Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 369 Invoering van een minimumbelasting en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1) (Wet minimumbelasting 2024)
Nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 18 oktober 2023
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
1
Artikel 1.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. In de begripsomschrijving van kwalificerend belang wordt «een belang in een doorkijkentiteit dat is opgenomen in de financiële verslaggeving
met toepassing van de nettovermogenswaardemethode» vervangen door «een belang in een
doorkijkentiteit dat is opgenomen in de financiële verslaggeving met toepassing van
een andere methode dan die waarbij de activa, passiva, inkomsten, uitgaven en kasstromen
van die entiteit integraal worden geconsolideerd».
b. De begripsomschrijving van OESO-commentaar komt te luiden: het commentaar bij de OESO-modelregels zoals goedgekeurd op 11 maart
2022 met als citeertitel: «OECD (2022), Tax Challenges Arising from the Digitalisation
of the Economy – Commentary to the Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two),
First Edition: Inclusive Framework on BEPS, OECD Publishing, Paris».
2
Artikel 3.2, tweede lid, komt te luiden:
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de overwinst, bedoeld in artikel 8.2,
vierde lid, berekend in overeenstemming met een kwalificerende verslaggevingsstandaard
als bedoeld in artikel 8.13, tweede lid, en met inachtneming van artikel 8.13, vijfde
lid.
3
In artikel 4.3, tweede lid, wordt «artikel 8.2, negende lid,» vervangen door «artikel
8.13».
4
Artikel 6.3, tweede lid, komt te luiden:
2. Indien een optie om aandelen te verkrijgen niet wordt uitgeoefend, wordt voor het
bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit het bedrag
aan kosten voor een op aandelen gebaseerde betaling dat in een voorgaand verslagjaar
ter zake van die optie in mindering is gebracht op de nettowinst of het nettoverlies
van die groepsentiteit, in het verslagjaar waarin deze optie vervalt, opgeteld bij
het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit.
5
Artikel 7.3 wordt als volgt gewijzigd:
a. Aan het vijfde lid, onderdeel e, wordt toegevoegd «, tenzij die belastinglatenties
kunnen worden aangemerkt als alternatieve verliesverrekeningslatenties».
b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld op grond
waarvan een belastinglatentie wordt aangemerkt als een alternatieve verliesverrekeningslatentie.
6
In artikel 7.5, negende lid, wordt «op de voet van het eerste lid en het derde lid
in samenhang met het zesde lid achterwege» vervangen door «op de voet van het eerste
lid, derde lid in samenhang met het zesde lid, vierde lid en vijfde lid, voor zover
de belasting over de uitdeling door een andere staat is geheven, achterwege».
7
Artikel 8.2, negende lid, vervalt, onder vernummering van het tiende lid tot negende
lid.
8
Artikel 8.3 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het tweede lid wordt «10%» vervangen door «9,8%».
b. In het derde lid wordt «8%» vervangen door «7,8%».
9
In artikel 8.5, eerste lid, wordt «artikel 8.2, negende lid,» vervangen door «artikel
8.13».
10
Artikel 8.12 wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt «artikel 8.8 of artikel 8.11» vervangen door «de artikelen 8.8,
8.11, 8.13, of 8.14».
b. In onderdeel a wordt «artikel 8.8, onderscheidenlijk artikel 8.11» vervangen door
«de artikelen 8.8, 8.11, 8.13, onderscheidenlijk 8.14» en wordt «zou zijn» vervangen
door «zouden zijn».
c. In de onderdelen b en c wordt «artikel 8.8, onderscheidenlijk artikel 8.11» telkens
vervangen door «de artikelen 8.8, 8.11, 8.13, onderscheidenlijk 8.14».
11
Na artikel 8.13, worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 8.13 Kwalificerende binnenlandse bijheffing veilige haven
1. Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit van een multinationale groep
daarvoor kiest, bedraagt de bijheffing voor de in een staat gevestigde groepsentiteiten
voor een verslagjaar nihil, mits die groepsentiteiten over dat verslagjaar onderworpen
zijn aan een kwalificerende binnenlandse bijheffing die voldoet aan:
a. de kwalificerende verslaggevingsstandaard;
b. de consistentiestandaard; en
c. de toepassingsstandaard.
2. Onder de kwalificerende verslaggevingsstandaard wordt verstaan:
a. de financiële verslaggevingsstandaard die is gebruikt bij het opstellen van de
geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit;
b. een andere geaccepteerde of geautoriseerde verslaggevingsstandaard overeenkomstig
artikel 6.1, tweede lid; of
c. de lokale financiële verslaggevingsstandaard.
3. De kwalificerende binnenlandse bijheffing wordt alleen berekend op basis van de
lokale financiële verslaggevingsstandaard als de financiële verslaggeving van de in
die staat gevestigde groepsentiteiten is opgesteld op basis van de lokale verslaggevingsstandaard
en:
a. zij op grond van nationale regelgeving verplicht zijn om die financiële verslaggeving
bij te houden of te gebruiken; of
b. de financiële verslaggeving is onderworpen aan externe financiële controle.
4. In afwijking van de berekening van het derde lid wordt de kwalificerende binnenlandse
bijheffing berekend op basis van de financiële verslaggevingsstandaard die is gebruikt
bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit
of een andere geaccepteerde of geautoriseerde verslaggevingsstandaard overeenkomstig
artikel 6.1, tweede lid, indien:
a. niet alle in die staat gevestigde groepsentiteiten voldoen aan de voorwaarden van
het derde lid; of
b. het verslagjaar van de financiële verslaggeving die is opgesteld op basis van de
lokale financiële verslaggevingstandaard afwijkt van het verslagjaar van de geconsolideerde
jaarrekening van de multinationale groep.
5. Voor een joint venture, een joint venture-groep, een in minderheidsbelang gehouden
subgroep, een in minderheidsbelang gehouden groepsentiteit of beleggingsentiteit worden
het eerste tot en met het vierde lid, afzonderlijk toegepast.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de toepassing van het
eerste lid, onderdelen b en c, regels gesteld voor de beoordeling of wordt voldaan
aan de consistentiestandaard en de toepassingsstandaard.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld op grond
waarvan dit artikel niet van toepassing is ten aanzien van bepaalde groepsentiteiten.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder lokale financiële verslaggevingstandaard
verstaan: een financiële verslaggevingsstandaard die wordt voorgeschreven of toegestaan
in een staat op basis van nationale regelgeving of door een organisatie met juridische
autoriteit om verslaggevingsregels voor te schrijven, vast te stellen of te aanvaarden
voor de toepassing van de financiële rapportage, mits die financiële verslaggevingsstandaard:
a. een geaccepteerde financiële verslaggevingsstandaard is; of
b. een geautoriseerde financiële verslaggevingsstandaard is waarbij de gegevens in
de financiële verslaggeving zijn gecorrigeerd om elke vorm van materiële concurrentieverstoring
te voorkomen.
Artikel 8.14 Tijdelijke onderbelastewinstbijheffing veilige haven
Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit van een multinationale groep
daarvoor kiest, bedraagt voor de toepassing van artikel 5.2, tweede lid, de bijheffing
voor iedere laagbelaste groepsentiteit die is gevestigd in de staat waarin de uiteindelijkemoederentiteit
is gevestigd voor een verslagjaar nihil, indien:
a. het verslagjaar niet langer is dan een periode van twaalf maanden en aanvangt op
of voor 31 december 2025 en eindigt voor 31 december 2026; en
b. in de staat van vestiging een belasting naar de winst van toepassing is naar een
statutair tarief van ten minste 20%.
12
In artikel 9.5, zevende lid, onderdeel a, vervalt «en waarvan ten minste een entiteit
of vaste inrichting is gevestigd, onderscheidenlijk gelegen, in een andere staat dan
de andere entiteiten van de groepen».
13
Aan artikel 10.5 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de groepsentiteit-belanghouder die
een gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappij is in de staat waarin hij is gevestigd
geacht te zijn onderworpen aan belastingheffing als bedoeld in het eerste lid.
14
Aan artikel 10.6, tiende lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van
onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c.een beleggingsentiteit: een beleggingsentiteit of een verzekeringsbeleggingsentiteit.
15
In artikel 13.2, tweede lid, wordt «8.11, eerste lid, en 10.3, eerste lid» vervangen
door «8.11, eerste lid, 8.13, 8.14 en 10.3, eerste lid».
16
In artikel 14.1 wordt, onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, een lid
ingevoegd, luidende:
6. In afwijking van het derde lid kan de groepsentiteit die activa verkrijgt van een
andere groepsentiteit, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
voorwaarden, een actieve belastinglatentie in aanmerking nemen ter zake van de verworven
activa, dan wel de boekwaarde van de verworven activa uit de financiële verslaggeving
overnemen.
17
Artikel 15.2, onderdeel A, vervalt, onder verlettering van de onderdelen B tot en
met J tot A tot en met I.
18
Artikel 17.1, elfde lid, vervalt.
Toelichting
I. ALGEMENE TOELICHTING
Het wetsvoorstel Wet minimumbelasting 2024 strekt tot implementatie van de EU-richtlijn
minimumniveau van belastingheffing.1 Deze richtlijn is gebaseerd op de OESO-modelregels zoals goedgekeurd op 14 december
20212 en komt daarmee in hoofzaak overeen. Na publicatie van deze modelregels heeft het
Inclusive Framework in februari 20233 en juli 20234 administratieve richtsnoeren gepubliceerd.
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar
of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet
direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving
vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO, waaronder de administratieve
richtsnoeren, beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of
de wettekst en de toelichting van het wetsvoorstel Wet minimumbelasting 2024 moet
worden aangevuld.
Het wetsvoorstel Wet minimumbelasting 2024 is op 30 mei 2023 aangeboden aan de Tweede
Kamer. In dit wetsvoorstel zijn enkele onderdelen van de administratieve richtsnoeren
van februari 2023 reeds opgenomen. Deze nota van wijziging strekt tot het wettelijk
verankeren van een aantal andere onderdelen van die richtsnoeren in het wetsvoorstel.
Deze onderdelen betreffen de definitie van kwalificerend belang, de belastinglatenties
met betrekking tot het verkrijgen van een recht op verrekening van belasting en de
verrekening van belasting, de tijdelijke veiligehavenregel voor de onderbelastewinstmaatregel,
de multinationale groep of omvangrijke binnenlandse groep met meerdere moederentiteiten,
beleggingsentiteiten of verzekeringsentiteiten die worden gehouden door gereguleerde
onderlinge waarborgmaatschappijen, de toepassing van de belastbare-uitdelingsmethode
ten aanzien van verzekeringsbeleggingsentiteiten en de overdracht van activa tussen
groepsentiteiten in de periode tussen 30 november 2021 en het overgangsjaar
In de administratieve richtsnoeren van juli 2023 zijn onder andere twee nieuwe veiligehavenregels
opgenomen: de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel en de tijdelijke
onderbelastewinstbijheffing veiligehavenregel. Door middel van deze nota van wijziging
wordt voorgesteld om deze veiligehavenregels gelijktijdig met het wetsvoorstel op
31 december 2023 in werking te laten treden.
De toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel zorgt
voor een vermindering van administratieve lasten voor multinationale groepen omdat
geen bijheffing hoeft te worden berekend ter zake van groepsentiteiten die gevestigd
zijn in een staat ten aanzien waarvan de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel
van toepassing is. Dit zorgt ervoor dat een multinationale groep niet twee verschillende
berekeningen hoeft te maken ten aanzien van dezelfde groepsentiteiten.
De onderbelastewinstmaatregel waarborgt dat er wordt bijgeheven als de inkomen-inclusiemaatregel
of de binnenlandse bijheffing niet wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld het geval
zijn als de uiteindelijkemoederentiteit van een multinationale groep is gevestigd
in een staat die de Pijler 2-maatregelen niet heeft geïmplementeerd. De onderbelastewinstmaatregel
kan ook van toepassing zijn ter zake van laagbelaste groepsentiteiten die gevestigd
zijn in de staat waarin de uiteindelijkemoederentiteit van een multinationale groep
is gevestigd. Dit is het geval als in die staat het effectieve belastingtarief lager
is dan 15% en geen kwalificerende binnenlandse bijheffing of binnenlandse inkomen-inclusiemaatregel
van toepassing is. In OESO-verband is bepaald dat het ongewenst kan zijn om de onderbelastewinstmaatregel
toe te passen ter zake van staten die niet tijdig een kwalificerende binnenlandse
bijheffing of binnenlandse inkomen-inclusiemaatregel hebben geïmplementeerd. In deze
nota van wijziging wordt een dergelijke toepassing tijdelijk voorkomen met de introductie
van een tijdelijke onderbelastewinstbijheffing veiligehavenregel.
Tot slot worden in deze nota van wijziging enkele redactionele wijzigingen voorgesteld,
waaronder het onderdeel dat ziet op op aandelen gebaseerde betalingen.
Budgettair
De voorgestelde aanpassingen in deze nota van wijziging hebben geen budgettair effect.
Uitvoeringsgevolgen
Deze nota van wijziging ten aanzien van het wetsvoorstel Wet minimumbelasting 2024
is beoordeeld met de uitvoeringstoets. De dienaangaande eerder vastgestelde uitvoeringstoets5 is onverkort van kracht.
II. ONDERDEELSGEWIJZE TOELICHTING
Onderdeel 1 (artikel 1.2 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het voorgestelde artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024 bevat onder
andere de definitie voor het begrip «kwalificerend belang». Met deze nota van wijziging
wordt getracht deze definitie beter te laten aansluiten bij onderdeel 2.9 van de administratieve
richtsnoeren van de OESO zoals gepubliceerd in februari 2023.
Daarnaast wordt de definitie voor het begrip «OESO-commentaar» aangepast. Zoals opgemerkt
in het algemeen deel van de toelichting werken de administratieve richtsnoeren van
de OESO niet rechtstreeks door in de Nederlandse rechtsorde. Om dit te benadrukken
wordt in deze nota van wijziging voorgesteld om het begrip «OESO-commentaar» te reserveren
voor het oorspronkelijke commentaar dat bij de OESO-modelregels is gepubliceerd.
Onderdeel 2 (artikel 3.2 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het voorgestelde artikel 3.2 wordt gewijzigd om ervoor te zorgen dat de binnenlandse
bijheffing voldoet aan de vereisten van de binnenlandse bijheffing veiligehavenregel.
Het voorgestelde artikel 3.2, tweede lid, bepaalt ingevolge deze nota van wijziging
dat voor de berekening van de binnenlandse bijheffing, de bepalingen van artikel 8.13
van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 8.13 regelt aan welke voorwaarden een
kwalificerende binnenlandse bijheffing veilige haven moet voldoen. Zo wordt bewerkstelligd
dat voor de berekening van de binnenlandse bijheffing wordt aangesloten bij de vereisten
van de binnenlandse bijheffing veiligehavenregel voor de te hanteren financiële verslaggevingsstandaard.
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op
het bij deze nota van wijziging voorgestelde artikel 8.13.
Onderdelen 3, 7 en 9 (artikelen 4.3, 8.2 en 8.5 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het voorgestelde artikel 8.2, negende lid, van de Wet minimumbelasting 2024 vervalt
in verband met het in deze nota van wijziging voorgestelde artikel 8.13. De verwijzingen
in de voorgestelde artikelen 4.3 en 8.5 naar artikel 8.2, negende lid, vervallen daarmee
eveneens.
Onderdeel 4 (artikel 6.3 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het voorgestelde artikel 6.3, tweede lid, wordt gewijzigd om de wettekst beter te
laten aansluiten bij de tekst van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing.
Het voorgestelde artikel 6.3, tweede lid, regelt nu – kort gezegd – dat indien een
optie om aandelen te verkrijgen niet wordt uitgeoefend, het bedrag aan kosten voor
een op aandelen gebaseerde betaling dat in een voorgaand verslagjaar ter zake van
die optie in mindering is gebracht, in het verslagjaar waarin deze optie vervalt,
wordt opgeteld bij het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit.
Onderdeel 5 (artikel 7.3 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het voorgestelde artikel 7.3, vijfde lid, onderdeel e, van de Wet minimumbelasting
2024 regelt dat het bedrag aan belastinglatenties ten aanzien van de verkrijging van
het recht op verrekening, dan wel de verrekening, van belasting wordt uitgesloten
voor de bepaling van het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties.
De in deze nota van wijziging opgenomen toevoeging aan artikel 7.3, vijfde lid, onderdeel
e, van de Wet minimumbelasting 2024 in combinatie met het aan dit artikel toe te voegen
tiende lid regelt in overeenstemming met onderdeel 2.8 van de administratieve richtsnoeren
van februari 2023 dat onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
voorwaarden deze uitsluiting niet van toepassing is indien sprake is van een alternatieve
verliesverrekeningsbelastinglatentie.
Onderdeel 6 (artikel 7.5 van de Wet minimumbelasting 2024)
In de administratieve richtsnoeren van juli 2023 zijn aanvullende regels gegeven over
de toerekening van betrokken belastingen voor de berekening van een kwalificerende
binnenlandse bijheffing. Op basis van deze richtsnoeren dient voor de berekening van
de binnenlandse bijheffing de toerekening van de betrokken belastingen van een in
een andere staat gevestigde groepsentiteit op grond van het voorgestelde artikel 7.5,
vierde en vijfde lid, aan een in Nederland gevestigde groepsentiteit, achterwege te
blijven. De afwijking van de toerekening op grond van het voorgestelde artikel 7.5,
vijfde lid, geldt alleen voor zover de belasting over de uitdeling door een andere
staat dan Nederland is geheven. Een uit hoofde van de Wet op de dividendbelasting
1965 geheven dividendbelasting wordt wel toegerekend aan de in Nederland gevestigde
groepsentiteit die de uitdeling doet.
De nieuwe richtsnoeren zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 7.5, negende lid,
om te regelen dat de binnenlandse bijheffing aangemerkt wordt als een kwalificerende
binnenlandse bijheffing.
Onderdelen 8, 17 en 18 (artikelen 8.3, 15.2 en 17.1 van de Wet minimumbelasting 2024)
De percentages voor het bepalen van het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid
in het voorgestelde artikel 8.3, tweede en derde lid, worden ingevolge het voorgestelde
artikel 15.2 juncto artikel 17.1, tweede tot en met elfde lid, in tien jaar jaarlijks
verminderd van 10% tot uiteindelijk 5% voor de werknemerslasten, respectievelijk van
8% tot uiteindelijk 5% voor de materiële activa. Op grond van artikel 9.2 van de OESO-modelregels
zijn de gehanteerde percentages van toepassing op verslagjaren die aanvangen in de
in dat artikel genoemde kalenderjaren. De percentages van bijvoorbeeld 9,8% voor werknemerslasten
en 7,8% voor materiële activa dienen van toepassing te zijn op verslagjaren die aanvangen
in het kalenderjaar 2024. Echter, het voorgestelde artikel 15.2 juncto artikel 17.1,
tweede tot en met elfde lid, welke bepalingen zijn gebaseerd op artikel 48 van de
EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing, bepaalt dat de gehanteerde percentages
van toepassing zijn op verslagjaren die aanvangen op of na 31 december van het genoemde
jaar. Dit zou er bijvoorbeeld toe leiden dat de percentages van 9,8% en 7,8% van toepassing
zouden zijn in een verslagjaar dat loopt van 1 januari 2025 tot en met 31 december
2025. Dit zou echter in strijd zijn met de OESO-modelregels en de bedoeling van artikel
48 van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Met deze nota van wijziging
wordt alsnog aangesloten bij de tekst van de OESO-modelregels en de bedoeling van
de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Daarbij wordt opgemerkt dat de
percentages van 10% voor de werknemerslasten, respectievelijk 8% voor de materiële
activa, die van toepassing zouden zijn op verslagjaren die aanvangen in het kalenderjaar
2023 niet meer in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, nu er praktisch gezien geen verslagjaren
zijn die aanvangen op 31 december 2023.
Onderdelen 10 en 11 (artikelen 8.12, 8.13 en 8.14 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het in deze nota van wijziging voorgestelde artikel 8.13 bevat de kwalificerende binnenlandse
bijheffing veiligehavenregel. Dit artikel regelt dat onder bepaalde omstandigheden
de bijheffing over een verslagjaar van de in een staat gevestigde groepsentiteiten
nihil bedraagt als de groepsentiteiten in dat verslagjaar onderworpen zijn aan een
kwalificerende binnenlandse bijheffing.
De kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel is slechts van toepassing
indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor kiest. Deze keuze
wordt door de informatieaangifte-indienende groepsentiteit kenbaar gemaakt in de bijheffing-informatieaangifte.
De kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel is niet van toepassing
als de verschuldigde binnenlandse bijheffing in een staat wordt bestreden in een juridische
procedure of als de lokale autoriteiten hebben bepaald dat de verschuldigde binnenlandse
bijheffing niet inbaar is op basis van constitutionele of vergelijkbare gronden of
een specifieke overeenkomst die de lokale autoriteiten beperkt in hun heffingsmogelijkheden
zoals een investeringsovereenkomst.
Het voorgestelde artikel 8.13, eerste lid, bepaalt dat voor de toepassing van de kwalificerende
binnenlandse bijheffing veiligehavenregel moet zijn voldaan aan de kwalificerende
verslaggevingsstandaard, de consistentiestandaard en de toepassingsstandaard.
Op grond van artikel 8.13, tweede lid, wordt onder de kwalificerende verslaggevingsstandaard
verstaan de financiële verslaggevingsstandaard die is gebruikt bij het opstellen van
de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit, een andere geaccepteerde
of geautoriseerde verslaggevingsstandaard overeenkomstig artikel 6.1, tweede lid,
of de lokale financiële verslaggevingsstandaard. In het voorgestelde artikel 8.13,
achtste lid, is opgenomen wat onder een lokale financiële verslaggevingsstandaard
wordt verstaan.
Voor de toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel
is er geen keuzemogelijkheid voor groepsentiteiten in het gebruik van de kwalificerende
verslaggevingsstandaard, bedoeld in het voorgestelde artikel 8.13, eerste lid, onderdeel
a. In het voorgestelde artikel 8.13, derde en vierde lid, wordt toegelicht in welke
situatie de lokale financiële verslaggevingsstandaard dan wel de financiële verslaggevingsstandaard
die is gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit
of een andere geaccepteerde of geautoriseerde verslaggevingsstandaard overeenkomstig
artikel 6.1, tweede lid, gehanteerd moet worden in de staat waarin de kwalificerende
binnenlandse bijheffing wordt berekend.
Het voorgestelde artikel 8.13, derde lid, bepaalt dat voor de toepassing van de kwalificerende
binnenlandse bijheffing veiligehavenregel de kwalificerende binnenlandse bijheffing
in een staat, wordt berekend op basis van de lokale financiële verslaggevingsstandaard
van die staat als alle groepsentiteiten hun financiële verslaggeving opstellen op
basis van de lokale financiële verslaggevingsstandaard en:
– zij op grond van nationale regelgeving verplicht zijn om die financiële verslaggeving
bij te houden of te gebruiken; of
– de financiële verslaggeving is onderworpen aan een externe financiële controle.
Een groepsentiteit voldoet ook aan de vereisten van het voorgestelde artikel 8.13,
derde lid, als haar nettowinst of nettoverlies is opgenomen in een geconsolideerde
jaarrekening die is gebaseerd op de lokale financiële verslaggevingstandaard en is
opgesteld door een andere groepsentiteit van de multinationale groep.
Het kan voorkomen dat in een staat meerdere financiële verslaggevingsstandaarden van
toepassing zijn. De aanwezigheid van meerdere lokale financiële verslaggevingstandaarden
in een staat vormt geen belemmering voor de toepassing van het voorgestelde artikel
8.13, derde lid.
Het voorgestelde artikel 8.13, vierde lid, bepaalt dat in afwijking van de berekening
het voorgestelde artikel 8.13, derde lid, voor de toepassing van de kwalificerende
binnenlandse bijheffing veiligehavenregel vereist is dat de kwalificerende binnenlandse
bijheffing in een staat is berekend op basis van de financiële verslaggevingsstandaard
die is gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit
of een andere geaccepteerde of geautoriseerde verslaggevingsstandaard overeenkomstig
artikel 6.1, tweede lid, als:
– niet alle groepsentiteiten in de betreffende staat voldoen aan de vereisten van
het voorgestelde artikel 8.13, derde lid; of
– het verslagjaar van de financiële verslaggeving die is opgesteld op basis van de
lokale financiële verslaggevingstandaard afwijkt van het verslagjaar van de geconsolideerde
jaarrekening van de multinationale groep.
In sommige gevallen kan het verslagjaar van de financiële verslaggeving die is opgesteld
op basis van de lokale financiële verslaggevingstandaard afwijken van het verslagjaar
van de geconsolideerde jaarrekening. Dit verschil in het verslagjaar kan zorgen voor
afwijkingen tussen de berekeningen van kwalificerende binnenlandse bijheffing en de
bijheffing op grond van het voorgestelde artikel 8.2, tweede lid. Om consistentie
te waarborgen dient bij een verschil in het verslagjaar, de kwalificerende binnenlandse
bijheffing in een staat te worden berekend op basis van de financiële verslaggevingsstandaard
die is gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.
Het voorgestelde artikel 8.13, vijfde lid, bepaalt dat het voorgestelde artikel 8.13,
eerste tot en met vierde lid, afzonderlijk wordt toegepast ten aanzien van een joint
venture, een joint venture-groep, een in minderheidsbelang gehouden subgroep, een
in minderheidsbelang gehouden groepsentiteit of beleggingsentiteit. Het effectieve
belastingtarief van deze entiteiten wordt namelijk afzonderlijk berekend.
Op grond van het voorgestelde artikel 8.13, vijfde lid, dient een separate keuze gemaakt
te worden voor de toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel
ten aanzien van de hiervoor genoemde entiteiten. Ook dient ten aanzien van deze entiteiten
beoordeeld te worden of de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel
van toepassing is zonder daarbij de andere groepsentiteiten die gevestigd zijn in
de betreffende staat in aanmerking te nemen.
Het kan voorkomen dat een joint-venturegroep haar financiële verslaggeving opstelt
op basis van de lokale financiële verslaggevingsstandaard en dat de groepsentiteiten
die in dezelfde staat gevestigd zijn als de joint-venturegroep hun financiële verslaggeving
opstellen op basis van de financiële verslaggevingsstandaard die is gebruikt bij het
opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.
In een dergelijk geval dient afzonderlijk voor de joint-venturegroep beoordeeld te
worden of de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel van toepassing
is.
Voor de toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel
is vereist dat de binnenlandse bijheffing die wordt toegepast in een staat voldoet
aan bepaalde vereisten om consistentie te waarborgen.
Daarnaast dient de kwalificerende binnenlandse bijheffing van een staat op de juiste
wijze te worden toegepast. Om te waarborgen dat de kwalificerende binnenlandse bijheffing
van een staat op de juiste wijze wordt toegepast, zal binnen het Implementation Framework
een monitoringsproces worden ontwikkeld.
Het voorgestelde artikel 8.13, zesde lid, bevat een delegatiegrondslag op basis waarvan
voor de toepassing van het voorgestelde artikel 8.13, eerste lid, onderdelen b en
c, regels worden opgenomen in lagere regelgeving voor de beoordeling van de consistentiestandaard
en de toepassingsstandaard.
Het voorgestelde artikel 8.13, zevende lid, bevat een delegatiegrondslag op basis
waarvan regels worden opgenomen in lagere regelgeving op grond waarvan de kwalificerende
binnenlandse bijheffing veiligehavenregel niet van toepassing is op bepaalde groepsentiteiten
in een staat. Als de kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel niet
van toepassing is ten aanzien van een bepaalde groepsentiteit, dient de bijheffing
voor die groepsentiteit berekend te worden op grond van het voorgestelde artikel 8.2,
tweede lid, waarbij een bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing in mindering
komt. Deze regels zullen zien op de uitwerking van de zogenoemde «Switch-off Rule»
uit de administratieve richtsnoeren van 13 juli 2023 omtrent de kwalificerende binnenlandse
bijheffing veiligehavenregel. De toepassing van de Switch-off Rule is afhankelijk
van de wettelijke vormgeving en toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing
van een staat. In de administratieve richtsnoeren van juli 2023 staan specifieke gevallen
waar de Switch-off rule op van toepassing is.
Het voorgestelde artikel 8.13, achtste lid, bevat de definitie van «lokale financiële
verslaggevingsstandaard». De lokale financiële verslaggevingsstandaard betreft de
financiële verslaggevingsstandaard in een staat die wordt voorgeschreven of toegestaan
op basis van nationale regelgeving of door een organisatie met juridische autoriteit
om verslaggevingsregels voor te schrijven, vast te stellen of te aanvaarden voor toepassing
van de financiële rapportage. Hierbij dient de betreffende financiële verslaggevingsstandaard
een geaccepteerde financiële verslaggevingsstandaard te zijn of een geautoriseerde
financiële verslaggevingsstandaard waarbij de gegevens in de financiële verslaggeving
zijn gecorrigeerd om elke vorm van materiële concurrentieverstoring te voorkomen.
Het voorgestelde artikel 8.14 van de Wet minimumbelasting 2024 betreft de implementatie
van de onderbelastewinstbijheffing veiligehavenregel en zorgt ervoor dat de onderbelastewinstbijheffing
ter zake van de staat waarin een uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd nihil bedraagt
in een verslagjaar – dat niet langer dan 12 maanden mag zijn – dat aanvangt op of
voor 31 december 2025 en eindigt voor 31 december 2026. Hierbij geldt dat in die staat
sprake moet zijn van een belasting naar de winst naar een statutair tarief van ten
minste 20%. Voor de toepassing van het voorgestelde artikel 8.14 betreft het statutaire
tarief van een staat het tarief voor de winstbelasting dat over het algemeen van toepassing
is op multinationale groepen die binnen de reikwijdte van de Pijler 2-maatregelen
vallen.
Een multinationale groep kan ervoor kiezen om het voorgestelde artikel 8.8 (de tijdelijke
CbCR-veiligehavenregel) toe te passen in plaats van de tijdelijke onderbelastewinstbijheffing
veilige haven als beide in een verslagjaar van toepassing zijn ten aanzien van een
staat. Hiermee wordt voorkomen dat die multinationale groep in een volgend verslagjaar
niet meer in aanmerking komt voor de toepassing van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel
ten aanzien van die staat.
Onderdeel 12 (artikel 9.5 van de Wet minimumbelasting 2024)
In artikel 9.5, zevende lid, onderdeel a, wordt een aanpassing voorgesteld op grond
waarvan het vereiste dat ten minste één groepsentiteit gevestigd is in een andere
staat dan de overige groepsentiteiten vervalt. Immers, voor een multinationale groep
is dat al vereist en, bij een binnenlandse groep zijn per definitie alle groepsentiteiten
in Nederland gevestigd.
Onderdeel 13 (artikel 10.5 van de Wet minimumbelasting 2024)
Gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappijen betreffen verzekeringsmaatschappijen
die volledig eigendom zijn van hun verzekeringsnemers. In de regel hebben gereguleerde
onderlinge waarborgmaatschappijen geen in aandelen verdeeld kapitaal, waardoor alle
opbrengsten uit beleggingen toekomen aan hun verzekeringsnemers. De opbrengsten die
toekomen aan de verzekeringsnemers worden op basis van financiële verslaglegging aangemerkt
als compenserende lasten die in mindering komen op de opbrengsten. Dit betekent dat
gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappijen in de regel geen kwalificerend inkomen
of verlies hebben.
In de financiële verslaggeving van een beleggingsentiteit of een verzekeringsbeleggingsentiteit
die wordt gehouden door een gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappij, wordt echter
geen compenserende last in aanmerking genomen met betrekking tot verplichtingen die
een gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappij heeft ten aanzien van haar verzekeringsnemers.
Om te voorkomen dat in een dergelijke situatie een bijheffing is verschuldigd door
de beleggingsentiteit of de verzekeringsbeleggingsentiteit wordt in lijn met de administratieve
richtsnoeren geregeld dat beleggingsentiteiten of verzekeringsbeleggingsentiteiten
die gehouden worden door een gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappij kunnen worden
aangemerkt als fiscaal transparante entiteiten.
Het voorgestelde artikel 10.5, vierde lid, van de Wet minimumbelasting 2024 regelt
dat beleggingsentiteiten of verzekeringsbeleggingsentiteiten die worden gehouden door
een gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappij kunnen worden aangemerkt als fiscaal
transparante entiteiten. Dit zorgt ervoor dat het inkomen van een beleggingsentiteit
of verzekeringsbeleggingsentiteit wordt toegerekend aan de gereguleerde onderlinge
waarborgmaatschappij die compenserende lasten in mindering kan brengen op dat inkomen.
Het voorgestelde artikel 10.5, vierde lid, van de Wet minimumbelasting 2024 ziet met
name op gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan het zonder deze voorgestelde
wijziging niet duidelijk is of zij voldoen aan de vereisten van de belastingheffing
op basis van het voorgestelde artikel 10.5, eerste lid. Om te voorkomen dat in een
dergelijke situatie een bijheffing is verschuldigd door de beleggingsentiteit of de
verzekeringsbeleggingsentiteit regelt het voorgestelde artikel 10.5, vierde lid, in
overeenstemming met onderdeel 3.6 van de administratieve richtsnoeren van februari
2023, bij fictie dat een gereguleerde onderlinge waarborgmaatschappij is onderworpen
aan belastingheffing als bedoeld in het voorgestelde artikel 10.5, eerste lid.
Onderdeel 14 (artikel 10.6 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het voorgestelde artikel 10.6, tiende lid, onderdeel c, van de Wet minimumbelasting
2024 regelt in overeenstemming met onderdeel 3.1 van de administratieve richtsnoeren
van februari 2023 op dit punt dat de keuzemogelijkheid om op grond van artikel 10.6,
eerste lid, een belastbare-uitdelingsmethode toe te passen met betrekking tot een
belang in een beleggingsentiteit ook van toepassing is op verzekeringsbeleggingsentiteiten.
Hiertoe wordt voor de toepassing van dit artikel onder «beleggingsentiteit» ook een
verzekeringsbeleggingsentiteit verstaan.
Onderdeel 15 (artikel 13.2 van de Wet minimumbelasting 2024)
De voorgestelde aanvulling van artikel 13.2, tweede lid, van de Wet minimumbelasting
2024 regelt dat de keuze voor toepassing van de tijdelijke veiligehavenregel voor
de onderbelastewinstmaatregel, bedoeld in het hiervoor voorgestelde artikel 8.14,
geldt voor het verslagjaar waarvoor die keuze gemaakt is. De keuze wordt automatisch
verlengd, tenzij de informatieaangifte-indienende groepsentiteit de keuze ten aanzien
van een volgend verslagjaar herroept.
Onderdeel 16 (artikel 14.1 van de Wet minimumbelasting 2024)
Het voorgestelde artikel 14.1, derde lid, van de Wet minimumbelasting 2024 regelt
ten aanzien van activa die zijn overgedragen tussen groepsentiteiten in de periode
na 30 november 2021 en voor het begin van het overgangsjaar dat het overgedragen activum
bij de verkrijgende groepsentiteit te boek wordt gesteld op de door de overdragende
groepsentiteit gehanteerde boekwaarde op het moment van vervreemding. Het voorgestelde
artikel 14.1, zesde lid, regelt in overeenstemming met onderdeel 4.3 van de administratieve
richtsnoeren van februari 2023 op dit punt dat onder bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen voorwaarden de verkrijgende groepsentiteit een actieve belastinglatentie
in aanmerking mag nemen ter zake van de verworven activa, dan wel de boekwaarde van
de verworven activa uit de financiële verslaggeving mag overnemen.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.L.A. Van Rij
Ondertekenaars
M.L.A. van Rij, staatssecretaris van Financiën