Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Groothuizen en Van Beukering-Huijbregts over de inzet van diensthonden
Vragen van de leden Groothuizen en Van Beukering-Huijbregts (beiden D66) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de inzet van diensthonden (ingezonden 26 november 2020).
Antwoord van Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 21 december
2020). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1150
Vraag 1
Bent u bekend met de uitzending «Bijten als beloning» van Zembla d.d. 19 november
jl.?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Wat zijn de richtlijnen voor de inzet van diensthonden als geweldsmiddel?
Kunt u aangeven op welke wijze de richtlijnen voor de inzet van diensthonden zijn
gecodificeerd?2
Antwoord 2 en 3
Voor de inzet van alle geweldsmiddelen, waaronder de inzet van een politiesurveillance-hond
of AOT-hond, geldt de geweldsinstructie. Onder de geweldsinstructie wordt verstaan
de bij of krachtens de Politiewet 2012 en de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten
gegeven algemeen verbindende voorschriften die tot de ambtenaar gerichte instructies
bevatten omtrent het gebruik van geweld. Artikel 7 van de Politiewet 2012 bepaalt
dat toegepast geweld proportioneel, subsidiair, redelijk en gematigd dient te zijn.
Dit betekent in de praktijk dat een hond slechts mag worden ingezet indien dit strikt
noodzakelijk is en het doel niet op andere – minder ingrijpende – wijze kan worden
bereikt.
Daarbovenop is artikel 15 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee
en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) van toepassing. Op basis
hiervan is de inzet van een politiesurveillance of AOT-hond slechts geoorloofd onder
het direct en voortdurend toezicht van een geleider die in het bezit dient te zijn
van een certificaat. Voor specifieke AOT en ME inzet moet voorafgaand aan de inzet
toestemming zijn gegeven door het bevoegd gezag. Daarnaast moet de combinatie van
geleider en hond in het bezit zijn van een certificaat waaruit blijkt dat is voldaan
aan de keuringseisen die op basis van de Regeling politiehonden in een keuringsreglement
zijn vastgelegd.3 Voorts worden sinds 2009 de aanbevelingen uit het adviesrapport «De gebeten hond»
door de politie en het openbaar ministerie gebruikt als kader voor de inzet en de
beoordeling van het geweldmiddel. Voor de inhoud van deze aanbevelingen verwijs ik
u naar de bijlage.
Vraag 4
Kunt u aangeven in hoeverre die richtlijnen overeenstemmen met artikel 15a en 15b
van uw concept-Besluit tot wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke
marechaussee en andere opsporingsambtenaren?4
Antwoord 4
De artikelen 15a en 15b van het ontwerpbesluit de wijziging van de Ambtsinstructie
tweede tranche5 (hierna: ontwerpbesluit) zijn tot stand gekomen op basis van zowel aanbevelingen
van de Nationale ombudsman, als de aanbevelingen van het in het vorige antwoord genoemde
adviesrapport. Ik verwijs u in dit verband naar de nota van toelichting en het ontwerpbesluit
dat op 20 december 2018 ter kennisneming aan uw Kamer is aangeboden.6 Ook in het ontwerpbesluit is onderscheid gemaakt tussen de inzet in het kader van
de openbare orde en de inzet in het kader van de strafrechtelijke handhaving. Het
ontwerpbesluit is op een belangrijk punt strenger dan de aanbevelingen.
Zo is op basis van de aanbevelingen de inzet van een surveillancehond geoorloofd om
een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding, of andere rechtmatige
vrijheidsbeneming tracht te onttrekken en die wordt verdacht van of is veroordeeld
voor het plegen van een misdrijf. De aanbeveling in het rapport ziet op alle misdrijven
terwijl in het ontwerpbesluit de drempel is verhoogd naar misdrijven waarop een gevangenisstraf
van minimaal 4 jaar is gesteld.
Waar het rapport alleen stelt dat inzet van de surveillancehond ten behoeve van de
openbare orde aangelijnd geschiedt, is in het ontwerpbesluit een concreter criterium
opgenomen. Namelijk dat een surveillancehond, aangelijnd kan worden ingezet ter verspreiding
van samenscholingen of volksmenigten die een ernstige en onmiddellijke bedreiging
vormen voor de veiligheid van personen of voor zaken.
Daarnaast is in het ontwerpbesluit op een aantal punten een andere keuze gemaakt.
Zo zijn de criteria voor de surveillancehond en de AOT-hond samengenomen. Reden hiervoor
is dat – hoewel de AOT-hond (net zomin als het aanhoudings- en ondersteuningsteam
zelf) niet primair wordt ingezet bij de handhaving van de openbare orde – zich ook
bij de inzet van het AOT samenscholingen kunnen voordoen. Zo komt het voor dat bij
een aanhouding omstanders zich zodanig bemoeien met die aanhouding dat een dreigende
situatie ontstaat. In die situaties is het niet doenlijk om altijd een politie-surveillancehond
en geleider paraat te hebben en dus wordt hier de inzet van de AOT-hond ook mogelijk
gemaakt.
Een ander verschil is gelegen in de aanlijning van de hond. Omdat het ondoenlijk is
om een hond altijd aangelijnd te gebruiken – bijvoorbeeld in bosschages en omgevingen
waarin allerlei obstakels zijn – is de aanbeveling om dit te doen niet overgenomen.
Hierbij benadruk ik dat dit niet geldt voor de inzet van een hond voor de handhaving
van de openbare orde. Dit dient aangelijnd plaats te vinden.
Vraag 5
Hoe kan het dat over het op één na zwaarste geweldsmiddel dat de politie heeft, nog
niets is opgenomen in de ambtsinstructie, terwijl er sinds 2009 een voorstel ligt
om ook de inzet van de diensthond als geweldsmiddel in de Ambtsinstructie af te bakenen?
Antwoord 5
Het berust op een misverstand dat de geldende Ambtsinstructie geen inzetcriteria bevat
voor de inzet van de diensthond ofwel politie-surveillancehond en de AOT-hond (zie
artikel 15). In de nota van toelichting bij het in de vraag 4 genoemde ontwerpbesluit
is aangegeven dat het er nog niet van gekomen is om de nadere criteria vast te leggen
in de Ambtsinstructie en daarom de algehele herziening van de Ambtsinstructie werd
aangegrepen om de inzet van honden als geweldsmiddel nader te normeren in de regelgeving.
Vraag 6
Herkent de politie het beeld dat in deze uitzending geschetst wordt door politiewetenschapper
Jaap Timmer, namelijk dat de circa 400 honden in politiedienst bij veel meer bijtincidenten
zijn betrokken dan de 357 bijtincidenten die in 2019 zijn geregistreerd?7 Zo ja, welke maatregelen zijn of worden er dan binnen de politie-organisatie genomen
om ervoor te zorgen dat de registratieplicht ten aanzien van bijtincidenten beter
wordt nageleefd?
Antwoord 6
Het aanwenden van geweld, zo ook de inzet van de politiehond, dient op basis van de
Ambtsinstructie te worden gemeld en geregistreerd. In 2019 is de politie – vooruitlopend
op een wijziging van de Ambtsinstructie van juli dit jaar – overgegaan op een nieuwe
meer uitgebreide manier van registreren.8 In dat kader heeft zij de werkwijze rond het vastleggen van toegepast geweld, ook
ten aanzien van de diensthonden, aangescherpt. De korpschef heeft bij mij aangegeven
nogmaals het belang te benadrukken van het zorgvuldig opvolgen van de geldende voorschriften
en de daarbij behorende registratieverplichting.
Vraag 7
Wordt de inzet van de diensthond alleen geregistreerd als de diensthond heeft gebeten?
Zo nee, is het mogelijk om in de registratie een uitsplitsing te maken van het aantal
keren dat de diensthond daadwerkelijk heeft gebeten en hoe de diensthond zich gedroeg
c.q. zich aan de commando’s van zijn geleider heeft gehouden?
Antwoord 7
Iedere geweldsaanwending9 moet bij de politie worden gemeld, dat geldt ook voor het gebruik van een politiehond
als geweldsmiddel. Wanneer een hondenbeet letsel heeft veroorzaakt, wordt dit op basis
van artikel 17, derde lid, van de Ambtsinstructie vastgelegd in een geweldsregistratie.
Wanneer een hondenbeet niet tot letsel heeft geleid, wordt de melding vastgelegd in
een geweldsmutatie. Het is niet mogelijk hier een verdere uitsplitsing in te maken,
omdat andere gegevens over de inzet van de hond (waaronder het opvolgen van commando’s
of het aantal beten) niet worden geregistreerd.
Vraag 8
Blijkt uit de registratie van bijtincidenten dat er eenheden zijn waar zich naar verhouding
meer bijtincidenten voordoen dan in andere eenheden? Zo ja, hoe is dat te verklaren?
Antwoord 8
Uit onderstaande tabel blijkt hoe vaak er sprake is geweest van een inzet van de hond
als geweldsmiddel. Het aantal inzetten van de hond is afhankelijk van de karakteristiek
van het bewakingsgebied, de in het verlengde daarvan te maken operationele keuzes
en het type incident waarbij een politiehond wordt ingezet. In de eenheid Rotterdam
worden de politie surveillance hondengeleiders bijvoorbeeld als eerste «responder»
ingeschakeld bij meldingen met een hoger risico op geweld.
Inzet politiehond 2019
Eenheden
Inzet van de hond als geweldsmiddel
Eenheid Amsterdam
36
Eenheid Den Haag
25
Eenheid Limburg
26
Eenheid Midden-Nederland
29
Eenheid Noord-Holland
8
Eenheid Noord-Nederland
21
Eenheid Oost-Brabant
31
Eenheid Oost-Nederland
45
Eenheid Rotterdam
85
Eenheid Zeeland-West-Brabant
50
Onbekend
1
Eindtotaal
357
In 2020 zijn tot nu toe 308 inzetten van de politiehond geregistreerd.
Vraag 9
Kunt u aangeven of er in de afgelopen drie jaar diensthonden zijn afgekeurd, omdat
zij de commando’s van hun geleiders niet of onvoldoende opvolgden? Zo ja, om hoeveel
diensthonden gaat het?
Antwoord 9
Bij certificering van de honden toetst de politie per combinatie – dat zijn hondengeleider
en hond – op beheersbaarheid, betrouwbaarheid en vakmanschap. Gemiddeld wordt 10%
van de combinaties afgekeurd op één of meerdere onderdelen. In 2018 waren dat er vijftien;
in 2019 betrof het 26 combinaties en werden in 2020 tot op heden twaalf honden afgekeurd.
Alle koppels van hondengeleider en hond worden twee maal per vier weken getraind.
Als er signalen zijn dat de reactie van een hond op commando’s te wensen overlaat,
wordt dit onmiddellijk in de (eerstvolgende) training aangepakt.
Vraag 10
Kunt u aangeven hoeveel klachten er in 2019 bij de politie, het openbaar ministerie
en de Nationale ombudsman zijn ingediend naar aanleiding van bijtincidenten met politiehonden?
Hoeveel van die klachten zijn gegrond verklaard?
Antwoord 10
Bij de politie zijn in 2019 twintig klachten ingediend met betrekking tot de inzet
van politiehonden. Daarbij dien ik te benadrukken dat dit de registratie is van alle
klachten over de inzet van diensthonden, er hoeft daarbij geen sprake te zijn geweest
van een bijtincident.
Bij de Nationale ombudsman zijn in 2019 – voor zover dit uit het registratiesysteem
is op te halen – 2 klachten ingediend, waarvan er één in behandeling is genomen. Het
onderzoek daarnaar loopt nog. Bij het Openbaar Ministerie (OM) zijn hier in 2019 geen
klachten over ingediend.
Vraag 11
Op welke wijze en op basis van welke informatiebronnen worden bijtincidenten geëvalueerd
en getoetst binnen de politie-organisatie?
Antwoord 11
Iedere geweldsaanwending moet op grond van de Ambtinstructie (artikel 17) worden gemeld
en door de hulpofficier van justitie worden getoetst. Een deel van de geweldsaanwendingen10 wordt door de politiechef (namens de korpschef) beoordeeld. Naar aanleiding van een
toetsing of beoordeling kan een leercirkel worden ingesteld om op individueel of op
team- of eenheid overstijgend niveau te leren van het aangewende geweld. Ook de inzet
van de hond als geweldsmiddel wordt op deze wijze gemeld en getoetst/beoordeeld.
Los daarvan worden inzetten van de hond geëvalueerd binnen de teams van hondengeleiders.
Ook de herhaaldelijke training, tweemaal per vier weken, draagt in grote mate bij
aan het leerproces. Praktijkinzetten vormen input voor deze trainingen.
Bijlage 1
Aanbevelingen adviesrapport «de gebeten hond»
1. Inzet surveillancehond in het kader van de openbare orde.
Het inzetten van de surveillancehond in het kader van de openbare orde gebeurt altijd
aangelijnd.
2.1. Het gebruik van de surveillancehond is slechts geoorloofd:
a) om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen
dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit mogelijk
zal gebruiken.
b) om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige
vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken en die wordt verdacht van
of is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf.
2.2. In de gevallen, bedoeld onder 2.1 wordt van de surveillancehond geen gebruik
gemaakt indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs
mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten
gevaar voor de rechtsorde met zich brengt (b.v. geplande aanhouding).
2.3. De surveillancehond wordt, tenzij er sprake is van levensbedreigende omstandigheden,
niet gebruikt op:
a) personen die zichtbaar jonger zijn dan 12 of ouder dan 65 jaar zijn;
b) personen voor wie de inzet van de politiesurveillancehond als gevolg van een voor
de ambtenaar zichtbare ernstige gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn;
c) vrouwen die zichtbaar zwanger zijn.
3.1 De AOE-hond mag alleen worden ingezet binnen de taken van een AOE. Inzetcriteria
met betrekking tot de inzet van een AOE zijn genoemd in artikel 8, 1e lid, BBRP. De
AOE hond maakt deel uit van de aan een AOE toegekende uitrusting zoals Glock, MP5,
peperspray, pyrotechnische middelen, Taser, Shotgun (less Lethal wapens) genoemd in
de uitrustingsregeling AOE.
3.2. De AOE-hond zal niet worden ingezet in het kader van de openbare orde.
3.3. De AOE-hond wordt, tenzij er sprake is van levenbedreigende omstandigheden, niet
gebruikt op:
a) personen die zichtbaar jonger zijn dan 12 of ouder dan 65 jaar zijn;
b) personen voor wie de inzet van de AOE-hond als gevolg van een voor de ambtenaar zichtbare
ernstige gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn;
c) vrouwen die zichtbaar zwanger zijn.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.