Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Sienot over het artikel ‘Nederland achter met hernieuwbare energie’
Vragen van het lid Sienot (D66) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over het artikel «Nederland achter met hernieuwbare energie» (ingezonden 4 oktober 2019).
Antwoord van Minister Wiebes (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 13 november
2019). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 335.
Vraag 1
Kent u het artikel «Nederland achter met hernieuwbare energie»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de grote zorg dat Nederland achterloopt ten opzichte van de andere Europese
lidstaten op het gebied van hernieuwbare energie? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Nederland loopt met een geraamd aandeel van 11,6% in 2020 inderdaad achter ten opzichte
van de Europese doelstelling van 14% en het EU gemiddelde. We zijn echter op weg om
deze achterstand in te lopen. Uit de ramingen van de KEV2019 blijkt dat de productie
van hernieuwbare energie stijgt van 140 PJ in 2017 naar een verwachte 239 PJ in 2020,
een groei van ruim 70%. Ook in de jaren na 2020 zal deze sterke groei zich voortzetten.
Vraag 3
Welke stappen onderneemt u om het aandeel duurzame energie te vergroten in Nederland?
Antwoord 3
De belangrijkste subsidie voor hernieuwbare energie is de Stimuleringsregeling voor
hernieuwbare elektriciteitsproductie (SDE+). Daarnaast bestaan er nog tal van andere
regelingen voor de stimulering van hernieuwbare energie, zoals de salderingsregeling,
de postcoderoosregeling, de Investeringssubsidie voor Duurzame Energie (ISDE), de
Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) en de subsidie Hernieuwbare
Energie (HER).
De afgelopen jaren heeft het kabinet diverse maatregelen genomen om de ontwikkeling
van het aandeel hernieuwbare energie te versnellen. Ook eerder dit jaar heeft het
kabinet aanvullende maatregelen getroffen en aangekondigd, zoals de verlenging van
de salderingsregeling tot 2023 en de aanpassing van de redundantie-eis voor het elektriciteitsnet.
Met een lagere redundantie-eis kan (met name voor duurzame opwek) enige ruimte op
het net worden gecreëerd zonder dat daarmee de leveringszekerheid van elektriciteit
in gevaar komt.
Daarbovenop zet het kabinet de eindsprint in met een pakket aan aanvullende maatregelen
om het doel voor 14% hernieuwbare energie in 2020 te realiseren. Deze maatregelen
dragen ook bij aan de 25% CO2-reductie in het kader van het Urgenda-vonnis en de ambities van het Klimaatakkoord.
Om de realisatie van hernieuwbare energie op korte termijn te versnellen wordt in
2020 een extra ronde van de SDE+ opengesteld. Daarnaast heeft het kabinet het budget
van de ISDE voor 2019 verhoogd met € 60 mln. zodat nog meer mensen een tegemoetkoming
kunnen krijgen voor de aanschaf van een zonneboiler of warmtepomp. Het pakket beoogt
tevens de uitrol van zon op daken van onder andere overheidsgebouwen, scholen en particulieren
te versnellen.
Vraag 4
Hoe verklaart u dat Nederland het enige land in de Europese Unie is waar het werkelijk
bereikte percentage zo ver afstaat van de doelstelling?
Antwoord 4
Op dit moment zijn er volgens de rapportages van de Europese Commissie zes EU-lidstaten
die hun hernieuwbare energie doelstelling voor 2020 naar alle waarschijnlijkheid niet
zullen halen. De achterstand is voor Nederland relatief gezien het grootst. Dit komt
door een combinatie van factoren.
Door een langdurige periode van sterke economische groei is de energievraag dusdanig
toegenomen, dat de gestegen hoeveelheid hernieuwbare energie naar verhouding lager
is dan de stijging in het totale energieverbruik. Ondanks een forse toename van hernieuwbare
energieproductie, valt het aandeel hernieuwbare energie daarom lager uit dan verwacht.
Een ander deel van het tekort is te verklaren door vertraging in een aantal grote
hernieuwbare energieprojecten op land (Kamerstuk 33 612, nr. 70). Hierdoor wordt een deel van de stijging in de hernieuwbare productie pas na 2020
gerealiseerd.
Vraag 5
Deelt u de constatering dat Nederland te laat is begonnen met verstrekken van grote
subsidies voor zonne- en windenergie en daarbij achterloopt op landen als Denemarken,
Duitsland en Spanje? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Deze constatering deel ik niet. Nederland heeft zijn ambities met betrekking tot hernieuwbare
energie in 2013 vastgelegd in het Energieakkoord. Op basis daarvan zijn de afgelopen
jaren voldoende subsidieverplichtingen aangegaan om deze ambities te realiseren. Zoals
in het antwoord op vraag 4 toegelicht, is een deel van het tekort te verklaren door
de vertraging die een aantal grote hernieuwbare energieprojecten hebben opgelopen
de afgelopen jaren. Dit is niet te wijten aan een tekort aan financiële middelen maar
heeft te maken met problemen met betrekking tot draagvlak en aansluiting op het net.
De komende jaren zullen deze projecten alsnog gerealiseerd worden, waardoor de groei
in hernieuwbare energie productie die de afgelopen jaren is ingezet, onverminderd
door zal zetten.
Vraag 6
Deelt u de mening dat Nederland moet voldoen aan de afgesproken hernieuwbare energiedoelstelling?
Zo ja, op welke wijze gaat u zorg dragen dat Nederland zal voldoen aan het afgesproken
aandeel hernieuwbare energie in 2020? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Ja. Ik blijf inzetten op het realiseren van alle verstandige projecten in Nederland
die bijdragen aan het aandeel hernieuwbare energie in 2020 en de jaren daarna. Hierover
is de Kamer onlangs in meer detail geïnformeerd (Kamerstuk 32 813, nr. 400). Om de resterende opgave – voor zover resterend na het aanvullende maatregelenpakket –
in te vullen, kan statistische overdracht een noodzakelijk sluitstuk zijn van een
breder pakket aan maatregelen om de Europese doelstelling te realiseren en een eventueel
boete en dwangsom te voorkomen. Daarom verken ik op dit moment de ruimte en voorwaarden
voor statistische overdracht in aanvulling op alle genoemde nationale maatregelen.
Hierbij zou het wenselijk zijn dat de middelen die met de overdracht gemoeid zijn,
worden besteed aan de energietransitie in de EU.
Vraag 7
Erkent u de constatering dat de lange voorbereidingstijd van duurzame energieprojecten
heeft bijgedragen aan het achterblijven op de hernieuwbare energiedoelstelling? Op
welke wijze kan deze voorbereidingstijd ingekort worden?
Antwoord 7
Ja. In een aantal gevallen heeft de lange voorbereidingstijd bijgedragen aan het achterblijven
van de realisatie van hernieuwbare opwekcapaciteit. Dit betreft met name wind op land
projecten. De uitrol van wind op zee ligt op schema.
De lange voorbereidingstijd ontstaat door verschillende factoren, die ik met uw Kamer
heb gedeeld op basis van de monitor wind op land d.d. 28 juni jl. (Kamerstuk 33 612, nr. 70). Het betreft conflicterende (Rijks)doelstellingen (hoogtebeperking, ecologie, obstakelverlichting
en radarverstoring), het verkrijgen van opstalrechten, netcapaciteit en bestuurlijke
en maatschappelijke acceptatie.
In het Klimaatakkoord zijn er belangrijke stappen gezet die moeten leiden tot inkorting
van de voorbereidingstijd. Deze heb ik ook met uw Kamer gedeeld als antwoord op Kamervragen
over de waardedaling van huizen door windmolens. Participatie is een cruciaal instrument
voor verkorting van de voorbereidingstijd. Zo worden er 30 Regionale Energiestrategieën
opgesteld (RES-en). De RES-en hebben als doel om samen met de omgeving tot zowel landschappelijk
als maatschappelijk gedragen locaties te komen voor toekomstige wind- en zonneparken.
De netbeheerders zijn hier actief bij betrokken zodat afstemming over de transportcapaciteit
tijdig plaatsvindt en het net tijdig klaar is voor het aansluiten van de wind- en
zonneparken. Tot slot wordt conform de afspraken in het Klimaatakkoord ingezet op
50% lokaal eigendom van productie van hernieuwbare energie op land als middel om maatschappelijke
acceptatie te vergroten.
Vraag 8
Op welke wijze heeft de huidige krapte op het elektriciteitsnet invloed op het halen
van de hernieuwbare energiedoelstelling? Welke stappen onderneemt u om de huidige
krapte op het net op te lossen?
Antwoord 8
De krapte op het net in delen van het land heeft tot gevolg dat een deel van de projecten
in de congestiegebieden op korte termijn niet gerealiseerd kunnen worden. In deze
congestiegebieden voeren de netbeheerders de nodige verzwaringen uit om aan de transportvraag
te voldoen. Ook de komende tijd vinden forse investeringen in de toekomstbestendigheid
van het elektriciteitsnet plaats. Dergelijke netuitbreidingen kosten echter enkele
jaren. Zodra deze aanpassingen gereed zijn, is er weer ruimte in de gebieden waar
het net nu vol zit.
Op korte termijn biedt het pakket aan maatregelen genoemd in de brief van 28 juni
jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 669) daarbij enig soelaas. Hieronder valt o.a. het vrijstellen van de redundantie-eis
van het hoogspanningsnet voor productie. De verwachting is dat deze maatregel tot
een extra capaciteit van 1GW zal leiden in het noorden van het land. Dit zal echter
niet in alle congestiegebieden direct voor voldoende ruimte zorgen.
Voor de langere termijn stimuleert het kabinet de netbeheerders om de benodigde investeringen
te doen om knelpunten op het net op te lossen. Het gaat daarbij niet alleen om investeringen,
maar ook het inzetten van slimme oplossingen, zoals bijvoorbeeld opslag en het beter
op elkaar aan laten sluiten van vraag en aanbod.
In gebieden waar meer ruimte is op het net kan de realisatie van grootschalige hernieuwbare
energieprojecten gewoon doorgaan. Met de extra openstellingsronde SDE+ in het voorjaar
van 2020 kunnen projecten die in 2019 niet konden worden ingediend of gerealiseerd,
vanwege het feit dat deze projecten zich in congestiegebieden bevinden, opnieuw een
aanvraag indienen op een locatie waar wel ruimte is op het net.
Vraag 9
Op welke wijze voorkomt u dat de Nederlandse duurzame energievoorziening afhankelijk
is van biomassa, aangezien uit het artikel blijkt dat de helft van de in Nederland
opgewekte duurzame energie afkomstig is uit biomassa? Hoe vergroot u de inzet van
andere hernieuwbare energiebronnen?
Antwoord 9
Op dit moment is een aanzienlijk deel van de in Nederland opgewekte duurzame energie
afkomstig uit biomassa. Het kabinet is ervan overtuigd dat de inzet van duurzame biomassa
nu en richting 2030 en 2050 noodzakelijk is voor de verduurzaming van onze economie
en het realiseren van de klimaatopgave. Daarbij gelden voor het kabinet twee uitgangspunten:
1. alleen duurzame biomassa kan een bijdrage leveren aan de transitie naar een CO2-arme en circulaire economie, en 2. duurzame biomassa moet uiteindelijk zo beperkt
en hoogwaardig mogelijk worden ingezet. Omdat het Planbureau voor de Leefomgeving
(PBL) na 2030 knelpunten voorziet in het aanbod van duurzame biomassa, is in het Klimaatakkoord
opgenomen dat richting 2050 prioritering van de inzet van duurzame biomassa gewenst
is. Dat betekent dat op termijn biomassa daar moet worden ingezet waar weinig alternatieven
voorradig zijn, de zogenaamde prioritaire toepassingen.
Het relatieve aandeel hernieuwbare energie dat opgewekt wordt door biomassa zal richting
2030 dalen, doordat de hoeveelheid duurzame energievoorziening uit andere bronnen
(zoals wind en zon) verder zal toenemen (zie figuur 4.14 uit de onlangs door PBL gepubliceerde
Klimaat- en Energieverkenning voor 2019).
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.