Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken 24 juni 2025 (Kamerstuk 21501-02-3162)
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
Nr. 3177 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 24 juni 2025
De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brieven van:
– 11 juni 2025 inzake Geannoteerde agenda Raad Algemene Zaken van 24 juni 2025 (Kamerstuk
21 501-02, nr. 3162) en
– 4 juni 2025 inzake Verslag Raad Algemene Zaken van 27 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3161).
De vragen en opmerkingen zijn op 17 juni 2025 aan de Minister van Buitenlandse Zaken
voorgelegd. Bij brief van 24 juni 2025 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Van der Plas
Adjunct-griffier van de commissie, Hoedemaker
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister van Buitenlandse
Zaken
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 24 juni a.s. en het verslag van
de Raad Algemene Zaken van 27 mei jl. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen
bij.
Tijdens de Raad Algemene Zaken wordt in aanloop naar de Europese Raad gesproken over
defensiesamenwerking. Deze leden zijn van mening dat er veel te winnen valt wat betreft
samenwerking en met name wat betreft gezamenlijke inkoop. Wat deze leden betreft moet
er een nieuwe doelstelling van 50% gezamenlijke inkoop worden vastgesteld. Hoe staat
het kabinet hier tegenover? Is het kabinet bereid meer dwingende afspraken te maken
over gezamenlijke inkoop van defensiematerieel?
1.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet benadrukt het belang van Europese vraagbundeling, in lijn met de nationale
Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie. Dit jaar wordt een Government-to-Government office opgericht om de vraagbundeling vanuit het Ministerie van Defensie te organiseren
met andere landen. Ook onderzoekt het Ministerie van Defensie hoe het meer gebruik
kan maken van bestaande internationale instrumenten voor gezamenlijke aanschaf, zoals
de NATO Support and Procurement Office (NSPA), het Europees Defensie-agentschap (EDA) en de Organisation Conjointe de Coopération en matière d'Armement (OCCAR). Omdat aanschaf van defensiematerieel de nationale veiligheid betreft, behoudt
het kabinet graag de vrijheid om zelf aan te schaffen wat noodzakelijk is. Zie verder
over gemeenschappelijke aanschaf ook de beantwoording van vraag 13 en 14.
De aan het woord zijnde leden lezen dat in de Raad Algemene Zaken van 27 mei jl. is
gesproken over toetreding. Hier riepen lidstaten op voortgang te maken met de Oekraïense
EU-toetredingsonderhandelingen. Hoe heeft Nederland zich in deze discussie opgesteld
en is het demissionaire kabinet bereid zich aan te sluiten bij de lidstaten die oproepen
voortgang te maken bij de toetredingsonderhandelingen met Oekraïne?
2.
Antwoord van het kabinet
EU-toetreding stond niet op de agenda van de RAZ van 27 mei jl., evenwel hebben enkele
lidstaten het onderwerp onder het agendapunt «voorbereiding Europese Raad» opgebracht.
Het kabinet staat kritisch tegenover verdere uitbreiding van de EU, en houdt streng
vast aan de eisen voor lidmaatschap van de EU, inclusief de zogenoemde Kopenhagen-criteria.
Het kabinet onderstreept evenwel het EU-perspectief van Oekraïne. De voortgang van
het toetredingsproces is afhankelijk van de voortgang van de hervormingen die Oekraïne
doorvoert. Het kabinet staat, zoals gecommuniceerd in de kabinetsappreciatie voortgangsrapportage
EU-uitbreiding1 constructief-kritisch tegenover openen van cluster 1 in het toetredingsproces met
Oekraïne. Dit is de boodschap die Nederland in EU-verband en in gesprek met EU-lidstaten
verkondigt. Ondertussen blijft het kabinet bezien hoe het Oekraine kan helpen de hervormingen
door te voeren om aan de EU-voorwaarden te voldoen, met name waar het gaat om de Kopenhagencriteria.
Tijdens de Raad Algemene Zaken heeft een hoorzitting plaatsgevonden over de artikel 7-procedure
tegen Hongarije. De voornoemde leden hebben aan de Minister gevraagd zich ervoor in
te zetten een gekwalificeerde meerderheid te bereiken om de procedure verder te brengen
en bilaterale gesprekken te voeren met lidstaten die zich nog niet hebben aangesloten
bij de lidstaten die hier voor zijn. Op welke manier heeft de Minister dit opgenomen
met deze lidstaten? Zijn er gesprekken gevoerd en zo ja, hoe vaak?
3.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet staat in nauw contact met andere gelijkgezinde lidstaten en informeert
onder meer in bilaterale contacten naar hun inzet in de artikel 7-procedure tegen
Hongarije. Over posities van individuele lidstaten doet het kabinet geen uitspraken.
Bij wijziging in het krachtenveld die mogelijk een verdere stap in de artikel 7-procedure
tegen Hongarije in beeld zou brengen, zal het kabinet uw Kamer daarover informeren.
Voor het kunnen ontnemen van het stemrecht dienen de lidstaten met unanimiteit minus
1 (de lidstaat in kwestie) te constateren dat sprake is van een ernstige en voortdurende
schending van de waarden van de Unie. Het kabinet blijft de lidstaten wijzen op het
belang van de artikel 7-procedure.
Er worden nu geen verdere stappen gezet. Wat heeft Nederland volgens de Minister uit
deze hoorzitting gehaald? Hoe gaat de Minister zich inspannen om hier toch binnenkort
voortgang op te boeken?
4.
Antwoord van het kabinet
De bespreking van de rechtsstaatproblematiek tijdens deze hoorzitting van de Raad
leverde, opnieuw, een belangrijk politiek signaal richting Hongarije op. Nederland
blijft terzake actief, houdt het krachtenveld voor de artikel 7-procedure goed in
de gaten en blijft in nauw contact met andere gelijkgezinde lidstaten staan aangaande
deze procedure.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
ter voorbereiding op de Raad Algemene Zaken van 24 juni 2025. Zij willen in dit kader
enkele specifieke aandachtspunten benadrukken en verzoeken het kabinet om nadere toelichting.
Met betrekking tot de aanbeveling om het fiscaal beleid te hervormen, constateren
de leden dat de Commissie opnieuw wijst op het afbouwen van de hypotheekrenteaftrek.
Hoe beoordeelt het kabinet deze aanbeveling, en deelt het kabinet de opvatting dat
dit soort nationale keuzes primair bij lidstaten zelf horen te blijven?
5.
Antwoord van het kabinet
In het Europees Semester hebben lidstaten afgesproken hun economisch beleid te coördineren.
Onderdeel van het Europees Semester zijn landspecifieke aanbevelingen van de Raad
aan de lidstaten. Nederland hecht hier waarde aan. Lidstaten worden hiermee gewezen
op mogelijkheden om het financieel-economisch beleid te versterken. Tegelijkertijd
zijn het aanbevelingen en wordt over beleid op een groot aantal economische thema’s,
waaronder de hypotheekrenteaftrek, op nationaal niveau besloten.
Gezien de demissionaire status van het kabinet wordt niet inhoudelijk ingegaan op
de beleidsvoornemens van individuele aanbevelingen uit het Europees Semester. Voor
een overzicht van de aanbevelingen verwijs ik u naar de nazending geannoteerde agenda
Eurogroep en Ecofinraad 19 en 20 juni 2025.2
Ten aanzien van de aanbevelingen op het terrein van defensie en begrotingsbeleid,
constateren de leden dat de Commissie ruimte biedt voor extra investeringen in defensie
binnen de nieuwe uitgavenkaders. De VVD-fractie juicht dit toe, en roept het kabinet
op om met gelijkgezinde lidstaten te pleiten voor verdere benutting van Europese fondsen
voor defensiegerelateerde infrastructuur, zolang dit gepaard gaat met robuuste toetsing
op doelmatigheid en proportionaliteit. Hoe beoordeelt het kabinet in dit verband de
huidige bereidheid binnen de Raad om defensie als prioritaire uitgavenpost te erkennen
in het Meerjarig Financieel Kader?
6.
Antwoord van het kabinet
Aangezien de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader nog niet
zijn begonnen, is er nog geen volledig beeld van het krachtenveld in de Raad. Het
voorstel van de Commissie voor het nieuwe Meerjarig Financieel Kader vormt het startschot
voor de onderhandelingen en wordt verwacht op 16 juli a.s. Uw Kamer wordt over de
Nederlandse inzet via de geëigende weg geïnformeerd.
Ook op het gebied van innovatie en strategische technologieën steunen de leden de
oproep van de Commissie om sterker in te zetten op de doorgroei van startups naar
scale-ups, en op het verkleinen van de Europese innovatiekloof. Tegelijkertijd vragen
zij aandacht voor de administratieve druk die Europese subsidieprogramma’s veroorzaken.
Op welke wijze zet het kabinet zich concreet in om toegang tot Europese financieringsinstrumenten,
zoals STEP en de toekomstige Spaar- en Investeringsunie, te vereenvoudigen, met name
voor MKB-bedrijven?
7.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet zet in op een moderne en toekomstbestendige EU-begroting. Het kabinet
is in dat kader onder andere voorstander van vereenvoudiging van de Europese begroting,
om toegang tot EU-subsidies voor onder andere het mkb te vergemakkelijken. Dit kan
bijvoorbeeld worden gerealiseerd door het aantal fondsen en programma’s te verminderen,
waar sprake is van overlap door fondsen en programma’s in gedeeld beheer samen te
voegen in bredere landenenveloppen, en door vereenvoudiging van de programma’s zelf.
Daarnaast kan worden ingezet op verminderde rapportagedruk, waar passend en mogelijk,
en meer synergiën tussen de noodzakelijke audits in de uitvoering. Het kabinet wacht
verder het voorstel van de Commissie voor het nieuwe Meerjarig Financieel Kader op
16 juli a.s. af en zal daarna een nadere appreciatie over de concrete Commissievoorstellen
ook op dit punt aan uw Kamer doen toekomen.
Tot slot willen de leden van de VVD-fractie weten hoe het kabinet de bredere inzet
van de Commissie op het gebied van concurrentievermogen beoordeelt. Zij verwelkomen
de horizontale notitie die stelt dat minder regeldruk en een beter functionerende
interne markt cruciaal zijn voor Europese weerbaarheid. De VVD-fractie verzoekt het
kabinet om zich actief uit te spreken voor concrete vermindering van Europese regelgeving
en vereenvoudiging van rapportageverplichtingen, vooral voor innovatieve bedrijven
in de technologische sector. Is het kabinet bereid om dit punt tijdens de komende
RAZ expliciet te agenderen?
8.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet spreekt zich in het kader van de vereenvoudigingsagenda van de Commissie actief uit voor het verminderen van onnodige regeldruk en
vereenvoudiging van rapportageverplichtingen. De Commissie geeft ook prioriteit aan
dit thema. Dit blijkt uit de verschillende omnibusvoorstellen die in de afgelopen
maanden gepubliceerd en aangekondigd zijn, de toepassing van het «One In One Out»-beginsel en de doelstelling om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met
25%, en voor het mkb zelfs met 35%, te hebben verminderd aan het eind van de zittingstermijn
van de huidige Commissie. Het kabinet steunt de aanpak van de Commissie en zal tijdens
de besprekingen benoemen dat versimpeling essentieel is voor het concurrentievermogen
van de EU.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken van 24 juni 2025. Deze leden hebben hierover nog
enkele vragen en opmerkingen.
De Europese Commissie heeft de landspecifieke ontwerpaanbevelingen gepubliceerd, waarin
onder meer wordt ingegaan op het effectief implementeren van het Herstel- en Veerkrachtplan
(HVP) vóór eind 2026. De voorgenoemde leden constateren dat Nederland momenteel het
risico loopt miljarden euro’s mis te lopen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit
(HVF), onderdeel van het Europese herstelpakket NextGenerationEU, ook wel bekend als
het coronaherstelfonds. Dit komt mede door de val van het kabinet en mogelijke controversieelverklaringen
in de Kamer waardoor bepaalde wetgeving niet tijdig kan worden doorgevoerd. Het mislopen
van deze miljarden zou bijzonder schadelijk zijn, temeer daar Nederland slechts € 5,4
miljard uit het coronaherstelfonds van circa € 750 miljard ontvangt, terwijl het voor
ongeveer € 45 miljard garant staat. Daarmee kan dit fonds wat deze leden betreft worden
gezien als de slechtste deal in de geschiedenis van het Nederlandse EU-lidmaatschap.
Welke stappen onderneemt het kabinet momenteel om de resterende € 2,9 miljard van
de € 5,4 miljard veilig te stellen?
De aan het woord zijnde leden horen daarnaast graag of het kabinet bereid is bij de
Europese Commissie te bepleiten om reeds ingediende plannen desgewenst te herzien
en (deels) aan te passen ten behoeve van dual-use infrastructuur of andere defensiegerelateerde
projecten, zoals Polen dat inmiddels succesvol heeft gedaan. Is het kabinet van mening
dat de Nederlandse defensiegerelateerde inspanningen onder de HVF kunnen worden versterkt
binnen de kaders van artikel 21 van de HVF-verordening? Zo ja, is het kabinet voornemens
om bij voldoende steun uit de Kamer dergelijke stappen te ondernemen?
9.
Antwoord van het kabinet
De leden Kahraman en Idsinga van NSC hebben op 2 juni jl. soortgelijke vragen gesteld
aan de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken. De beantwoording
van deze vragen ontvangt u op korte termijn van de Minister van Financiën.
Voorts vragen deze leden of het kabinet de recente inzet van Duitsland onderschrijft
om de toekenning van EU-middelen in het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (2028–2034)
afhankelijk te maken van nationale hervormingen. De leden van de NSC-fractie plaatsen
kanttekeningen bij deze benadering. Hoewel hervormingen op zich wenselijk kunnen zijn,
constateren zij dat een dergelijk model de Europese Unie te veel directe invloed geeft
op binnenlandse politieke processen van lidstaten. Daar komt bij dat recente rapporten
van onder meer de Europese Rekenkamer waarschuwen voor gebrekkige controle op de besteding
van EU-gelden binnen het coronaherstelfonds, een instrument dat eveneens gebaseerd
is op nationale plannen met hervormingsvoorwaarden.
De leden van de NSC-fractie onderstrepen in plaats daarvan het belang van naleving
van bestaande Europese begrotingsregels, zoals vastgelegd in het Stabiliteits- en
Groeipact (SGP). Want hoewel landen als Italië (3,7% begrotingstekort en 137,7% staatsschuld
t.o.v. het bbp) en Spanje (2,8% tekort, 107,7% schuld) op grote schaal EU-gelden ontvangen,
voldoen zij structureel niet aan de SGP-normen van maximaal 3% begrotingstekort en
60% staatsschuld. Tegelijkertijd worden er slechts beperkte hervormingen doorgevoerd
op het gebied van fiscaliteit, pensioenen en vermogensbelasting. Zo kent Italië een
erfbelasting met een vrijstelling van € 1 miljoen, ontbreekt daar een algemene vermogensbelasting,
en ligt de pensioenleeftijd in veel Zuid-Europese landen relatief laag, terwijl Fransen
bijvoorbeeld gemiddeld ouder worden dan Nederlanders. Deze landen kunnen dus wel hervormen
om zich aan de financiële afspraken te houden, maar kiezen er voor om dit niet te
doen. Hiermee neemt het risico op een nieuwe schuldencrisis toe.
In het licht van deze cijfers pleiten deze leden ervoor om bij de toekenning van Europese
middelen sterker te sturen op aantoonbare naleving van de normen uit het Stabiliteits-
en Groeipact. Hoewel zij erkennen dat tijdelijke afwijkingen in uitzonderlijke omstandigheden
mogelijk moeten blijven, denk hierbij aan tijdelijk verhoogde defensie-uitgaven, achten
zij structurele en langdurige schendingen van begrotingsregels onwenselijk. Het huidige
systeem dreigt landen die hun financiën op orde hebben, zoals Nederland, relatief
te benadelen ten opzichte van lidstaten die al jarenlang niet aan de afgesproken normen
voldoen.
Is het kabinet bereid het steviger verbinden van EU-middelen aan structurele naleving
van het SGP, expliciet op te nemen in de Nederlandse inzet voor de onderhandelingen
over het aankomende Meerjarig Financieel Kader?
10.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet heeft zich in de brief van 28 maart jl. met de inzet op hoofdlijnen voor
de onderhandelingen voor het volgend MFK uitgesproken voor het verbinden van conditionaliteiten
aan het toekennen van publiek geld.3 Het is van belang om een sterke en effectieve relatie met het Europees Semester op
te nemen, met inachtneming van de nationale beleidsvrijheid en een proportionele verhouding
tussen het ambitieniveau van beoogde hervormingen en ontvangsten door lidstaten. Er
is nog veel onduidelijk over de precieze invulling van de resultaatgericht begroten
werkwijze. Het kabinet wacht het voorstel van de Commissie voor het nieuwe Meerjarig
Financieel Kader op 16 juli a.s. af en zal daarna een nadere appreciatie over de concrete
Commissievoorstellen op dit punt aan uw Kamer doen toekomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken van 24 juni. Naar aanleiding hiervan hebben zij
nog enkele vragen.
Tijdens deze Raad Algemene Zaken zullen de voorbereidingen worden getroffen voor de
Europese Raad van 26 en 27 juni, de eerste na de NAVO-top in Den Haag. Aangezien tijdens
die top waarschijnlijk een nieuwe NAVO-norm wordt vastgesteld, hebben de leden de
volgende vragen:
• Op welke wijze zal het kabinet opvolging geven aan de NAVO-top tijdens de Europese
Raad van 26 en 27 juni?
11.
Antwoord van het kabinet
Tijdens de NAVO-top zullen de bondgenoten met elkaar spreken over de trans-Atlantische
veiligheidssamenwerking en over de grote geopolitieke veiligheidsuitdagingen waarmee
we te maken hebben. Een van de belangrijkste agendapunten is het verhogen van defensie-investeringen.
De EU kan een ondersteunende en faciliterende rol spelen bij het verhogen van defensie-uitgaven
en het omzetten daarvan in capaciteiten ter ondersteuning van de NAVO-doelstellingen.
Tijdens de Europese Raad zullen de EU-lidstaten spreken over het ontwikkelen en versterken
van de Europese defensie-industrie en de daartoe benodigde investeringen. Ook zal
de Europese Raad naar verwachting kennisnemen van het Defence Omnibus Simplification-voorstel en vooruitblikken op het Military Mobility Package van de EU. Daarnaast zal de Europese Raad naar verwachting spreken over EU-NAVO samenwerking
en partnerschappen met belangrijke EU-partners zoals Canada en het VK. Over de kabinetsinzet
voor de Europese Raad bent u geïnformeerd in de geannoteerde agenda.
• Welke rol ziet het kabinet voor Europese samenwerking bij het realiseren en invullen
van de nieuwe NAVO-norm?
12.
Antwoord van het kabinet
Om te voldoen aan de nieuwe NAVO-norm zullen de EU-lidstaten die ook NAVO-bondgenoot
zijn komende jaren veel meer financiële middelen vrij gaan spelen voor defensie. Het
verdient aanbeveling dat deze middelen zoveel mogelijk gezamenlijk worden uitgegeven,
omdat dit zorgt voor meer (kosten)efficiëntie en interoperabiliteit. Europese instrumenten
zoals het Security Action for Europe-instrument (SAFE) en het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP), nog in ontwikkeling,
stimuleren het gezamenlijk aanbesteden van defensiematerieel. Ook stuurt EDIP aan
op het gezamenlijke opzetten van grote grensoverschrijdende projecten waar meerdere
EU-lidstaten profijt van hebben. Dit alles ter ondersteuning van de capaciteitsdoelstellingen
van de NAVO.
• Hoe wordt concreet voorkomen dat het verhogen van de NAVO-norm leidt tot nog meer
verschillende wapensystemen en verdere fragmentatie?
• Deelt u de opvatting van de leden van de D66-fractie dat gezamenlijke inkoop door
slechts twee of drie landen geen oplossing biedt voor de huidige versnippering en
de beperkte gezamenlijke inzetbaarheid van de Europese krijgsmachten?
13.
Antwoord van het kabinet
Nederland zet pro-actiever in op gezamenlijke ontwikkeling van militaire vermogens
(capabilities) en vraagbundeling. Gezamenlijke aanschaf wordt ook gestimuleerd door EU-instrumenten
zoals SAFE en het EDIP. Ook gezamenlijke aanschaf met een kleiner aantal landen helpt
al om versnippering tegen te gaan en interoperabiliteit te verbeteren. Een grotere
groep deelnemende landen heeft de voorkeur, maar dit is niet altijd haalbaar met oog
op nationale planningsprocessen.
NAVO inkoopagentschap NATO Support and Procurement Office (NSPA) kan gezamenlijke aanschaf faciliteren. Dit agentschap heeft ruime ervaring
met het bundelen van behoeftes en het aangaan van multilaterale contracten.
Daarnaast hebben de leden met interesse kennisgenomen van het 18e sanctiepakket tegen
Rusland, dat de Europese Commissie vorige week heeft gepresenteerd. De leden willen
de druk op Rusland en de Russische economie zo hoog mogelijk opvoeren en hebben hierover
nog enkele vragen:
• Hoe beoordeelt het kabinet dit 18e pakket?
• Ziet het kabinet aanvullende mogelijkheden voor sancties tegen Rusland?
14.
Antwoord van het kabinet
De Europese Commissie presenteerde voorstellen voor het achttiende sanctiepakket.
Op het moment van schrijven zijn de onderhandelingen daarover in de Raad nog gaande
en zijn nog niet alle lidstaten aan boord. De contouren van het achttiende sanctiepakket
zoals gepresenteerd door de Europese Commissie bevatten onder meer maatregelen tegen
Russische banken, schepen en bedrijven uit de schaduwvloot en bedrijven in derde landen
die Rusland helpen sancties te omzeilen. Dit pakket laat zien dat de EU gecommitteerd
blijft aan het verder opvoeren van de economische druk op Rusland en vormt hierin
een belangrijke stap. Tegelijkertijd is het van belang om ook na de aanname van dit
pakket de druk op Rusland op te blijven voeren. Hierbij liggen voor het kabinet in
principe alle opties op tafel.
Bijzondere aandacht van het kabinet gaat hierbij uit naar maatregelen die het Russische
verdienvermogen op mondiale oliemarkten raken, en die meer druk zetten op derde landen
die de Russische oorlogsinspanning ondersteunen met wapenleveranties en sanctie-omzeiling.
Het European Union Institute for Security Studies (EUISS) heeft uitgebreid onderzoek
gedaan naar aanvullende sanctiemogelijkheden en daarover een rapport gepubliceerd
met aanbevelingen onder de titel UNPOWERING RUSSIA.
• Hoe beoordeelt het kabinet de aanbevelingen in dit rapport? Graag ontvangen de leden
een reactie op elk van de 22 voorgestelde acties (zie pagina 83 van het rapport).
15.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwelkomt het rapport Unpowering Russia. Beleidsaanbevelingen van externe partijen kunnen een waardevolle bijdrage leveren
aan het verder aanscherpen en van bestaand beleid. Gezien het korte tijdspad voor
beantwoording is een uitgebreide appreciatie niet mogelijk. Veel van de door het rapport
aangedragen aanbevelingen, waaronder op sanctie(naleving), communicatie, diplomatieke
inzet en Europese samenwerking, worden reeds in de praktijk gebracht. Overige aanbevelingen
zullen zorgvuldig worden meegenomen in verdere beleidsafwegingen.
De leden maken zich nog steeds grote zorgen over de rechtsstaat in Hongarije die wordt
afgebroken door Premier Orban. In het verslag van de RAZ van 27 mei lezen de leden
dat de artikel 7-procedure tegen Hongarije zal worden voortgezet. Naar aanleiding
van de motie Paternotte/van Campen (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3079) is bij andere landen geïnventariseerd of zij openstaan voor vederen stappen in de
artikel 7-procedure. Op basis daarvan concludeert het Kabinet dat er nog geen meerderheden
in zicht zijn.
• Wat betekent het concreet dat de artikel 7-procedure wordt «voortgezet»?
• Kunt u aangeven welke landen dwarsliggen bij het verder brengen van de artikel 7 procedure
tegen Hongarije?
• Op welke manier gaat het Kabinet zich blijven inspannen voor het verder brengen van
de artikel 7-procedure tegen Hongarije en het ontnemen van hun stemrecht zoals verzocht
in de motie Paternotte/van Campen?
16.
Antwoord van het kabinet
De artikel 7-procedure tegen Hongarije bevindt zich momenteel in de fase van artikel 7,
lid 1, van het EU-Verdrag en bestaat uit het horen van Hongarije tijdens RAZ-vergaderingen.
Voortzetting van de artikel 7-procedure houdt in dat de Raad Hongarije zal blijven
horen. Dat kan in de vorm van een hoorzitting of stand van zaken-bespreking. Tijdens
deze besprekingen spreekt het kabinet zich, in Benelux-verband, telkens uit over de
ernstige rechtsstatelijke zorgen met betrekking tot Hongarije. Daarnaast staat het
kabinet in nauw contact met andere gelijkgezinde lidstaten en informeert onder meer
in bilaterale contacten naar hun inzet in de artikel 7-procedure tegen Hongarije om
te bezien of de artikel 7-procedure verder kan worden gebracht. Het kabinet blijft
terzake actief en blijft de lidstaten wijzen op het belang van de artikel 7-procedure.
Over posities van individuele lidstaten doet het kabinet geen uitspraken. Bij wijzigingen
in het krachtenveld aangaande de Artikel 7-procedure tegen Hongarije, informeert het
kabinet uw Kamer daarover.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-Fractie
De leden van BBB willen graag een paar thema's aansnijden betreffende de Raad Algemene
Zaken van 24 juni 2025. Onze grootste zorg gaat uit naar de geringe controle die op
gelden uit de Herstel- en veerkrachtfaciliteit (het coronaherstelfonds) wordt uitgeoefend
en de slordige werkwijze die hierbij is geconstateerd. Dit moet beter kunnen, helemaal
als het om zulke grote bedragen gaat. Hoe kan dit in de toekomst worden voorkomen,
zeker nu de EU de begrotingsregels voor defensie uitgaven deels laat vieren?
17.
Antwoord van het kabinet
De Europese Rekenkamer (ERK) heeft in haar syntheserapport dat op 6 mei jl. werd gepubliceerd
kritische opmerkingen geplaatst bij de controlemechanismen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit
(HVF). Het kabinet vindt het van belang dat EU-geld zorgvuldig wordt besteed. Daarbij
is het van belang dat er lessen worden getrokken uit de implementatie van de HVF.
De rapporten van de ERK zijn daarin waardevol. Het is echter niet het geval dat lidstaten
zomaar geld uit de HVF kunnen krijgen. In de HVF-verordening zijn diverse bepalingen
opgenomen om de financiële belangen van de EU te beschermen. Het gaat dan om het voorkomen,
opsporen en corrigeren van fraude, corruptie, dubbele financiering en belangenverstrengeling.
Daarbij staan lidstaten primair aan de lat om de financiële belangen van EU te beschermen.
Dit vertaalt zich in diverse verplichtingen. Zo moeten lidstaten controlesystemen
opzetten, en er moeten eerst mijlpalen en doelstellingen worden behaald voordat een
lidstaat middelen uit het HVF kan krijgen. Zonder een goed werkend controlesysteem
hebben lidstaten geen recht op uitbetaling. Bovendien moeten lidstaten bijvoorbeeld
verkeerd uitbetaalde of incorrect bestede middelen terugvorderen. Daarnaast heeft
de Commissie tijdens de looptijd van de HVF aanvullende richtsnoeren gepubliceerd
om lidstaten te ondersteunen bij het tegengaan van bijvoorbeeld dubbele financiering.
Het kabinet hecht er groot belang aan dat de financiële belangen van de EU worden
beschermd. Mocht de werkwijze van resultaatgericht begroten, met uitbetaling op basis
van het bereiken van mijlpalen en doelstellingen, een vervolg krijgen onder het volgend
MFK dan zijn de observaties van de ERK op dit punt van belang.
De ontwerpaanbevelingen voor Nederland van de EC verdienen van de leden van BBB een
paar nuanceringen. Als men investeringen in een betaalbare particuliere huurmarkt
wil stimuleren, dan zal het kabinet de de-stimulerende fiscale maatregelen in BOX
3, net als andere maatregelen die investeren in deze sector onaantrekkelijk maken,
moeten aanpakken. Kan de Minister aangeven waarom de Staatssecretaris van financiën
hierin stug blijft en niet open staat voor de ook door de EC gewenste stimulans?
18.
Antwoord van het kabinet
In het Europees Semester hebben lidstaten afgesproken hun economisch beleid te coördineren.
Onderdeel van het Europees Semester zijn landspecifieke aanbevelingen van de Raad
aan de lidstaten. Nederland hecht hier waarde aan. Lidstaten worden hiermee gewezen
op mogelijkheden om het financieel-economisch beleid te versterken. Tegelijkertijd
zijn het aanbevelingen en wordt over beleid op een groot aantal economische thema’s,
waaronder fiscale maatregelen in BOX 3, op nationaal niveau besloten.
Gezien de demissionaire status van het kabinet wordt niet inhoudelijk ingegaan op
de beleidsvoornemens van individuele aanbevelingen uit het Europees Semester. Voor
een overzicht van de aanbevelingen verwijs ik u naar de nazending geannoteerde agenda
Eurogroep en Ecofinraad 19 en 20 juni 2025.4
De leden van BBB nemen kennis van de wens om minder afhankelijk te zijn van fossiele
brandstoffen maar hebben daar wel een opmerking bij. Als Draghi de Europese industrie
en ondernemers wil stimuleren, dan werken de huidige hoge energieprijzen in Nederland
niet. Kan de Minister hierop reflecteren?
19.
Antwoord van het kabinet
Het kabinet acht toegang tot betaalbare en schone energie van groot belang voor het
concurrentievermogen van de Europese en Nederlandse industrie en voor het draagvlak
voor de energietransitie. De Europese Commissie heeft op 26 februari jl. een actieplan
voor betaalbare energieprijzen gepresenteerd. In het BNC-fiche dat uw Kamer is toegegaan
wordt nader in gegaan op de Nederlandse positie ten aanzien van dit onderwerp.5
De EC wil graag extra stappen op het gebied van duurzame landbouw. De leden van BBB
vragen zich af hoe de EC dit in de praktijk ziet?
20.
Antwoord van het kabinet
Op 19 februari jl. heeft de Europese Commissie de «Visie op Landbouw en Voedsel» gepubliceerd.
Zoals vermeld in het BNC fiche, dat op 28 maart naar uw Kamer is verzonden, worden
daarin vier beleidsprioriteiten benoemd, waaronder «een toekomstbestendige agrovoedingssector
die hand in hand met de natuur werkt».6 Onder deze beleidsprioriteit wil de Commissie inzetten op prikkels voor verduurzaming,
onder andere door beloningen voor duurzame praktijken en een benchmarkingsysteem voor
duurzaamheidsbeoordelingen op het boerenbedrijf. Op deze manier kan ook de agrovoedingsector
een belangrijke bijdrage leveren aan de EU-doelstellingen om klimaatneutraal te worden
in 2050.
De leden van BBB vinden dat de EC ook zelf een flinke duit in het zakje kan doen door
versneld werk te maken van deregulering. Kan de Minister daar extra op aandringen?
21.
Antwoord van het kabinet
De Europese Commissie heeft verminderen van regeldruk en administratieve lasten tot
prioriteit bestempeld. Op 12 februari jl. publiceerde de Commissie een mededeling
waarin tal van maatregelen zijn aangekondigd om bestaande regelgeving aan te pakken
en regeldruk te verminderen.7 Sindsdien zijn meerdere omnibus-voorstellen gepubliceerd, onder andere voor het Gemeenschappelijk
Landbouwbeleid.8 Het kabinet steunt deze inzet van de Commissie en draagt actief voorstellen aan.
Kan de Minister aangeven aan onze leden wat bedoeld wordt (en hoe dat vormgegeven
moet worden) met een evenwichtige belastingmix en de fiscale behandeling van verschillende
soorten inkomen op één lijn te brengen? Is dit een Europese of nationale keuze?
22.
Antwoord van het kabinet
In het Europees Semester hebben lidstaten afgesproken hun economisch beleid te coördineren.
Onderdeel van het Europees Semester zijn landspecifieke aanbevelingen van de Raad
aan de lidstaten. Nederland hecht hier waarde aan. Lidstaten worden hiermee gewezen
op mogelijkheden om het financieel-economisch beleid te versterken. Tegelijkertijd
zijn het aanbevelingen en wordt over beleid op een groot aantal economische thema’s,
waaronder fiscale maatregelen, op nationaal niveau besloten.
Gezien de demissionaire status van het kabinet wordt niet inhoudelijk ingegaan op
de beleidsvoornemens van individuele aanbevelingen uit het Europees Semester. Voor
een overzicht van de aanbevelingen verwijs ik u naar de nazending geannoteerde agenda
Eurogroep en Ecofinraad 19 en 20 juni 2025.9
De leden van BBB zouden het op prijs stellen als de Minister de boodschap kan overbrengen
dat het bouwen van betaalbare woningen niet mogelijk is als tegelijkertijd allerlei
Europese normen aangescherpt blijven worden, net als door de stikstof problematiek?
Op deze vlakken voert de EC een contraproductief beleid. Daar zouden de leden van
BBB graag verbetering in zien.
23.
Antwoord van het kabinet
Er is eind 2024 voor het eerst een Eurocommissaris voor Huisvesting benoemd, hij werkt
aan een actieplan voor betaalbare huisvesting. Het kabinet verwelkomt de extra aandacht
die dit thema krijgt in Brussel en zal actief meedenken over de verdere uitwerking
van deze agenda, waaronder ten aanzien van de stikstofproblematiek. U zult hierover
door de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening nader geïnformeerd
worden.
Tot slot volgt de BBB-fractie met veel interesse of het Hof de redenering van advocaat-generaal
Capeta overneemt dat er grenzen zijn aan de nationale interpretatie van EU-wetgeving
in de context van Hongarije. Wat zou dit in dat geval concreet voor Hongarije betekenen?
24.
Antwoord van het kabinet
De conclusie van de advocaat-generaal is een gezaghebbend, niet-bindend advies aan
het EU-Hof. Het EU-Hof is vrij om daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer
de uiteindelijke bindende uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Het kabinet kan
dan ook nu nog niet op de gevolgen voor Hongarije ingaan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A.M. van der Plas, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
E. Hoedemaker, adjunct-griffier