Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 153 Wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 16 september 2022
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het
voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen
zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet
genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
I. ALGEMEEN
1
Inleiding
1
1. Hoofdlijnen van het voorstel
2
2. Korte inhoud Betekeningsverordening
2
4. Gegevensbescherming en privacy
2
8. Financiële gevolgen
3
10. Advies en consultatie
3
11. Inwerkingtreding
3
I. ALGEMEEN DEEL
Inleiding
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel
van wet tot wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening in verband met de
herschikte Bewijsverkrijgingsverordening (hierna: het wetsvoorstel). Zij onderschrijven
de noodzaak van grensoverschrijdende samenwerking van gerechten van de verschillende
EU-lidstaten om bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken te bevorderen. Zij
stellen nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij ondersteunen
het streven om het contact tussen gerechten van EU-lidstaten eenvoudiger en efficiënter
te laten verlopen. Zij hebben dan ook met belangstelling kennisgenomen van het voorstel,
en hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetvoorstel en hebben vooralsnog
geen verdere vragen.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven
het belang van bewijsverkrijging via digitale weg in andere lidstaten. Toch hebben
zij nog enkele vragen.
1. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie merken op dat de herschikte Bewijsverkrijgingsverordening
de bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken bevordert. Deze leden wijzen erop
dat het wederzijdse vertrouwen van de EU-lidstaten in elkaars rechtssysteem ook een
essentiële rol speelt bij de bewijsverkrijging in (grensoverschrijdende) strafzaken.
Welke initiatieven zijn er op dit moment om de digitalisering van de bewijsverkrijging
in strafzaken te bevorderen? In het bijzonder vragen deze leden een reflectie van
de regering op het bevorderen van de mogelijkheden voor videoconferenties in strafzaken.
Wat is het standpunt van de regering over het bevorderen van mogelijkheden voor videoconferenties
in strafzaken? Deelt de regering de mening dat er veel efficiënter en sneller kan
worden gewerkt in grensoverschrijdende strafzaken als de mogelijkheden voor het houden
van het horen van getuigen of het onderzoek ter terechtzitting via videoconferentie
worden verruimd?
2. Korte inhoud Betekeningsverordening
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat er verscheidene
manieren van grensoverschrijdende bewijsverkrijging mogelijk zijn. Een van deze mogelijkheden
is het verkrijgen van bewijs door de Nederlandse rechter via Nederlandse diplomatieke
of consulaire ambtenaren in een andere lidstaat. De aan het woord zijnde leden lezen
in het consultatieadvies van de Raad voor de Rechtspraak (Rvdr) dat het niet duidelijk
is hoe de Nederlandse procesrechtelijke regels omtrent het getuigenverhoor worden
gewaarborgd wanneer getuigen via de Nederlandse ambassade of het Nederlandse consulaat
worden gehoord. Kan de regering nader toelichten welke waarborgen worden geïmplementeerd
opdat de Nederlandse procesrechtelijke regels niet worden geschonden?
De leden van de SP-fractie begrijpen dat de verordening in zijn geheel pas in 2025
actief wordt. Toch geldt de verordening al sinds 1 juli, terwijl er nog wordt gewerkt
aan de technische mogelijkheid om alle Europese gerechtelijke instanties op e-Justice
Communication through Online Data Exchange (e-CODEX) aan te laten sluiten. Zou het
niet beter zijn dat eerst alles technisch in orde wordt gebracht alvorens een verordening
in werking treedt, zo vragen deze leden.
4. Gegevensbescherming en privacy
De leden van de D66-fractie menen dat het waarborgen van de privacy van burgers, zeker
wanneer het gaat om gerechtelijke informatie, van groot belang is. Het in te voeren
systeem voor digitale informatie-uitwisseling tussen verschillende justitiële autoriteiten
van de lidstaten dient te zijn gebaseerd op een volledig betrouwbare en beveiligde
technische oplossing. Uit de memorie van toelichting blijkt dat er tussen de betrokken
instanties overleg wordt gevoerd over de technische uitvoering. Wordt de Autoriteit
Persoonsgegevens ook betrokken bij de overwegingen voor de technische uitvoering?
Kan de regering toelichten waarom de Autoriteit Persoonsgegevens niet om advies is
gevraagd in de voorbereiding van dit wetsvoorstel?
8. Financiële gevolgen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de adviezen
van de Raad voor de Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. Beiden benadrukken
het belang van voldoende tijd, mankracht en middelen om de aansluiting van de nationale
ICT-systemen op e-Codex te kunnen realiseren. Uit de paragraaf over de financiële
gevolgen in de memorie van toelichting blijkt niet of de benodigde mankracht en middelen
door de regering in kaart zijn gebracht. Kan de regering toelichten welke mankracht,
tijd en middelen zij noodzakelijk acht voor een succesvolle aansluiting op het e-Codex
systeem? Hoe is de regering van plan de belasting op de voornoemde organisaties te
faciliteren?
10. Advies en Consultatie
De leden van de VVD-fractie vragen in navolging van een aantal geconsulteerde organisaties
of er voldoende overleg, tijd en aandacht is om de aansluiting van IT-systemen op
e-CODEX mogelijk te maken. Klopt het dat onder regie van de Minister voor Rechtsbescherming
en in samenspraak met de betrokken organisaties de beslissingen worden genomen over
de implementatie van het wetsvoorstel en de aansluiting op e-Codex? Voorts lezen deze
leden dat advies is gevraagd over het wetsvoorstel aan de adviescommissie voor burgerlijk
procesrecht. Kan dit advies met de Kamer worden gedeeld?
De leden van de SP-fractie lezen in het advies van de Raad voor de Rechtspraak diverse
vragen over het horen van getuigen op een Nederlandse ambassade of consulaat maar
hebben nergens de antwoorden op die vragen aangetroffen in de memorie van toelichting.
Kan de regering de vragen alsnog beantwoorden rondom de centrale vraag welk probleem
met dit voorstel wordt opgelost gecodificeerd in artikel I onderdeel M? Hoe wordt
de kwaliteit van deze vorm van bewijsverordening gewaarborgd?
11. Inwerkingtreding
De leden van de VVD-fractie vragen of 14 maart 2025 door de uitvoeringspraktijk wordt
gezien als een logische en haalbare datum waarop alle bepalingen in werking treden
en dus alle betrokken organisaties aangesloten dienen te zijn op e-Codex. Wat gebeurt
er als de nationale IT-systemen van sommige EU-lidstaten op die datum nog niet zijn
aangesloten op e-Codex? Welke gevolgen brengt dat met zich mee voor de praktijk? Ook
vragen deze leden wat precies wordt bedoeld met de opmerking dat geen overgangsrecht
noodzakelijk zou zijn, omdat de gewijzigde regels slechts «praktisch» van aard zijn.
Kan de regering dat nader toelichten? Er zullen in 2025 procedures aanhangig zijn
gemaakt en worden afgedaan op basis van de huidige verordening, terwijl na maart 2025
andere regels gelden voor de bewijsverkrijging en specifiek voor verzoeken uit een
andere EU-lidstaat aan een gerecht of centraal orgaan in Nederland. Waarom is overgangsrecht
niet noodzakelijk?
De leden van de D66-fractie constateren dat er beperkte implementatieruimte bestaat
in dit wetsvoorstel en dat zij derhalve beperkte ruimte hebben om hun parlementaire
taak tot uitvoering te brengen. In een eerder stadium, wanneer de verordening op Europees
niveau nog niet is vastgesteld, kunnen de aan het woord zijnde leden die taak ten
uitvoer brengen. Daarom achten zij het wenselijk om op dat moment dan ook goed geïnformeerd
te zijn over de consequenties van de verordening in het kader van nationale implementatie.
Acht de regering het mogelijk om, bijvoorbeeld bij het BNC-fiche, de Kamer te informeren
over mogelijke consequenties van een verordening bij nationale implementatie? De aan
het woord zijnde leden overwegen dat een advies van de Raad van State daarvoor mogelijk
een geschikt middel kan zijn. Kan de regering hierop reflecteren?
De voorzitter van de vaste commissie, Van Meenen
Adjunct-griffier van de commissie, Nouse
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.H. van Meenen, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
L.L. Nouse, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.