Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jimmy Dijk over het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’’.
Vragen van het lid JimmyDijk (SP) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»» (ingezonden 9 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 29 juni
2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen
helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing
bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Antwoord 2
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele
invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing.
Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een
succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen
met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing
zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening.
Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze
pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening
of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Vraag 3
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Antwoord 3
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt
om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen
naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid
van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien
van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook
het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen
kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden
wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid
om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen
met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid
krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en
wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke
grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding
hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte
kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
Vraag 4
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders
over het verloop en een voortzetting van de pilot?
Antwoord 4
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een
belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg
wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen
het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend
op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag
kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie
van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste
vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende
kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak
met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep
verder te ontwikkelen.
Vraag 5
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk
is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder
uit te bouwen?
Antwoord 5
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken
en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie.
In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders.
Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden
geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide
partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal
een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen
gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling
niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als
de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens
vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op
welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en
hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door
een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan
worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders
– worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar
kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder
is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen
dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd,
rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder
vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische
schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden
doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden
binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij
een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd,
kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden
gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen
zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en
betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit
van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld
aan gewerkt.5
Vraag 6
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage
dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee,
wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Antwoord 6
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is
in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen
dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via
vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd
een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn
zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp.
Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat
direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken
te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners
om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over
de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol
contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Vraag 7
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 7
Ja.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.