Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 231 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie Richtlijn betalingsdienstaanbieders)
Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 15 februari 2023
Inhoudsopgave
blz.
I.
ALGEMEEN
1
1.
Inleiding
6
2.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
7
3.
Budgettaire aspecten
12
4.
Uitvoering Belastingdienst
12
5.
Advies en consultatie
14
I. ALGEMEEN
Het kabinet is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die
zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en voor de door de leden van
de fracties van de VVD, PVV, D66, CDA, SP en de ChristenUnie daarover gestelde vragen.
Deze vragen worden zo veel mogelijk beantwoord in de volgorde van het door de commissie
uitgebrachte verslag, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde
liggende vragen tezamen zijn beantwoord.
De leden van de PVV-fractie vragen wat wordt opgeslagen aan gegevens in de Central
Electronic System of Payment (hierna: CESOP). Lidstaten zijn verantwoordelijk voor
het verzamelen en aanleveren van gegevens aan CESOP en dienen zich daarbij te houden
aan de in de richtlijn betalingsdienstverleners1 (hierna; de richtlijn) opgenomen velden. Betalingsdienstaanbieders hebben een registratieplicht
van deze gegevens en dienen deze aan te leveren bij de Belastingdienst. Door middel
van een elektronisch standaardformulier worden deze gegevens door de betalingsdienstaanbieders
aangeleverd bij de Belastingdienst. De Belastingdienst geeft deze vervolgens door
aan CESOP. Dit elektronisch standaardformulier is opgenomen als bijlage bij de uitvoeringsverordening2. Voor de gegevens die moeten worden aangeleverd wordt onderscheid gemaakt tussen
gegevens die verplicht moeten worden aangeleverd (zoals bijv. de bedrijfsidentificatiecode
van de betalingsdienstaanbieder, de naam van de begunstigde, informatie over de betalingstransactie
zoals het bedrag, de valuta, en de datum en het tijdstip, en informatie over de locatie
van de betaler) en informatie die alleen moet worden aangeleverd wanneer de betalingsdienstaanbieder
deze gegevens voorhanden heeft (zoals bijv. btw- of fiscale identificatienummers van
de begunstigde, of het adres van de begunstigde). In totaal gaat het over maximaal
15 datavelden.
De leden van de PVV-fractie vragen of met CESOP een Europese centrale database van
alle grensoverschrijdende betalingen wordt samengesteld. Niet alle grensoverschrijdende
betalingen komen terecht in CESOP. Er geldt voor de betalingsdienstaanbieders alleen
een registratieplicht wanneer in een kalenderkwartaal meer dan 25 grensoverschrijdende
betalingen aan dezelfde begunstigde zijn gedaan. De leden van de PVV-fractie vragen
een uitputtend overzicht van alle instanties en (fiscale) autoriteiten die, al dan
niet indirect, toegang verkrijgen tot CESOP en of dit ook de Europese Commissie betreft.
In de verordening en uitvoeringsverordening zijn nadere voorwaarden ten aanzien van
CESOP vastgesteld.3 Hieruit volgt dat de rol van de Europese Commissie beperkt is tot het technisch beheer
van de database. De Europese Commissie is in dit kader verantwoordelijk voor de ontwikkeling,
het onderhoud en de hosting van CESOP. De Europese Commissie heeft dan ook slechts
toegang tot CESOP voor zover dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling en het onderhoud.
CESOP zal in staat zijn om automatische analyses uit te voeren en verdachte begunstigden
te markeren. De lidstaten moeten Eurofisc-verbindingsambtenaren aanwijzen die toegang
hebben tot CESOP. Deze ambtenaren krijgen een unieke identificatiecode om toegang
te verkrijgen en kunnen naast het verkrijgen van toegang ook niet-automatische controles
en analyses uitvoeren en rechtstreeks in CESOP inlichtingen uitwisselen over onderzoek
naar en opsporing van grensoverschrijdende btw-fraude. Door de Europese Commissie
zal een lijst worden bijgehouden van alle Eurofisc- verbindingsambtenaren die toegang
hebben tot CESOP. Daarnaast geldt voor alle personen die toegang hebben tot de inlichtingen
dat zij zich moeten houden aan de in Verordening 904/2010 vastgestelde vertrouwelijkheidsregels.
Het Eurofisc-netwerk is in Nederland ondergebracht bij het coördinatiepunt btw-fraude
van de FIOD. Daarnaast is er een liaison officer van Eurofisc werkzaam bij het Kennis-
en expertisecentrum Buitenland van de Belastingdienst. Het aantal liaison officers
is beperkt.
De leden van de PVV-fractie vragen waar de Europese database in fysieke zin komt te
staan, en wie er fysiek toegang heeft tot de database. Uit navraag bij de Europese
Commissie volgt dat de database in Luxemburg gesitueerd zal zijn bij het datacentrum
in eigendom en beheer van DG TAXUD. De technische werkzaamheden worden uitgevoerd
door verschillende contractspartijen, onder toezicht van personeel van DG TAXUD. Deze
manier van werken is hetzelfde voor alle platformen en informatiesystemen ontwikkeld
door DG TAXUD. Toegang tot de serverruimten is beperkt tot het technische personeel
van contractspartijen en onderhevig aan toegangsprocedures.
De leden van de fractie van D66 vragen nader toe te lichten hoe de vergrote bevoegdheid
in buitenlandse situaties zich verhoudt tot binnenlandse situaties. Daarnaast vragen
deze leden hoe niet-grensoverschrijdende betalingen nu worden gemonitord en meer specifiek
hoe de controle is op binnenlandse boekingen. Vervolgens vragen zij de regering te
reflecteren op de proportionaliteit met betrekking tot het recht op privacy van betalingsdienstgebruikers.
De bestrijding van btw-fraude of überhaupt controle of er op de juiste wijze aan de
btw-verplichtingen is voldaan, is bij grensoverschrijdende handel evident ingewikkelder
dan dat nationaal het geval is. In een binnenlandse situatie is het namelijk eenvoudiger
om bepaalde informatie op te vragen of gewoon bij een bedrijf langs te gaan. Uiteraard
zijn er ook internationale mogelijkheden tot uitwisseling van informatie of zelfs
grensoverschrijdende onderzoeken, maar dit is zeer tijdrovend en met meerdere landen
beperkt effectief. Er kan niet specifiek worden ingegaan hoe de Belastingdienst toezicht
houdt op de btw om fraudeurs niet in de kaart te spelen. Wat wel kan worden aangegeven
is dat in puur binnenlandse situaties de Belastingdienst andere controlemogelijkheden
tot haar beschikking heeft.
Zoals ook aangegeven in de memorie van toelichting horende bij het wetsvoorstel is
in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 over bescherming van persoonsgegevens4 het van belang dat alleen informatie door de betalingsdienstaanbieders wordt bewaard
en verstrekt voor zover dit evenredig is en beperkt blijft tot wat noodzakelijk is
om btw-fraude te bestrijden. De enige informatie van de betaler die moet worden bewaard
en verstrekt ziet dan ook op zijn locatie op landenniveau. Het kabinet acht dit dan
ook proportioneel om btw-fraude effectief te kunnen bestrijden. De Belastingdienst
geeft bij de procesinrichting en de realisatie van de ondersteunende systemen speciale
aandacht aan de gegevensbescherming en het voorkomen van onnodig bewaren van gegevens.
In de contacten met de betalingsdienstaanbieders zal daarnaast erop toe worden gezien
dat bij de gegevensaanlevering geen onnodige gegevens worden meegeleverd. Voor de
nationale pilot die ziet op een breder nationaal gebruik van betaaldata zal een afzonderlijke
gegevensbeschermingseffectbeoordeling worden opgesteld.
Vervolgens vragen de leden van de fractie van D66 nader toe te lichten hoeveel gevallen
het betreft van 25 betalingen aan dezelfde begunstigde binnen een kwartaal en om hoeveel
extra aan btw-opbrengsten het gaat. Daarnaast vragen ze om nader in te gaan op waarom
de inkomsten buiten het inkomstenkader vallen, en of deze middelen de volgende kabinetsformatie
vrijvallen.
Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel gevallen het betreft. In de gehele
EU gaat het om miljarden transacties per jaar. Ter illustratie: op basis van cijfers
van de Betaalvereniging Nederland zijn er in 2021 in Nederland 1.14 miljard iDEAL
en 129 miljoen creditcard transacties geweest.5 Hiervan is niet aan te geven welk deel ziet op grensoverschrijdende handel. Volgens
de begrotingsregels zijn hogere opbrengsten behaald als gevolg van fraudebestrijding
geen lastenrelevante opbrengsten voor het inkomstenkader. Deze opbrengsten kunnen
dan ook niet worden ingezet als dekking voor lastenverlichting. Het volgende kabinet
zal een eigen keuze maken voor het te hanteren inkomstenkader en de bijbehorende begrotingsregels.
De leden van de D66-fractie vragen om een toelichting op de onzekerheidsmarges bij
de uitvoerbaarheid en de opbouw van de personele gevolgen, mede in relatie tot de
verwachte inkomsten. Daarnaast vragen deze leden hoe het uitvoeringsbelang wordt meegenomen
bij Europese onderhandelingen. Tot slot vragen de leden van de D66-fractie hoe de
uitvoeringskosten zich verhouden tot de verwachte inkomsten. De onzekerheidsmarges
voor inzet van een toekomstbestendige oplossing zijn vooral verbonden aan de ondersteunende
systemen voor het ontvangen en uitwisselen van gegevens bij de Belastingdienst. Hiervoor
wordt gebruik gemaakt van het nieuwe technische platform dat momenteel wordt ontworpen
en gerealiseerd bij het onderdeel van de Belastingdienst dat omvangrijke data ontvangt
en verstrekt. Van de verwachte structurele toename van de personele capaciteit (in
totaal circa 10 fte) zal 90% gemoeid zijn met het verwerken en opvolgen van signalen
uit CESOP in de sfeer van toezicht. Het is op dit moment niet in te schatten tot welke
meeropbrengsten dit wetsvoorstel leidt, zodat geen uitspraak mogelijk is over hoe
de geschatte uitvoeringskosten zich verhouden tot de verwachte inkomsten. Bij de eerste
beoordeling van nieuwe voorstellen voor Europese wetgeving is er in het BNC-fiche
altijd expliciet aandacht voor de uitvoeringsaspecten. Bij de onderhandelingen worden
deze uitvoeringsaspecten meegenomen.
De leden van de D66-fractie vragen welke beleidsvrijheid de regering had om deze richtlijn
strenger dan wel minder streng te implementeren en waarom voor de voorliggende variant
gekozen is. De leden van de PVV fractie vragen waarom er geen beleidsruimte is en
in hoeverre er dan nog van een richtlijn gesproken kan worden. Een richtlijn is verbindend
ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat. Deze richtlijn bevat
geen beleidsopties voor de lidstaten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat de betalingsdienstaanbieders
in 27 lidstaten verschillende verplichtingen krijgen. Omdat de verplichtingen aansluiten
bij reeds in de Btw-richtlijn opgenomen verplichtingen ten aanzien van bijvoorbeeld
e-commerce, is gekozen voor een richtlijn. De lidstaten hebben de mogelijkheid om
de betaalgegevens ook te gebruiken bij de heffing van andere belastingmiddelen. Nederland
is van plan hier een pilot voor te houden om de meerwaarde voor andere belastingmiddelen
te onderzoeken.
De leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie stellen diverse vragen over het btw-gat
en de btw-fraudebestrijding. Gevraagd wordt of de regering een overzicht kan geven
van wat er op dit moment in EU-verband gebeurt om het btw-gat te verkleinen naast
het onderhavige wetsvoorstel, en of de regering vindt dat er voldoende aandacht van
de Europese Commissie uitgaat naar het tegengaan van btw-fraude en verbetering van
heffing in de Europese Unie.
De Europese Commissie en de lidstaten hebben sinds begin 2000 tal van maatregelen
genomen ter verbetering van de btw-inkomsten. Deze maatregelen lopen uiteen van modernisering
van de btw-regels, verbeterde samenwerking en informatie-uitwisseling tot specifieke
maatregelen ter bestrijding van btw-carrouselfraude. Ook het op 8 december 2022 gepubliceerde
pakket aan wijzigingsvoorstellen genaamd «Btw-regels voor het digitale tijdperk» is hier een voorbeeld van.6 Hierin wordt onder meer voorgesteld om de rapportageverplichtingen meer te harmoniseren
en die voor intracommunautaire prestaties te versnellen door per transactie een meer
gedigitaliseerde rapportage te verplichten. Mede hiermee streeft de Europese Commissie
er naar EU-breed bij te dragen aan het verder terugdringen van het btw-gat. Het kabinet
heeft via het BNC-fiche een beoordeling gegeven voor dit pakket7. Het kabinet is voorstander van effectieve maatregelen om btw-fraude te bestrijden
waarbij er voor gewaakt moet worden om het bedrijfsleven niet onnodig zwaar te treffen
met administratieve lasten.
Het is echter van belang om voor ogen te houden dat het btw-gat niet hetzelfde is
als btw-fraude. Het btw-gat is het verschil tussen verwachte en daadwerkelijk geïnde
btw van de EU-landen. Dit verschil heeft meerdere oorzaken. De Europese Commissie
schat in dat een kwart van het btw-gat toegerekend kan worden aan btw-fraude (waaronder
btw-carrouselfraude) en driekwart aan andere oorzaken zoals belastingoptimalisatie,
administratieve fouten of faillissementen. De meest recente rapportage over het btw-gat
is op 8 december 2022 gepubliceerd.8 Hierin wordt voor de EU en per lidstaat het btw-gat in de periode 2016–2020 weergegeven.
Het rapport geeft aan dat het btw-gat voor de hele EU in 2020 93 miljard euro aan
gemiste btw-belastingen bedraagt, zijnde 9,1% van het totaal aan te verwachte btw-inkomsten.
Dit is nog steeds een aanzienlijk bedrag, maar de dalende trend van de laatste jaren
wordt doorgezet. Nederland heeft een relatief klein verschil tussen verwachte en geïnde
btw-inkomsten van 2,8% (1,7 miljard euro).
De leden van de SP-fractie vragen waar het zwaartepunt van de richtlijn aangaande
fraudebestrijding komt te liggen, en vragen verder hoe de bevoegdheidsverdeling tussen
de Belastingdienst en CESOP zal zijn en op welke wijze er bevoegdheden aan CESOP zullen
worden overgedragen. CESOP is een systeem waarin bepaalde betaaldata van grensoverschrijdende
transacties worden opgeslagen, geaggregeerd, geanalyseerd, en toegankelijk worden
gemaakt voor de aangewezen Eurofisc-verbindingsambtenaren. Het is vervolgens aan de
nationale belastingdiensten om de informatie uit CESOP te benutten in hun eigen handhaving
en toezicht. Er worden geen bevoegdheden overgedragen aan CESOP.
De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre betalingsdienstaanbieders in de praktijk
effectief zijn te controleren. Daarnaast vragen zij hoe doeltreffend de voorgestelde
maatregelen zijn en hoe dit in de praktijk wordt gemonitord. Bij het bestrijden van
btw-fraude gaat het niet om het controleren van de betaaldienstaanbieders maar om
het controleren van de betaaldata. Door de grote hoeveelheid grensoverschrijdende
handel is deze data alleen in Europees verband nuttig te analyseren. Zoals blijkt
uit de Impact Assessment van de Europese Commissie is niet aan te geven in welke mate
de voorgestelde maatregelen doeltreffend zullen zijn. Hiervoor zal de Europese Commissie
enige tijd na inwerkintreding van de maatregelen een evaluatie houden. Daarnaast zal
op basis van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft maatregelen ter versterking
van de administratieve samenwerking om btw-fraude te bestrijden jaarlijks verslag
worden uitgebracht van de resultaten van CESOP. Betaaldienstverleners zijn op grond
van onderhavig wetsvoorstel verplicht deze gegevens aan te leveren. Indien straks
blijkt dat zij deze gegevens niet, of niet op de juiste manier aanleveren dan heeft
de Belastingdienst de mogelijkheid om te handhaven of onder bepaalde voorwaarden boetes
op te leggen.
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie hebben diverse vragen over anti-fraude initiatieven op
nationaal en EU-niveau en welke maatregelen succesvol waren en welke niet. Daarnaast
vragen zij of er kan worden ingegaan op de invoering van digitale rapportageverplichtingen
in sommige EU-landen (bijvoorbeeld Spanje en Italië) en de impact daarvan op verhoogde
btw-opbrengsten c.q. fraudebestrijding. Zo vragen zij zich of een dergelijke oplossing
in Nederland wordt overwogen.
Zoals reeds aangegeven zijn er sinds begin 2000 tal van maatregelen genomen ter verhoging
van de btw-inkomsten die uiteen lopen van modernisering van de btw-regels, verbeterde
samenwerking en informatie-uitwisseling tot specifieke maatregelen ter bestrijding
van btw-carrouselfraude. Van deze maatregelen is niet geïsoleerd aan te geven in hoeverre
ze effectief zijn, aangezien deze maatregelen veelal in samenhang moeten worden bezien.
Via Eurofisc wordt in Europees verband nauw samengewerkt om grensoverschrijdende btw-fraude
op een vroeg tijdstip te detecteren en te stoppen. Deze vorm van samenwerken op het
gebied van grensoverschrijdende btw-carrouselfraude beschouwt het kabinet als effectief.
De cijfers ten aanzien van het btw-gat (waar de btw-fraude een onderdeel van is) laten
een dalende trend zien.
Diverse lidstaten met een groter btw-gat hebben uiteenlopende binnenlandse rapportageverplichtingen
ingevoerd. De Europese Commissie heeft hier onderzoek naar laten doen en in Volume
I van het rapport van dat onderzoek zijn de diverse rapportageverplichtingen beschreven9. Die verplichtingen lopen van de standaard rapportage van intracommunautaire prestaties
in alle EU landen tot aanvullende rapportage van binnenlandse prestaties. Die aanvullende
rapportages variëren van beperkte, gerichte data tot een vergaand systeem van clearing
in Italië. Bij clearing geeft de Belastingdienst een vorm van goedkeuring voordat
ondernemers facturen naar elkaar kunnen versturen. Voor een gedetailleerde beschrijving
van de binnenlandse rapportageverplichtingen van Italië en Spanje verwijs ik u naar
Volume I, hoofdstuk 2.3.3, box 1, bladzijde 27 en 28 van het rapport.
De diverse rapportageverplichtingen waar met name bedrijven door geraakt worden die
in meerdere EU landen actief zijn en de overige nadelen die een dergelijke fragmentatie
van rapportageverplichtingen heeft, waren enkele redenen voor de Europese Commissie
om met het recente pakket aan wijzigingsvoorstellen «Btw-regels voor het digitale tijdperk» te komen10. Hierin wordt onder meer voorgesteld om de rapportageverplichtingen meer te harmoniseren
en voor intracommunautaire prestaties te versnellen door per transactie een meer gedigitaliseerde
rapportage te verplichten. Mede hiermee denkt de Europese Commissie EU-breed bij te
dragen aan het verder terugdringen van het btw-gat. Uw Kamer heeft een BNC-fiche ontvangen
met de beoordeling door het kabinet van deze voorstellen.
De leden van de CDA-fractie vragen of er gegevens beschikbaar zijn over de omvang
van btw-fraude met betrekking tot grensoverschrijdende e-commerce, zowel voor goederen
als voor diensten. Daarnaast vragen deze leden of de invoering van de one stop shop
(OSS) voor e-commerce hierop ten positieve of ten negatieve invloed heeft. Er is geen
schatting van de totale omvang van btw-carrouselfraude in Nederland of de EU. De Europese
Commissie heeft in haar impact assessment bij dit voorstel de grootte van de fraude
proberen te duiden.11 Daarvoor bleken onvoldoende harde cijfers voorhanden. Het is op dit moment niet aan
te geven wat het effect van de OSS is op de fraudebestrijding, mede gelet op het verhullende
karakter van fraude. Wel is in het algemeen aan te geven dat hoe makkelijker het is
om aan fiscale verplichtingen te voldoen, hoe minder fouten er worden gemaakt. Ter
illustratie: 8 platforms zijn verantwoordelijk voor 91% van alle Import One Stop Shop
transacties in de EU. Het is voor deze 8 grote bedrijven eenvoudiger om aan hun fiscale
verplichtingen te voldoen dan de tienduizenden achterliggende bedrijven. Daarnaast
is het is voor de belastingdiensten in de EU eenvoudiger om deze 8 bedrijven te controleren.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie vragen welke additionele maatregelen Nederland en de Europese
Unie overwegen ten aanzien van het bestrijden van btw-fraude.
Zoals eerder in deze nota aangegeven bevatten de nieuwe voorstellen «Btw-regels voor het digitale tijdperk» diverse maatregelen die het makkelijker zouden kunnen maken om aan de fiscale verplichtingen
te voldoen. Ook wordt voorgesteld bepaalde rapportageverplichtingen te moderniseren
en te versnellen. Daarnaast wordt gekeken naar maatregelen om btw-fraude aan te pakken
bij de invoer van goederen van buiten de EU waarbij gebruik wordt gemaakt van het
éénloketsysteem. Het kabinet heeft de voorstellen beoordeelt middels een BNC-fiche.
De leden van de VVD-fractie vragen welke mogelijkheden Nederland heeft om de in de
memorie van toelichting als voorbeeld genoemde in India gevestigde verkoper daadwerkelijk
aan te slaan voor Nederlandse btw12. Het belang van dit wetsvoorstel is hierin gelegen dat het de mogelijkheid biedt
om in het voorkomende geval betalingen aan de in India gevestigde verkoper te detecteren,
waar dat nu nog niet het geval is. Of in en welke mate Nederland in staat is om de
verkoper daadwerkelijk aan te slaan voor de verschuldigde btw, is in dit voorbeeld
mede afhankelijk van afspraken op het gebied van invordering tussen Nederland respectievelijk
de Europese Unie en India. Hierbij is van belang dat de Europese Commissie werkt aan
uitbreiding van afspraken met derde landen op het vlak van gegevensuitwisseling voor
de btw.
De leden van de VVD-fractie vragen waarom niet is gekozen voor de gebruikelijke wettelijke
bewaartermijn (zeven jaar) en/of de naheffingstermijn (vijf jaar) voor de duur dat
betalingsdienstaanbieders de registers in elektronische vorm moeten opslaan. De richtlijn
verplicht de termijn van drie kalenderjaren, en laat geen ruimte aan de lidstaten
om hiervan af te wijken. Deze voorgestelde termijn van drie kalenderjaren biedt de
lidstaten voldoende tijd om doeltreffende controles uit te voeren en vermoedelijke
btw-fraude te onderzoeken of btw-fraude op te sporen. Een langere termijn werkt onnodig
lastenverzwarend voor het bedrijfsleven.
De leden van de VVD-fractie vragen verder hoe het voorliggende wetsvoorstel zich verhoudt
tot de recent aangenomen Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling digitale
platformeconomie. De Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling digitale
platformeconomie lijkt op het eerste gezicht diverse raakvlakken met onderhavig wetsvoorstel
te hebben, beide hebben immers als doel fiscale fraude te bestrijden. Toch zijn er
wezenlijke verschillen. Bij het onderhavige wetsvoorstel gaat het om btw-fraude bij
grensoverschrijdende e-commerce, waarbij het bij de andere wet specifiek gaat om over
de inkomsten die verkopers via deze platforms hebben behaald. Bij het onderhavige
wetsvoorstel gaat het om betaaldata die per kalenderkwartaal automatisch vertrekt
moet worden aan de Belastingdienst. Bij de Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling
digitale platformeconomie gaat het niet specifiek om de betaaldata die via een centrale
database wordt geanalyseerd, maar om belastingrelevante informatie die op jaarbasis
tussen belastingdiensten wordt uitgewisseld en daarna separaat geanalyseerd moet worden.
De leden van de SP-, CDA-, VVD- en de PVV-fractie hebben diverse vragen over de betaaldata
en in welke mate deze ook voor andere doeleinden dan de opsporing van btw-fraude gebruikt
kan worden13
en hoe dit zich verhoudt tot de AVG. De richtlijn biedt de mogelijkheid om ontvangen
informatie voor CESOP ook voor handhaving op andere gebieden te gebruiken14. Vanaf het moment dat de betaalgegevens via een toekomstbestendige voorziening worden
aangeleverd, wordt door de Belastingdienst een pilot ingericht om te onderzoeken in
welke mate de ontvangen gegevens in bredere zin helpen bij de handhaving. Op dit moment
is nog niet bepaald welke belastingmiddelen in de pilot betrokken gaan worden. Bij
het inrichten van de pilot wordt in tegenstelling tot de implementatie van de richtlijn
beleidsvrijheid benut. Daarom zal bij de pilot conform de AVG-wetgeving een gegevensbeschermingseffectenbeoordeling
worden uitgevoerd. Dit is een onderzoek naar de gevolgen van een bepaalde verwerking
of verwerkingen van persoonsgegevens op de privacy. Ten tijde van de vormgeving van
de richtlijn en verordening heeft de Europees toezichthouder voor gegevensbescherming
op grond van artikel 42, eerste lid, van Verordening 2018/172515 een advies uitgebracht over de conceptrichtlijn en -verordening. In haar advies heeft de toezichthouder aanbevelingen gedaan
voor het beperken van de gevolgen die de twee voorstellen van de Commissie voor de
bestrijding van btw-fraude in het kader van elektronische handel kunnen meebrengen
voor het grondrecht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens. Deze aanbevelingen,
die zijn opgenomen in de richtlijn en verordening, waarborgen de naleving van de gegevensbescherming.
De leden van de VVD-fractie vragen of inzichtelijk gemaakt kan worden op bij reeds
afgedane zaken rondom grensoverschrijdende btw-fraude er over het algemeen vaker sprake
was van meer of minder betalingen aan een begunstigde dan de gehanteerde drempel van
25 per kwartaal. Om evenwichtig rekening te houden met de privacy van gebruikers van
betalingsdienstaanbieders, is een drempel van 25 betalingen per kwartaal opgenomen
in het voorstel. In het advies van de European Data Protection Supervisor is hier
nog specifiek aandacht voor gevraagd. Door het hanteren van een dergelijke drempel
is de kans groter dat de begunstigden die worden aangeleverd bij CESOP daadwerkelijk
economische activiteiten verrichten, en geen consument zijn. Er is geen informatie
beschikbaar over hoe deze drempel zich verhoudt tot reeds geconstateerde grensoverschrijdende
btw-fraude in Nederland.
De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om nader toe te lichten wat er wordt
verstaan onder het op EU-niveau analyseren van de gegevens uit CESOP door fraude-experts16. Dit betekent dat de signalen uit CESOP zullen worden geanalyseerd door liaison officers
die samenwerken binnen Eurofisc. Alle EU-lidstaten en Noorwegen nemen deel aan dit
samenwerkingsverband.
De leden van de PVV-fractie verzoeken voorts nader te duiden wie de aangewezen fraude-experts
zijn waar de memorie van toelichting naar verwijst en of dit dezelfde personen zijn
als de Eurofisc-contactambtenaren waarnaar de uitvoeringstoets verwijst. Daarnaast
vragen de leden van de PVV-fractie of de aangewezen Eurofisc-contactambtenaar in dienst
is bij de Nederlandse Belastingdienst, de Douane, bij de Europese Commissie of bij
een andere instantie. Ook verneemt de PVV-fractie graag de taken en bevoegdheden van
een Eurofisc-contactambtenaar in het kader van het wetsvoorstel. De eerste vraag kan
bevestigend worden beantwoord, dit betreft inderdaad de Eurofisc-contactambtenaren.
Deze zijn in dienst bij de FIOD en het Kennis- en expertisecentrum Buitenland van
de Belastingdienst. Eurofisc contactambtenaren (liaison officers) analyseren de data
uit CESOP. Dit houdt in dat de Eurofisc contactambtenaar de btw-positie beoordeelt
van een belastingplichtige die als signaal uit CESOP komt. Indien nodig zal door de
contactambtenaar een controleverzoek bij de Belastingdienst worden uitgezet om het
signaal nader te beoordelen of wordt het signaal zelfstandig gebruikt voor een mogelijk
strafrechtelijk onderzoek.
De leden van de PVV-fractie vragen welke gegevens door een Eurofisc-contactambtenaar
worden uitgewisseld en met welke instanties deze gegevens gewisseld worden. Alleen
de data die in CESOP staat kan door Eurofisc-contactambtenaren onderling worden ingezien.
De data in CESOP wordt niet breder gedeeld.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe een Europese centrale database zich verhoudt
met de algemene beginselen van de Eurofisc-organisatie dat juist geen centralisering
van uitgewisselde gegevens beoogt en het principe nastreeft dat de uitgewisselde gegevens
niet voor andere dan fiscale doeleinden worden gebruikt17. Eurofisc is een multilateraal netwerk van fraude-experts zonder rechtspersoonlijkheid.
Het netwerk centraliseert zelf geen uitgewisselde gegevens. Dit netwerk bestaat uit
verschillende onderdelen voor elk soort fraude die een specifieke samenwerking en
specifieke deskundigheid vergt. Dat is ook de reden dat alleen deze fraude-experts
toegang hebben tot CESOP. Deze database wordt niet door Eurofisc gecreëerd, wel kunnen
aangewezen Eurofisc-verbindingsambtenaren toegang krijgen tot de informatie en de
analyses in CESOP. Voor deze informatie geldt dat deze niet voor andere doeleinden
dan fiscale zal worden gebruikt. De informatie mag voor andere belastingmiddelen dan
de btw worden gebruikt op basis van de richtlijn en verordening.
De PVV-fractie vraagt of de regering kan aangeven hoe wordt voorkomen dat buitenlandse
instanties dan wel buitenlandse (fiscale) autoriteiten oneigenlijk gebruik maken van
de gedeelde gegevens. Alleen een selecte groep aangewezen Eurofisc-verbindingsambtenaren
van de verschillende lidstaten krijgt toegang tot CESOP. Zij mogen de inlichtingen
en informatie gebruiken ten dienste van de bestrijding van grensoverschrijdende btw-fraude
of, wanneer de lidstaat hier gebruik van maakt, voor de vaststelling van andere heffingen,
rechten en belastingen. Welke personen worden belast met de detectie en bestrijding
van fraude en het toezicht daarop is een nationale aangelegenheid. Alle lidstaten
zijn bij het gebruik van CESOP gehouden aan de verplichtingen van de richtlijn en
verordening, waaronder de eis dat elke lidstaat binnen de grenzen blijft van wat evenredig
en noodzakelijk is om vermoedelijke btw-fraude of andere fiscale fraude te onderzoeken
of op te sporen.
De PVV-fractie vraagt naar de nadelen van het gebruik van een dynamische verwijzing
en of dit een inbreuk op de fiscale soevereiniteit met zich brengt. In de richtlijn
wordt voor de definitie van betalingsdienstaanbieder verwezen naar de definities die
worden gehanteerd in de tweede richtlijn betalingsdiensten (PSD2-richtlijn18). Bij de implementatie is gekozen om, net als in de richtlijn, rechtstreeks aan te
sluiten bij de definities die worden gebruikt in PSD2 door gebruik te maken van een
dynamische verwijzing, ook al is de PSD2-richtlijn reeds geïmplementeerd in de Wet
op het financieel toezicht. Het nadeel hiervan is dat voor het uitleg van het begrip
tevens de PSD2-richtlijn geraadpleegd moet worden. Daar staat tegenover dat de verplichtingen
op grond van onderhavig wetsvoorstel los staan van de verdere verplichtingen op grond
van de PSD2-richtlijn en hier naar mening van het kabinet geen strijdigheid in de
toepassing kan ontstaan. Door deze wijze van implementatie kan er geen verschil in
reikwijdte ontstaan tussen de lidstaten ten aanzien van de richtlijn. Voor de PSD2-richtlijn
geldt dat deze op grond van besluitvorming middels gekwalificeerde meerderheid tot
stand komt. Ook voor deze regelgeving geldt voor de lidstaten een implementatieplicht.
Bij de totstandkoming van de richtlijn is door de lidstaten met eenparigheid van stemmen
geaccordeerd dat verwezen wordt naar de PSD2-richtlijn. Het kabinet ziet daardoor
geen risico’s voor een inbreuk op de fiscale soevereiniteit.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering om voorbeelden te verstrekken van btw-fraude
die niet aan het licht komt onder DAC7, al dan niet in combinatie met het éénloketsysteem
(OSS), maar wel indien het voorliggende wetsvoorstel wordt aangenomen. Het CESOP systeem
zal specifieke ingezet worden bij het bestrijden van grensoverschrijdende btw-fraude
op het gebied van e-commerce en afstandsverkopen. Er is nu geen systeem met geschikte
data om effectief fraudesignalen voor e-commerce en afstandsverkopen op een vroeg
moment in kaart te brengen. Ingevolge DAC7 zijn bepaalde platformexploitanten gehouden
om inlichtingen over bepaalde verkopers op hun digitale platform bij te houden en
jaarlijks te rapporteren aan de belastingautoriteit van een EU-lidstaat. Het betreft
inlichtingen over verkopers die via dat platform goederen verkopen of diensten aanbieden
aan gebruikers van dat platform. Er zijn verschillende criteria om te bepalen of sprake
is van een platform19. Verkopers die geen gebruik maken van een platform vallen dus buiten DAC7, maar niet
buiten CESOP wetgeving. Het is op voorhand niet aan te geven wat voor type btw-fraude
wordt ontdekt door toepassing van onderhavig wetsvoorstel. Dit kan simpele fraude
zijn zoals het überhaupt niet afdragen van btw, onderwaardering van zendingen tot
ingewikkelde fraudestructuren.
De leden van de CDA-fractie vragen naar de wijze van analyse op EU-niveau, de terugkoppeling
naar nationale belastingdiensten en de verwachte benodigde capaciteit bij de Belastingdienst
voor het verwerken van deze bevindingen in relatie tot automatisering. De analyse
op EU-niveau vindt primair geautomatiseerd plaats aan de hand van door fraude-experts
geformuleerdecriteria. Op basis hiervan worden signalen verstrekt aan lidstaten. Deze
worden nationaal bezien op bruikbaarheid en afhankelijk van de bevindingen opgevolgd
in de sfeer van toezicht en handhaving. Dit betreft met name inzet van personele capaciteit
omdat opvolging van signalen vooral de vorm van boekenonderzoeken en soortgelijke
acties zullen hebben. Zoals hiervoor is aangegeven bedraagt de hiermee gemoeide extra
personele capaciteit 9 fte structureel bij de Belastingdienst en 1 à 2 fte bij de
FIOD.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Belastingdienst nog iets met de aangeleverde
betaalgegevens moet doen of dat het deze gegevens gewoon direct kan doorsturen naar
het CESOP. Vervolgens hebben deze leden een aantal vragen over de wijze waarop de
analyse van deze gegevens plaatsvindt, en of deze gegevens vanuit verschillende systemen
gekoppeld zouden moeten worden.
De Belastingdienst controleert alleen of de aangeleverde betaalgegevens voldoen aan
de wetgeving. Om hier een voorbeeld van te geven: er wordt gecontroleerd of de juiste
gegevens in het juiste format zijn aangeleverd. De analyse op EU-niveau vindt primair
geautomatiseerd plaats aan de hand van door fraude-experts geformuleerde bedrijfsregels.
Op basis hiervan worden signalen verstrekt aan lidstaten. De data in CESOP wordt verrijkt
met andere data. Denk hierbij aan data van de Douane, OSS-data en VIES-data. Het is
denkbaar dat op termijn deze systemen op elkaar worden aangesloten voor efficiëntere
handhaving en belastingheffing, maar van volledige integratie is op dit moment nog
geen sprake.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de impact van de gerichte toegang
voor belastingdiensten tot internationale betalingsgegevens op de privacy van burgers
en hoe de regering een mogelijke beperking van privacy gewogen heeft in het licht
van het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de SP-fractie vragen naar de wijze
waarop de data van consumenten beschermd wordt. Het kabinet vindt het belangrijk dat
bij de verwerking van gegevens een legitiem doel wordt nagestreefd, de verwerking
met de juiste waarborgen omkleed is en de verwerking proportioneel is. Het efficiënt
bestrijden van grensoverschrijdende btw-fraude in de Europese Unie is naar mening
van het kabinet een legitiem beleidsdoel. Uitgangpunt van de verordening is dat de
verwerking van de inlichtingen over betalingen evenredig is aan de doelstelling van
de bestrijding van btw-fraude20. Het verzamelen, opslaan en doorgeven van betalingen is daarom toegespitst op economische
activiteiten. Het is om die reden dat pas vanaf 25 grensoverschrijdende transacties
per kwartaal data moet worden aangeleverd aan CESOP, omdat dit een aanwijzing is dat
er sprake is van economische activiteit. Daarnaast geldt dat van de betaler, die zowel
consument als ondernemer kan zijn, alleen de lidstaat wordt geregistreerd. De toegang
tot de in CESOP verzamelde gegevens is beperkt tot een aantal aangewezen Eurofisc-opsporingsambtenaren,
die hierbij gebonden zijn aan vertrouwelijkheidsregels. Daarnaast is de Europese Toezichthouder
voor gegevensbescherming geraadpleegd en eerbiedigt de richtlijn de grondrechten die
onder andere zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
in het bijzonder het rechtop bescherming van persoonsgegevens. Het kabinet is dan
ook van mening dat de richtlijn en het onderhavig wetsvoorstel, voldoende rekening
houden met de privacy van burgers.
3. Budgettaire aspecten
De leden van de D66-, VVD-, CDA- en ChristenUnie-fractie hebben diverse vragen over
de verwachte meeropbrengsten. Hoe groot zijn die meeropbrengsten, zijn deze relevant
onder het inkomstenkader en heeft de Europese Commissie een impactanalyse gemaakt?
Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel meeropbrengsten het betreft. Ook
de Europese Commissie is het in haar impactanalyse niet gelukt om hier definitieve
uitspraken over te doen21. Fraude vindt nu eenmaal onder de radar plaats en is zeer lastig te kwantificeren.
Volgens de begrotingsregels zijn hogere opbrengsten behaald als gevolg van fraudebestrijding
geen lastenrelevante opbrengsten voor het inkomstenkader. Deze opbrengsten kunnen
dan ook niet worden ingezet als dekking voor lastenverlichting. Het volgende kabinet
zal een eigen keuze maken voor het te hanteren inkomstenkader en de bijbehorende begrotingsregels.
4. Uitvoering Belastingdienst
De leden van de VVD-fractie vragen de regering om de Kamer nader te informeren wanneer
de uitvoeringstoets is herijkt. De uitvoeringstoets wordt medio 2023 herijkt. De Tweede
Kamer zal zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd nadat de herijking van de uitvoeringstoets
is afgerond.
De leden van de CDA-fractie en VVD-fractie vragen of er inzicht gegeven kan worden
in de implementatie van deze richtlijn in andere lidstaten. Ook vragen zij hoe er
rekening mee wordt gehouden als een lidstaten niet tijdig implementeert, en welke
gevolgen dit heeft voor de Belastingdienst of het bedrijfsleven.
Als een lidstaat niet op tijd klaar is betekent dit dat CESOP niet wordt gevoed met
betaaldata uit die specifieke lidstaat. De analyses zijn dan niet zo volledig als
ze zouden kunnen zijn. Voor de directe uitvoering van onderhavig wetsvoorstel door
de Belastingdienst heeft het niet tijdig aanleveren door andere lidstaten geen gevolgen.
Voor het bedrijfsleven zou het uiteraard heel vervelend zijn als in verschillende
lidstaten verschillende regimes gelden of wanneer de uitvoering niet op tijd in orde
zou zijn. Op dit moment zijn er geen signalen dat er lidstaten zijn die niet tijdig
zullen implementeren. De Europese Commissie monitort dit nauwgezet en kan hier ook
op handhaven.
De leden van de PVV-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor de Nederlandse overheid
als de Nederlandse Belastingdienst niet de juiste gegevens kan aanleveren aan de CESOP.
Voor effectieve opsporing van grensoverschrijdende btw-fraude is het van belang dat
alle lidstaten voldoen aan de verplichtingen van deze richtlijn en (uitvoerings)verordening.
Op grond van het loyaliteitsbeginsel besloten in artikel 4 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie, zijn lidstaten verplicht om volledig en tijdig te
implementeren. Wanneer een lidstaat Europese wetgeving niet (voldoende) uitvoert kan
dit leiden tot een inbreukprocedure bij het Europese Hof van Justitie en een boete
of een dwangsom.
De leden van de CDA-fractie vragen of de voor dit wetsvoorstel benodigde extra personele
capaciteit vooral nodig is voor het verzamelen van betaalgegevens of vooral voor het
opvolgen van signalen vanuit CESOP. De verwachte extra structurele capaciteit is vooral
nodig voor het opvolgen van CESOP signalen.
De leden van de CDA-fractie vragen of zij de uitvoeringstoets zo kunnen lezen dat
er in Nederland slechts een beperkte groep betaaldienstaanbieders is of dat niet alle
betaaldienstaanbieders gegevens aan hoeven te leveren. Het eerste is het geval, er
is een beperkte doelgroep van betaaldienstaanbieders die onder de reikwijdte van het
wetsvoorstel valt die bij de Nederlandse Belastingdienst gegevens moeten aanleveren
op grond van de in onderhavige wet besloten registratieplicht. Of een betaaldienstaanbieder
bij de Nederlandse Belastingdienst gegevens moet aanleveren hangt af van het land
van zowel de betaler (consument of onderneming) en begunstigde (verkoper) en is in
de memorie van toelichting met onderstaande tabel verduidelijkt.
Registratieplicht
Betalingsdienstaanbieder betaler (consument of ondernemer)
Betalingsdienstaanbieder begunstigde (verkoper)
Betalingsdienstaanbieder van de betaler en die van de begunstigde in twee verschillende
lidstaten van de Unie
X
Betalingsdienstaanbieder van de betaler in de Unie, en die van begunstigde buiten
de Unie
X
Betalingsdienstaanbieder van de betaler in de Unie, begunstigde buiten de Unie, maar
zijn betalingsdienstaanbieder binnen de Unie
X
De leden van de CDA-fractie vragen of op het moment van instemming met de richtlijn
het al bekend was dat uitvoering per 1 januari 2024 complex zou worden en nog niet
met een definitieve voorziening mogelijk zou zijn, waardoor met een tijdelijk spoor
gewerkt moet worden. Deze vraag moet ontkennend beantwoord worden. Dat nog niet een
definitieve voorziening mogelijk zou zijn, bleek eerst begin 2022 bij het opstellen
van de uitvoeringstoets voor het implementatievoorstel.
De leden van de CDA-fractie vragen verder wat de risico’s van een tijdelijke voorziening
zijn, wat hiervan de extra kosten zijn en per wanneer over wordt gegaan op plateau 2.
Om te kunnen voldoen aan de Europese verplichtingen is door de Belastingdienst een
alternatief en tijdelijk scenario ontwikkeld, dat is aangeduid als plateau 1. De separate
ontwikkelkosten van plateau 1 zijn in de uitvoeringstoets bij dit wetsvoorstel geschat
op circa € 1 miljoen. In de daaropvolgende fase, aangeduid als plateau 2, wordt de
tijdelijke voorziening omgezet in de toekomstbestendige oplossing. De omzetting zal
in elk geval niet vóór het jaar 2025 plaatsvinden. Eerst wordt nu ervaring opgedaan
met het nieuwe gegevensplatform, onder andere aan de hand van de implementatie van
de DAC7-richtlijn. In het kader van de herijking van de uitvoeringstoets bij dit wetsvoorstel
wordt medio 2023, mede aan de hand van de opgedane ervaringen, bepaald op welk moment
de toekomstbestendige oplossing beschikbaar komt. Gedurende de looptijd van de tijdelijke
voorziening vindt de gegevenslevering vanuit Nederland plaats zoals deze door de richtlijn
is beoogd, zodat de bijdrage aan de btw-fraudebestrijding langs de lijnen van de richtlijn
onverkort mogelijk is. Op dit punt treedt dus geen risico op dat niet aan de richtlijn
voldaan wordt. Wel is er uitgaande van de realisatie van een tijdelijke IV-voorziening
per 1 januari 2024, een reëel risico op procesverstoringen. Het gaat om een stroom
informatie van een beperkte groep betaaldienstaanbieders maar het procesrisico ligt
vooral in de grootte van de berichten en/of het aantal berichten, waarbij een geringe
foutmarge snel uitval tot gevolg kan hebben.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de beoogde herijking van de uitvoeringstoets
medio 2023 betekent voor de parlementaire behandeling. De nu voorliggende uitvoeringstoets
geeft aan dat het wetsvoorstel per 1 januari 2024 uitvoerbaar is, zij het met een
tijdelijke voorziening. De tijdelijke voorziening voldoet aan de uitgangspunten van
de EU-richtlijn; hierover heeft met de Europese Commissie afstemming plaatsgevonden.
De herijking zal specifiek antwoord geven op de vraag per wanneer de toekomstbestendige
voorziening beschikbaar komt voor uitvoering van de EU-bepalingen en wat de geschatte
kosten hiervan zijn. Dit heeft echter geen invloed op de uitvoerbaarheid per 1 januari
2024 en daarom hoeft naar mening van het kabinet de parlementaire behandeling van
het wetsvoorstel hier niet op te wachten. De betaaldienstaanbieders hebben zo zekerheid
over welke regels gaan gelden en kunnen zo tijdig maatregelen nemen voor de implementatie.
De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd hoe de implementatie bij de andere lidstaten
verloopt en of het daar wel tijdig in de systemen van de desbetreffende belastingdiensten
kan worden verwerkt. Voorts vragen zij of op EU niveau bij de implementatie hiermee
rekening gehouden kan worden. Op dit moment is er geen indicatie dat lidstaten niet
in staan zijn om deze wetgeving op tijd in hun IT-systemen te implementeren. Wel heeft
Deloitte eind december 2022 een implementatiemonitor uitgebracht, uit deze monitor
valt op te maken dat Nederland en Spanje als enige lidstaten ontwerpwetgeving, richtsnoeren
voor betaaldienstaanbieders en het XML-schema klaar hadden. Daarnaast hadden zeven
andere lidstaten de ontwerpwetgeving af.22 De Europese Commissie monitort de tijdige implementatie door de lidstaten. In Nederland
is het bedrijfsleven al in het allereerste stadium van de richtlijnonderhandelingen
betrokken om ervoor te zorgen dat uiteindelijk alles goed uitvoerbaar is. Het is gebruikelijk
dat al tijdens onderhandelingen in Brussel aandacht wordt gevraagd voor de eventuele
IT-problematiek. Al gedurende enige tijd hebben de Belastingdienst en het Ministerie
van Financiën intensief contact met het bedrijfsleven bij de daadwerkelijke implementatie.
Zo wordt er bijvoorbeeld een uitgebreide handleiding in het Nederlands en Engels opgesteld
om het bedrijfsleven te accommoderen.
5. Advies en consultatie
De leden van de VVD-fractie vragen naar het commentaar van de Nederlandse Orde van
Belastingadviseurs waarin op een aantal punten is aangehaald dat de in de wettekst
gebruikte definities niet altijd aansluiten op al geldende definities, bijvoorbeeld
ten aanzien van grensoverschrijdende betalingen of de gangbare definitie van betaling
onder PSD2. De VVD-fractie wil weten in hoeverre deze suggesties tot aanpassing of
verduidelijking hebben geleid. Zoals hierboven toegelicht is er bij de implementatie
voor gekozen om, net als in de richtlijn, rechtstreeks aan te sluiten bij de definities
die worden gebruikt in PSD2 door gebruik te maken van een dynamische verwijzing, ook
al is de PSD2-richtlijn reeds geïmplementeerd in de Wet op het financieel toezicht.
Dit levert naar de mening van het kabinet geen strijdigheid op. Op dit punt is het
commentaar van de NOB niet overgenomen.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom het advies van het Europees Comité voor
gegevensbescherming (European Data Protection Board – EDPB) prevaleert boven de inzichten
en deskundigheid van de nationale Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het door de PVV-fractie
bedoelde advies is opgesteld door European Data Protection Supervisor (EDPS). De EDPB
en EDPS zijn 2 verschillende organisaties. De EDPS geeft adviezen over Europese wetgeving
en doet dit op basis van dezelfde Europese privacywetgeving als de AP. Hiermee wordt
voorkomen dat de autoriteiten in 27 lidstaten ieder een eigen privacy rapport moeten
opstellen. Bij nationale keuzevrijstelling ligt het in de rede dat de nationale autoriteit
daar haar licht over laat schijnen. Voorts vragen deze leden of er sprake is geweest
van samenwerking tussen de Europese Data Protection Board (EDPB) en de AP. Uit navraag
bij de AP blijkt dat er geen contact is geweest tussen de AP en de European Data Protection
Supervisor met betrekking tot de totstandkoming van het EDPS advies «Opinion1/2019
on two legislative proposals relating to combating VAT fraud» (14 maart 2019)23.
De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om te reflecteren op de wenselijkheid
van het aanleggen van nauwkeurige registers door commerciële dienstverleners en hoe
gewaarborgd wordt dat betalingsdienstaanbieders de registers niet gebruiken voor commerciële
doeleinden. De leden van de PVV-fractie verzoeken tevens aan te geven welke waarborgen
er zijn om te voorkomen dat er Europees breed (onterecht) zwarte lijsten worden aangelegd
van consumenten. De gegevens die nodig zijn om uit CESOP relevante inlichtingen te
halen voor btw-fraudebestrijding kunnen alleen maar geleverd worden door betalingsdienstaanbieders.
In dat kader is het begrijpelijk dat er op hen een verplichting zal rusten deze gegevens
aan te leveren. Alleen als deze gegevens enige tijd bewaard worden, kan de Belastingdienst
hier nog effectief controle op uitvoeren als uit CESOP een indicatie wordt gehaald
dat er mogelijk sprake is van btw-fraude. Overigens wordt er in principe geen data
van consumenten bewaard in CESOP. Het enige wat met betrekking tot de consument moet
worden doorgegeven is het land van consumptie zodat bepaald kan worden welke lidstaat
heffingsbevoegd is.
De richtlijn heeft duidelijke doelbinding ten aanzien van het registreren en doorzenden
van de genoemde gegevens, deze gegevens worden voor een duidelijk afgebakend doel
aangeleverd bij CESOP. Hierbij geldt overigens ook dat de betaaldienstaanbieders reeds
over de informatie beschikken die ze op grond van onderhavig wetsvoorstel moeten registreren
en aanleveren. Voor het gebruik van persoonsgegevens waaronder betaalgegevens, door
betaaldienstaanbieders, geldt bovendien dat daarop de regelgeving op het gebied van
gegevensbescherming, waaronder de AVG, van toepassing is.
De Staatssecretaris van Financiën, M.L.A. van Rij
Ondertekenaars
M.L.A. van Rij, staatssecretaris van Financiën