Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 350 VIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2023 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 26 juni 2023
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven anwtoorden.
De vragen zijn op 1 juni 2023 voorgelegd aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en voor Primair en Voortgezet Onderwijs. Bij brief van 22 juni 2023 zijn
ze door de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Primair en Voortgezet
Onderwijs beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie, Bosnjakovic
Vragen en antwoord
1
Welk effect heeft de ombuiging van een deel van de loon- en prijsbijstelling op de
salarissen in het onderwijs? Is het mogelijk om te voorkomen dat de salarissen minder
stijgen dan eerder voorzien?
Binnen het funderend onderwijs is gekozen om dekking aan te leveren vanuit de loon-
en prijsontwikkeling (lpo) op met name een aantal grote subsidieregelingen waar de
lpo-bijstelling niet juridisch verplicht is, waaronder de subsidieregeling basisvaardigheden,
de subsidieregeling school en omgeving, de regeling maatschappelijke diensttijd en
de regeling sterk techniekonderwijs. Dit heeft geen gevolgen voor reeds toegekende
subsidieaanvragen. De loon-en prijsbijstelling op de bekostiging voor po en vo wordt
in zijn geheel uitgekeerd zoals ook in voorgaande jaren het geval is geweest. Uit
de bekostiging worden onder andere de lerarensalarissen betaald en op die salarissen
wordt dus niet omgebogen.
2
Wat blijft er per saldo over van de verbetering van de salarisverbetering van vorig
jaar voor leerkrachten op basisscholen (ongeveer 10%) en docenten in het voortgezet
onderwijs (een kleine 5%) na de inflatie van de afgelopen tijd?
Het verschil tussen de nominale procentuele loonstijging en de inflatie is de zogeheten
reële stijging van het loon. In Nederland was de gemiddelde (contract) loonstijging
in 2022 zo’n 3,0%. De inflatie in 2022 was (naar huidige cijfers) zo’n 4,3% op basis
van het CPI. De reële stijging van het loon in 2022 was daardoor in Nederland zo’n
–1,3%. In het primair en voortgezet onderwijs is in 2022 een loonstijging van 4,75%
afgesproken. In het po is naast deze salarisverbetering de totale beloning sinds 2022
ook gestegen door het dichten van de loonkloof met het voortgezet onderwijs, voor
leraren gemiddeld met zo’n 10%. De reële loonstijging voor leraren in het po in 2022
was dus circa +10,5% en in het vo +0,5%.
3
Aan welke intensivering worden de CA1-middelen voor residentieel onderwijs besteed?
Met het coalitieakkoord zijn er extra middelen beschikbaar gekomen voor residentieel
onderwijs (in totaal € 15,5 miljoen structureel). In 2023 wordt daar € 5,3 miljoen
op geëxtensiveerd en in 2024 € 2,4 miljoen. Deze coalitieakkoord middelen voor residentieel
onderwijs zijn bedoeld voor zowel de transitie naar kleinschaligheid in het onderwijs
in de Juridische Jeugdinrichtingen als voor het ondersteunen van het onderwijs in
de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg. Omdat het onderwijs meebeweegt met de
af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg, en deze nog in een vroeg stadium is, is besloten
om te extensiveren voor de jaren 2023 en 2024. In deze jaren is er minder budget noodzakelijk
dan eerder voorzien. De middelen zijn daarom ingezet voor andere doelen binnen de
onderwijsbegroting, zoals de tegemoetkoming in reiskosten voor leerlingen in het pro
en vavo en de programmatische aanpak onderwijshuisvesting.
4
Wat zijn de kosten per nieuwkomer voor het nieuwkomersonderwijs in 2023?
Een schoolbestuur in het basisonderwijs ontvangt op jaarbasis € 12.430,85 voor een
eerstejaars asielzoeker en € 3.861,93 voor een eerstejaars overige vreemdeling. Daarnaast
ontvangt het schoolbestuur in het tweede jaar basisbekostiging en aanvullend nieuwkomersbekostiging
voor een tweedejaars asielzoeker ter hoogte van € 1.869,43 per jaar. Daarbij geldt
een drempel van minstens vier nieuwkomersleerlingen op schoolniveau om in aanmerking
te komen voor nieuwkomersbekostiging. Deze nieuwkomersbekostiging is aanvullend op
de basisbekostiging. Daarnaast kan een basisschool die niet eerder eerste opvang van
vreemdelingen respectievelijk eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen
heeft verzorgd een eenmalige aanvullende bekostiging per school van € 14.894,72 ontvangen.
Een schoolbestuur in het vo ontvangt € 12.668,80 per jaar voor een nieuwkomer. In
jaar 1 en jaar 2 wordt hetzelfde bedrag ontvangen. Na twee jaar resteert alleen de
basisbekostiging. Daarnaast kan de Minister het bevoegd gezag eenmalig op aanvraag
aanvullende bekostiging verstrekken voor de kosten van de voorbereidende en coördinerende
werkzaamheden die samenhangen met de opstart van de eerste opvang. Dit is een bedrag
van € 17.927,12 per school.
5
Welk deel van het onderwijspersoneel in het basis- en voortgezet onderwijs zit nu
in de laagste salarisschalen? In hoeverre vormen de salarisschalen een instrument
binnen de lerarenstrategie?
In de schalen 1 en 2 is minder dan 1% van het totale fte onderwijspersoneel werkzaam.
Schalen 1 en 2 zijn de laagst beloonde schalen in het po en vo en betreft onderwijsondersteunend
personeel.
Goed personeelsbeleid van de schoolorganisatie is een belangrijke randvoorwaarde,
en het loon- en functiegebouw zijn hierbij belangrijke instrumenten die niet los van
elkaar gezien kunnen worden. Dat geldt ook voor de lerarenstrategie. Transparante
loopbaanpaden en duidelijke promotiecriteria geven de leraar houvast in de huidige
functie en geven zicht op wat nodig is om te kunnen doorgroeien naar een volgende
functie. Schoolbesturen bepalen welke functies zij nodig achten. De functies van leraren
zijn beschreven in zogenaamde functieprofielen, waarin de bij de functie behorende
taken en verantwoordelijkheden zijn opgenomen. Deze profielen zijn via een functiewaarderingssysteem
gekoppeld aan de salarisschalen LB, LC en LD. Als een leraar in een hogere salarisschaal
komt, dan horen daar dus zwaarder gewaardeerde taken en verantwoordelijkheden bij.
Overigens geven de cao’s in het po en vo schoolbesturen ook de mogelijkheid om in
bepaalde gevallen toelagen toe te kennen. Specifiek voor bepaalde vestigingen met
veel kwetsbare leerlingen geldt dat zij een arbeidsmarkttoelage uitkeren aan al het
onderwijspersoneel. Hierdoor kunnen deze scholen met het grootste risico op onderwijsachterstanden,
die over het algemeen meer moeite hebben om personeel te vinden en behouden, hun personeel
beter behouden en nieuw personeel aantrekken. Voor deze arbeidsmarkttoelage zijn sinds
het Nationaal Programma Onderwijs middelen beschikbaar gesteld.
6
Kunnen de extensivering en de incidentele middelen die worden ingehouden op infrastructuur
en basisvaardigheden (punt 4 en punt 8) verder uitgesplitst worden naar waar precies
op ingehouden wordt? Wat kan hierdoor niet doorgaan?
Een deel van het budget voor basisvaardigheden en infrastructuur (onderdeel van het
masterplan basisvaardigheden) is ingezet bij de Voorjaarsnota voor dekkingsopgaven.
Dit is een incidentele reeks die optelt tot € 130 miljoen cumulatief. Deze € 130 miljoen
is onderverdeeld in € 111,5 miljoen ter dekking van de rijksbrede dekkingsopgave en
€ 18,2 miljoen die wordt ingezet voor intensiveringen op de OCW-begroting.
De extensivering betreft het budget voor het versterken van de omgeving rond de school
op het terrein van leesbevordering en bevat primair middelen voor versterking van
de bibliotheek op school. Voor het verbeteren van de basisvaardigheid lezen wordt
eerst gewerkt aan een gerichtere aanpak, waardoor het geld en de ondersteuning terecht
komt bij de leerlingen die dit het hardste nodig hebben. Deze aanpak wordt nog uitgewerkt;
er zijn nu dus geen concrete activiteiten die niet doorgaan door de extensivering.
Per saldo wordt er nog steeds geïnvesteerd in de basisvaardigheid lezen, namelijk
in de eerste jaren circa € 25 miljoen per jaar; structureel is er € 51,1 miljoen beschikbaar.
Op de subsidieregelingen basisvaardigheden wordt niet geëxtensiveerd. Er is per saldo
nog steeds structureel circa € 460 miljoen per jaar beschikbaar voor de subsidieregelingen.
7
Wat is de nieuwste raming van het aantal bol2- en bbl3-studenten?
In de onderstaande tabel staan de aantallen mbo-studenten uitgesplitst per leerweg
op basis van de nieuwste studentenraming van mei 20234.
8
Zorgt de extensivering op het budget voor infrastructuur en basisvaardigheden én de
inhouding van cumulatief € 111 miljoen ten behoeve van de additionele dekkingsopgave
dat plannen of maatregelen daarvoor niet uitgevoerd kunnen worden of uitgesteld worden?
Zo ja, om welke plannen of maatregelen gaat het?
Zie het antwoord op vraag 6.
9
Wat betekent de gedeeltelijke terugdraaiing van de maatregel halvering reclamezendtijd
voor de hoeveelheid reclame die consumenten te zien krijgen?
De wettelijk toegestane reclametijd op de lineaire kanalen van de NPO lag in 2021
op 10%. Dit percentage zou op basis van de huidige regelgeving jaarlijks met 1%-punt
worden verlaagd tot 5% in 2026. Op basis van de actuele raming van de Ster-inkomsten
wordt bepaald met welk percentage voldoende reclame-inkomsten gegenereerd kunnen worden
om de verlaging van de Rijksmediabijdrage op te kunnen vangen. Dit zal dan ook in
regelgeving aangepast worden.
10
Waarom is artikel 14 (cultuur) uitgezonderd van de dekkingsopgave?
Voor de Rijksbrede taakstelling is een OCW-brede dekkingsopgave geleverd door het
inzetten van meevallers of door om te buigen op specifieke artikelen. De invulling
van de taakstelling is tot stand gekomen door binnen het departement verschillende
opties tegen elkaar af te wegen. Binnen het domein van cultuur en media is ervoor
gekozen om de Rijksmediabijdrage voor de landelijke publieke omroep vanaf 2025 te
verlagen. Daaraan gekoppeld wordt de Nederlandse Publieke Omroep ruimte gegeven om
meer reclameopbrengsten te genereren, waarmee zij deze verlaging kunnen opvangen.
11
Hoe worden de overige middelen van de laatste tranche Kansengelijkheid ingezet, naast
de genoemde programma’s School en Omgeving en Jonge Kind?
Naast de middelen voor de programma’s School en Omgeving en het Jonge Kind worden
er kansengelijkheidsmiddelen ingezet voor de Gelijke Kansen Alliantie (GKA), het Nationaal
Programma Rotterdam Zuid (NPRZ) en uitvoeringskosten van deze programma’s. Vanaf 2024
wordt structureel € 10,5 miljoen van de tranche Kansengelijkheid ingezet voor de GKA.
Doel is om de relatie tussen gemeente en lokale partijen verder uit te breiden en
te verbeteren. Dit netwerk is ook een belangrijk onderdeel voor de uitvoering van
het School en Omgeving programma. Hiernaast is in 2023 eenmalig € 4,6 miljoen van
de tranche Kansengelijkheid ingezet voor overbrugging van de oude en nieuwe Nationaal
Programma Rotterdam Zuid regiodeals. Hiernaast is structureel € 5,4 miljoen gereserveerd
voor de uitvoeringskosten van de bovengenoemde programma’s en de programma’s School
en Omgeving en Jonge Kind. De uitvoeringskosten vormen 1,25% van het totale budget
dat naar bovenstaande programma’s gaat.
12
Welk deel van de bedragen gaat precies naar welke maatregelen op het terrein van het
versterken onderwijskwaliteit en van vervolgopleidingen en onderzoek?
In de bijgevoegde tabellen op de laatste pagina’s is te zien welke bedragen naar welke
maatregelen gaan op het terrein van het versterken onderwijskwaliteit en van vervolgopleidingen
en onderzoek.
13
Kan toegelicht en uitgesplitst worden waar het geld voor de aanpassing van het bsa5 precies aan besteed wordt en waar de middelen precies vandaan komen?
De middelen voor de aanpassing van het bsa zijn geheel afkomstig uit de reeks Vervolgopleidingen
en Onderzoek uit het Coalitieakkoord. Het geld dat is vrijgemaakt voor de aanpassing
van het bsa staat gereserveerd voor het verbeteren van het flankerende beleid waarin
het bsa is ingebed. Denk daarbij aan de opbouw van het curriculum, de begeleiding,
het studieadvies en de studiekeuzecheck, het aantal herkansingen en hoe de verwijzende
functie wordt ingevuld. Er worden momenteel gesprekken gevoerd met de instellingskoepels
en studentenorganisaties over hoe deze middelen precies zullen worden besteed. Over
de uitkomsten van deze gesprekken zal de Kamer geïnformeerd worden.
14
Wat zijn de meest actuele gegevens van het aantal studenten dat het recht op studiefinanciering
heeft verloren vanwege studievertraging door de gevolgen van corona? Met hoeveel extra
middelen wordt het budget in het licht hiervan naar verwachting straks wel toereikend?
Het aantal studenten dat specifiek als gevolg van de Coronamaatregelen studievertraging
heeft opgelopen en het recht op studiefinanciering heeft verloren, is niet bekend.
Wel is bekend dat circa 100.000 studenten sinds 2020 gebruik hebben gemaakt van de
tegemoetkoming voor het wegvallen van de aanvullende beurs of basisbeurs. Een student
kan om verschillende redenen studievertraging oplopen. Ook in de periode vóór de coronamaatregelen
liepen veel studenten al studievertraging op. Het budget wat gereserveerd is voor
deze tegemoetkoming in het huidige begrotingsjaar is gebaseerd op een raming, maar
de regeling kent een open einde. Dat betekent dat alle studenten die in aanmerking
komen een tegemoetkoming ontvangen, ongeacht de hoogte van het budget. Het geraamde
budget is naar schatting wel toereikend.
15
Kan nader worden toegelicht wat de bijdrage aan KOMEX6 behelst?
De middelen zijn bedoeld voor zowel de reguliere activiteiten KOMEX als voor de verhoging
van de vergoeding voor de staatsexamenbetrokkenen, zoals locatievoorzitters, examinatoren
en surveillanten. Onder reguliere activiteiten valt te denken aan de kosten voor de
zaalhuur van examens, het examendrukwerk, de examenmaterialen en andere aan examens
gerelateerde kosten.
16
Welke subsidie(s) op artikel 25 wordt verhoogd als gevolg van de loon- en prijsbijstelling?
De verleende subsidies in het kader van de strategische partnerschappen (allianties)
worden verhoogd. Het betreft de volgende allianties: Worden wie je bent, Verandering
van Binnenuit, Act4Respect Unlimited, Jong Gelijk, Gelijke representatie in de politiek,
Kleurrijk en vrij, Gezondheidszorg op maat 2 en Financieel sterk door werk. Binnen
artikel 25 zijn deze subsidies terug te vinden onder het financiële instrument bekostiging.
17
In hoeverre valt het lerarentekort van bijvoorbeeld wiskundedocenten te verklaren
met de salarissen die allesbehalve concurrerend zijn met het bedrijfsleven, waar afgestudeerde
wiskundigen ook gewild zijn?
Wiskundedocenten in het vo verdienen gemiddeld 3% meer dan vergelijkbare werknemers
in andere sectoren, zowel in 2016 als in 2019. Ook de sector vo als geheel verdient
zo’n 3% meer dan in andere sectoren. In 2021 is een beloningsonderzoek gepubliceerd
over loonverschillen tussen werknemers in het onderwijs en vergelijkbare werknemers
in andere sectoren in 2019. In het addendum bij dit onderzoeksrapport, over de ontwikkeling
in loonverschillen tussen 2016 en 2019 (zie De ontwikkeling in de loonverschillen
tussen 2016 en 2019 Addendum | Rapport | rijksoverheid.nl), zijn ook gegevens te vinden
over docenten in specifieke vakken in het vo.
De cao biedt overigens de mogelijkheid om een eventueel verschil met de arbeidsmarkt
met beloning te verkleinen: de werkgever kan in overleg met de personeelsgeleding
van de medezeggenschapsraad beleid opstellen om bijvoorbeeld een arbeidsmarkttoelage
te geven. Dit is conform artikel 12.9 van de CAO VO 2022–2023.
18
Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat het onderwijs achterblijft bij de
forse salarisstijgingen die de afgelopen tijd werden afgesproken in de zorg en bij
gemeenteambtenaren?
Uitgangspunt van de jaarlijkse verhoging van de financiën van de (semi)publieke sectoren
is dat deze voor wat betreft de (gemiddelde) loonontwikkeling aansluit bij de markt.
Het verschil tussen de loonontwikkeling in het onderwijs met andere publieke sectoren
zoals de zorg en gemeente ligt daarom vooral aan het moment en de periode waarover
laatstelijk cao-afspraken zijn gemaakt. Bijvoorbeeld omdat er voor andere sectoren
over heel 2023 afspraken zijn gemaakt, terwijl in onderwijs dat (nog) niet het geval
is. Verschillen zijn er ook omdat in sommige cao’s, zoals bij gemeenten en in de zorg,
wordt afgesproken dat voor lagere salarisschalen of specifieke functies een hogere
salarisstijging geldt. Dit soort verschillen bemoeilijkt de vergelijking tussen verschillende
sectoren. Overigens heeft het kabinet in het Onderwijsakkoord in april 2022 bovenop
de reguliere systematiek een structureel bedrag van € 1,5 miljard geïnvesteerd in
de arbeidsvoorwaarden van leraren, schoolleiders en ondersteunend personeel in het
funderend onderwijs.
19
Welke berekeningen liggen ten grondslag aan de hoogte van de toevoeging van het nieuwe
budget loon- en prijsbijstelling van € 5,3 miljoen in 2024 oplopend tot € 6,5 miljoen
in 2027?
Op het hoofdbudget Tekorten Regio’s komen vanaf 2024 de middelen samen die tot die
tijd op de Tegemoetkoming Kosten Opleidingsscholen en Aanpak lerarentekort staan.
Met de vorming van de onderwijsregio’s bundelen we namelijk de onderliggende regelingen,
onder meer om versnippering tegen te gaan. De loon- en prijsbijstellingen die in 2023
beschikbaar zijn gekomen op deze hoofdbudgetten worden mee overgeheveld naar het hoofdbudget
Tekorten Regio’s. De optelsom daarvan is € 5,3 miljoen in 2024 oplopend tot € 6,5
miljoen in 2027. De loon- en prijsbijstelling op het budget tegemoetkoming kosten
opleidingsscholen is geheel loongevoelig en daarom op die manier geïndexeerd. De loon-
en prijsbijstelling van de aanpak lerarentekort is ook bijna geheel loongevoelig.
20
In hoeverre valt de verlaging in 2023 van het budget voor de aanpak lerarentekort
met € 23 miljoen ten behoeve van de decentralisatieuitkering voor de G4, de regelingen
zij-instroom en onderwijsassistenten (SOOL) op het hoofdbudget zij-instroom en bijdrage
aan de dekkingsopgave (€ 6 miljoen), te rechtvaardigen met een minder nijpend lerarentekort?
De decentralisatieuitkering voor de G4, de regeling zij-instroom en de regeling onderwijsassistenten
(SOOL) zijn instrumenten voor de aanpak van het lerarentekort. Deze verschuiving van
het budget wordt ingegeven door een andere instrumentkeuze bij de aanpak van het lerarentekort
in het kader van de lerarenstrategie en niet door een lager tekort of lagere prioriteit.
Deze verschuiving is mogelijk doordat er in de overgang naar onderwijsregio’s incidenteel
middelen vrijvallen. De oorzaak daarvan is een verandering in de financieringsperiode
van schooljaar naar kalenderjaar. Aangezien deze vrijval van middelen dit jaar niet
volledig via andere instrumenten ingezet kon worden voor de aanpak van het lerarentekort,
zijn de resterende middelen gebruikt om bij te dragen aan de dekkingsopgave.
21
Hoe verhoudt de hoogte van het hoofdbudget lerarenbeurs na de toevoeging van loon-
en prijsbijstelling zich tot de actuele hoeveelheid aanvragen door leraren van deze
beurs?
De hoogte van het hoofdbudget voor de lerarenbeurs is € 62,7 miljoen en dat is gelijk
aan het subsidieplafond in de regeling. Er is geen loon- en prijsbijstelling toegevoegd.
Voor de actuele hoeveelheid aanvragen is het voorlopige beeld dat er meer aanvragen
zijn dan vooraf begroot de controles van de aanvragen zijn echter nog niet geheel
afgerond; de definitieve eindstand is nog niet op te maken.
22
Hoe verhoudt de ombuiging van de regeling zij-instroom op artikel 9 in tabel 5 zich
tot de verhoging van het budget in 2023 voor de regeling zij-instroom?
Er is in totaal € 10 miljoen bijgekomen op het hoofdbudget zij-instroom en daarvan
is er € 6 miljoen beschikbaar voor de regeling zij-instroom. Rond de jaarwisseling
was er een zeer grote extra instroom bij deze regeling, daarom was initieel € 12 miljoen
extra vrijgemaakt om toe te voegen aan het budget. In de loop van het proces van de
Voorjaarsnota bleek dat de stijging minder sterk doorzette dan verwacht en is de helft
van de intensivering aangeleverd voor de dekkingsopgave. Per saldo is er van de oorspronkelijke
extra € 12 miljoen dus nog steeds € 6 miljoen beschikbaar voor de regeling zij-instroom.
23
Is in de ramingen al de aanzuigende werking van de basisbeurs op internationale studenten
meegenomen? Zo nee, wanneer wordt dit inzichtelijk?
Nee, het wetvoorstel van de herinvoering van de basisbeurs treedt per 1 september
2023 in werking. De eerste inzichten over het effect van de herinvoering van de basisbeurs
op internationale studenten zullen daarom pas na studiejaar 2023–2024 bekend zijn.
Met betrekking tot de studiefinancieringsraming moet benadrukt worden dat onduidelijk
is of de herinvoering van de basisbeurs een aanzuigende werking heeft op internationale
studenten. De toename van het aantal internationale studenten in het ho heeft immers
voornamelijk plaatsgevonden in een tijd dat er geen basisbeurs was. Bij het debat
over de herinvoering van de basisbeurs is een motie aangenomen die de regering verzoekt
te onderzoeken wat het effect is van de herinvoering van de basisbeurs op het aantal
EER-studenten dat in Nederland komt studeren (Kamerstuk 36 229, nr. 29). De aantallen EER-studenten zullen in dat kader nauwgezet gemonitord worden.
24
Kunt u uiteenzetten wat de gevolgen zullen zijn van de mogelijke afschaffing van het
verlaagde btw-tarief (9%) op cultuur wanneer deze verhoogd wordt naar 21%?
Op dit moment is nog niet inzichtelijk wat de gevolgen zijn van een eventuele afschaffing
van het verlaagd btw-tarief. Zoals staat vermeld in de Voorjaarsnota wordt voorafgaand aan Prinsjesdag bezien welke vervolgstappen het Kabinet neemt naar
aanleiding van de evaluatie van het verlaagde btw-tarief die recent is gepubliceerd. Daarbij zal een analyse gedaan worden, ook voor het verlaagde
btw-tarief voor culturele goederen en diensten, naar de impact van afschaffing of
versobering op specifieke groepen en wordt ook gekeken naar alternatieve beleidsinstrumenten.
Waar dit op korte termijn niet inzichtelijk gemaakt kan worden door het gebrek aan
de benodigde gegevens, wordt vervolgonderzoek verricht.
25
Kunt u aangeven welke maatschappelijke initiatieven rondom de herdenking van het slavernijverleden
bekostigd zullen worden van de verhoogde raming met € 5,3 miljoen?
Met de € 5,3 miljoen worden de budgetten voor de subsidieregelingen van het Mondriaan
Fonds en het Fonds voor Cultuurparticipatie, ten gunste van maatschappelijke initiatieven
in het kader van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden in het hele koninkrijk, opgehoogd.
Het gaat hierbij om activiteiten en initiatieven op het gebied van herdenken en vieren
van de afschaffing en/of die een bijdrage leveren aan kennis en bewustwording over
het slavernijverleden en de doorwerking daarvan in het heden. Meer informatie over
het vervolgtraject ‘na de komma’ naar aanleiding van de excuses voor het slavernijverleden,
wordt voor het zomerreces met de Kamer gedeeld.
Ondertekenaars
-
, -
, -
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
C.H. Bosnjakovic , adjunct-griffier