Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
35 951 Wijziging van de Wet van 7 juli 2021 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014, de Woningwet, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet en om de mogelijkheden voor tijdelijke huurovereenkomsten te verruimen (Stb. 2021, 425) (laten vervallen verruiming mogelijkheden voor tijdelijke huurovereenkomsten)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 23 november 2021
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor
Binnenlandse Zaken van 11 november 2021. In het navolgende ga ik in op de vragen en
opmerkingen uit het verslag waarbij de volgorde van het verslag is aangehouden.
De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de Minister aankijkt tegen het beeld van de
Eerste Kamer dat er te veel tijdelijke huurovereenkomsten zijn.
Voorts vroegen deze leden wat op basis van de inschatting van Companen het aantal
huurwoningen is dat op basis van een tijdelijke huurovereenkomst wordt verhuurd.
Tot slot vroegen de leden van de VVD-fractie wat op basis van de inschatting van Companen
en het totale aantal huurwoningen, het aandeel huurwoningen is dat op basis van een
permanente huurovereenkomst wordt verhuurd.
In het onderzoek van Companen is zo goed als mogelijk gekeken naar het aantal tijdelijke
huurcontracten dat per jaar wordt afgesloten. Hierbij kan het zo zijn dat een verhuurder
in één jaar bijvoorbeeld twee tijdelijke contracten voor dezelfde woning heeft afgesloten.
Het is derhalve niet exact te duiden hoeveel woningen worden verhuurd met een tijdelijk
huurcontract. Procentueel gezien ligt het gebruik van tijdelijke verhuur veel lager
ten opzichte van reguliere verhuur. Op basis van de cijfers van Companen en rekening
houdend met de bandbreedte waarin deze zijn gepresenteerd constateer ik echter dat
het gebruik van tijdelijke contracten in absolute zin behoorlijk is. Hierbij dient
te worden opgemerkt dat verhuurders met minder dan tien woningen niet konden worden
meegenomen in het onderzoek en het is gebleken dat het juist kleinere verhuurders
zijn die gebruik maken van dergelijke huurcontracten. Voorts laat het onderzoek van
Companen zien dat er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van een niet wettelijk toegestane
minimumtermijn en dat contracten naar aard van korte duur nog steeds worden afgesloten.
Dit wetsvoorstel moet een bijdrage leveren om een betere balans tussen huurders en
verhuurders te bewerkstelligen.
VVD 4
De leden van de VVD-fractie vroegen wat de stand van zaken is met betrekking tot de
uitvoering van de motie Koerhuis/Eerdmans (Kamerstukken II 2020/21, 32 813, nr. 694).
Er wordt ambtelijk gewerkt aan een wetsvoorstel voor de wijkgerichte aanpak. Daarbij
wordt ook gekeken naar de invulling van de motie van de leden Koerhuis en Eerdmans.
U zal daarover worden geïnformeerd in het kader van genoemd wetsvoorstel.
VVD 5
De leden van de VVD-fractie vroegen wat de stand van zaken is met betrekking tot de
uitvoering van de motie Koerhuis/Terpstra (Kamerstukken II 2020/21, 32 813, nr. 595).
Deze motie is uitgevoerd, uw Kamer is daar eerder dit jaar over geïnformeerd.1 Met de motie Koerhuis / Terpstra verzocht de Kamer de regering om in de 22e tranche
van de Crisis-en herstelwet het experiment met extra energie-eisen in Amsterdam te
beëindigen en zo de rem op de nieuwbouw eraf te halen. Naar aanleiding van deze motie
is besloten de gemeente Amsterdam, conform de motie, te schrappen uit de voortzetting
van dat experiment. Door de gemeente Amsterdam uit deze tranche te halen, kan het
experiment in die gemeente niet meer worden voortgezet bij inwerkingtreding van die
tranche. Dit betekent dat het eerdere experiment voor Amsterdam is afgelopen per 1 januari
2021. Vanaf die datum gelden de landelijke generieke energieprestatie-eisen uit het
Bouwbesluit 2012 (de nieuwe BENG-eisen) en op dit moment is er voor Amsterdam geen
mogelijkheid tot het leveren van maatwerk.
De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de Minister het toewijzen aan GGZ-patiënten
en criminelen in de praktijk ziet zonder gegevensdeling met woningcorporaties en vroegen
voorts hoe Aedes dit in de praktijk ziet en hoe Aedes aankijkt tegen de mening van
de Minister.
Recent heb ik een Kamerbrief2 gestuurd over gegevensverwerking door woningcorporaties waarin de inzichten en resultaten
van een onderzoek over de gegevensverwerking door woningcorporaties zijn weergegeven,
en waarin een wetsvoorstel is aangekondigd waarin zal worden verduidelijkt welke gegevensverwerking
door woningcorporaties wel en niet toegestaan is. Dat wetsvoorstel wordt nu voorbereid.
Onderdeel daarvan zal zijn dat deze wordt geconsulteerd, zodat reacties op het wetsvoorstel
naar voren kunnen worden gebracht. Deze vraag van de VVD-fractie kan verder de volledige
aandacht krijgen gedurende de parlementaire behandeling van dat wetsvoorstel.
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer, heb ik samen met onder meer Aedes onderzoek
gedaan naar gegevensverwerking door woningcorporaties, daaruit zijn geen andere knelpunten
naar voren gekomen dan in de brief genoemd.
De leden van de VVD-fractie vroegen naar aanleiding van de brief (Kamerstukken II
2020/21, 27 926, nr. 341) in reactie op de motie Koerhuis (Kamerstukken II 2020/21, 35 570-VII, nr. 42) wat de stand van zaken is met betrekking tot de toegezegde gedragscode voor woningcorporaties,
de toegezegde verruiming om meerderjarige weeskinderen meer tijd te gunnen, de toegezegde
verruiming van tijdelijke huurovereenkomsten voor meerderjarige weeskinderen en het
toegezegde onderzoek naar andere wettelijke mogelijkheden om de positie van meerderjarige
weeskinderen te verbeteren.
In mijn brief3 over ondersteuning van meerderjarige weeskinderen in sociale huurwoningen heb ik
een drietal maatregelen gepresenteerd. Dat betreft een gedragscode voor verhuurders,
een wijziging in regelgeving waardoor tijdelijke huurovereenkomsten voor meerderjarige
weeskinderen mogelijk worden en een onderzoek naar andere wettelijke mogelijkheden
om de positie van meerderjarige weeskinderen te verbeteren. De wijziging in de regelgeving
treedt naar verwachting per 1 januari 2022 in werking. De andere maatregelen zijn
in de afrondende fase en ik streef ernaar uw Kamer voor het einde van het jaar duidelijkheid
te geven over de uitvoering hiervan.
De leden van de D66-fractie vroegen of hun veronderstelling dat het overgangsrecht
alleen geldt als de aanpassing van deze wet ingaat na 1 januari 2022.
Het in artikel III van het wetsvoorstel neergelegde overgangsrecht is inderdaad alleen
van toepassing in het geval de voorgestelde wijzigingen na 1 januari 2022 in werking
treden.
De leden van de D66-fractie vroegen of nader geduid kan worden hoe het overgangsrecht
eruitziet wanneer de inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen na 1 januari
2022 plaatsvindt.
Indien de in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen na 1 januari 2022 in werking
treden, wordt met ingang van 1 januari 2022 de mogelijkheid voor tijdelijke huurovereenkomsten
verruimd overeenkomstig artikel Ib, onderdelen A en B, van de Wet van 7 juli 2021
tot wijziging van de Huisvestingswet 2014, de Woningwet, Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van de evaluatie
van de herziene Woningwet en om de mogelijkheden voor tijdelijke huurovereenkomsten
te verruimen (Stb. 2021, 425).
In de periode tussen 1 januari 2022 en de inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel
voorgestelde wijzigingen, kunnen tijdelijke huurovereenkomsten voor de duur van maximaal
drie jaar worden overeengekomen en kunnen bestaande tijdelijke huurovereenkomsten
worden verlengd tot een maximale duur van drie jaar. Voorts kan gedurende die periode
bij het aangaan van een tijdelijke huurovereenkomst een minimumtermijn worden overeengekomen
waarbinnen de huurder de huurovereenkomst niet kan opzeggen.
Het in artikel III van het wetsvoorstel neergelegde overgangsrecht betekent dat de
hiervoor genoemde verruimingen van toepassing blijven op tijdelijke huurovereenkomsten
die tussen 31 december 2021 en de datum van inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel
voorgestelde wijzigingen zijn aangegaan of zijn verlengd. Het overgangsrecht kent
wel een beperking; de mogelijkheid om tijdelijke huurovereenkomsten te verlengen vervalt
direct bij inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen. Het
overgangsrecht houdt derhalve in dat de overeengekomen duur van de tijdelijke huurovereenkomst
die is aangegaan in de genoemde periode, de overeengekomen minimumtermijn in een dergelijke
huurovereenkomst en de in de genoemde periode overeengekomen verlenging van een tijdelijke
huurovereenkomst rechtsgeldig blijven.
De leden van de fracties van PvdA en GroenLinks vroegen waarom is gekozen voor een
verdere uitbreiding van tijdelijke huurovereenkomsten terwijl de evaluatie nog niet
was afgerond, op basis van welke gegevens de regering het opportuun achtte om tot
uitbreiding over te gaan en of het nog steeds de wens van de regering is om tot uitbreiding
van tijdelijke huurovereenkomsten over te gaan.
Toen het wetsvoorstel tot verruiming van de mogelijkheden van tijdelijke huurcontracten
in openbare internetconsultatie werd gebracht was de evaluatie van de Wet doorstroming
huurmarkt 2015 nog niet gestart. Op basis van de reacties van de consultatie en signalen
over oneigenlijk gebruik is gewacht op de genoemde evaluatie teneinde te bezien of
het wetsvoorstel moest worden gewijzigd. De verruiming van de mogelijkheden van tijdelijke
huurcontracten is vervolgens middels een aangenomen amendement onderdeel geworden
van de Evaluatiewet Woningwet.
Nu de evaluatie beschikbaar is zie ik dat de evaluatie zowel plussen als minnen kent.
Ik heb aangegeven aan de slag te gaan om opties uit te werken die de negatieve effecten
tegen kunnen gaan. Het gaat daarbij ook om het vinden van een betere balans tussen
de belangen van huurders en verhuurders, waarbij het uitgangspunt blijft dat huurcontracten
voor onbepaalde tijd de norm blijven. Ik streef ernaar om een ontwerp van een wetsvoorstel
over tijdelijke contracten in het voorjaar in consultatie te brengen.
De leden van de fracties van PvdA en GroenLinks merkten op dat door deze wetswijziging
verwarring kan ontstaan bij verhuurders en huurders en hoopten dat de regering zich
zal inspannen om eventuele onduidelijkheden bij deze partijen weg te nemen.
Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen door de beide kamers der Staten-Generaal
en de voorgestelde wijzigingen niet later dan 1 januari 2022 in werking treden, verandert
er niets aan de bestaande rechten en plichten van huurders en verhuurders waar het
gaat om tijdelijke huurovereenkomsten.
Indien de voorgestelde wijzigingen na 1 januari 2022 in werking treden, zal er een
korte periode zijn van ruimere mogelijkheden voor tijdelijke huurovereenkomsten.
In beide situaties zal voorzien worden in adequate informatievoorziening richting
huurders en verhuurders over de als dan geldende wettelijke regels.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.H. Ollongren
Ondertekenaars
K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties