Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Tielen over ontwikkelingen en Europese samenwerking op het gebied van postcovid, mede n.a.v. het bericht ‘Postcovidklinieken boeken eerste resultaten’
Vragen van het lid Tielen (VVD) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over ontwikkelingen en Europese samenwerking op het gebied van postcovid, mede n.a.v. het bericht «Postcovidklinieken boeken eerste resultaten» (ingezonden 5 maart 2025).
Antwoord van Minister Agema (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 15 april
2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024–2025, nr. 1727
Vraag 1
Hoe beoordeelt u de resultaten van de eerste drie postcovidklinieken, zoals beschreven
in het artikel «postcovidklinieken boeken eerste resultaten»1, ten opzichte van de verwachtingen en doelstellingen die tevoren zijn gedeeld?
Antwoord 1
Ik ben verheugd dat alle inspanningen in het afgelopen jaar zich hebben uitbetaald
en dat de post-COVID expertisecentra nu echt van start zijn gegaan om patiënten te
zien. Dat de zoektocht naar een adequate diagnose en een effectieve behandeling bepaald
niet gemakkelijk zou zijn, was bekend. Immers, anders zouden alle onderzoeken in binnen-
en buitenland in de afgelopen jaren al iets hebben opgeleverd. Dat de artsen desalniettemin
aangeven heel voorzichtig de eerste resultaten te boeken, met name waar het gaat over
interventies die enige verlichting bieden bij de voornaamste klachten, stemt mij hoopvol.
Vraag 2
Wat zijn de verwachtingen ten aanzien van het aantal postcovidpatiënten dat dit jaar
nog terecht kan in de huidige drie derdelijnsklinieken? Wanneer gaan de volgende klinieken
open en wat is de verwachting als het gaat om het aantal patiënten dat daar terecht
kan?
Antwoord 2
Na de opening van de eerste drie post-COVID expertisecentra voor volwassenen in november
2024, zijn op 1 februari 2025 de drie centra voor kinderen opengegaan. De opzet van
de expertisecentra is er niet op gericht om alle patiënten met post-COVID te zien,
maar om kennis en expertise op te doen en om deze te delen. Op dit moment worden patiënten
heel uitgebreid onderzocht, wat de zorg per patiënt relatief duur maakt. Voordat andere
centra opengaan, wordt in de centra die reeds open zijn eerst geëvalueerd wat efficiënter
kan zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van diagnostiek en behandeling.
De bedoeling is dus zo snel mogelijk kennis en expertise op te doen. Om die opbouw
van kennis en expertise te versnellen, is het streven de komende maanden meer expertisecentra
in academische centra te openen. Zo kunnen ook meer patiënten in de expertisecentra
worden gezien, en wordt daarmee de landelijke dekking vergroot. In de daarop volgende
fase vindt verspreiding naar de 1e en 2e lijn plaats, zodat de opgedane kennis kan
worden gedeeld met algemene ziekenhuizen, huisartsen en andere zorgverleners, om de
post-COVID-zorg juist dicht bij de patiënten te kunnen organiseren. Op die manier
hebben uiteindelijk alle post-COVID patiënten hier baat bij.
Vraag 3
In hoeverre staat ook verspreiding van kennis en behandelmogelijkheden naar algemene
ziekenhuizen op het programma, bijvoorbeeld in de provincie Noord-Brabant waar de
meeste patiënten lijken te wonen2? Wat gaat u doen om te zorgen dat postcovidpatiënten ook in de tweede en eerstelijn
terecht kunnen voor behandeling?
Antwoord 3
Zoals hierboven beschreven, is het nadrukkelijk de bedoeling zo spoedig mogelijk kennis
en expertise op te doen en deze te delen met algemene ziekenhuizen, huisartsen en
andere zorgverleners, om de post-COVID-zorg juist dicht bij de patiënten te kunnen
organiseren, waar ook patiënten in de provincie Noord-Brabant baat bij hebben. Deze
verspreiding van kennis en behandelmogelijkheden naar de algemene ziekenhuizen en
de huisartsen staat op het programma in fase 3, dat is de fase die aansluit op de
uitbreiding naar de andere academische centra. In deze fase zal naar verwachting ook
een beter beeld te geven zijn over welke vormen van diagnostiek en behandeling zinvol
zijn, en welke niet.
Vraag 4
In welke andere Europese landen zijn er soortgelijke expertisecentra als in Nederland?
Welke leerpunten komen voort uit deze expertisecentra en welke geeft u mee aan de
huidige en op korte termijn te starten postcovidklinieken in Nederland?
Antwoord 4
De Nederlandse post-COVID expertisecentra staan niet op zichzelf, maar maken deel
uit van een breder internationaal netwerk. Er is op verschillende manieren contact
met collega’s uit het buitenland, waarbij kennis en ervaringen actief worden uitgewisseld.
Tegelijkertijd geldt, dat de centrale coördinatie van diagnostiek en behandeling,
zoals deze plaatsvindt in de post-COVID expertisecentra in Nederland, uniek is in
de wereld. Het Nederlandse model van de post-COVID expertisecentra heeft internationaal
veel belangstelling gewekt. Onlangs werd het gepresenteerd tijdens een Long-COVID-congres
in Barcelona, waar het als een unieke landelijke aanpak werd gezien. De resultaten,
inzichten en ervaringen die in de expertisecentra worden opgedaan, zullen via dit
soort congressen en andere internationale platforms, maar uiteraard ook via de internationale
vakliteratuur, verder worden gedeeld.
Bij de opstart van de expertisecentra is uitgebreid gekeken naar zorgpaden in buitenlandse
ziekenhuizen, wat waardevolle inzichten heeft opgeleverd voor het ontwikkelen van
de Nederlandse aanpak. Ook nu blijven artsen en onderzoekers de internationale ontwikkelingen
op de voet volgen. Via het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN) en wetenschappelijke
literatuur worden bevindingen actief gedeeld met buitenlandse collega’s. Daarnaast
zijn Nederlandse experts aanwezig op internationale symposia om de structuur en werkwijze
van de expertisecentra toe te lichten.
Vraag 5
Wat is de reden dat bij de recent geopende expertisecentra voor kinderen3 wederom is gekozen voor universitaire ziekenhuizen?
Antwoord 5
Het combineren van onderzoek en innovatieve patiëntzorg en het samenwerken in de regio
zijn bij uitstek taken die passen bij een umc. Daarom zijn de umc’s door mijn ambtsvoorganger
in april 2024 gevraagd om het voortouw te nemen bij de oprichting van de expertisecentra.
Dat geldt voor zowel voor de centra voor volwassenen als voor de centra voor kinderen.
Bovendien staan de kindercentra en de expertisecentra voor volwassenen in nauwe verbinding
met elkaar en zijn ze deels ook in dezelfde umc’s ondergebracht.
Vraag 6
Waar doelt u op als u aangeeft dat er «voor ouders en kinderen nu een sprankje hoop
gloort»? Waar kunnen patiënten terecht die niet geselecteerd worden voor één van de
centra?
Antwoord 6
Zoals hierboven aangegeven is niet voor iedereen plek in de centra. Post-COVID is
een relatief nieuwe aandoening, en er is nog geen adequate diagnose en behandeling.
Het onderzoek vergt zorgvuldigheid en dat kost helaas tijd. Ik hoop dat ook de ouders
en kinderen, die nu niet in de centra terecht kunnen, steun ervaren uit het feit dat
gespecialiseerde zorg nu echt van de grond komt, want iedere patiënt die gezien wordt
in een expertisecentrum kan leiden tot nieuwe inzichten voor het verbeteren van zorg
en behandeling voor álle patiënten. De bedoeling is dat deze opgebouwde kennis en
expertise zo snel mogelijk zijn weg vindt naar de eerste en tweede lijn, waar alle
patiënten terecht kunnen.
Post-COVID patiënten kunnen ondertussen wel gewoon gebruik maken van verschillende
voorzieningen. Zij kunnen altijd terecht bij de huisarts en andere reguliere zorgaanbieders
met hun klachten. Daarnaast kunnen mensen met post-COVID terecht bij de patiënten
nazorgorganisatie C-support voor advies en ondersteuning op verschillende domeinen
zoals het medische domein, werk en inkomen en het (psycho-)sociale domein. Ten slotte
treden patiëntenorganisaties zoals PostCovid NL op als patiëntvertegenwoordiger, waarbij
informatievoorziening en lotgenotencontact belangrijke elementen zijn.
Vraag 7
Kunt u een update van het eerdere overzicht4 geven van (lopende en afgeronde) onderzoeken naar mogelijke diagnostiek van en effectieve
behandelingen bij postcovid? Zijn er (gepubliceerde) onderzoeksresultaten beschikbaar
en zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Kunt u eenzelfde overzicht geven van wetenschappelijke
onderzoeken op Europees niveau?
Antwoord 7
Op dit moment legt het Instituut Verantwoord Medicijngebruik een laatste hand aan
een update van een eerdere door hen en C-Support uitgevoerde inventarisatie naar de
huidige kennis en het lopende onderzoek op het gebied van post-COVID. Dit doen zij
in opdracht van ZonMw. In de inventarisatie worden de kenmerken en uitkomsten van
beschikbare resultaten van klinische studies opgenomen. Dit geeft een overzichtelijk
beeld van de laatste stand van zaken van de wetenschappelijke literatuur. De bijlagen
bij de publicatie bieden een overzicht van zowel lopende klinische studies5 als de studies gefinancierd vanuit ZonMw en Stichting Long COVID. In een volgende
stand van zakenbrief over post-COVID zal ik uw Kamer het rapport van het IVM doen
toekomen.
Voor een overzicht van de toegekende onderzoeken binnen het ZonMw programma post-COVID,
verwijs ik uw Kamer graag naar de website van ZonMw6. De studies die voortkomen uit de derde subsidieoproep binnen het Post-COVID ZonMw
programma, getiteld «Post-COVID: van risicofactoren en preventie tot diagnostiek en
behandeling», worden in de zomer van 2025 bekend.
Vraag 8
Wat is de stand van zaken van het Europees expertisenetwerk postcovid? Heeft Nederland
daarin een leidende rol, zoals bedoeld? Hoe werkt dit expertisenetwerk als het gaat
om overleg, kennisontwikkeling en -uitwisseling? Wat heeft het netwerk opgeleverd
en hoe verhoudt zich dat tot de Nederlandse resultaten?
Antwoord 8
Nederland investeert via ZonMw in wetenschappelijk onderzoek en in de nationale kennisinfrastructuur
via het post-COVID Netwerk Nederland (PCNN). Zij nemen ook deel aan het «Network of
Expertise on Long COVID» (NELC), dat in 2023 is opgericht door de Europese Commissie
(DG SANTE) om de nationale expertise samen te brengen en de EU-brede respons op post-COVID
te versterken. Binnen het NELC wordt informatie over Long COVID in verschillende EU
landen verzameld en uitgewisseld. Het netwerk is zich nog aan het ontwikkelen en veel
onderzoeken binnen het post-COVID programma en het NELC zijn net gestart. Hierdoor
zullen resultaten nog even op zich laten wachten.
De WHO en OECD zijn op initiatief van de Europese Commissie (DG SANTE) gestart met
een actieplan gericht op 7 acties die door het NELC zijn geformuleerd, te weten: het
identificeren van hiaten in onderzoeksbehoeften; het trainen van gezondheidsprofessionals;
het ontwikkelen van klinische richtlijnen; patiëntenparticipatie en -ondersteuning;
onderzoek naar de socio-economische impact van Long COVID; verbeteren van de definitie
van Long COVID en de mogelijkheden om toe te werken naar een surveillance systeem.
Dit project loopt tot en met 2026. In aanvulling daarop is onlangs door de Europese
Commissie ook de Open Stakeholder group gestart, met als doel om alle geïnteresseerde
stakeholders de kans te geven met elkaar in gesprek te gaan op Europees niveau, om
geïnformeerd te worden over wat er gebeurt in het EU-kader en op nationaal niveau.
Zoals hierboven beschreven maken ook de Nederlandse expertisecentra deel uit van een
breder internationaal netwerk. Zo is er nauwe samenwerking met verschillende Europese
groeperingen, maar ook buiten de Europese grenzen is er goed contact. Door deze continue
kennisuitwisseling versterken we niet alleen de Nederlandse post-COVID zorg, maar
dragen we ook bij aan een bredere internationale aanpak van deze complexe aandoening.
Vraag 9
Is er naar uw mening voldoende Europese samenwerking als het gaat om postcovid? Zo
nee, bent u dan bereid hier (alsnog) de leiding te nemen en de samenwerking te intensiveren?
Wat is tot nu toe uw inzet geweest als het gaat om Europese samenwerking op het gebied
van postcovid?
Antwoord 9
Zoals hierboven beschreven is er samenwerking op verschillende terreinen. VWS heeft
partijen samengebracht om deel te nemen aan het NELC en één van de criteria bij de
beoordeling van het PCNN en de andere subsidierondes van het post-COVID programma,
was om verbinding te maken met lopend internationaal onderzoek en voort te bouwen
op internationale initiatieven. In het PCNN wordt dan ook, waar mogelijk, verbinding
gemaakt met internationale initiatieven. Zo wordt in samenwerking met de UK een internationale
adaptieve platform trial geïnitieerd, waar naar verwachting in de toekomst meer Europese
landen bij aan zullen sluiten. Daarnaast wordt binnen het PCNN ingezet op het harmoniseren
en standaardiseren van dataverzameling, methoden en uitkomstmaten, zodat uitwisseling
wordt bevorderd met internationale biobanken en andere initiatieven.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Agema, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.