Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : 36993 Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 993 Wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 3 juni 2026 en het nader rapport d.d. 3 juli 2026, aangeboden aan de Koning door
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het advies van de Afdeling advisering
van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 10 april 2026 nr. 2026000776,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 3 juni 2026, nr. W05.26.00094/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2026, no. 2026000776, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van
de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging
van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn
naar acht jaar, met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel verlengt de maximale looptijd van subsidies die op grond van de Wet
op het specifiek cultuurbeleid worden verleend.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de effectiviteit
van het wetsvoorstel. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.
1. Achtergrond en inhoud van het wetsvoorstel
De Wet op het specifiek cultuurbeleid regelt, onder meer, de wijze waarop culturele
instellingen door het rijk kunnen worden gefinancierd. Culturele instellingen worden
rechtstreeks door de Minister of door tussenkomst van cultuurfondsen gesubsidieerd.
De Minister kan bovendien aan openbare lichamen specifieke uitkeringen voor subsidiëring
van cultuuruitingen verstrekken. Bij ministeriële regeling worden voorwaarden voor
subsidies bepaald. De wet verplicht de verantwoordelijke Minister ertoe om de beide
Kamers van de Staten-Generaal periodiek te informeren over de hoofdlijnen van het
cultuurbeleid.
De door de Minister aan cultuurfondsen en instellingen verleende subsidies, de specifieke
uitkeringen, de ministeriële regeling en de nota over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid
hebben een looptijd van in beginsel vier jaar. Omdat de cultuurfondsen zelfstandige
bestuursorganen zijn, is het aan hen om te bepalen onder welke voorwaarden en voor
welke duur zij culturele instellingen subsidiëren. De mogelijkheid tot sturing door
de Minister is beperkt. Op grond van de wet en de daarop steunende normen moeten de
fondsen een beleidsplan opstellen. Die beleidsplannen moeten voldoen aan door de Minister
in een beleidskader opgenomen inhoudelijke, financiële en organisatorische aanwijzingen.1
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan een aanbeveling van de Raad voor
Cultuur om de maximumduur van financiering te verlengen van vier jaar naar acht jaar.2 Een langere beleids- en financieringstermijn sluit beter aan op de praktijk van een
deel van de culturele sector. Door de verlenging kunnen de administratieve en financiële
lasten van zowel de fondsen als culturele organisaties worden verlaagd, wordt rust
in de subsidieperiodes geboden, ontstaat meer ruimte voor langetermijninvesteringen
en artistieke ontwikkeling en kan een betere balans tussen stabiliteit en vernieuwing
worden gevonden.3
2. Effectiviteit van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel beoogt culturele instellingen rust en ruimte te bieden. Zoals de
regering onderkent wordt met het wetsvoorstel evenwel niet verzekerd dat ook de cultuurfondsen
ertoe zullen overgaan de looptijd van de door hen verleende subsidies te verlengen.4 Het is immers aan de besturen van de fondsen om, weliswaar met inachtneming van het
door de Minister vastgestelde beleidskader, de werkwijze, de procedures en de criteria
voor subsidiëring te bepalen.5 In zijn advies over het concept van het wetsvoorstel pleitte de Raad voor Cultuur
ervoor de maximale looptijd van door de fondsen verstrekte subsidies op vier jaar
te houden. Daarmee wordt, zo stelde de Raad voor Cultuur, een duidelijke grenslijn
aangebracht tussen de rechtstreeks door de Minister gesubsidieerde instellingen en
de fondsen.6 De regering volgt deze aanbeveling niet omdat zij de fondsen op dit punt de vrije
hand wil laten.7
De Afdeling heeft er begrip voor dat de regering de maximale looptijd van subsidies
wil verlengen van vier naar acht jaar. Wel vraagt zij naar een nadere motivering van
de effectiviteit van deze maatregel. In de lopende subsidieperiode is immers meer
dan de helft van de middelen die op de rijksbegroting voor cultuursubsidies zijn bestemd,
toebedeeld aan de fondsen.8 Het wetsvoorstel en de toelichting maken niet inzichtelijk of, en zo ja, hoe de regering
voornemens is te bevorderen dat de fondsen meer rust en ruimte bieden aan de door
hen gesubsidieerde culturele instellingen. Zowel de Wet op het specifiek cultuurbeleid
als de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bieden daartoe zo nodig instrumenten.9
De Afdeling adviseert in de memorie van toelichting nader op het voorgaande in te
gaan voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De Vice-President van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
In reactie op het advies van de afdeling advisering van de Raad van State is de memorie
van toelichting aangevuld (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.5,
Risico-mitigatie, en algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen). Er is inzichtelijk
gemaakt op welke wijze de regering zal bevorderen dat de rijkscultuurfondsen ook meer
rust en ruimte zullen bieden aan de door hen gesubsidieerde instellingen. De concrete
uitwerking hiervan wordt opgenomen in de beleidsuitgangspuntenbrief voor de bis-periode
2029 e.v., in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in de onderliggende beleidskaders
voor de rijkscultuurfondsen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om naast bovenstaande aanpassing een aantal
aanvullingen op de memorie van toelichting te doen op de volgende onderwerpen:
• Verhouding tot nationale wetgeving (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf
3.3, Verhouding tot nationale wetgeving). De aanvulling betreft een nadere toelichting
op de verhouding tussen het wetsvoorstel en artikel 4.10, tweede lid en derde lid,
van de Comptabiliteitswet 2016 Artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet
2016 vereist dat een subsidieregeling niet later vervalt dan vijf jaar na inwerkingtreding
van de regeling. Het derde lid van datzelfde artikel biedt een uitzondering op deze
bepaling indien de vijfjaartermijn afbreuk doet aan de effectiviteit van de gesubsidieerde
activiteiten en er dus een langere termijn noodzakelijk is. In de memorie van toelichting
is verduidelijkt dat in casu een langere termijn noodzakelijk is, omdat organisaties
daarmee in het benodigde vermogen kunnen worden voorzien om structureel te investeren
in grote producties, faciliteiten en organisatievraagstukken en om hiervoor ook andere
financieringsbronnen aan te spreken. De Minister zal bij de vaststelling van nadere
regels op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid dan ook van voornoemde uitzondering
gebruikmaken en op het niveau van de relevante ministeriële regeling nader uitwerken
hoe dat concreet vorm krijgt.
• Specifieke uitkeringen (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.4 Motivering
instrumentkeuze). De aanvulling betreft een nadere toelichting op de verlenging van
de termijn voor specifieke uitkeringen (spuks) van vier naar acht jaar. Het is de
wens van de regering om de termijn van de specifieke uitkeringen te wijzigen van vier
naar acht jaar. Deze termijn sluit namelijk beter aan bij de doelen waarvoor de Minister
van OCW tot op heden specifieke uitkeringen heeft afgegeven: een vierjaartermijn is
hiervoor te kort. De achtjarige termijn vergroot daarnaast de effectiviteit van het
beleid van de Minister van OCW in de afstemming met decentrale overheden.
• Toevoeging paragraaf 2.5 «Risico-mitigatie» (memorie van toelichting, algemeen deel,
paragraaf 2.4, onder «Motivering instrumentkeuze»). De toevoeging betreft de omschrijving
van de volgende mogelijke risico’s, alsmede hoe deze gemitigeerd worden:
• In de memorie van toelichting wordt verder toegelicht dat er minder aanvraagmomenten
zijn waar het gaat om organisaties die direct vanuit het Rijk subsidie ontvangen,
maar dat de fondsen met dit wetsvoorstel de mogelijkheid krijgen meer differentiatie
aan te brengen in hun instrumentarium.
• Staatssteun. Er is een inconsistentie aangetroffen in de toelichting waardoor in de
tekst de indruk wordt gewekt dat er een bijzonder risico ligt bij de staatssteuncheck.
Dit is niet correct geformuleerd in de toelichting. Dit vraagt om een aanpassing van
de memorie van toelichting op dit punt.
De memorie van toelichting is daarnaast op enkele punten redactioneel aangepast en
aangevuld om de formulering, leesbaarheid en begrijpelijkheid te verbeteren, zonder
dat daarmee een inhoudelijke wijziging is beoogd.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.