Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Jansen en Van Aalst over het bericht dat hulpdiensten in de knel komen door de verlaging van de maximumsnelheid
Vragen van de leden Jansen en Van Aalst (beiden PVV) aan de Minister voor Medische Zorg en van Infrastructuur en Waterstaat over het bericht dat hulpdiensten in de knel komen door de verlaging van de maximumsnelheid (ingezonden 28 februari 2020).
Antwoord van Minister Bruins (Medische Zorg), mede namens de Minister van Infrastructuur
en Waterstaat (ontvangen 17 maart 2020).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Ambulancedienst waarschuwt voor langere aanrijtijd
door verlagen maximumsnelheid»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat door het verlagen van de maximumsnelheid de aanrijtijd voor
onze hulpdiensten langer wordt?
Antwoord 2
De exacte effecten van de snelheidsverlaging tussen 06.00 en 19.00 uur op de aanrijtijden
van de hulpdiensten zijn op dit moment niet bekend. Wel is de eerste inschatting van
onder andere brandweer, politie, ambulancediensten en het Kenniscentrum Voorrangsvoertuigen
van het Instituut voor Fysieke Veiligheid dat deze effecten gering tot nihil zullen
zijn en er vooralsnog geen extra maatregelen nodig zijn. De verwachte effecten zijn
binnen het kenniscentrum besproken.
Door de maatregel mogen hulpverleningsdiensten in Nederland tussen 06.00 en 19.00
uur maximaal 140 km/u rijden op wegen waar de maximumsnelheid van 100 km/u gaat gelden.
De brandweer geeft aan dat relatief weinig gebruik wordt gemaakt van autosnelwegen,
dat een relatief zware tankautospuit al een maximumsnelheid kent van 100 km/h en dat
de verwachte gevolgen voor de brandweer nihil zijn2. Voor wat betreft de politie is er reeds de mogelijkheid om in bepaalde gevallen
de norm van 40 km/h boven de maximumsnelheid te overschrijden, na overleg met de meldkamer.
Voor wat betreft de ambulancezorg ga ik er ook vanuit dat de gevolgen gering zijn.
Het RIVM meet elke 3 jaar de actuele snelheden van ambulances die met spoed rijden
en actualiseert op die manier «het Rijtijdenmodel». Bij de laatste herziening van
het Rijtijdenmodel in 2016 zag het RIVM dat het sporadisch voorkwam dat een ambulance
sneller dan 140 km/u reed. Zodoende verwacht ik dat het effect van het verlagen van
de maximumsnelheid voor de aanrijtijden van de ambulances gering zal zijn.
Vraag 3
Kunt u vertellen wat het gemiddeld aantal minuten tijdsverlies zal zijn bij het aanrijden?
Antwoord 3
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Kunt u vertellen hoeveel mensen er hierdoor te laat geholpen gaan worden?
Antwoord 4
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 5
Deelt u de mening dat deze snelheidsverlaging onaanvaardbare risico’s met zich meebrengt
voor mensen in nood?
Antwoord 5
Nee, die mening deel ik niet, gezien de ervaringen uit het verleden, geschetst in
het antwoord op vraag 2.
Vraag 6
Bent u daarom bereid alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat onze hulpdiensten
niet worden getroffen door deze snelheidsverlaging? Zo nee, wat heeft u dan te zeggen
tegen onze hulpverleners die straks in hun werk ernstig belemmerd gaan worden?
Antwoord 6
Hulpdiensten mogen volgens de Regeling Optische en Geluidssignalen (OGS) 2009 en volgens
de huidige brancherichtlijnen OGS maximaal 40 km/uur boven de ter plaatse geldende
maximumsnelheid rijden. Dat betekent dat deze hulpdiensten op wegen waar de snelheid
wordt verlaagd tot 100 km/uur vanaf 16 maart tussen 06.00 en 19.00 uur maximaal 140
km/uur mogen rijden en dat er na 19.00 uur ’s avonds en ’s nachts niets verandert
ten opzichte van de huidige situatie.
De achtergrond van deze norm in de Regeling OGS – dat de maximumsnelheid met niet
meer dan 40 km/uur mag worden overschreden – is de verkeersveiligheid. Het is belangrijk
dat het snelheidsverschil tussen een voorrangsvoertuig en het overige verkeer niet
te groot wordt.
Uiteraard zal ik met het Kenniscentrum Voorrangsvoertuigen en de hulpdiensten in overleg
blijven over de daadwerkelijke effecten van de snelheidsverlaging op de aanrijtijden.
Ik volg het effect nauwgezet. Mochten hier knelpunten duidelijk worden, dan zal gezamenlijk
worden bezien welke aanvullende maatregelen nodig en haalbaar zijn. Ik zal uw Kamer
daar dan ook over informeren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Bruins, minister voor Medische Zorg -
Mede ondertekenaar
C. van Nieuwenhuizen Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.