Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
35 480 Wijziging van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2020 (Incidentele suppletoire begroting inzake coronamaatregelen)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 2 juli 2020
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst
van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 18 juni 2020 voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
Bij brief van 1 juli 2020 zijn ze door de Minister van Binnenlandse Zaken beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid
De voorzitter van de commissie, Ziengs
Adjunct-griffier van de commissie, Hendrickx
Vraag 1:
Wat verstaat u onder «grote onverwachte wijzigingen» die ertoe leiden dat er opnieuw
een gesprek zal worden aangegaan met het IPO en VNG over de bevriezing van het accres?
Kunt u bijvoorbeeld drie mogelijke scenario’s als voorbeeld schetsen?
Antwoord:
Bij grote onverwachte wijzigingen gaat het om grote financiële ontwikkelingen die
medeoverheden niet of in zeer beperkte mate zelf kunnen beïnvloeden. Wat deze ontwikkelingen
kunnen zijn is onder de huidige snel bewegende en onvoorspelbare situatie vooraf niet
te zeggen. Het gaat dan om een situatie waarbij het Rijk beleidswijzigingen doorvoert
die grote extra uitgaven voor medeoverheden veroorzaken en onder normale omstandigheden
tot een hoger accres hadden geleid.
Vraag 2:
Waarom is er niet gekozen om voor een langere termijn het accres te bevriezen?
Antwoord:
De periode 2020 en 2021 waarover het accres is bevroren is in goed overleg met de
VNG en het IPO vastgesteld. De keuze over de uitvoering van de systematiek in 2022
en verder wordt aan een volgend kabinet gelaten.
Vraag 3:
Wat doen gemeenten in het kader van het in de brief van 28 mei jl. gemelde loket voor
zelfstandigen die een beroep doen op de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren
COVID-19 (TOGS) (Kamerstuk 35 420, nr. 43), nu deze regeling toch landelijk wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor ondernemend
Nederland (RVO)? Welke compensatie is hiervoor opgenomen in euro’s?
Antwoord:
De regeling Tegemoetkoming Ondernemers getroffen Sectoren (TOGS) wordt landelijk uitgevoerd
door de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO). De gemeenten spelen hierin geen
rol en ontvangen hiervoor dan ook geen vergoeding. In mijn brief van 28 mei jl. (Kamerstuk
35 420, nr. 43) verwijs ik naar de algemene loketfunctie van gemeenten voor zelfstandigen. Aangezien
de gemeenten de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers uitvoeren,
waarvoor ze compensatie krijgen, heeft ze ook vragen over de TOGS beantwoord.
Vraag 4:
In hoeverre is er coulance getoond bij kwijtschelding van heffingen aan burgers en
ondernemers door gemeenten, want op rijksniveau is er alleen sprake van uitstel?
Antwoord:
De keuzes ten aanzien van de lokale heffingen worden genomen door de democratisch
gekozen vertegenwoordigers van de inwoners. Het zijn deze lokale afwegingen die leiden
tot een keuze over onder andere kwijtschelding, uitstel van betaling of verlaging
van de tarieven van de lokale heffingen.
Zoals in de brief d.d. 17 maart 2020 (Kamerstuk 35 420, nr. 2) is aangegeven is het kabinet in gesprek gegaan met de Vereniging voor Nederlandse
Gemeenten (VNG) over het stopzetten van (voorlopige) aanslagen. Het is aan de individuele
gemeenten hierover besluiten te nemen met inachtneming van de lokale wensen en opgaven.
Vraag 5:
Kan een uitgebreide onderbouwing worden gegeven van de bedragen die nu ter compensatie
worden voorgesteld voor de periode tot 1 juni 2020?
Antwoord:
Hieronder volgt een toelichting op de afzonderlijke onderdelen van het compensatiepakket
van € 566 miljoen en de maatregelen die voor het naar buiten brengen van dit pakket
reeds getroffen waren.
Toeristen- en parkeerbelasting € 225 miljoen
De begrote inkomsten uit de toeristenbelasting voor 2020 zijn volgens het Informatie
voor derden (Iv3) € 411 miljoen. Er is besloten de compensatie voor de periode van
1 maart tot en met 1 juni vast te stelen op 25% (3 van de 12 maanden), zijnde afgerond
€ 100 miljoen.
De begrote inkomsten uit de parkeerbelasting voor 2020 zijn volgens het Iv3 circa
€ 1 miljard, waarvan gemiddeld 30% wordt geïnd in de eerste 6 maanden van het jaar.
Aangezien niet de volledige inkomsten uit parkeerbelasting zijn weggevallen (onder
andere omdat de inkomsten ook de betaling van vergunninghouders betreffen) is er op
dit bedrag een afslag gedaan en besloten voor de periode 1 maart tot en met 1 juni
€ 125 miljoen te compenseren.
De totale financiële impact van de inkomstenderving voor medeoverheden in 2020 is
op dit moment nog niet bekend. Met medeoverheden zal het kabinet deze impact monitoren.
Het kabinet zal medeoverheden waar nodig compenseren.
Zorg € 144 miljoen
Gemeenten hebben een voorschot ontvangen ter hoogte van € 144 miljoen voor de meerkosten
en inhaalzorg m.b.t. hun taken vanuit de Wmo 2015 en de Jeugdwet. De definitieve hoogte
van de compensatie zal worden gebaseerd op basis van een nog nader vast te stellen
methodiek. Deze wordt momenteel uitgewerkt. Hierbij zal ook betrokken worden dat de
meerkostenregeling verlengd is tot en met 31 december 2020.
Wmo abonnementstarief € 18 miljoen
De compensatie voor de gederfde inkomsten van gemeenten voor het niet innen van de
eigen bijdrage Wmo in april en mei is opgebouwd uit gederfde inkomsten voor maatwerkvoorzieningen
en gederfde inkomsten voor algemene voorzieningen. Voor de gederfde inkomsten voor
maatwerkvoorzieningen is gebruik gemaakt van de afgedragen eigen bijdrage uit de CAK-
data van 2019. De gederfde inkomsten voor algemene voorzieningen betreft een inschatting
omdat hiervan geen historische data beschikbaar is.
SW-bedrijven € 90 miljoen
Dit bedrag is 90% van de loonsom voor reguliere medewerkers voor de periode van 3
maanden (maart, april en mei).
Noodopvang € 23 miljoen
Het bedrag van € 23 miljoen voor de periode maart tot 1 juli is gebaseerd op een kostenopgave
van de KinderOpvang branche. Het gaat hierbij om de kosten per opvanglocatie en monitorgegevens
over het aantal gemeenten met opvanglocaties en veronderstellingen over de ontwikkeling
daarvan.
Voorschoolse voorziening peuters, SMIs en Voorschoolse educatie (VE) € 8,3 mln
Het bedrag van € 8,3 miljoen is gebaseerd op een raming van de VNG. Om gemeenten de
eigen bijdrage van ouders -voor de drie gemeentelijke regelingen voor elke maand dat
de opvang gesloten was- te kunnen laten vergoeden is € 3 miljoen nodig. De compensatie
is gebaseerd voor de gehele periode dat de kinderopvang geheel of gedeeltelijk gesloten
was (16 maart t/m 7 juni).
TOZO bevoorschotting
De kosten die gemeenten maken voor de uitvoering van de Tozo-1 en Tozo-2 worden door
het Rijk vergoed. Gedurende de looptijd van Tozo-1 is aan gemeenten € 2 miljard bevoorschot.
Inmiddels is € 0,5 miljoen extra bevoorschot voor de afronding van Tozo-1 en de start
van Tozo-2. Gemeenten ontvangen een vergoeding van de uitgaven aan levensonderhoud
en kapitaalverstrekkingen. Daarnaast ontvangen de gemeenten een vergoeding voor de
uitvoeringskosten op basis van het aantal besluiten Tozo. Gemeenten ontvangen een
vast bedrag per besluit op een aanvraag.
Het gebruik van de regeling wordt gemonitord en waar nodig worden aan gemeenten nieuwe
verschotten verstrekt. Door middel van een steekproef onder gemeenten worden de uitgaven
van gemeenten gemonitord en wordt door het Rijk besloten wanneer een nieuw bevoorschot
wordt verstrekt. Het Rijk houdt bij de besluitvorming hierover ook rekening met de
signalen die los van de steekproef worden ontvangen.
Op basis van een grove inschatting bedragen de budgettaire gevolgen voor Tozo-2 t/m
eind september € 1,5 miljard. Naar verwachting komen de uitgaven voor levensonderhoud
op € 1 miljard en voor kapitaalverstrekkingen op een € 0,5 miljard. In deze bedragen
zijn ook de uitvoeringskosten meegenomen. De uitgaven voor kapitaalverstrekkingen
zijn leningen, die in toekomstige jaren dienen te worden terugbetaald.
Om een indicatie te krijgen van het gebruik van de Tozo is een snelle monitoring opgezet.
Een steekproef onder ongeveer 150 gemeenten verspreid over het land wordt vertaald
naar een landelijk beeld. De resultaten van de snelle monitoring worden gebruikt voor
een inschatting van de benodigde bevoorschotting. Achteraf vindt op basis van de daadwerkelijke
kosten compensatie plaats voor het beroep op de Tozo.
Bijstand
Voor de bijstand is besloten de maandelijkse betalingen op het niveau van het voorlopig
vastgesteld budget te handhaven en in september het macrobudget 2020 nader te bezien,
waarbij rekening zal worden gehouden met de actuele conjuncturele situatie.
Sport € 90 miljoen
Het bedrag van € 90 miljoen voor de periode maart tot 1 juni is bepaald op basis van
de Iv3 staten van het CBS. Hierbij is gekeken naar de huur en erfpachtinkomsten van
de gemeenten. Deze lagen in de jaren 2017–2019 rond de € 300 miljoen. De maanden maart,
april en mei zijn drukke maanden met zowel binnen als buiten sport en juni, juli en
augustus juist niet. VWS is in overleg met de VSG (Vereniging Sport en Gemeenten)
gekomen tot een zwaarte inschatting en € 90 miljoen voor die drie maanden. Deze € 90
miljoen wordt beschikbaar gesteld door het Ministerie van VWS middels een specifieke
uitkering.
Lokale culturele voorzieningen € 60 miljoen
De vergoeding van € 60 miljoen voor de periode medio maart tot 1 juni is gebaseerd
op gegevens van de VNG. Naar analogie van de compensatie bij sport is gekozen voor
de vergoeding van de huisvestingslasten, deze bedragen circa € 14 miljoen per week.
Deze € 14 miljoen is gecorrigeerd voor verminderd gebruik van gas-water-licht, hetgeen
door de VNG is ingeschat op 15%. Er is daarom uitgegaan van € 12 miljoen per week.
De meeste lokale culturele voorzieningen zijn gesloten per maandag 16 maart jl. Uitgaande
van 10 weken komt daarmee het compensatiebedrag op € 120 miljoen. Net als bij andere
sectoren die geraakt zijn, is rekening gehouden met een eigen bijdrage van de sector.
Deze is gesteld op 10%. Vervolgens heeft er politieke bestuurlijke weging plaats gevonden,
waarbij heeft meegewogen dat er via het Ministerie van OCW ook geld beschikbaar werd
gesteld voor lokale en regionale culturele voorzieningen ad € 48,5 miljoen, is hiervoor
gecorrigeerd. Daarmee bedraagt het compensatiebedrag voor de periode medio maart tot
1 juni in totaal € 60 miljoen.
Lokale media € 24 miljoen
De € 24 miljoen voor de periode tot eind 2020 is berekend op basis van het maximale
bedrag dat nodig is om de aanvragen van de verschillende Steunfonds-doelgroepen tot
het einde van het jaar af te dekken (= 6,5 maanden vanaf het aflopen van Steunfonds
I per 15 juni 2020). Hiervoor is gekeken naar de aantallen aanvragers per doelgroep
maal de verdeelsleutel gedurende de looptijd van de eerste drie maanden van het Steunfonds.
Dit komt neer op een bedrag van maximaal € 24 miljoen inclusief uitvoeringskosten
voor het Steunfonds.
Vraag 6:
Op welke terreinen, waarvoor tot 1 juni 2020 nog compensatie nodig was, is na 1 juni
2020 of 1 juli 2020 geen compensatie meer nodig door de afbouw van de maatregelen
en het meer open gaan van het land?
Antwoord:
Er is geen compensatie meer nodig voor:
Wmo-abonnementstarief
Vanaf juni is geen compensatie voor de vrijstelling van het Wmo-abonnementstarief
meer nodig. De toegezegde compensatie had betrekking op een maatregel van de Minister
van VWS om de maanden april en mei vrij te stellen van eigen bijdragen, zoals toegelicht
in de brief van 22 april jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 277). Nu de zorgverlening weer grotendeels is hervat, is compensatie niet meer aan de
orde.
Voorschoolse voorziening peuters, SMIs en Voorschoolse educatie
Deze compensatie heeft betrekking op de (gedeeltelijke) sluiting van de kinderopvang
in de periode 16 maart tot en met 7 juni. Sinds 8 juni is de kinderopvang weer volledig
geopend en is een compensatiemaatregel niet meer nodig.
Noodopvang kinderen
De (gratis) noodopvang gedurende werkdagen overdag is geëindigd op 8 juni. Noodopvang
voor avond, nacht en weekenden is tot in ieder geval 1 juli (gratis) beschikbaar voor
ouders, waarvan één of beide ouders werken in de zorg. Eind juni wordt besloten of
dit gecontinueerd moet worden. Indien wordt besloten om te verlengen, dient over eventuele
extra financiering nog bestuurlijk gesproken te worden, als blijkt dat dit niet binnen
de huidige € 23 miljoen opgevangen zou kunnen worden.
Sport
Op 29 april voor de jeugd en op 11 mei voor alle leeftijden zijn alle buitensportaccommodaties
weer opengegaan. Voor de binnensport wordt dat in de week van 29 juni besloten. Uiteraard
hebben sportverenigingen door de huidige maatregelen minder inkomsten, zoals bijvoorbeeld
uit kantineverkopen en wedstrijdgelden, maar met het Sport specifieke steunpakket
is de verwachting van de Minister voor Medische zorg en sport dat de sector voldoende
geholpen is. Voor de commerciële sportaanbieders in het bijzonder geldt dat zij gebruik
kunnen maken van de brede steunregelingen van het kabinet. De Minister voor medische
zorg en sport houdt een vinger aan de pols of aanvullende steun benodigd is. Dat is
mede afhankelijk van de verdere versoepelingen van maatregelen per 1 september.
Lokale media, betreft vergoeding voor heel 2020
Voor de continuering van de lokale informatievoorziening is tot het einde van 2020
€ 24 miljoen extra beschikbaar gesteld. Naar inschatting van het kabinet is deze € 24
miljoen voldoende om de lokale media in deze tijden te ondersteunen. De advertentie-inkomsten
van lokale media (hun voornaamste inkomensbron) lijken voorzichtig aan te trekken
als gevolg van de afbouw van de maatregelen en het openstellen van sectoren, maar
het kabinet voorziet onvoldoende herstel van de advertentiemarkt om de compensatie
via het Tijdelijk Steunfonds voor Lokale Informatievoorziening vóór het einde van
het jaar stop te zetten.
Vraag 7:
In de komende periode werken Rijk en VNG samen om van inschatting van de kosten tot
inzicht en definitieve afspraken te komen, wanneer kan c.q. moet hierover duidelijkheid
zijn?
Antwoord:
Zoals in mijn brief van 28 mei jl. (Kamerstuk 35 420, nr. 43) vermeld, werken Rijke en VNG samen om op het gebied van de meerkosten en de inhaalzorg
spoedig tot definitieve afspraken te komen. Het kabinet voert hierover overleg met
gemeenten. Tegelijkertijd is het goed in beeld krijgen van de kosten een tijdrovend
proces. Het kabinet streeft er naar in het najaar definitieve afspraken met gemeenten
te kunnen maken.
Vraag 8:
Op welk totaalbedrag schat u de impact van de coronacrisis op lokale overheden op
dit moment en kunt u deze bedragen uitsplitsen naar oorzaak?
Antwoord:
De totale financiële impact van de inkomstenderving voor medeoverheden in 2020 is
op dit moment nog niet bekend. Met medeoverheden zal het kabinet deze impact monitoren.
Zoals toegezegd in de kamerbrief van 28 mei jl. zal het kabinet waar nodig medeoverheden
compenseren (Kamerstuk 35 420, nr. 43).
Vraag 9:
Er is 23 miljoen euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor kinderopvang, welke activiteiten
en werkzaamheden hebben gemeenten specifiek extra moeten doen?
Antwoord:
De gemeenten spelen bij het aanbieden van de noodopvang een coördinerende rol. Dit
wil zeggen dat gemeenten samen met scholen, kinderopvangorganisaties en gastouderopvang
zorg droegen voor het aanbieden van noodopvang voor ouders die werkzaam waren in cruciale
beroepsgroepen en of in de vitale sector. Gemeenten hebben hierbij de regie gevoerd.
In de 7e aanwijzing aan veiligheidsregio’s van 3 april jl. hebben gemeenten verder
de opdracht gekregen om ook voor kinderen van 0–4 jaar in kwetsbare situaties maatwerk
te bieden (tot 8 juni).
Met de beschikbaar gestelde middelen konden gemeenten, scholen en opvangorganisaties
financieel compenseren voor gemaakte kosten van noodopvang. De middelen zijn beschikbaar
gesteld voor de periode 16 maart tot 1 juli. Eind juni wordt besloten of de noodopvang
voor avond, nacht en weekenden gecontinueerd moet worden na 1 juli.
Vraag 10:
Hoe wordt de zogenaamde opschalingskorting uitgevoerd, in bedragen per jaar?
Antwoord:
De opschalingskorting voor gemeenten is in onderstaande tabel weergegeven.
Opschalingskorting (in miljoenen euro)
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
Struc. in 2025
Absoluut
60
60
60
60
60
70
90
110
130
135
140
Cumulatief
60
120
180
240
300
370
460
570
700
835
975
Vraag 11:
Waarom wordt er vastgehouden aan de opschalingskorting?
Antwoord:
De VNG en het kabinet hebben in het interbestuurlijk programma diverse afspraken gemaakt,
waaronder over passende financiële verhoudingen. Besluitvorming over de voortzetting
van de schalingskorting is aan een nieuw kabinet.
Vraag 12:
Hoe verhoudt de opschalingskorting zich tot het toegezegde bedrag om de coronacrisis
op te vangen?
Antwoord:
De opschalingskorting staat los van de coronacrisis. De VNG en het kabinet hebben
in het interbestuurlijk programma diverse afspraken gemaakt, waaronder over passende
financiële verhoudingen, en daarover geconcludeerd dat de ambities en financiële middelen
in balans zijn.
De opschalingskorting, die door het kabinet Rutte-II is ingevoerd, is gebaseerd op
schaalvoordelen wanneer gemeenten groter worden of meer met elkaar gaan samenwerken.
Het kabinet ziet dat gemeenten op dit gebied eigen initiatief tonen. Besluitvorming
over de voortzetting van de opschalingskorting is aan een nieuw kabinet.
Vraag 13:
Waarom is er besloten het accres niet toe te passen op extra uitgaven van de overheid
voor coronamaatregelen?
Antwoord:
Voor het accres hebben coronamaatregelen uit het noodpakket geen gevolgen. Door het
coronavirus is sprake van een plotselinge en uitzonderlijke situatie. Daarom geldt
het reguliere uitgavenplafond niet voor de uitgaven uit het noodpakket. Daarmee verdwijnt
ook de logica van een koppeling tussen de uitgaven uit het noodpakket en het accres.
Net als op andere domeinen voorziet het kabinet ook voor de medeoverheden in gerichte
compensatie van de financiële gevolgen van de coronamaatregelen.
Vraag 14:
Wat betekent het dat voor de periode na 1 juni Rijk en medeoverheden samen optrekken
bij de invulling van de nodige maatregelen en om de sociaaleconomische crisis het
hoofd te bieden?
Antwoord:
Het pakket van de € 566 miljoen uit de brief van 28 mei jl. gaat grotendeels over
de periode tot 1 juni 2020. Het is evident dat op die datum de gevolgen van corona
allerminst voorbij zijn. Met de bedoelde zin brengt het kabinet tot uitdrukking dat
de gezamenlijkheid van Rijk en gemeenten om de gevolgen van de crisis onder ogen te
zien ook na 1 juni 2020 wordt voortgezet. Bijvoorbeeld treffen in augustus de fondsbeheerders
en de gemeenten elkaar weer in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen. Daar
worden de zaken bij elkaar gebracht met betrekking tot de gevolgen van de coronacrisis
die op afzonderlijke tafels van vakdepartementen en medeoverheden zijn besproken en
worden de uitkomsten in zijn totaliteit bezien.
Vraag 15:
Waarom kiest het kabinet er wel voor de parkeerbelasting en toeristenbelasting te
compenseren maar geen andere tegenvallende inkomsten zoals door lagere inkomsten uit
leges, meer kwijtschelding van lokale heffingen of andere effecten van de coronacrisis?
Antwoord:
De totale financiële impact van de inkomstenderving voor medeoverheden in 2020 is
op dit moment nog niet bekend. Met de medeoverheden zal het kabinet deze impact monitoren.
Zoals toegezegd in de kamerbrief van 28 mei jl. zal het kabinet waar nodig medeoverheden
compenseren (Kamerstuk 35 420, nr. 43). Vanwege het directe effect op de inkomsten van de medeoverheden is daarop vooruitlopend
ervoor gekozen al wel een compensatie voor de toeristen- en parkeerbelasting te geven.
Vraag 16:
Op welke wijze zal de verdeling van de compensatie voor tegenvallende belastinginkomsten
worden verdeeld over gemeenten?
Antwoord:
De middelen zullen beschikbaar worden gesteld via een decentralisatie-uitkering. De
verdeling vindt plaats naar rato van de verwachte jaaropbrengst. De verdeling vindt
plaats naar rato van de verwachte jaaropbrengst van de betreffende belasting in de
gemeentelijke begroting 2020 zoals gemeenten die via Iv3 hebben aangeleverd bij het
CBS.
Vraag 17:
Welke voorwaarden worden er verbonden aan gemeenten voor de extra steunmaatregelen
voor Corona in het kader van de coronamaatregelen, bijvoorbeeld een gemeentelijk ondersteuningspakket
voor ondernemers (zoals extra ruimte terrassen en uitstel van belastingen), en het
naar voren halen van investeringen en/of onderhoud?
Antwoord:
De middelen voor gemeenten uit het compensatiepakket waarover ik uw Kamer op 28 mei
jl. informeerde (Kamerstuk 35 420, nr. 43) worden verstrekt via het gemeentefonds. Uitkeringen uit het gemeentefonds zijn vrij
besteedbaar en om die reden is geen sprake van voorwaarden. Voor enkele eerder door
het kabinet genomen maatregelen – zoals de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig
ondernemers – geldt dat de middelen via een specifieke uitkering van het verantwoordelijke
vakdepartement worden verstrekt. Hierbij geldt zoals gebruikelijk de voorwaarde dat
gemeenten over de besteding van de middelen verantwoording afleggen aan het Rijk.
Eventuele steunmaatregelen die gemeenten zelf treffen voor ondernemers en/of inwoners
vallen onder de lokale autonomie; het Rijk stelt hieraan geen voorwaarden.
Vraag 18:
Wat wordt verstaan onder een «reële compensatie» voor hogere uitgaven en gederfde
inkomsten? Hoe wordt voorkomen dat het uiteindelijk gaat om een blanco cheque?
Antwoord:
Het is voor een bestendige, gezamenlijke en slagvaardige overheid noodzakelijk dat
medeoverheden hun reguliere taken waaronder vergunningverlening, en hun taken met
betrekking tot participatie, zorg, jeugd, bewegen, vervoer, lokale culturele voorzieningen
en watermanagement kunnen blijven uitvoeren.
Daarom hebben in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv) van 23 april
jl. het kabinet en de medeoverheden besloten een regiegroep in te stellen die de omvang
van de problematiek in beeld brengt met nadruk op de financiële effecten en de daarbij
voorgestelde oplossingsrichtingen, waaronder compensatie. Hierbij gaat het om een
reëel beeld van de kosten, waarbij ook de inkomstenderving wordt meegenomen.
De hoogte en omvang van de reële compensatie vraagt een politiek bestuurlijke afweging.
Vraag 19:
In het gemeentefonds komt compensatie voor gederfde inkomsten voor de toeristenbelasting
en parkeerbelasting, waarom wordt dit verdeeld conform de reguliere sleutels in het
gemeentefonds, want er zijn natuurlijk gemeenten die geenparkeerbelasting hebben die
geen toeristenbelasting hebben en er zijn gemeenten die door hun mono-economie zeer
sterk afhankelijk zijn van toeristen en de toeristenbelasting, zoals bijvoorbeeld
de Waddeneilanden? In hoeverre is de compensatie via het gemeentefonds eerlijk en
redelijk als het gaat om de reële gederfde inkomsten?
Om een beeld te krijgen, wat zal de compensatie via het gemeentefonds zijn voor de
Waddeneilanden als het gaat gederfde toeristenbelasting en wat zijn daar de reële
gederfde inkomsten doordat er veel minder toeristen komen en dus ook minder toeristenbelasting?
Antwoord:
Zoals in het antwoord op vraag 16 is aangegeven zal de verdeling plaatsvinden naar
rato van de verwachte jaaropbrengst van de betreffende belasting in de gemeentelijke
begroting 2020 zoals gemeenten die via Iv3 hebben aangeleverd bij het CBS.
Voor alle gemeenten geldt dat zij 25% van de begrote inkomsten uit toeristenbelasting
en 12,5% van de begrote inkomsten uit parkeerbelasting voor 2020 gecompenseerd krijgen.
Deze methodiek is gekozen opdat er zo aansluiting is bij de inschatting van de reële
(gederfde) inkomsten van de gemeenten (als ook de Waddeneilanden) zelf.
U ontvangt binnenkort van mij een brief waarin, in de bijlage, is opgenomen de verdeling
van de compensatie voor de derving van de toeristen- en parkeerbelasting per gemeente.
Vraag 20:
a) Eerder is al compensatie beschikbaar gesteld voor gemeenten voor onder meer sportverenigingen
(90 miljoen tot 1 juni 2020) en de uitvoering van de TOZO (2 miljard tot 1 juni 2020),
hoe wordt hier na 1 juni 2020 omgegaan?
b) Hoeveel geld is voor de gemeenten meegenomen voor de uitvoering van de Tijdelijke
overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) in het tweede noodpakket economie
en banen vanuit het Ministerie van Sociale Zaken?
Antwoord:
Voor sport geldt dat op 29 april voor de jeugd en op 11 mei voor alle leeftijden alle
buitensportaccommodaties weer zijn opengegaan. Voor de binnensport wordt dat in de
week van 29 juni besloten. Uiteraard hebben sportverenigingen door de huidige maatregelen
minder inkomsten, zoals bijvoorbeeld uit kantineverkopen en wedstrijdgelden, maar
met het Sport specifieke steunpakket is de verwachting van de Minister voor Medische
zorg en sport dat de sector voldoende geholpen is. Voor de commerciële sportaanbieders
in het bijzonder geldt dat zij gebruik kunnen maken van de brede steunregelingen van
het kabinet. De Minister voor medische zorg en sport houdt een vinger aan de pols
of aanvullende steun benodigd is. Dat is mede afhankelijk van de verdere versoepelingen
van maatregelen per 1 september.
Voor de Tozo geldt:
a) De kosten die gemeenten maken voor de uitvoering van de Tozo-1 en Tozo-2 worden door
het Rijk vergoed. Gedurende de looptijd van Tozo-1 is aan gemeenten € 2 miljard bevoorschot.
Inmiddels is een € 0,5 miljoen extra bevoorschot voor de afronding van Tozo-1 en de
start van Tozo-2. Het gebruik van de regeling wordt gemonitord en waar nodig worden
aan gemeenten nieuwe voorschotten verstrekt.
b) Op basis van een grove inschatting bedragen de budgettaire gevolgen voor Tozo-2 t/m
eind september € 1,5 miljard. Naar verwachting komen de uitgaven voor levensonderhoud
op € 1 miljard en voor kapitaalverstrekkingen op € 0,5 miljard. In deze bedragen zijn
ook uitvoeringskosten meegenomen. De uitgaven voor kapitaalverstrekkingen zijn leningen,
die in toekomstige jaren dienen te worden terugbetaald.
Vraag 21:
Waar zijn de toegezegde bedragen op gebaseerd?
Antwoord:
Om een indicatie te geven van het gebruik van de Tozo is een snelle monitoring opgezet.
Een steekproef onder ongeveer 150 gemeenten verspreid over het land wordt vertaald
naar een landelijk beeld. De resultaten van de snelle monitoring worden gebruikt voor
een inschatting van de benodigde bevoorschotting. Achteraf worden gemeenten volledig
financieel gecompenseerd voor het beroep op de Tozo. Gemeenten ontvangen een vergoeding
van de uitgaven aan levensonderhoud en kapitaalverstrekkingen. Daarnaast ontvangen
de gemeenten een vergoeding voor de uitvoeringskosten op basis van het aantal besluiten
Tozo. Gemeenten ontvangen een vast bedrag per besluit op een aanvraag.
Vraag 22:
Waarom is er geen compensatie voor gemeenten ingesteld om mogelijk te maken dat sportvoorzieningen,
culturele of andere maatschappelijke voorzieningen geen of minder huur hoeven te betalen
vanwege de coronacrisis?
Antwoord:
– Voor de periode tot 1 juni 2020 heeft het kabinet steunmaatregelen getroffen op het
gebied van sport- en lokale culturele voorzieningen. Voor steun aan lokale sportvoorzieningen
heeft het kabinet besloten gemeenten voor een bedrag van € 90 miljoen te compenseren
voor het kwijtschelden van de huurkosten aan sportverenigingen die geconfronteerd
worden met inkomstenderving. Daarnaast gaat er € 20 miljoen naar sportverenigingen
met een eigen accommodatie. Voor steun aan lokale culturele voorzieningen, heeft het
kabinet besloten gemeenten voor een bedrag van € 60 miljoen te compenseren. Deze middelen
lopen via het gemeentefonds en zijn vrij besteedbaar. Gemeenten mogen de middelen
dus inzetten voor kwijtschelding van de huurkosten van culturele voorzieningen.
– Om steun te bieden aan maatschappelijke voorzieningen, in de zin van welzijnswerk,
zijn op 12 juni 2020 aan de TOGS-regeling (Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren)
van het Ministerie van EZK een drietal SBI-codes toegevoegd. Deze uitbreiding maakt
aanspraak op financiële ondersteuning voor de dorpshuizen, gemeenschapshuizen en wijkcentra
mogelijk. Dit betreft de dorpshuizen, gemeenschapshuizen en wijkcentra die niet vanuit
de Wmo bekostigd worden.
Vraag 23:
Waarom worden de middelen voor isnstandhouding van lokale culturele voorzieningen
toegevoegd aan de algemene uitkering en is er niet gekozen voor een decentralisatie-uitkering?
Antwoord:
In de algemene uitkering wordt reeds rekening gehouden met de kosten van gemeenten
voor cultuur. Deze objectieve verdeelsleutel houdt op basis van eerder onderzoek zo
goed mogelijk rekening met de kostenverschillen tussen gemeenten op het terrein van
cultuur. Daarom is in overleg met de VNG besloten voor toevoeging aan de algemene
uitkering. Zowel de algemene uitkering als een decentralisatie-uitkering maken onderdeel
uit van het gemeentefonds en zijn vrij besteedbaar.
Vraag 24:
Op welke manier zal het provinciaal toezicht op de gemeentelijke financiën omgaan
met tekorten bij gemeenten als gevolg van de coronacrisis bovenop de de financiële
situatie in het sociaal domein?
Antwoord:
Wij zijn in gesprek met gemeenten en provinciaal toezichthouders. Deze laatste geven
aan begrip te hebben voor de heel lastige situatie. De wettelijke toezichtskaders
zijn uitgangspunt. In hun rol en taakopvatting in het algemeen proberen ze om in een
zo vroeg mogelijk stadium met gemeenten eventuele financiële hobbels te identificeren
en mee te denken in oplossingsrichtingen hiervoor. Ze geven het advies om de effecten
van de coronacrisis zoveel mogelijk, bij voorkeur in een aparte paragraaf en in incidenteel
en structureel opzicht, inzichtelijk (meerjarig) te maken naast de going concern exploitatie.
Dit om een betere inschatting van de sluitendheid of een herstel daarvan zichtbaar
te maken. Mocht er onverhoopt toch een situatie ontstaan van noodzaak tot preventief
toezicht, dan kan de afzonderlijke corona-informatie aanleiding zijn tot maatwerk
binnen die toezichtvorm.
Ondertekenaars
-
, -
Eerste ondertekenaar
E. Ziengs, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
F.M.J. Hendrickx, adjunct-griffier