Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Beckerman, Bushoff, Kröger, Bamenga en Teunissen over een werkbezoek van Tweede Kamerleden aan Drenthe
Vragen van de leden Beckerman (SP), Bushoff, Kröger (beiden GroenLinks-PvdA), Bamenga (D66) en Teunissen (PvdD) aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister Klimaat en Groene Groei over een werkbezoek van Tweede Kamerleden aan Drenthe (ingezonden 11 oktober 2024).
Antwoord van Staatssecretaris Van Marum (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
en van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 18 november 2024).
Vraag 1
Herkent u dat gedupeerden met schade rondom de gasopslag Norg (Langelo) nog steeds
problemen ervaren met de schadeafhandeling?
Antwoord 1
Ja. Met Nij Begun zijn er belangrijke stappen gezet in het verbeteren van de schadeafhandeling, waaronder
rondom de gasopslag Norg. Zo is het effectgebied voor de toepassing van het bewijsvermoeden
hersteld en wettelijk vastgelegd, waarmee de omgeving van de gasopslag Norg weer volledig
binnen het werkgebied van het IMG valt en onderdeel is van alle maatregelen ter verbetering
van de schadeafhandeling. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) werkt hard
aan de implementatie van deze maatregelen en ik (Staatssecretaris) krijg dan ook steeds
meer signalen dat mensen verbetering ervaren. Dat geldt echter nog niet voor iedereen.
Dit heeft mijn aandacht, los van waar men ook woont in het effectgebied van het Groningenveld,
of in de omgeving van de gasopslag Norg.
Vraag 2
Deelt u de conclusie dat de trillingstool niet moet worden gebruikt om schade af te
wijzen omdat schade ook kan ontstaan of verergeren zonder (zware) trillingen op een
locatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 2
Zoals in de beantwoording (Kamerstuk 2024D28457) van vragen vanuit uw Kamer in juli jl. is aangegeven wordt de trillingstool bij
de beoordeling van schades alleen nog gebruikt wanneer de bewoner kiest voor een maatwerkprocedure.
De trillingstool wordt ingezet om te beoordelen of schade, met een andere oorzaak,
toch door aardbevingen kan zijn ontstaan of verergerd. Dit leidt tot hogere vergoedingen
en minder afwijzingen in de gebieden waar de meeste aardbevingen zijn voorgekomen.
Het kabinet is in lijn met de motie Beckerman (Kamerstuk 36 441, nr. 24)) wel in gesprek met het IMG om te kijken naar de prominente plek van de trillingstool.
Het klopt dat er meer mechanismen zijn die tot (verergering van) schade als gevolg
van de gaswinning kunnen leiden zoals de indirecte effecten van diepe bodemdaling.
Het IMG heeft hier onderzoek naar laten doen en betrekt dit bij de beoordeling van
schade. Het IMG laat momenteel nog een breder vervolgonderzoek doen naar deze complexe
schadeoorzaak. Daarnaast laat het IMG samen met de Commissie Mijnbouwschade onderzoek
doen naar de effecten van gestapelde mijnbouw. Als de resultaten hier aanleiding toe
geven worden ook deze resultaten betrokken in de beoordeling van schade.
Tot slot vindt het kabinet het belangrijk om te benoemen dat naast de bekende maatwerkprocedure
bewoners ook kunnen kiezen voor de vaste vergoeding en daadwerkelijk herstel tot 60.000
euro. Daarbij wordt er helemaal geen onderzoek meer gedaan naar de oorzaak van alle
schade die naar zijn aard mijnbouwschade kan zijn.
Vraag 3
Herkent u dat het IMG de trillingstool juist weer een prominentere plek geeft in de
schadeafhandeling met de invoering van de zogenaamde «vaste vergoeding» en «daadwerkelijk
herstel»? Deelt u de analyse dat dit onwenselijk is omdat (herhaal)schade op sommige
plekken hierdoor weer moeilijker vergoed gaat worden?
Antwoord 3
Nee. Juist bij de vaste vergoeding en daadwerkelijk herstel wordt er bij schade die
kan zijn veroorzaakt door mijnbouw geen verder onderzoek gedaan naar de oorzaak. Hier
wordt ook de trillingstool niet gebruikt om individuele schades te beoordelen.
Alle bewoners in het effectgebied krijgen de mogelijkheid hun schade op deze mildere,
menselijke en makkelijkere manier te laten afhandelen. Als er daarna nieuwe of verergerde
(herhaal)schade ontstaat kan de bewoner opnieuw bij het IMG terecht. In dat geval
wordt bekeken of de schade kan zijn veroorzaakt door de trillingen van een nieuwe
beving of indirecte effecten van diepe bodemdaling als gevolg van de gaswinning. Als
dit het geval is, kan de bewoner opnieuw kiezen voor daadwerkelijk herstel, de vaste
vergoeding bij herhaalschade of een maatwerkprocedure.
Vraag 4
Kamerleden spraken met bewoners die hekelen dat er nog steeds stapels aan dure rapporten
worden gemaakt door IMG, terwijl gedupeerden met schade uiteindelijk niet worden geholpen.
Herkent u dit probleem? Onderkent u dat juist de zwaarst gedupeerden met de grootste
schades hierdoor vaker vastlopen?
Antwoord 4
Ik (Staatssecretaris) snap de frustratie bij bewoners over de rapporten die soms lastig
te begrijpen en omvangrijk zijn. In 2024 is de nieuwe schadeafhandeling gestart. Daarbij
hanteert het IMG nu nog het oude rapportformat. Het IMG werkt op dit moment aan verbeteringen
in het aanvraagproces waarbij de bewoner op basis van een opnamerapport een keuze
kan maken tussen drie opties voor de afhandeling van hun schade, afhankelijk van wat
past bij zijn of haar situatie. Dit opnamerapport, dat dient om de bewoner te ondersteunen
bij zijn of haar keuze, krijgt daarmee ook een andere vorm dan het huidige rapport.
Alleen wanneer de bewoner voor een maatwerkprocedure kiest zal er in de rapporten
nog per schade een beoordeling van de oorzaak plaatsvinden.
Los daarvan heb ik onder meer in mijn hoofdlijnenbrief aangegeven dat de meest complexe
situaties en zwaar gedupeerden mijn bijzondere aandacht hebben. Daarvoor zijn de taskforces
en vangnetten zeer belangrijk.
Vraag 5
Herkent u dat de uitvoeringskosten bij het IMG nog steeds zeer hoog zijn? Deelt u
de analyse dat de uitvoeringskosten omlaag kunnen een moeten door gedupeerden meer
te vertrouwen?
Antwoord 5
Het kabinet herkent dat de uitvoeringskosten van het IMG hoog zijn. Daarvoor zijn
verschillende oorzaken. Het IMG investeert veel in het stap voor stap implementeren
van de nieuwe mogelijkheden in de schadeafhandeling en het informeren en begeleiden
van bewoners bij het maken van een keuze. Deze zaken, waaronder ook het verbeteren
van het persoonlijk contact in de dienstverlening ten behoeve van een mildere, menselijkere
en makkelijkere schadeafhandeling, dragen eveneens bij aan de hoogte van de uitvoeringskosten.
Voor mij is daarom niet alleen de hoogte van de uitvoeringskosten van belang, maar
vooral dat deze kosten in het belang van de bewoner gemaakt worden.
De uitvoeringskosten van het IMG zijn daarnaast mede afhankelijk van de keuzes die
bewoners maken. Zo zijn de uitvoeringskosten van een vaste vergoeding vele malen lager
dan de uitvoeringskosten bij een maatwerktraject. Wanneer meer mensen kiezen voor
daadwerkelijk herstel of de vaste vergoeding, heeft dit naar verwachting een positieve
invloed op de ontwikkeling van de uitvoeringskosten. Het kabinet wil verder benadrukken
dat de uitvoeringskosten niet ten koste gaan van de schadevergoeding die bewoners
ontvangen.
Samen met het IMG monitort het kabinet in het kader van de motie Van Wijngaarden en
Stoffer de uitvoeringskosten en rapporteer hier jaarlijks over in de Staat van Groningen.
Vraag 6 en 7
Herkent u dat het IMG soms gebruik maakt van deskundigen die onvoldoende deskundig
zijn?
Het IMG heeft een wettelijk vastgelegde plicht om zeker te stellen dat een deskundige
ook daadwerkelijk deskundig is (vergewisplicht). Klopt het dat het IMG niet zelf aan
deze plicht voldoet maar de verantwoordelijkheid belegd bij de bureaus die zij inhuurt?
Antwoord 6 en 7
Ik (Staatssecretaris) zie dat bewoners hier soms zorgen over hebben. Het beoordelen
van schade is complex en kent veel verschillende technische aspecten. Daarnaast handelt
het IMG duizenden schademeldingen per jaar af.
Om een aanvraag tot schadevergoeding te kunnen behandelen, is een specialistische
beoordeling nodig van de schade. Dit is de reden waarom het IMG een deskundige inschakelt.
Hiervoor zijn uitsluitend deskundigenbureaus betrokken die voldoen aan de kwaliteitseisen
en daarmee beschikken over de nodige technische bekwaamheid. Dit is een eis bij de
aanbesteding.
Het IMG toetst de kwaliteit van de schaderapporten voordat deze aan bewoners worden
verzonden op juistheid en volledigheid. Op het moment dat de bewoner met een zienswijze
aangeeft het niet eens te zijn met het schaderapport kan het IMG om een nader advies
vragen.
Naast de vereiste deskundigheid moet de deskundige onafhankelijk tot zijn oordeel
kunnen komen. De deskundige werkt onafhankelijk van het IMG en heeft geen belang bij
de uitkomst van de beoordeling. Bij de toewijzing van een deskundige, is van tevoren
getoetst of de deskundige voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
In deze eisen, die het IMG vermeldt op zijn website1, is onder meer opgenomen dat de deskundige in het verleden niet als medewerker ten
behoeve van de NAM/Centrum voor Veilig Wonen (CVW) bij het betreffende gebouw van
de schadeopname betrokken is geweest. Daarnaast kan hij in de afgelopen 5 jaar geen
arbeidsrelatie met NAM/CVW hebben gehad. De deskundigen die schades opnemen namens
het IMG voldoen in ieder geval aan deze eisen. Bij het overdragen van de schadeopname
aan de deskundige wordt de aanvrager geïnformeerd over de naam van de deskundige.
De aanvrager kan op dat moment ook meer informatie opvragen over de deskundige (disclosure
statement) en een zienswijze indienen.
Alle deskundigen vormen hun oordeel op basis van een uniform beoordelingskader. Dit
zorgt voor een eenduidige schadebeoordeling en minder verschillen. Het IMG werkt daarvoor
doorlopend aan bredere kennisontwikkeling over schademechanismes samenhangend met
mijnbouw, vanuit verschillende disciplines, zoals geologie en hydrologie, onder andere
met het Kennisplatform Effecten Mijnbouw. Ook vanuit mijn ervaring als contra-expert
weet ik dat dit belangrijk is, daarom ben ik hierover in nauw contact met het IMG.
Vraag 8
De Raad van State heeft vorige week uitgesproken dat de NCG niet voldoet aan haar
vergewisplicht. Hoe gaat u uitvoering geven aan deze uitspraak en zorgen dat deskundigen
onafhankelijk zijn?
Antwoord 8
De NCG let op onafhankelijkheid van deskundigen. Op 2 oktober 2024 heeft de Raad van
State vier verschillende (tussen)uitspraken (ABRS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3946)
gedaan.2 Voor drie tussenuitspraken geldt dat de zaak nog onder de rechter is, daarom doet
het kabinet op dit moment geen inhoudelijke uitspraken over de manier waarop de NCG
dat doet. In twee van de drie tussenuitspraken moet de NCG de naam van de opsteller
van de beoordeling bekend maken en vermelden hoe de onafhankelijkheid en onpartijdigheid
van deze opsteller gewaarborgd wordt. Bij de derde moet de NCG een contraexpertise
laten doen op een rapport.
Het kabinet constateert dat de Raad van State in één van de tussenuitspraken expliciet
overweegt dat niet het hele versterkingsproces ter discussie staat, maar dat het individuele
besluit wordt beoordeeld.
Vraag 9
Wilt u niet alleen bij de NCG, maar ook bij het IMG zorgen dat deskundigen daadwerkelijk
deskundig en onafhankelijk zijn? Zo ja, hoe wil hij hier vorm aan geven?
Antwoord 9
Zie het antwoord op de vragen 6 en 7.
Vraag 10
De Tweede Kamer heeft gezorgd dat de u het IMG een aanwijzing kan geven (amendement
Beckerman, Kamerstuk 36 095, nr. 5) middels beleidsregels. Hoe wilt u daar gebruik van maken om te zorgen dat gedupeerden
beter geholpen worden en de uitvoeringskosten dalen?
Antwoord 10
De nieuwe schadeafhandeling is erop gericht bewoners beter te helpen door schade met
minder gedoe af te kunnen handelen en herstellen. Hiertoe heeft mijn ambtsvoorganger
middels een beleidsregel aanwijzingen gegeven. Ik (Staatssecretaris) zie de uitvoeringskosten
ook graag omlaag gaan, maar een beleidsregel acht ik niet het juiste instrument om
te sturen op de uitvoeringskosten. Het sturen op de uitvoeringskosten is in de eerste
plaats aan het IMG. Wel zal ik in het kader van de motie Van Wijngaarden en Stoffer
de uitvoeringskosten monitoren en hier jaarlijks over rapporteren in de Staat van
Groningen. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Vraag 11
In Drenthe valt een deel van de gedupeerden met schade onder het zogenaamde bewijsvermoeden
en een ander deel niet, hoe rechtvaardig vindt u dit? Waarom wordt het voor sommige
gedupeerden moeilijker gemaakt om schade vergoed te krijgen?
Antwoord 11
Bewoners in Drenthe hebben te maken met twee systemen van schadeafhandeling. Dit komt
doordat een deel van de bewoners in het effectgebied van het Groningenveld, Norg en
Grijpskerk woont en een deel niet. Het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dit door het
Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) wordt toegepast, is een uitzondering op de
standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht dat «wie stelt, bewijst». Voor een
dergelijke uitzondering moet er voldoende rechtvaardiging zijn. In het geval van schade
door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld is sprake van
een uitzondering omdat dit in relatief korte tijd heeft geleid tot circa tienduizenden
schademeldingen, waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door
gaswinning. Bij het bepalen van het effectgebied maakt het IMG gebruik van verschillende
onzekerheidsmarges om ervoor te zorgen dat alle schade die veroorzaakt kan zijn door
bodembeweging als gevolg van gaswinning in het Groningenveld of de gasopslag bij Norg
en Grijpskerk onder de toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden vallen.
Dit betekent ook dat er gebieden zijn in Nederland, waaronder een deel van Drenthe,
die niet onder het toepassingsbereik van het wettelijk bewijsvermoeden vallen. In
de rest van Nederland verschilt het schadebeeld van dat bij het Groningenveld en de
gasopslagen Norg en Grijpskerk. Het gaat hier – in plaats van om tienduizenden schademeldingen
met zeer waarschijnlijk dezelfde oorzaak – om enkele tientallen schadegevallen per
jaar waarvan in vrijwel geen enkel geval is vastgesteld dat dit herleidbaar is tot
bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Dit betekent echter niet dat bewoners
bij de afhandeling van schade niet worden ontzorgd.
In 2020 is de Commissie Mijnbouwschade (CM) ingesteld. Eigenaren van gebouwen (particuliere
woningeigenaren of micro-ondernemingen) met mogelijke schade door gaswinning of opslag
in olie- en gasvelden en zoutwinning die niet in het effectgebied van het IMG wonen
kunnen zich melden bij de CM. Om het makkelijker te maken voor de schademelder, neemt
de CM in de praktijk de bewijslast van de melder over. Er is dus in het geheel geen
sprake van een bewijslast voor de gedupeerde. Het advies dat de CM uitbrengt over
de oorzaak, het causaal verband, de hoogte en de verdeling van de schade is bindend
voor de mijnbouwonderneming. Als de CM adviseert dat de schade inderdaad door mijnbouw
komt, dan is de mijnbouwonderneming verplicht om deze schade te vergoeden. Wanneer
die duidelijkheid over de rol van andere relevante oorzaken op de fysieke schade,
ondanks gedegen onderzoek, niet kan worden verkregen, oordeelt de CM dat daarmee voldoende
aannemelijk is gemaakt dat de bodembeweging als gevolg van mijnbouw een rol heeft
gespeeld bij de fysieke schade.
Vraag 12
Begrijpt u dat er grote zorgen zijn bij bewoners, zoals rondom Schoonebeek, over het
ontbreken van het bewijsvermoeden? Wilt u daarom alsnog uitvoering geven aan de aangenomen
motie Beckerman/Bushoff (Kamerstuk 33 529, nr. 1219) over het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland laten gelden?
Antwoord 12
Het kabinet begrijpt de zorgen die er bij bewoners, zoals rond Schoonebeek, zijn over
mogelijke schades door mijnbouw en de afhandeling daarvan. Echter, de risico’s en
het schadebeeld bij andere mijnbouwactiviteiten in Nederland is niet vergelijkbaar
met de risico’s en het schadebeeld door gaswinning in het Groningenveld. De Afdeling
advisering van de Raad van State heeft ten aanzien van de introductie van het wettelijk
vermoeden voor schade door het Groningenveld aangegeven dat voor het toepassen van
het wettelijk bewijsvermoeden een dragende motivering nodig is. Vanwege de hierboven
beschreven verschillen en het feit dat bij schadeafhandeling de bewijslast van bewoners
reeds wordt overgenomen door de Commissie Mijnbouwschade, is er mogelijk sprake van
onvoldoende motivering voor het uitbreiden van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden.
Om die reden is voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State
over de motie Beckerman/Bushoff (Kamerstuk 33 529, nr. 1219). Hiermee hoopt het kabinet meer duidelijkheid te krijgen over de mate waarin de
toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland
juridisch houdbaar is. Wanneer het kabinet de voorlichting ontvangen heeft, zal deze
met een appreciatie aan de Tweede Kamer gestuurd worden.
Vraag 13
Herkent u de grote zorgen van bewoners rondom de gasopslag Norg (Langelo) over het
voornemen van de NAM om er weer (kussen) gas te gaan winnen?
Antwoord 13
Ja, de zorgen van de bewoners die in de buurt van de gasopslag wonen zijn ons bekend.
Sinds 2022 loopt een gebiedsproces met omwonenden, de NAM, gemeente Noordenveld en
het Rijk. Het gebiedsproces bestaat uit een vergunningenspoor, investeringsspoor en
ontzorgingsspoor.
Binnen het vergunningenspoor worden omwonenden geïnformeerd over het verloop van de
beoordeling van het winningsplan. Daarnaast zal binnen het investeringsspoor gesproken
worden over de mogelijke vormgeving van een investeringsagenda. Gesprekken over een
mogelijke investeringsagenda zullen niet vooruitlopen op het wel of niet goedkeuren
van het winningsplan. De nog te voeren gesprekken dienen om met omwonenden van gedachten
te kunnen wisselen over de vorm van de lustenverdeling als het inderdaad tot winning
komt.
Als onderdeel van het ontzorgingsspoor wordt aan de hand van zorgen die bewoners benoemen
gewerkt aan een plan voor aanvullende monitoring, bovenop de wettelijk verplichte
monitoring.
Vraag 14 en 15
Deelt u de opvatting van uw voorganger dat deze vergunningaanvraag «ongepast» is?
Deelt u voorts de opvatting dat het «van maatschappelijke verantwoordelijkheid getuigen
om het niet te doen»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom?
Welke stappen kunt en wilt u zetten om de winning van kussengas in Norg tegen te houden?
Welke stappen zijn reeds gezet?
Antwoord 14 en 15
Er is sprake van een beoordeling van het ingediende winningsplan van de NAM. Mijn
(Minister) ambtsvoorganger heeft aangegeven het «niet gepast» te vinden dat de NAM
het winningsplan indiende, maar gaf ook aan dat de NAM daartoe het recht heeft en
dat hij bij beoordeling van het plan heel goed naar de veiligheid zal kijken.
Voor uw vraag over het tegenhouden van de kussengaswinning herhaal ik (Minister) de
reactie van mijn ambtsvoorganger op eenzelfde vraag, namelijk dat het kabinet dit
winningsplan moet beoordelen volgens de procedure uit de Mijnbouwwet.
In deze procedure zal ik het voorstel kritisch toetsen aan de eisen uit de Mijnbouwwet.
Daarbij win ik advies in van onder andere Staatstoezicht op de Mijnen, TNO, de Mijnraad
en regionale overheden. Voor alles geldt dat ik alleen zal toestaan om op termijn
het kussengas te winnen als dit veilig kan. Daarnaast geldt dat de Autoriteit Consument
en Markt in een afzonderlijke procedure moet beoordelen of de stopzetting van de gasopslag
de gasleveringszekerheid op Unie- of nationaal niveau niet vermindert.
Vraag 16
Klopt het dat de gasopslag Norg qua grootte de vierde ter wereld is, en uniek is in
hoeveel mensen eromheen wonen en hoeveel gaswinning in de omgeving heeft plaatsgevonden?
Is het door deze unieke situatie een complexe en moeilijk te modelleren situatie waarbij
het ingewikkeld is te bepalen wat de huidige situatie is in de (diepe) ondergrond
na jaren gaswinning, en het in- en uitpompen van gas met grote drukverschillen tot
gevolg?
Antwoord 16
Gasopslag Norg is inderdaad de vierde grootste gasopslag ter wereld. De huidige situatie
in de ondergrond is relatief goed bekend, juist ook door de jarenlange functie van
het gasveld Norg als gasopslag. Er is gedurende deze tijd veel gemonitord (seismiciteit,
druk, bodemdaling) waardoor veel kennis van dit veld is opgedaan. Extra complexiteit
vanwege andere gaswinning in de omgeving zit met name in overlappende bodemdalingskommen.
Dit moet worden meegenomen in het winningsplan. Tijdens de procedure voor het winningsplan
zullen alle wettelijke adviseurs (SodM, TNO, Mijnraad) advies uitbrengen over seismiciteit
en bodemdaling. Deze adviezen neemt het kabinet mee in de beoordeling van de aanvraag.
Vraag 17
Is het, ook gezien het nergens ter wereld ooit is gedaan, niet goed te schatten welke
consequenties hergebruik van de locatie Norg (Langelo) heeft voor de seismiciteit
en de bodemdaling?
Antwoord 17
Voordat het gasveld bij Norg in de jaren 1997–1998 als gasopslag in gebruik werd genomen,
heeft het in de periode 1983 tot en met 1995 gefunctioneerd als een klein gasveld,
net als alle andere kleine velden in Nederland. In die periode is het veld voor ongeveer
de helft leeg geproduceerd door er 10,4 miljard m3 aan aardgas uit te winnen. Nadat in de jaren negentig van de vorige eeuw het besluit
werd genomen om het gasveld bij Norg dienst te laten doen als gasopslag is er gas
in het veld geïnjecteerd om de hoeveelheid gas op het vereiste niveau te brengen.
Gezien het feit dat het gasveld van Norg dus gedurende zo’n twaalf jaar dienst heeft
gedaan als productielocatie is in te schatten welke consequenties hergebruik van de
locatie Norg heeft voor de seismiciteit en de bodemdaling. Gegevens daarover zijn
immers bekend. Ook door de metingen van druk, bodemdaling en bodemstijging tijdens
de gasopslagcyclus en de seismiciteit is juist relatief veel bekend van dit veld.
Qua grootte is het gasveld Norg vergelijkbaar met andere gasvelden waaruit gas gewonnen
is. De ervaring met de andere gasvelden in Nederland, die zeer vergelijkbaar zijn
qua geologie, is groot. Voor de kleine gasvelden wordt de seismische risicoanalyse
(SRA) voor de kleine gasvelden gebruikt. Ook Norg valt hieronder. NAM zal in het winningsplan
Norg moeten indelen in de risicoklassen van de SRA en de bijgaande monitoringsverplichtingen
moeten nemen. Tijdens de procedure voor het winningsplan zullen alle wettelijke adviseurs
(SodM, TNO, Mijnraad) advies uitbrengen over de te verwachten seismiciteit en bodemdaling.
Vraag 18
Herkent u dat uw voorganger beloofde dat alleen bij «draagvlak» onder de bevolking
er een vergunning zou worden gegeven voor afvalwaterinjectie en gaswinning in Schoonebeek?
Erkent u voorts dat vorig jaar uit een dorpsenquête bleek dat een meerderheid van
de inwoners sceptisch is over de nu door u vergunde afvalwaterinjectie?
Antwoord 18
Het kabinet vindt het belangrijk dat de omgeving goed is geïnformeerd, weet welke
inspraakmogelijkheden er zijn en betrokken wordt. Dat geldt voor huidige en nieuwe
projecten. We vragen inwoners niet om mee te denken en praten om zoveel mogelijk draagvlak
te krijgen. Als inwoners meedenken en meepraten worden plannen gewoon beter. Voor
betere plannen is meestal meer draagvlak. De afgelopen jaren heeft mijn ministerie
veel gesprekken gevoerd met omwonenden en bestuurders. Daarbij zijn duidelijke afspraken
gemaakt. Dit heeft onder meer geleid tot aanpassing van het project door de initiatiefnemer
en de afspraak dat de regio meedeelt in de lusten. Dit is belangrijk geweest voor
zowel bestuurders als omwonenden. Ik besef heel goed dat dit niet betekent dat iedereen
het ermee eens is. En dat begrijp ik. Maar ik zie ook dat er begrip is dat deze activiteiten
nut hebben voor onze samenleving.
Vraag 19, 20 en 21
Snapt u dat bewoners nu zeggen dat dit een grote «blunder» was? Wat vindt u van de
uitspraak «Je kunt nog beter vooraf horen dat je mening er niet toe doet, dan achteraf
de deksel zo op de neus krijgen»?3
Erkent u dat deze gang van zaken slecht is voor het vertrouwen van de bewoners?
Wat leert u hiervan? Wat gaat u extra doen voor Schoonebeek?
Antwoord 19, 20 en 21
In 2022 is in Schoonebeek een gebiedsproces gestart met als doel bewoners, regionale
overheden en andere belanghebbenden vroegtijdig te betrekken. Binnen het gebiedsproces
zijn o.a. omwonenden en regionale overheden geïnformeerd (via bijvoorbeeld informatieavonden)
over het vergunningtraject en de mogelijkheid om daarop te reageren. Er is geluisterd
naar de zorgen die in de omgeving leven en er zijn toezeggingen gedaan. Dit heeft
geleid tot aanpassing van het project door de initiatiefnemer. Zo waren het risico
van lekkage vanuit de injectieputten en gebruik van mijnbouwhulpstoffen voor de bewoners
belangrijke aandachtspunten. Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat de NAM heeft
gekozen om nieuwe injectieputten aan te leggen met nieuwe materialen, waardoor het
gebruik van mijnbouwhulpstoffen kan worden beperkt. Daarnaast hebben de gesprekken
opgeleverd dat de monitoring en informatievoorziening aan burgers wordt versterkt.
Ook is er gesproken over hoe de regio kan meeprofiteren. In het voorjaar 2024 is bekend
gemaakt dat er een bijdrage komt van 1 euro per vat gewonnen olie. Dit komt neer op
30–45 mln. euro bij de verwachte productie en levensduur van 15 jaar. Aanvullend keert
de NAM 1,5 euro per vat uit op het moment dat de olieprijs boven de 80 euro per vat
komt. Dat kan leiden tot een extra bijdrage van 15 miljoen euro. Er zijn dus flinke
stappen gezet. Daarbij is duidelijk geworden hoe belangrijk het is om aan de voorkant
voldoende aandacht te besteden aan de verwachtingen van het proces. In lijn met mijn
voorganger ben ik voornemens dit proces nader te evalueren en op basis van die evaluatie
lessen te trekken voor de toekomst.
Vraag 22
Wat leert u hiervan voor de toekomst? Herkent u dat ook omwonenden van de gasopslag
Norg (Langeloo) nu uitspreken «We voelen ons niet serieus genomen»?4
Antwoord 22
Net als in Schoonebeek loopt rondom de mogelijke winning van kussengas in Norg (en
Grijpskerk) sinds 2022 een gebiedsproces waarbinnen omwonenden, de betrokken gemeenten,
de NAM en het Rijk in gesprek zijn (zie ook het antwoord op vraag5.
In het artikel dat u aanhaalt spreekt een omwonende haar onvrede uit over de weigering
om inzage te geven in de winningsaanvraag. Op dit moment is die aanvraag inderdaad
nog niet openbaar, maar later in het vergunningsproces is uiteraard ruimte voor inspraak.
Nadat de wettelijk adviseurs hun advies over het winningsplan hebben uitgebracht en
het winningsplan eventueel is aangepast, zal de aanvraag met de adviezen en het ontwerpbesluit
van de Minister openbaar gemaakt worden, zodat omwonenden en andere belanghebbenden
de stukken kunnen inzien en hun mening kunnen geven middels een zienswijze. Dit is
de gebruikelijke werkwijze.
Vraag 23
Vindt u het draagvlak van omwonenden van (nieuwe) gaswinningslocaties van belang?
Zo ja, hoe wilt u dit meten en wegen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 23
Het kabinet vindt het belangrijk om te benadrukken dat het Kabinet alleen instemt
als de gaswinning veilig kan plaatsvinden. Hierover vraagt het kabinet altijd advies
van de wettelijk adivseurs. Op basis van deze adviezen maakt het kabinet een afweging
of een (nieuwe) gaswinning kan plaatsvinden. Hierbij toetst het kabinet aan de Mijnbouwwet,
waarin de gronden zijn opgenomen op basis waarvan het kabinet instemming met het winnen
van gas (gedeeltelijk) kan weigeren. Draagvlak van omwonenden is niet een van de toetsingsgronden.
Dit neemt niet weg dat het kabinet het belangrijk vind dat de omgeving goed is geïnformeerd,
weet welke inspraak mogelijkheden er zijn en betrokken wordt. Het kabinet zie hier
een belangrijke rol weggelegd voor de mijnbouwbedrijven maar ook voor zichzelf. Zo
organiseert het kabinet informatiebijeenkomsten en heeft het kabinet bijvoorbeeld
bij Schoonebeek gekozen voor een gebiedsgericht proces.
Vraag 24
Wat wilt u doen voor Drenthe, de provincie die nu het meest gas produceert, om herhaling
van de grote fouten die gemaakt zijn in Groningen te voorkomen?
Antwoord 24
De ervaringen met het Groningenveld hebben tot belangrijke verbeteringen geleid voor
het gebruik van de diepe ondergrond. Zo is onder andere het veiligheidsbelang voor
bewoners beter verankerd in wet- en regelgeving. Daarnaast zijn methodieken ontwikkeld
om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen en
heeft de toezichthouder meer capaciteit gekregen. Momenteel worden er aanvullende
verbeteringen doorgevoerd naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Aardgaswinning
Groningen, in lijn met de maatregelen uit Nij Begun. Zo wordt er onder andere gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale
effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter
toegankelijk gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder
uitgebreid. In het najaar van 2024 zal het kabinet uw Kamer nader informeren over
hoe het kabinet wil omgaan met gaswinning uit kleine velden op land.
Vraag 25
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over het begrotingsonderdeel Herstel
Groningen?
Antwoord 25
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.