Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de kabinetsreactie op de jaarverslagen 2023 van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman (Kamerstuk 36521-3)
36 521 Jaarverslag van de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman over 2023
Nr. 4
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 17 januari 2025
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief
van 24 oktober 2024 inzake de kabinetsreactie op de jaarverslagen 2023 van de Nationale
ombudsman en de Kinderombudsman (Kamerstuk 36 521, nr. 3).
De vragen en opmerkingen zijn op 25 november 2024 aan de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 17 januari 2025 zijn de vragen
beantwoord.
De voorzitter van de commissie, De Vree
De griffier van de commissie, Honsbeek
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de kabinetsreactie op de jaarverslagen van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman
over het jaar 2023. Deze leden hebben over deze kabinetsreactie een aantal vragen
en zorgen.
Alvorens in te gaan op deze vragen en zorgen willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en hun staf bedanken voor het vele belangrijke
werk.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de jaarverslagen van de Ombudsmannen
grote urgentie voor een aantal hardnekkige problemen in de samenleving. In de kabinetsreactie
lezen deze leden minder urgentie. Het kabinet schrijft wel dat zij de aanbevelingen
belangrijk vindt, maar deze leden missen hierbij de noodzakelijke concrete reactie.
Graag zouden zij daarom aan het kabinet willen vragen of het kabinet de grote urgentie
van de problematiek rondom bijvoorbeeld armoede en specifiek kinderarmoede onderschrijft.
En zo ja, kan het kabinet concreet aangeven hoe zij ervoor gaat zorgen dat de grote
zorgen zo spoedig mogelijk kunnen worden weggenomen en dat de jaarverslagen van de
ombudsmannen hier in de toekomst minder zorgen over hoeven uit te spreken?
Antwoord
Dit kabinet zet absoluut in op het tegengaan van kinderarmoede en het doorbreken van
generatiearmoede. Dit doen we bijvoorbeeld met een breed pakket aan koopkrachtmaatregelen,
waaronder de verhoging van het kindgebonden budget, en met de structurele financiering
van schoolmaaltijden. Het kabinet financiert gemeenten en de SAM&-partijen om kinderen
die in armoede opgroeien te ondersteunen. Daarnaast werken vijf Ministeries (van BZK,
J&V, OCW, SZW en VWS) samen aan de ontwikkeling van een integrale en domeinoverstijgende
aanpak kinderarmoede en werken we met gemeenten samen om ervoor te zorgen dat het
beleid om kinderarmoede aan te pakken verbetert, en ieder kind gelijke kansen krijgt.
Ook zet het kabinet in op de preventie van geldzorgen, onder meer door te investeren
in financiële educatie voor kinderen en jongeren, waarmee we mensen zo vroeg mogelijk
willen bereiken, ondersteunen en niet-gebruik tegengaan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet de ambitie heeft dat
de rijksdienst aantoonbaar meer inzet op vakmanschap, kennis, uitvoering en burgerperspectief.
Deze leden delen het belang van die ambitie. In dat verband zouden zij willen wijzen
op het rapport van Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) «Naar een uitvoerende macht»
waarin onder andere gewezen wordt op de te harde scheiding in het denken tussen beleid
en uitvoering in de ambtelijke dienst. De ROB doelt er daarbij op dat bij het maken
van beleid te weinig wordt gelet op de gevolgen voor het uitvoeren ervan. Een belangrijke
verklaring daarvoor is, volgens de ROB, dat op beleidsdepartementen een grote gerichtheid
op de politieke belangen van bewindspersonen bestaat. Deelt het kabinet die opvatting
van de ROB? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom? En zo ja, deelt het kabinet dan ook
de opvatting van de ROB dat daaruit volgt dat uitvoerders als de ondergrenzen van
de beginselen van goed en behoorlijk openbaar bestuur in zicht komen een opdracht
– al dan niet tijdelijk – moeten kunnen teruggeven aan beleidsmakers en politici wanneer
die onuitvoerbaar of onrechtsstatelijk is?
Antwoord
Het kabinet deelt de mening van de ROB dat beleid moet worden gemaakt met de uitvoering
in gedachten. Het streven is om in co-creatie en een open beleidsproces tot goed,
uitvoerbaar en doenbaar beleid te komen dat bijdraagt aan publieke waarde creatie.
Dit vraagt om het vroeg in het proces betrekken van de uitvoerende organisaties bij
de totstandkoming en herziening van beleid. Ook borg ik de uitvoerbaarheid van beleid
door middel van uitvoeringstoetsen. De mogelijkheden van een noodrem als waarborg
tegen slecht beleid en bestuur wil ik onderzoeken. Een vergelijkbare aanbeveling,
namelijk de mogelijkheid van het «trekken van een rode kaart», is gedaan door de Staatscommissie
rechtstaat in het rapport De gebroken belofte van de rechtsstaat. In de kabinetsreactie
op het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat kom ik hierop terug.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het net zoals het kabinet van belang
dat mensen proactief worden gewezen op regelingen waarop ze recht hebben en zo te
voorkomen dat mensen niet op de hoogte zijn van de mogelijkheden die er voor hen zijn.
Hoe worden mensen die recht hebben op een regeling proactief opgespoord en benaderd?
Deelt het kabinet de mening van deze leden dat door het minimumloon, en daaraan gekoppeld
de uitkeringen, te verhogen wellicht veel minder noodzaak bestaat om van regelingen
gebruik te hoeven te maken? Bestaan veel van de regelingen, met name bij gemeenten,
niet vooral omdat het huidige minimum niet toereikend is?
Antwoord
Er is op dit moment geen wettelijke grondslag om mensen die mogelijk recht hebben
op (inkomensondersteunende) regelingen proactief in beeld te krijgen en daarover te
benaderen als er nog geen (financiële) relatie is tussen gemeenten en inwoner. Als
deze relatie er wel is, is het wel reeds mogelijk om mensen te attenderen. Als het
wetsvoorstel proactieve dienstverlening (wet SUWI) wordt aangenomen, hebben het UWV,
de SVB en gemeenten de bevoegdheid om te onderzoeken wie waar mogelijk recht op heeft
en kunnen zij mensen daarover informeren en indien gewenst de aanvraag faciliteren.
De huidige mogelijkheid is om mensen via onder andere vindplaatsen en loketten te
informeren over regelingen waar zij mogelijk recht op hebben.
Het kabinet deelt de mening dat het van belang is om het bestaansminimum te garanderen.
Dat ziet het kabinet breder dan alleen het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen.
Zo investeert dit kabinet in het verhogen van de huurtoeslag en het kindgebonden budget.
Deze maatregelen dragen ook bij aan het versterken van bestaanszekerheid. Naast deze
maatregelen voor de korte termijn werkt het kabinet aan een hervormingsagenda inkomensondersteuning
waarin aandacht is voor het garanderen van het bestaansminimum. Verder is de Staatssecretaris
van Participatie en Integratie in gesprek met de VNG en Divosa over de ambitie om
het armoedebeleid te verbeteren. Daarbij is ook aandacht voor de verantwoordelijkheidsverdeling
tussen rijk en gemeenten. De uitkomsten van de gesprekken landen in het Nationaal
programma armoede en schulden dat de Staatssecretaris in het voorjaar van 2025 aan
de Tweede Kamer zal aanbieden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de indruk dat met name minder mondige
ouders, of laaggeletterde ouders die weg moeilijker weten te vinden. De Kinderombudsman
zegt hierover letterlijk dat er in Nederland te weinig doorleefde kennis is van kinderrechten.
Hoe ziet het kabinet dit? Gaat zij hier concreet aan doen om dit te verbeteren? Wat
zijn dan de concrete doelstellingen hierbij? Ook constateren deze leden dat er grote
zorgen zijn over de jeugdzorg. Hoe beoordeelt het kabinet zijn eigen uitvoering hierbij?
Kan het kabinet hierop reflecteren?
Antwoord
Het kabinet is van mening dat een doorleefde kennis van kinderrechten van groot belang
is. Hiervoor onderneemt het kabinet meerdere stappen. Om er bijvoorbeeld voor te zorgen
dat iedereen in Nederland goede informatie kan vinden over kinderrechten ontvangt
stichting Defence For Children een instellingssubsidie van het ministerie VWS, waarmee
zij onder andere zorg dragen voor de website kinderrechten.nl. Via deze website wordt
op een begrijpelijke manier voorlichting gegeven over kinderrechten. De doelgroep
is het algemene publiek, kinderen, jongeren en hun ouders/verzorgers, onderwijs- en
zorgprofessionals en lokale beleidsmakers. Voor kinderen is deze informatie toegankelijk.
Er is speciale aandacht voor gemeenten en andere lokale partners die met kinderen
werken. Via de website kunnen ook vragen worden gesteld over kinderrechten die Defence
for Children beantwoordt (de Kinderrechtenhelpdesk). Om ook op lokaal niveau de kennis
over kinderrechten te versterken heeft het Kinderrechtencollectief in opdracht van
het Ministerie van VWS een publicatie gemaakt over de aanbevelingen van het VN Kinderrechtencomité
en de betekenis voor gemeenten. In deze publicatie worden praktische handvatten gegeven
hoe actief gewerkt kan worden aan de naleving van kinderrechten.1 Volgens artikel 17 van het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind
hebben kinderen recht op toegankelijke informatie over zaken die voor hen van belang
zijn. Daarom heeft Save the Children samen met stichting de Kleine Ambassade het Regeerprogramma
vertaald in kindvriendelijke taal.2
Het kabinet ziet daarnaast dat de uitvoering van de jeugdzorg beter kan en moet en
wil de komende periode dan ook flinke stappen zetten om te stimuleren dat jeugdigen
weerbaar opgroeien en de meest kwetsbare kinderen tijdig de passende hulp ontvangen
die zij zo hard nodig hebben. Het Regeerprogramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96) bevat een duidelijke opdracht op het terrein van jeugd: we zetten de uitvoering
van de Hervormingsagenda Jeugd voortvarend door, we vergroten de veiligheid voor kinderen
en verminderen het aantal uithuisplaatsingen. De trajecten die de afgelopen periode
hiervoor in gang zijn gezet, zetten wij stevig en – waar mogelijk – versneld door.
Met de Hervormingsagenda zetten we in op een sterke, elkaar steunende samenleving
met laagdrempelige algemene voorzieningen om jeugdzorg waar mogelijk te voorkomen,
stevige lokale teams die ook zelf (lichte) hulp kunnen bieden, het versterken van
de organisatie en inkoop van goede specialistische jeugdzorg om passende zorg beschikbaar
te hebben voor de meest kwetsbare jeugdigen en het houdbaar maken van het jeugdzorgstelsel
voor de toekomst. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt
aan het realiseren van een kwalitatief verbeterd en vereenvoudigd systeem van kind-
en gezinsbescherming. Het Toekomscenario en de Hervormingsagenda Jeugd zijn nauw aan
elkaar verbonden en versterken elkaar. In beide trajecten is er een kennis- en leerinfrastructuur
en wordt de voortgang goed gemonitord. Belangrijk moment in dat kader is het zwaarwegende
advies van de Deskundigencommissie aan het Rijk en de VNG in januari 2025. Opdracht
van de Deskundigencommissie is dat zij advies geeft over de uitvoering van de maatregelen
en de gepleegde inspanningen in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd, mede in
relatie tot de uitgavenontwikkeling. Na het uitbrengen zullen Rijk en VNG met elkaar
in gesprek gaan hoe er vervolg aan te geven.
In de kabinetsreactie staan mooie woorden. Maar de zorgen nemen alleen maar toe. Wat
gaat het kabinet hieraan doen? Het Kinderrechtencollectief spreekt over een morele
ondergrens als het gaat om veilig onderwijs en onderwijs aan nieuwkomers. Ondanks
de waarschuwingen verdubbelde het aantal asielkinderen in noodopvang. Welke concrete
doelen heeft het kabinet als het gaat om inclusief onderwijs? Kan het kabinet reageren
op de zorgen van de Kinderombudsman op de punt?
Antwoord
Het staat voorop dat ieder kind goed en passend onderwijs verdient. Zoals benoemd
in het Regeerprogramma werken we toe naar inclusief onderwijs. In mei 2024 is het
beleidskader Met elkaar voor alle kinderen werken aan een inclusieve leeromgeving
aangeboden aan de Tweede Kamer. In dit beleidskader zijn inclusief onderwijs en de
inclusieve leeromgeving nader gedefinieerd. De ambitie is dat alle scholen in het
funderend onderwijs in 2035 werken aan inclusief onderwijs en dat een groot deel van
de scholen in 2035 ook daadwerkelijk inclusief onderwijs biedt.
Om inclusief onderwijs te realiseren wordt gewerkt aan de volgende doelen:
1. Alle kinderen zijn welkom op een school dichtbij huis.
2. Er is goede ondersteuning voor de kinderen en het schoolteam.
3. Kinderen, hun ouders en het schoolteam hebben volwaardig en gelijkwaardig toegang
tot een inclusieve leeromgeving.
4. Alle kinderen leren en ontwikkelen zich.
5. Alle kinderen participeren.
Deze doelen zijn vertaald in een plan waarmee we de komende jaren gezamenlijk met
alle betrokken partijen stappen kunnen zetten. Focuspunten op de korte termijn zijn
onder andere het in samenhang met elkaar verkennen en concretiseren van de ondersteuningsstructuur
in en om de school, wetgeving en toezicht en de financiële impact van inclusief onderwijs.
Het beleidskader is daarbij leidend. Daarnaast werken we aan de inrichting van monitoring
om de ontwikkeling van inclusief funderend onderwijs in Nederland tot 2035 te kunnen
volgen.
De leden van Groenlinks-PvdA uiten daarnaast hun zorgen over de situatie voor kinderen
in de noodopvang en vragen het kabinet om een reactie op de zorgen van de Kinderombudsman
op dit punt. Voor een uitgebreide reactie op dit punt verwijs ik graag naar de antwoorden
op Kamervragen die op 29 november jl. naar uw Kamer zijn gestuurd.3 Hierin heeft de Minister van A&M o.a. aangegeven dat alle inzet van het COA erop
gericht is om kinderen zo weinig mogelijk verhuisbewegingen te laten maken en hen
zo min mogelijk in de noodopvanglocaties te plaatsen. Met de huidige druk op de opvangcapaciteit
lukt dit momenteel helaas onvoldoende. Dit is een onwenselijke situatie. De Ministeries
van A&M, OCW, VWS en het COA en de VNG zijn (met partners uit het veld) in gesprek
om de toegang tot onderwijs en zorg voor deze kinderen te verbeteren. Wanneer kinderen
in een gemeente worden opgevangen dienen de gemeente en de schoolbesturen er zorg
voor te dragen dat de kinderen onderwijs krijgen. Dit kan lokaal uitdagend zijn. Daarom
helpen regiocoördinatoren van het Ministerie van OCW gemeenten en schoolbesturen hierbij.
Daarbij kan, wanneer het echt niet anders kan en na toestemming van de Staatssecretaris
van OCW, ook gebruik gemaakt worden van de ruimte die de Tijdelijke wet tijdelijke
nieuwkomersvoorzieningen biedt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de Nationale ombudsman en de
Kinderombudsman ook ruim aandacht besteden aan Caribisch Nederland. Deze leden onderschrijven
de zorgen. In het rapport «Eindjes aan elkaar knopen» doen de Ombudsmannen een aantal
concrete aanbevelingen, te weten: 1) zorg dat er naast het sociaal minimum dat er
komt ook aandacht is voor zaken als, goed werkend openbaar vervoer en laagdrempelige
schuldhulpverlening; 2) zorg voor betere huisvesting, en zeker voor voldoende opvangmogelijkheden
voor kwetsbare jongeren; 3) zorg voor meer mogelijkheden voor scholing en trainingen
voor jongeren én volwassenen, en zorg dat naschoolse activiteiten voor kinderen blijven
bestaan en 4) een buddy, toegankelijke kinderopvang en opvang voor ouderen zijn noodzakelijke
maatregelen om meer zorg en meer ondersteuning te krijgen voor de verschillende generaties.
Deze leden vinden het teleurstellend dat het kabinet geen echte inhoudelijke reactie
geeft op deze aanbevelingen en slechts verwijst naar een nog te ontvangen kabinetsbrief
over het rapport van de commissie over het sociaal minimum. Zij zouden daarom alsnog
graag per aanbeveling een concrete reactie van het kabinet willen ontvangen omdat
zij anders bezorgd zijn dat de aanbevelingen van de ombudsmannen in een andere kabinetsreactie
vervagen. Daarom dus de vraag om een inhoudelijke reactie op deze aanbevelingen.
Antwoord
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen een vraag over de publicatie van de
Nationale ombudsman «De eindjes aan elkaar knopen. Een reflectie op armoede-gerelateerde
problematiek in Caribisch Nederland» (2023). In de Kamerbrief met de eerste reactie
op het rapport van de Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland gaf het vorige
kabinet een korte reflectie op het rapport van de Nationale ombudsman. Het vorige
kabinet gaf aan dat het rapport zal worden betrokken bij de verdere uitwerking van
adviezen van de Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland. Dit kabinet volgt deze
lijn en heeft u recent een nadere reactie gestuurd op het rapport van de Commissie
sociaal minimum Caribisch Nederland.4
Met betrekking tot de aanbeveling zorg voor betere huisvesting en zeker voor voldoende
opvangmogelijkheden voor kwetsbare jongeren is het Ministerie van VWS in 2021 een
pilotproject Begeleid wonen Bonaire gestart. Begeleid wonen Bonaire is inmiddels een
structurele voorziening met 13 plekken.
VWS werkt met de openbare lichamen aan een verruiming van mogelijkheden voor zinvolle
vrijetijdsbesteding. Wanneer jongeren hun vrije tijd op een positieve en stimulerende
manier besteden, wordt hen de mogelijkheid geboden zich verder te ontwikkelen, sociale
netwerken op te bouwen, en/of nieuwe vaardigheden te leren. Door aan te sluiten bij
beleidsinitiatieven van de openbare lichamen wordt gewerkt aan betaalbaar, divers
en toegankelijk activiteitenaanbod. Daartoe werken VWS en OCW sinds 2024 aan een maatwerkaanpak
School en Omgeving voor Caribisch Nederland om beter aan te kunnen sluiten bij de
context en behoefte op de eilanden. Er is van 2024–2026 jaarlijks € 3,5 miljoen beschikbaar
waarbij VWS de besteding van middelen coördineert met de openbare lichamen. Dit maakt
een integrale aanpak mogelijk en vermindert de administratieve last voor de openbare
lichamen. Op Bonaire is die maatwerkaanpak geïntegreerd in het programma Werken aan
welvaart & welzijn waar het Openbaar Lichaam Bonaire en de rijksoverheid samenwerken
aan armoedebestrijding en kansengelijkheid. Ook op Saba en St. Eustatius werken de
departementen in het sociaal domein met de openbare lichamen aan een intensievere
samenwerking om tot een integrale aanpak te komen.
Via de maatwerkaanpak worden activiteitenaanbieders ondersteund op alle eilanden,
direct of via de openbare lichamen. Deze activiteitenaanbieders bieden diverse activiteiten,
zoals sport, bewegen, cultuur en huiswerkbegeleiding. Ook worden maaltijden aangeboden.
Op Bonaire vindt in 2024 een evaluatieonderzoek plaats naar de kwaliteit, veiligheid
en het bereik van activiteitenaanbieders om de doelmatigheid en doeltreffendheid te
verbeteren. Dat onderzoek wordt in 2025 ook op Saba en St. Eustatius uitgevoerd. Het
naschools sportaanbod voor kinderen en jongeren is over de afgelopen jaren flink uitgebreid,
onder andere door een schoolsportkalender en interinsulaire schoolspelen met en tegen
andere eilanden. Ook werkt VWS, ondersteund door partners als Jantje Beton en de Cruyff
Foundation, op Bonaire, Saba en St. Eustatius aan het creëren van meer fysieke ontmoetingsplekken
door veilige en toegankelijke sport- en speelvoorzieningen te creëren.
Het inrichten van een buddy systeem is onderdeel van het preventieve jeugdbeleid van
de Openbare Lichamen. Het Ministerie van VWS zal dit onder de aandacht brengen in
de lopende gesprekken met de Openbare Lichamen.
De huidige dagbesteding voor ouderen wordt per 2025 uitgebreid. Daarnaast is een nieuw
verzorgings-/verpleeghuis in ontwikkeling om aan de toenemende vraag voor opvangplekken
voor ouderen te voldoen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het jaarverslag dat een kind op Bonaire
dat geen onderwijs krijgt en een kind dat zeer intensieve zorg nodig heeft. In beide
gevallen gaat het om mensenrechten, die pas worden nageleefd nadat ouders de weg naar
de Kinderombudsman vinden. Dit lijkt een vorm van rechtsongelijkheid ten opzichte
van Europees Nederland. Is het kabinet het hiermee eens en hoe kan deze problematiek
worden opgelost?
Antwoord
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de visie van het kabinet op kinderen
met een intensieve zorgbehoefte in Caribisch Nederland. Onder de verantwoordelijkheid
van de Staatssecretaris van Participatie en Integratie is er een tijdelijke regeling
voor dubbele kinderbijslag voor ouders van een kind met een intensieve zorgbehoefte.
Deze regeling loopt vooruit op de invoer van de structurele regeling intensieve zorg.
Die regeling wordt mogelijk gemaakt door de Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024 die
bij uw Kamer is ingediend.
Voor het voorbeeld van de leerling die pas na contact met de Kinderombudsman geplaatst
zou zijn, kan het kabinet zich voorstellen dat de jongere en zijn naasten dit als
vervelend hebben ervaren. Van rechtsongelijkheid is echter geen sprake. Ook in Europees
Nederland zien we situaties waarin het helaas niet direct lukt om een kind ergens
te plaatsen, waardoor aan wordt geklopt bij plaatselijke of landelijke organisaties
die hierin een cruciale rol kunnen spelen, zoals de onderwijsconsulenten.
In algemene zin geldt uiteraard dat dit niet nodig zou moeten zijn, scholen zijn immers
verantwoordelijk voor het onderwijs aan alle leerlingen op het eiland. Hiervoor kunnen
zij, in Caribisch Nederland, ondersteuning en advies krijgen van het Expertisecentrum
Onderwijszorg (EOZ) op hun eiland. De scholen, EOZ’s, VWS en OCW werken met andere
ketenpartners aan de verdere verbetering van het onderwijs voor de leerlingen, ook
wanneer zij extra ondersteuning nodig hebben.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de kabinetsreactie
op de jaarverslagen 2023 van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman. Deze leden
benadrukken en erkennen de centrale boodschap van de ombudsmannen dat het waarborgen
van het burgerperspectief zeer wenselijk is. Het is goed te lezen dat het kabinet
dit pleidooi ook onderschrijft. Graag willen deze leden de volgende vragen stellen.
Het kabinet geeft aan dat zijn ambitie is dat de rijksdienst aantoonbaar meer inzet
op vakmanschap en kennis. Hoe draagt dit bij aan waarborgen van het burgerperspectief,
aangezien kennis en vakmanschap niet direct gericht zijn op het perspectief van de
burger? Hoe gaat het kabinet borgen dat het burgerperspectief beter wordt meegewogen
bij besluitvorming? Is het kabinet bereid met regelmaat te evalueren of de verschillende
aspecten waarop acties ondernomen gaan worden ook aantoonbaar daadwerkelijk verbeterd
zijn?
Antwoord
Er wordt nog te vaak óver burgers gesproken in plaats van met hen. Voor de overheid
blijkt het lastig om voorbij regels en procedures te kijken. Daardoor is er een te
grote afstand tussen de dagelijkse wereld van burgers en het systeem van de overheid.
Een fundamentele herbezinning is nodig: op welke wijze geeft de overheid de relatie
met haar burgers vorm?5 Een van de manieren waarop dat gebeurt is dat de Rijksdienst aantoonbaar meer inzet
op vakmanschap, kennis, uitvoering en burgerperspectief. Om het burgerperspectief
te waarborgen zal het kabinet werken aan het versterken van ambtelijk vakmanschap
en kennis bij Rijksambtenaren, waarbij het burgerperspectief centraal staat. Daarmee
bedoel ik concreet dat we klachten en signalen vanuit alle segmenten van de samenleving
(en adviesorganen, zoals de Nationale ombudsman) tijdig en goed oppakken en naar burgers
luisteren. Dat we erkenning, herstel en perspectief bieden bij fouten vanuit de overheid
jegens burgers. Dat we een behulpzame en uitnodigende houding hebben en ruimte geven
aan initiatieven vanuit de samenleving. We bieden daarnaast zelf robuuste kanalen
waarmee burgers invloed, zeggenschap en regie hebben over zaken die hen aangaan, zoals
nu met het nationaal burgerberaad op klimaat. Ik werk aan vakmanschap gericht op burgerperspectief;
het krijgt aandacht in de basisopleiding voor Rijksambtenaren die we gaan opzetten
en van de ABD. Ik werk aan betere verankering in het reguliere werk en bestaande werkprocessen
en richt de organisatie daarop in. Zo zal ik het burgerperspectief centraal zetten
bij uitvoeringstoetsen, bij de aanpak van hardheden en bij het Beleidskompas. De voortgang
en resultaten zal ik monitoren en evalueren. Deze evaluatie van de voornemens in het
Regeerprogramma kunt u lezen in de jaarverslagen bij de jaarlijkse verantwoording.
Daarbij zal zowel worden gekeken naar de inzet op het versterken van burgerperspectief,
maar ook naar de resultaten van het beleid. Als Minister van BZK heb ik hier een coördinerende
en stimulerende rol naar alle departementen.
De leden van de NSC-fractie lezen dat de ombudsmannen terecht stellen dat een responsieve
overheid niet voldoende is. Het kabinet geeft aan verschillende mogelijkheden te verkennen
om mensen proactief te wijzen op regelingen waarop ze recht hebben. Hiertoe is met
ruime meerderheid een motie (Kamerstuk 36 600-VII, nr. 24) aangenomen om te komen tot een uniforme grondslag op basis van de Algemene Verordening
Gegevensbescherming (AVG) om gegevens te delen die in het voordeel van burgers proactief
regelingen toekennen. Op welk gebied ziet het kabinet de meeste ruimte voor verbetering
als het gaat om proactief wijzen op regelen en hoe onderscheid proactief wijzen op
regelingen zich van de huidige situatie waarin vaak gebruik wordt gemaakt van campagnes?
Antwoord
Bij het proactief wijzen op regelingen geldt dat er op basis van bekende persoonsgegevens
bij de overheid wordt gewezen op het recht op regelingen. Hierbij zien we drie vormen:
proactieve informatievoorziening (een brief van de gemeente dat je paspoort moet worden
verlengd), een dienst met tussenkomst van de burger (vooringevulde belastingaangifte)
en een dienst zonder tussenkomst van de burger (automatische kinderbijslag tweede
kind). Dit onderscheidt zich van de huidige situatie met campagnes omdat deze algemeen
van aard zijn.
Ten aanzien van de motie Palmen onderzoek ik momenteel welke algemene grondslag gebruikt
kan worden voor gegevensdeling, om zo proactieve dienstverlening mogelijk te maken.
Daarbij beoordeel ik de suggestie in de motie om als grondslag artikel 20 Grondwet
juncto artikel 2:1 Algemene wet bestuursrecht te hanteren. Op deze motie kom ik op
korte termijn in een Kamerbrief terug. Hiernaast onderzoek ik in het kader van de
aanbevelingen van de Staatscommissie rechtsstaat de mogelijkheid en wenselijkheid
van een nieuw te ontwerpen algemene wettelijke grondslag voor gegevensdeling tussen
overheidsorganisaties, voor proactief overheidshandelen in het belang van de burger.
Hierop kom ik voor de zomer van 2025 terug in de kabinetsreactie op het betreffende
rapport.
In het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat wordt de complexiteit en onvoorspelbaarheid
van beleid en regelgeving genoemd als een oorzaak voor het niet-gebruik van inkomensondersteuning.
Dit niet-gebruik kan ertoe leiden dat mensen onder het bestaansminimum leven. Het
terugdringen van niet-gebruik door proactief te wijzen op inkomensondersteunende regelingen,
is daarom van groot belang.
De leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet het versterken van bestaanszekerheid
en het aanpakken van armoedeproblematiek hoog op de agenda heeft staan. Dit ondersteunen
deze leden van harte. Een belangrijk vraagstuk binnen dit thema is het verlagen van
administratieve lasten, dat wil zeggen het niet weten, niet willen en niet kunnen
van mensen om gebruik te maken van regelingen. Daartoe komt het kabinet met verschillende
voorstellen, zoals het Persoonlijk Digitaal Regelingenoverzicht (PDR). Hoe zorgt het
PDR ervoor dat doorverwijzingen naar regelingen ook daadwerkelijk leiden tot eenvoudige
en toegankelijke aanvraagprocedures? Hoe wordt geborgd dat ook niet-digitaal vaardige
of kwetsbare groepen toegang hebben tot het PDR en daadwerkelijk gebruik kunnen maken
van de geboden diensten? Gaat het kabinet over tot het voorinvullen van aanvraagformulieren
overeenkomstig de vooringevulde fiscale aangifte?
Antwoord
Momenteel loopt de verkenning naar een Persoonlijk Digitaal Regelingenoverzicht (PDR).
Deze verkenning richt zich op de haalbaarheid en wenselijkheid van een mogelijk PDR.
Hierbij wordt gekeken naar hoe mensen een gepersonaliseerd overzicht kunnen krijgen
van de regelingen waar zij mogelijk recht op hebben en hoe het proces naar een aanvraag
gefaciliteerd en vergemakkelijkt kan worden. Het daadwerkelijk toekennen van een regeling
blijft de verantwoordelijkheid van de uitkerende overheidsinstantie. Daarom wordt
in samenwerking met hen o.a. onderzocht wat mogelijkheden zijn om informatie voor
in te vullen en het proces van aanvraag te versimpelen. Daarnaast richt de verkenning
zich op de rol van (lokale) hulp- en dienstverleners. Zij zien vaak kwetsbare groepen,
waar niet-digitaal vaardige mensen onderdeel van zijn. Samen met de hulp- en dienstverleners
brengen we in kaart of en hoe een PDR wenselijk is voor hun organisaties en of daarmee
de genoemde groepen geholpen zijn.
De leden van NSC-fractie lezen dat volgens de Kinderombudsman betere naleving van
het kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties (VN) nog steeds nodig is. Kan het
kabinet toelichten op welke punten verbetering betracht wordt en hoe dit geïntegreerd
wordt in lopende initiatieven, bijvoorbeeld de ontwikkeling van een nationale jeugdstrategie?
Antwoord
Op 9 maart 2022 heeft Nederland aanbevelingen ontvangen van het VN Kinderrechtencomité.
De uitvoering van deze aanbevelingen vindt plaats binnen meerdere ministeries. Daarom
wordt de Kamer via de reguliere rapportages en Kamerbrieven geïnformeerd over de inhoudelijke
opvolging van de aanbevelingen en hoe deze opvolging linkt aan lopende initiatieven.
Om naleving van het kinderrechtenverdrag van de VN te versterken is de Kinderombudsman
in 2023 gestart met de ontwikkeling van een kinderrechtentoets voor Nederlandse wet-
en regelgeving en beleid. Deze toets kan een belangrijk hulpmiddel voor beleidsmakers
zijn om bij al het beleid dat kinderen en jongeren aangaat aan de voorkant te kunnen
toetsen in hoeverre kinderrechten (positief of negatief) geraakt worden. Op 10 december
2024 is deze toets gelanceerd. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport en de
Staatssecretaris voor Rechtsbescherming hebben tijdens het wgo Jeugd in november 2024
toegezegd om na oplevering van de toets samen met de Kinderombudsman te gaan verkennen
of en hoe deze toets gebruikt kan worden binnen beleid.
Om de aandacht op kinderrechten vast te houden worden elk jaar open gesprekken gevoerd
samen met meerdere ministeries en kinderrechtenorganisaties over de opvolging van
de aanbevelingen. Tijdens deze jaarlijkse kinderrechtendialogen wordt gefocust op
tien thema’s6 die door onder andere het VN Kinderrechtencomité aangemerkt zijn als belangrijke
aandachtspunten. Hierbij wordt goed gekeken naar de reeds lopende initiatieven, zoals
de nationale jeugdstrategie. De ontwikkeling van de nationale jeugdstrategie is een
voorbeeld van een concrete uitvoering van een aanbeveling van het VN Kinderrechtencomité,
aangezien het comité expliciet aandacht vraagt voor het versterken van betekenisvolle
kinder- en jongerenparticipatie bij beleid dat de jeugd aangaat.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van de reactie van het kabinet
op de jaarverslagen. Deze leden vinden hierin enkele goede ideeën om de positie van
mensen vis-à-vis de overheid te verstevigen. Zij hopen dat het kabinet voortvarend
met deze voorstellen aan de slag gaat en niet blijft hangen in goede bedoelingen.
Rapporten van de ombudsman worden vaak met veel plechtigheid en mooie woorden in ontvangst
genomen. De ernst van de aanbevelingen wordt erkend, maar niet met dezelfde ernst
opgevolgd. Hoe wil het kabinet die cirkel doorbreken, zo vragen deze leden. Ook vragen
zij bij welke uitkomst in het jaarverslag volgend jaar het kabinet tevreden is.
Antwoord
De rapporten van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman helpen het kabinet om
kritisch naar het eigen handelen te kijken, en het perspectief van burgers te waarborgen
in gevoerd en voorgenomen beleid. We nemen de inzichten uit de rapporten zeer serieus.
Zo gaat het kabinet onevenredige hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering gericht
opsporen, openbaar maken en aanpakken. BZK is al in overleg met de Nationale ombudsman
om hun bijdrage te borgen aan zowel het opsporen, openbaar maken en aanpakken van
hardheden, teneinde hier zo spoedig mogelijk in 2025 mee te kunnen starten. Als Minister
van BZK ga ik deze aanpak coördineren, in samenwerking met de overige bewindspersonen.
Het oplossen van hardheden vraagt overigens niet altijd aanpassing van beleid of wetgeving,
ook verandering van cultuur en werkwijze kan aan de orde zijn. Verder wijs ik graag
op het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb waar ik samen met de Staatssecretaris
Rechtsbescherming aan werk. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de positie van de burger
vis-à-vis de overheid te versterken. Met het voorstel worden diverse aanpassingen
doorgevoerd om de dienstverlening van de overheid te verbeteren, persoonlijk contact
te bevorderen, de menselijke maat te versterken en hardheden te voorkomen. Ten slotte
merk ik op dat mijn verwachting is dat de aanpak van hardheden een lange adem vereist.
Het is dus te vroeg om nu precies te kunnen aangeven bij welke uitkomsten van het
volgend jaarverslag van de Nationale ombudsman en Kinderombudsman het kabinet tevreden
zal zijn. Uiteraard is de hoop en verwachting dat in de volgende jaarverslagen van
de ombudsmannen een verbetering wordt vastgesteld naar aanleiding van hun verschillende
aanbevelingen.
De leden van de D66-fractie missen in deze reactie het verankeren van het recht op
vergissing, wat wel in het regeerprogramma werd aangekondigd. Op welke wijze wil het
kabinet hier invulling aan geven?
Antwoord
In het Regeerprogramma staat dat het kabinet zal bezien of een verdere versterking
van het recht op vergissen uniform en domeinoverstijgend gerealiseerd kan worden.
Het «recht op vergissen» geeft invulling aan het uitgangspunt van vertrouwen in de
burger. Wettelijke stelsels kunnen voor de burger soms complex zijn. Dat kan leiden
tot vergissingen. Zo moet een burger met een AOW-uitkering bijvoorbeeld tijdig doorgeven
als hij of zij gaat samenwonen. Als dat een keer per ongeluk niet goed gaat, moet
niet standaard een boete of andere sanctie volgen. Met het wetsvoorstel Handhaving
sociale zekerheid, waarbij publieke dienstverleners verschillende mogelijkheden krijgen
om passend te reageren op een overtreding, zal op het terrein van de sociale zekerheid
invulling worden gegeven aan dit uitgangspunt. Het kabinet zal nagaan of het mogelijk
en wenselijk is om ook in andere sectoren een regeling te treffen die invulling geeft
aan dit uitgangspunt. Conform de toezegging van de voormalige Minister voor Rechtsbescherming
aan uw Kamer, zal het aspect van het vergisrecht ook worden betrokken bij het verwerken
van de internetconsultatiereacties en de uitvoeringstoetsen bij het voorstel voor
een Wet versterking waarborgfunctie Awb.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.H. de Vree, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
G.C. Honsbeek, griffier