Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Koops over het bericht ‘Pijnlijke balans na een jaar vol rapporten: toeslagenouders krijgen hun kinderen er niet mee terug’
Vragen van het lid Koops (Nieuw Sociaal Contract) de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het bericht «Pijnlijke balans na een jaar vol rapporten: toeslagenouders krijgen hun kinderen er niet mee terug» (ingezonden 20 mei 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Struycken (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 30 juni
2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024–2025, nr. 2397.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel van Marten van de Wier met de titel: «Pijnlijke balans
na een jaar vol rapporten: toeslagenouders krijgen hun kinderen er niet mee terug»1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u bekend met het artikel uit het advocatenblad uit het jaar 2022 waarin een advocaat
stelt dat er een project is gestart met de naam «Regie bij de Ouders»?2 Indien u niet bekend bent met dit artikel kunt u dan dit artikel alsnog lezen?
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Kunt u gedetailleerd uitleggen wat het traject «Regie bij de ouders» precies inhoudt?
Welke mensen zijn betrokken bij dit project?
Antwoord 3
Dit traject is een initiatief van het voormalig Kamerlid Van Raan (PvdD) en de gespecialiseerde
jeugdrechtadvocate mr. De Waele. Zij hebben zich tot mijn ambtsvoorganger gewend met
het signaal dat het in artikel 810a Rv bij wet geregelde recht van ouders op contra-expertise
in de praktijk vaak een dode letter blijkt omdat het Nederlands Instituut voor Forensische
Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te weinig capaciteit heeft om aan alle verzoeken
te kunnen voldoen. Deze bepaling is in 1993 na een amendement van uw Kamer3 in de wet opgenomen om de zogeheten «equality of arms» voor ouders in de jeugdbescherming
te versterken.
De initiatiefnemers koppelden hieraan het voorstel om te bezien of en zo ja, op welke
wijze de capaciteit voor contra-expertises, specifiek voor in eerste instantie door
de toeslagenaffaire gedupeerde gezinnen waarvan één of meerdere kinderen uit huis
zijn geplaatst, kon worden vergroot.
Mijn ambtsvoorganger heeft de initiatiefnemers daarop gevraagd om dit voorstel nader
uit te werken en dit samen te doen met een begeleidingsgroep waarin onder meer deskundigen
vanuit de wetenschap en rechtspraak en een jurist van mijn departement. Omdat het
grootste knelpunt bij het NIFP was en nog steeds is gelegen in het tekort aan deskundigen
om deze onderzoeken te kunnen uitvoeren, is een expertgroep van vooraanstaande gedragsdeskundigen
bereid gevonden om mee te denken. Bij de opzet en uitwerking van de gehanteerde methodiek
heeft de expertgroep gebruik gemaakt van de kennis en werkwijze van het NIFP.
In de kern ziet de pilot op het aanbieden aan de ouder(s) van een mogelijkheid om
kosteloos door een onafhankelijke gedragsdeskundige een contra-expertise te laten
uitvoeren in de vorm van multidisciplinaire beslisdiagnostiek. De kosten daarvan worden
gedragen door mijn ministerie. Het zijn echter de ouders die de opdrachtgever zijn
en niet het departement. Vandaar ook de naam van dit traject: regie bij de ouders.
Inmiddels is er één contra-expertise afgerond en worden ten aanzien van een tweede
pilotgezin ook contra-expertises uitgevoerd.
Vraag 4
Klopt het dat er voor dit project zoals de advocaat stelt in het artikel uit het advocatenblad
twee miljoen euro is vrijgegeven?4 Zo, ja kunt u gedetailleerd beschrijven hoe deze twee miljoen euro is besteed?
Antwoord 4
Mijn ambtsvoorganger heeft maximaal twee miljoen euro toegezegd, wat betekent dat
afhankelijk van de voor dit project benodigde middelen hieraan tot maximaal dit bedrag
kan worden besteed. Het gaat hierbij om de betaling van kosten van de contra-expertises.
Tot op heden is er een bedrag van circa 100-duizend euro als voorschot uitbetaald
voor de betreffende contra-expertises. Omdat dit traject nog loopt, kan ik u nog niet
aangeven wat de totale uitgaven zullen zijn.
De beide initiatiefnemers, maar ook de andere betrokken deskundigen, deden en/of doen
dit vanwege hun betrokkenheid bij de kinderen en ouders, en ontvangen daarvoor geen
financiële of andere vergoedingen van het ministerie.
Vraag 5
Kunt u aangeven of dit het traject is wat benoemd is destijds in de brief van de Minister
voor rechtsbescherming5 waarin de Minister naar initiatief Van Raan-Peters verwijst, waarin het volgende
beschreven staat: «Het lid van Raan (Partij voor de Dieren), in dezen opgevolgd door
het lid Peters (CDA), heeft samen met een advocaat het initiatief genomen om met behulp
van onafhankelijke deskundigen voor deze specifieke doelgroep onafhankelijk contra-expertise
te organiseren»?6
Antwoord 5
Ja.
Vraag 6
Kunt u uitleggen waarom, indien het traject «Regie bij de ouders» het initiatief is
waar de Minister naar verwijst in zijn brief7, geen nadere update is gegeven omtrent de stand van zaken aan de Kamer?
Antwoord 6
Er is geen nadere update gegeven omdat er meer tijd gemoeid was dan van tevoren voorzien
met het opstellen en het uitwerken van de methodiek en aanpak voordat een eerste pilotzaak
kon starten. Vervolgens duurde de daadwerkelijke uitvoering van de eerste pilotzaak
ook geruime tijd. Pas met de in vraag 7 van deze Kamervragen aangehaalde uitspraak
van het Gerechtshof Amsterdam heb ik kennis kunnen nemen van de uitkomsten van één
van de contra-expertises.
Na afronding van de beide pilotzaken zal een eerste evaluatie van dit initiatief kunnen
worden gedaan. Over de uitkomsten daarvan zal ik uw Kamer dan informeren via de eerstvolgende
voortgangsbrief Jeugdbescherming.
Vraag 7
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:3286)8 en dan specifiek r.o. 4.13? Zo nee, kunt u deze uitspraak dan alsnog lezen?
Antwoord 7
Ja.
Vraag 8
Kunt u een reactie geven op het feit dat het Gerechtshof9 zich afvraagt of het rapport en de wijze van onderzoek dat gefinancierd is door het
Ministerie van Justitie en Veiligheid in het kader van de toeslagenaffaire (in voldoende
mate) voldoen aan de in de acht te nemen richtlijnen en standaarden welke voor een
dergelijk onderzoek gelden? Kunt u aangeven wat het kostenplaatje is geweest van het
onderzoek dat gefinancierd is door het Ministerie van Justitie en Veiligheid?
Antwoord 8
Ik heb – uit oogpunt van privacy – geen kennis van de bevindingen en de conclusies
van het uitgevoerde onderzoek en heb alleen kennisgenomen van de uitspraak en van
de daarin opgenomen overwegingen van het Hof. De uitspraak van het Hof zal te zijner
tijd worden meegenomen in de genoemde evaluatie.
Wat betreft het kostenplaatje: de financiële afhandeling van deze zaak is nog niet
gereed. Los daarvan vind ik het niet wenselijk om het kostenplaatje van een specifiek
onderzoek van een bepaalde gedragsdeskundige in een specifieke jeugdbeschermingszaak
openbaar te maken. Dit betreft privacygevoelige gegevens die onder meer nader inzicht
geven in (de omvang van) de uitgevoerde onderzoeken en de complexiteit van de casus
in kwestie. Ik kan u deze gegevens daarom niet verstrekken.
Vraag 9
Kunt u aangeven of de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam10 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3286) het proefproces betreft dat beschreven staat in het artikel
van het advocatenblad11 en beschreven in de brief van de Minister12 die verwijst naar een proefproces met een advocaat? Indien deze uitspraak van het
Gerechtshof onderdeel is van het traject «Regie bij de ouders», waarom is de Kamer
hier niet over geïnformeerd? Wat is de stand van zaken nu met dit traject?
Antwoord 9
Zie de antwoorden op de vragen 3 en 6.
Vraag 10
IBent u bekend met het artikel van het NOS uit het jaar 2023 met de titel: «Kamer:
binnen half jaar herbeoordelingen uithuisplaatsing toeslagenkinderen»? Zo niet, kunt
u dit artikel lezen?13
Antwoord 10
Ja.
Vraag 11
Bent u bekend met de motie van Omtzigt en Marijnissen (Kamerstuk 31 839, nr. 850) om de regering te verzoeken binnen een half jaar voor ouders en kinderen een herziening
af te ronden?14
Antwoord 11
Ja.
Vraag 12
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke stappen er gezet zijn voor de herbeoordelingen,
nadat de motie van Omtzigt en Marijnissen15 is aangenomen?
Antwoord 12
In de motie is verzocht om herzieningsverzoeken binnen een half jaar af te ronden,
tenzij ouders zelf aangeven eerst op een andere wijze te willen werken aan verbetering
en herstel. Deze lijn wordt gevolgd, zoals toegelicht door mijn ambtsvoorganger in
zijn brief van 3 juni 2022 en in de tweede voortgangsbrief uithuisplaatsingen kinderopvangtoeslag
van 1 november 2022 waarin specifiek wordt ingegaan op de uitvoering van de motie
Omtzigt en Marijnissen.16
In deze brieven is benoemd dat de motie in lijn is met de bestaande mogelijkheid voor
ouders, verzorgers en kinderen vanaf 12 jaar om op grond van artikel 1:265d BW te
vragen een uithuisplaatsing te beëindigen of te bekorten. Het Ondersteuningsteam benoemt
deze mogelijkheid in de gesprekken met ouders en kinderen die door het Ondersteuningsteam
worden begeleid. Ouders kunnen zich melden bij de gecertificeerde instelling (GI)
en aangeven dat zij een herziening van de lopende uithuisplaatsing willen. Ze kunnen
zich hierin laten bijstaan door het Ondersteuningsteam, of bijvoorbeeld een advocaat.
Deze partijen kunnen ouders helpen om het gesprek met de jeugdbeschermer aan te gaan
en een verzoek conform 1:265d BW voor te bereiden. Na indiening van een herzieningsverzoek
heeft de GI twee weken om een besluit te nemen. Bij een afwijzing van het verzoek
kan de ouder besluiten om het verzoek voor te leggen aan de kinderrechter, die conform
de wettelijke kaders zal beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden
en of toekennen van het verzoek in het belang van het kind is. Ouders kunnen hierbij
aanspraak maken op de regeling kosteloze rechtsbijstand (voor door de toeslagenaffaire
gedupeerde ouders die met uithuisplaatsing te maken hebben).
Tot dusver kiest een klein aantal ouders17 ervoor daadwerkelijk een verzoek te doen tot beëindiging of bekorting van de uithuisplaatsing.
In de genoemde voortgangsbrief van 1 november 2022 is expliciet ingegaan op de verschillende
verklaringen hiervoor. Allereerst is de herzieningsprocedure alleen bij een lopende
ondertoezichtstelling (OTS) van toepassing. Verder is relevant dat machtigingen voor
een uithuisplaatsing van beperkte duur zijn; maximaal een jaar maar in de praktijk
vaak korter. De rechter toetst dus telkens of verlenging van de machtiging uithuisplaatsing
nog in het belang van het kind is. Deze gebruikelijke momenten om de noodzaak van
de uithuisplaatsing te bespreken en toetsen maken dat een formeel herzieningsverzoek
in veel gevallen weinig toegevoegde waarde heeft. Verder zullen er ouders zijn die
vinden dat hun kind op dit moment op een goede plek verblijft, bijvoorbeeld in een
(netwerk) pleeggezin, er is dan geen wens om de uithuisplaatsing te beëindigen. Voor
andere ouders is inzetten op een herziening op dit moment niet realistisch; er is
bijvoorbeeld nog geen stabiele thuissituatie en/of de ouder wil zich eerst op zijn
of haar eigen herstel richten voordat hij/zij aan een volgende stap toe is.
De wens tot en de toegevoegde waarde van een herzieningsverzoek zijn dus sterk afhankelijk
van de specifieke situatie. Ieder gezin vraagt maatwerk, en dat wordt ook geleverd
via de hulp van het Ondersteuningsteam.
Vraag 13
Bent u bekend met de opinie van Krol en Korver met het bericht: «Jeugdzorg moet grondige
verbouwing ondergaan»18 Wat is uw reactie op deze opinie? Kunt u uw reactie motiveren?
Antwoord 13
Ja, ik ben bekend met de opinie van de heer Krol en de heer Korver waarin zij pleiten
voor een grondige verbouwing van het jeugdzorgstelsel. Ik deel hun zorg dat het huidige
jeugdbeschermingsstelsel tekortschiet in het bieden van tijdige, passende en duurzame
hulp aan kinderen en gezinnen. Zoals ook eerder aangegeven in brieven aan uw Kamer,
is het kabinet ervan overtuigd dat het stelsel toe is aan fundamentele verbetering.
In de recente voortgangsbrief Jeugd van 13 juni 2025 gaan de Staatssecretaris van
Jeugd, Preventie en Sport en ik in op de aanpak die daarvoor in onze ogen nodig is.
Vraag 14
Bent u bekend met het artikel van Marten van de Wier met het bericht: «Toeslagenouders:
laat wetenschappers kijken of onze kinderen terug naar huis kunnen»?19 Wat is uw reactie op dit bericht?
Antwoord 14
Ja, ik ben bekend met het artikel waarin toeslagenouders oproepen om wetenschappers
dossiers te laten herbeoordelen met het oog op mogelijke gezinshereniging. In de toegezegde
beleidsreactie op het onderzoek van de Commissie Hamer en de reflectierapporten van
de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instellingen en het dossieronderzoek
van de Rechtspraak zal het kabinet nader ingaan op het thema van herbeoordeling. De
beleidsreactie wordt op 30 juni aan uw Kamer aangeboden.
Vraag 15
Bent u bekend met de noodkreet van de toeslagenouders dat zij een herbeoordeling willen
van hun dossier onder leiding van Bart Tromp om te bezien of er nog mogelijkheden
zijn voor gezinshereniging?20 Wat is uw reactie erop dat toeslagenouders een herbeoordeling willen van hun dossier
onder leiding van Tromp?
Antwoord 15
Hiervoor verwijs ik naar mijn reactie op de motie Dijk c.s. over herbeoordeling van
dossiers en aanvullend wetenschappelijk onderzoek21, waarin is aangegeven dat het kabinet in de genoemde beleidsreactie (zie het antwoord
op vraag22 nader zal ingaan op de thema van herbeoordelingen.23
Vraag 16
Bent u bekend met het artikel uit het Dagblad van het Noorden waarin Tromp opmerkt
dat door het verstrijken van de tijd de kans klein kan zijn dat ouders en kinderen
herenigd worden?24 Hoe kijkt u tegen de situatie aan dat de Universiteit drie jaar geleden klaarstond
voor al deze ouders en kinderen om hen eventueel te kunnen herenigen en tegen het
feit dat de kans nu nog kleiner is op gezinshereniging gezien het tijdsbestek?
Antwoord 16
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Ik begrijp de zorgen die daarin worden geuit. Tegelijkertijd
wil ik benadrukken dat er de afgelopen jaren actief en doorlopend is ingezet op herstel,
en waar mogelijk, gezinshereniging. Het onafhankelijke Ondersteuningsteam heeft daar
een expliciete taak in. Zie daarover de voortgangsbrieven over «uithuisplaatsingen
kinderopvangtoeslag» die sinds 2022 aan uw Kamer zijn gestuurd.25
Voor wat betreft het onderzoeksvoorstel van de Rijksuniversiteit Groningen van drie
jaar geleden verwijs ik naar de toegezegde beleidsreactie en de antwoorden op diverse
sets Kamervragen die hierover in 2022 zijn gesteld. Zie bijvoorbeeld de beantwoording
op vragen van het lid Omtzigt (Aanhangsel Handelingen II, 2021/22, nr. 4019), vragen van het lid Arib (Aanhangsel Handelingen II, 2021/22, nr. 4020) en vragen van het lid Van der Staaij (Aanhangsel Handelingen II, 2021/22, nr. 4022).
Vraag 17
Bent u van mening dat deze ouders na drie jaar alsnog zo snel mogelijk een multidisciplinaire
analyse van hun dossiers kunnen laten maken hetgeen zou kunnen leiden tot een herbeoordeling
en een mogelijke gezinshereniging? Kunt u uw mening nader toelichten?
Antwoord 17
Zie het antwoord op vraag 14.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.H.D. Struycken, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.