Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Pijpelink en Tseggai over ‘Opnieuw meer jongeren van middelbare school of mbo af zonder diploma’
Vragen van de leden Pijpelink en Tseggai (beiden GroenLinks-PvdA) aan de Minister en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Opnieuw meer jongeren van middelbare school of mbo af zonder diploma» (ingezonden 3 oktober 2024).
Antwoord van Minister Bruins (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 28 oktober
2024).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw meer jongeren van middelbare school of mbo
af zonder diploma»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u van het gegeven dat 176.000 jongeren zonder een havo-, vwo- of mbo-2 school
verlaat? Wat vindt u van het feit dat dit de afgelopen drie jaar met ruim veertig
procent is gestegen?
Antwoord 2
Het aandeel van de jongeren dat geen onderwijs volgt en niet werkt (zogenoemde NEET-jongeren),
is in Nederland het laagst van alle EU- en OESO landen.2, 3 De toename van het aantal jongeren zonder startkwalificatie dat geen onderwijs volgt,
is zorgelijk. Wel heeft 70% van deze jongeren werk. Door de zeer krappe arbeidsmarkt
is het voor veel jongeren op korte termijn aantrekkelijk om te stoppen met hun opleiding
en te gaan werken. Jongeren zonder startkwalificatie hebben echter een grotere kans
om hun baan na verloop van tijd kwijt te raken. Daarom is het tegengaan van ongediplomeerde
uitstroom naar werk een belangrijk onderwerp in het actieplan voortijdig schoolverlaten
(vsv), waarbij ingezet wordt op het aantrekkelijker maken van het onderwijs voor jongeren
die willen werken. In maart 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang
van het actieplan vsv.
Niet voor alle jongeren is het halen van een startkwalificatie mogelijk of passend.
Veel van de 54.000 jongeren zonder startkwalificatie die geen onderwijs volgen of
werk hebben, kampen met ziekte of persoonlijke problemen. Hierdoor is terugkeer naar
school of werk niet altijd zelfstandig mogelijk. Deze jongeren hebben hier vaak ondersteuning
bij nodig. Het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk zorgt dat jongeren deze
ondersteuning krijgen. Nog voor het kerstreces stuurt het kabinet dit wetsvoorstel
naar de Kamer.
Vraag 3
Waardoor denkt u dat jongeren voortijdig stoppen met hun opleiding? Heeft u meer inzicht
in de redenen waarom jongeren stoppen?
Antwoord 3
Jongeren verlaten om verschillende redenen voortijdig het onderwijs. Vaak is het een
combinatie van oorzaken die bijdragen aan de schooluitval. De belangrijkste oorzaken
zijn:4
• Een mismatch tussen de opleiding en de verwachtingen van de student.
• Persoonlijke problematiek, zoals psychische problemen, schulden, problemen thuis of
een verslaving. Ook hebben veel jongeren taalachterstanden.
• Liever willen of moeten werken voor een inkomen.
Vraag 4
Hoe reflecteert u op de uitkomst dat mentale problemen vaak een reden zijn om met
een opleiding te stoppen? Wat zijn de plannen van het kabinet om de mentale gezondheid
van jongeren te verbeteren?
Antwoord 4
Mentale problemen zijn een belangrijke reden waarom jongeren stoppen met hun opleiding.
Jongeren met psychische problematiek vallen twee keer vaker uit dan andere jongeren,
blijkt uit onderzoek van het CBS.5 Daarom wil ik deze problematiek vroegtijdig signaleren en laagdrempelige en toegankelijke
ondersteuning organiseren, zowel op school als in de overgang naar de arbeidsmarkt.
In het actieplan vsv heb ik daarom aangekondigd dat ik wil dat scholen en gemeenten
hierover verplicht afspraken maken. Dit is onderdeel van het wetsvoorstel Van school
naar duurzaam werk en de bijbehorende regeling.
Het verbeteren van de mentale gezondheid van mbo-studenten is één van de doelstellingen
van de Werkagenda mbo. Scholen en studenten komen, na gezamenlijk het gesprek aan
te zijn gegaan over mentaal welzijn, tot een visie, beleid en laagdrempelige voorzieningen
voor studenten. Veel mbo-instellingen zijn daarnaast aangesloten bij de integrale
aanpak Gezonde School en Welbevinden op School. Vanuit deze aanpakken worden handvatten
geboden om schoolbreed te werken aan het welzijn van studenten, bijvoorbeeld met hulp
van een GGD-adviseur. Ook subsidieer ik de komende jaren het programma STIJN, dat
als doel heeft om de kennis- en ondersteuningsstructuur te verbeteren die partijen
rondom de student in staat stelt om effectief aan het studentenwelzijn te werken.
Ten slotte is er afgelopen voorjaar een onderzoek uitgevoerd naar stress en prestatiedruk
onder mbo-studenten.6 Een beleidsreactie op dit onderzoek zal ik dit najaar met uw Kamer delen.
Vraag 5
Bent u het eens dat het ontvangen van een stagevergoeding kan bijdragen aan het op
school houden van jongeren, omdat zij minder financiële stress ervaren en niet de
voorkeur geven aan het hebben van een betaalde baan boven het behalen van hun diploma?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Ik ben van mening dat studenten een passende vergoeding moeten krijgen voor hun stage.
In het Stagepact MBO 2023–2027 is met vertegenwoordigers van studenten, mbo-scholen,
docenten, werknemers, werkgevers en overheden afgesproken dat elke student een passende
vergoeding voor de stage krijgt. Dit bestaat uit een onkostenvergoeding en daarbovenop
stimuleren we dat in elke cao-afspraken staan over een passende stagevergoeding. We
zien echter dat slechts 41% van de mbo-studenten een stagevergoeding ontvangt. Dat
moet beter Uit een analyse van de 40 effectrapportages die de regio’s over schooljaar
2022–2023 ingevuld hebben, blijkt dat de meest voorkomende reden van studenten om
voortijdig de school te verlaten is: «De krappe arbeidsmarkt in combinatie met de
financiële noodzaak om inkomen te hebben».
In de Kamerbrief van april 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de monitoring door
het Ministerie van SZW en het CBS. Begin volgend jaar informeer ik uw Kamer over de
ontwikkeling op het geven van stagevergoedingen. Hiernaast doe ik naar aanleiding
van de motie van de leden Stultiens en Ergin momenteel onderzoek naar een wettelijke
minimumstagevergoeding.7 Op basis van dit onderzoek stuur ik in begin 2025 een brief om uw Kamer op de hoogte
te stellen van de resultaten en de mogelijke vervolgstappen.
Vraag 6
Wat gaat het kabinet de komende periode doen om het aantal voortijdig schoolverlaters
terug te dringen? Gaat u het aanvalsplan voortijdig schoolverlaters doorzetten, en
zo ja op welke manier? Zijn er financiële middelen voor de uitvoering van dit plan?
Denkt u dat u het doel, minder dan 18.000 schoolverlaters in het mbo in 2026, gaat
halen?
Antwoord 6
Het kabinet houdt vast aan het actieplan vsv en de in de Werkagenda mbo afgesproken
doelstelling van 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2026.
Met het actieplan vsv zetten we een grote stap naar minder schooluitval. De ervaring
leert dat niet alle uitval voorkomen kan worden. 18.000 vsv’ers in 2026 is zeer ambitieus.
Daarom zet het kabinet ook in op het ondersteunen van jongeren naar duurzaam werk,
waarvoor nog voor het kerstreces van 2024 een wetsvoorstel aan de Kamer wordt gestuurd.
Het ombuigen van de stijging van het aantal jongeren met mentale problemen is essentieel
om het doel te bereiken. Verder is een krappe arbeidsmarkt van invloed door de aanzuigende
werking op jongeren om aan het werk te gaan. Met het wetsvoorstel Van school naar
duurzaam werk krijgen scholen en de gemeenten aanvullende middelen om ondersteuning
te bieden aan jongeren bij het behalen van een diploma en het vinden van duurzaam
werk. In maart 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang van het actieplan
vsv.
Vraag 7
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap?
Antwoord 7
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E.E.W. Bruins, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.