Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 976 Regels over de marktordening van het aanbod van voorzieningen op verzorgingsplaatsen (Wet voorzieningen verzorgingsplaatsen)
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat verzorgingsplaatsen bijdragen aan het
veilig en doelmatig gebruik van de Rijkswegen door het openbaar verkeer, dat het met
het oog op de voortgaande verduurzaming van dat verkeer wenselijk is het aanbod van
toelaatbare weggebonden voorzieningen op het Rijkswegennet optimaal te verdelen over
het netwerk van Rijkswegen en de exploitatie van laadstations op te schalen, door
middel van een transparante en doelmatige verdeling van vergunningen;
Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat verzorgingsplaatsen bijdragen aan het
veilig en doelmatig gebruik van de Rijkswegen door het openbaar verkeer, dat het met
het oog op de voortgaande verduurzaming van dat verkeer wenselijk is het aanbod van
toelaatbare weggebonden voorzieningen op het Rijkswegennet optimaal te verdelen over
het netwerk van Rijkswegen en de exploitatie van laadstations op te schalen, door
middel van een transparante en doelmatige verdeling van vergunningen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
biedboek:
biedboek als bedoeld in artikel 5.1;
doorzet:
aantal verkochte kilowatturen elektriciteit;
exploitatie:
gebruik voor het anders dan om niet aanbieden van goederen of diensten aan het openbaar
verkeer op de weg;
exploitatievergunning:
exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid;
gemakswinkel:
gebouw als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1, onderdeel A, van de Omgevingswet,
waar bedrijfsmatig en anders dan om niet artikelen die verband houden met het gebruik
van de weg of eet- en drinkwaren worden verstrekt;
gemakswinkelomzet:
totale omzet exclusief BTW van een gemakswinkel;
inrichtingsplan:
inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1;
laadstation:
laadstation als bedoeld in artikel 2 van Verordening 2023/1804;
locatie:
gedeelte van een verzorgingsplaats, ingericht of in te richten voor een weggebonden
voorziening;
Onze Minister:
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
verordening 2023/1804:
Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september
2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot
intrekking van Richtlijn 2014/94/EU;
verzorgingsplaats:
rechtstreeks vanaf en naar de hoofdrijbaan ontsloten onderdeel van de weg, waar het
openbaar verkeer kortstondig kan parkeren ten behoeve van een veilig en doelmatig
verloop van de reis op de weg;
weg:
op grond van de Wegenverkeerswet 1994 als autosnelweg of als autoweg aangeduide weg
in beheer bij het Rijk;
weggebonden voorzieningen:
laadstations, gemakswinkels, motorbrandstofverkooppunten en andere, krachtens artikel
1.2, tweede lid, aangewezen voorzieningen in behoeften van het openbaar verkeer op
de weg.
Artikel 1.2 (doelstellingen)
1. Deze wet is, gelet op het veilig en doelmatig gebruik van de wegen door het openbaar
verkeer, gericht op:
a. het waarborgen van de bruikbaarheid van verzorgingsplaatsen voor het openbaar personen-
en vrachtverkeer;
b. het beperken van de exploitatie van verzorgingsplaatsen tot het aanbieden van weggebonden
voorzieningen;
c. het optimaliseren van de verdeling van weggebonden voorzieningen voor het openbaar
verkeer over de daarvoor aangewezen locaties op het netwerk van verzorgingsplaatsen;
d. het bieden van gelijke kansen aan gegadigden aanbieders van weggebonden voorzieningen
voor het openbaar verkeer om periodiek mee te dingen naar de voor de locaties, bedoeld
in onderdeel c, beschikbare exploitatievergunningen; en
e. het behoud van de keuzevrijheid van verkeersdeelnemers tussen verschillende aanbieders
op het netwerk van wegen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorzieningen worden aangewezen als weggebonden
voorzieningen.
§ 2. Inrichting van verzorgingsplaatsen
Artikel 2.1 (inrichtingsplannen)
1. Onze Minister kan met het oog op het verbeteren van de inrichting van een of meer
verzorgingsplaatsen een inrichtingsplan vaststellen.
2. Een inrichtingsplan bevat:
a. een beschrijving van de maatregelen voor het veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaats
door het openbaar verkeer en waar nodig de inpassing van die maatregelen en de te
realiseren ligging in het terrein;
b. een begrenzing van de locaties die zijn ingericht of in te richten voor de onderscheiden
typen weggebonden voorzieningen, waar relevant nader te onderscheiden in voorzieningen
voor lichte voertuigen of zware voertuigen.
c. de aan de realisatie of exploitatie van de onderscheiden weggebonden voorzieningen
te verbinden voorschriften en beperkingen.
Artikel 2.2 (rechtsgevolgen inrichtingsplan)
Indien ter uitvoering van het inrichtingsplan handelingen worden verricht waarvoor
krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit is vereist,
is dat artikel niet van toepassing.
Artikel 2.3 (voorbereiding en bekendmaking inrichtingsplan)
1. Het inrichtingsplan wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht, met dien verstande dat zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht
door een ieder.
2. Onze Minister geeft op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze kennis
van het inrichtingsplan.
§ 3. Regels over de exploitatie van voorzieningen op verzorgingsplaatsen
Artikel 3.1 (exploitatievergunning)
1. Het is verboden zonder exploitatievergunning van Onze Minister een weggebonden voorziening
te exploiteren.
2. Op een verzorgingsplaats is per type weggebonden voorziening maximaal één exploitatievergunning
beschikbaar.
3. Onze Minister verleent geen exploitatievergunning voor een ander gedeelte van de
verzorgingsplaats dan de locatie die voor de betrokken voorziening in een inrichtingsplan
of krachtens deze wet is aangewezen.
Artikel 3.2 (keuzevrijheid weggebruiker)
1. Twee opeenvolgende laadstations aan een weg met hetzelfde wegnummer die niet meer
dan vijfentwintig kilometer weglengte van elkaar verwijderd liggen, die in dezelfde
rijrichting toegankelijk zijn en waarvoor exploitatievergunningen zijn verleend op
basis van deze wet, voeren niet hetzelfde merk en worden niet geëxploiteerd door dezelfde
rechtspersoon of vennootschap, dan wel door rechtspersonen of vennootschappen die
deelnemen aan dezelfde groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2. Twee opeenvolgende gemakswinkels aan een weg met hetzelfde wegnummer die niet meer
dan vijfentwintig kilometer weglengte van elkaar verwijderd liggen, die in dezelfde
rijrichting toegankelijk zijn en waarvoor exploitatievergunningen zijn verleend op
basis van deze wet, voeren niet hetzelfde merk en worden niet geëxploiteerd door dezelfde
rechtspersoon of vennootschap, dan wel door rechtspersonen of vennootschappen die
deelnemen aan dezelfde groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
§ 4. De veiling van exploitatievergunningen
Artikel 4.1 (veiling)
1. De verlening van een exploitatievergunning geschiedt met toepassing van de procedure
van een veiling.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de toepassing en uitvoering
van de procedure van de veiling.
3. De in het tweede lid bedoelde regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de wijze waarop een bod wordt uitgebracht;
b. de eisen die aan een geldig bod worden gesteld;
c. de gevallen waarin biedingen ongeldig kunnen worden verklaard;
d. maatregelen ten behoeve van een ongestoord en eerlijk verloop van de veiling;
e. de zekerheidstelling dat een bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden
verhaald;
f. de bij veiling toe te passen methode ter vaststelling van het bod waarvan de uitbrenger
in aanmerking komt voor verlening van de vergunning;
g. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling en het tijdstip
waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht.
4. Indien aanvragen voor een exploitatievergunning voor meerdere locaties kunnen worden
ingediend, wordt bij regeling van Onze Minister bepaald in welke volgorde de behandeling
van de aanvragen plaatsvindt. Bij deze regeling kan worden bepaald wanneer sprake
is van één aanvraag.
Artikel 4.2 (aanvragen)
1. Een aanvraag voor een exploitatievergunning wordt ingediend bij Onze Minister binnen
het bij regeling van Onze Minister vastgestelde aanvraagtijdvak en gaat gepaard met
een financieel bod.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de wijze waarop een aanvraag
wordt ingediend, het financieel bod wordt gedaan en over de gegevens en bescheiden
die bij de aanvraag worden overgelegd.
3. Voor de behandeling van aanvragen om een exploitatievergunning wordt een tarief ter
dekking van de kosten in rekening gebracht bij de aanvrager. Bij regeling van Onze
Minister wordt het tarief vastgesteld.
Artikel 4.3 (zekerheidsstelling)
1. Een aanvrager verstrekt als zekerheid voor de betaling van het bod een waarborgsom
of een bankgarantie ter grootte van een bij ministeriële regeling vast te stellen
bedrag.
2. De zekerheid wordt verstrekt voor de periode tot:
a. in geval van afwijzing van de aanvraag, het tijdstip van de afwijzing;
b. in geval van niet in behandeling nemen van de aanvraag, het tijdstip van het besluit
om de aanvraag niet te behandelen;
c. in geval van toewijzing van de aanvraag, het tijdstip waarop het bod volledig is betaald.
Artikel 4.4 (minimumeisen)
1. In afwijking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat na het verstrijken
van de indieningstermijn geen gelegenheid tot het aanvullen van de aanvraag.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere eisen worden gesteld over de uitvoerbaarheid,
de technische en financiële haalbaarheid en de periode waarbinnen de exploitatie kan
worden gestart.
Artikel 4.5 (besluitvorming)
1. Onze Minister verleent de vergunning aan de indiener van een ontvankelijke aanvraag,
waarin het hoogste financieel bod wordt gedaan. De andere ontvankelijke aanvragen
worden afgewezen.
2. Degene aan wie de vergunning wordt verleend verstrekt aan Onze Minister:
a. een tijdschema voor de realisatie en exploitatie van de voorziening;
b. een raming van de kosten en opbrengsten;
c. een lijst met de bij de realisatie en exploitatie van de voorziening betrokken partijen.
Artikel 4.6 (voorwaarden en voorschriften exploitatievergunning)
1. In een exploitatievergunning wordt in ieder geval bepaald:
a. wie de houder van de exploitatievergunning is;
b. voor welk tijdvak de exploitatievergunning geldt;
c. voor welke locatie en voorziening de exploitatievergunning geldt;
d. welke activiteiten tot de exploitatie behoren.
2. De maximale duur van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bedraagt
15 jaar, behoudens toepassing van het derde lid, onder b.
3. Onze Minister kan:
a. het tijdvak waarvoor de exploitatievergunning geldt afstemmen op het moment waarop
het tijdvak afloopt van een andere exploitatievergunning die betrekking heeft op dezelfde
verzorgingsplaats en op een voorgenomen herinrichting van de verzorgingsplaats;
b. het tijdvak waarvoor een exploitatievergunning geldt eenmalig met maximaal twee jaar
verlengen in het belang van een goede uitvoering van deze wet.
4. Onze Minister kan aan een exploitatievergunning voorwaarden en voorschriften verbinden
en deze onder beperkingen verlenen.
5. Het is verboden te handelen in strijd met de vergunning, de daaraan verbonden voorwaarden
en voorschriften en beperkingen.
Artikel 4.7 (wijziging, intrekking)
1. Onze Minister kan een exploitatievergunning intrekken, indien:
a. de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig
blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling
daarvan de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
b. de activiteiten waarvoor de exploitatievergunning geldt niet of niet langer worden
uitgevoerd;
c. niet overeenkomstig het inrichtingsplan wordt gehandeld,
d. niet overeenkomstig de exploitatievergunning is of wordt gehandeld,
e. de regels op grond van deze wet niet worden nageleefd, of
f. voor de locatie geen huurovereenkomst, bedoeld in artikel 6.1, tot stand komt.
2. Onze Minister gaat niet over tot intrekking op grond van het eerste lid, onder b,
tot en met f, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de situatie
die aanleiding geeft tot intrekking zich blijft voordoen of opnieuw voordoet.
3. Onze Minister kan een exploitatievergunning op aanvraag van de houder wijzigen of
intrekken.
4. De exploitatievergunning vervalt van rechtswege:
a. als de houder een natuurlijke persoon is, met ingang van de dag na die waarop die
persoon is overleden;
b. als de houder een rechtspersoon is, met ingang van de dag na die waarop de rechtspersoon
heeft opgehouden te bestaan.
Artikel 4.8 (overdraagbaarheid van de vergunning)
1. De houder van een exploitatievergunning kan de exploitatievergunning met schriftelijke
toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Aan een toestemming kunnen
voorschriften worden verbonden en een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de gegevens die daarbij
worden verstrekt.
3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een aanvraag
om een besluit houdende toestemming tot de overdracht van de vergunning, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 4.9 (verhouding tot de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen)
1. De artikelen 4.1 tot en met 4.5 zijn niet van toepassing op een motorbrandstoffenverkooppunt.
2. Onze Minister verleent een exploitatievergunning voor een motorbrandstoffenverkooppunt
aan degene die na de inwerkingtreding van deze wet een huurovereenkomst voor deze
voorziening heeft gesloten op basis van een veiling als bedoeld in artikel 5 van de
Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen.
3. Het ontwerp van de exploitatievergunning wordt opgenomen in het biedboek, bedoeld
in artikel 5, vierde lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen,
voor de veiling, bedoeld in het tweede lid.
§ 5. Transparantie
Artikel 5.1 (biedboek)
Voorafgaande aan het aanvraagtijdvak wordt aan gegadigden een biedboek ter beschikking
gesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
a. het inrichtingsplan met inbegrip van de betrokken locatie en de daarvoor geldende
voorschriften en beperkingen;
b. het model van de te veilen exploitatievergunning;
c. de relevante gegevens, bedoeld in artikel 5.2;
d. het model van de voor de locatie af te sluiten huurovereenkomst, alsmede de algemene
huurvoorwaarden en vergoedingssystematiek;
e. voorwaarden voor de toelating tot de veiling.
Artikel 5.2 (gegevensverstrekking)
1. De houder van de exploitatievergunning voor een laadstation verstrekt ten behoeve
van het biedboek in ieder geval de volgende gegevens aan Onze Minister ten aanzien
van de locatie waarop de veiling betrekking heeft: de doorzet, uitgesplitst naar verkochte
kilowatturen per laadpaal, onder vermelding van de laadcapaciteit van deze laadpaal.
2. De houder van de exploitatievergunning voor een gemakswinkel verstrekt ten behoeve
van het biedboek aan Onze Minister in ieder geval de gemakswinkelomzet van de locatie
waarop de veiling betrekking heeft.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben betrekking op de laatste
drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de veiling plaatsvindt.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen in verband met de verbetering van de effectiviteit
van de veiling nadere voorschriften worden gegeven omtrent de te verstrekken gegevens
voor het biedboek. Deze voorschriften kunnen ook betrekking hebben op de aangebrachte
gebouwen, werken en beplantingen met het oog op de toepassing van artikel 6.1, vijfde
lid, en andere op de locatie betrekking hebbende gegevens.
5. In het biedboek worden de gemiddelden opgenomen van de gegevens, bedoeld in het eerste
en tweede lid, over de verstrekte jaren.
Artikel 5.3 (moment van verstrekking)
1 De houder van de exploitatievergunning verstrekt de gegevens, bedoeld in artikel
5.2, eerste tot en met derde lid, uiterlijk 1 april van het jaar waarin de veiling
plaatsvindt.
2. De gegevens gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid daarvan, opgesteld
door een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kosten voor deze
verklaring komen voor rekening van de houder van de gegevens.
§ 6. Bijzondere bepalingen van burgerlijk recht
Artikel 6.1 (verhouding tot huurrecht)
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op huurovereenkomsten met de staat met
betrekking tot een locatie waarvoor een exploitatievergunning is verleend.
2. De huurder is bevoegd op de locatie gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen,
te wijzigen en te verwijderen, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke
voorschriften. Hij draagt er zorg voor dat gebouwen, werken en beplantingen, voor
zover aanwezig, in goede staat zijn.
3. De huurovereenkomst heeft een duur die is beperkt tot het tijdvak waarvoor de exploitatievergunning
voor de locatie geldt. De huurovereenkomst kan niet worden verlengd voor zover de
huurovereenkomst door verlenging een duur krijgt die het tijdvak van de exploitatievergunning
overschrijdt. Indien evenwel na toepassing van artikel 4.5 voor de locatie geen exploitatievergunning
wordt verleend, kan de huurovereenkomst die ten tijde van de procedure van kracht
was voor maximaal twee jaar worden verlengd.
4. De artikelen 206, derde lid, 215, zesde lid, 226, vierde lid, en 230a en afdeling
6 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn op de huurovereenkomst niet
van toepassing.
5. Na afloop van de huurovereenkomst voor de locatie, vergoedt de staat aan de huurder
de waarde van de gebouwen, werken en beplantingen die de huurder op of in de locatie
heeft achtergelaten. Deze waarde is gelijk aan de gecorrigeerde vervangingswaarde,
bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken, berekend
krachtens artikel 20, tweede lid, van die wet.
§ 7. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 7.1 (handhaving)
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving
van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast
de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 7.2 (bestuurlijke boete)
1 Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van het niet voldoen aan
de voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 5.2, eerste en tweede lid,
en 5.3, eerste en tweede lid.
2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste eenmaal de in de huurovereenkomst opgenomen
gebruiksvergoeding voor het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de veiling plaatsvindt
voor de locatie ten aanzien waarvan niet is voldaan aan de voorschriften, gesteld
bij of krachtens de artikelen 5.2 en 5.3, eerste en tweede lid.
3. In de Staatscourant wordt mededeling gedaan van de beschikking tot oplegging van
de bestuurlijke boete nadat deze onherroepelijk is geworden.
§ 8. Aanpassing andere wetgeving
Artikel 8.1 (aanpassing Alcoholwet)
In artikel 22, eerste lid, onderdeel a, van de Alcoholwet wordt «winkels die aan een
benzinestations zijn verbonden» vervangen door «gemakswinkels op een verzorgingsplaats
als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet marktordening voorzieningen verzorgingsplaatsen».
Artikel 8.2 (aanpassing Algemene wet bestuursrecht)
In artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische
volgorde ingevoegd:
Wet marktordening voorzieningen verzorgingsplaatsen: artikelen 2.1 en 4.5.
Artikel 8.3 (aanpassing Omgevingswet)
De Omgevingswet wordt gewijzigd als volgt:
1. In artikel 5.2 wordt, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, een lid
ingevoegd, luidende:
5. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, tweede lid, worden voor
een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg activiteiten die worden
verricht ter uitvoering van een inrichtingsplan als bedoeld in de Wet voorzieningen
verzorgingsplaatsen, aangewezen als gevallen waarin de aanwijzing niet geldt.
2. Na artikel 22.22 wordt een afdeling toegevoegd, luidende:
AFDELING 22.4A OVERGANGSRECHT WET VOORZIENINGEN VERZORGINGSPLAATSEN
Artikel 22.22a (overgangsrecht uitzondering vergunningplichtige gevallen beperkingengebiedactiviteit)
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden beperkingengebiedactiviteiten
met betrekking tot een weg die worden verricht ter uitvoering van een exploitatievergunning
als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, van de Wet voorzieningen verzorgingsplaatsen
ook aangewezen als gevallen waarin de aanwijzing op grond van artikel 5.1, tweede
lid, niet geldt.
§ 9. Overgangsrecht
Artikel 9.1 (overgangsrecht: 2028–2030)
1. In afwijking van de artikelen 2.1 en 3.1 kan zonder voorafgaand inrichtingsplan:
a. een exploitatievergunning voor een laadstation worden geveild, op de locatie waarvoor
in de jaren 2028, 2029 of 2030 de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.1, tweede
lid, onderdeel f, onder 1°, van de Omgevingswet, voor een basisvoorziening laden afloopt;
b. een exploitatievergunning voor een gemakswinkel worden geveild, op de locatie waarvoor
in de jaren 2028, 2029 of 2030 de huurovereenkomst voor een motorbrandstofverkooppunt
afloopt, voor zover het een zich daarop bevindende gemakswinkel betreft;
c. een exploitatievergunning voor een motorbrandstofverkooppunt worden verleend met toepassing
van artikel 4.9, op de locatie waarvoor in de jaren 2028, 2029 of 2030 de huurovereenkomst
voor een motorbrandstofverkooppunt afloopt, met uitzondering van een zich daarop bevindende
gemakswinkel.
2. De locaties, bedoeld in het eerste lid, worden onder vermelding van de verzorgingsplaats,
aangewezen bij regeling van Onze Minister.
3. Artikel 2.2 is van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van de exploitatievergunningen,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.2 (overgangsrecht: wegrestaurants)
1. In dit artikel wordt onder wegrestaurant verstaan: onderneming waarvan de werkzaamheden
bestaan in de uitoefening van het restaurantbedrijf op een verzorgingsplaats, met
betrekking tot een perceel waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet
tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen door de Staat een recht
van erfpacht is gevestigd.
2. Indien vanaf het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, een wegrestaurant is
gelegen op een verzorgingsplaats dat daartoe een perceel in erfpacht heeft van de
Staat, waarop zich tevens een locatie bevindt voor een gemakswinkel die met toepassing
van deze wet voor de eerste maal wordt geveild, wordt het wegrestaurant, in afwijking
van de artikelen 4.1 tot en met 4.5, voorafgaand aan de voorgenomen veiling van die
locatie, in de gelegenheid gesteld een aanvraag te doen voor een exploitatievergunning
met betrekking tot het perceel van het wegrestaurant.
3. Onze Minister beslist niet later dan in de maand december van het jaar dat voorafgaat
aan het jaar waarin de veiling plaats heeft over de aanvraag, bedoeld in het tweede
lid. Verlening van deze exploitatievergunning maakt het perceel van het wegrestaurant
of het vergunde gedeelte daarvan tot een locatie voor een gemakswinkel.
4. Onze Minister geeft slechts toepassing aan het derde lid, onder de voorwaarde dat
het wegrestaurant en de Staat het op het perceel betrekking hebbende huur of recht
van erfpacht vervangt door een huurovereenkomst of recht van erfpacht in overeenstemming
met artikel 6.1. Alle kosten en lasten van de omzetting zijn ten laste van het wegrestaurant.
Artikel 9.3 (biedbeperking bij bestaande gemakswinkels)
De houder van een voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet krachtens de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken of krachtens artikel 5.1, tweede lid, onder f, onder
1°, van de Omgevingswet, verleende vergunning voor het hebben van een gemakswinkel
op een verzorgingsplaats, is uitgesloten van deelname aan een procedure als bedoeld
in artikel 4.1, eerste lid, met betrekking tot de exploitatievergunning voor een andere
gemakswinkel op de verzorgingsplaats die van kracht wordt voordat de geldigheidsduur
van de eerstgenoemde vergunning is geëindigd.
Artikel 9.4 (overgangsrecht gebiedscriterium: uitgestelde inwerkingtreding)
1. Voor de toepassing van artikel 3.2, eerste lid, wordt een voorafgaand aan de eerste
inwerkingtreding van deze wet verleende omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit
met betrekking tot een verzorgingsplaats voor een basisvoorziening energieladen, gelijkgesteld
met een exploitatievergunning voor de exploitatie van een laadstation op basis van
deze wet.
2. Voor de toepassing van artikel 3.2, tweede lid, wordt een voorafgaand aan de eerste
inwerkingtreding van deze wet verleende omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit
met betrekking tot een verzorgingsplaats voor een gemakswinkel, gelijkgesteld met
een exploitatievergunning voor de exploitatie van een gemakswinkel op basis van deze
wet.
§ 10. Slotbepalingen
Artikel 10.1 (evaluatie)
Onze Minister zendt binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 10.2 (inwerkingtreding)
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 10.3 (citeertitel)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet voorzieningen verzorgingsplaatsen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.