Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over afschrift van het antwoord op de brief van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) inzake commentaar op de concept aanpassing van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met het wetsvoorstel btw-behandeling van vouchers (Kamerstuk 34755)
34 755 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (btw-behandeling van vouchers)
Nr. 7 HERDRUK1
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 1 maart 2019
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 4 december 2018 over het afschrift
van het antwoord op de brief van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB)
inzake commentaar op de concept aanpassing van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting
1968 in verband met het wetsvoorstel btw-behandeling van vouchers (Kamerstuk 34 755).
De vragen en opmerkingen zijn op 1 februari 2019 aan de Staatssecretaris van Financiën
voorgelegd. Bij brief van 28 februari 2019 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Anne Mulder
De adjunct-griffier van de commissie, Boon
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het besluit
van 18 oktober 2018 inzake de aanpassing btw-regeling voor waardebonnen. De leden
van de VVD-fractie hebben nog enkele vragen.
Deze leden constateren dat er nog onduidelijkheid bestaat of de nieuwe btw-regels
voor vouchers zullen leiden tot het heffen van btw op het recht op een geschenk. Kan
de Staatssecretaris bevestigen dat de nieuwe regels uitsluiten dat op het weggeven
van gratis vouchers geen btw wordt geheven? Zo ja, in welke regels is dit verankerd?
Kan de Staatssecretaris verder aangeven hoe hij dit naar de belastingbetalers kan
en gaat verduidelijken?
Zo nee, kan de Staatssecretaris aangeven waarom hij van mening is dat heffing van
btw op gratis vouchers wel aan de orde kan zijn?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de CDA-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomen van het besluit
van 18 oktober 2018 inzake de aanpassing btw-regeling voor vouchers. In dit besluit
is opgenomen dat «in de nieuwe opzet ondernemers in de meeste gevallen btw moeten
afdragen ter zake van gratis verstrekte goederen». Dit bevreemdt de leden van de CDA-fractie
nu zij in het verslag over het wetsvoorstel btw-behandeling van vouchers gevraagd
hebben naar de fiscale gevolgen voor de btw van het verstrekken van een bon voor een
specifiek product (single purpose voucher). Het gaat hier bijvoorbeeld om een bon
voor een gratis tandpasta die wordt verstrekt door een drogist. De Staatssecretaris
heeft hierop geantwoord dat dit product wordt aangemerkt als een geschenk van geringe
waarde of als monster en dat de verstrekking daarom niet gelijk wordt gesteld aan
een levering onder bezwarende titel. Hij concludeert hierbij dat de drogist geen btw
verschuldigd is bij de verstrekking van de enkelvoudige voucher die ingewisseld kan
worden voor een tube tandpasta.
In het genoemde besluit geeft de Staatssecretaris zelf echter het voorbeeld van een
voucher op de verpakking van een fles schoonmaakmiddel die kan worden ingewisseld
voor een schoonmaakspons. Hierbij komt de Staatssecretaris tot de conclusie dat er
wel btw verschuldigd is op het moment van verstrekking van de voucher.
De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris dan ook of er een fiscaal verschil
is tussen tandpasta’s en sponzen of dat de regelgeving gewijzigd is tussen de plenaire
behandeling van de wet btw-behandeling van vouchers en de verschijning van het besluit.
Indien dit laatste het geval is, vernemen zij graag wat er gewijzigd is en wat daarvoor
de reden is.
De leden van de CDA-fractie achten het niet gewenst dat over een gratis single purpose
voucher reeds bij verstrekking btw moet worden afgedragen. De ondernemer weet dan
immers nog niet of de voucher zal worden ingewisseld en zoals bij de nota naar aanleiding
van het verslag is aangegeven (Kamerstuk 34 755, nr. 5. blz. 8) kan de ondernemer de btw niet terugvragen indien de consument de voucher
niet inwisselt. De leden van de CDA-fractie achten het een vrij bizarre uitkomst wanneer
een ondernemer btw moet afdragen over een niet geleverd product tegen een niet in
rekening gebrachte prijs. Zij vermoeden dat dit voor ondernemers een argument zou
kunnen zijn om minder vaak gratis producten te verstrekken die werden aangemerkt als
«geschenk van geringe waarde of monster». Bovendien komt het deze leden voor dat er
dan sprake is van dubbele heffing van btw, want het niet geleverde product wordt door
de ondernemer vervolgens aan een andere consument verkocht. De leden van de CDA-fractie
verzoeken de Staatssecretaris hierop te reageren.
Hoewel de Staatssecretaris in het besluit reeds enkele voorbeelden geeft, vragen de
leden van de CDA-fractie naar enkele op de werkelijkheid gebaseerde voorbeelden en
zij vragen de Staatssecretaris naar de fiscale gevolgen voor de btw van deze voorbeelden,
zowel wanneer de voucher/waardebon wel wordt ingewisseld als wanneer deze wel wordt
verstrekt, maar niet wordt ingewisseld. Tevens vragen zij ter vergelijking naar de
fiscale btw-gevolgen van producten die direct om niet worden vergeven aan een consument.
Zij denken dan aan de verstrekking van een betaald dagblad om niet ter promotie. Daarnaast
denken zij aan de verstrekking van proefmonsters van een nieuw product ter promotie
zoals die wel eens uitgedeeld worden in een winkelcentrum of op een station.
Voorbeelden:
– De gratis verstrekking van een doos met babyproducten door een drogist of winkelier
tegen inlevering van een op naam gesteld afhaalbewijs.
– Via een app kan de consument ter promotie het geld terugvragen van een nieuwe soort
koffiepads. In dit voorbeeld wordt zowel gevraagd naar een app waarbij alle gebruikers
dezelfde promoties te zien krijgen als naar een app waarbij de gebruikers gepersonaliseerde
promoties te zien krijgen, dus de ene gebruiker kan met de app het geld terugvragen
van koffiepads en de andere gebruiker van chocolademelk.
– Een bon in een tijdschrift geeft recht op gratis verkrijging van een pakje kauwgom.
– De gratis verstrekking van een kortingsbon voor tandpasta die klanten kunnen meenemen
bij de tandarts. In dit voorbeeld wordt tevens gevraagd wie de ondernemer is.
– Koopzegels van een supermarkt, waarbij de consument bij de boodschappen voor € 1,–
zegels koopt en een volle spaarkaart kan inwisselen voor € 1,50 korting op de boodschappen
dan wel contante uitbetaling.
II Reactie van de Staatssecretaris
Op 1 februari jongstleden ontving ik een brief van uw Kamer met vragen en opmerkingen
van de leden van de fracties van de VVD en het CDA over het bij brief van 4 december
2018 aan uw Kamer toegezonden besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting
1968 (aanpassing btw-regeling voor waardebonnen) en de daarbij behorende nota van
toelichting.2 In deze brief wil ik graag een reactie geven op deze vragen en opmerkingen. Hierbij
houd ik zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aan, met dien verstande dat gelijkluidende
of in elkaars verlengde liggende vragen en opmerkingen samen zijn beantwoord.
De leden van de fractie van de VVD vragen of ik kan bevestigen dat de nieuwe btw-regels
voor vouchers uitsluiten dat op het weggeven van gratis vouchers geen btw wordt geheven.
Daarbij vragen zij in welke regels dit is verankerd en hoe ik dit naar de belastingbetalers
kan en ga verduidelijken. Voorts vragen zij waarom ik van mening ben dat btw-heffing
over gratis vouchers wel aan de orde kan zijn.
De verstrekking van een gratis goed direct aan de consument en de verstrekking van
een gratis goed via een gratis voucher worden voor de btw op dezelfde wijze behandeld.
Dit betekent het volgende. De verstrekking van een gratis goed, al dan niet verstrekt
via een gratis voucher, wordt op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van
de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de wet) onder voorwaarden gelijkgesteld
met een levering onder bezwarende titel (de zogenoemde fictieve levering). De verschuldigde
btw over deze fictieve leveringen wordt berekend op basis van de aankoopprijs van
de goederen, of soortgelijke goederen, of de kostprijs indien de aankoopprijs niet
bekend is. Bij een fictieve levering blijft heffing echter achterwege als het goed
(dat verkregen wordt bij inwisseling van de voucher) wordt aangemerkt als een geschenk
van geringe waarde of als monster in de zin van artikel 3, achtste lid, van de wet.
Bij een geschenk van geringe waarde of een monster gaat het om een goed met een waarde
van maximaal € 15 dat voor bedrijfsdoeleinden gratis wordt verstrekt. Het voorgaande
is door mij op 14 december 2018 via een beleidsbesluit toegelicht.3
De leden van de fractie van het CDA vragen mij of er een fiscaal verschil is tussen
tandpasta’s en sponzen en of de regelgeving gewijzigd is tussen de plenaire behandeling
van de wet btw-behandeling van vouchers en de verschijning van het besluit. Indien
dit het geval vernemen zij graag wat er gewijzigd is en wat daarvoor de reden is.
De regelgeving is sinds de plenaire behandeling van de wet btw-behandeling van vouchers
op dit vlak niet gewijzigd. Hiervoor heb ik toegelicht hoe de verstrekking van een
gratis goed, al dan niet verstrekt via een gratis voucher, voor de btw wordt behandeld.
Voor gratis verstrekte vouchers die kunnen worden ingewisseld voor een tube tandpasta
of een spons zal dit in de praktijk doorgaans betekenen dat btw-heffing achterwege
blijft. Een tube tandpasta en een spons kwalificeren immers veelal als een geschenk
van geringe waarde of als monster in de zin van artikel 3, achtste lid, van de wet.
In de nota van toelichting bij de aanpassing btw-regeling voor waardebonnen had dit
wellicht, net als is neergelegd in de schriftelijke stukken van de parlementaire behandeling
van de wet btw-behandeling van vouchers, wat explicieter naar voren kunnen komen.
Voorts geven de leden van de fractie van het CDA aan het niet gewenst te vinden dat
over een gratis voucher voor enkelvoudig gebruik reeds bij de verstrekking btw moet
worden afgedragen. Zij vermoeden dat dit voor ondernemers een argument zou kunnen
zijn om minder vaak gratis producten te verstrekken die worden aangemerkt als «geschenk
van geringe waarde of monster». Het komt deze leden voor dat er dan sprake is van
dubbele heffing en zij verzoeken mij om hierop te reageren.
Zoals hiervoor is toegelicht blijft heffing van btw achterwege bij de gratis verstrekking
van een voucher voor enkelvoudig gebruik, als de goederen waarvoor deze voucher kan
worden ingewisseld kwalificeren als een geschenk van geringe waarde of als monster.
Voor een ondernemers kan dit dus geen argument zijn om minder vaak gratis producten
te verstrekken die worden aangemerkt als «geschenk van geringe waarde of monster».
Van dubbele heffing is in die gevallen dan ook geen sprake.
De leden van de CDA-fractie vragen voorts naar enkele op de werkelijkheid gebaseerde
voorbeelden en zij vragen mij naar de fiscale gevolgen voor de btw van deze voorbeelden,
zowel wanneer de voucher/waardebon wel wordt ingewisseld als wanneer deze wel wordt
verstrekt, maar niet wordt ingewisseld. De voorbeelden van de CDA-fractie heb ik aan
het eind van dit verslag uitgewerkt. In het hiervoor reeds genoemde beleidsbesluit
zijn naast een toelichting op de uitvoering van de regels voor vouchers, waardebonnen
en zegels ook praktische voorbeelden opgenomen. Voor de volledigheid is een afschrift
van dit beleidsbesluit bijgevoegd.
Tevens vragen de leden van de CDA-fractie ter vergelijking naar de fiscale btw-gevolgen
van producten die direct om niet worden vergeven aan een consument. Zij denken dan
aan de verstrekking van een betaald dagblad om niet ter promotie. Daarnaast denken
zij aan de verstrekking van proefmonsters van een nieuw product ter promotie zoals
die weleens uitgedeeld worden in een winkelcentrum of op een station. Zoals ik hiervoor
heb aangegeven wordt de verstrekking van een gratis goed direct aan de consument en
de verstrekking van een gratis goed via een gratis voucher voor de btw op de dezelfde
wijze behandeld. De btw-gevolgen van deze gratis verstrekkingen zijn eveneens hiervoor
beschreven.
Voorbeelden:
– De gratis verstrekking van een doos met babyproducten door een drogist of winkelier
tegen inlevering van een op naam gesteld afhaalbewijs.
Een afhaalbewijs kan onder voorwaarden als voucher voor enkelvoudig gebruik kwalificeren.
De verstrekking van het afhaalbewijs wordt voor de btw dan geacht de levering van
het onderliggend goed of de onderliggende dienst te zijn. Dit betekent dat op het
moment van verstrekking van het afhaalbewijs gehandeld wordt alsof de doos met babyproducten
wordt geleverd. Als het afhaalbewijs gratis is verstrekt, is de ondernemer op het
moment van verstrekking btw verschuldigd over de aankoopprijs van de doos met babyproducten
of soortgelijke goederen, of de kostprijs berekend op het moment van verstrekking
van het afhaalbewijs indien de aankoopprijs niet bekend is. Als deze aankoopprijs,
dan wel de kostprijs lager is dan € 15 is er sprake van een geschenk van geringe waarde.
De ondernemer is in dat geval geen btw verschuldigd over de verstrekking van het afhaalbewijs.
– Via een app kan de consument ter promotie het geld terugvragen van een nieuw soort
koffiepads. In dit voorbeeld wordt zowel gevraagd naar een app waarbij alle gebruikers
dezelfde promoties te zien krijgen als naar een app waarbij de gebruikers gepersonaliseerde
promoties te zien krijgen, dus de ene gebruiker kan met de app het geld terugvragen
van koffiepads en de andere gebruiker van chocolademelk.
Voor de situatie waarin een consument via een app ter promotie geld kan terugvragen
na de aankoop van bepaalde producten, is niks gewijzigd door de nieuwe voucherregels
en de aanpassing btw-regeling voor waardebonnen. In deze situatie kan de ondernemer
de btw uit het bedrag dat wordt teruggegeven aan de consument terugvragen aan de belastingdienst.
Als de consument geen gebruik maakt van de promotie, dan zijn daar geen btw-gevolgen
aan verbonden.
– Een bon in een tijdschrift geeft recht op gratis verkrijging van een pakje kauwgom.
Een bon in een tijdschrift die recht geeft op een gratis pakje kauwgom in Nederland
kwalificeert als een voucher voor enkelvoudig gebruik. Indien deze bon gratis is verstrekt,
zullen de btw gevolgen hetzelfde zijn als het eerste voorbeeld. De aankoopprijs, dan
wel kostprijs van een pakje kauwgom is lager dan € 15, waardoor er effectief geen
btw-heffing plaatsvindt over deze bon en daarmee het pakje kauwgom.
– De gratis verstrekking van een kortingsbon voor tandpasta die klanten kunnen meenemen
bij de tandarts. In dit voorbeeld wordt door de leden van de CDA-fractie tevens gevraagd
wie de ondernemer is. Bij dit voorbeeld ga ik ervan uit dat de consument verplicht
moet bijbetalen voor de tandpasta.
Een kortingsbon kwalificeert niet als een voucher, omdat de consument verplicht moet
bijbetalen bij de inwisseling van deze kortingsbon. Bij de verstrekking van de gratis
kortingsbon treden er geen btw-gevolgen op. Bij de inwisseling van de kortingsbon
is degene bij wie de bon wordt ingewisseld de ondernemer die btw verschuldigd is over
de bijbetaling voor de tube tandpasta. Als de consument de kortingsbon niet inwisselt,
dan zijn daar geen btw-gevolgen aan verbonden.
– Koopzegels van een supermarkt, waarbij de consument bij de boodschappen voor € 1,–
zegels koopt en een volle spaarkaart kan inwisselen voor € 1,50 korting op de boodschappen
dan wel contante uitbetaling.
Voor deze koopzegels zijn de btw-regels niet veranderd. De ondernemer kan de btw over
het zegelvoordeel terugvragen. Hiervoor moet de ondernemer wel degene zijn bij wie
de zegelkorting ten laste van het bedrijfsresultaat komt. Het zegelvoordeel is het
bedrag dat aan de consument wordt uitbetaald bij inwisseling van de zegels, verminderd
met het bedrag dat is betaald voor deze zegels.
Als de consument de koopzegels niet inwisselt, dan zijn daar geen btw-gevolgen aan
verbonden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. (Anne) Mulder, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
K. Boon, adjunct-griffier