Voorstel van wet : Voorstel van wet (herdruk)
37 023 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2027)
ARTIKEL I
ARTIKEL II
ARTIKEL III
ARTIKEL IV
ARTIKEL V
ARTIKEL VI
ARTIKEL VII
ARTIKEL VIII
ARTIKEL IX
ARTIKEL X
ARTIKEL XI
ARTIKEL XII
ARTIKEL XIII
ARTIKEL XIV
ARTIKEL XV
Nr. 2 Herdruk1
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid
voor het jaar 2027 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten
wijzigingen aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4.12a wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst en in die tekst wordt «volzin» vervangen
door «zin».
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het eerste lid is niet van toepassing op fictief reguliere voordelen als bedoeld
in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f.
B
Artikel 7.6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «de binnenlandse belastingplicht in (...) genomen» vervangen
door een dubbele punt en aan dat lid worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
a. de binnenlandse belastingplicht in Nederland is geëindigd, indien bij de beëindiging
van de binnenlandse belastingplicht van de belastingplichtige vervreemdingsvoordelen
in aanmerking zijn genomen;
b. de buitenlandse belastingplicht ontstaat, indien het ontstaan van de buitenlandse
belastingplicht het gevolg is van een verplaatsing van de werkelijke leiding van een
in het buitenland gevestigde vennootschap naar Nederland.
2. In het tweede lid wordt na «eerste lid» ingevoegd «, onderdeel a,».
3. Het derde lid komt te luiden:
3. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien de belastingplichtige
voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang in de vennootschap, bedoeld in dat
onderdeel, buitenlands belastingplichtig is geweest.
4. Het vierde lid komt te luiden:
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:
a. inzake de verkrijgingsprijs indien artikel 25 of 26 van de Invorderingswet 1990 is
toegepast;
b. inzake de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen die zijn verkregen van
een natuurlijk persoon bij wie ter zake van die vervreemding te conserveren inkomen
is genoten, indien artikel 25 of 26 van de Invorderingswet 1990 is toegepast;
c. inzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen, bedoeld in het derde lid;
d. met betrekking tot het verminderen van de belastingaanslag bij vaststelling waarvan
artikel 7.5, zevende lid, is toegepast, in geval van hervestiging van de vennootschap
in Nederland voordat die belastingaanslag volledig is voldaan.
ARTIKEL II
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 32bb, negende lid, wordt «artikel 32ba, eerste lid» vervangen door «de
artikelen 32ba, eerste lid, of 32bc, eerste lid».
B
Onder vernummering van artikel 32bc, vijfde en zesde lid, tot zevende en achtste lid
worden twee leden ingevoegd, luidende:
5. Indien wegens onderhoud of reparatie van een ook voor privédoeleinden aan een werknemer
ter beschikking gestelde auto een vervangende auto aan die werknemer ter beschikking
wordt gesteld, is het eerste lid per periode van onderhoud of reparatie gedurende
ten hoogste veertien kalenderdagen niet van toepassing op de vervangende auto.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op een voor rijonderricht in de zin van de
Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 gebruikte auto met handgeschakelde transmissie.
Onder een auto met handgeschakelde transmissie wordt verstaan een auto met een koppeling
die door de bestuurder wordt bediend om weg te rijden, te stoppen en te schakelen.
ARTIKEL III
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 6b, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, wordt toegevoegd «waarvoor geen
contractuele tegenprestatie wordt gevraagd».
B
Artikel 14, vierde lid, derde zin, en negende lid, vervalt.
C
Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zesde lid, derde zin, vervalt.
2. Het negende lid vervalt, onder vernummering van het tiende en elfde lid tot negende
en tiende lid.
3. In het tiende lid (nieuw) wordt «tiende lid» vervangen door «negende lid».
ARTIKEL IV
In de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt na artikel 10a een artikel ingevoegd,
luidende:
Artikel 10b
1. Aan een natuurlijk persoon die in Nederland woonachtig is of een lichaam dat in Nederland
gevestigd is en die, onderscheidenlijk dat, rechtstreeks of door middel van certificaten,
gerechtigd is tot de voordelen van aandelen in of winstbewijzen van een buitenlandse
beleggingsinstelling wordt op zijn verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking
een teruggaaf verleend van de ten laste van deze buitenlandse beleggingsinstelling
ingehouden dividendbelasting. De teruggaaf wordt berekend overeenkomstig het tweede
lid of, indien de natuurlijk persoon of het lichaam daarvoor kiest, overeenkomstig
het derde lid.
2. De teruggaaf van dividendbelasting wordt berekend volgens de formule:
T = B x C x D,
waarin
T voorstelt: de teruggaaf van dividendbelasting;
B voorstelt: de door de buitenlandse beleggingsinstelling uiterlijk in de twaalfde
maand na afloop van haar boekjaar uitgekeerde winst waartoe de natuurlijk persoon
die in Nederland woonachtig is dan wel het lichaam dat in Nederland gevestigd is rechtstreeks
of door middel van certificaten is gerechtigd ten opzichte van de totale door de buitenlandse
beleggingsinstelling uiterlijk in de twaalfde maand na afloop van haar boekjaar uitgekeerde
winst;
C voorstelt: de totale door de buitenlandse beleggingsinstelling uiterlijk in de twaalfde
maand na afloop van haar boekjaar uitgekeerde winst ten opzichte van de door de buitenlandse
beleggingsinstelling in dat boekjaar genoten opbrengst, waarbij de in dat boekjaar
ten laste van de buitenlandse beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting bij
die uitgekeerde winst mag worden opgeteld voor zover daarvoor bij die buitenlandse
beleggingsinstelling geen recht op enigerlei tegemoetkoming bestaat, met dien verstande
dat de uitkomst niet hoger wordt gesteld dan 1;
D voorstelt: de dividendbelasting die in het boekjaar ten laste van de buitenlandse
beleggingsinstelling is ingehouden en voor zover die buitenlandse beleggingsinstelling
geen recht heeft op enigerlei tegemoetkoming.
3. Indien de natuurlijk persoon of het lichaam aannemelijk maakt dat de Nederlandse
belasting die bij hem in economische zin drukt op de opbrengst waarop ten laste van
de buitenlandse beleggingsinstelling dividendbelasting is ingehouden meer bedraagt
dan het geval zou zijn geweest indien deze opbrengst, onder overigens gelijke omstandigheden,
zou zijn ontvangen en aan hem zou zijn door-uitgekeerd door een beleggingsinstelling
als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt de teruggaaf
van dividendbelasting gesteld op dat meerdere. De teruggaaf bedraagt ten hoogste het
bedrag van de dividendbelasting die ten laste van de buitenlandse beleggingsinstelling
is ingehouden voor zover die buitenlandse beleggingsinstelling geen recht heeft op
enigerlei tegemoetkoming ten aanzien van die dividendbelasting.
4. In afwijking van het tweede lid:
a. bedraagt de teruggaaf aan een lichaam als bedoeld in het eerste lid ten hoogste het
bedrag aan te betalen vennootschapsbelasting van dat lichaam over het boekjaar waarin
het boekjaar van de buitenlandse beleggingsinstelling waarin deze winst uitkeert eindigt;
en
b. wordt voor zover ten aanzien van een boekjaar ingevolge onderdeel a geen teruggaaf
wordt verleend deze niet verleende teruggaaf gezamenlijk met de voortgewentelde teruggaafbedragen
ten aanzien van voorgaande jaren, voortgewenteld naar het volgende boekjaar en in
dat boekjaar teruggegeven voor zover de teruggaaf in dat boekjaar niet beperkt wordt
door onderdeel a.
5. Het eerste lid is slechts van toepassing indien die natuurlijk persoon of dat lichaam
aannemelijk maakt dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot de door de buitenlandse
beleggingsinstelling uitgekeerde winst, bedoeld in het tweede lid. Voor de toepassing
van dit lid is artikel 4, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat daarbij wordt gelezen voor:
a. opbrengst:
de door de buitenlandse beleggingsinstelling uitgekeerde winst;
b. opbrengstgerechtigde:
de natuurlijk persoon die of het lichaam dat gerechtigd is tot de door de buitenlandse
beleggingsinstelling uitgekeerde winst.
6. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een beleggingsinstelling
als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
7. Indien de natuurlijk persoon of het lichaam daarvoor kiest, wordt de teruggaaf berekend
alsof een subfonds een buitenlandse beleggingsinstelling is.
8. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
buitenlandse beleggingsinstelling:
een niet in Nederland gevestigd lichaam welker doel en feitelijke werkzaamheid bestaat
in het beleggen van vermogen;
subfonds:
een administratief afgescheiden gedeelte van het vermogen van een buitenlandse beleggingsinstelling
waarvoor een separaat beleggingsbeleid wordt gevoerd en waarin specifiek voor dat
gedeelte ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen
zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen
te doen delen onder specifiek voor dat gedeelte geldende voorwaarden.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing
van dit artikel.
ARTIKEL V
De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 16c.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «9, tweede en derde lid,» ingevoegd «10bis, vierde lid,».
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Het is voorts verboden in strijd te handelen met de volgende bepalingen:
a. artikel 10, achtste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3210 van de Commissie
van 18 december 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU)
2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het CBAM-register;
b. de artikelen 2, eerste lid, 20, eerste lid, 21, vierde, vijfde en zevende lid, en
23, vierde, vijfde en zevende lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 van de
Commissie van 17 maart 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening
(EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en
procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever;
c. de artikelen 4, eerste tot en met derde lid, 7, 8 en 10 van Uitvoeringsverordening
(EU) 2025/2210 van de Commissie van 31 oktober 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen
voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad voor goederen
en veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische
zone van lidstaten worden gebracht.
B
In artikel 16c.4, eerste lid, wordt «Algemene Douanewet» vervangen door «Algemene
douanewet».
C
Na artikel 16c.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 16c.4a
1. De inspecteur of ontvanger, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, informeert het bestuur van de emissieautoriteit
op haar verzoek ten behoeve van de beoordeling of een aanvrager voor de status van
toegelaten CBAM-aangever als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Verordening
koolstofcorrectie aan de grens voldoet aan het criterium, bedoeld in artikel 17, tweede
lid, onderdeel a, van die verordening, of ten aanzien van die aanvrager of de daarmee
verbonden natuurlijke personen op wie die beoordeling betrekking heeft, in de vijf,
onderscheidenlijk drie, jaar voorafgaand aan de aanvraag een vergrijpboete is opgelegd
wegens overtreding van een belastingwet als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Het bestuur van de emissieautoriteit verstrekt ten behoeve van het verzoek uitsluitend
de gegevens die noodzakelijk zijn om de aanvrager en de daarmee verbonden natuurlijke
personen op wie die beoordeling betrekking heeft te identificeren en om het verzoek
te kunnen beoordelen.
3. Indien uit de informatie, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat een of meer vergrijpboetes
zijn opgelegd, verstrekt de inspecteur, onderscheidenlijk de ontvanger, het bestuur
van de emissieautoriteit per vergrijpboete de volgende gegevens en inlichtingen:
a. degene aan wie de vergrijpboete is opgelegd;
b. het belastingmiddel;
c. het tijdvak of jaar;
d. de wettelijke grondslag;
e. de hoogte;
f. de mate van verwijtbaarheid;
g. de onherroepelijkheid.
D
Artikel 18.16f wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De boete kan worden verlaagd
in overeenstemming met artikel 26, lid 1bis, van de Verordening koolstofcorrectie
aan de grens.
2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De boete kan worden verlaagd
in overeenstemming met artikel 26, lid 2bis, tweede alinea, van de Verordening koolstofcorrectie
aan de grens.
ARTIKEL VI
De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:
A
De in artikel 22, eerste lid, onderdeel m, opgenomen begripsomschrijving van «EVOA»
komt te luiden: Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van
11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de Verordeningen
(EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1013/2006;.
B
In artikel 24, onderdeel b, wordt «artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA,» vervangen
door «artikel 3, eerste alinea, punt 6, van de EVOA,».
C
In artikel 25a, tweede lid, wordt «artikel 16, onderdeel e, EVOA,» vervangen door
«artikel 16, zesde lid, van de EVOA,».
D
In artikel 26, onderdeel c, wordt «artikel 16, onderdeel e, van de EVOA,» vervangen
door «artikel 16, zesde lid, van de EVOA,».
E
Aan hoofdstuk IV, afdeling 8, wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 31b
De afdelingen 1 tot en met 3 zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip
van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A tot en met D, van Overige fiscale
maatregelen 2027, blijven van toepassing bij het vaststellen van de belastingplicht
voor de afvalstoffenbelasting op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel c, voor
een overbrenging waarop Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen op grond
van artikel 85, derde lid, van de EVOA van toepassing blijft.
F
In artikel 71v, tweede lid, wordt «de rechtspersoon of natuurlijke persoon» vervangen
door «eenieder».
G
Aan artikel 72, onderdeel g, wordt toegevoegd «of ingevolge het vliegplan, bedoeld
in artikel 5.9, eerste lid, van de Wet luchtvaart, indien geen vervoersovereenkomst
is afgesloten».
ARTIKEL VII
De Algemene douanewet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, wordt na «het Douanewetboek van de Unie»
ingevoegd «en het nieuwe Douanewetboek van de Unie» en wordt «de krachtens dat wetboek»
vervangen door «alsmede de krachtens die wetboeken».
B
Artikel 1:3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt na «begripsbepalingen van» ingevoegd «het nieuwe Douanewetboek
van de Unie,» en wordt «dat wetboek» vervangen door «laatstgenoemd wetboek».
b. Voor onderdeel a wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
0a. nieuwe Douanewetboek van de Unie:
Verordening (EU) 2026/[XXXX] van het Europees Parlement en de Raad van [XX] september
2026 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, tot oprichting van de douaneautoriteit
van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 952/2013;.
2. In het zevende lid wordt na «Indien in» ingevoegd «het nieuwe Douanewetboek van de
Unie,».
C
Aan paragraaf 1.2.3 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 1:19a
Indien op grond van het nieuwe Douanewetboek van de Unie is bepaald dat diensten door
de douaneautoriteiten worden verleend en dat hiervoor vergoedingen in rekening worden
gebracht, heft de inspecteur deze vergoedingen overeenkomstig hetgeen dienaangaande
bij of krachtens dat wetboek is bepaald.
D
Aan artikel 7:6, tweede lid, onderdeel c, wordt toegevoegd «en vergoedingen».
E
In artikel 12:1 wordt «de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de
Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie» vervangen door «het nieuwe Douanewetboek
van de Unie of krachtens die wetboeken vastgestelde gedelegeerde handelingen als bedoeld
in artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of uitvoeringshandelingen
als bedoeld in artikel 291 van dat verdrag».
ARTIKEL VIII
In de Wet inkomstenbelasting BES wordt in artikel 25, tweede lid, derde zin, «volzin»
vervangen door «zin» en komt in dat lid de vierde zin te luiden: Voor de toepassing
van de derde zin wordt het aantal inwoners gesteld op de inwonersaantallen op 1 januari
van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar, bedoeld in de tweede zin, zoals vastgesteld
door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
ARTIKEL IX
In het Belastingplan 2026 komt het in artikel IV, onderdeel C, opgenomen artikel 39j
te luiden:
Artikel 39j
Artikel 32bc is tot en met 31 december 2030 niet van toepassing met betrekking tot
een auto die door de inhoudingsplichtige:
a. vóór 1 januari 2027 voor het eerst aan een of meer van zijn werknemers ter beschikking
is gesteld; of
b. in het kalenderjaar niet meer dan één periode ook voor privédoeleinden ter beschikking
wordt gesteld aan zijn werknemer of werknemers, waarbij die periode niet meer dan
zeven aaneengesloten dagen duurt.
ARTIKEL X
Artikel 2:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de volgende berichten die de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel
b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, elektronisch verzendt:
a. de uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover deze geen betrekking
heeft op de winstsfeer;
b. de aanslag inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
voor zover deze geen betrekking heeft op de winstsfeer;
c. de voorlopige aanslag inkomstenbelasting, bedoeld in de artikelen 13 en 14 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover deze geen betrekking heeft op de
winstsfeer.
ARTIKEL XI
Artikel X vervalt met ingang van 1 januari 2028.
ARTIKEL XII
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat artikel 2:13, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op in die regeling aangewezen berichten
aan de Dienst Toeslagen, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen, voor een in die regeling bepaalde periode.
ARTIKEL XIII
Artikel XII vervalt met ingang van 1 januari 2030.
ARTIKEL XIV
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat
artikel VI, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 januari 2025.
2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VII in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat artikel VII, onderdelen
A tot en met D, terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VIII in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba in werking met ingang van 1 januari 2027, 00:00 uur, en in
het Europese deel van Nederland met ingang van 1 januari 2027, 05:00 uur.
ARTIKEL XV
Deze wet wordt aangehaald als: Overige fiscale maatregelen 2027.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Financiën,