Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ergin over het wetsvoorstel van het lid Ouwehand
Vragen van het lid Ergin (DENK) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het wetsvoorstel van het lid Ouwehand (ingezonden 8 juli 2025).
Antwoord van Minister Wiersma (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
15 september 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024–2025, nr. 2784.
Vraag 1
Bent u bekend met het wetsvoorstel van het lid Ouwehand (PvdD) tot wijziging van de
Wet dieren en de Wet op de economische delicten (Kamerstuk 36 769), dat reeds is genotificeerd bij de Europese Commissie (EC) (2025/0319/NL)?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat er geen meerderheid in de Kamer is geweest die zich vóór dit voorstel
heeft uitgesproken?
Antwoord 2
Zoals u weet, is dit een initiatiefvoorstel vanuit uw Kamer. Het proces van behandeling
daarvan is uiteraard ook aan uw Kamer.
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat een notificatie bij de EC geen politieke steun vanuit het kabinet
impliceert en dat uw ministerie op dit moment niet achter dit voorstel staat?
Antwoord 3
Ja. Het gaat hier immers om een initiatiefwetsvoorstel. Eerst later in het proces
zal de regering haar oordeel over het wetsvoorstel bepalen. Notificatie bij de Europese
Commissie is een procedurele verplichting onder de Richtlijn (EU) 2015/1535.1 Die richtlijn schrijft voor dat lidstaten ontwerpen van technische voorschriften
notificeren bij de Europese Commissie. Aangezien Nederland als lidstaat van de EU
wordt vertegenwoordigd door de regering, kan de notificatie alleen door haar worden
gedaan en dus niet door een Kamerlid of het parlement. Hetzelfde geldt overigens voor
de in kennisstelling van de Europese Commissie van het initiatiefwetsvoorstel ter
uitvoering van artikel 26, derde lid, van verordening 1099/2009.2 Die bepaling verplicht lidstaten daartoe als zij voornemens zijn maatregelen te nemen
die strekken tot een uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden met betrekking
tot de in de verordening voorgeschreven bedwelmingsmethoden. Deze procedurele handelingen
impliceren in dit geval dus in geen enkel opzicht politieke steun of inhoudelijke
betrokkenheid van het kabinet.
Vraag 4
Heeft uw ministerie inspanningen verricht ten aanzien van de notificering? Zo ja,
kunt u aangeven welke inspanningen u heeft verricht?
Antwoord 4
Ja, het doorgeleiden van het initiatiefwetsvoorstel naar de Europese Commissie via
de gebruikelijke procedure. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Vraag 5
Klopt het dat de Europese Verordening ((EG) 1099/2009) inzake de bescherming van dieren
bij het doden ruimte laat voor religieuze slacht zonder voorafgaande bedwelming, mits
dit onder strikte voorwaarden in slachthuizen plaatsvindt?
Antwoord 5
Ja. Artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1099/2009 stelt als uitgangspunt dat
dieren alleen mogen worden gedood na een bedwelming. Echter, lid 4 van hetzelfde artikel
bevat een uitzondering voor rituele slacht:
«De lidstaten kunnen afwijken van het bepaalde in lid 1 ten aanzien van dieren die
worden geslacht in het kader van religieuze riten, mits de slacht plaatsvindt in een
slachthuis.»
Vraag 6
Erkent u dat het voorstel verder gaat dan de Europese minimumnormen en daarmee een
nationale kop op Europees beleid vormt?
Antwoord 6
Het initiatiefwetsvoorstel bevat bepalingen die verder reiken dan de Europese minimumnormen.
Niet voor niets is de Europese Commissie ter uitvoering van artikel 26, derde lid,
van verordening 2009/1099 via de regering in kennis gesteld van het initiatiefwetsvoorstel
(zie het antwoord op vraag 3).
In het algemeen geldt dat als Nederland verdergaande regelgeving toepast bij de uitvoering
van Europese regelgeving dan strikt noodzakelijk is op basis van die Europese regelgeving,
dat een «nationale kop» kan worden genoemd.
Vraag 7
Kunt u toelichten hoe dit voorstel zich verhoudt tot de herhaaldelijk uitgesproken
wens van zowel de Kamer als het kabinet om te streven naar een gelijk Europees speelveld
en het voorkomen van nationale koppen op EU-wetgeving?
Antwoord 7
Het streven naar een gelijk Europees speelveld en het voorkomen van nationale koppen
is een algemeen kabinetsuitgangspunt. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 zal
het kabinet later in het proces haar oordeel over dit wetsvoorstel bepalen.
Vraag 8
Deelt u de opvatting dat dit wetsvoorstel ingrijpt in de godsdienstvrijheid van moslims
en joden in Nederland, en daarmee raakt aan de kern van artikel 6 van onze Grondwet?
Antwoord 8
De beoordeling of een wetsvoorstel in overeenstemming is met grondrechten, zoals de
vrijheid van godsdienst (artikel 6 Grondwet), is nu onderdeel van de advisering door
de Afdeling advisering van de Raad van State en straks aan het parlement. In dit stadium
is een inhoudelijk oordeel over het initiatiefwetsvoorstel van het kabinet niet aan
de orde. Dat zal pas gebeuren bij de parlementaire behandeling.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.