Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Tjeerd de Groot over het artikel 'Pesticide use and incident Parkinson's disease in a cohort of farmers and their spouses'
Vragen van het lid Tjeerd de Groot (D66) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het artikel «Pesticide use and incident Parkinson's disease in a cohort of farmers and their spouses» (ingezonden 21 maart 2023).
Antwoord van Minister Adema (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) (ontvangen 25 april
2023). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 2036.
Vraag 1
Bent u bekend met het wetenschappelijke artikel «Pesticide use and incident Parkinson's
disease in a cohort of farmers and their spouses»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe reageert u op het toenemende aantal signalen en wetenschappelijke studies, in
binnen- en buitenland, dat het gebruik van pesticiden in verband legt met een toename
in het aantal gevallen van de ziekte van Parkinson onder boeren?
Antwoord 2
De toenemende zorgen in de samenleving omtrent de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
en eventuele gezondheidseffecten begrijp ik heel goed. Het is noodzakelijk dat agrariërs
hun werk veilig kunnen uitvoeren. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens het Europees geharmoniseerd toetsingskader of
het middel veilig is voor mens (waaronder de toepasser), dier en milieu. Agrariërs
mogen uitsluitend gewasbeschermingsmiddelen gebruiken volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift.
Om de wetenschappelijke signalen te duiden in de Nederlandse praktijk heb ik het RIVM
verzocht om zo spoedig mogelijk een lange termijn studie te starten naar mogelijke
gezondheidseffecten van de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van agrariërs
en omwonenden. In dit onderzoek wordt de mogelijke relatie tussen de blootstelling
aan ggewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson verder onderzocht. Het plan
van aanpak vanuit het RIVM hiervoor zal 1 juli 2023 gereed zijn, waarna het daadwerkelijk
onderzoek van start zal gaan. Het RIVM is reeds gestart met de voorbereidende activiteiten.
Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 605 en 610). Ik zal de Kamer regelmatig over de voortgang over dit onderwerp informeren.
Vraag 3
Erkent u, in het licht van deze ontwikkelingen, dat het van groot belang is om uitgebreider
onderzoek te doen naar de link tussen de ziekte van Parkinson en het gebruik van (specifieke)
pesticiden zoals glyfosaat?
Antwoord 3
Ja. Zie verder het antwoord vraag 2.
Vraag 4
Bent u bereid om uit voorzorg het gebruik van glyfosaat verder te verminderen?
Antwoord 4
Ik begrijp de zorgen rondom het gebruik van glyfosaat ontzettend goed. Ik heb uw Kamer
verschillende keren geïnformeerd over de stand van zaken rond het verbieden van het
gebruik van glyfosaathoudende middelen buiten geïntegreerde gewasbescherming. De herbeoordeling
van de werkzame stof glyfosaat loopt. Op dit moment zijn er geen nieuwe wetenschappelijke
inzichten die direct ingrijpen op de goedkeuring in de Europese Unie of de toelating
in Nederland rechtvaardigen. Ik verwacht het voorstel van de Europese Commissie voor
het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring van glyfosaat in het najaar van 2023.
Tegelijkertijd ben ik me bewust van de wens van de Kamer om het gebruik van glyfosaathoudende
middelen te beperken. Aangezien er geen sprake is van kalenderspuiten bij glyfosaathoudende
middelen en bepaalde volvelds vooroogsttoepassingen inmiddels zijn verboden, richt
ik mij hierbij op het verminderen van het gebruik van glyfosaathoudende toepassingen
voor het doodspuiten van grasland, groenbemesters en vanggewassen. Ik heb uw Kamer
over de voortgang daarvan recent geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 610).
Vraag 5
Wat is de stand van zaken met de uitvoering van de moties van het lid Tjeerd de Groot
over het verbieden van glyfosaat buiten geïntegreerde gewasbescherming?2
Antwoord 5
Er lopen inmiddels verschillende acties in het kader van het coalitieakkoord en het
Uitvoeringsprogramma die bijdragen aan de uitvoering van de motie van de leden Tjeerd
de Groot (D66) en Bromet (GroenLinks). Deze motie heeft betrekking op het gebruik
van alternatieven voor het toepassen van glyfosaathoudende middelen voor het doodspuiten
van grasland, groenbemesters en vanggewassen (Kamerstuk 27 858, nr. 599). Hieronder noem ik de acties:
• communicatie richting agrarische ondernemers over alternatieven en het gebruik daarvan.
Dit is onderdeel van het Praktijkprogramma plantgezondheid: «Weerbaarheid in de praktijk»
van de stichting LTO programma’s en projecten in het kader van het Uitvoeringsprogramma;
• voorbereiden van het openstellen van een subsidieregeling om investeringen in deze
alternatieven te stimuleren. Ik streef ernaar om deze regeling rond de zomer 2023
voor het eerst open te stellen;
• het in beeld brengen van toepassingen waarvoor er nog geen (praktijkrijpe) alternatieven
zijn en het in gang zetten van het ontwikkelen daarvan. De subsidieregeling biedt
ook de mogelijkheid voor financieel ondersteunen van projecten die gericht zijn op
het ontwikkelen van nieuwe, innovatieve preventieve en niet-chemische maatregelen;
• het in beeld brengen van de mogelijkheden (privaat en publiek) om het gebruik van
alternatieven te verplichten voor de hierboven genoemde toepassingen van glyfosaathoudende
middelen waarvoor alternatieven beschikbaar en praktijkrijp zijn.
Ik realiseer me dat uw Kamer hecht aan het zo snel mogelijk verplichten van deze alternatieven.
Ik bied de sector de mogelijkheid om hierover de komende tijd mee te denken en tot
private initiatieven te komen. Ik heb de sector (akkerbouw, bloembollen en melkveehouderij)
gevraagd mij uiterlijk in juli van dit jaar te berichten over hun voornemens hieromtrent.
Ik zal uw Kamer in het najaar informeren over de uitkomst hiervan. Mocht het onverhoopt
niet lukken om hierover concrete afspraken te maken met de sector, dan zal ik zelf
het voortouw nemen. Ik streef ernaar om deze verplichting uiterlijk 1 januari 2025
in te laten gaan. Ik zal uw Kamer in het najaar informeren over de voortgang.
Zie antwoord vraag 4.
Vraag 6
Bent u van mening dat het gebruik van pesticiden tot een absoluut minimum moet worden
beperkt om de boer te beschermen tegen deze potentiële beroepsziekte, zoals de ziekte
van Parkinson in Frankrijk al wordt geduid bij wijnboeren?
Antwoord 6
De gezondheid van agrariërs en omwonenden is voor mij uitermate belangrijk. Het gebruik
van gewasbeschermingsmiddelen moet om deze reden veilig zijn voor de mens en daarnaast
voor dier en milieu. De nationale toelatingsprocedure van middelen en de Europese
goedkeuringsprocedures voor werkzame stoffen voorzien in de beoordeling van deze risico’s
– inclusief die op het gebied van (acute) neurotoxiciteit. In mijn brief van 5 oktober
2022 (Kamerstuk 27 858, nr. 581) heb ik aangegeven dat stoffen waarvoor een verband is gevonden met het ontstaan
van neurodegeneratieve aandoeningen niet meer zijn goedgekeurd in Europa.
In een analyse van het RIVM op basis van de chemische structuur is slechts één stof
aangetroffen die qua chemische structuur lijkt op bekende (verboden) stoffen die neurodegeneratieve
effecten hebben, namelijk metiram.3 Deze stof wordt zeer weinig gebruikt in Nederland en is de afgelopen jaren niet verkocht.
Dit betekent echter niet dat de mogelijkheden om de procedures volgens de laatste
stand van de wetenschap te verbeteren onbenut moeten blijven. Het RIVM adviseerde
mij in 2021 over verbetermogelijkheden van de huidige datavereisten voor de risicobeoordeling
op het gebied van neurologische aandoeningen (Kamerstuk, 27 858, nr. 555).
Ik heb deze verbetermogelijkheden overgenomen en zet mij in om ze zo snel mogelijk
te implementeren in Europees-verband. Dit gebeurt door enerzijds het RIVM deel te
laten nemen aan wetenschappelijke werkgroepen in EFSA-verband. En anderzijds door
het beschikbaar stellen van middelen om het RIVM in te laten schrijven op een internationale
onderzoeksoproep, zoals ik u recentelijke heb gemeld (Kamerstuk 27 858, nr. 610).
Mijn intentie was om het RIVM een onderzoeksvoorstel te laten schrijven voor de recent
gepubliceerde «call for tender» van de EFSA. Echter meldt het RIVM mij dat de reikwijdte
van deze oproep niet volstaat om het toetsingskader van de risicobeoordeling op het
gebied van neurologische aandoeningen te verbeteren (bijlage 1). Ik zet daarom in
op de oproep van het EC Horizon-Health programma die in oktober a.s. verwacht wordt.
Daarnaast zet ik met het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030
in op het verminderen van de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen. Deze vermindering
van behoefte zal de beperking van de blootstelling aan deze middelen bevorderen.
Vraag 7
Hoe wordt er binnen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het
College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) rekening
gehouden met deze ontwikkelingen?
Antwoord 7
Bij de (Europese) beoordeling van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
worden de laatste wetenschappelijke inzichten meegenomen. Daarnaast wordt het beoordelingskader
voor werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen periodiek bijgewerkt op basis van
nieuwe wetenschappelijke inzichten. Werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen
worden in principe elke 10–15 jaar herbeoordeeld en zo weer in lijn gebracht met deze
nieuwe inzichten.
Ik zet zelf ook in op verbetering van deze kaders, bijvoorbeeld op het terrein van
neurodegeneratieve aandoeningen, maar ook bijvoorbeeld op het gebied van milieu, zoals
de bijdrage van het Ctgb aan de ontwikkeling van een herzien richtsnoer voor de risicobeoordeling
voor vogels en zoogdieren dat recent door EFSA is gepubliceerd. Binnen het Ministerie
van LNV is er tevens volop aandacht voor de ontwikkelingen rondom de relatie tussen
gewasbeschermingsmiddelen en mogelijke gezondheidseffecten. Om deze reden verzoek
ik het RIVM om het onder vraag 2 genoemde gezondheidsonderzoek uit te voeren.
Vraag 8
Erkent u dat het toelatingsbeleid van het Ctgb en de Europese autoriteit voor voedselveiligheid
(EFSA) niet afdoende in staat is een veilige afweging te maken en dat deze zou moeten
worden aangescherpt?
Antwoord 8
Het Ctgb en de EFSA zijn onafhankelijke organisaties met technisch-wetenschappelijke
deskundigheid. De kaders die zij gebruiken voor de toelating en beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen
en werkzame stoffen, respectievelijk, beroepen zich op de meest recente wetenschappelijke
kennis. Daarnaast worden onderdelen van het beoordelingskader periodiek herzien op
basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Deze kaders voorzien in het beoordelen
van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor mens, dier en milieu.
Vraag 9
Bent u bereid te onderzoeken hoe de kaders, waarbinnen het Ctgb middelen toelaat,
kunnen worden aangescherpt om te zorgen voor een geïntegreerde toelatingsprocedure
waarbij de gezondheid van natuur én mens wordt geborgd?
Antwoord 9
Ik heb vertrouwen in de toelatingsprocedures van het Ctgb. Dit neemt niet weg dat
het Ctgb, EFSA en het Ministerie van LNV continue bezien of de toelatingsprocedures
verder kunnen worden verbeterd. Zo heb ik uw Kamer recent geïnformeerd dat ik voornemens
ben om middelen en mensen beschikbaar te stellen voor de totstandkoming van geschikte
EU-methodieken voor onderzoek naar de effecten van gewasbeschermingsmengsels (Kamerstuk
27 858, nr. 604).
Vraag 10
Bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten om dit nadrukkelijker ter sprake
te brengen om te zorgen dat ook het EFSA voorzichtiger kijkt naar het toelatingsbeleid
van potentieel gevaarlijke stoffen?
Antwoord 10
De (Europese) beoordelingskaders voor werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen
zijn veelomvattend en streng. Ik heb uw Kamer recentelijk geïnformeerd (Kamerstuk
27 858, nr. 610) over de «call for tender», die de EFSA inmiddels heeft gepubliceerd, voor het indienen
van een projectvoorstel voor het ontwikkelen van nieuwe testrichtlijnen in internationaal
samenwerkingsverband. De scope van deze oproep is helaas niet toereikend genoeg voor
het RIVM om hier op in te schrijven. Ik vind het wel zeer belangrijk dat de toetsingskaders
van de risicobeoordeling, waar mogelijk, worden verbeterd. Om deze reden zal ik, het
RIVM opdracht geven een onderzoeksvoorstel te schrijven voor de oproep van het EC
Horizon-Health programma die in oktober verwacht wordt. Uiteraard zal het RIVM dan
eerst bezien of de oproep volstaat voor het door Nederland gewenste doel, namelijk
het verbeteren van het toetsingskader. Daarnaast meldt het RIVM mij dat zij de intentie
hebben om nu een reactie aan de EFSA te schrijven over waarom de recente oproep niet
toereikend is. Ik steun dit initiatief.
Vraag 11
Hoe worden de mogelijke gezondheidseffecten van pesticiden meegenomen in het Landbouwakkoord?
Antwoord 11
In december 2022 heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van mijn inzet bij
het gezondheidsonderzoek bij omwonenden en agrariërs (Kamerstuk 27 858, nr. 605). In het Landbouwakkoord zijn geen aanvullende specifieke afspraken voorzien over
gezondheidseffecten. Wel wordt gewerkt aan afspraken om kennis en (praktijk)onderzoek
naar weerbare teelten en emissiereductie om gebruik en emissies terug te dringen.
Dit zal ook bijdragen aan het verlagen van eventuele risico’s op gezondheidseffecten.
Vraag 12
Kunt u toelichten hoe u zich concreet zal inzetten voor de bovengenoemde onderwerpen?
Antwoord 12
Ik zet mij concreet in om de mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de
gezondheid zoveel mogelijk te voorkomen. Ik doe dit enerzijds door het RIVM te verzoeken
zo spoedig mogelijk te starten met een blootstellingsonderzoek voor agrariërs en omwonenden
en anderzijds door het verbeteren van de datavereisten voor de risicobeoordeling van
werkzame stoffen en middelen. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2
en 6.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P. Adema, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.