Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Haga over de term piekbelasting
Vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) aan de Minister voor Natuur en Stikstof over de term piekbelasting (ingezonden 9 juni 2022).
Antwoord van Minister Van der Wal-Zeggelink (Natuur en Stikstof) (ontvangen 21 juni
2022).
Vraag 1
Bent u bekend met de onduidelijkheid onder boeren over de term «piekbelaster»?
Antwoord 1
Ik kan mij die onduidelijkheid voorstellen, omdat er geen eenduidige definitie is
van de term «piekbelaster».
Vraag 2
Wat verstaat u onder de gebruikte term «piekbelaster»? Is een piekbelaster 1) een
bedrijf dat de standaardgegevensformulieren (SDF)-rapportage per Natura 2000-gebied
significant negatief beïnvloedt; 2) een bedrijf dat de nationale artikel 17-rapportage
beïnvloedt waardoor habitattypen en -soorten een ongunstige staat van instandhouding
krijgen; 3) een bedrijf dat de Nationale Databank Flora en Fauna-rapportage per Natura
2000-gebied negatief beïnvloedt; 4) een bedrijf dat in de aankoopcalculator AERIUS
drempelwaarden overschrijdt?
Antwoord 2
Piekbelaster is geen vast omschreven begrip. In de regel wordt de term gebruikt voor
bedrijven met een hoge uitstoot op stikstofgevoelige natuur, die in de meeste gevallen
op relatief korte afstand van stikstofgevoelige natuur gelegen zijn. Deze piekbelasters
kunnen bedrijven uit alle sectoren zijn. Afhankelijk van de context en de gewenste
benadering daarbij kan deze groep qua omvang smal of juist breder worden begrensd
en gedefinieerd.
Vraag 3
Kunt u aangeven hoe deze vier criteria zich precies verhouden tot een piekbelaster?
Antwoord 3
Zoals uit het antwoord op de vorige vraag blijkt, hangt de definitie van de term «piekbelaster»
af van de context. Daarbij gaat het in algemene zin om bedrijven of bedrijfslocaties
die een relatief hoge stikstofbelasting veroorzaken op stikstofgevoelige natuur, daarmee
significant bijdragen aan de negatieve effecten op een of meer stikstofgevoelige Natura
2000-gebieden en daarin gelegen gevoelige habitattypen en soorten waardoor deze zich
in een ongunstige staat van instandhouding bevinden.
Vraag 4
Kunt u aangeven welke afweging er precies gemaakt wordt bij de Maatregel gerichte
aankoop en beëindiging (MGA) en Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties
(LBV)?
Antwoord 4
Beide regelingen gaan uit van vrijwillige deelname. Met deze regelingen wordt beoogd
zoveel mogelijk bedrijven te kunnen ondersteunen die hun bedrijf(slocatie) vrijwillig
willen beëindigen. Met de Lbv is gekozen voor een regeling die landelijk door RVO
wordt uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van één landelijke drempelwaarde. Bij
een overtekening van de regeling worden de aangemelde bedrijfslocaties geprioriteerd
naar kosteneffectiviteit. Dat wil zeggen zo veel mogelijk stikstofdepositievermindering
tegen een zo laag mogelijke prijs. Er kunnen circa 10.000 veehouderijlocaties in aanmerking
komen waarbij wordt getoetst aan een landelijke drempelwaarde. Veehouderijlocaties
waarvan de totale depositie op alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de landelijke
drempelwaarde overschrijdt kunnen deelnemen aan deze stoppersregeling.
Bij de MGA-2 is gekozen voor een regeling die door provincies wordt uitgevoerd en
hen ondersteunt bij de uitvoering van provinciale gebiedsprocessen.
De eerste tranche van de maatregel gerichte aankoop is gericht op het kunnen aankopen
van circa 800 veehouderijlocaties die een depositie veroorzaken van minimaal 2 mol N/ha/jaar
gemiddeld op stikstofgevoelige en overbelaste hectares Natura 2000-gebied gelegen
binnen een afstand van 10 kilometer van de veehouderij. Dit wordt getoetst middels
de aankoopcalculator die voor de eerste tranche van de MGA is ontwikkeld.
De 2e tranche van de MGA zoals recent geconsulteerd, richt zich op circa 3900 veehouderijlocaties:
per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied de 2% veehouderijen binnen een straal van
25 km van het natuurgebied die de hoogste depositie veroorzaken op dat natuurgebied.
Dit wordt getoetst middels de (nieuwe) aankoopcalculator die voor de 2e tranche van de MGA is ontwikkeld.
Vraag 5
Hoe is de afweging gemaakt tussen het uitkopen van piekbelasters en (mondiale) voedselzekerheid,
duurzaamheid en landbouwinnovatie?
Antwoord 5
Het voedselsysteem op nationaal en Europees niveau is voor de meeste voedselproducten
zelfvoorzienend; het is ook robuust en veerkrachtig. Maar dit is alleen volhoudbaar
wanneer de landbouwproductie bezien vanuit stikstof, water, biodiversiteit en klimaat
duurzaam plaatsvindt. Om de voedselzekerheid op lange termijn te borgen moeten we
daarom juist investeren in een sterke natuur, schone landbouw en voldoende biodiversiteit.
Niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten. Ik zet mij er dan ook voor in om de
voedselsystemen wereldwijd te verduurzamen, door middel van export van technologie,
kennis en kunde. Uiteindelijk is verduurzaming van het voedselsysteem de enige weg
naar het borgen van mondiale voedselzekerheid op de lange termijn.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Ch. van der Wal-Zeggelink, minister voor Natuur en Stikstof
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.