Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Koerhuis over het bericht ‘Provincie Noord-Holland trapt op de rem’ in het Noordhollands Dagblad
Vragen van het lid Koerhuis (VVD) aan de Minister voor Milieu en Wonen over het bericht dat de provincie Noord-Holland op de rem trapt (ingezonden 24 februari 2020).
Antwoord van Minister Ollongren (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
21 april 2020). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2178.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Provincie Noord-Holland trapt op de rem»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe kijkt u aan tegen de uitspraak van woningbouwdeskundige Jos Feijtel dat de provincie
Noord-Holland wéér op de rem trapt?
Antwoord 2
Ik zie het als mijn rol erop toe te zien dat de provincie Noord-Holland, net als andere
provincies, met gemeenten tot een woningbouwprogrammering met voldoende volume en
snelheid komt, in een goede afweging met andere ruimtelijke belangen. Op 2 maart jl.
heeft Minister van Veldhoven met gedeputeerden van alle provincies besproken dat we
gezamenlijk het voortouw nemen om dit te realiseren. Daarin geldt de nieuwe bevolkingsprognose
van het CBS als uitgangspunt, wat mogelijk betekent dat het nodig is om extra locaties
aan te wijzen om tot 130% plancapaciteit te komen. Mede op basis van de NOVI zal ik
in samenspraak een actieve rol vervullen om extra grootschalige locaties te identificeren.
De uiteindelijke keuze voor specifieke locaties en gemeenten blijft echter aan medeoverheden,
wanneer zij invulling geven aan de kaders die het Rijk daar op hoofdlijnen aan stelt.
In de meest recente inventarisatie plancapaciteit (najaar 2019) bleek dat de provincie
Noord-Holland over ruim meer dan 130% plancapaciteit beschikt ten opzichte van de
behoefte. Naast volume is ook de juiste snelheid van de bouwplannen cruciaal. De volgende
stap is daarom om inzichtelijk te maken wat er nodig is om deze plannen, en met name
de grootschalige plannen, met de tijdig te realiseren. Op 2 maart jl. is door Minister
van Veldhoven met de gedeputeerden afgesproken om hier gezamenlijk aan verder te werken,
zodat er dit jaar nog resultaten liggen.
Vraag 3
Kunt u aangeven wat er veranderd is sinds uw gesprek met de provincie Noord-Holland
begin vorig jaar toen de rem eraf is gehaald en het bericht van 20 februari 2020?
Antwoord 3
In maart 2019 ontving u een Kamerbrief met verslag van het bestuurlijk overleg met
de provincie Noord-Holland, regio Alkmaar en private partijen over de voortgang van
de woningbouw in deze regio. Daarbij zijn afspraken gemaakt om te komen tot een realiseerbare
programmering die voorziet in de behoefte. Hiervoor is het nodig om zachte plannen
die snel te realiseren zijn naar voren te halen. Om deze gezamenlijke ambities mogelijk
te maken heb ik ondersteuning aan de regio vanuit BZK aangeboden. Daarbij is bovendien
aangegeven dat ik zal bezien wat binnen het instrumentarium en de rol van het ministerie
mogelijk is om de regio te ondersteunen. Het Expertteam Woningbouw van BZK is in de
regio Alkmaar reeds actief als ondersteuning bij diverse projecten.
Op dit moment is er geen sprake van wijziging ten opzichte van de afspraken in 2019,
en wordt hier door de provincie met gemeenten in samenwerking uitvoering aan gegeven.
Wel heeft de provincie Noord-Holland inmiddels de ontwerpOmgevingsverordening voor
inspraak ter inzage gelegd. Gemeenten en belanghebbenden zijn in de gelegenheid hier
een zienswijze op in te dienen, bijvoorbeeld indien dit in hun optiek niet in lijn
is met de afspraak om tot een goede woningbouwprogrammering te komen. Provinciale
staten van Noord-Holland stelt vervolgens de al dan niet gewijzigde Omgevingsverordening
vast.
Tijdens het overleg met alle gedeputeerden portefeuillehouders Wonen op 2 maart jl.
is besproken dat ik verwacht dat zij bij de planvorming uitgaan van een plancapaciteit
van 130% en voldoende snelheid in de realisatie van woningbouw. Bij de beantwoording
van de zienswijzen op het provinciaal beleid ga ik ervan uit dat deze aspecten leidend
zijn.
Vraag 4
Hoe rijmt u dit met de aangenomen motie Koerhuis/Ronnes die verzoekt om gemeenten
boven Amsterdam meer ruimte te geven om te plannen en te bouwen door overprogrammeren
toe te staan, en regionale woonafspraken en rode en groene contouren te verruimen?2
Antwoord 4
Aan deze motie is invulling gegeven door met de regio afspraken te maken over een
realiseerbare woningbouwprogrammering met ruimte voor overprogrammeren ten opzichte
van de behoefte. In aanvulling hierop stuur ik bovendien op 130% plancapaciteit voor
alle provincies, waarbij deze plancapaciteit met voldoende snelheid te realiseren
moet zijn om te voorzien in de woningbehoefte. Daarbij ligt in verband met een integrale
afweging van verschillende opgaven zoals mobiliteit, groen, energietransitie en klimaatadaptatie
de prioriteit bij het binnenstedelijk bouwen en realisatie van woningbouw rond OV-knooppunten.
Alleen in onze binnensteden bouwen is niet voldoende om de vraag te volgen en het
woningtekort in te lopen. Daarom moeten er tegelijkertijd ook locaties worden aangewezen
aan de randen van de centrumstad, maar binnen het bestaande stedelijk gebied, gekoppeld
aan bestaande of nieuw te realiseren (OV)infrastructuur.
Vraag 5
Hoe staat het met het overprogrammeren in Noord-Holland? Hoe staat het met uw toezegging
om provincies op te roepen 130% overprogrammeren toe te staan?
Antwoord 5
Ik geef niet alleen invulling aan de toezegging om overprogrammeren toe te staan,
ik verwacht van provincies dat zij hier invulling aan geven en neem daarin gezamenlijk
met provincies het voortouw. Tijdens het overleg op 2 maart jl. met alle gedeputeerden
met de portefeuille Wonen heeft Minister van Veldhoven nadrukkelijk gewezen op de
urgentie van ruim voldoende bouwplannen en uitgesproken dat ik verwacht dat provincies
inzetten op 130% plancapaciteit.
Het voorgenomen beleid van de provincie Noord-Holland is weergegeven in de ontwerpWoonagenda
2020–2025. Zoals hiervoor aangegeven bedraagt de plancapaciteit hierin meer dan 130%.
De provincie Noord-Holland meldde ons dat gemeenten via de woonagenda gestimuleerd
worden om ervoor te zorgen dat er voor de komende vijf jaar steeds minimaal 130% harde
plancapaciteit is.
Vraag 6
Bent u bereid om weer in gesprek te gaan met de provincie Noord-Holland om de rem
er weer af te halen?
Antwoord 6
Ik zal periodiek met de provincies, waaronder provincie Nood-Holland, spreken over
bouwplannen en de realisatie van woningbouw. Voor de Metropoolregio Amsterdam is daarnaast
middels de woondeal en de verstedelijkingsstrategie sprake van een continu proces
waarbij de provincie, de regio en het ministerie in nauw overleg de voortgang van
realisatie en planvorming van woningbouw bespreken en waar nodig een bijdrage leveren
aan versnelling en programmering.
Gelet op de huidige maatschappelijke situatie zetten wij nog meer energie in op het
met alle partijen behalen van resultaten.
Vraag 7
Klopt het dat door het aanwijzen van kleine kernen en lintbebouwing als landelijk
gebied het moeilijker wordt om in die gebieden te bouwen? Zo ja, bent u bereid om
dit in het gesprek met de provincie mee te nemen?
Antwoord 7
De provincie geeft aan dat zij voor de totstandkoming van het werkingsgebied landelijk
gebied een aantal uitgangspunten heeft gehanteerd. Daarbij zijn de CBS-gegevens voor
bevolkingskernen gebruikt.
• De stedelijke hoofd- of basiskernen (>500 woonadressen) maken geen deel uit van het
werkingsgebied landelijk gebied.
• De aan deze kernen grenzende stedelijke bestemmingsvlakken die ten dienste staan van
de kern (zoals sportvelden en bedrijventerreinen) maken geen deel uit van het landelijk
gebied.
• Op het uitgangspunt genoemd onder 2 zijn twee uitzonderingen mogelijk:
▪ Stedelijke bestemmingsvlakken grenzend aan de kern die eerder al onder één van de
voormalige regimes bufferzones (voormalige Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV)),
aardkundig monument (voormalige Provinciale Milieuverordening (PMV)) of weidevogelleefgebied
(PRV) vielen maken wel deel uit van het landelijk gebied
▪ Stedelijke bestemmingsvlakken grenzend aan de kern, met een overwegend groen karakter,
die gezien de ligging en kwaliteiten deel uitmaken van Bijzonder Provinciaal Landschap
(BPL) maken wel deel uit van het landelijk gebied.
• Kleine kernen (<500 woonadressen) en linten maken wel deel uit van het landelijk gebied.
Dit laatste uitgangspunt is voor wat betreft linten conform de Omgevingswet. Voor
woningbouw in het landelijk gebied (niet zijnde BPL) biedt de provincie voor kleinschalige
woningbouwontwikkelingen (11 woningen of minder) meer ruimte. Zoals reeds aangegeven
stuur ik op volume en snelheid van de bouwprogrammering, en ga ik daar met de provincie
mee aan de slag. In de NOVI geef ik op hoofdlijnen richting aan de keuze voor gebieden
en locaties. Binnen die kaders zijn specifieke keuzes aan de medeoverheden, in de
afweging met andere ruimtelijke belangen.
Vraag 8
Deelt u de mening dat, gezien de grote woningbouwopgave, de provincie Noord-Holland
een halt toegeroepen moet worden met betrekking tot «de fixatie op binnenstedelijk
bouwen»?
Antwoord 8
In het Rijks- en provinciaal beleid is het binnenstedelijk bouwen nabij knooppunten
prioritair. In de gebieden met de grootste bouwopgave werken we samen met de provincie
en regio in woondeals en regionale verstedelijkingsstrategieën om te zorgen voor voldoende
plancapaciteit, bouwsnelheid en keuzes over de juiste locaties. Dit in samenhang met
beslissingen over infrastructuur, werklocaties, investeringen en publieke en private
voorzieningen.
Alleen in onze binnensteden bouwen is niet voldoende om de vraag te volgen en het
woningtekort in te lopen. Daarom moeten er tegelijkertijd ook locaties worden aangewezen
aan de randen van de centrumstad, maar binnen het bestaande stedelijk gebied, gekoppeld
aan bestaande of nieuw te realiseren (OV)infrastructuur. We maken regionale verstedelijkingsstrategieën
voor gebieden met de grootste groei in het Stedelijk Netwerk Nederland, waarin binnen-
en buitenstedelijke mogelijkheden voor noodzakelijke woningbouw, ook in relatie tot
leefomgevingskwaliteiten in beeld worden gebracht. Op deze manier kan met tempo én
kwaliteit gebouwd worden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.