Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boucke over het rapport 'Het energiesysteem van de toekomst: de II3050-scenario’s' van Netbeheer Nederland en Gasunie
Vragen van het lid Boucke (D66) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over het rapport «Het energiesysteem van de toekomst: de II3050-scenario’s» van Netbeheer Nederland en Gasunie (ingezonden 12 april 2023).
Antwoord van Minister Adriaansens (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 16 mei
2023).
Vraag 1
Onderschrijft u het signaal van de netbeheerders dat er sneller duidelijkere keuzes
gemaakt moeten worden voor de verduurzaming van de industrie?
Antwoord 1
Het kabinet heeft in het Coalitieakkoord een ambitieus doel gesteld voor verduurzaming
van de industrie. Om dit doel te bereiken wil het kabinet bedrijven zoveel mogelijk
laten investeren in verduurzaming in Nederland, in plaats van elders: liever groen
hier dan grijs elders. Met het NPVI werken we aan de randvoorwaarden voor verduurzaming
van de industrie (infrastructuur, subsidies, normering ed.). De nieuwe stuurgroep
NPVI zal coördinatieproblemen en knelpunten bespreken en knopen doorhakken. Via die
randvoorwaarden geven we de industrie een duidelijk handelingsperspectief op korte
en lange termijn, zodat duurzame investeringen hier landen. Het kabinet ziet dat voor
alle sectoren in de basisindustrie een goede uitgangspositie is om hier te verduurzamen,
mede op basis van de analyse van Guidehouse en het rapport van de Boston Consultancy
Group t.a.v. verduurzaming van de industrie. Het kabinet maakt dus geen keuzes of
bedrijven of sectoren toekomst hebben in Nederland. Het is aan bedrijven om zelf keuzes
te maken binnen hun verduurzamings- of vestigingsstrategie.
Vraag 2
In hoeverre zal de Routekaart Verduurzaming Industrie deze keuzes tot het door de
netbeheerders gewenste detailniveau maken?
Antwoord 2
De routekaart Verduurzaming Industrie brengt in kaart welke relevante besluitvormingsmomenten
er zijn binnen de (Rijks)overheid (beleidstrajecten en infrastructuurprojecten) en
de industrie (investeringsbeslissingen) richting 2040 met als doel meer zekerheid
te bieden aan publieke en private partijen om te investeren. Via het NPVI komt er
input vanuit de industrie v.w.b. de energievraag (o.a. cluster energie strategieën
CES). Op basis hiervan vindt er wisselwerking plaats met bijv. het Nationaal Plan
Energiesysteem. Het NPVI dient als input voor belangrijke besluiten, zoals de aanlanding
van Wind op Zee en voor het provinciaal en nationaal MIEK. In het MIEK nemen publieke
partijen besluiten over belangrijke energie infrastructuurprojecten, waarbij netbeheerders
informatie krijgen op het gewenste detailniveau. Op die manier zorgt de routekaart
voor samenhang tussen de verschillende plannen van publieke en private partijen.
Vraag 3
Kunt u toezeggen om in de eerstvolgende brief over de verduurzaming van de industrie
in te gaan op het onderzoek van de netbeheerders?
Antwoord 3
Voor de zomer zal ik de Routekaart Verduurzaming Industrie aan uw Kamer aanbieden.
In de begeleidende brief zal ik tevens ingaan op de samenhang met deze tussenrapportage.
Vraag 4
De netbeheerders bevelen aan om te bepalen welke energie-intensieve basisindustrie
in het klimaatneutrale Nederland van 2050 past. In de brief over het Nationaal Programma
Verduurzaming Industrie (NPVI) (Kamerstuk 29 826, nr. 176) schrijft u dat het kabinet streeft naar het behoud van de strategische basisindustrie.
Welke sectoren vallen onder de strategische basisindustrie? Welke reeds in Nederland
aanwezige sectoren vallen daar niet onder? Kunt u toezeggen om hier in de Routekaart
Verduurzaming Industrie op in te gaan?
Antwoord 4
In de brief over het NPVI d.d. 24 maart jl. (Kamerstuk 29 826, nr. 176) gaf ik aan dat een van de lessen uit de analyses van BCG en Guidehouse is dat er
voor alle bedrijfstakken in de basisindustrie een duurzaam toekomstperspectief is
in Nederland. Het kabinet wil dat zij hier investeren in verduurzaming, niet elders.
De brief maakt geen onderscheid naar strategische basisindustrie, maar geeft aan dat
wij allen gebruik willen blijven maken van de producten die de basisindustrie produceert.
Het kabinet wil ervoor zorgen dat dit mogelijk blijft en dat betekent dat alle stappen
in de waardeketen hetzij binnen de EU aanwezig moeten zijn, dan wel in diverse derde
landen waarmee Europa een goede handelsrelatie heeft.
De Routekaart verduurzaming industrie zal inzicht geven in welke publieke en private
sleutelbeslissingen wanneer en door wie gemaakt moeten worden om de transformatie
van de industrie versneld te realiseren. Uit de Routekaart kunnen dilemma’s naar voren
komen die nopen tot keuzes, bijvoorbeeld over prioritering in de tijd van publieke
infrastructuur. Het NPVI levert input voor deze keuzes en werkt daarmee aan randvoorwaarden
voor verduurzaming van de industrie. Het is aan de bedrijven om te bepalen of verduurzaming
binnen de Nederlandse randvoorwaarden voor hen ook de beste optie is. Met de analyse
van Guidehouse als basis zal ik deze Routekaart Verduurzaming Industrie de komende
maanden opstellen en voor de zomer met uw Kamer delen. Onder meer vanwege technische
ontwikkelingen zal de Routekaart periodiek moeten worden bijgewerkt.
Vraag 5
In de brief over het NPVI schrijft u dat u strategische industrie wil behouden en
dat u nieuwe duurzame industrie wil aantrekken. Is er momenteel ruimte in Nederland,
zowel fysiek als qua energiebeschikbaarheid, milieu en CO2-uitstoot, om nieuwe industrie aan te trekken? Zo nee, bent u dan van mening dat op
termijn bedrijven uit Nederland kunnen verdwijnen om die ruimte te creëren?
Antwoord 5
Nederland is en blijft een aantrekkelijk vestigingsland voor de industrie, al zijn
er uitdagingen. Nieuw investerende bedrijven maken een afweging op basis van tal van
factoren. De duurzame industrie weet zich gesteund door ambitieus beleid en onderschrijft
de kwaliteiten van onze logistiek, onze hoogopgeleide beroepsbevolking, onze geïntegreerde
clusters en de nabijheid van markten. In het NVPI-beleid proberen we in dialoog met
de bedrijven tegelijkertijd deze factoren te versterken en de technische uitdagingen
te verminderen. Of reeds gevestigde bedrijven hier blijven en conform de vastgestelde
klimaatambities verduurzamen, of kiezen voor vestiging elders is aan de bedrijven
zelf. Mijn inzet is en blijft: «liever groen hier dan grijs elders».
Vraag 6
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie Romke de Jong/Boucke over
het opstellen van een visie op de economie van de toekomst (Kamerstuk 32 637, nr. 536)?
Antwoord 6
Ik werk momenteel aan het Perspectief op de Nederlandse economie van de toekomst.
Hier neem ik ook deze motie in mee. Het perspectief zit in de afrondende fase en ik
beoog deze zo snel als mogelijk toe te sturen.
Vraag 7
U heeft aangegeven met de 20 grootste uitstoters maatwerkafspraken te willen maken,
zonder dat u per bedrijf het strategisch belang ervan heeft onderbouwd. Kunt u toezeggen
om een onderbouwing van het strategisch belang van alle bedrijven waarmee u maatwerkafspraken
wil maken in de Routekaart Verduurzaming Industrie op te nemen?
Antwoord 7
Het Coalitieakkoord geeft aan dat met 20 grootste uitstoters maatwerkafspraken worden
gemaakt om in 2030 extra CO2-reductie te realiseren. Dat voer ik uit waarbij ik ook kijk of deze bedrijven een
toekomstbestendig plan hebben richting 2050. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag
4.
Vraag 8
Sommige sectoren zijn niet evident van strategisch belang. Kunt u bijvoorbeeld aangeven
waarom u kiest voor het behoud van grootschalige kunstmestproductie in Nederland,
terwijl de nationale vraag naar kunstmest afneemt door de transitie naar kringlooplandbouw
en ook de vraag naar AdBlue zal afnemen door de transitie naar zero-emissie mobiliteit?
Antwoord 8
De vraag suggereert dat het kabinet kiest voor behoud van een sector. Met het NPVI
werken we aan de randvoorwaarden voor verduurzaming (infrastructuur, subsidies, normering
ed.). Voor sectoren die binnen die randvoorwaarden kunnen verduurzamen is er plek
in Nederland, ook als de afzetmarkt buiten Nederland ligt. Overigens is de kunstmestsector
strategisch van belang. Denk bijvoorbeeld aan geopolitieke onafhankelijkheid van Europa
voor kunstmestproductie. Daarnaast is ammoniak een potentiële energiedrager voor de
energietransitie. Bedrijven in de kunstmestsector hebben de expertise om ammonia veilig
te transporteren en op te slaan.
Vraag 9
Klopt het dat er voor «duurzame» kunstmestproductie in Nederland ammoniak wordt geïmporteerd,
de afgevangen CO2 wordt geëxporteerd naar Noorwegen en de geproduceerde kunstmest grotendeels wordt
geëxporteerd naar andere continenten? Zo ja, wat volgens u de meerwaarde van deze
sector in Nederland?
Antwoord 9
Nederland is de grootste producent van kunstmest van de EU met bijna 22% van de totale
EU-productie. Van de Nederlandse productie is 90% voor de export, hoofdzakelijk naar
andere EU-landen. Het klopt dat kunstmestproducenten in Nederland voor verduurzaming
onder andere plannen hebben om de CO2 af te vangen en op te slaan in Nederlandse CO2-opslag infrastructuur en in Noorwegen. De meerwaarde van de sector is toegelicht
bij de beantwoording van vraag 8.
Vraag 10
Hoe kijkt u naar alternatieven, bijvoorbeeld het ondersteunen van landen die kunstmest
nodig hebben bij het opbouwen van een duurzame productiefaciliteit aldaar?
Antwoord 10
Ik ben groot voorstander van de verduurzaming van productie ook in andere landen,
binnen en buiten de EU. Via het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) wordt niet
alleen duurzame productie in Europe gestimuleerd, maar ook de import van vervuilende
producten belast. Door dit laatste stimuleert de EU indirect ook duurzame productie
elders in de wereld omdat Europa voor veel continenten een interessante en grote afzetmarkt
is. Zoals gemeld in het BNC-fiche over de Mededeling Meststoffen (Kamerstukken 22 112, nr. 3583), draagt Nederland 30 miljoen euro bij aan de Global Fertilizer Challenge ter ondersteuning van de toegang van boeren in Ethiopië en Mozambique tot kunstmest
en zaaizaad via de Africa Emergency Food Production Facility (AEFPF) van de African Development Bank.
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat er behoefte is aan betere normen voor onder andere milieu
en luchtkwaliteit, energieverbruik en CO2-uitstoot, juist om duidelijkheid te bieden aan bestaande bedrijven over de noodzakelijke
keuzes die zij moeten maken en aan nieuwe duurzame bedrijvigheid over de voorwaarden
waaronder zij zich in Nederland kunnen vestigen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat voor
soort en welke normen acht u noodzakelijk of heeft u reeds tot uw beschikking om die
keuzes te maken?
Antwoord 11
Ik deel de opvatting dat duidelijkheid over randvoorwaarden voor verduurzaming (w.o.
normering) perspectief biedt op de verduurzamingsmogelijkheden voor bedrijven in Nederland.
Het NPVI en de routekaart VI geven op termijn duidelijkheid over deze randvoorwaarden.
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat het niet aan het kabinet is om bedrijven weg te werken uit
Nederland, maar dat sommige bedrijven niet zelfstandig zullen kunnen voldoen aan de
normen die passen bij een schoon, klimaatneutraal Nederland?
Antwoord 12
Ik deel de opvatting dat het Kabinet niet op voorhand afscheid neemt van bepaalde
bedrijven of sectoren. Het is aan de bedrijven om te bepalen of verduurzaming binnen
de Nederlandse randvoorwaarden voor hen ook de beste optie is. Het NPVI en de routekaart
VI geven op termijn duidelijkheid over deze randvoorwaarden voor verduurzaming (infrastructuur,
subsidies, normering ed.). De nieuwe stuurgroep NPVI behandelt coördinatieproblemen
en knelpunten.
Vraag 13
Deelt u vervolgens de opvatting dat daaruit zal vloeien dat de bedrijven die niet
vallen onder de strategische basisindustrie, niet actief worden geholpen met verduurzamen
en alleen in Nederland zullen kunnen blijven als zij zelfstandig, met eventueel gebruikmaking
van reguliere regelingen zoals de SDE++, aan de normen kunnen voldoen? Graag een toelichting.
Antwoord 13
Zie het antwoord op vraag 12.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.A.M. Adriaansens, minister van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.