijfsleven, zonder dat deze werkvorm als bot of bpv te
beschouwen is. Steeds vaker wordt, buiten het klaslokaal, gewerkt aan vaardigheden
als samenwerken door bijvoorbeeld met medestudenten te werken aan een opdracht van
een werkgever. Dit soort onderwijs valt nu niet binnen de urennorm. Bij bot-uren moet
namelijk sprake zijn van onderwijs dat wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en
met actieve betrokkenheid van een docent. Aanwezigheid van een expert uit het bedrijfsleven
valt hier niet onder. Deze hybride werkvorm valt echter, ondanks de actieve betrokkenheid
van experts uit het bedrijfsleven, ook niet onder de bpv-uren omdat voor deze uren
geen praktijkovereenkomst wordt gesloten met individuele studenten, leerbedrijven
en de instelling. De inspectie zal, ook ten aanzien van het flexibele deel van het
onderwijsprogramma, toezicht houden op de kwaliteit van het onderwijs. Met een aantal
standaarden binnen het onderzoekskader van de inspectie wordt ook specifiek gekeken
naar het onderwijsprogramma en de uitvoering hiervan. In de inleiding van deze nota
naar aanleiding van het verslag is nader toegelicht hoe dit toezicht eruit ziet.
Zij vragen welke voorbeelden en/of onderzoeken er bestaan dat deze wijziging niet
leidt tot een daling van de onderwijskwaliteit.
De onderwijsactiviteiten die in de flexibele uren plaats zullen vinden worden altijd
voorbereid en begeleid door dezelfde onderwijsprofessionals die de studenten tijdens
de begeleide onderwijsuren begeleiden. De kwaliteit van deze activiteiten zal niet
minder zijn dan die van de klassieke lessen in de klas. Onderzoek naar de onderwijskwaliteit
is nog niet beschikbaar. Omdat dit soort activiteiten nog geen gemeengoed zijn in
het mbo, omdat het simpelweg niet mogelijk is binnen de huidige urennorm, is het moeilijk
om te onderzoeken welk effect deze hebben op de onderwijskwaliteit. Daarom wordt de
wetswijziging ook geëvalueerd om de effecten op de onderwijskwaliteit te onderzoeken.
Wel is de verwachting dat door de innovatiekracht van de onderwijsprofessionals in
het mbo dit soort onderwijsactiviteiten meer en meer een plek zullen krijgen binnen
het onderwijsprogramma. Daarnaast moet kwaliteit van onderwijs niet enkel worden gezocht
in het onderwijsprogramma. Onderwijskwaliteit ontstaat door verschillende factoren
zoals voldoende bekwame docenten, goed klassenmanagement en een gestructureerde instructie,
de facilitering van management richting docenten en een goed systeem van plannen en
evalueren. Ook het onderwijsprogramma moet gedegen zijn, maar is niet de enige factor
voor de onderwijskwaliteit.
De leden van de NSC-fractie begrijpen dat het wetsvoorstel geen wijzigingen aanbrengt
in het aantal klokuren onderwijsactiviteiten dat een mbo-opleiding moet bevatten,
maar dat het de definitie van «onderwijsactiviteit» verruimt zodat ook «nieuwe leer-
en werkvormen in innovatieve en hybride leercontexten» eronder kunnen vallen.22 Op basis van de voorbeelden die in de memorie van toelichting worden gegeven zijn
deze leden er niet van overtuigd dat het hier echt om een hele nieuwe categorie onderwijsactiviteiten
gaat. Kan de regering uitleggen in welke opzicht de gegeven voorbeelden niet gewoon
voorbeelden zijn van zelfstandig werken, al dan niet in groepsverband?
Binnen de studielast van 1.600 uur per jaar zijn 1000 klokuren gedefinieerd als onderwijsprogramma
en zijn 600 klokuren niet gedefinieerd. Deze niet-gedefinieerde uren vallen onder
zelfstandig werken, hierbij kunnen studenten hun eigen tijd invullen om huiswerk te
maken, al dan niet in groepsverband, en te leren voor toetsen en/of examens. Het onderwijsprogramma,
dat bestaat uit bot, bpv (en de in het wetsvoorstel beoogde introductie van flexibele
uren), is wezenlijk anders dan de zelfstudie-uren. In tegenstelling tot zelfstudie-uren
wordt het onderwijsprogramma geprogrammeerd door het onderwijsteam. De voorbeelden
van hybride onderwijsactiviteiten op het snijvlak van school en beroepspraktijk, zoals
deze onder andere in de inleiding van deze nota naar aanleiding het verslag worden
gegeven, maken onderdeel uit van het onderwijsprogramma, dat wordt geprogrammeerd
door het onderwijsteam. Alhoewel een bevoegd docent niet op elk moment, bij elke student
aanwezig moet zijn, heeft het onderwijsteam bij de activiteiten voor flexibele uren
nog steeds regie. Dit betekent dat een docent activiteiten voorbereidt, ingegeven
vanuit een onderwijskundige visie, en waaraan studenten op vastgestelde tijden deelnemen.
Omdat de innovatiekracht van de onderwijsprofessionals in het mbo groot is, zijn de
voorbeelden uit de toelichting niet uitputtend.
En wijst het voorbeeld waarin studentengroepen worden opgesplitst om de docent meer
gelegenheid te geven voor intensieve begeleiding er niet vooral op dat er behoefte
is aan meer docenten in plaats van meer ruimte voor zelfstandig werken aan opdrachten?
Het wetsvoorstel is niet voortgekomen uit een behoefte aan meer docenten in het mbo.
Het wetsvoorstel is voortgekomen vanuit een sterke wens uit de sector zelf om de urennorm
te herzien. De flexibele uren geven een docent de ruimte om keuzes te maken rondom
het onderwijsprogramma. Hierbij is het denkbaar dat een deel van de studenten in een
klas intensievere begeleiding nodig heeft, en dat andere studenten meer zelfstandig
aan de slag kunnen zijn.
De leden van de BBB-fractie zien dat deze wetswijziging voortkomt uit een langlopend
gesprek over de urennorm in het onderwijs. Al zo’n tien jaar is er kritiek dat de
huidige regels te weinig ruimte bieden voor nieuwe leer- en werkvormen die beter aansluiten
op de arbeidsmarkt. Dit geldt vooral voor eerstejaarsstudenten, die baat hebben bij
een snelle kennismaking met de praktijk.
Een belangrijk onderdeel van de wetswijziging is het verlagen van het verplichte aantal
uren begeleide onderwijstijd naar 500 uur per jaar, constateren de leden van de BBB-fractie.
Deze leden maken zich grote zorgen over de gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs.
Het aantal verplichte lesuren onder begeleiding van een bevoegde docent wordt aanzienlijk
verminderd. Hierdoor kan tot een kwart van de huidige begeleide onderwijstijd ingevuld
worden met activiteiten en opdrachten zonder een bevoegde docent. De leden vragen
welke risico’s dit met zich meebrengt voor de onderwijskwaliteit.
De regering is het eens met de constatering dat de urennorm in het mbo al jarenlang
tot discussie leidt. Vanuit de sector is dan ook de oproep gekomen voor meer ruimte
binnen het onderwijsprogramma. Deze vrijheid wordt in het wetsvoorstel gegeven door
het introduceren van de flexibele uren. De opvatting dat hierdoor tot een kwart van
de huidige begeleide onderwijstijd ingevuld kan worden met activiteiten en opdrachten
zonder een bevoegde docent, deel ik niet. Docenten zijn nog steeds verantwoordelijk
voor de invulling van de onderwijsactiviteiten en opdrachten en bieden hierbij ook
begeleiding. De begeleiding hoeft daarin niet altijd plaats te vinden in een klassikale
setting. Ik stel daarnaast voorop dat ik vertrouwen heb in de professionaliteit van
de mbo-docenten om verantwoordelijk om te gaan met de geboden ruimte, juist ook omdat
docenten hier zelf om gevraagd hebben. Tegelijkertijd is met dit wetsvoorstel een
robuuste basis behouden waarin 75% van het onderwijsprogramma nog steeds bestaat uit
begeleide onderwijsuren en stages.
Daarnaast is er een aantal mitigerende maatregelen in het wetsvoorstel opgenomen,
om de risico’s op verschraling van de onderwijskwaliteit tegen te gaan. Zo moeten
onderwijsteams de invulling van de flexibele uren vooraf verantwoorden en deze toetsen
aan de onderwijskundige visie van de instelling. Daarnaast houdt de inspectie toezicht
op de kwaliteit van het onderwijsprogramma en de uitvoering hiervan. In de inleiding
van deze nota naar aanleiding van het verslag wordt hier nader op ingegaan.
De leden van de BBB-fractie stellen vast dat de huidige urennorm in 2011 werd ingevoerd
na protesten over de lage onderwijskwaliteit en het gebrek aan lessen en contactmomenten
met docenten. Door het competentiegericht leren hadden veel mbo-opleidingen nauwelijks
nog lesroosters en werd er weinig onderwijs werd gegeven door bevoegde docenten. De
urennorm werd in reactie hierop vastgesteld op 1.000 uur per jaar, met een wettelijk
aantal uren begeleide onderwijstijd. Deze leden vragen hoe kan worden gegarandeerd
dat het verlagen van het verplichte aantal uren begeleide onderwijstijd niet gaat
leiden tot een afname van de onderwijskwaliteit.
De onderwijsactiviteiten in de flexibele uren worden altijd voorbereid en begeleid
door dezelfde onderwijsprofessionals die de studenten tijdens de begeleide onderwijsuren
begeleiden. De kwaliteit van deze activiteiten zal niet minder zijn dan de klassieke
lessen in de klas. Meer les in de klas betekent niet per definitie dat de kwaliteit
van het onderwijs beter is. Hybride vormen van onderwijs zorgen voor een betere aansluiting
op de arbeidsmarkt en doen daardoor kwalitatief niet onder voor de begeleide onderwijsuren.
Een voorbeeld hiervan zijn werkvormen, waarbij de instelling nauw samenwerkt met het
bedrijfsleven, zonder dat deze werkvorm als bot of bpv te beschouwen is. Steeds vaker
wordt, buiten het klaslokaal, gewerkt aan vaardigheden als samenwerken door bijvoorbeeld
met medestudenten te werken aan een opdracht van een werkgever. Dit soort onderwijs
valt nu niet binnen de urennorm. Bij bot-uren moet namelijk sprake zijn van onderwijs
dat wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van een
docent. Aanwezigheid van een expert uit het bedrijfsleven valt hier niet onder. Deze
hybride werkvorm valt echter, ondanks de actieve betrokkenheid van experts uit het
bedrijfsleven, ook niet onder de bpv-uren omdat voor deze uren geen praktijkovereenkomst
wordt gesloten met individuele studenten, leerbedrijven en de instelling. De inspectie
zal, ook in het flexibele deel van het onderwijsprogramma, toezicht houden op de kwaliteit
van het onderwijs. Met een aantal standaarden binnen het onderzoekskader van de inspectie
wordt ook heel specifiek gekeken naar het onderwijsprogramma en de uitvoering hiervan.
In de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag is nader toegelicht
hoe dit toezicht eruit ziet.
3. Betere aansluiting beroepsonderwijs arbeidsmarkt door verkorte opleidingen vanwege
leer- of werkervaring
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
voorstel om de mogelijkheid aan te bieden van verkorte diplomagerichte opleidingen.
Deze leden delen de analyse dat regelgeving het nu moeilijk maakt om veelal volwassen
sneller om en bij te scholen. Zij vragen hoe de positie van het bekostigde onderwijs
verandert ten op zich te van het niet-bekostigde onderwijs, waarvan het laatste type
onderwijs op dit moment beter in staat lijkt te zijn om verkorte, specialiserende
trajecten aan te bieden.
De maatregelen in het wetsvoorstel wijzigen de positie van het bekostigd onderwijs
ten opzichte van het niet-bekostigd onderwijs niet. Ook nu al is er wettelijke ruimte
voor verkorte diplomagerichte opleidingen en voor het aanbieden van onderdelen van
mbo-opleidingen in de derde leerweg. Daarbij is opgemerkt dat diplomagerichte opleidingen
zowel in het bekostigd onderwijs als in het niet-bekostigd onderwijs kunnen worden
uitgevoerd. Dit geldt niet voor het volgen van een deel van een mbo-opleiding; hiervoor
is het niet mogelijk om bekostiging te ontvangen.
In hoeverre draagt dit wetsvoorstel eraan bij dat leven lang ontwikkelen wordt vergemakkelijkt
en gestimuleerd?
Het mbo kan een belangrijke bijdrage leveren aan de bij- en omscholing in het kader
van een leven lang ontwikkelen en het vergroten van de in- en doorstroom in kraptesectoren.
Het wetsvoorstel voegt geen nieuwe mogelijkheden toe om mensen op te leiden, maar
biedt mbo-instellingen duidelijkheid over de wijze waarop reeds beschikbare opleidingsmogelijkheden
binnen het mbo kunnen worden uitgevoerd. Zo wordt in het wetsvoorstel kaders en voorwaarden
beschreven voor mbo-instellingen die een verkorte opleiding willen aanbieden aan mensen
met leer- en werkervaring. Ook wordt met het wetsvoorstel de huidige niet-bekostigde
derde leerweg in de WEB voorzien van een duidelijke naam: de loopbaanbegeleidende
leerweg en wordt het wettelijk kader voor het aanbieden van een deel van een mbo-opleiding
in deze leerweg verhelderd. Het wetsvoorstel vormt één van de ingrediënten om een
leven lang ontwikkelen te stimuleren. Andere maatregelen zijn te vinden in de Kamerbrief
Uitwerking Onderwijsagenda LLO van 10 november 2023.23
De leden van de NSC-fractie begrijpen dat met dit voorstel mbo-instellingen opleidingen
verkort kunnen aanbieden aan studenten die daarvoor in aanmerking komen vanwege eerder
opgedane relevante kennis en vaardigheden. Deze leden merken daarbij op dat het voorstel
instellingen erg veel vrijheid geeft om dit naar eigen inzicht in te vullen en zijn
bezorgd over de kwaliteitsborging van het door dit voorstel mogelijk gemaakte onderwijsaanbod
en de mogelijke gevolgen op de toegankelijkheid van het mbo. Zij constateren dat de
regering in deze ervoor kiest een afwachtende houding aan te nemen door eerst te bezien
wat de daadwerkelijke effecten van het wetsvoorstel zijn en zo nodig pas naderhand
(op z'n vroegst vijf jaar na inwerkingtreding) een algemene maatregel van bestuur
vast te stellen om negatieve gevolgen in te perken. Is de regering het ermee eens
dat hiermee een aanzienlijk risico wordt genomen?
Nee. Op dit moment mogen instellingen aan studenten met relevante leer- en werkervaring
opleidingen in een verkorte duur aanbieden, ondanks dat de verkorte opleiding niet
in de WEB is gedefinieerd. Met dit wetsvoorstel wordt de mogelijkheid in de wet vastgelegd
en voorzien van een aantal waarborgen waarbij ook de toegankelijkheid van het mbo
is geborgd. Allereerst is opgemerkt dat bij een verkorte diplomagerichte opleiding
de kwalificatie-eisen ongewijzigd blijven. De instelling heeft alleen de ruimte om,
voor studenten met relevante leer- en werkervaring, het onderwijs of de beroepspraktijkvorming
in minder uren aan te bieden. De reguliere regels voor kwaliteitsborging van de opleiding
blijven van toepassing in het geval de instelling een verkorte opleiding aanbiedt.
Ook de wet- en regelgeving voor het inspectietoezicht blijft van toepassing. Ten tweede
is het voorstel dat de mbo-instelling voortaan een regeling bij een verkorte opleiding
opstelt en deze openbaar maakt, waarin beschreven wordt wat de toelatingseisen van
de verkorte opleiding zijn. Deze toelatingseisen moeten voldoende onderscheidend zijn
ten opzichte van de eisen die worden gesteld aan toelating tot de reguliere opleiding.
Ten derde is in het voorstel een aanvullende waarborg opgenomen, namelijk dat de instelling,
in het kader van kwaliteitszorg, de toelatingseisen van de verkorte opleiding regelmatig
moet beoordelen en zo nodig bijstelt. Als extra waarborg is toegevoegd dat bij algemene
maatregel van bestuur kan worden beperkt welke beroepsopleidingen voor verkorting
in aanmerking komen, kan een maximum worden gesteld aan het aantal verkorte beroepsopleidingen
in relatie tot het totale aantal beroepsopleidingen dat het bevoegd gezag verzorgt
en kan worden bepaald welke studenten in aanmerking komen voor toelating tot de verkorte
beroepsopleiding. Alhoewel de regering ervan uitgaat dat deze extra «veiligheidsklep»
niet hoeft te worden toegepast, bestaat de mogelijkheid om snel in te grijpen als
na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toch blijkt dat de toegankelijkheid van het
mbo in het geding is.
En is de regering zich ervan bewust dat eventuele negatieve gevolgen onomkeerbaar
kunnen zijn?
Instellingen zijn vrij om de toelatingseisen te bepalen en te besluiten welke opleidingen
verkort aangeboden kunnen worden. De regering kan bij algemene maatregel van bestuur
ingrijpen als de toegankelijkheid van het mbo in geding is. Eventuele negatieve gevolgen
van dit voorstel zijn niet onomkeerbaar. Een voorbeeld van een mogelijk gevolg is
dat studenten zijn toegelaten tot de verkorte opleiding en waarvoor blijkt dat zij
de reguliere tijd nodig hebben om aan de kwalificatie-eisen te voldoen. Dit is omkeerbaar.
De instelling kan deze student alsnog meer tijd bieden om aan de kwalificatie-eisen
te voldoen. Van de instelling wordt verwacht dat zij de toelatingseisen evalueert
en zo nodig bijstelt. Een ander mogelijk negatief gevolg zou kunnen zijn dat studenten
niet de reguliere opleiding kunnen volgen bij een mbo-instelling, terwijl de instelling
wel een verkorte opleiding aanbiedt voor studenten met specifieke leer- en werkervaring.
Ook een dergelijk gevolg is niet als onomkeerbaar te beschouwen. De instelling kan,
bij gebleken belangstelling, zowel de reguliere opleiding aanbieden als de opleiding
met een verkorte studieduur.
Heeft de regering rekening gehouden met perverse prikkels die mogelijk van dit voorstel
uit kunnen gaan?
Met het wetsvoorstel wordt de huidige ruimte die onderwijsinstellingen hebben om verkorte
opleidingen aan te bieden voor mensen met leer- en werkervaring voorzien van enkele
waarborgen, waarmee perverse prikkels worden voorkomen. Zo voorziet het voorstel erin
dat de onderwijsinstelling een regeling opstelt met toelatingseisen voor de verkorte
opleiding. Deze eisen moeten onderscheidend zijn ten opzichte van de eisen die worden
gesteld aan toelating tot de reguliere opleiding. Zo is voor aspirant-studenten voor
de start van de opleiding duidelijk of zij in aanmerking komen voor de verkorte opleiding.
Ten tijde van dalende studentenaantallen, vreest de regering er niet voor dat opleidingen
louter verkort worden aangeboden als er vanuit de studenten met een reguliere vooropleiding
ook belangstelling voor bestaat. Gelet op de bekostiging per student is de instelling
erbij gebaat om de opleiding in die situatie tevens in de reguliere duur aan te bieden.
De toegankelijkheid tot het mbo onderwijs is daarmee geborgd.
Kan de regering tot slot aangeven of dit voorstel gevolgen heeft voor de manier waarop
de lumpsum wordt vastgesteld?
De bekostiging per studiejaar wordt vastgesteld op basis van het aantal ingeschreven
studenten en het aantal diploma’s dat wordt afgegeven. Dit voorstel wijzigt niets
aan de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld.
3.1 Voorstel verkorte opleidingen vanwege leer- of werkervaring
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie staan positief tegenover het aanbieden van
verkorte opleidingen vanwege leer- en werkervaring, maar vragen af hoe ervoor wordt
gezorgd dat er niet te lichtzinnig wordt omgegaan met het verkorten van opleidingen
gezien de drievoudige kwalificatieplicht van het mbo. De drievoudige kwalificatieplicht
van het mbo houdt in dat een mbo-studenten worden opgeleiden voor een vak, voor een
vervolgopleiding en voor goed burgerschap. Deze leden maken zich soms zorgen dat het
mbo te veel wordt gezien als een onderwijssoort die snel vakmensen aflevert, terwijl
het ook belangrijk is dat studenten de andere kwalificaties eigen maken. Kan de regering
reflecteren hoe wordt geborgd dat er oog blijft voor de drievoudige kwalificatie?
Voor zowel de opleiding in de reguliere duur als voor de verkorte diplomagerichte
opleiding voor mensen met leer- en werkervaring, gelden dezelfde kwalificatie-eisen.
Wat betreft deze eisen zijn zowel de beroepsgerichte kwalificatie-eisen, generieke
eisen (voor Nederlandse taal, rekenen, loopbaan en burgerschap en voor de middenkaderopleiding
en specialistenopleiding Engels) en de eisen voor keuzedelen van toepassing. De verkorte
mbo-opleiding voldoet daarmee aan de bij wet- en regelgeving gestelde eisen voor de
drievoudige kwalificatie.24 Er kan derhalve niet lichtzinnig worden omgegaan met het verkorten van de opleiding.
Alleen als er onderscheidende leer- en werkervaring is opgedaan door de studenten,
kunnen zij de opleiding in een kortere studieduur doorlopen én voldoen aan dezelfde
eisen. De instelling mag dan ook toelatingseisen stellen aan studenten.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel de mogelijkheid biedt
om mbo-opleidingen te verkorten, onder andere voor studenten met relevante werk- of
leerervaring. Deze leden vragen hoe wordt gewaarborgd dat deze verkorte opleidingen
blijven voldoen aan de eisen van de arbeidsmarkt en werkgevers.
Bij een verkorte opleiding houdt de onderwijsinstelling in het curriculum rekening
met de kennis en kunde waarover de studenten met leer- en werkervaring al beschikken.
Zij krijgen een aangepast onderwijsprogramma dat hen sneller voorbereid op de examens.
Voor zowel de opleiding in reguliere duur als voor de verkorte opleiding gelden dezelfde
beroepsgerichte kwalificatie-eisen, dezelfde generieke eisen voor taal, rekenen, loopbaan
en burgerschap en dezelfde eisen voor keuzedelen. Deze kwalificatie-eisen zijn opgesteld
op basis van eisen die het beroep aan beginnende beroepsbeoefenaren stellen en op
basis van eisen van vervolgonderwijs en samenleving. Vanuit werkgeverszijde is er
veel aandacht voor personeelstekort als een groeiend probleem. Zij kijken naar manieren
om mensen aan te trekken en te behouden, met aandacht voor thema’s als scholing, flexibele
werktijden en duurzame inzetbaarheid. Efficiënt opleiden door een verkorte opleiding
te volgen, is een van de mogelijkheden waarmee zij-instromers, afkomstig uit een andere
sector, inzetbaar worden in een nieuwe functie. De onderwijsinstelling moet zich zowel
bij opleidingen in de reguliere duur als bij een verkorte variant houden aan dezelfde
wettelijke kaders voor uitvoering van het onderwijs en de examinering. De landelijke
waarde en herkenbaarheid van het afgegeven mbo-diploma bij een verkorte opleiding
blijft gelijk aan die van een afgegeven mbo-diploma van dezelfde opleiding in de reguliere
duur.
Op welke manier wordt gecontroleerd of afgestudeerden van een verkorte opleiding over
dezelfde vaardigheden en kennis beschikken als studenten die een reguliere opleiding
volgen?
De examencommissie heeft tot taak het op objectieve en deskundige wijze vaststellen
of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma. De
student die de verkorte beroepsopleiding heeft gevolgd, moet over dezelfde vaardigheden
en kennis beschikken om gediplomeerd te worden als de student die dezelfde beroepsopleiding
heeft gevolgd in de reguliere duur.
4. Betere aansluiting beroepsonderwijs arbeidsmarkt door aanbod van actuele en passende
keuzedelen
De leden van de VVD-fractie constateren dat het loskoppelen van keuzedelen vraagt
om een grotere mate van flexibiliteit van onderwijspersoneel. Deze leden vragen in
hoeverre het mbo-onderwijs, gezien het bestaande tekort aan gekwalificeerde docenten,
in staat is om deze extra flexibiliteit effectief te realiseren.
Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat instellingen zelf (en in overleg met het bedrijfsleven)
kunnen kiezen welke keuzedelen ze aanbieden. Er hoeft geen koppeling meer aangevraagd
te worden bij SBB; dit geeft meer vrijheid en minder bureaucratie. Wat niet verandert,
is dat instellingen zelf beslissen welke keuzedelen ze opnemen in hun aanbod. Voor
deze keuzes worden inhoudelijke afwegingen gemaakt, maar kan ook rekening worden gehouden
met de docenten die dit onderwijs moeten geven.
Welke maatregelen worden genomen om docenten hierbij te ondersteunen en de uitvoerbaarheid
van deze wijziging te waarborgen?
Instellingen kunnen geholpen worden bij het bepalen welke keuzedelen in het aanbod
van een opleiding opgenomen gaan worden. Docenten hebben zelf vaak contact met het
bedrijfsleven waardoor ze zich op de hoogte kunnen stellen van actuele ontwikkelingen
in het werkveld. Dit kunnen ze gebruiken bij het bepalen welke keuzedelen relevant
zijn. Daarnaast blijft vindbaar welke koppelingen er voorheen bestonden en is zichtbaar
voor welke kwalificatie(s) een keuzedeel is ontwikkeld. Dit helpt bij het bepalen
welke keuzedelen passend zijn bij welke kwalificaties.
4.1 Voorstel loskoppeling keuzedelen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
voorstel om de keuzedelen los te koppelen van de kwalificaties en staan hier positief
tegenover. Nieuwe keuzedelen worden sinds 2020 al niet meer gekoppeld, dus deze leden
zien dat dit voorstel uitwerking geeft aan dat wat de laatste jaren al gebeurt. Zij
hebben nog wel enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat mbo-, hbo- en wo-studenten
gelijk worden gewaardeerd en behandeld. Toch bekruipt deze leden het gevoel dat mbo-studenten
minder keuzevrijheid hebben bij het kiezen van een keuzedeel ten opzichte van hbo-
of wo-studenten die kiezen voor een minor. Klopt het beeld van de leden dat hbo- en
wo-studenten zich niet hoeven te verantwoorden over de relevantie van hun minor ten
opzichte van hun opleiding?
Dit beeld klopt niet. Zowel in het mbo als in het hbo en wo, bieden instellingen keuzedelen
respectievelijk minoren aan, aan studenten. Het is uiteindelijk aan studenten om daar
een keuze uit te maken. In het mbo kunnen studenten kiezen uit het aanbod dat de opleiding
hen doet. Daarbij weten ze dat deze keuzedelen passen bij de inhoud van de beroepsopleiding
of relevante ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Ze kunnen ook een keuzedeel kiezen
dat niet bij de opleiding wordt aangeboden. Dit keuzedeel kunnen ze volgen bij de
eigen instelling of een andere instelling. De enige restrictie is dat het keuzedeel
geen ondoelmatige overlap mag hebben met de kwalificatie die de student volgt. Het
recht van studenten om ook een andere keuzedeel te kiezen, wordt met dit wetsvoorstel
niet aangepast.
In het hbo en wo kunnen studenten ook zelf minoren kiezen, binnen de eigen opleiding,
een andere opleiding of via het zogeheten «Kies op Maat» bij een andere universiteit
of hogeschool als de instelling van de student hierop is aangesloten. Kies op Maat
is bedoeld voor uitwisseling tussen hogescholen en universiteiten en biedt zekerheid
dat de minor wordt erkend door de eigen instelling. Eventuele restricties zijn er
in het hbo en wo door toelatingseisen die kunnen gelden voor deelname aan de minor.
In bepaalde gevallen dient de examencommissie toestemming te verlenen voor het volgen
van een minor bijvoorbeeld om te voorkomen dat deze minor te veel overlap heeft met
de het verplichte curriculum van opleiding zelf.
Vind de regering dat het kiezen van een keuzedeel in het mbo en het kiezen van een
minor in het hbo en wo op dit moment gelijkwaardig is?
De keuzemogelijkheden voor alle studenten in het vervolgonderwijs zijn gelijkwaardig.
Zowel in het mbo als in het hbo/wo kunnen studenten een keuze maken uit keuzedelen,
respectievelijk minoren van de eigen instelling of een andere instelling.
Kan de regering een vergelijking maken tussen de keuzedelen in het mbo en de minoren
in het hbo en wo met daarin een onderscheid voor- en na de wetswijziging, zo vragen
de leden van GroenLinks-PvdA-fractie.
De leden van de BBB-fractie zien dat in het voorliggende wetsvoorstel wordt geregeld
dat de keuzedelen niet meer gekoppeld zijn aan kwalificaties. Hierdoor moeten studenten
meer vrijheid krijgen in het kiezen van keuzedelen die aansluiten bij hun interesses.
Sinds 2020 zijn nieuwe keuzedelen al niet meer gekoppeld aan kwalificaties en met
dit wetsvoorstel worden alle keuzedelen ontkoppeld. Deze leden vragen of de regering
een vergelijking kan maken tussen de keuzedelen in het mbo en de minors in het hbo
en wo, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de situatie voor en na de wetswijziging.
Hieronder wordt een vergelijking gemaakt aan de hand van vier kenmerken: ontwikkelen
en vaststellen, onderdelen van een opleidingsprogramma, aanbod aan studenten, keuze
door studenten.
1. Ontwikkelen en vaststellen
De grootste verschillen tussen keuzedelen en minoren komen voort uit bestaande verschillen
tussen opleidingen in het mbo en hbo/wo. Zo kent het mbo een landelijke kwalificatiestructuur
en landelijk vastgestelde keuzedelen. Dit is zo voor en na de voorgestelde wetswijziging.
In het hbo/wo kunnen instellingen zelf de inhoud van opleidingen bepalen. Minoren
zijn dus, in tegenstelling tot keuzedelen, ook niet landelijk vastgesteld.
2. Onderdeel van het opleidingsprogramma
In het mbo zijn keuzedelen een verplicht onderdeel van de opleiding, zowel voor als
na de voorgestelde wetswijziging. In het hbo/wo zijn minoren een invulling van het
onderwijsprogramma. Het aanbod minoren kan, net als het aanbod van keuzedelen, ook
(jaarlijks) wisselen.
3. Aanbod aan studenten
Instellingen in het mbo kunnen zelf kiezen welke keuzedelen ze aanbieden aan hun studenten.
In de huidige situatie kunnen instellingen daarbij alleen kiezen uit keuzedelen die
gekoppeld zijn aan de kwalificatie die de student volgt. Na de voorgestelde wetswijziging
kunnen instellingen uit alle keuzedelen kiezen welke ze aanbieden aan de student.
Voorwaarde hierbij is wel dat de keuzedelen die aan de student worden aangeboden,
passen bij de inhoud van de beroepsopleiding of bij relevante ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt. Instellingen in het hbo en wo kunnen zelf bepalen welke minoren ze aanbieden
aan hun studenten.
4. Keuze door studenten
In het mbo kunnen studenten kiezen uit het aanbod dat de instelling hen doet, maar
ze kunnen ook een ander keuzedeel kiezen, uit het aanbod van de eigen instelling of
van een andere instelling. Enige voorwaarde is dat een keuzedeel niet mag overlappen
met de kwalificatie die de student volgt. Dit is voor en na de voorgestelde wetswijziging
gelijk. In de huidige situatie bepalen instellingen wanneer studenten hun keuzedelen
moeten kiezen. Dat kan betekenen dat studenten aan het begin van de opleiding al alle
keuzedelen moeten kiezen, ook voor volgende studiejaren. Na de wetswijziging krijgen
studenten de gelegenheid om voor het moment dat zij keuzedelen volgen hun keuze te
maken, of een eerder gemaakte keuze te heroverwegen.
In het hbo en wo is de student vrij om zelf een minor te kiezen bij de eigen instelling
of bijvoorbeeld via het zogeheten «Kies op Maat». Instellingen bepalen zelf hoe het
inschrijfproces verloopt. Bij de minoren die de student kan kiezen, staat ook de procedure
voor inschrijving. Die kan dus verschillen tussen instellingen en minoren.
Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat mbo-instellingen een zorgplicht
hebben om in het kader van de beroepsopleiding voldoende keuzedelen aan te bieden.
Deze leden hebben vanuit mbo-studenten vaak gehoord dat er weinig te kiezen viel als
het aankwam op de keuzedelen. Hoe draagt dit wetsvoorstel eraan bij dat scholen daadwerkelijk
voldoen aan hun zorgplicht om voldoende keuzedelen te realiseren?
De zorgplicht betekent dat studenten een keuze moeten kunnen maken uit de aangeboden
keuzedelen. Dit kan zeer minimaal worden ingevuld, waardoor instellingen wel voldoen
aan de zorgplicht, maar studenten alsnog ontevreden zijn over de keuzes die zij kunnen
maken. Dit wetsvoorstel ondersteunt instellingen en studenten op verschillende manieren
om een bredere keuze voor studenten mogelijk te maken.
Het loslaten van de landelijke koppeling van keuzedelen aan kwalificaties maakt instellingen
flexibeler om te bepalen welke keuzedelen bij welke opleidingen aangeboden zullen
worden. Dit betekent dat instellingen ook gemakkelijker studenten uit verschillende
opleidingen hetzelfde keuzedeel kunnen laten volgen. Dit komt de keuzemogelijkheden
van studenten ten goede. Ook wordt het periodieke keuzemoment geïntroduceerd. Dit
betekent dat studenten voorafgaand aan het moment dat het keuzedeel gevolgd wordt
een keuze kunnen maken of een eerder gemaakte keuze kunnen heroverwegen. Dit stimuleert
scholen om actief na te blijven denken over het aanbod aan keuzedelen, en dit meerdere
keren per jaar te evalueren. Dit leidt naar verwachting tot een bewuster keuzedelenbeleid,
waarbij aandacht is voor de keuzes die studenten willen maken.
Daarnaast worden instellingen verplicht om een overzicht van alle keuzedelen die de
instelling aanbiedt openbaar te maken. (Aankomend) studenten kunnen het aanbod van
verschillende instellingen vergelijken. Dit stimuleert scholen om een actueel en passend
aanbod te hebben.
5. Betere aansluiting beroepsonderwijs arbeidsmarkt door aanbod deel van een opleiding
5.1 Probleembeschrijving en doelstelling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
voorstellen omtrent het aanbieden van delen van de opleiding. Deze leden vinden dat
positief, omdat het voor sommige doelgroepen niet nodig is een gehele opleiding te
volgen. Zij vragen wederom of de drievoudige kwalificatie van het mbo niet uit het
oog wordt verloren door verkorte opleidingen aan te bieden.
Er is een belangrijk verschil tussen het aanbieden van een deel van een opleiding
en het aanbieden van een verkorte opleiding voor mensen met leer- en werkervaring.
Een verkorte opleiding is altijd, net zoals de opleiding in de reguliere duur, gericht
op het halen van het diploma, en hiervoor geldt de drievoudige kwalificatie. Bij het
aanbieden van een deel van een opleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg, maakt
de onderwijsinstelling een selectie uit de kwalificatie-eisen van een volledige opleiding.
Dit kan gaan om een selectie uit de beroepsgerichte kwalificatie-eisen, uit de generieke
kwalificatie-eisen voor taal, rekenen en loopbaan en burgerschap, uit de keuzedelen,
of een combinatie ervan. Na afloop van het gevolgde deel ontvangt de student een mbo-certificaat
of een mbo-verklaring. De drievoudige kwalificatie geldt hierbij niet, want studenten
volgen geen volledige opleiding. De drievoudige kwalificatie geldt wel, in het geval
studenten, na het gevolgde deel, alsnog door willen gaan met de volledige opleiding
om het diploma behalen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat er een glijdende
schaal ontstaat, waarin het verleidelijk wordt om mbo-opleidingen verkort aan te bieden
en te volgen, gezien de grote vraag naar mbo-geschoold personeel.
Voor jongeren staat het behalen van een mbo-diploma voorop. Zij moeten immers als
beginnend beroepsbeoefenaar een goede start maken op de arbeidsmarkt. Gezien de grote
vraag naar mbo-geschoold personeel is ook van belang dat het mbo meer maatwerk kan
bieden voor volwassen werkenden en werkzoekenden die willen doorgroeien binnen de
sector of een overstap willen maken naar een andere sector. De niet-bekostigde loopbaanbegeleidende
leerweg biedt mogelijkheden voor kortdurende trajecten waarbij mensen alleen een deel
van de mbo-opleiding kunnen volgen waarmee zij direct inzetbaar worden op nieuwe taken.
Voor mensen met relevante leer- en werkervaring biedt het wetsvoorstel ook mogelijkheden
voor het volgen van een diplomagerichte opleiding in verkorte duur. Hier worden wel
voorwaarden aan verbonden. Zo moet de instelling een regeling met toelatingseisen
opstellen die voldoende onderscheidend zijn ten opzichte van de toelatingseisen voor
de reguliere opleiding en moet de instelling deze verkorte opleiding regelmatig evalueren.
De inspectie houdt toezicht op zowel de reguliere als de verkorte opleidingen. Verder
bevat het wetsvoorstel, als extra «veiligheidsklep», een grondslag voor een algemene
maatregel van bestuur waarbij voorschriften kunnen worden gesteld zoals een maximum
voor het aantal verkorte beroepsopleidingen of beschrijving van de kenmerken van studenten
die in aanmerking mogen komen voor toelating tot een verkorte beroepsopleiding. Alhoewel
de regering ervan uit gaat dat deze extra veiligheidsklep niet hoeft te worden toegepast,
biedt deze grondslag de mogelijkheid om snel in te grijpen als na inwerkingtreding
van het wetsvoorstel toch blijkt dat de toegankelijkheid van het mbo in het geding
is. Tot slot wordt opgemerkt dat de regering, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel,
een vinger aan de pols zal houden over de wijze waarop instellingen gebruik maken
van de nieuwe geboden ruimte en welke studenten aan deze opleidingsvormen deelnemen.
Dit gebeurt in ieder geval bij de evaluatie van de wet.
5.2 Voorstel voor wijziging regels niet-bekostigd onderwijs
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de derde leerweg wordt voorzien
van een officiële naam, namelijk de loopbaanbegeleidende leerweg (lbl). Deze leden
lezen dat deze lbl vooral is bedoeld voor bij- en omscholing tijdens de arbeidsloopbaan.
Wel vragen zij waarom de lbl altijd wordt gekenmerkt door niet-bekostigd onderwijs.
Waarom is er door de regering niet gekozen om de lbl niet ook te beleggen binnen het
bekostigd onderwijs?
Voor uitvoering van opleidingen in de loopbaanbegeleidende leerweg krijgen de mbo-instellingen
geen bekostiging. Dit is overeenkomstig de huidige situatie voor de derde leerweg,
waarbij de kosten van de opleiding worden betaald door het individu of zijn werkgever.25 In hoeverre OCW een opleiding in de lbl zou moeten financieren raakt aan bredere
financieringsvraagstukken rondom LLO en maakt daarom geen deel uit van het wetsvoorstel.
Wel wordt, in het kader van het regeringsbeleid voor een Leven Lang Ontwikkelen (LLO),
verkend hoe de bestaande publieke en private LLO-middelen beter en effectiever benut
kunnen worden. Doel van deze verkenning is te komen tot een ontwerp voor een toekomstbestendige
infrastructuur die leren en ontwikkelen voor iedereen mogelijk maakt.26
Is het volgen van een verkorte mbo-opleiding, zoals wordt voorgesteld in dit wetsvoorstel,
niet vergelijkbaar met het volgen van een lbl?
Nee, een verkorte opleiding zoals bedoeld in het wetsvoorstel is niet hetzelfde als
een mbo-opleiding in de lbl. Mensen met leer- of werkervaring kunnen een verkorte
opleiding in de bol of bbl volgen. Deze opleiding is altijd diplomagericht maar de
duur van deze opleiding is afgestemd op specifieke doelgroepen die, vanwege eerdere
leer- en werkervaring, een hoger studietempo aankunnen. Voor een opleiding in de lbl
zijn de regels voor de urennorm en de studieduur niet van toepassing. Mensen die kiezen
voor een mbo-opleiding in de lbl kunnen ook in deze leerweg het diploma behalen. Maar
zij hebben ook de mogelijkheid om alleen een deel van deze mbo-opleiding te volgen
en die af te ronden met een mbo-certificaat of mbo-verklaring. Na afronding van een
deel van de mbo-opleiding ontvangt de lbl-student een mbo-certificaat mits het gaat
om een arbeidsmarktrelevant beroepsgericht deel of keuzedeel waarvoor bij regelgeving
een mbo-certificaat is vastgesteld. In alle andere gevallen ontvangt de lbl-student
een mbo-verklaring waarin de door de student behaalde resultaten worden vermeld.
Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waarom er niet voor is gekozen
om naast het inschrijven in een volledige opleiding bij de loopbaanbegeleidende leerweg,
het ook mogelijk te maken om in te schrijven voor certificaten of keuzedelen. Vindt
de regering het niet onduidelijk dat studenten, die een keuzedeel of gedeeltelijke
opleiding volgen, zich moeten inschrijven bij een volledige opleiding?
Studenten in de loopbaanbegeleidende leerweg kunnen, net zoals in de huidige derde
leerweg, zowel de volledige mbo-opleiding volgen of een deel van deze mbo-opleiding.
Dit deel van de mbo-opleiding kan bijvoorbeeld bestaan uit een of meer beroepsgerichte
onderdelen of keuzedelen waarvoor bij regelgeving een certificaat is vastgesteld en
waarbij studenten na succesvolle afronding ervan het betreffende certificaat ontvangen.
In het administratieve proces rondom de inschrijving krijgt de inschrijving van een
lbl-student die een deel van een mbo-opleiding volgt een kenmerk mee waarmee het duidelijk
wordt dat deze lbl-student niet de volledige opleiding volgt maar een deel ervan.
Mbo-instellingen hebben aangegeven administratieve druk te ervaren bij deze vorm van
registratie. Het ministerie verkent daarom, in samenspraak met de mbo-instellingen
en DUO, of dit administratieve proces rondom de inschrijving van lbl-studenten verbeterd
kan worden.
Is de regering het met deze leden eens dat dit leidt tot onduidelijkheid op het afgegeven
certificaat, waar de volledige opleiding wordt vermeld?
Nee. Het vermelden van de naam van de volledige beroepsopleiding op het afgegeven
certificaat is noodzakelijk, omdat duidelijk moet zijn van welke beroepsopleiding
het geselecteerde beroepsgerichte onderdeel afkomstig is. Het vermelden van de volledige
beroepsopleiding zou alleen onduidelijk zijn bij afgegeven certificaten voor keuzedelen.
Dit omdat elk keuzedeel bij meerdere beroepsopleidingen kan passen. In de regelgeving
voor een afgegeven certificaat voor een keuzedeel is hiermee echter rekening gehouden:
er is geen verplichting opgenomen om de naam van de volledige opleiding op het certificaat
voor een keuzedeel te vermelden.
De leden van de BBB-fractie willen binnen het onderwijs in Nederland meer aandacht
voor kwalitatief goed volwassenenonderwijs dat voor iedereen in Nederland toegankelijk
is. Dit is ook van belang voor de bijscholing en omscholing in het kader van een «leven
lang leren». Deze leden vragen of dit wetsvoorstel bijdraagt aan een beter aanbod
van leven lang leren-trajecten voor werknemers.
Het mbo kan een belangrijke bijdrage leveren aan de bij- en omscholing in het kader
van een leven lang ontwikkelen en het vergroten van de in- en doorstroom in kraptesectoren.
Het wetsvoorstel voegt geen nieuwe mogelijkheden toe om mensen op te leiden, maar
biedt mbo-instellingen duidelijkheid over de wijze waarop reeds beschikbare opleidingsmogelijkheden
binnen het mbo kunnen worden uitgevoerd. Zo worden in het wetsvoorstel kaders en voorwaarden
beschreven voor mbo-instellingen die een verkorte opleiding willen aanbieden aan mensen
met leer- en werkervaring. Ook wordt met het wetsvoorstel de huidige niet-bekostigde
derde leerweg in de WEB voorzien van een duidelijke naam: de loopbaanbegeleidende
leerweg en wordt het wettelijk kader voor het aanbieden van een deel van een mbo-opleiding
in deze leerweg verhelderd. Daarbij is de veronderstelling dat deze aanpassingen van
de wet onderwijsinstellingen helpen om hun aanbod van bij- en omscholing te vergroten
en het daardoor voor aspirant-studenten makkelijker wordt om zich via het mbo bij-
of om te scholen. Het wetsvoorstel vormt één van de ingrediënten om een leven lang
ontwikkelen te stimuleren. Andere maatregelen zijn te vinden in de Kamerbrief Uitwerking
Onderwijsagenda LLO van 10 november 2023.27
6. Evaluatiebepaling
De leden van de VVD-fractie lezen dat de wet vijf jaar na inwerkingtreding zal worden
geëvalueerd. Deze leden vragen of het wenselijk is om deze evaluatie eerder uit te
voeren, gezien de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt. Een eerdere, tussentijdse
evaluatie kan wat hen betreft mogelijkheden bieden om beleid bij te sturen voor een
betere aansluiting met de arbeidsmarkt.
Scholen hebben tijd nodig om het wetsvoorstel goed te implementeren en de effecten
ervan zichtbaar te maken in de praktijk. Daarom is een balans nodig tussen tijd voor
uitvoering en tijdig bijsturen. Een evaluatie na vijf jaar geeft mbo-instellingen
voldoende ruimte om maatregelen in te bedden gedurende een gehele opleidingsduur van
een student, terwijl er toch tijdig inzicht ontstaat in mogelijke verbeterpunten.
Naast de formele evaluatie, blijf ik in nauw contact met scholen over de implementatie
en eventuele knelpunten van de wet. Hierdoor blijft ruimte om, als dit nodig zou zijn,
op een eerder moment de wet aan te passen.
7. Overig
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van
de kamerbreed aangenomen motie van het lid Westerveld c.s., waarin wordt verzocht
om in een wetsvoorstel op te nemen dat een bekostigde praktijkonderwijsschool in uitzonderingsgevallen
en onder bepaalde voorwaarden voor de examinering en diplomering mag samenwerken met
een niet-bekostigde mbo-instelling.28 In de Kamerbief waarin wordt gesproken over de uitvoering van de motie wordt aangekondigd
dat deze wordt meegenomen in het voorgenomen wetsvoorstel.29 Deze leden zien dit echter niet terug in het voorliggende wetsvoorstel noch in het
wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk.30 Kan de regering toelichten hoe het staat met de uitvoering van deze motie?
De uitvoering van deze motie is inderdaad niet meegenomen in onderhavig wetsvoorstel
noch in het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk (Kamerstukken 36 667). Deze motie wordt betrokken bij een afzonderlijk wetsvoorstel dat momenteel in voorbereiding
is en gericht is op formalisering van de samenwerking tussen scholen voor praktijkonderwijs
en mbo-instellingen die de entreeopleiding aanbieden. Naar verwachting gaat dat wetsvoorstel
in 2026 in internetconsultatie.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap