Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag (deel 1 en 2)
36 742 Regels betreffende de financiering van politieke partijen en transparantieregels met betrekking tot hun interne organisatie en financiën, evenals regels met betrekking tot het toezicht en het verbieden van politieke partijen (Wet op de politieke partijen)
Nr. 18
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 30 juni 2026
Met belangstelling heeft de regering kennisgenomen van de inbreng van de vaste commissie
voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer inzake het wetsvoorstel houdende de Regels
betreffende de financiering van politieke partijen en transparantieregels met betrekking
tot hun interne organisatie en financiën, evenals regels met betrekking tot het toezicht
en het verbieden van politieke partijen (Wet op de politieke partijen). Op 8 juli
2025 heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer het eerste
deel van het verslag vastgesteld (36 742, nr. 7) over bovengenoemd voorstel. Het eerste deel van het verslag heeft betrekking op
twee onderwerpen: interne partijdemocratie en het partijverbod. Op 26 september 2025
heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer een tweede verslag
vastgesteld (36 742, nr. 9). Het tweede verslag heeft betrekking op de volgende onderwerpen: financiering en
verplichtingen landelijke politieke partijen, financiering en verplichtingen decentrale
politieke partijen, politieke reclame en alle overige onderdelen van het voorstel.
De commissie heeft de regering verzocht met één nota naar aanleiding van het verslag
te komen waarin zij reageert op beide verslagen. Ik dank de leden van de verschillende
fracties voor hun inbreng en ga graag in op de door hen in de verslagen gestelde vragen.
1. Interne organisatie van politieke partijen
Inleidende woorden betreffende de interne organisatie van politieke partijen
De regering acht het in het licht van de gestelde vragen van belang om, voor zij op
de gestelde vragen in gaat, stil te staan bij afwegingen die de regering heeft gemaakt
bij het formuleren van de transparantieregels over de interne organisatie van partijen
in het voorliggende voorstel van wet. Dit ter resumering van de overwegingen die de
regering eerder uiteen heeft gezet in de Kamerbrief toezegging interne organisatie
politieke partijen, welke op 13 mei 2025 aan uw Kamer verzonden is.1
Politieke partijen hebben een belangrijke functie in onze democratische rechtsstaat.
Zij vormen op verschillende niveaus een verbindende en onmisbare schakel tussen de
maatschappij en de plekken waar politieke besluitvorming plaatsvindt. Vanuit deze
rol rekruteren en selecteren politieke partijen kandidaten voor vertegenwoordigende
organen, brengen zij wensen en belangen uit de samenleving samen en vertalen deze,
al dan niet vanuit een bepaalde ideologie, naar opvattingen en voornemens die worden
vastgelegd in verkiezingsprogramma’s waarvoor zij steun bij kiezers verwerven. Ook
mobiliseren ze stemgerechtigden om op hun kandidaten te stemmen. Omdat veel partijen
verenigingen zijn, zijn zij beschermd door het grondwettelijke recht op de vrijheid
van vereniging. Dit recht is fundamenteel en kan alleen in het belang van de openbare
orde worden beperkt bij een wet in formele zin. Nederland kent vanwege de betekenis
van politieke partijen in het democratisch proces een wetgevingstraditie van grote
terughoudendheid bij het reguleren van deze bijzondere organisaties. Juist bij politieke
partijen past ook de vrijheid om zichzelf in lijn met hun maatschappelijke opvattingen
te organiseren. De regering is dan ook van mening dat de wetgever hier grote terughoudendheid
past, zodat niet de schijn wordt gewekt dat eventuele voorschriften aan de interne
organisatie worden misbruikt om politieke opvattingen aan politieke partijen op te
leggen.
Desalniettemin worden er in Nederland regels gesteld aan politieke partijen. Zo bepaalt
de Kieswet sinds 1989 dat een groepering een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
moet zijn om een aanduiding te kunnen laten registreren. Hieruit volgt dat de interne
organisatie van een politieke partij moet voldoen aan de voorwaarden die in het Burgerlijk
Wetboek aan dergelijke verenigingen worden gesteld. Zulke voorwaarden zijn bijvoorbeeld
het hebben van leden, statuten, een verenigingsbestuur en het houden van een algemene
ledenvergadering.
Met de invoering van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) in 2013 zijn aanvullende
regels gesteld aan politieke partijen, waarmee een impliciete ledennorm is geïntroduceerd.
Politieke partijen moeten beschikken over minimaal 1.000 leden die in de politieke
partij vergader- en stemrecht hebben en elk per jaar minimaal € 12,– contributie betalen
om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het lidmaatschap moet blijken uit
een uitdrukkelijke wilsverklaring van de betrokkene. De hoogte van de subsidie wordt
mede bepaald door het aantal leden van een politieke partij.
De regering heeft in de eerder aan de Tweede Kamer verzonden brief over de interne
organisatie van politieke partijen uiteengezet dat de bijzondere positie van politieke
partijen in onze democratie maakt dat het stellen van nadere regels omtrent de interne
organisatie van politieke partijen om een weloverwogen afweging vraagt. Enerzijds
is een bepaalde normstelling gewenst, gezien de belangrijke rol van politieke partijen
in de Nederlandse democratische rechtsstaat. Anderzijds zijn er fundamentele, normatieve
en praktische uitdagingen voor dergelijke regelgeving, zoals het grondwettelijke recht
op de vrijheid van vereniging, het ontbreken van een gedeelde en gedragen norm over
wat het betekent om democratisch georganiseerd te zijn, onduidelijkheid over het daadwerkelijke
effect van dergelijke regels op de praktijk en over hoe dergelijke regels gehandhaafd
moeten worden.
In de inbreng van enkele fracties wordt een verband gelegd tussen enerzijds de wens
om politieke partijen te verplichten tot het hebben van leden en anderzijds het bevorderen
van de democratie binnen de organisaties van politieke partijen. Met het wetsvoorstel
Wpp kiest de regering er echter niet voor om het hebben van leden te verplichten.
Daarbij speelt in belangrijke mate mee dat de regering ervan overtuigd is dat een
minimumaantal leden geen toereikende indicator is voor het democratische gehalte van
de interne organisatie van een politieke partij.2 Bovendien is er, zoals reeds opgemerkt, in Nederland geen breed gedeelde norm over
wat het betekent om «intern democratisch georganiseerd» te zijn. In de praktijk blijkt
dat de rol van leden binnen partijen verschilt.3 Zo hebben politieke partijen, in lijn met het Burgerlijk Wetboek, algemene ledenvergaderingen,
maar verschillen de regels per partij over wat er op zo’n vergadering kan worden besloten
en onder welke voorwaarden.4 Bij enkele politieke partijen zijn delen van de interne besluitvorming voorbehouden
aan regionale afgevaardigden in plaats van open voor alle leden. Ook historisch is
de rol van de leden niet altijd dezelfde geweest.5 De inbreng in het verslag van sommige fracties duidt ook op principiële bezwaren
tegen nadere regulering van de interne organisatie, terwijl andere fracties hier juist
voor pleiten.
Met de Wet op de politieke partijen (Wpp) handhaaft de regering de regels uit de Wfpp
en voegt zij hier nieuwe normen aan toe, namelijk transparantieregels over de interne
organisatie. Daarmee worden geen eisen gesteld aan de organisatie(structuur) van politieke
partijen die afwijken van de eisen die in algemene zin gesteld worden aan verenigingen
in het Burgerlijk Wetboek. Wel vereist de voorgestelde Wpp dat politieke partijen
transparant zijn over de inhoud van hun statuten, de neveninstellingen, de procedure
voor kandidaatstelling, de wijze waarop de leden van het verenigingsbestuur en andere
statutaire organen benoemd worden, de wijze waarop kandidatenlijsten tot stand komen
en, indien van toepassing, welke criteria er gelden voor de personen die daarvoor
worden geselecteerd.
Met de transparantievereisten over de interne organisatie van politieke partijen die
de regering introduceert in het wetsvoorstel Wpp, is gepoogd om recht te doen aan
de hiervoor beschreven vraagstukken. De transparantievereisten stellen, zoals gezegd,
geen inhoudelijke eisen aan de manier waarop partijen intern georganiseerd zijn. Daar
staat tegenover dat regels over de interne organisatie politieke partijen kunnen stimuleren
om medezeggenschap anders te organiseren. Door het middel van transparantie kiest
de regering ervoor om de balans te bewaken tussen het inperken van de organisatie-
en oriëntatievrijheid van politieke partijen enerzijds en anderzijds kiezers in staat
te stellen om op basis van de beschikbare informatie over de interne organisatie van
partijen een mening te vormen over welke partijen zij willen steunen en inzicht te
krijgen hoe zij intern invloed kunnen uitoefenen.
Hoewel de regering er, zoals hiervoor vermeld, niet voor kiest nadere regels voor
de interne organisatie van politieke partijen voor te schrijven, ziet zij wel degelijk
dat het voor politieke partijen van meerwaarde kan zijn om ledenorganisaties te zijn.
Ondanks de verschillen tussen politieke partijen is het doorgaans mogelijk voor leden
om in een vereniging samen beslissingen te nemen over de aard van de vereniging, de
selectie van kandidaten en de inhoudelijke koers. Waar de kiezersachterban van verkiezing
tot verkiezing kan verschillen, is het verloop van het ledenbestand geringer. Dit
stelt leden in staat om de richting van de partij te bewaken en de politieke of bestuurlijke
top aan te spreken wanneer de door haar gemaakte keuzes onvoldoende in lijn zijn met
de beginselen. Ook is het mogelijk om in reactie op maatschappelijke ontwikkelingen
de koers van de partij bij te sturen. Leden zorgen daarnaast voor organisatorische
en financiële slagkracht door onder andere het betalen van contributie, verrichten
van vrijwilligerswerk en de vervulling van politieke ambten en interne (bestuurs)functies.
Tot slot kan het zijn van een ledenorganisatie ook een voordeel opleveren waar het
de rekruteringsfunctie van politieke partijen betreft. De partij kan talentvolle leden
verder scholen en vormen in de ideologie van de partij en hen voorbereiden op politiek-bestuurlijke
functies. Zo kan een partij wanneer nodig putten uit een bestand van geschikte kandidaten
voor, bijvoorbeeld, het wethouder-, burgemeester- of ministerschap.6
Hoewel de regering al deze voordelen onderkent en als zodanig ook meent dat het hebben
van een ledenorganisatie dus wenselijk is, blijft zij evenwel de mening toegedaan
dat het aan politieke verenigingen zelf is om te besluiten hoe zij hun eigen interne
organisatie willen inrichten. Om daarover wel inzicht te verschaffen aan geïnteresseerden,
leden en kiezers, stelt zij evenwel verplicht dat politieke partijen hierover transparant
zijn en zodoende hierover procedures en documenten openbaar maken.
In het hiernavolgende wordt uitvoeriger ingegaan op de inbreng van de verschillende
fracties over dit onderwerp.
GroenLinks-PvdA
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vinden de transparantieverplichtingen
over de interne organisatie van politieke partijen erg mager. Zij vragen in hoeverre
de afwezigheid van een ledenverplichting in strijd kan zijn met de versterking van
de democratische rechtsstaat en politieke representatie en vragen hoe deze transparantie
bijdraagt aan het daadwerkelijk democratisch functioneren van politieke partijen nu
er geen eisen worden gesteld aan ledenaantallen of interne democratische besluitvorming.
De regering acht het van belang dat politieke partijen transparant zijn over onder
andere de inhoud van hun statuten, organisatiestructuur, interne procedures en aanvullende
voorwaarden die worden gesteld om op een kandidatenlijst te staan. Deze transparantiemaatregelen
versterken de democratische legitimatie van een politieke partij, doordat het leden
en kiezers in staat stelt een mening te vormen over de manier waarop een politieke
partij is georganiseerd. De regering acht het niet stellen van een ledenverplichting
dan ook niet in strijd met het streven naar een versterking van de democratische rechtsstaat.
Vanwege het overnemen van de duizendledeneis om in aanmerking te komen voor subsidie,
is de norm duidelijk: politieke partijen worden ertoe aangezet om ledenpartijen te
zijn. Zo wordt ook geborgd dat de partijen die in aanmerking komen voor subsidie voldoende
maatschappelijke verbondenheid hebben.
De regering heeft er begrip voor dat de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA een
verband leggen tussen een ledenverplichting voor politieke partijen en interne democratie
binnen hun organisaties, maar ziet dit verband zelf niet. Zoals uiteengezet in de
inleiding, zegt een ledenverplichting op zichzelf niets over de mate waarin partijen
intern democratisch georganiseerd zijn. Zodoende streeft de regering er ook niet naar
om met de transparantievereisten te waarborgen dat politieke partijen «daadwerkelijke
democratisch functioneren», onder meer vanwege het gegeven dat deze notie niet eenduidig
is, wat kan leiden tot ingewikkelde toezichts- en handhavingskwesties. Kiezers en
partijleden kunnen wel besluiten een partij niet langer te steunen met hun stem of
lidmaatschap als zij van mening zijn dat de partij onvoldoende democratisch functioneert.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of transparantie over de interne
organisatie voldoende bescherming biedt tegen elitevorming binnen partijen of belangenclubs
zonder maatschappelijke inbedding. De regering hecht eraan te benadrukken dat zij
er met de transparantieverplichting over de interne organisatie van partijen niet
naar streeft om het ontstaan van elites of belangenclubs zonder brede maatschappelijke
inbedding te voorkomen. De regering wijst er in dat verband ook op dat het denkbaar
is dat er binnen partijen met leden een dergelijke ontwikkeling plaatsvindt: mogelijk
zelfs met goedkeuring dan wel instemming van de leden. Op dit fenomeen heeft ook Dr.
G. Voerman gewezen in het position paper dat hij schreef voor het rondetafelgesprek
dat uw Kamer heeft georganiseerd over dit onderwerp.7
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA uiten de zorg dat het ontbreken van een
ledenverplichting het risico vergroot dat partijen zonder wezenlijke achterban publieke
middelen ontvangen. De regering deelt deze zorg niet. De subsidievereisten die reeds
onderdeel zijn van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) zijn overgenomen
in het wetsvoorstel Wpp. Zo is het voor politieke partijen vereist om minimaal duizend
contributie betalende leden te hebben om in aanmerking te komen voor subsidie. Op
deze manier wordt de maatschappelijke inbedding gewaarborgd van politieke partijen
die publieke middelen ontvangen.
Als de transparantieregels over de interne organisatie van de Wpp leiden tot een stijging
van het vertrouwen in de politiek, beschouwt de regering dat als positief. Maar anders
dan de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijkens het verslag veronderstellen,
is de verplichting voor politieke partijen om transparant te zijn over hun interne
organisatie niet bedoeld om het vertrouwen van burgers in het partijstelsel te versterken.
Er zijn veel factoren van invloed op het vertrouwen in de politiek, die niet allemaal
volgen uit het beleid van de overheid.8 Vertrouwen kan dus geen doel op zichzelf zijn.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom er niet voor is gekozen
minimale inhoudelijke eisen te stellen aan ledeninspraak of ledenaantallen en hoe
voorkomen wordt dat feitelijke democratische controle door de leden ontbreekt. Ook
vragen deze leden hoe geborgd wordt dat politieke partijen met een minimaal ledenbestand
ook daadwerkelijk een breed maatschappelijk draagvlak vertegenwoordigen. Zoals uiteengezet
in de inleiding, wordt door verschillende wet- en regelgeving een aantal eisen gesteld
aan de interne organisatie van politieke partijen. Hiermee worden al enkele minimale
vereisten gesteld. Zo moeten partijen sinds 1989 volgens de Kieswet een vereniging
met volledige rechtsbevoegdheid zijn om een aanduiding te kunnen laten registreren.
Hieruit volgt dat de interne organisatie van een politieke partij moet voldoen aan
de eisen die in het Burgerlijk Wetboek worden gesteld. Zulke voorwaarden zijn bijvoorbeeld
het hebben van leden, statuten, een verenigingsbestuur en het houden van een algemene
vergadering. Met de regels uit de Wfpp, zoals de duizendledeneis om in aanmerking
te komen voor een subsidie, wordt bovendien gewaarborgd dat enkel politieke partijen
met voldoende leden met stem- en vergaderrecht publieke middelen ontvangen. Het wetsvoorstel
Wpp voegt daaraantoe dat politieke partijen transparant moeten zijn over onder andere
de inhoud van hun statuten, organisatiestructuur, interne procedures en aanvullende
voorwaarden die worden gesteld om op de kandidatenlijst te staan. Of deze combinatie
van eisen zorgt voor «feitelijke democratische controle», zoals de leden van GroenLinks-PvdA
schrijven, is echter niet te stellen. In welke mate binnen een partij sprake is van
democratische controle is niet te meten en wordt verschillend gewaardeerd, zoals tot
uitdrukking komt in het gegeven dat politieke partijen in Nederland de invloed van
hun leden op verschillende manieren en rond verschillende praktijken andersoortig
hebben vormgegeven. Of partijen de ambitie hebben om een breed maatschappelijk draagvlak
te hebben, zoals de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA veronderstellen, is niet
aan de wetgever, maar aan politieke partijen zelf.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA benadrukken dat zij een voorstander zijn
van extra regels om de interne democratie binnen politieke partijen te bevorderen.
Zij uiten de zorg dat het niet stellen van regels eraan bijdraagt dat niet-democratisch
georganiseerde partijen te veel invloed kunnen krijgen op het landsbestuur of het
bestuur van een decentrale overheid. De regering deelt de wens van deze leden dat
het wenselijk is dat politieke partijen hun interne organisatie democratisch organiseren,
maar stelt vast dat er in Nederland geen breed gedeelde opvatting is over wat het
concreet betekent om «intern democratisch georganiseerd» te zijn. Onduidelijk is aan
welke normen voldaan zou moeten worden om als zodanig georganiseerd te zijn, met welke
regels iets dergelijks bereikt zou kunnen worden en hoe deze zouden moeten worden
gehandhaafd. Bovendien biedt een toename aan regels inzake de interne organisatie
niet de garantie dat er binnen partijen ook meer democratische praktijken ontstaan
en blijft een belangrijke vraag hoe dit kan worden vastgesteld. Dit maakt dat voor
de regering niet evident is welke nadere regels omtrent de interne organisatie van
politieke partijen zouden voorkomen dat niet-democratisch georganiseerde partijen
te veel invloed op het landsbestuur of op het bestuur van een decentrale overheid
zouden krijgen.
De regering heeft in de brief waar de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA naar
verwijzen uiteengezet dat de bijzondere positie van politieke partijen in onze democratie
maakt dat het stellen van nadere regels omtrent de interne organisatie van politieke
partijen om een weloverwogen afweging vraagt. Enerzijds is een bepaalde normstelling
gewenst, gezien de belangrijke rol van politieke partijen in de Nederlandse democratische
rechtsstaat. Anderzijds zijn er fundamentele, normatieve en praktische uitdagingen
voor dergelijke regelgeving, zoals het grondwettelijke recht op de vrijheid van vereniging,
het ontbreken van een gedeelde en gedragen norm over wat het betekent om democratisch
georganiseerd te zijn, onzekerheid over het daadwerkelijke effect van dergelijke regels
op de praktijk en onduidelijkheid over hoe dergelijke regels gehandhaafd moeten worden.
Daarom heeft de regering gekozen voor een transparantieaanpak in plaats van nadere
regels aangaande de interne organisatie van politieke partijen. Hiermee bewaakt de
regering de balans tussen enerzijds het beperken van de organisatie- en oriëntatievrijheid
van politieke partijen en anderzijds het in staat stellen van kiezers om op basis
van beschikbare informatie over de interne organisatie van partijen een weloverwogen
keuze te maken. Gezien de voorgaande bezwaren ten aanzien van nadere regulering van
de interne organisatie van politieke partijen, heeft de regering hierin een belangenafweging
gemaakt.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vinden het belangrijk dat de interne democratie
binnen alle politieke partijen wordt bevorderd: zowel binnen landelijke politieke
partijen als binnen politieke partijen op decentraal niveau. De regering wijst er
in dit verband op dat alle overwegingen, die hebben geleid tot terughoudendheid bij
het invoeren van regels hieromtrent op landelijk niveau, ook opgaan voor het decentrale
niveau. De transparantieverplichtingen die met het onderhavige voorstel van wet worden
ingevoerd, gelden derhalve ook voor decentrale politieke verenigingen.
Decentrale politieke verenigingen moeten hun transparantieverplichtingen naleven door
de vereiste gegevens op een voor het publiek toegankelijke wijze openbaar te maken.
Dit betekent in de praktijk dat zij de betreffende documenten, zoals statuten, de
organisatiestructuur, procedures voor kandidaatstelling en informatie over neveninstellingen,
op hun website zullen publiceren. De op te richten Nederlandse autoriteit politieke
partijen (Napp) wordt belast met het toezicht en de handhaving.
VVD
De leden van de VVD-fractie vragen de regering welke voordelen zij ziet als politieke
partijen intern democratisch zijn georganiseerd. Zoals hiervoor vermeld in antwoord
op de vragen van de fractie van GroenLinks-PvdA, heeft de regering er bewust voor
gekozen politieke groeperingen vrij te laten in de inrichting van hun interne organisatie.
Dit laat onverlet dat, zoals de regering ook in de memorie van toelichting heeft opgemerkt,
het feit dat in beginsel alleen verenigingen een aanduiding kunnen laten registreren
door het centraal stembureau, en deze rechtsvorm zich er bij uitstek voor leent om
intern democratisch georganiseerd te zijn, gezien kan worden als een verwachting van
de wetgever dat politieke groeperingen zich intern democratisch zullen willen organiseren.
In haar advies over het voorstel heeft de Afdeling advisering van de Raad van State
drie functies van politieke partijen genoemd, te weten rekrutering en selectie; articulatie,
aggregatie en programmering; en communicatie en mobilisatie. De regering acht het
goed denkbaar dat het politieke groeperingen helpt om deze functies te kunnen vervullen
als zij intern democratisch georganiseerd zijn. Toch vindt zij het, zoals eerder aangegeven,
aan politieke groeperingen om zelf de keuze daarvoor te maken en daar op een eigen
wijze invulling aan te geven.
Het voorgaande neemt niet weg dat de regering graag bereid is aan het verzoek van
de VVD-fractie gehoor te geven om het concept van het wetsartikel waarin eerder is
gepoogd het karakter van een politieke vereniging te vatten, met uw Kamer te delen.
In de bewuste bepaling, het voorgestelde artikel 10 van het voorstel zoals het eerder
ter advisering aan de Afdeling advisering van de Raad van State is aangeboden, stond:
«Een politieke vereniging heeft als doel haar leden en andere inwoners van Nederland
te stimuleren om kennis te nemen van politieke besluitvorming en te participeren in
de totstandkoming daarvan.» Zoals uw Kamer in het nader rapport heeft kunnen lezen,
bestonden er onder wetenschappers en bij de Afdeling ernstige bezwaren tegen die wetsbepaling.
Mede om die reden maakt de bepaling geen deel uit van het voorstel zoals het bij uw
Kamer is ingediend. De betreffende bepaling deed bij nader inzien onvoldoende recht
aan de verschillende functies die politieke partijen in Nederland vervullen en had
bovendien ook geen bindende materiële betekenis.
De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering zich bij het concipiëren
van dit voorstel ook heeft afgevraagd of politieke verenigingen in de toekomst verder
van de maatschappij zouden kunnen komen te staan als meer verenigingen zouden kiezen
voor een verenigingsmodel zonder interne democratie. De regering heeft geen aanleiding
om te vermoeden dat in de toekomst politieke verenigingen vaker geen interne democratische
organisatie zullen hebben. Zij wijst erop dat door de interne partijdemocratie een
politieke vereniging ook een kweekvijver kan zijn voor politiek talent, wat haar juist
ten voordele kan strekken bij het zoeken naar geschikte kandidaten voor politieke
ambten. De regering wijst er eveneens op dat het niet in de wet vastleggen van inhoudelijke
eisen aan de interne organisatie van politieke partijen ook voordelen kent. Het laat
de mogelijkheid open dat zich nieuwe vormen van partijorganisatie ontwikkelen, zoals
ook geschetst is in het position paper van dr. P. Corduwener.9 Er is dan ook een andersoortige relatie tussen een politieke partij en de maatschappij
denkbaar. Zo hebben verschillende partijen in Nederland reeds geëxperimenteerd met
de invloed van niet-leden op de koers van politieke partijen.10
De leden van de fractie van de VVD stellen enkele vragen met betrekking tot de transparantievereisten
omtrent de interne organisatie, zoals hoe deze regels te omzeilen zijn, wie gaat toetsen
of de gepubliceerde informatie actueel of correct is, hoe deze dient te worden verschaft
en waarom de regering deze regels toereikend acht. De regering ziet transparantie
als een toereikend middel om inzicht te geven in de interne organisatie van politieke
partijen. Door openbaar te maken hoe besluitvorming, kandidaatstelling en statutaire
verhoudingen zijn geregeld, kunnen burgers en leden een geïnformeerde afweging maken.
De transparantieverplichtingen scheppen de mogelijkheid tot publieke controle door
leden en kiezers zonder in te grijpen in de vrijheid van vereniging en de organisatievrijheid
van partijen.
Op basis van het wetsvoorstel Wpp moeten landelijke en decentrale politieke partijen
en verenigingen onder meer de inhoud van de statuten, organisatiestructuur, interne
procedures en aanvullende voorwaarden die worden gesteld om op de kandidatenlijst
te staan elektronisch en toegankelijk openbaar maken. De regering acht het niet aannemelijk
dat politieke partijen deze transparantieregels omtrent de interne organisatie niet
zullen naleven, omdat vrij eenvoudig aan de transparantieverplichtingen kan worden
voldaan.
De Napp zal toezien op de juistheid en volledigheid van de informatie die politieke
partijen publiceren, zoals over de door hen aangewezen neveninstellingen en over de
interne organisatiestructuur van hun vereniging. De Napp controleert ambtshalve of
naar aanleiding van signalen die zij ontvangt of politieke verenigingen aan hun transparantieverplichting
voldoen. Politieke partijen die niet of niet volledig aan de wettelijke verplichtingen
voldoen, zullen de mogelijkheid krijgen om tekortkomingen te herstellen.
De leden van de fractie van de VVD vragen eveneens naar de mogelijke maatregelen die
getroffen kunnen worden als een politieke partij geen of in beperkte mate transparantie
biedt over de gevraagde onderdelen van de interne organisatie. Als een politieke partij
de transparantieverplichtingen niet of slechts in beperkte mate nakomt, kan de Napp
handhavend optreden. De Wpp voorziet hiervoor in instrumenten zoals het opleggen van
een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete teneinde een politieke vereniging
ertoe te bewegen om alsnog aan haar transparantieverplichtingen te voldoen.
Ook willen de leden van de fractie van de VVD weten of het voldoen aan de transparantievereisten
verplicht zal worden gesteld om aan verkiezingen te kunnen deelnemen. Dit is niet
het geval. Noch bij de beoordeling van het verzoek om registratie van een aanduiding,
noch bij het beslissen over de geldigheid van een ingediende kandidatenlijst, zal
het centraal stembureau bij zijn oordeel betrekken of een politieke groepering aan
de in de Wet op de politieke partijen neergelegde transparantieverplichtingen inzake
haar interne organisatie heeft voldaan. Het centraal stembureau is immers niet belast
met het toezicht op de naleving van de Wet op de politieke partijen. Bovendien is
er bij de totstandkoming van de Kieswet bewust voor gekozen om centraal stembureaus
zo min mogelijk beoordelingsvrijheid te laten, opdat het verkiezingsproces zo voorspelbaar
mogelijk is. Daardoor kan eenieder nagaan of de procedure eerlijk en overeenkomstig
de wet verloopt en wordt voorkomen dat eventuele politieke voorkeuren de uitkomst
van het verkiezingsproces kunnen beïnvloeden. Op deze manier wordt een eerlijke verkiezing
gewaarborgd. Om voornoemde reden meent de regering dat het ook niet wenselijk zou
zijn van het centraal stembureau hierover een oordeel te verlangen. Nog los van het
bezwaar daartegen dat de kandidaatstellingsprocedure daarvoor ook geen tijd laat.
Tot slot acht de regering het ook niet proportioneel om verkiezingsdeelname afhankelijk
te maken van het voldoen aan de transparantieverplichtingen over de interne organisatie,
aangezien zij geen verband ziet tussen het voldoen aan deze transparantieverplichtingen
enerzijds en deelname aan de verkiezingen anderzijds.
De leden van de fractie van de VVD informeren naar de alternatieven die decentrale
politieke partijen hebben voor de publicatie van de gevraagde informatie als zij niet
beschikken over een website. Op grond van het voorgestelde artikel 73 van de Wet op
de politieke partijen zijn decentrale politieke verenigingen verplicht om een aantal
zaken op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar te maken. Dat kán
op een eigen website, maar het is ook denkbaar dat er initiatieven ontstaan die politieke
verenigingen in staat stellen om aan hun verplichtingen te voldoen zonder zelf een
eigen website te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door een website aan te bieden waar politieke
verenigingen gebruik van kunnen maken. Dat een decentrale politieke vereniging over
beperkte financiële middelen beschikt hoeft overigens het hebben van een eigen website
niet in de weg te staan. Er zijn aanbieders die het hosten van een website, inclusief
een eigen domeinnaam, mogelijk maken voor een beperkt bedrag per jaar. Zo’n website
hoeft ook niet altijd door een externe partij gebouwd te worden. Sommige hostingproviders
stellen hun klanten tools ter beschikking waarmee zij zonder aanvullende kosten een
website kunnen bouwen, ook zonder technische kennis te hebben. Het openbaar maken
van informatie op een sociale netwerksite volstaat doorgaans niet, omdat de informatie
op een dergelijke site niet algemeen toegankelijk is. Op deze hoofdregel is alleen
een uitzondering voorzien voor decentrale politieke verenigingen die in Caribisch
Nederland gevestigd zijn, omdat sociale netwerksites daar een andere functie vervullen
dan in Europees Nederland. Zie het voorgestelde artikel 73a.
De leden van de fractie van de VVD willen weten of er naast de duizendledeneis als
subsidievoorwaarde een extra prikkel kan worden ontwikkeld om de interne partijdemocratie
te stimuleren. De regering heeft er vanwege reeds eerder en hierboven uiteengezette
overwegingen niet voor gekozen om zo’n prikkel op te nemen in het wetsvoorstel Wpp.
Met name de ambiguïteit van het begrip «interne partijdemocratie» is daar debet aan.
Onduidelijk is immers welke praktijken binnen de organisaties van politieke partijen
gestimuleerd zouden moeten worden om een feitelijke toename van interne partijdemocratie
te bewerkstelligen.
Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD naar het voorgestelde artikel 7,
derde lid, van het wetsvoorstel. Daarin is vastgelegd dat bij AMvB nadere voorschriften
kunnen worden gegeven over de informatie die politieke verenigingen openbaar moeten
maken. Bijvoorbeeld over welke gegevens van een neveninstelling in het overzicht,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, moeten worden opgenomen of welke gegevens
over de samenstelling van het verenigingsbestuur openbaar gemaakt moeten worden. Het
gaat hierbij dus nadrukkelijk om een nadere uitwerking van informatie die op grond
van het eerste lid al openbaar gemaakt moet worden, niet om het uitbreiden of wijzigen
van die voorschriften.
NSC
De leden van de NSC-fractie merken op dat er een spanning lijkt te bestaan tussen
de duizendledeneis voor politieke partijen om subsidie te ontvangen en de keuze om
geen algemene ledeneis op te nemen in het wetsvoorstel Wpp. De duizendledeneis is
voor het eerst in 1999 geïntroduceerd met de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp).
Deze eis is in 2013 overgenomen in de Wfpp, die de Wspp verving. In 2018 deed de Evaluatie-
en adviescommissie Wet financiering politieke partijen (de commissie-Veling) de aanbeveling
om de duizendledeneis om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen uit de Wfpp te
schrappen. De commissie was van mening dat, indien de wetgever het voor het goed functioneren
van de democratie wenselijk vindt dat politieke partijen een bepaalde organisatorische
vorm hebben, dit doel nagestreefd diende te worden door organisatorische eisen te
stellen aan politieke partijen zelf en niet door dit indirect middels subsidievoorwaarden
te stimuleren.11 Bij het voorbereiden van de Evaluatiewet Wfpp is echter de keuze gemaakt om de deze
eis tóch te behouden, omdat het hebben van leden duidt op een zekere inbedding van
de partij in de samenleving die toekenning van publieke middelen rechtvaardigt.12
Ook dr. S.P. van Leunen stelt in zijn position paper ten behoeve van het rondetafelgesprek
dat op 17 juli 2025 in het kader van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel
Wpp door uw Kamer is georganiseerd, dat het overwegen van het schrappen van de duizendledeneis
wenselijk is.13 Hij wijst daarbij onder meer op de willekeur van het getal duizend en op het feit
dat hierover nooit fundamenteel in de Staten-Generaal zou zijn gedebatteerd. De regering
acht het echter van belang dat politieke partijen organisaties zijn die een zekere
inbedding in de samenleving kennen. Met de duizendledeneis als subsidievoorwaarde
wordt het hebben van leden wel gestimuleerd, maar niet verplicht gesteld. Zo wordt
een balans gevonden tussen enerzijds de vrijheid van vereniging en de daaruit volgende
vrijheid van politieke partijen om zich naar eigen inzicht te organiseren en anderzijds
de normstelling door de wetgever dat partijen geacht worden ledenorganisaties te zijn.
De regering acht dit dan ook geen inconsistentie, maar een afgewogen keuze.
De regering voegt hier nog aan toe dat zij de mening is toegedaan dat de ledeneis
als subsidievoorwaarde veel beter handhaafbaar is dan een algemene ledeneis, zoals
ook eerder uiteen gezet is in de Kamerbrief over de interne organisatie. Achteraf
is door een accountant objectief vast te stellen hoeveel leden een politieke partij
op de bij wet vastgestelde peildatum heeft. Op basis daarvan kan bepaald worden of
een politieke partij op dat moment aan deze voorwaarde om voor subsidie in aanmerking
te komen heeft voldaan. Het is een facet dat de accountant mee kan nemen bij zijn
onderzoek van het financieel verslag van de partij, zodat het ook weinig extra administratieve
lasten meebrengt. Bij een algemene ledeneis ligt dit ingewikkelder. Een voorschrift
in de Wpp dat het voor burgers mogelijk moet zijn om lid te worden van een politieke
vereniging, zou zich niet hebben geleend voor bestuursrechtelijke toezichts- en handhavingsinstrumenten.
Dergelijke instrumenten zijn immers bedoeld voor de verticale verhouding – overheid
versus burger –, terwijl bij belemmeringen van burgers om lid te worden van een vereniging
sprake is van een privaatrechtelijke rechtsrelatie. Geschillen daarover kunnen wel
aan de civiele rechter worden voorgelegd. Hier komt bij dat als de wet van politieke
verenigingen zou eisen dat zij nieuwe leden moeten toelaten, verenigingen die daar
niet voor open staan andere manieren zouden kunnen vinden om burgers daarin af te
remmen. Bijvoorbeeld door in de statuten bepaalde verplichtingen voor leden vast te
leggen of door de contributie die iemand moet betalen vast te stellen op een exorbitant
bedrag. In beide gevallen zou formeel aan de algemene ledeneis zijn voldaan, terwijl
het gewenste doel materieel niet ten volle zou worden bereikt. Gelet op de rechtsrelatie
tussen burger en vereniging, is hierbij ook geen rol voor de Napp weggelegd. Het vastleggen
van een algemene ledeneis in de Wpp zou dus vooral een politiek signaal zijn dat de
wetgever het belangrijk vindt dat politieke partijen ledenpartijen zijn, maar dit
allerminst afdwingen en bovendien allerlei complexe uitvoeringsvraagstukken met zich
meebrengen rond het toezicht en de handhaving van deze eis.
Gelet op de positie van politieke groeperingen in het democratisch bestel, vinden
de leden van de NSC-fractie het blijkens het verslag wenselijk dat er inhoudelijke
eisen aan politieke groeperingen worden gesteld. De regering deelt de opvatting dat
de verenigingseis, met de essentie van een vereniging zoals de wetgever die in het
Burgerlijk Wetboek (BW) heeft vastgelegd, uitgaat van enige mate van samenwerking
tussen verschillende (natuurlijke of rechts)personen. Ter illustratie van dit standpunt
kan erop gewezen worden dat een vereniging bij meervoudige rechtshandeling wordt opgericht
(art. 2:26 lid 2 BW), leden kent (art. 2:26 lid 1 BW), dat het bestuur in beginsel
uit de leden wordt benoemd (art. 2:37 lid 1 BW) en dat alle bevoegdheden die niet
door de wet of de statuten aan andere organen binnen de vereniging zijn toegekend,
aan de algemene vergadering van de leden toekomen (art. 2:40 lid 1 BW). Desalniettemin
bevat het Burgerlijk Wetboek hoofdzakelijk een kader op hoofdlijnen. Bovendien wordt
verenigingen in het Burgerlijk Wetboek ook veel ruimte geboden om zelf in hun statuten
een andere afweging te maken. Het lidmaatschap van een vereniging is bijvoorbeeld
persoonlijk, tenzij de statuten anders bepalen (art. 2:34 lid 1 BW). Het bestuur beslist
over de toelating van nieuwe leden, tenzij de statuten anders bepalen (art. 2:33 BW).
Het bestuur bestaat uit leden van de partij, tenzij de statuten anders bepalen (art.
2:37 lid 1 BW). De regering is dan ook de mening toegedaan dat het Burgerlijk Wetboek
geen bruikbaar kader biedt op grond waarvan politieke groeperingen beoordeeld kunnen
worden. Elke bij notariële akte opgerichte vereniging zal aan deze eisen voldoen en
wordt een politieke vereniging zodra het centraal stembureau haar verzoek heeft ingewilligd
om haar aanduiding te registreren voor het gebruik bij verkiezingen.
Om als vereniging op grond van de Wet op de politieke partijen voor subsidie in aanmerking
te komen, moet de vereniging wel aan enkele voorwaarden voldoen. Op de eerste plaats
moet zij een politieke partij in de zin van de Wet op de politieke partijen zijn.
Dat wil zeggen dat het centraal stembureau op verzoek van de vereniging een aanduiding
moet hebben geregistreerd en dat deze aanduiding bij de laatstgehouden verkiezing
boven een lijst moet hebben gestaan waaraan een of meer zetels zijn toegewezen. Ook
moet de vereniging op grond van het voorgestelde artikel 54, eerste lid, op de peildatum
minimaal duizend leden hebben die elk vergader- en stemrecht hebben en jaarlijks ten
minste € 12,– contributie betalen. Er is in het Burgerlijk Wetboek geen bepaling te
vinden die eraan in de weg staat dat ook rechtspersonen lid kunnen zijn van een vereniging.
Ook het lidmaatschap van een rechtspersoon telt dus mee bij de beoordeling of de politieke
partij een voldoend aantal leden heeft om voor subsidie in aanmerking te komen. Wel
kunnen politieke partijen er zelf voor kiezen om het lidmaatschap van hun vereniging
uit te sluiten voor rechtspersonen. Net zoals zij ervoor kunnen kiezen om geen bijdragen
van rechtspersonen aan te nemen. Het is aan elke afzonderlijke politieke groepering
om de wenselijkheid van een dergelijke maatregel te beoordelen.
De suggestie van de fractie van NSC om het minimumaantal leden gelijk te stellen aan
het aantal ondersteuningsverklaringen voor deelname aan verkiezingen, acht de regering
geen werkbare en verhelderende aanvulling. Op basis van de nu door de leden van de
fractie van NSC verschafte informatie valt hun voorstel op dermate veel manieren uit
te leggen, dat de regering hier niet op in kan gaan zonder een aantal aannames te
doen over wat de leden van deze fractie bedoelen en beogen met hun voorstel.
De regering sluit zich ook niet aan bij de opvatting van de leden van de fractie van
NSC dat het wenselijk én mogelijk is om een aantal algemene uitgangspunten te formuleren
waaraan elke politieke partij moet voldoen. Gezien de uiteenlopende verschijningsvormen
van partijen in het heden en verleden, alsook de bijbehorende praktijken binnen partijen,
acht de regering het niet zonder meer mogelijk om een aantal algemene uitgangspunten
te formuleren waaraan partijen moeten voldoen. Dit blijkt ook uit het antwoord op
de vraag van de fractie van de VVD over de mogelijkheid tot het aangeven van het karakter
van politieke partijen in de wet. Zoals aangegeven in de inleiding, vraagt de bijzondere
positie van politieke partijen in onze democratie er bovendien om dat er te allen
tijde een weloverwogen afweging gemaakt wordt bij nadere regulering van partijen.
De grondwettelijke vrijheid van vereniging speelt daarbij ook nadrukkelijk een rol.
De wetgever past dan ook grote terughoudendheid bij het stellen van eisen aan politieke
partijen.
De regering onderschrijft het belang dat de leden van de fractie van NSC toekennen
aan laagdrempelige deelname aan de politiek. Partijsubsidie kan hieraan bijdragen.
Tegelijkertijd bepaalt de Wpp dat voor het voldoen aan de duizendledeneis voor subsidiëring
alleen leden meetellen die ten minste € 12,– per jaar aan contributie betalen en daarbij
vergader- en stemrecht hebben. Het staat een politieke partij vrij om zelf een lager
contributiebedrag vast te stellen, maar leden die minder dan € 12,– per jaar betalen,
worden niet meegeteld voor het behalen van deze grens. Het voorstel van de leden van
de fractie van NSC om bij AMvB een maximale contributiehoogte vast te leggen acht
de regering niet wenselijk. De Wpp laat de vaststelling van de contributiehoogte nadrukkelijk
over aan de politieke partij, in lijn met de vrijheid van vereniging en de organisatievrijheid.
De leden van de fractie van NSC zijn van mening dat het wenselijk is dat ook journalisten
toegang krijgen tot algemene vergaderingen van politieke partijen en dat deze toegang
geborgd wordt. Ook menen zij dat de Napp hierop zou moeten toezien. Aangezien het
wetsvoorstel Wpp geen inhoudelijke eisen stelt aangaande de interne organisatie van
politieke partijen, is de regering van mening dat het nadrukkelijk aan politieke partijen
zelf is om te besluiten of journalisten toegang hebben tot algemene vergaderingen.
Dit verplichten acht de regering onwenselijk. Het toezicht van de Napp zal gericht
zijn op de naleving van de regels in de Wpp en dit voorstel maakt momenteel geen deel
uit van het wetsvoorstel Wpp. De regering is niet voornemens om daar verandering in
te brengen.
Hoewel de fractie van NSC aangeeft pas op een later moment met een concrete vraag
te komen over of een eventuele subsidiekorting onderdeel zal uitmaken van het toezichts-
en handhavingsregime dat de Napp zal opstellen, heeft de regering reeds in antwoord
op een vergelijkbare vraag van de fractie van de VVD een antwoord gegeven dat de fractie
van NSC mogelijk al enige duidelijkheid verschaft. Als een politieke partij de transparantieverplichtingen
niet of slechts in beperkte mate nakomt, kan de Napp handhavend optreden. De Wpp voorziet
hiervoor in instrumenten zoals het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke
boete. De subsidie staat los van de in de wet opgenomen transparantieverplichtingen.
D66
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het voorliggende wetsvoorstel tekortschiet
voor wat betreft de regels over de interne organisatie van politieke partijen. Zij
vinden dat de wet moet waarborgen dat politieke partijen intern democratisch georganiseerd
zijn. Zij geven daarvoor een aantal argumenten.
In de eerste plaats vormt de eis om intern democratisch georganiseerd te zijn volgens
deze leden een waarborg tegen de autocratische neigingen van politici. De regering
onderkent de potentiële voordelen die interne partijdemocratie kan hebben, al hangen
deze af van de wijze waarop dit is vormgegeven. De leden van de fractie van D66 lijken
onder interne democratie in elk geval de medezeggenschap dan wel tegenspraak van leden
te verstaan. De regering deelt de mening dat als politieke partijen ledenorganisaties
zijn, dit eraan kan bijdragen dat leden medezeggenschap hebben dan wel tegenspraak
kunnen bieden over de koers van een politieke partij. Echter, het feit dat de leden
van een politieke partij de partijleiders of kandidaten zouden kiezen of invloed zouden
hebben op bijvoorbeeld de inhoud van verkiezingsprogramma’s, biedt geen garantie dat
een politieke partij als zodanig rechtsstatelijke opvattingen zal uitdragen of anti-rechtsstatelijke
of autocratische neigingen zal tegengaan. Dat is namelijk zeer afhankelijk van de
opvattingen en gedragingen van die leden en de mogelijkheden tot invloed die binnen
een partij bestaan of zijn toegestaan. Zo schreef dr. P. Corduwener in het position
paper over dit onderwerp voor uw Kamer: «De gedachte dat een ledenpartij noodzakelijk,
of beter, de democratie verdedigt dan een andere organisatievorm berust ook niet op
historische ervaringen. Uit de geschiedenis van partijen die in Europa, bijvoorbeeld
in Duitsland en België, zijn verboden blijkt dit ook: dit waren ledenpartijen maar
ze zijn toch verboden, omdat hun standpunten en acties door de rechter onverenigbaar
werden gevonden met de democratische rechtstaat.»14 Dat interne democratie een waarborg vormt tegen autocratische neigingen, is volgens
de regering dan ook allerminst gegarandeerd.
De regering gaat ook niet mee in de gedachte van de leden van de fractie van D66 dat
intern democratisch georganiseerde partijen meer zouden bijdragen aan het publieke
debat dan partijen die dat niet zijn. Ook partijen zonder interne democratie kunnen
veel voeding geven aan het publieke debat, bijvoorbeeld door de standpunten die zij
uitdragen. Er vindt hooguit meer intern debat plaats binnen politieke partijen die een interne democratische organisatie
kennen, maar dit debat vindt, zuiver beschouwd, plaats in de private sfeer.
Ten slotte is de regering ook niet overtuigd door het argument van de leden van de
fractie van D66 dat nadere regulering van de interne organisatie van politieke partijen
gewenst is omdat intern democratisch georganiseerde partijen als zodanig de normen
zouden uitdragen van het systeem waarin zij opereren.15 Voor de regering is het niet vanzelfsprekend dat interne democratie bij een politieke
partij van dezelfde orde is als deelname van een partij aan het democratische proces
en de politieke wilsvorming. Zodoende is nog maar de vraag of intern democratisch
georganiseerde partijen daadwerkelijk de normen uitdragen van het stelsel waarin zij
opereren, ook gezien de variëteit aan wijzen waarop deze interne democratie tot uitdrukking
komt. De regering is voorts van mening dat het belangrijk is dat politieke partijen
zich in een pluriforme, democratische rechtsstaat vrij en naar eigen inzicht mogen
organiseren.16 De grondwettelijke vrijheid van vereniging en de vrijheid om een partij naar eigen
inzicht vorm te geven zijn daarbij fundamenteel en horen ook bij het systeem waarin
politieke partijen opereren. Het staat politieke partijen, binnen bepaalde kaders,
bovendien vrij om bepaalde normen van het systeem waarbinnen zij opereren, ter discussie
te stellen.
De leden van de fractie van D66 constateren dat in de Kamerbrief toezegging interne
organisatie politieke partijen vier categorieën bezwaren worden behandeld: het grondwettelijke
recht op vrijheid van vereniging; het ontbreken van een gedeelde en gedragen norm
over wat het betekent om democratisch georganiseerd te zijn; onduidelijkheid over
het daadwerkelijke effect van regels daarover op de praktijk; en hoe dergelijke regels
gehandhaafd moeten worden. Deze leden vragen of de regering hiermee een volledig overzicht
heeft gegeven van de bezwaren die zij heeft, of dat er nog andere bezwaren zijn en,
zo ja, welke dit zijn. De vier categorieën bezwaren die de fractie van D66 beschrijft
zijn voor de regering inderdaad aanleiding om geen nadere regels te stellen aan de
interne organisatie van politieke partijen. De categorieën bieden echter geen uitputtend
overzicht. Zo heeft de regering met interesse kennisgenomen van de verschillende papers
van de experts die uw Kamer heeft uitgenodigd in het kader van het rondetafelgesprek
over interne partijdemocratie.
In het paper van dr. Corduwener, universitair hoofddocent politieke geschiedenis aan
de Universiteit Utrecht, wordt als aanvullend bezwaar op eerdergenoemde categorieën
nog gesteld dat er het risico is dat in wetgeving slechts één organisatiemodel wordt
voorgeschreven, namelijk de partij als ledenorganisatie.17 Dit kan het experimenteren met nieuwe politieke organisatievormen remmen en zodoende
de mogelijkheden tot innovatie beperken, terwijl de kracht van democratie juist haar
openheid is. In het rondetafelgesprek zijn enkele voorbeelden genoemd van partijen
in het buitenland die hebben gepoogd om invloed van burgers op de partij mogelijk
te maken, zonder dat de betreffende partijen ledenorganisaties zijn. De regering acht
dit een legitiem bezwaar, zeker gezien het gegeven dat er ook in Nederland in het
verleden reeds is geëxperimenteerd met de mogelijkheid om niet-leden invloed te geven
op de koers van Nederlandse politieke partijen.18
Daarnaast wijst dr. G. Voerman erop dat de vergroting van de zeggenschap van het individuele
partijlid in sommige gevallen zou kunnen leiden tot het paradoxale effect dat de machtspositie
van de partijtop versterkt wordt. Dat argument werkt hij tweeledig uit.19 Allereerst hoeft de partijtop zich dan niet langer te verantwoorden tegenover het
doorgaans goed geïnformeerde, meer activistische middenkader, maar rechtstreeks tegenover
de geatomiseerde individuele leden, die minder makkelijk dan dat middenkader op gecoördineerde
en effectieve wijze tegenmacht kunnen bieden. Ten tweede kan bijvoorbeeld de direct
door de leden verkozen lijsttrekker/partijleider zich met zijn of haar rechtstreekse
ledenmandaat onafhankelijker opstellen ten opzichte van indirect verkozen partijorganen,
zoals het partijbestuur. De regering acht ook het bezwaar dat nadere regulering van
de interne organisatie van politieke partijen ongewenste dan wel onbedoelde effecten
kan hebben legitiem.
De leden van de fractie van D66 menen dat de regering zou stellen dat voorschriften
ten aanzien van ledendemocratie in strijd zijn met de vrijheid van vereniging. Zij
vragen de regering te bevestigen dat artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) een margin of appreciation aan lidstaten laat om dergelijke eisen te stellen. In zowel de Kamerbrief toezegging
interne organisatie van politieke partijen, de inleiding bij dit onderdeel van het
verslag en als in antwoord op enkele hierover gestelde vragen is aangegeven dat de
vrijheid van vereniging uit artikel 8 van de Nederlandse Grondwet een fundamenteel
recht is dat alleen in het belang van de openbare orde kan worden beperkt bij een
wet in formele zin. Ook het door de leden van de fractie van D66 aangehaalde artikel
11 van het EVRM waarborgt de vrijheid van vereniging; evenals de vrijheid van vergadering.
Ook in die bepaling is dat recht evenwel niet absoluut. Het kan beperkt worden als
die beperkingen bij wet voorzien zijn en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving
in het belang van de in het tweede lid genoemde gronden. Eisen aan de interne organisatie
van politieke partijen vormen een beperking op de vrijheid van vereniging van die
partij. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van dergelijke eisen in een democratische
samenleving geniet een lidstaat inderdaad een zekere margin of appreciation. Of een eis daadwerkelijk een gerechtvaardigde inperking van de vrijheid van vereniging
vormt, is afhankelijk van de voorwaarden die daaraan gesteld worden. Gelet op de bijzondere
positie die politieke partijen innemen in het democratische besluitvormingsproces,
genieten zij een grote vrijheid om zich te organiseren zoals zij willen. De vrijheid
van vereniging is zoals eerder gesteld echter geen absoluut recht. De regering is
niettemin van mening dat de wetgever grote terughoudend past bij het reguleren van
de interne organisatie van politieke partijen.
De leden van de fractie van D66 leggen een verband tussen de Mediawet 2008, de Wet
op de ondernemingsraden, de Wet medezeggenschap op scholen en de Wet medezeggenschap
cliënten zorginstellingen 2018 en vragen of de regering kan toelichten waarom extra
vereisten aan zulke verenigingen wel te verantwoorden zijn, maar de regering bij de
nadere regulering van politieke partijen wijst op de vrijheid van vereniging. Voor
het beantwoorden van deze vraag, wil de regering er vooreerst op wijzen dat de verplichting
een ondernemingsraad, ouderschapsraad of cliëntenraad in te stellen erop gericht is
om personen, of hun wettelijk vertegenwoordigers, die in een afhankelijkheidsrelatie
verkeren enige invloed te geven op die omgeving: de werkplek, school of zorginstelling.
Medezeggenschap biedt hun bescherming tegen veranderingen in die omgeving. De relatie
van leden tot politieke verenigingen is van een geheel andere orde. Hier komt bij
dat politieke partijen een cruciale rol spelen binnen de democratische rechtsstaat
en daarin wezenlijk andere functies vervullen dan omroepverenigingen, werkgevers,
scholen en zorginstellingen. Hoewel politieke partijen in de Nederlandse context grofweg
drie functies vervullen – 1. rekrutering en selectie; 2. articulatie, aggregatie en
programmering; en 3. communicatie en mobilisatie – verschillen zij in de wijze waarop
zij invulling geven aan elk van deze functies. Ook kunnen partijen verschillend aankijken
tegen het belang van elk van deze functies. Hoewel de vrijheid van vereniging niet
absoluut is, meent de regering dat het recht van politieke partijen om zich naar eigen
inzicht te organiseren fundamenteel is. Het risico bestaat dat met voorschriften aan
de interne organisatie impliciet politieke opvattingen aan politieke partijen worden
opgelegd door de wetgever. Ook kan het de ontwikkeling van politieke partijen verstarren.
Juist door politieke verenigingen niet verder te reguleren dan strikt noodzakelijk
is, hebben politieke verenigingen de mogelijkheid om hun interne organisatie in te
richten zoals dat naar hun overtuiging nodig is om invulling te geven aan de verschillende
functies van politieke partijen in de Nederlandse samenleving en behouden zij de vrijheid
om deze interne organisatie desgewenst aan te passen aan verander(en)de opvattingen
in de maatschappij of binnen hun eigen achterban. De regering ziet in de dragende
rol van politieke partijen in de democratie juist een rechtvaardiging voor de terughoudendheid
omtrent de nadere regulering van de interne organisatie, zoals ook uiteengezet in
de inleiding en de brief waarnaar de fractie van D66 heeft verwezen.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering of er geen minimale vereisten voor
de interne democratie bij politieke partijen geformuleerd kunnen worden. Deze leden
doen hiervoor ook een voorzet. Zij zijn namelijk van mening dat de interne partijdemocratie
moet leunen op twee principes: macht verdelen en invloed van leden garanderen. Dit
moet er volgens deze leden toe leiden dat leden in de praktijk worden toegelaten tot
politieke partijen en dat zij vervolgens «betekenisvolle zeggenschap» hebben over
het programma, de kandidatenlijsten en samenstelling van het bestuur, zodat aan een
«democratische ondergrens» voldaan wordt. Met de fractie van D66 deelt de regering
de opvatting dat het wenselijk is dat politieke partijen zich intern democratisch
organiseren. De regering vindt de twee genoemde principes ook sympathiek. Zij stelt
zich echter op het standpunt dat deze principes niet kunnen fungeren als een basis
voor nadere regulering van de interne organisatie van politieke partijen. Voor de
regering is onvoldoende duidelijk wat in deze context met «macht» wordt bedoeld en
wanneer die voldoende verdeeld is, wanneer er sprake is van invloed en hoe deze voor
leden gegarandeerd kan worden of wanneer zeggenschap «betekenisvol» is. Oftewel: wanneer
is een bepaalde democratische ondergrens daadwerkelijk bereikt? Deze voor meerdere
interpretatie vatbare principes tonen dan ook dat niet vanzelfsprekend is wat interne
democratie voor een politieke partij betekent, middels welke praktijken deze tot stand
komt en op welke wijze dit verplicht zou kunnen worden gesteld. Het gebruik van dergelijke
open normen maakt het toezicht op de naleving van eventuele nadere regels ten aanzien
van de interne organisatie van politieke partijen en de handhaving daarvan kwetsbaar
voor onduidelijkheid, willekeur en verwijten van partijdigheid van de toezichthouder.
Dit kan de geloofwaardigheid en positie van de Napp ondermijnen. Daar komt nog bij
dat de grondwettelijke vrijheid van vereniging ook een fundamenteel bezwaar vormt
tegen de verplichtstelling van dergelijke minimale vereisten. De regering kiest er
daarom voor weg te blijven van dergelijke inhoudelijke eisen aan de interne organisatie
van politieke partijen.
Met de fractie van D66 deelt de regering de wenselijkheid van interne zeggenschap
en de mogelijkheid tot invloed door leden. Zoals aangegeven in de inleiding, bestaan
er al enkele verplichtingen die daaraan kunnen bijdragen. Zo zijn het hebben van statuten,
een bestuur en een algemene vergadering, reeds verplicht op grond van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. Deze voorwaarden bestaan reeds, maar tonen ook dat nadere regulering
van de interne organisatie niet noodzakelijkerwijs leidt tot één model van interne
partijdemocratie. Aanvullende wettelijke voorschriften zijn mogelijk, maar ook die
garanderen niet dat een organisatie zich intern democratisch zal organiseren. Met
de transparantieregels over de interne organisatie schept de regering de voorwaarde
waarmee (potentiële) leden en kiezers kunnen oordelen over hoe politieke partijen
zich intern organiseren. Zo laat de regering het aan de kiezer om te oordelen over
het gewenste organisatiemodel, zonder dat de wetgever hier concrete verplichtingen
over oplegt.
De fractie van D66 merkt terecht op dat de handhaafbaarheid van regels omtrent de
nadere regulering van de interne organisatie van politieke partijen meespeelt in de
afweging van de regering om dergelijke regels niet voor te schrijven. Voor de regering
is inderdaad zwaarwegend dat het toezicht op de naleving van nadere regels omtrent
de interne organisatie van politieke partijen en de eventuele handhaving op overtredingen
zich zeer lastig laat beleggen en uitvoeren. De regering wordt gevraagd hoe dit argument
zich verhoudt tot de reeds bestaande vereisten voor politieke partijen, zoals de duizendledeneis
voor subsidie en de voorgestelde transparantieregels. De regering ziet niet hetzelfde
risico bij de duizendledeneis en de transparantievereisten. De reeds geldende duizendledeneis
is namelijk goed handhaafbaar, omdat zij duidelijk is en geen interpretatieve kwestie:
er wordt immers aan voldaan of niet. Om in aanmerking te komen voor subsidie wordt
op de peildatum gecontroleerd door de accountant of de betreffende politieke partij
wel of geen duizend leden heeft die per jaar minimaal € 12,– contributie betalen.
Ook voor de transparantievoorschriften geldt dat deze niet inhoudelijk beoordeeld
worden. Partijen kunnen aan hun transparantieplicht voldoen door de informatie die
onder de transparantieplicht valt – zoals statuten en kandidaatstellingsprocedures
– op hun website te publiceren, of anderszins openbaar te maken. Hetzelfde geldt voor
decentrale politieke partijen. Deze transparantieplicht kan dus relatief eenvoudig
door de Napp gecontroleerd worden.
Veel voorschriften die de interne organisatie van politieke partijen beogen te reguleren,
kennen het risico dat zij op meerdere manieren uitlegbaar zijn. Het meerduidige begrip
«betekenisvolle zeggenschap» in de inbreng voor het verslag van de leden van de fractie
van D66 is daar een voorbeeld van. Een dergelijke formulering laat zich lastig in
beleid of regelgeving vatten en kan zo leiden tot zeer complexe toezichts- en handhavingskwesties.
Ook dr. P. Corduwener wijst hierop in zijn position paper. Als een politieke partij
gedwongen wordt om intern democratisch georganiseerd te zijn, kan dit de weg openen
naar een verdere inperking van de vrijheid van vereniging, omdat deze notie te interpretatief
is om te handhaven. Dr. P. Corduwener geeft aan dat bijvoorbeeld zal moeten worden
ingevuld welke democratieopvatting precies wordt aangehangen. Hij schrijft: «Dit kan
leiden tot steeds grotere ingrepen in de interne organisatie van partijen als het
aankomt op rechten, profielen en kenmerken van de leden en de regels waarmee zij over
partijprogramma en partijleiders beslissen.»20
Desalniettemin zijn er nadere reguleringsmogelijkheden die ondubbelzinnig van aard
zijn. Deze zien primair op de verplichting tot het hebben van leden, niet op de nadere
regulering van bepaalde praktijken binnen partijen. Ook deze zijn beschreven in de
reeds genoemde Kamerbrief. Zij zijn weliswaar goed handhaafbaar, maar zeer verregaand
van aard. Een alternatief zou namelijk zijn om in de Wpp en de Kieswet te bepalen
dat politieke partijen moeten beschikken over een minimumaantal leden om deel te mogen
nemen aan verkiezingen.21 De politieke partij kan dit aantonen door het overleggen van een accountantsverklaring.
De controle hierop kan plaatsvinden op het moment van de registratie van de aanduiding
bij het centraal stembureau,22 of bij het moment van kandidaatstelling van de betreffende verkiezing onder de geregistreerde
aanduiding.23 Deze alternatieven moeten zeer zorgvuldig afgewogen worden, omdat ze een extra drempel
opwerpen voor politieke verenigingen om deel te nemen aan het verkiezingsproces. Het
is immers denkbaar dat een politieke partij voldoende steun geniet om kans te maken
op een zetel in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, zonder dat zij in staat is om
een bepaald aantal leden aan zich te binden. Met name nieuwe politieke partijen kunnen
hierdoor verhoudingsgewijs hard geraakt worden. De regering kiest hier nadrukkelijk
niet voor.
CDA
De leden van de fractie van het CDA vragen de regering hoe de transparantievereisten
omtrent de interne organisatie zich verhouden tot de vrijheid van vereniging. De transparantievoorschriften
raken niet aan de vrijheid van vereniging, omdat de transparantievoorschriften geen
inhoudelijke eisen stellen aan de interne organisatie van partijen. Politieke partijen
behouden, binnen de bestaande wettelijke regels, de vrijheid om zich intern te organiseren
op de wijze die zij wensen. Het voorschrift verplicht enkel tot openbaarmaking van
bestaande interne regels en structuren, zodat daarover transparantie bestaat richting
kiezers en leden.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe gewaarborgd is dat kleinere en decentrale
politieke partijen voldoende ondersteuning krijgen bij het voldoen aan de nieuwe transparantievereisten
over de interne organisatie. De leden uiten de zorg dat dit voor dergelijke partijen
mogelijk een disproportionele administratieve belasting oplevert. De regering deelt
deze zorg niet, omdat zij van mening is dat het voldoen aan de transparantievoorschriften
uit de Wpp over de interne organisatie slechts een geringe extra administratieve belasting
vormt voor politieke verenigingen. Aan enkele van de vereisten moeten politieke verenigingen
reeds voldoen omdat zij verenigingen zijn in de zin van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek en daaruit reeds verplichtingen voortvloeien, zoals het hebben van statuten.
Van andere gevraagde informatie acht de regering het aannemelijk dat politieke verenigingen
dit voorhanden hebben, zoals kandidaatstellingsprocedures.
De leden van de fractie van het CDA informeren naar de gevolgen van de voorgestelde
transparantieregels voor de ruimte voor politieke verenigingen om hun eigen cultuur
en tradities vorm te geven. Deze vraag onderstreept voor de regering het belang van
de zorgvuldige afweging die de wetgever dient te maken omtrent de nadere regulering
van de interne organisatie van politieke verenigingen. Enerzijds is een zekere normstelling
gewenst, anderzijds is de vrijheid waar de leden van de fractie van het CDA naar verwijzen
een groot goed. De regering meent aan dit tweeledige vraagstuk recht te doen met transparantievereisten
omtrent de interne organisatie die zo geformuleerd zijn dat er geen inhoudelijke eisen
aan de interne organisatie van politieke verenigingen gesteld worden. Zo kan er ruimte
blijven bestaan voor politieke verenigingen om hun eigen interne cultuur en tradities
te behouden en verder te ontwikkelen. De transparantieverplichtingen hebben enkel
betrekking op de inhoud van de statuten van politieke verenigingen, de organisatiestructuur,
de interne procedures en eventuele aanvullende voorwaarden die door de politieke vereniging
worden gesteld om op de kandidatenlijst van de partij te staan.
De regering verwacht dan ook niet dat het verplicht openbaar maken van interne procedures
op zichzelf zal leiden tot een juridisering of een toename van geschilprocedures tussen
leden en partijbesturen, zoals de leden van de CDA-fractie blijkens het verslag vrezen.
Deze transparantieverplichting is primair bedoeld om duidelijkheid te verschaffen
aan leden, kiezers en andere belanghebbenden over de wijze waarop de vereniging is
georganiseerd en besluiten worden genomen. De regering wijst er daarbij op dat veel
politieke verenigingen conform hun statuten reeds een geschillencommissie hebben en/of
de mogelijkheid bieden om tegen besluiten van partijorganen in beroep te gaan. De
nieuwe transparantieverplichtingen veranderen hier in principe niets aan.
De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering bereid is te verkennen hoe
de nieuwe regels toegepast kunnen worden met voldoende oog voor de schaalgrootte en
het karakter van verschillende politieke partijen, met het oog op het waarborgen van
een gezonde partijcultuur. De regering is het met deze leden eens dat er verschillen
zijn tussen politieke partijen en erkent dat hiervoor voldoende oog moet zijn. Voor
de regering toont dit dan ook waarom terughoudendheid omtrent nadere regels over de
interne organisatie van politieke partijen gepast is. Om die reden voert de regering
met het wetsvoorstel Wpp enkel de verplichting in dat politieke partijen transparant
moeten zijn over de inhoud van hun statuten, de organisatiestructuur, de interne procedures
en aanvullende voorwaarden die door de politieke partij worden gesteld om op de kandidatenlijst
van de partij te staan. Dit betreft overwegend informatie over zaken waarvan de regering
verwacht dat politieke partijen deze in de praktijk al hebben, omdat ze bijdragen
aan een gezonde partijcultuur. De transparantieverplichtingen leggen geen aanvullende
inhoudelijke verplichtingen op. Zo bezien verwacht de regering dan ook niet dat de
nieuwe regels van invloed zijn op de verschillende partijculturen bij politieke partijen.
Adviesbureau Berenschot heeft in opdracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties een zogenaamde «ex-ante uitvoeringstoets» uitgevoerd met betrekking
tot het wetsvoorstel Wpp en met name het toezicht door de Napp.24 In dit onderzoek is samen met politieke partijen onder meer onderzocht hoe uitvoerbaar
de nieuwe regels voor politieke partijen in de praktijk zijn, en op welke wijze kan
worden geanticipeerd op eventuele knelpunten. Ook zaken als schaalgrootte en karakter
van politieke partijen zijn hierbij betrokken. Een van de adviezen uit de ex ante
uitvoeringstoets is om te werken vanuit duidelijke werkprocessen en een voorspelbare,
risicogerichte en ondersteunende benadering. Hierbij is bijzondere aandacht geadviseerd
voor decentrale partijen, voor wie de Wpp nieuw is en extra ondersteuning en een lerende
aanpak essentieel zijn. Deze bevindingen worden meegenomen bij de verdere inrichting
van de Napp.
Meer in zijn algemeenheid merkt de regering op dat bij het concipiëren van het voorliggende
wetsvoorstel, ook de uitvoerbaarheid van de voorgestelde regels is betrokken. Daarom
zullen voor politieke partijen op decentraal niveau niet exact dezelfde regels gaan
gelden als voor politieke partijen op landelijk niveau. Voor decentrale politieke
partijen geldt bijvoorbeeld een lichter verantwoordingsregime ten aanzien van de subsidie
verantwoording. Tegelijkertijd moet wel bewaakt worden dat binnen één niveau – bijvoorbeeld
decentraal – sprake blijft van een gelijk speelveld tussen verschillende politieke
partijen. Bij de invoering van de wet en bij nieuwe politieke partijen mag van de
toezichthouder verwacht worden dat hij partijen in eerste instantie helpt om aan de
wet te voldoen en niet (te) snel grijpt naar de mogelijkheid tot bestuursrechtelijke
handhaving in situaties waar dit (nog) niet het geval is. Uiteraard kan daarbij ook
een onderscheid worden gemaakt tussen situaties waarin onbewust onbekwaam wordt gehandeld
en situaties waarin doelbewust de wet niet wordt nageleefd. Zoals dit tot op heden
bij landelijke politieke partijen onder het regime van de Wet financiering politieke
partijen ook het geval is.
De leden van de fractie van het CDA vragen de regering om te onderbouwen hoe de transparantievereisten
over de interne organisatie van politieke partijen bijdragen aan het vertrouwen in
de democratie. Daarbij wijst de regering erop dat er reeds vanaf de Wspp uit 1999
transparantieregels gelden voor politieke partijen rond hun financiering. Deze zijn
goeddeels overgenomen in de Wfpp en blijven behouden met de komst van de Wpp. In de
loop der jaren zijn deze wel aangescherpt als gevolg van het maatschappelijke debat
over de praktijken bij politieke partijen. De regering is van mening dat leden van
politieke partijen en kiezers door de transparantieregels in staat worden gesteld
om op basis van beschikbare informatie een afweging te maken over welke partij zij
willen steunen. Ook stelt het andere maatschappelijke actoren, zoals onderzoekers
en journalisten, in staat om onderzoek te doen naar het partijstelsel zodat hier maatschappelijk
debat over gevoerd kan worden. Hoewel de regering niet beoogt om met de transparantie-eisen
het vertrouwen in de democratie als zodanig te bevorderen, kan dit een positief neveneffect
van de regels zijn.
De leden van de fractie van het CDA informeren of transparantie niet ook juist tot
wantrouwen en polarisatie binnen politieke partijen kan leiden. De regering heeft
geen aanwijzingen voor deze verwachting.
De leden van de fractie van het CDA vragen of er in de uitwerking van voorschriften
over de interne organisatie van politieke partijen in AMvB’s rekening zal worden gehouden
met nieuwe partijen die nog geen ervaring hebben met het opstellen van uitgebreide
reglementen. In antwoord op een eerdere vraag van de VVD is reeds uiteengezet dat
in het voorgestelde artikel 7, derde lid, van de Wpp is vastgelegd dat bij AMvB nadere
voorschriften kunnen worden gegeven over de informatie die politieke verenigingen
openbaar moeten maken. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een nadere uitwerking van
informatie die op grond van het eerste lid al openbaar gemaakt moet worden, niet om
het uitbreiden of wijzigen van dat voorschrift. Uitgebreide reglementen worden niet
vereist. De regering is niet voornemens om op nieuwe of kleine politieke verenigingen
andere regels van toepassing te verklaren dan op oudere of omvangrijkere. Elke grens
daarin zou arbitrair zijn. Gelet op de aard van de bedoelde regels is het ook onnodig.
Bovendien is het belangrijk dat er tussen politieke partijen die op hetzelfde niveau
opereren een gelijk speelveld bestaat. De omstandigheid dat een nieuwe politieke partij
mogelijk fouten maakt uit onervarenheid en onwetendheid kan door de Napp uiteraard
wel betrokken worden bij het uitoefenen van het toezicht. De constatering dat (nog)
niet volledig in overeenstemming met de wet wordt gehandeld, hoeft immers lang niet
altijd te resulteren in een sanctie. Bij een geconstateerde overtreding kan de Napp
ook een waarschuwing geven of gelegenheid bieden tot het herstel. Daarnaast kan de
Napp beginnende en gevestigde politieke partijen ook helpen om de bij of krachtens
de wet gestelde voorschriften na te leven, door daarover voorlichting te geven en
praktische vragen daarover te beantwoorden.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de achtergronden en overwegingen om
bij het wetsvoorstel niet te kiezen voor het verplichtstellen van een minimumaantal
leden als voorwaarde voor de oprichting van of het functioneren als politieke partij.
Hiervoor verwijst de regering de leden van deze fractie naar de inleiding en, voor
een uitvoerigere uiteenzetting, de Kamerbrief over toezegging interne organisatie
politieke partijen.25
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de balans tussen transparantie enerzijds
en de ruimte voor interne deliberatie en vertrouwelijkheid anderzijds, mede gelet
op Europese jurisprudentie omtrent de verenigingsvrijheid. De transparantieverplichtingen
over de interne organisatie in het wetsvoorstel Wpp zien op de inhoud van hun statuten,
organisatiestructuur, interne procedures en aanvullende voorwaarden die door de politieke
partij worden gesteld om op de kandidatenlijst van de partij te staan. Ze sluiten
aan op informatie die partijen doorgaans al beschikbaar hebben. Omdat dit primair
documenten betreft over structuren en processen, is de regering van mening dat dit
niet raakt aan de interne beraadslaging en vertrouwelijkheid van politieke partijen.
Bovendien worden ook geen inhoudelijke eisen aan de interne organisatie gesteld. Zodoende
ziet de regering geen verband met de vrijheid van vereniging en Europese jurisprudentie
hierover.
De leden van de fractie van het CDA vragen de regering te reflecteren op de mogelijke
spanning tussen de rol van politieke partijen als oefenplaatsen voor democratisch
ethos en de mogelijke uniformering die het geval kan zijn van de regels over de inrichting
van partijorganisaties in het wetsvoorstel Wpp. Met de fractie van het CDA is de regering
het eens dat het belangrijk is dat politieke partijen democratische verenigingen zijn.
Tegelijkertijd vragen de bijzondere rol van politieke partijen in de democratische
rechtsstaat en de vrijheid van vereniging om een zorgvuldige afweging bij de keuze
voor nadere regulering van deze organisaties. Zodoende kiest de regering er met het
wetsvoorstel Wpp dan ook niet voor om inhoudelijke eisen te stellen aan de interne
organisatie van politieke partijen. De regering heeft dan ook niet de verwachting
dat de nieuwe verplichtingen ertoe leiden dat er meer uniformering van de inrichting
van de partijorganisaties ontstaat door de transparantievereisten.
De CDA-fractie vraagt of de regering heeft overwogen om de Wet op de politieke partijen
gefaseerd in werking te laten treden, zodat partijen voldoende tijd krijgen hun interne
organisatie in lijn te brengen met de nieuwe eisen. De regering acht de extra verplichtingen
voor politieke partijen in dit voorstel niet van zodanige aard en omvang dat gefaseerde
inwerkingtreding voor hen noodzakelijk is. De regering benadrukt bovendien dat politieke
partijen hun organisatie op basis van de nieuwe transparantievereisten ook niet hoeven
aan te passen, zoals wordt verondersteld. Het voorstelde artikel 151 maakt gefaseerde
inwerkingtreding mogelijk, maar met een ander doel. De regering is voornemens om bepalingen
die de Napp betreffen op een eerder moment in werking te laten treden. Anders kan
de Napp niet de activiteiten verrichten die nodig zijn om zich op de inwerkingtreding
van de andere bepalingen van deze wet voor te bereiden.
De leden van de fractie van het CDA vragen hoe wordt bewerkstelligd dat het toezicht
door de Napp op de verplichtingen uit het wetsvoorstel Wpp proportioneel en ondersteunend
zal zijn. In de ex ante uitvoeringstoets die de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties heeft laten uitvoeren en ondertussen aan uw Kamer is aangeboden,26 is zowel aandacht besteed aan de uitvoering van de Wpp door de Napp, als aan de uitvoeringslasten
voor politieke partijen als aan (de kwaliteit van) het toezicht. Via de uitvoeringstoets
kregen alle betrokkenen de mogelijkheid om mee te denken over hoe de Napp haar taken
het best kan uitvoeren. De resultaten en aanbevelingen van dit onderzoek worden door
de Napp betrokken bij de inrichting van de organisatie en uitvoering van de Wpp, met
voldoende aandacht voor proportionaliteit en ondersteuning van haar toezichthoudende
taken.
Er leven zorgen bij de CDA-fractie ten aanzien van de zogenoemde andere neveninstellingen.
Zij vrezen dat een vereniging of stichting als neveninstelling aangemerkt kan worden
zonder dat de partij daar zelf zeggenschap over heeft. Dit vraagstuk is niet nieuw.
Sinds 2013 wordt een vereniging of stichting die er uitsluitend of in hoofdzaak op
gericht is activiteiten of werkzaamheden te verrichten ten behoeve van een politieke
partij of een kandidaat van die partij als neveninstelling aangemerkt (vgl. art. 5
lid 1 Wfpp). Doet de politieke partij dit niet uit zichzelf, dan kan de Minister dit
voor haar doen (art. 5 lid 3 Wfpp). Met de komst van de Wpp verandert weliswaar de
procedure, maar het principe blijft ongewijzigd (vgl. art. 13, 74 en 122 Wpp). Van
politieke verenigingen wordt verwacht dat zij zélf hun neveninstellingen registreren
bij de Napp. Doen zij dit niet, dan kan de Napp ambtshalve daartoe besluiten. Maar
aan een dergelijk besluit gaat wel altijd een procedure vooraf. De Napp zal zowel
de politieke vereniging als de veronderstelde neveninstelling horen. Een politieke
vereniging wordt dus niet zomaar geconfronteerd met een additionele neveninstelling.
Desalniettemin is het waar dat een politieke vereniging niet volledig invloed heeft
op welke rechtspersonen als haar neveninstelling hebben te gelden. Als drie vrienden
van de lijsttrekker de Steunstichting [naam lijsttrekker] oprichten met als doel geld
in te zamelen voor de verkiezingscampagne van de lijsttrekker en dit voornemen uitvoeren,
dan wordt in beginsel aan de voorwaarden voor het zijn van een neveninstelling voldaan.
Ook als de partij waarvan de lijsttrekker lid is zelf niet van het initiatief op de
hoogte was. In het voorgestelde artikel 9 jo. artikel 74 van de Wpp staat opgenomen
dat een neveninstelling uitsluitend of in hoofdzaak erop is gericht activiteiten of
werkzaamheden te verrichten ten bate van de partij zelf of een kandidaat van de partij.
Als aan deze criteria is voldaan, dan is ook voldaan aan de criteria voor het zijn
van een neveninstelling en kan de Napp deze ook als zodanig ambtshalve aanwijzen.
In antwoord op de zorgen die de leden van de fractie van het CDA delen, benadrukt
de regering dat zij wil voorkomen dat nieuwe regelgeving leidt tot een afname van
bestuursleden en vrijwilligers door de administratieve lasten en extra verplichtingen
in de Wpp zoveel mogelijk te beperken, proportioneel vorm te geven, en aan te laten
sluiten bij bestaande praktijk dan wel die te vereenvoudigen.
Veel verplichtingen in de Wpp zijn voor landelijke politieke partijen en hun neveninstellingen
niet nieuw, omdat zij onder de Wfpp al verplicht zijn een administratie bij te houden
en aan bijdrageregels te voldoen. De omvang van de administratieve lasten is daarbij
sterk afhankelijk van keuzes die partijen zelf maken, zoals het wel of niet accepteren
van substantiële bijdragen, en de grootte van de administratie die voor de jaarlijkse
accountantscontrole wordt aangeleverd.
De Wpp voegt hier enkele verplichtingen aan toe, met name transparantieregels over
de interne organisatie. Partijen moeten bijvoorbeeld op hun website kenbaar maken
hoe besluitvormingsprocedures zijn ingericht. Voor veel partijen is dit al staande
praktijk, omdat statuten en reglementen doorgaans online beschikbaar zijn. Indien
aanpassingen nodig zijn om te voldoen aan de nieuwe eisen, betreft dit in de regel
een eenmalige en beperkte administratieve handeling zonder noemenswaardige financiële
gevolgen. De regering acht deze balans tussen administratieve lasten en de baten van
transparantie en subsidieverstrekking proportioneel.
De leden van de fractie van het CDA vragen welke maatregelen de regering overweegt
om het bestuurswerk binnen politieke partijen aantrekkelijk en uitvoerbaar te houden.
De regering acht het van belang dat bestuurders en medewerkers zoveel mogelijk van
hun tijd kunnen besteden aan de kerntaken van hun politieke partij. Om deze reden
heeft de regering gepoogd de omvang van de administratieve lasten als gevolg van deze
regelgeving zo beperkt mogelijk te houden. Op enkele onderdelen heeft de regering
de regeldruk zelfs verlicht, bijvoorbeeld door het verruimen van de meldingsplicht
voor substantiële bijdragen en het niet overnemen van het drempelbedrag naar rato
in verkiezingstijd. De Napp zal een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van
politieke partijen, onder meer door het opstellen van nadere voorschriften en het
bieden van informatievoorziening. Voor decentrale partijen is er aanvullende ondersteuning
beschikbaar via het Kennispunt Lokale Politieke Partijen. Dit neemt niet weg dat de
uitvoerbaarheid en aantrekkelijkheid van het werk ook om andere redenen onder druk
staat. De regering neemt de signalen over de hoge werklast en -druk zeer serieus.
In de Kamerbrief waardevol ambt heeft de regering maatregelen aangekondigd om het
politieke ambt aantrekkelijk te houden.27 Het is voor de regering evident dat bestuurders en volksvertegenwoordigers niet goed
kunnen functioneren als zij niet kunnen rekenen op lokale partijbesturen en vrijwilligers.
Om die reden zal er ook aandacht worden besteed aan het belang van het lokale vrijwilligerswerk
voor politieke partijen.
SP
De leden van de fractie van de SP hebben begrip voor de afweging van de regering om
geen verplichte eisen te stellen aan de interne organisatie van politieke partijen.
Zij achten het echter wel wenselijk dat politieke partijen in beginsel intern democratisch
georganiseerd zijn en vragen de regering of zij deze opvatting deelt. De regering
is het met de leden eens dat het wenselijk is dat politieke partijen intern democratisch
georganiseerd zijn, gelet op de sleutelrol van politieke partijen in onze democratie.
Evenwel bestaat er in Nederland geen breed gedragen norm over wat het betekent om
intern democratisch georganiseerd te zijn. Dat politieke partijen ledenorganisaties
zijn, kan bevorderen dat er democratische praktijken ontstaan, zoals de spreiding
van de macht en controle door de leden. Met de transparantieverplichtingen die het
wetsvoorstel Wpp introduceert, beoogt de regering om voor leden en kiezers inzichtelijk
te maken wat de werkwijze binnen partijen is. Hierdoor worden zij in staat gesteld
om een afgewogen keuze te maken over welke partijen zij steunen. De transparantieverplichtingen
kunnen leden ook helpen om meer zicht te krijgen op hoe zij invloed kunnen uitoefenen
binnen partijen. Dit kan democratische praktijken binnen partijen stimuleren.
Dat de regering het wenselijk acht dat politieke partijen ledenorganisaties zijn,
blijkt uit de duizendledeneis in de Wfpp als subsidievoorwaarde voor politieke partijen.
Deze eis duidt er bovendien op dat publiek geld gaat naar partijen die maatschappelijk
zijn ingebed. Dit is een praktisch uitvoerbare en goed handhaafbare regel. De regering
heeft echter niet overwogen om te onderzoeken of een groter deel van de subsidie afhankelijk
gemaakt kan worden van ledenaantallen, zoals de fractie van de SP wil weten. In het
verleden heeft de Commissie Veling juist geadviseerd om de duizendledeneis te schrappen.
Bij de consultatie van het onderhavige wetsvoorstel heeft ook de Kiesraad gepleit
voor het schrappen van de duizendledeneis ten faveure van de organisatievrijheid van
partijen. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft in haar advies bij het
wetsvoorstel Wpp ook geen wijziging van deze subsidievoorwaarde aanbevolen.
SGP
De leden van de SGP-fractie kunnen zich vinden in de door de regering gekozen lijn
om af te zien van een materiële wettelijke definitiebepaling en inhoudelijke voorschriften
voor de inrichting van politieke verenigingen. De leden vragen zich desalniettemin
af of de huidige regelgeving wel voldoende recht doet aan het wezen van de vereniging.
In het bijzonder vragen zij of een vereniging met slechts een enkel lid wel als politieke
vereniging geregistreerd kan worden. En of een vereniging niet ten minste twee natuurlijke
personen als lid zou moeten hebben.
De wettelijke bepalingen inzake het oprichten van een vereniging en hun interne organisatie
zijn te vinden in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 26, tweede
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt een vereniging opgericht bij meerzijdige
rechtshandeling. Hieruit volgt dat er minimaal twee personen nodig zijn om een vereniging
op te richten. Dit hoeven niet twee natuurlijke personen te zijn. Wat het vermogensrecht
aangaat staat een rechtspersoon immers in beginsel gelijk aan een natuurlijk persoon,
aldus artikel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hieruit volgt dat een vereniging
ook opgericht kan worden door een of meer rechtspersonen. In Nederland bestaat een
rijk palet aan verenigingen van velerlei aard, zoals: scholenverenigingen, sportverenigingen,
verenigingen van eigenaars, winkeliersverenigingen, politieke partijen en verenigingen
die ondernemingen in stand houden. Vanwege deze grote verscheidenheid, bevat het Burgerlijk
Wetboek ruime kaders waarbinnen een vereniging zelf over de inrichting van haar interne
organisatie kan beslissen. De politieke partij is juridisch gezien een vereniging
als elke andere en komt derhalve dezelfde vrijheid toe.
Het voorgaande laat onverlet dat de wetgever ervoor kan kiezen om gevolgen te verbinden
aan keuzes die de vereniging hierin maakt. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in artikel
7, eerste lid, van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp). Een politieke partij
kan ervoor kiezen om haar ledental te beperken, maar als het ledental onder de duizend
leden ligt heeft zij geen recht op subsidie op basis van die wet. Daarmee verplicht
de wet politieke groeperingen niet om ledenpartijen te zijn, maar stimuleert zij dit
wel. Immers, alleen verenigingen met duizend of meer betalende leden die vergader-
en stemrecht hebben komen voor subsidie in aanmerking. Dezelfde prikkel is terug te
vinden in het voorgestelde artikel 54 van de Wet op de politieke partijen.
De leden van de SGP-fractie vragen zich af waarom de regering ervan heeft afgezien
de «kennelijke juridische ondergrens te verduidelijken die past bij de essentie van
de vereniging in de politieke context». Zoals de regering in antwoord op een vraag
van de D66-fractie al heeft opgemerkt, is zij de opvatting toegedaan dat de «kennelijke
ondergrens» niet eenvoudig juridisch te normeren is op een wijze dat op het respecteren
van die norm objectief toezicht kan worden gehouden door een onafhankelijke autoriteit.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of een zeer beperkt minimumaantal leden
verplicht gesteld kan worden bij de registratie van een aanduiding van een politieke
vereniging, gelet op het huidige wettelijke kader. Daarbij wordt verwezen naar de
duizendledeneis als subsidievoorwaarde, die er volgens deze leden op duidt dat de
wetgever zich niet volledig afzijdig houdt bij de inrichting van politieke verenigingen.
De regering wil echter benadrukken dat de wetgever met de duizendledeneis als subsidievoorwaarde
geen inhoudelijke eisen stelt aan de manier waarop politieke partijen hun vereniging
inrichten. Het is primair een indicatie van het gegeven dat een partij op voldoende
draagvlak in de samenleving kan rekenen om in aanmerking te komen voor de ontvangst
van publieke middelen. Conform de regels in de Wfpp en de regels in het huidige wetsvoorstel
Wpp staat niets eraan in de weg dat een politieke partij die voldoende zetels heeft
behaald om vertegenwoordigd te zijn in de Staten-Generaal, maar om welke reden dan
ook niet in staat is om duizend contributie betalende leden aan zich te binden of
er de voorkeur aan geeft om dit niet te doen, kan blijven bestaan met de inrichting
die de partij verkiest.
De suggestie van de fractie van de SGP om een minimumaantal leden verplicht te stellen
bij de registratie van de aanduiding van een politieke vereniging, roept de vraag
op wat hiermee zou worden beoogd. Zou dit een indicator moeten zijn van een zekere
mate van interne democratie, zoals ook op andere plekken in het verslag wordt aangegeven?
Dan wijst de regering erop dat zij van mening is dat het hebben van leden onvoldoende
verband houdt met het hebben van een interne democratie. Indien het volgens de leden
van de SGP-fractie veeleer een eis is die moet borgen dat een partij op een zeker
draagvlak in de samenleving leunt, dan roept dit de vraag op hoe dit verschilt van
de momenteel gevraagde ondersteuningsverklaringen. Bovendien ziet de regering dat
de ledenplicht als vereiste voor een registratie van een aanduiding van een politieke
vereniging, omdat zij een eenmalige handeling betreft, het risico loopt dat deze na
registratie alsnog ontdoken zou kunnen worden. Onder de huidige regels is het Nederlandse
politieke bestel betrekkelijk laagdrempelig. Dit betekent dat ook nieuwe politieke
partijen gemakkelijk vertegenwoordigd kunnen worden in het parlement. Met het voorstel
om nadere ledenvereisten te stellen aan de registratie van een aanduiding van een
politieke vereniging, wordt in ieder geval een extra drempel opgeworpen voor nieuwe
politieke partijen om mee te doen aan de verkiezingen. De wetgever kan hiervoor kiezen,
maar de regering is zeer terughoudend om dergelijke maatregelen te treffen en kiest
daar met de voorgestelde regels in het wetsvoorstel Wpp dan ook niet voor.
De leden van de fractie van de SGP vragen naar de aanleiding om te denken dat de huidige
praktijk van politieke partijen noopt tot meer regulering en waarop de regering de
stelling baseert dat de extra transparantievereisten bijdragen aan het versterken
van de legitimiteit van partijen. Ze wijzen in dat verband ook naar onvrede van kiezers
die zich mogelijk zou richten op andere aspecten van het functioneren van partijen.
De regering sluit zich voor wat dat laatste betreft aan bij de leden van de fractie
van de SGP – de onvrede van kiezers kan op allerlei aspecten van de politiek betrekking
hebben en wordt niet zonder meer weggenomen door meer transparantie door politieke
partijen over hun interne organisatie. Dat is ook niet wat de regering met de regels
beoogt. De regering stelt zich op het standpunt dat belanghebbenden, zoals (potentiële)
leden, gevers, de volksvertegenwoordiging en het bredere publiek inzage zouden moeten
hebben in hoe politieke partijen zich organiseren. Zo worden leden en kiezers beter
in staat gesteld om een mening te vormen over de manier waarop de partij is ingericht.
Ook stelt hen dit in staat om een geïnformeerde keuze te maken over welke partij zij
willen steunen.
De leden van de fractie van de SGP vragen of de regering kan toelichten wat de bedoeling
is van de verplichting om te beschrijven hoe de procedure voor benoeming in statutaire
organen verloopt en of zij hiermee inhoudelijke procedurevoorschriften verplicht.
De regering kan inderdaad bevestigen dat de verplichting om de benoemingsprocedure
in statutaire organen te beschrijven geen inhoudelijke voorschriften oplegt. Het doel
is enkel om inzichtelijk te maken hoe dergelijke procedures binnen de partij zijn
ingericht, zodat er transparantie bestaat over de wijze van besluitvorming. Politieke
partijen behouden volledige vrijheid om zelf te bepalen hoe zij die procedures vormgeven.
De regering bevestigt eveneens dat een politieke vereniging desgewenst kan vermelden
dat de benoeming tot lid van een adviesraad in bepaalde gevallen kan geschieden zonder
een sollicitatieprocedure.
De leden van de fractie van de SGP hebben enkele vragen met betrekking tot het ontbreken
van een ledentalvereiste. Zo vragen zij welke voorbereidingen de regering treft voor
het geval er toch zo’n minimumeis wordt ingevoerd, welk ingroeipad zij ziet voor partijen
die hier nog niet aan voldoen en welke overgangstermijnen realistisch worden geacht.
De regering heeft een dergelijke minimumeis in de Wet op de politieke partijen echter
niet opgenomen en treft daarom ook geen voorbereidingen voor de mogelijke invoering
hiervan.
ChristenUnie
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de zorgen van de Afdeling
advisering van de Raad van State in relatie tot het vastleggen van het karakter van
politieke partijen. De zorgen van de Afdeling zagen in het bijzonder op de formulering
van het eerder voorgestelde artikel 10 in het wetsvoorstel Wpp: «Een politieke vereniging
heeft als doel haar leden en andere inwoners van Nederland te stimuleren om kennis
te nemen van politieke besluitvorming en te participeren in de totstandkoming daarvan.»
De Afdeling was van mening dat hiermee een inhoudelijke eis aan politieke partijen
gesteld zou worden. Deze zou inbreuk maken op de vrijheid van politieke partijen om
zelf te bepalen welke doelen zij nastreven, en hoe zij zich daarvoor inzetten. Bovendien
was de Afdeling van mening dat dit doel onvoldoende recht deed aan de verschillende
functies die politieke partijen hebben binnen de Nederlandse democratische rechtsstaat.
In lijn met het advies van de Afdeling is artikel 10 van het wetsvoorstel daarom geschrapt.
In plaats daarvan heeft de regering ervoor gekozen om een paragraaf aan de memorie
van toelichting toe te voegen (§ 4.1) waarin zij het karakter van politieke partijen
schetst.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering om toe te lichten waarom
zij terughoudend is met het nemen van dwingende maatregelen om het democratische karakter
van politieke partijen te waarborgen, terwijl ze wel pleit voor het belang hiervan.
De regering bevestigt dat zij er belang aan hecht dat politieke partijen zich democratisch
organiseren, maar is zich bewust van het multi-interpretabele karakter van dat verlangen.
In de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag, en op meerdere plaatsen
daarna, is aangegeven dat er geen eenduidige, breed gedragen norm bestaat over wat
het betekent om intern democratisch georganiseerd te zijn. Daardoor blijft voor de
regering onduidelijk welke interne praktijken of onderdelen van politieke partijen
aanvullend gereguleerd zouden moeten worden. Daarbij moet ook het grondwettelijke
recht op vrijheid van vereniging in acht genomen worden. Bovendien biedt een toename
aan regels omtrent de interne organisatie van politieke partijen geen garantie dat
in de praktijk meer interne democratie tot stand komt. Ook vormen de uitvoering van
het toezicht op en de handhaving van eventuele extra regels een zwaarwegende uitdaging.
Om die reden ziet de regering af van dergelijke maatregelen. Wel voegt ze met het
wetsvoorstel Wpp enkele transparantieverplichtingen omtrent de interne organisatie
toe, zodat leden en kiezers meer inzicht krijgen in de werking van de interne procedures
van politieke partijen en zo een geïnformeerde keuze kunnen maken over welke politieke
partijen zij willen steunen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering in hoeverre de wetgeving
rond de interne partijdemocratie van politieke partijen in andere landen, zoals bijvoorbeeld
Duitsland en Portugal, is bestudeerd bij het maken van het wetsvoorstel Wpp. De regering
wijst in dat verband op de Kamerbrief toezegging interne organisatie politieke partijen.
Hierin wordt onder andere de wetgeving in Duitsland en Portugal besproken en licht
de regering toe waarom zij er niet voor heeft gekozen dergelijke wetgeving over te
nemen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering om een toelichting
op de keuze om geen minimale normen te stellen aan de interne democratie van politieke
partijen. De regering heeft ervoor gekozen om geen minimale normen te stellen aan
de interne organisatie van politieke partijen omdat voor de regering niet evident
is welke minimumvereisten als materieel effect zouden hebben dat politieke partijen
meer democratisch georganiseerd zijn.
Bij de beantwoording van vragen van leden van de fractie van de ChristenUnie over
de wijze van handhaving van de transparantieregels en andere zaken die de uitvoering
en naleving van de wet door de Napp betreffen, moet worden opgemerkt dat de Napp erop
toeziet dat politieke verenigingen onder andere transparant zijn over de wijze waarop
zij intern zijn georganiseerd. Dit is een formele check. Het is niet aan de Napp om
te beoordelen of een politieke vereniging de interne procedures in de praktijk ook
correct volgt, noch is de toezichthouder bevoegd om geschillen te beoordelen die daarover
binnen een vereniging kunnen ontstaan. De Napp ziet er dus niet op toe of de interne
procedures materieel op de juiste wijze worden toegepast. Dat is aan de leden en uiteindelijk
aan de civiele rechter. Van inhoudelijke sturing of beïnvloeding op dit punt door
de Napp kan daarom geen sprake zijn. Het toezicht van de Napp zal alleen gericht zijn
op de naleving van de transparantieregels aangaande de interne organisatie.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering heeft overwogen
om de zwaarte van de transparantieverplichtingen te relateren aan de omvang van de
betreffende politieke partij. De regering heeft dit niet overwogen. De transparantieverplichtingen
zijn juist zodanig vormgegeven dat ze proportioneel en uitvoerbaar zijn voor alle
partijen, ongeacht hun grootte en of zij nationaal of decentraal actief zijn. Ze sluiten
aan bij informatie die partijen in de praktijk al vastleggen, zoals statuten, interne
procedures en regels voor kandidaatstelling. Deze informatie kan eenvoudig openbaar
worden gemaakt, bijvoorbeeld via de eigen website. Op die manier wordt invulling gegeven
aan de transparantieplicht zonder dat dit leidt tot onevenredige administratieve lasten.
2. Partijverbod
GroenLinks-PvdA
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen in de memorie van toelichting hoe
de regering de voorgestelde nieuwe regeling uitlegt en kunnen dit in grote lijnen
goed volgen. Wel vragen ze naar nadere toelichting over de verhouding tussen het voorgestelde
partijverbod in de Wpp en artikel 2:20 BW. De regering brengt in herinnering dat de
staatscommissie parlementair stelsel een specifieke verbodsbepaling voor politieke
partijen gepast achtte, omdat de verbodsgrond in artikel 2:20 BW naar hun mening te
algemeen is om goed toepasbaar te zijn op politieke partijen, gelet op hun aard en
functie in het politieke bestel.28 In lijn met het advies van de staatscommissie heeft de regering daarom besloten een
aparte verbodsregeling voor politieke partijen te creëren die aan die aard en functie
in de opvatting van de regering meer recht doet en met betere waarborgen omgeeft.
In 2022 is artikel 2:20 BW aangepast. Het huidige (aangepaste) artikel 2:20 BW spreekt
van «een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd met de openbare orde». Het
tweede lid verduidelijkt dat in ieder geval in strijd met de openbare orde is het
doel dat of de werkzaamheid die leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot een
bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting
van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Het voorgestelde artikel 139
Wpp spreekt van «een politieke vereniging die door haar doelstelling of werkzaamheden
een daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat.» De regering onderkent dat deze formuleringen grote materiële overeenkomsten
vertonen, maar acht het toch wenselijk om een aparte regeling te treffen voor politieke
partijen.
Zo bevat artikel 2:20 BW een duidelijk civiel en strafrechtelijk aspect, waarbij het
OM het verzoek doet om een verbodenverklaring en ontbinding. Het partijverbod is meer
constitutioneel van aard, gelet op de bijzondere positie die politieke partijen innemen
in het democratisch bestel. Het is dan ook de procureur-generaal die een verzoek om
een verbodenverklaring en ontbinding doet aan de Hoge Raad, een van de hoogste rechtsinstanties
in ons land. Dit laat onverlet dat de begrippen die in het gewijzigde artikel 2:20
BW, tweede en derde lid ter verduidelijking van het begrip «openbare orde» worden
genoemd, grotendeels bruikbaar zijn om te expliciteren waaruit de daadwerkelijke en
ernstige bedreiging bestaat die uitgaat van de doelstelling en/of handelingen van
de politieke partij.
De leden van fractie van GroenLinks-PvdA informeren naar het Nederlands stelsel in
relatie tot de EHRM-criteria. De regering begrijpt de vraag van deze leden zo dat
zij vragen of de regering verwacht dat het voorgestelde partijverbod de toets van
het EHRM kan doorstaan. De regering heeft de verbodsbepaling gevormd met de door het
EHRM ontwikkelde criteria voor een partijverbod als uitgangspunt. Dit houdt in dat
de noodzaak voor een partijverbod alleen aanwezig kan zijn als: (i) aannemelijk is
gemaakt dat er sprake is van een daadwerkelijke bedreiging voor de democratie (sufficiently imminent), (ii) dat de gedragingen van de leiders en leden van de partij kunnen worden toegeschreven
aan de partij als geheel, en (iii) deze gedragingen een geheelvisie vormen ten aanzien
van een door de partij beoogd en bepleit samenlevingsmodel dat onverenigbaar is met
het model van een democratische samenleving.
In zijn beoordeling van deze criteria hanteert het EHRM een beperkte margin of appreciation. Om te kunnen vaststellen in welke mate een dreiging «sufficiently imminent» is, beziet het EHRM welke mate van invloed een politieke partij heeft of kan gaan
verkrijgen in het politieke bestel. Daarvoor kan van belang zijn of het kiesstelsel
voorziet in een kiesdrempel. In Nederland is de kiesdrempel gelijk aan de kiesdeler.
Daardoor is de toegang tot de politieke arena voor (aspirant) politieke partijen in
Nederland laagdrempelig, waardoor zij relatief eenvoudig kunnen deelnemen aan het
politieke besluitvormingsproces om vervolgens invloed en aanhang te kunnen verwerven
en daarmee al in een vroeg stadium een daadwerkelijk en ernstig gevaar kunnen vormen
voor de democratische rechtsstaat. Dit aspect kan de Hoge Raad meewegen in zijn oordeel
of een partijverbod noodzakelijk is.
VVD
De leden van de VVD-fractie vragen wanneer een partijverbod precies kan worden ingesteld
volgens deze wet. Deze vraag is niet gemakkelijk in abstracto te beantwoorden. De kern van de mogelijkheid om een partijverbod op te leggen, is
dat het kan worden opgelegd wanneer sprake is van doelstellingen of werkzaamheden
van een politieke partij die zijn gericht op het ondermijnen of afschaffen van (de
grondbeginselen van) de democratische rechtsstaat, zodanig dat daarvan een daadwerkelijke
en reële bedreiging uitgaat voor fundamentele beginselen van de democratische rechtsstaat
en de democratische rechtsorde. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer een georganiseerde
poging wordt ondernomen om de onafhankelijkheid van de rechtspraak wezenlijk aan te
tasten of om de democratische besluitvorming onmogelijk te maken. Zo kan een politieke
partij zich op oneigenlijke wijze verzetten tegen een vreedzame overdracht van de
macht of vrije en eerlijke verkiezingen onmogelijk maken of belemmeren door dwang
of fraude te plegen of te bevorderen op grote(re) schaal, of kiezers daartoe aansporen.
Daarbij moet sprake zijn van een daadwerkelijke en ernstige dreiging die is vastgesteld
op basis van objectieve feiten. Het oordeel of aan deze voorwaarden is voldaan is
voorbehouden aan de Hoge Raad.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de gevolgen voor een politieke partij wanneer
alleen een of enkele leden antidemocratische uitspraken of voorstellen doen. De regering
benadrukt dat het bij dit wetsvoorstel van belang is in welke mate uitlatingen of
opvattingen van vertegenwoordigers of voorlieden kunnen worden toegerekend aan de
politieke partij waarvan zij deel uitmaken. Individuele uitlatingen kunnen op individuele
basis worden behandeld als «gewone» uitingsdelicten. Echter, wanneer die uitlatingen
worden gedaan met instemming (vooraf of achteraf) en goedkeuring van de betreffende
partij zijn die uitlatingen (en ook handelingen) toerekenbaar aan de partij en kan
zij daarop ook (als zodanig) worden aangesproken. Dat kan in een strafprocedure zijn,
een civiele actie, maar ook in de vorm van een partijverbod op grond van het voorgestelde
artikel 139 van deze wet, wanneer aan de overige gestelde voorwaarden is voldaan.
De leden van de VVD-fractie uiten hun zorgen over willekeur in dit proces, nu een
partijverbod een contextafhankelijke inschatting blijft en vragen hierbij welke criteria
gehanteerd worden om te bepalen wat een ernstige aantasting van de democratische rechtsstaat
is. De regering is het met deze leden eens dat ieder (verzoek tot een) partijverbod
contextafhankelijk is. De regering ziet dit echter niet als willekeur, maar inherent
aan het doel van de voorgestelde mogelijkheid voor een partijverbod. Het is immers
een ultimum remedium. Dit betekent dat een partijverbod alleen met terughoudendheid
in geval van uiterste noodzaak mag worden ingezet. Dit zal dus niet zomaar gebeuren
maar enkel wanneer er vanuit de politieke partij een daadwerkelijke en ernstige dreiging
voor de democratische rechtsstaat uitgaat en deze op basis van objectieve feiten bevonden
kan worden door de hoge Raad.
De leden van de VVD vragen of er ook voorzien is in een spoedprocedure bij acuut gevaar
voor de rechtsstaat. De regering vindt het terecht dat de leden van de VVD hun zorgen
uiten dat een partijverbod snel moet kunnen worden uitgesproken als er acuut gevaar
is voor de rechtsstaat. De regering heeft ervoor gekozen om juist wegens het aspect
van snelheid te kiezen voor één instantie die de procedure van een partijverbod kan
afhandelen, namelijk de Hoge Raad die ter zake oordeelt met zeven leden in plaats
van de gebruikelijke vijf leden. Naar het oordeel van de regering zijn alle partijen
die betrokken zijn bij een op te leggen partijverbod gebaat bij een tijdige, maar
zorgvuldige behandeling. Immers, gedurende de behandeling van een verzoek tot het
opleggen van een partijverbod is de betreffende politieke partij vleugellam. Dat betreft
haar functioneren, maar ook wanneer er tussentijds één of meer verkiezingen zijn kan
een «hangend» partijverbod een verstorende invloed hebben op de verkiezingsuitslag.
Mede met het oog daarop adviseerde de staatscommissie parlementair stelsel het partijverbod
te beleggen bij één instantie vanwege het zeer uitzonderlijke karakter van de procedure.
De uiteindelijke doorlooptijd van een procedure is uiteindelijk aan de Hoge Raad.
De leden van de VVD-fractie vragen tot slot hoe er voorkomen kan worden dat wanneer
een partij is verboden deze nog via andere wegen invloed uit kan oefenen op het maatschappelijk
debat. Wanneer een partij verboden wordt verklaard, heeft dat tot gevolg dat de partij
niet langer haar gedachtegoed kan uitdragen en daar ook geen uitvoering aan kan geven.
Ook de voorzetting van werkzaamheden van een verboden partij is strafbaar op grond
van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Desondanks is het volledig uitbannen
van het gedachtegoed niet altijd mogelijk, omdat groeperingen elkaar tegenwoordig
makkelijker weten te vinden in antidemocratisch en antirechtsstatelijk denken en gedrag,
onder andere door opkomend gebruik van digitale communicatiemiddelen. Dat maakt dat
een antidemocratisch en antirechtsstatelijke politieke partij effectiever ontwrichtend
te werk kan gaan. Als gevolg daarvan ligt het enerzijds in de rede te veronderstellen
dat het effect van een verbod van een dergelijke politieke partij groter zal zijn.
Anderzijds moet worden onderkend dat juist vanwege de moderne digitale communicatiemiddelen
de (oud-)leden of (oud-)deelnemers elkaar makkelijker zullen weten te (her)vinden.
NSC
De leden van de NSC-fractie vragen de regering of zij bekend is met de Duitse regeling.
De regering is hiermee bekend. In Duitsland is het inderdaad zo dat de verantwoordelijkheid
voor het aanvragen van een verbod bij de Bondsdag, de Bondsraad en de Bondsregering
ligt. In Nederland kiest de regering ervoor de bevoegdheid voor het doen van een verzoek
aan de Hoge Raad voor een partijverbod te beleggen bij de procureur-generaal bij de
Hoge Raad. De procureur-generaal kent als zelfstandig ambt immers een sterke onafhankelijkheidspositie
vanwege zijn grondwettelijk gewaarborgde benoeming voor het leven (artikel 117, eerste
lid, Grondwet). Dit betekent dat waar in Duitsland is gekozen voor een aanpak waarbij
de politiek een belangrijke rol speelt, de regering kiest voor een politiek-neutrale
aanpak.
De leden van de NSC-fractie vragen naar de invloed van verschillende staatsmachten
bij het aanvragen van een verzoek tot een partijverbod. Het wetsvoorstel regelt dat
een partijverbod enkel kan worden uitgesproken door de Hoge Raad, op verzoek van de
procureur-generaal. De overige staatsmachten hebben geen rol in deze procedure en
kunnen dus ook niet een dergelijk verzoek doen aan de procureur-generaal.
De leden van de NSC-fractie vragen naar de mogelijkheid van een escalatiemodel van
sancties voordat het partijverbod in beeld komt. Een herstelmogelijkheid of lichtere
sancties bieden volgens hen mogelijkheden om te voorkomen dat het eerste instrument
ook gelijk het zwaarste instrument is. De President en procureur-generaal van de Hoge
Raad hebben in hun advies over het ontwerp van deze wet in overweging gegeven te voorzien
in de mogelijkheid een politieke partij in de gelegenheid te stellen om haar doelstelling
aan te passen binnen een daarvoor door de Hoge Raad te stellen termijn. Een dergelijke
mogelijkheid zou uitsluitend kunnen worden geboden wanneer enkel en alleen van de
doelstellingen van een partij een daadwerkelijke en reële bedreiging uitgaat voor
de democratische rechtsstaat of de democratische rechtsorde, maar van uitvoeringshandelingen
of voorbereidingen daartoe (nog) geen enkele sprake is. De regering heeft hiervan
afgezien, omdat een dergelijke herstelmogelijkheid afbreuk zou doen aan de effectiviteit
van een partijverbod. Een herstelmogelijkheid zou alleen aan de orde kunnen zijn wanneer
de Hoge Raad al heeft geconstateerd dat er sprake is van een doelstelling die een
daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat. Enkel het aanpassen van een doelstelling biedt volgens de regering onvoldoende
waarborg tegen deze dreiging. Daarbij komt dat de regering het niet aannemelijk acht
dat een politieke vereniging doelstellingen of standpunten heeft zonder daaraan uitvoering
te (willen) geven. Een duidelijk onderscheid tussen doelstellingen en werkzaamheden
is dan ook moeilijk te maken. Tot slot wijst de regering erop dat er verschillende
instrumenten in de gereedschapskist beschikbaar zijn voor wanneer een politieke vereniging
doelstellingen of werkzaamheden heeft die een bedreiging vormen voor de grondbeginselen
van de democratische rechtsstaat, waarvan een partijverbod het sluitstuk vormt. Het
gaat dan bijvoorbeeld om strafrechtelijke vervolging van voorlieden van de partij
of een subsidiestop.
De leden van de NSC-fractie vragen verder of er bij de verschillende sanctiemogelijkheden
sprake is van opeenvolgende maatregelen, of parallelle sancties. Het gaat inderdaad
om parallelle sancties, die echter ook opeenvolgend kunnen worden opgelegd naar gelang
de ernst en aard van de overtreding.
De leden van de NSC-fractie vragen naar de mogelijkheid voor partijen, voor wie de
procureur-generaal een verzoek doet tot een verbod, om hun zienswijze aan te leveren.
De regering acht dat mogelijkheid tot aanleveren van zienswijze van de betreffende
partij onderdeel zal zijn van het onderzoek van de procureur-generaal. Het is tevens
aan de procureur-generaal om een onderzoek in te richten dat leidt tot voldoende informatie
om een besluit te kunnen nemen of een verzoek om een partijverbod uit te spreken aan
de Hoge Raad opportuun is.
De leden van de NSC-fractie vragen naar de doorlooptijd van een partijverbod. In zijn
algemeenheid kan de regering geen doorlooptijd van een procedure van een partijverbod
geven. De regering vindt het net als de leden van de NSC- en ChristenUnie-fractie
van belang dat een daadwerkelijke en ernstige bedreiging van de grondbeginselen van
de democratische rechtsstaat zo snel mogelijk worden weggenomen. Tegelijkertijd is
het partijverbod een zwaar middel, dat alleen moet worden ingezet als ultimum remedium. Daarbij is zorgvuldigheid geboden. Om de doorlooptijd van een partijverbod zo kort
mogelijk te houden, heeft de regering ervoor gekozen om de bevoegdheid om een partijverbod
op te leggen te beleggen bij de Hoge Raad, in enige instantie. Het is aan de procureur-generaal
om het verzoek te doen tot een partijverbod. Het door een partij indienen en in behandeling
nemen van een klacht bij het EHRM over schending van het EVRM heeft geen schorsende
werking op een eventueel partijverbod.
De leden van de NSC-fractie vragen naar de mogelijkheid om ernstig strafbare feiten
te vervolgen via de Wpp. Het partijverbod zoals voorgesteld in artikel 139 van de
Wpp is geen strafrechtelijke sanctie. Het is in de eerste plaats aan het OM om strafbare
feiten te vervolgen, of aan de procureur-generaal als het gaat om ambtsmisdrijven
van Kamerleden. Het is niet aan de regering, maar aan de procureur-generaal om te
bepalen of er in de concrete omstandigheden van het geval aanleiding is om een verzoek
tot een partijverbod te doen bij de Hoge Raad, en om te bezien hoe deze procedure
zich zou verhouden met mogelijke andere juridische procedures.
De leden van de NSC-fractie vragen naar voorbeelden van grondbeginselen buiten die
genoemd in artikel 139, tweede lid, van de Wpp op grond waarvan tot een verbod gekomen
zou kunnen worden en vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen om het legaliteitsbeginsel
niet toe te voegen aan de opsomming van grondbeginselen in de democratische rechtsstaat.
Verder vragen ze ook of er is overwogen om van buitenlandse inmenging of beïnvloeding
een aparte grondslag te maken en hoe het EHRM zich hiertoe verhoudt. De regering heeft,
omdat de democratische rechtsstaat een abstract begrip is, ervoor gekozen om in het
tweede lid van artikel 139 een aantal grondbeginselen op te sommen die in ieder geval, met het oog op de Grondwet en de jurisprudentie van het EHRM, aan te merken zijn
als grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Deze grondbeginselen zijn: periodieke,
vrije en geheime verkiezingen, democratische besluitvorming, grondrechten, scheiding
van machten en onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak. Juist omdat het onmogelijk
is om de democratische rechtsstaat uitputtend te definiëren is gekozen voor een niet-limitatieve
opsomming. De regering acht het dan ook niet noodzakelijk om het legaliteitsbeginsel
in deze opsomming mee te nemen. Het is aan de procureur-generaal die het verzoek doet
tot een partijverbod, en aan de Hoge Raad die bevoegd is het partijverbod op te leggen,
om te bepalen of er sprake is van een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat.
Voor wat betreft de verenigbaarheid van een grondslag voor een partijverbod, heeft
de regering de verbodsbepaling gevormd met de door het EHRM ontwikkelde criteria voor
een partijverbod als uitgangspunt. Dit houdt in dat de noodzaak voor een partijverbod
alleen aanwezig kan zijn als: (i) aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een
daadwerkelijke bedreiging voor de democratie (sufficiently imminent), (ii) dat de gedragingen van de leiders en leden van de partij kunnen worden toegeschreven
aan de partij als geheel, en (iii) deze gedragingen een geheelvisie vormen ten aanzien
van een door de partij beoogd en bepleit samenlevingsmodel dat onverenigbaar is met
het model van een democratische samenleving. In zijn beoordeling van deze criteria
hanteert het EHRM een beperkte margin of appreciation.
D66
De leden van de D66-fractie vragen naar de coherentie tussen de verschillende sanctiemogelijkheden.
Zoals eerder geantwoord op een vraag van NSC, wijst de regering erop dat er verschillende
instrumenten in de gereedschapskist beschikbaar zijn voor wanneer een politieke vereniging
doelstellingen of werkzaamheden heeft die een bedreiging vormen voor de grondbeginselen
van de democratische rechtsstaat, waarvan een partijverbod het sluitstuk vormt. Er
is echter geen sprake van een sanctieladder, in die zin dat er altijd sprake zal zijn
van opeenvolgende maatregelen. Het is ook denkbaar dat er parallelle sancties worden
opgelegd door de desbetreffende bevoegde autoriteiten. Welke sanctie op welk moment
wordt opgelegd is afhankelijk van de omstandigheden.
De leden van de D66-fractie uiten hun zorgen dat voorstellen die de democratische
rechtsstaat kunnen beschadigen vaak gepresenteerd worden als voorstellen om de democratie
te redden. Zij vragen hierbij hoe de wetgever de term «doelstellingen» begrijpt. In
dit wetsvoorstel wordt met doelstellingen van een partij bedoeld het gedachtegoed
en de daaruit voortvloeiende standpunten, zoals die kunnen blijken uit diverse bronnen.
Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat om te bepalen wat de doelstellingen van
de partij zijn, de inhoud van partijprogramma’s, statuten en/of andere regelingen
van de politieke vereniging moet worden vergeleken met de handelingen of werkzaamheden
van de partijleider(s) en de standpunten die zij innemen.29 Het partijprogramma kan de daadwerkelijke doelstellingen van de partij namelijk verhullen.
Daarbij brengt de formulering «doelstelling of werkzaamheden» mee dat er sprake is
van zelfstandige criteria voor een verbodenverklaring. Evenwel zullen zij in de praktijk
veelal in samenhang worden beoordeeld door de Hoge Raad. Een duidelijk onderscheid
tussen doelstellingen en werkzaamheden van politieke verenigingen is namelijk niet
altijd goed te maken, omdat bij politieke verenigingen gewoonlijk een (nauwe) samenhang
bestaat tussen het gedachtegoed (en de daaruit voortvloeiende standpunten) en de omzetting
daarvan in daden teneinde daaraan uitvoering te geven.
Hierop aansluitend vragen de leden van de D66-fractie wat verstaan wordt onder «politieke
partij». Het voorgestelde artikel 139 heeft betrekking op zowel landelijke als decentrale
politieke verenigingen, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het voorliggende wetsvoorstel.
De verbodenverklaring en ontbinding zien op de politieke vereniging als rechtspersoon.
Ingevolge artikel 139, derde lid, kan het verbod ook betrekking hebben op een of meer
neveninstellingen van de politieke vereniging (die ook rechtspersoonlijkheid bezitten).
Door ontbinding komt de politieke vereniging in een toestand van liquidatie te verkeren
en na vereffening houdt zij op te bestaan.
De verbodenverklaring heeft ook gevolgen voor de bestuurder(s) van een politieke vereniging.
Zo volgt uit artikel 2:20a BW dat een verbodenverklaring als civielrechtelijk gevolg
heeft dat een bestuurder van een verboden verklaarde rechtspersoon (en dus een politieke
vereniging), gedurende ten minste drie jaar nadat de verbodenverklaring is opgelegd,
geen bestuurder of commissaris van enig rechtspersoon kan zijn of kan worden, tenzij
betrokkene naar het oordeel van de Hoge Raad in de gegeven omstandigheden geen ernstig
verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:20a, eerste lid, BW). Dit geldt ook voor de
bestuurder(s) van een verboden verklaarde neveninstelling van een politieke vereniging.
Daarnaast is deelneming aan de voortzetting van werkzaamheden van een organisatie
die bij onherroepelijk rechterlijke beslissing verboden is verklaard, een misdrijf
(artikel 140, tweede lid, Sr).
Voor het lidmaatschap van een volksvertegenwoordiging heeft een verbodenverklaring
geen gevolgen. De reden daarvoor is dat kiezers en niet de rechter daarover moeten
oordelen. Wel kan de strafrechter een veroordeelde in bij de wet bepaalde gevallen
als bijkomende straf ontzetten uit bepaalde rechten, waaronder het bekleden van (bepaalde)
ambten, het recht tot lid van algemeen vertegenwoordigende organen te worden verkozen
en de uitoefening van bepaalde beroepen (artikel 28 Sr). Ook een volksvertegenwoordiger
kan deze straf ten deel vallen, behoudens wegens gedragingen en uitlatingen waarvoor
betrokkene immuniteit geniet op grond van artikel 71 Grondwet, artikel 22 Provinciewet
en artikel 22 Gemeentewet.
De leden van de D66-fractie vragen ook naar de aansluiting van de definitie van «partijleider»
bij de definitie zoals deze wordt gehanteerd door het EHRM. Volgens richtlijnen van
de Venetiëcommissie van de Raad van Europa over politieke partijen valt het binnen
de autonomie van politieke partijen om zelf te bepalen hoe zij een leider kiezen.
Hieruit volgt dat er geen specifieke definitie van «partijleider» bestaat, maar het
aan de partij zelf is om aan te wijzen wie de leider is.30
De leden van de D66-fractie lezen in de toelichting dat een partijverbod volgens de
richtlijnen van de Venetiëcommissie een ultiem middel moet zijn en vragen naar de
mogelijkheid van een escalatiemodel van sancties voordat het partijverbod in beeld
komt. Een herstelmogelijkheid of lichtere sancties bieden volgens hen mogelijkheden
om te voorkomen dat het eerste instrument ook gelijk het zwaarste instrument is. Zoals
eerder is geantwoord op een vergelijkbare vraag van NSC, heeft de regering hiervan
afgezien, omdat een dergelijke herstelmogelijkheid afbreuk zou doen aan de effectiviteit
van een partijverbod. Een herstelmogelijkheid zou alleen aan de orde kunnen zijn wanneer
de Hoge Raad al heeft geconstateerd dat er sprake is van een doelstelling die een
daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat. Enkel het aanpassen van een doelstelling biedt volgens de regering onvoldoende
waarborg tegen deze dreiging. Daarbij komt dat de regering het niet aannemelijk acht
dat een politieke vereniging doelstellingen of standpunten heeft zonder daaraan uitvoering
te (willen) geven. Een duidelijk onderscheid tussen doelstellingen en werkzaamheden
is dan ook moeilijk te maken. Tot slot wijst de regering erop dat er verschillende
instrumenten in de gereedschapskist beschikbaar zijn voor wanneer een politieke vereniging
doelstellingen of werkzaamheden heeft die een bedreiging vormen voor de grondbeginselen
van de democratische rechtsstaat, waarvan een partijverbod het sluitstuk vormt. Het
gaat dan bijvoorbeeld om strafrechtelijke vervolging van voorlieden van de partij
of een subsidiestop.
De fractie van D66 vraagt naar de verhouding tussen het voorgestelde partijverbod
in de Wpp en artikel 2:20 BW. Deze verhouding is reeds uiteengezet in een eerder antwoord
op een vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA. De regering heeft, in lijn met het
advies van de staatscommissie parlementair stelsel, gekozen voor een aparte verbodsregeling
voor politieke partijen, omdat artikel 2:20 BW te algemeen is en onvoldoende recht
doet aan hun bijzondere rol in het democratisch bestel. Hoewel het aangepaste artikel 2:20
BW en het voorgestelde artikel 139 Wpp materieel sterk overeenkomen, heeft het partijverbod
een meer constitutioneel karakter. Daarom geldt een specifieke procedure, waarbij
de procureur-generaal een verzoek indient bij de Hoge Raad, met extra waarborgen.
De in artikel 2:20 BW genoemde criteria voor strijd met de openbare orde blijven daarbij
grotendeels richtinggevend.
De leden van de D66-fractie vragen de regering te bevestigen dat, mochten deze volksvertegenwoordigers
met het overtreden van de regels die aanleiding geven tot een partijverbod ook een
ambtsmisdrijf plegen, de procureur-generaal bij de Hoge Raad wel tot vervolging van
deze volksvertegenwoordigers over kan gaan. De regering bevestigt dat ten aanzien
van volksvertegenwoordigers die een ambtsmisdrijf plegen, de procureur-generaal bij
de Hoge Raad nog steeds tot vervolging kan overgaan, ook als de partij waarvan zij
lid waren in de tussentijd verboden is verklaard door de Hoge Raad. Een partijverbod
doet immers niets af aan het individuele mandaat van volksvertegenwoordigers overeenkomstig
artikel 67 van de Grondwet, en staat volledig los van de procedure voor het vervolgen
van volksvertegenwoordigers die een ambtsmisdrijf plegen.31
De leden van de D66-fractie wijzen er ook op dat het lastig te rijmen is dat de volksvertegenwoordigers
van een verboden partij wél als fractie op georganiseerde wijze hun werkzaamheden
binnen de volksvertegenwoordiging zouden kunnen voortzetten en vragen of de regering
deze opvatting deelt. Een partijverbod betekent niet dat vertegenwoordigers die namens
die partij optreden kunnen worden gedwongen om hun zetel in de Kamer op te geven,
gelet op het individueel mandaat en het verbod van last op grond van artikel 67, derde
lid, van de Grondwet. Kiezers moeten daarover oordelen en niet de rechter. Het betekent
wel dat vertegenwoordigers na een verbod niet meer kunnen en mogen optreden uit naam
van de partij of de werkzaamheden daarvan mogen voortzetten, gelet op artikel 140
Wetboek van Strafrecht.
De leden van de D66-fractie vragen de regering om te bevestigen dat het voorliggende
wetsvoorstel geen mogelijkheden bevat waarmee de regering de procureur-generaal de
opdracht kan geven tot het starten van een onderzoek. Als dit wel het geval is, vragen
zij of de Minister de risico’s van een dergelijke handelsmogelijkheid kan schetsen.
De regering bevestigt dit. Het is aan de procureur-generaal, in volledige onafhankelijkheid,
om een dergelijk onderzoek te starten.
CDA
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of het verbieden van een partij echt
de enige optie is. Het verbieden en ontbinden van een politieke partij is een uiterste
redmiddel om het politieke proces, de democratische samenleving en het functioneren
van de democratische rechtsstaat te beschermen. Bij de oplegging van een partijverbod
zal de Hoge Raad in het kader van de proportionaliteitstoets beoordelen of onder de
gegeven omstandigheden met de inzet van een lichter, minder ingrijpend middel had
kunnen worden volstaan.
In overeenstemming met de door de Venetiëcommissie van de Raad van Europa geformuleerde
richtlijnen inzake het verbieden en ontbinden van politieke partijen kan het partijverbod,
gelet op het uitzonderlijke karakter, alleen worden opgelegd door een rechterlijke
instantie, namelijk de Hoge Raad. De regering acht het passend deze taak bij de Hoge
Raad te beleggen, gelet op de (constitutioneel) vooraanstaande positie van de Hoge
Raad. Die blijkt niet alleen uit de bijzondere procedure voor benoeming van de leden
van de Hoge Raad, maar ook uit andere taken die de Hoge Raad zijn toebedeeld, bijvoorbeeld
het tuchtrechtelijke toezicht op de rechtspraak, dat in hoofdzaak aan de Hoge Raad
is opgedragen, en de taak te beslissen over herzieningsverzoeken.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzichtelijk wil maken welke afwegingen
eraan ten grondslag liggen om in het wetsvoorstel niet te kiezen voor een minimumaantal
leden als reden voor een partijverbod. De regering heeft er bewust voor gekozen geen
minimumaantal leden als grond voor een partijverbod in de Wpp op te nemen. De bezwaren
hiertegen zijn grotendeels hetzelfde als de bezwaren tegen wettelijke voorschriften
omtrent interne partijdemocratie (zie de inleiding bij dat onderdeel van deze nota
naar aanleiding van het verslag voor een toelichting). Aangezien de regering er niet
voor kiest om een minimumaantal leden verplicht te stellen, zou het ook merkwaardig
zijn als dit wel zou gelden als grond voor een partijverbod. Daarbij komt dat het
ontbreken van leden niet betekent dat een politieke vereniging een daadwerkelijke
en ernstige bedreiging voor de democratische rechtsstaat vormt. Het kan dan ook geen
inhoudelijke verbodsgrond zijn als zodanig.
De leden van de CDA-fractie vragen naar de keuze voor de Hoge Raad als exclusief bevoegde
rechterlijke instantie en hoe is geborgd dat daarbij voldoende feitelijke beoordeling
plaatsvindt. Het verbieden en ontbinden van een politieke partij is een uiterste redmiddel
om het politieke proces, de democratische samenleving en het functioneren van de democratische
rechtsstaat te beschermen. De beoordeling of een dergelijk middel moet worden toegepast
en zo ja, welke vorm daarvoor passend is, betreft een bij uitstek constitutionele
taak. Daarnaast is het zowel voor de betrokken politieke partij als voor de samenleving
van belang, gelet op de hoge mate van politieke gevoeligheid van de zaak, dat er zo
snel mogelijk duidelijkheid komt over het voortbestaan van de partij.
Tegen deze achtergrond wordt de bevoegdheid tot het oordelen over het opleggen van
een partijverbod opgedragen aan onze hoogste rechterlijke instantie voor civiele en
strafzaken, de Hoge Raad, in eerste en enige aanleg. De (constitutioneel) vooraanstaande
positie van de Hoge Raad blijkt niet alleen uit de bijzondere procedure voor benoeming
van de leden van de Hoge Raad, maar ook uit andere taken die de Hoge Raad zijn toebedeeld,
bijvoorbeeld het tuchtrechtelijke toezicht op de rechtspraak, dat in hoofdzaak aan
de Hoge Raad is opgedragen, en de taak te beslissen over herzieningsverzoeken.
De keuze voor de Hoge Raad in eerste en enige aanleg sluit aan bij het advies van
de Staatscommissie herziening parlementair stelsel (2018), in zoverre deze heeft geadviseerd
om de bevoegdheid tot het oordelen over het opleggen van een partijverbod te beleggen
bij een rechtsprekende instelling in enige en hoogste instantie. Hoewel de Hoge Raad
geen feitenrechter is, is het niet zo dat de Hoge Raad geen ervaring heeft met feitenbeoordeling,
bijvoorbeeld wanneer de Hoge Raad zijn eigen bevoegdheid moet vaststellen.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe in de beoordeling rekening wordt gehouden met
de context van uitspraken of gedragingen van partijvertegenwoordigers, bijvoorbeeld
op sociale media. Voor de vormgeving en uitwerking van het partijverbod is rekening
gehouden met de door de Venetiëcommissie van de Raad van Europe geformuleerde richtlijnen
inzake het verbieden en ontbinden van politieke partijen.32 Volgens deze richtlijnen mag het handelen van partijleden of partijleiding alleen
aan de partij worden toegerekend wanneer is gehandeld in het kader van politiek of
publiek optreden of bij activiteiten van de partij, voor zover dat gebeurt met instemming
of toestemming van de partij. Dus niet elke publieke uiting van een politicus valt
daar onder. Het is aan de Hoge Raad om te beoordelen in hoeverre uitspraken of gedragingen
van partijvertegenwoordigers, bijvoorbeeld op sociale media, kunnen worden toegerekend
aan de partij.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering beoordeelt of en wanneer het passief
laten gebeuren van schadelijke activiteiten, zoals de massale verspreiding van nepnieuws,
een toerekenbare werkzaamheid van de partij wordt. Een partij kan verboden worden
verklaard en ontbonden wanneer die vereniging door haar doelstelling of werkzaamheden
een daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat. Het is aan de procureur-generaal van de Hoge Raad om te beoordelen of
activiteiten van een politieke partij, zoals genoemd door het CDA, aan deze norm voldoen
en daartoe een verzoek te doen en aan de Hoge Raad om dit verbod uit te spreken.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de risico’s op strategisch procederen
en politisering van het partijverbod inschat en hoe hiertegen waarborgen zijn ingebouwd.
Het is uitsluitend aan de procureur-generaal van de Hoge Raad om een verzoek te doen
tot het opleggen van een partijverbod. De procureur-generaal kent als zelfstandig
ambt een sterke onafhankelijkheidspositie vanwege zijn grondwettelijk gewaarborgde
benoeming voor het leven (artikel 117, eerste lid, Grondwet). Daarmee is strategisch
procederen niet aan de orde.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat ook in geval van een verzoek
tot verbod de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid
van politieke activiteit maximaal worden gerespecteerd. Het verbieden en ontbinden
van een politieke partij is een uiterst redmiddel om het politieke proces, de democratische
samenleving en het functioneren van de democratische rechtsstaat te beschermen. Gelet
op de grote betekenis van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging
in een democratische samenleving, zal de Hoge Raad terughoudendheid betrachten bij
de beantwoording van de vraag of beperkingen van deze vrijheden noodzakelijk zijn.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij de verdere behandeling en uitvoering van
dit wetsvoorstel wordt geborgd dat het aansluit bij Europese jurisprudentie over partijverboden,
zoals het Europees Hof in de zaak-Refah Partisi heeft geformuleerd. In de zaak-Refah
Partisi heeft het EHRM uiteengezet dat de noodzaak voor ontbinding of verbieden van
partijen door de overheid alleen aanwezig kan zijn als (i) aannemelijk is gemaakt
dat «the risk to democracy [is] sufficiently imminent», (ii) de gedragingen van de leiders en leden van de partij kunnen worden toegeschreven
aan de partij als geheel, en (iii) deze gedragingen een geheelvisie vormen ten aanzien
van een door de partij beoogd en bepleit samenlevingsmodel dat onverenigbaar is met
het model van een democratische samenleving.33 Met het ontwerp van de verbods- en ontbindingsgrond van artikel 139, eerste lid,
wordt deze jurisprudentie in acht genomen.
De fractie van het CDA vraagt naar de verhouding tussen het voorgestelde partijverbod
in de Wpp en artikel 2:20 BW. Deze verhouding is reeds uiteengezet in een eerder antwoord
op een vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA. De regering heeft, in lijn met het
advies van de staatscommissie parlementair stelsel, gekozen voor een aparte verbodsregeling
voor politieke partijen, omdat artikel 2:20 BW te algemeen is en onvoldoende recht
doet aan hun bijzondere rol in het democratisch bestel. Hoewel het aangepaste artikel
2:20 BW en het voorgestelde artikel 139 Wpp materieel sterk overeenkomen, heeft het
partijverbod een meer constitutioneel karakter. Daarom geldt een specifieke procedure,
waarbij de procureur-generaal een verzoek indient bij de Hoge Raad, met extra waarborgen.
De in artikel 2:20 BW genoemde criteria voor strijd met de openbare orde blijven daarbij
grotendeels richtinggevend.
De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete criteria de regering hanteert om
te bepalen wanneer er sprake is van een daadwerkelijke en ernstige bedreiging van
de democratische rechtsstaat. Met een daadwerkelijke en ernstige bedreiging van de
democratische rechtsstaat wordt bedoeld dat de dreiging reëel is, in die zin dat het
niet enkel moet gaan om woorden; het moet ook aannemelijk zijn dat die woorden (kunnen
en zullen) worden omgezet in daden. Daaronder vallen ook serieuze voorbereidingshandelingen.
Het verbod strekt ertoe te voorkomen dat deze daden in aard en omvang dusdanig ernstig
zijn (geworden) dat een onomkeerbare situatie intreedt waarin deze daden niet meer
ongedaan kunnen worden gemaakt of optreden daartegen geen zin (meer) heeft. Met daadwerkelijk wordt bedoeld dat de dreiging voldoende concreet is en kan worden vastgesteld aan
de hand van objectieve feiten. Met ernstig wordt bedoeld dat de dreiging dermate zwaarwegend en acuut is dat optreden is geboden.
Anderzijds moet worden voorkomen dat een partijverbod in een te vroeg stadium wordt
opgelegd, dat wil zeggen: voordat kan worden vastgesteld dat de woorden (kunnen en
zullen) worden omgezet in (voorbereidings)handelingen en ook de mogelijkheden voorhanden
zijn om dat te doen. Daarvoor behoeft niet te worden afgewacht tot een politieke partij
een meerderheid in een vertegenwoordigend orgaan heeft verkregen, waarmee het zeer
waarschijnlijk uitvoering zal gaan geven aan eerder ingenomen standpunten en ideeën.
Wanneer de rechter bij zijn oordeelsvorming over de dreiging die uitgaat van een politieke
partij tot de vaststelling is gekomen dat de mogelijkheid reëel is dat een partij
zal deelnemen aan de politieke besluitvorming en daarbij een relevante aanhang of
steun zal weten te verwerven (of die al heeft) is – mits ook aan de overige voorwaarden
is voldaan – een partijverbod gerechtvaardigd.
De leden van de CDA-fractie spreken terecht uit dat een partijverbod er niet toe mag
leiden dat de beginselen van de democratische rechtsstaat zelf onder druk komen te
staan. Zij vragen dan ook hoe bij de toepassing van een partijverbod wordt gewaarborgd
dat de beginselen van de democratische rechtsstaat zelf niet onder druk komen te staan.
De regering ziet dit niet als een groot risico, nu het instrument enkel als ultimum remedium dient te worden ingezet en is vormgegeven op een manier die past binnen de juridische
kaders voor de beperking van het grondrecht op verenigingsvrijheid. De regering heeft
daarbij bij de vormgeving van de voorwaarden voor het opleggen van een partijverbod
de eisen die het EHRM en de Raad van Europa stellen aan een verbod voor politieke
partijen als uitgangspunt te nemen. Daarom is er ook voor gekozen om de bevoegdheid
tot het oordelen over het opleggen van een partijverbod opgedragen aan onze hoogste
rechterlijke instantie voor civiele en strafzaken, de Hoge Raad, in eerste en enige
aanleg. De keuze voor de Hoge Raad in eerste en enige aanleg sluit aan bij het advies
van de Staatscommissie herziening parlementair stelsel, in zoverre deze heeft geadviseerd
om de bevoegdheid tot het oordelen over het opleggen van een partijverbod te beleggen
bij een rechtsprekende instelling in enige en hoogste instantie.
De CDA-fractie vraagt naar de mogelijkheid van een escalatiemodel van sancties voordat
het partijverbod in beeld komt. Een herstelmogelijkheid of lichtere sancties bieden
volgens hen mogelijkheden om te voorkomen dat het eerste instrument ook gelijk het
zwaarste instrument is. Zoals eerder is geantwoord op een vergelijkbare vraag van
NSC, heeft de regering hiervan afgezien, omdat een dergelijke herstelmogelijkheid
afbreuk zou doen aan de effectiviteit van een partijverbod. Een herstelmogelijkheid
zou alleen aan de orde kunnen zijn wanneer de Hoge Raad al heeft geconstateerd dat
er sprake is van een doelstelling die een daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt
voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Enkel het aanpassen van
een doelstelling biedt volgens de regering onvoldoende waarborg tegen deze dreiging.
Daarbij komt dat de regering het niet aannemelijk acht dat een politieke vereniging
doelstellingen of standpunten heeft zonder daaraan uitvoering te (willen) geven. Een
duidelijk onderscheid tussen doelstellingen en werkzaamheden is dan ook moeilijk te
maken. Tot slot wijst de regering erop dat er verschillende instrumenten in de gereedschapskist
beschikbaar zijn voor wanneer een politieke vereniging doelstellingen of werkzaamheden
heeft die een bedreiging vormen voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat,
waarvan een partijverbod het sluitstuk vormt. Het gaat dan bijvoorbeeld om strafrechtelijke
vervolging van voorlieden van de partij of een subsidiestop.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regeling voor een partijverbod zich verhoudt
tot artikel 11 van het EVRM. Het antwoord op deze vraag is overeenkomstig met het
antwoord op vraag 2, gesteld door de fractie van GroenLinks-PvdA. Bij het ontwerpen
van deze regeling heeft de regering zich gebaseerd op de eisen die het EHRM en de
Raad van Europa stellen aan een regeling voor een verbod van een politieke partij.
De regering is van mening dat de voorgestelde regeling aan deze eisen voldoet, en
ziet de regeling dan ook als een gerechtvaardigde beperking van de verenigingsvrijheid.
De CDA-fractie wijst terecht op de bijzondere rol van politieke partijen en vraagt
hoe hier bij de uitvoering voldoende aandacht voor blijft. Politieke partijen zijn
verenigingen met een sterk ideologisch profiel met als doel (een deel van) de wil
van het volk vertegenwoordigen, waarbij het ook kan gaan om opvattingen die door een
deel van de bevolking worden afgewezen. Vanwege deze belangrijke maatschappelijke
rol genieten politieke partijen veel vrijheid om deze functie in te vullen zoals zij
willen, zolang zij daarbij enkel gebruik maken van democratische middelen en streven
naar democratische doelstellingen. Daarbij brengt de regering in herinnering dat een
partijverbod alleen aan de orde is als ultimum remedium. Het is aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om te beoordelen of een politieke
partij daadwerkelijk een bedreiging vormt voor de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat. De regering acht een partijverbod als laatste redmiddel om de democratische
rechtsstaat zelf te beschermen daarom gerechtvaardigd.
De leden van de CDA-fractie gaan verder in op deze bijzondere rol en uiten hun zorgen
over disproportionele maatregelen voor partijen met een sterk ideologisch profiel
en de rol van politieke partijen in het vormen van moreel en politiek besef. De regering
stelt hierbij dat het gebruikmaken van democratische middelen om veranderingen te
bewerkstelligen in het constitutioneel bestel is geoorloofd, mits die middelen niet
worden ingezet om de democratische rechtsstaat of de democratische rechtsorde te ondermijnen
of af te schaffen. In dit kader beoogt de algemene bepaling van de Grondwet een argumentatiedrempel
aan te brengen tot behoud van de grondrechten en de democratische rechtsstaat. De
beoordeling of een specifieke situatie in strijd is met de grondbeginselen van de
democratische rechtsstaat, is voorbehouden aan de Hoge Raad, op verzoek van de procureur-generaal.
De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd hoe het toezicht door de Napp zal worden
ingericht. Zij merken daarbij op dat een vermeende dreiging niet onnodig moet escaleren
tot een partijverbod. De nieuw in te stellen Nederlandse autoriteit politieke partijen
krijgt de vorm van een zelfstandig bestuursorgaan. De taken van de Napp zijn restrictief
en limitatief opgesomd in het voorgestelde artikel 112 van de Wet op de politieke
partijen. De autoriteit gaat zelf over de inrichting van het door haar te verrichten
toezicht. Dit toezicht richt zich echter niet op de vraag of een politieke vereniging
door haar doelstelling of werkzaamheden een daadwerkelijke en ernstige bedreiging
vormt voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Die bevoegdheid is
op grond van het voorgestelde artikel 139 voorbehouden aan de procureur-generaal bij
de Hoge Raad. Weliswaar is geregeld dat deze van de Autoriteit de inlichtingen en
bescheiden kan vorderen die hij daarvoor nodig heeft – het voorgestelde artikel 140
–, maar dit betreft uitsluitend informatie en stukken die reeds bij de Autoriteit
berusten. Gedacht kan worden aan: financiële verslagen, accountantsverklaringen en
ontvangen meldingen van grote bijdragen. Op de inrichting van het toezichtregime in
het kader van de aan de Autoriteit opgedragen taken zal zulks geen effect sorteren.
De CDA-fractie vraagt naar het eventuele risico dat een partijverbod onbedoeld kan
bijdragen aan verdere polarisatie of wat zij noemen «een martelaarseffect». De regering
ziet geen aanleiding om te vermoeden dat dit een groot risico is, maar erkent dat
het risico ook niet kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld in de beleving van aanhangers
van een partij die verboden zou worden. In navolging van onder andere de Staatscommissie
parlementair stelsel ziet de regering echter de noodzaak om de grondbeginselen van
de democratische rechtsstaat te beschermen via de mogelijkheid van een partijverbod
tegen politieke partijen die daar een daadwerkelijke en ernstige bedreiging voor vormen
en weegt dit zodoende zwaarder.
De leden van de CDA-fractie constateren dat niet helemaal duidelijk is hoe de wet
omgaat met neveninstellingen zoals jongerenorganisaties. Zij vragen of de regering
kan uitleggen waarom beide routes openblijven en of dat niet juist voor onduidelijkheid
zorgt. De regering hecht eraan te benadrukken dat de voorgestelde regeling voor het
verbieden en ontbinden van een politieke partij voor zowel de grond als de rechtsgang
geldt als een lex specialis ten opzichte van de lex generalis van artikel 2:20 BW. Omdat het partijverbod van de Wpp zich ook kan uitstrekken tot
neveninstellingen (die ook rechtspersoonlijkheid hebben) kan de situatie zich voordoen
dat een neveninstelling (zoals bijvoorbeeld een jongerenafdeling) een handeling verricht
die een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 2:20 BW, maar niet
de politieke partij als zodanig een gevaar vormt voor de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat. Een partijverbod op grond van de Wpp is dan niet aan de orde, maar mogelijk
wel een verbod ex artikel 2:20 BW.
De leden van de CDA-fractie wijzen op de mogelijke onnodige politieke belasting van
de rechter door behandelingen van partijverboden. De regering vindt het net als de
leden van de CDA-fractie van belang dat de behandeling van een partijverbod de rechter
niet onnodig politiek belast. Daarom heeft de regering ervoor gekozen om de bevoegdheid
om een partijverbod op te leggen te beleggen bij de Hoge Raad, in enige instantie.
De Hoge Raad toetst of aan de (juridische) eisen van een partijverbod is voldaan,
namelijk of een politieke vereniging door doelstellingen of werkzaamheden een daadwerkelijke
en ernstige bedreiging voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat vormt.
Daarmee is naar de mening van de regering voldoende gewaarborgd dat de rechter, in
dit geval dus de Hoge Raad, niet onnodig politiek wordt belast. Verder is het ook
niet aan de politiek of burgers om een verzoek tot partijverbod te doen, maar ligt
deze bevoegdheid enkel bij de procureur-generaal.
Ter voorkoming van rechtsonzekerheid en grijze gebieden vragen de leden van de CDA-fractie
op basis van welke duidelijke toetsingscriteria de rechter concreet kan bepalen of
een partij doelstellingen heeft die als ondemocratisch of antirechtsstatelijk moeten
worden gekwalificeerd. Het voorgestelde partijverbod vereist dat een politieke partij
door doelstellingen of werkzaamheden een daadwerkelijke en ernstige dreiging vormt
voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Deze dreiging dient te worden
vastgesteld op basis van objectieve feiten. Of er sprake is van een doelstelling die
een dergelijke bedreiging vormt, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van
het geval. Dit oordeel is voorbehouden aan de Hoge Raad. Op basis van de Grondwet
en de jurisprudentie van het EHRM heeft de regering in het tweede lid een niet-limitatieve
opsomming gegeven van beginselen die in ieder geval onder de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat vallen. Deze beginselen
worden nader toegelicht in de memorie van toelichting en dienen als handvatten voor
de Hoge Raad in zijn beoordeling.
SP
Zoals eerder is geantwoord op een vergelijkbare vraag van NSC, heeft de regering hiervan
afgezien, omdat een dergelijke herstelmogelijkheid afbreuk zou doen aan de effectiviteit
van een partijverbod. Een herstelmogelijkheid zou alleen aan de orde kunnen zijn wanneer
de Hoge Raad al heeft geconstateerd dat er sprake is van een doelstelling die een
daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat. Enkel het aanpassen van een doelstelling biedt volgens de regering onvoldoende
waarborg tegen deze dreiging. Daarbij komt dat de regering het niet aannemelijk acht
dat een politieke vereniging doelstellingen of standpunten heeft zonder daaraan uitvoering
te (willen) geven. Een duidelijk onderscheid tussen doelstellingen en werkzaamheden
is dan ook moeilijk te maken. Tot slot wijst de regering erop dat er verschillende
instrumenten in de gereedschapskist beschikbaar zijn voor wanneer een politieke vereniging
doelstellingen of werkzaamheden heeft die een bedreiging vormen voor de grondbeginselen
van de democratische rechtsstaat, waarvan een partijverbod het sluitstuk vormt. Het
gaat dan bijvoorbeeld om strafrechtelijke vervolging van voorlieden van de partij
of een subsidiestop.
De leden van de SP-fractie vragen wat de reden is geweest om te kiezen voor een niet-limitatieve
opsomming. Zoals eerder geantwoord op een vergelijkbare vraag van de NSC-fractie,
is de democratische rechtsstaat een abstract begrip. Daarom vindt de regering het
wenselijk om in het tweede lid van artikel 139 een aantal grondbeginselen op te sommen
die in ieder geval, met het oog op de Grondwet en de jurisprudentie van het EHRM, aan te merken zijn
als grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Juist omdat het onmogelijk is
om de democratische rechtstaat uitputtend te definiëren is gekozen voor een niet-limitatieve
opsomming. Het is aan de procureur-generaal die het verzoek doet tot een partijverbod,
en aan de Hoge Raad die bevoegd is het partijverbod op te leggen, om te bepalen of
er sprake is van een daadwerkelijke en ernstige bedreiging van een grondbeginsel van
de democratische rechtsstaat. Naar het oordeel van de regering levert dit geen spanning
op met het legaliteitsbeginsel, omdat het begrip democratische rechtsstaat als norm
in de wet is opgenomen en met de andere wettelijke termen die deel uitmaken van het
partijverbod – daadwerkelijke en ernstige bedreiging van grondbeginselen – duidelijk
is dat doelstellingen of werkzaamheden van voldoende zwaar gewicht moeten zijn om
onder de vereisten voor een partijverbod te vallen. Het is aan de Hoge Raad om te
bepalen wat de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat zijn.
SGP
Zoals eerder geantwoord op vergelijkbare vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie, vraagt
de fractie van de SGP naar de verhouding tussen het voorgestelde partijverbod in de
Wpp en artikel 2:20 BW. De regering heeft, in lijn met het advies van de staatscommissie
parlementair stelsel, gekozen voor een aparte verbodsregeling voor politieke partijen,
omdat artikel 2:20 BW te algemeen is en onvoldoende recht doet aan hun bijzondere
rol in het democratisch bestel. Hoewel het aangepaste artikel 2:20 BW en het voorgestelde
artikel 139 Wpp materieel sterk overeenkomen, heeft het partijverbod een meer constitutioneel
karakter. Daarom geldt een specifieke procedure, waarbij de procureur-generaal een
verzoek indient bij de Hoge Raad, met extra waarborgen. De in artikel 2:20 BW genoemde
criteria voor strijd met de openbare orde blijven daarbij grotendeels richtinggevend.
De SGP-fractie vraagt naar keuze voor de in artikel 139 lid 2 genoemde grondbeginselen
van de democratische rechtsstaat en vraagt waarom het in het licht van de algemene
bepaling in de Grondwet niet voor de hand ligt om nadere duiding van beginselen achterwege
te laten. Zoals eerder geantwoord op een vergelijkbare vraag van de NSC-fractie, is
de democratische rechtsstaat een abstract begrip. Daarom vindt de regering het wenselijk
om in het tweede lid van artikel 139 een aantal grondbeginselen op te sommen die in ieder geval, met het oog op de Grondwet en de jurisprudentie van het EHRM, aan te merken zijn
als grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Juist omdat het onmogelijk is
om de democratische rechtstaat uitputtend te definiëren is gekozen voor een niet-limitatieve
opsomming. Het is aan de procureur-generaal die het verzoek doet tot een partijverbod,
en aan de Hoge Raad die bevoegd is het partijverbod op te leggen, om te bepalen of
er sprake is van een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat.
De leden van de SGP constateren dat het in strijd zou zijn met belangrijke vrijheden
zoals de meningsuiting en vergadering om fundamentele discussies te voeren over staatkundige
onderwerpen en om medeburgers op vreedzame wijze te mobiliseren voor veranderingen.
Zij vragen aan de regering of de regering nader wil duiden welke ruimte zij ziet voor
burgers om actief te pleiten voor verandering van een andere inrichting van het staatsbestel
in het licht van de concreet genoemde beginselen. Zoals eerder geantwoord op een vergelijkbare
vraag van de CDA-fractie, is het gebruikmaken van democratische middelen om veranderingen
te bewerkstelligen in het constitutioneel bestel geoorloofd, mits die middelen niet
worden ingezet om de democratische rechtsstaat of de democratische rechtsorde te ondermijnen
of af te schaffen. In dit kader beoogt de algemene bepaling van de Grondwet een argumentatiedrempel
aan te brengen tot behoud van de grondrechten en de democratische rechtsstaat. De
beoordeling of een specifieke situatie in strijd is met de grondbeginselen van de
democratische rechtsstaat, is voorbehouden aan de Hoge Raad, op verzoek van de procureur-generaal.
De leden van de SGP-fractie constateren ook dat de beperking van het partijverbod
tot politieke verenigingen ertoe leidt dat burgers die met een blanco lijst deelnemen
aan de verkiezingen niet door het verbod geraakt worden. Zij vragen waarom het juist
voor initiatieven die onder het bereik van een partijverbod zouden kunnen vallen uit
strategische overwegingen niet erg interessant kan zijn in plaats van nadelig om juist
niet als een geregistreerde beweging uit te komen, maar in contrast met bestaande
partijen profiel te maken door te volstaan met een lijstnummer. Met juistheid hebben
de leden van de SGP-fractie vastgesteld dat alleen politieke verenigingen in de zin
van de Wet op de politieke partijen onder het partijverbod zijn gebracht. Het zijn
deze verenigingen die door de Wet op de politieke partijen worden gereguleerd. De
aan het woord zijnde leden hebben in het verslag de vraag gesteld of daarmee niet
het risico bestaat dat een groep burgers ervoor kiest om met een zogenoemde blanco
lijst – dat wil zeggen: een lijst waarboven niet een door een politieke vereniging
geregistreerde aanduiding staat – aan een verkiezing deel te nemen teneinde het partijverbod
te ontlopen. Die mogelijkheid bestaat, maar dan geldt alsnog onverkort artikel 2:20
van het Burgerlijke Wetboek, waardoor een rechtspersoon, niet zijnde een politieke
vereniging, kan worden verboden. De regering acht de kans dat deze mogelijkheid zich
manifesteert enkel om het partijverbod te ontlopen daarom zeer gering. Het verbieden
van een rechtspersoon is ook niet eenvoudiger op grond van de Wet op de politieke
partijen dan op grond van het Burgerlijk Wetboek. Bij de totstandkoming van de Wet
van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming
van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) was de wetgever juist bezorgd dat rechtspersonen zouden proberen een verbod te ontlopen
door zich als politieke groepering uit te geven.34
De leden van de SGP-fractie vinden rechtsgelijkheid belangrijk. Zij wijzen erop dat
een blanco lijst – dat wil zeggen: een kandidatenlijst waarboven niet de aanduiding
van een politieke groepering staat – ook ondersteund kan worden door een vereniging.
Een dergelijke vereniging is dan geen politieke vereniging in de zin van de Wet op
de politieke partijen. De aan het woord zijnde leden menen dat een dergelijke vereniging,
ondanks het ontbreken van een aanduiding boven de lijst, desalniettemin op een manier
campagne kan voeren die voor burgers nauwelijks verschilt van die van gevestigde partijen.
De regering volgt deze redenering slechts ten dele. Op de eerste plaats is de mogelijkheid
om boven een lijst een aanduiding van een politieke groepering te plaatsen van oorsprong
ingevoerd omdat de lijst daarmee eenvoudiger te herkennen is voor burgers.35 Men mag dus verwachten dat dit de politieke vereniging tot voordeel strekt. Op de
tweede plaats komen alleen politieke verenigingen in aanmerking voor de zendtijd voor
politieke partijen.36 Omdat een blanco lijst juridisch gezien per definitie niet verbonden is met een vereniging,
kan die vereniging daarom ook nooit aanspraak maken op deze faciliteit.
Om deze reden is in het voorstel van wet ook geregeld dat bij landelijke verkiezingen
gedurende de verkiezingscampagne allerlei regels die voor politieke partijen gelden
ook van toepassing zijn op politieke verenigingen en op de personen die op een blanco
lijst staan. Zie het voorgestelde artikel 48. Van een heel ander regime is dan ook
geen sprake. Voor zover mogelijk is op een blanco lijst een vergelijkbaar regime van
toepassing als op de lijst van een politieke vereniging, waarbij de verplichtingen
die normaliter aan een vereniging zijn opgelegd, zijn belegd bij de lijsttrekker van
die lijst. Ten slotte brengt de regering in herinnering dat de mogelijkheid om een
aanduiding te laten registreren door het centraal stembureau nooit bedoeld is als
vergunningstelsel.37 In Nederland worden kandidatenlijsten niet ingediend door politieke partijen, maar
door stemgerechtigden.38 Een stemgerechtigde kan zelf een kandidatenlijst samenstellen, of dit samen met anderen
doen. In het laatste geval staat het hen vrij om zich te organiseren in een vereniging
met volledige rechtsbevoegdheid. Het oprichten van een dergelijke vereniging heeft
als voordeel dat zo’n vereniging het centraal stembureau kan verzoeken haar aanduiding
te registreren.39 Bij het registratieverzoek wijst de vereniging ook haar gemachtigde en plaatsvervangend
gemachtigde aan. Zij kunnen een stemgerechtigde de bevoegdheid verlenen om de voor
een politieke vereniging geregistreerde aanduiding boven zijn kandidatenlijst te plaatsen.40 Een kandidatenlijst is dus formeel niet van de partij, maar op deze manier wordt
de kandidatenlijst toch aan een vereniging verbonden. Alleen op deze verenigingen
zijn de bepalingen van toepassing die in het voorstel van wet ter zake van politieke
verenigingen zijn opgenomen. Dit laat onverlet dat het eenieder, rechtspersonen incluis,
vrij staat om campagne te voeren voor een of meer kandidaten dan wel de lijsten waarop
zij voorkomen. Mensen ertoe bewegen om na te denken over hun stemkeuze is immers niet
het exclusieve terrein van politieke verenigingen en kandidaten. Voor zover anderen
dan politieke verenigingen en kandidaten campagne voeren, worden deze activiteiten
niet gereguleerd door de Wet op de politieke partijen. Wel kan zo’n activiteit onder
Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame
vallen. De uitvoeringswet hiervoor is bij uw Kamer ingediend.
De leden van de SGP-fractie informeren naar het risico dat partijen door het wetsvoorstel
gestimuleerd worden om een zaak bij het EHRM aanhangig te maken. De regering ziet
het niet als een risico dat partijen die onderwerp zijn geworden van een partijverbod
een zaak bij het EHRM aanhangig maken, aangezien een dergelijke procedure geen schorsende
werking heeft op de uitspraak van de Hoge Raad.
De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat de procureur-generaal bij de Hoge
Raad alleen bijstand kan vragen in situaties waarin een strafrechtelijke procedure
gaande is en waarom er geen rol hierin is voor het OM. Het klopt dat de procureur-generaal
bij de Hoge Raad alleen bijstand kan vragen in situaties waarin een strafrechtelijke
procedure gaande is. De regering heeft ervoor gekozen om de extra bevoegdheden van
het openbaar ministerie niet altijd ter beschikking te stellen, omdat deze bevoegdheden
strafrechtelijk van aard zijn. De procedure voor een partijverbod valt als zodanig
niet binnen het strafrecht. Het ligt dan ook voor de hand dat deze bijstand enkel
mogelijk is als er naast de procedure voor het partijverbod een strafrechtelijke procedure
gaande is. De regering heeft er niet voor gekozen om de verantwoordelijkheid bij het
OM te leggen, omdat de leden van het OM onder de ministeriële verantwoordelijkheid
vallen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad valt daar niet onder en is bovendien
voor het leven benoemd. Ook vanwege het zeer uitzonderlijke karakter van de procedure
acht de regering de keuze voor de procureur-generaal bij de Hoge Raad passend.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil ingaan op de mogelijkheden voor
de procureur-generaal om naast informatie van het OM ook informatie van de veiligheidsdiensten
te verkrijgen. Als de veiligheidsdiensten het nodig achten om signalen over te brengen
aan de procureur-generaal, dan staat niets daaraan in de weg. De diensten gaan hier
zelf over.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering het aantoonbaar oneigenlijk
of onjuist aanvechten van een verkiezingsuitslag als onderdeel benoemt van het voorgestelde
partijverbod. Het staat een politieke partij vrij om een verkiezingsuitslag via een
juridische procedure aan te vechten. Echter, wanneer een politieke partij de vaststelling
van een verkiezingsuitslag op aantoonbaar onjuiste en/of oneigenlijke gronden aanvecht
of ontkent en daarmee het verloop en de afwikkeling van het verkiezingsproces ernstige
schade toebrengt, zonder dat daarvoor zwaarwegende en legitieme redenen (kunnen) worden
aangevoerd ter rechtvaardiging, vormt zij in de ogen van de regering een bedreiging
voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat, waarbij een partijverbod
in beeld zou kunnen komen. Het is aan de Hoge Raad om te bepalen of een partijverbod
daadwerkelijk aan de orde is.
ChristenUnie
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering bij het opstellen van dit
wetsvoorstel ook heeft overwogen om de politieke partij als entiteit toe te voegen
aan de Nederlandse Grondwet en hoe de regering het ontbreken van een dergelijke verankering
weegt. De regering heeft bij het opstellen van dit wetsvoorstel niet gekozen voor
grondwettelijke verankering, aangezien er op dit moment nog geen brede en duurzame
overeenstemming bestaat over wat de constitutionele rol van politieke partijen is
en wat daaromtrent in de Grondwet, ook in verhouding tot andere grondwetsbepalingen,
geregeld zou moeten worden. Deze keuze is in lijn met de overweging van de Staatscommissie
parlementair stelsel, die in haar rapport een constitutionele verankering «niet direct
nodig acht». Mocht in de toekomst worden besloten tot een brede herziening van de
Grondwet, dan zou opnieuw kunnen worden overwogen om politieke partijen grondwettelijk
te verankeren. Bij afwezigheid daarvan is een dergelijke verankering nu echter niet
aangewezen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of en in welke mate er is
gekeken naar wetgeving rondom het verbieden van politieke partijen in andere landen.
Bij het ontwerpen van het partijverbod is in het bijzonder gekeken naar de eisen die
het EVRM aan een dergelijk verbod stelt, zoals blijkt uit de jurisprudentie van het
EHRM. Daarnaast is er ook gekeken naar het Duitse stelsel. Echter, waar in het Duitse
systeem de politiek een belangrijke rol speelt in het partijverbod, nu ook het parlement
bevoegd is om het Constitutioneel Hof te verzoeken een partij te verbieden, heeft
de regering ervoor gekozen om deze bevoegdheid exclusief te beleggen bij een onafhankelijk
instituut, namelijk de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
Zoals eerder geantwoord op vergelijkbare vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie, vraagt
de fractie van de ChristenUnie naar de verhouding tussen het voorgestelde partijverbod
in de Wpp en artikel 2:20 BW. De regering heeft, in lijn met het advies van de staatscommissie
parlementair stelsel, gekozen voor een aparte verbodsregeling voor politieke partijen,
omdat artikel 2:20 BW te algemeen is en onvoldoende recht doet aan hun bijzondere
rol in het democratisch bestel. Hoewel het aangepaste artikel 2:20 BW en het voorgestelde
artikel 139 Wpp materieel sterk overeenkomen, heeft het partijverbod een meer constitutioneel
karakter. Daarom geldt een specifieke procedure, waarbij de procureur-generaal een
verzoek indient bij de Hoge Raad, met extra waarborgen. De in artikel 2:20 BW genoemde
criteria voor strijd met de openbare orde blijven daarbij grotendeels richtinggevend.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de reden voor het kiezen van een
niet-limitatieve opsomming van grondbeginselen in het wetsvoorstel in artikel 139
lid 2 Wpp. De democratische rechtsstaat is een abstract begrip. Daarom vindt de regering
het wenselijk om, anders dan de Afdeling Advisering heeft geadviseerd, in het tweede
lid van artikel 139 een aantal grondbeginselen op te sommen die in ieder geval, met het oog op de Grondwet en de jurisprudentie van het EHRM, aan te merken zijn
als grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Juist omdat het onmogelijk is
om de democratische rechtstaat uitputtend te definiëren, is gekozen voor een niet-limitatieve
opsomming. De regering ziet geen risico op een te ruime of vage uitleg van het verbodscriterium,
nu duidelijk is dat een partijverbod alleen aan de orde is als ultimum remedium, als een partij daadwerkelijk een ernstige bedreiging vormt voor de grondbeginselen
van de democratische rechtsstaat. Het is aan de procureur-generaal die het verzoek
doet tot een partijverbod, en aan de Hoge Raad die bevoegd is het partijverbod op
te leggen, om te bepalen of er sprake is van een grondbeginsel van de democratische
rechtsstaat. Van een verzwaarde motivatieplicht voor beginselen die niet genoemd staan
in het tweede lid is dan ook geen sprake.
De fractie van de ChristenUnie vraagt hoe voorkomen wordt dat legitieme politieke
of morele standpunten ten onrechte aanleiding kunnen zijn voor de procedure richting
een partijverbod. De regering benadrukt dat het partijverbod een ultimum remedium is. Het staat politieke verenigingen vrij om elk politiek of moreel standpunten in
te nemen, zolang zij daarvoor gebruikmaken van democratische middelen. De beoordeling
of een specifieke situatie in strijd is met de grondbeginselen van de democratische
rechtsstaat, is voorbehouden aan de Hoge Raad, op verzoek van de procureur-generaal.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de wenselijkheid van een mogelijkheid
tot hoger beroep tegen een partijverbod uitgesproken door de Hoge Raad. De regering
acht een mogelijkheid tot hoger beroep niet wenselijk. De regering heeft ervoor gekozen
om de bevoegdheid om een partijverbod op te leggen te beleggen bij de Hoge Raad, in
enige instantie. Het is immers zowel voor de betrokken politieke partij als voor de
samenleving van belang, gelet op de hoge mate van politieke gevoeligheid van de zaak,
dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over het voortbestaan van de partij. De
keuze voor de Hoge Raad in eerste en enige aanleg sluit aan bij het advies van de
Staatscommissie herziening parlementair stelsel (2018), in zoverre deze heeft geadviseerd
om de bevoegdheid tot het oordelen over het opleggen van een partijverbod te beleggen
bij een rechtsprekende instelling in enige en hoogste instantie.
De fractie van de ChristenUnie vraagt of bij de vormgeving van de verbodsgrond uitgewerkt
in artikel 139 van het wetsvoorstel rekening is gehouden met internationale normen
rond politieke partijen, waaronder de aanbevelingen van de GRECO. Bij het ontwerpen
van deze regeling heeft de regering zich inderdaad gebaseerd op de internationale
normen rond politieke partijen, in het bijzonder de eisen die gesteld worden door
de instanties binnen de Raad van Europa.
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering welke rol de GRECO-aanbevelingen
zullen spelen in het werk van de Napp. Zal de Napp expliciet de taak gegeven worden
om GRECO-aanbevelingen te volgen en te rapporteren over de naleving daarvan binnen
Nederlandse politieke partijen? De Napp heeft een rol als toezichthouder op de transparantieverplichtingen
van politieke partijen zoals neergelegd in de Wpp. Beleidsvorming naar aanleiding
van GRECO-aanbevelingen blijft de verantwoordelijkheid van de kerndepartementen die
de aanbeveling betreft. Rapporteren over de naleving daarvan valt niet onder de taken
van de Napp.
3. Financiering en verplichtingen landelijke politieke partijen
GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat een bijdragenplafond van
€ 100.000,– per gever per jaar te hoog is. Zij roepen daarbij het amendement van het
lid-Heijnen41 in herinnering, waarmee beoogd werd om in de Wet financiering politieke partijen
(Wfpp) een bijdragenmaximum van € 25.000,– in te stellen en vragen de regering om
nader te onderbouwen waarom er niet gekozen is voor een lager bijdragenplafond. Het
bijdragenplafond van € 100.000,– dat bij amendement van het lid Leijten c.s.42 is opgenomen in artikel 29b van de Wfpp, is van toepassing sinds 1 januari 2023.43 Bij de voorbereiding van het ontwerp van de Wet op de politieke partijen (Wpp) heeft
de regering gemeend er goed aan te doen inhoudelijk zoveel mogelijk aansluiting te
zoeken bij het huidige wettelijk kader. Hier komt bij dat de Tweede Kamer door het
aannemen van het eerdergenoemde amendement-Leijten c.s. zich betrekkelijk kortgeleden
heeft uitgesproken over de gewenste hoogte van een bijdragenmaximum. Er bestaat van
regeringswege dus niet zozeer inhoudelijk bezwaar tegen een verlaging van het bijdragenmaximum,
maar gelet op het voorgaande ziet zij geen aanleiding om daar zelf een voorstel toe
te doen. Zij wijst er wel op dat een verlaging van het bijdragenmaximum negatieve
invloed kan hebben op de hoogte van de inkomsten van politieke partijen, waardoor
hun afhankelijkheid van overheidssubsidie kan toenemen.
De vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of er binnen de Europese Unie
lidstaten zijn die een lager bijdragenplafond hanteren dan Nederland, kan bevestigend
worden beantwoord. Prof. dr. Wim van Biezen heeft in 2018 in opdracht van het Ministerie
van BZK een internationale vergelijking verricht naar de financiering van politieke
partijen. Een overzicht van de regels in enkele Europese landen is daarin te vinden.44 Er zijn landen met een veel lager bijdragenmaximum dan Nederland. In bijvoorbeeld
België mogen landelijke politieke partijen jaarlijks ten hoogste € 500,– aannemen
van een natuurlijk persoon. Dezelfde beperking geldt voor lijsten, kandidaten en politieke
mandatarissen. Met dien verstande dat een natuurlijk persoon in één jaar nooit meer
dan € 2.000,– mag doneren.45 In Frankrijk mag een natuurlijk persoon ten hoogste € 7.500,– doneren aan een politieke
partij, waarbij afdrachten overigens niet meetellen.46 Er zijn daarentegen ook landen in de Europese Unie waar geen enkele beperking is
gesteld aan de hoogte van de bijdragen die politieke partijen mogen aannemen. Dit
is bijvoorbeeld het geval in Duitsland en Oostenrijk.47
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie informeren ook of er binnen de Europese Unie
landen zijn waar alleen natuurlijke personen bijdragen aan politieke partijen mogen
geven. Uit het hiervoor aangehaalde onderzoek van prof. dr. Van Biezen blijkt dat
dit inderdaad het geval is. In België48 en Frankrijk49 mogen alleen natuurlijke personen bijdragen geven aan politieke partijen om de onafhankelijkheid
van politieke partijen te waarborgen en te voorkomen dat bedrijven of belangengroepen
veel invloed krijgen op het politieke besluitvormingsproces. In het geval van België
moet hierbij overigens wel de kanttekening gemaakt worden dat sponsoring van politieke
partijen door bedrijven daar inmiddels wel is toegestaan.50 In veel andere landen, waaronder Duitsland en Nederland, zijn geen beperkingen gesteld
aan de persoon waarvan een politieke partij een bijdrage mag aanvaarden. De Wfpp is
in 2018 geëvalueerd.51 Naar aanleiding daarvan is de Evaluatiewet Wfpp tot stand gekomen,52 waardoor nog niet zo lang geleden een groot aantal regels in de Wfpp is aangescherpt.
Voor veel politieke partijen bracht die wijziging onzekerheid en vragen met zich mee.
Met de indiening van het thans voorliggende wetsontwerp wordt uitvoering gegeven aan
het advies van Staatscommissie parlementair stelsel om de transparantieregels uit
de Wfpp alsook de regels over een partijverbod en de procedurele aspecten daarvan
samen te brengen in een Wet op de politieke partijen.53 Tegen deze achtergrond heeft de regering niet opnieuw grote veranderingen willen
voorstellen, maar zich beperkt tot het waar nodig verduidelijken van de bestaande
regels en het wegnemen van enkele knelpunten. Wel zijn de transparantievoorschriften
uitgebreid ten aanzien van van de interne organisatie van politieke verenigingen.
Hier komt bij dat uw Kamer zich nog betrekkelijk recent heeft uitgesproken tégen het
idee dat politieke partijen alleen bijdragen zouden mogen aanvaarden van natuurlijke
personen en hun neveninstellingen. Een hiertoe strekkend amendement van het Lid Leijten54 kreeg tijdens de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp onvoldoende steun.55
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn de mening toegedaan dat de herkomst van
het geld dat politieke partijen ontvangen altijd duidelijk moet zijn. Zij vragen zich
af hoe wordt voorkomen dat de wettelijke voorschriften worden omzeild. Van Nispen
(SP) heeft, vooruitlopend op de Kamerbehandeling van de Wpp, in mei 2025 een motie
ingediend met eenzelfde strekking.56 Net als de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie acht de regering het van belang dat
politieke partijen inzichtelijk maken hoe zij aan hun middelen komen. Daarom kent
het vigerend wettelijk kader op dit punt een transparantieverplichting. Met de Evaluatiewet
Wfpp zijn deze transparantieregels aangescherpt. Zo moeten politieke partijen bij
het aannemen van een bijdrage van een rechtspersoon inzichtelijk maken wie de uiteindelijk
belanghebbende achter deze rechtspersoon is. In 2023 heeft mijn ministerie een onafhankelijke
partij opdracht gegeven om de mogelijke omzeilingsroutes van de Wfpp te identificeren.
De resultaten daarvan zijn betrokken bij het concipiëren van dit wetsvoorstel.
Met de Wpp doet de regering aanvullende voorstellen om te voorkomen dat de wet al
te makkelijk ontweken kan worden. Waar het onder de Wfpp nog toegestaan is om anonieme
bijdragen tot en met € 250,– te aanvaarden, wordt in het voorliggende wetsontwerp
voorgesteld het aanvaarden van anonieme bijdragen volledig te verbieden.57 Dit betekent dat politieke partijen voortaan alle bijdragen, ook van € 250,– of minder,
moeten registreren.58 Bovendien is in de Wpp duidelijker omschreven hoe politieke partijen moeten handelen
als zij een bijdrage ontvangen die zij op grond van de wet niet mogen aanvaarden.
Tegelijkertijd erkent de regering dat ook het huidige voorstel regels bevat die ontweken
kunnen worden. Een natuurlijk persoon mag op jaarbasis rechtstreeks ten hoogste € 100.000,–
doneren aan een politieke partij. Hoe deze natuurlijke persoon aan het vermogen is
gekomen om deze bijdrage te kunnen doen, is onbekend. De betrokkene kan een goedbetaalde
baan hebben of slim hebben geïnvesteerd in vastgoed of beleggingen. Op zichzelf alle
drie legitieme bronnen. Het is ook mogelijk dat de betrokkene een aanzienlijke som
geld heeft ontvangen van een derde met het verzoek om die som, of een deel daarvan,
als bijdrage aan een politieke partij te doen toekomen. Dit moge onwenselijk zijn,
verboden is het niet. Wie in een jaar per se een groter bedrag dan € 100.000,– wil
doneren aan een politieke partij, vindt daarvoor een weg. Het is dan ook niet mogelijk
om wettelijk alle mogelijke omzeilingsroutes te dichten. De regering is van mening
dat politieke partijen ook zelf een grote verantwoordelijkheid hebben in de besluitvorming
rondom het wel of niet aannemen van een bijdrage.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de regering gaat voorkomen
dat politieke partijen bijdragen splitsen via andere instellingen om het bijdragenplafond
te omzeilen. In de Wfpp is al geregeld dat als deze rechtspersoon een vereniging of
stichting is die niet is aangewezen als neveninstelling, deze vereniging of stichting
inzichtelijk moet maken hoe zij aan de middelen is gekomen om een bijdrage aan een
politieke partij te doen toekomen.59 Dat voorschrift is in het onderhavige wetsvoorstel overgenomen.60 Het nadeel van dergelijke voorschriften is dat zij de administratieve lasten flink
kunnen verhogen. Niet alleen voor politieke partijen, maar in dit geval ook voor verenigingen
of stichtingen die een bijdrage leveren aan een politieke partij en als gevolg daarvan
inzicht moeten verlenen in de wijze waarop zij gefinancierd zijn. Ook als hun bijdrage
niet of slechts voor een deel is betaald met gelden die zij van hun gevers hebben
ontvangen. Met wet- en regelgeving kan een norm worden gesteld en kunnen belemmeringen
worden opgeworpen, maar helemaal voorkomen dat buitenlandse en/of omvangrijke geldstromen
via omwegen een Nederlandse politieke partij bereiken is praktisch onmogelijk. De
regering vindt het belangrijk dat er maatregelen getroffen worden tegen oneigenlijke
beïnvloeding van politieke partijen door derden, zonder daarbij uit het oog te verliezen
dat het geven van een bijdrage aan een politieke partij in zichzelf nog niet verdacht
of laakbaar is. Het is belangrijk steeds een afweging te maken tussen de ernst van
het risico, de controleerbaarheid van de voorgestelde maatregel en de administratieve
lasten die met een voorgestelde maatregel gepaard gaan.
In antwoord op de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie of bij het opstellen van dit
wetsvoorstel ook andere maatregelen zijn overwogen om ontwijking van financieringsregels
tegen te gaan, kan gemeld worden dat gesproken is over de mogelijkheid het aanvaarden
van bijdragen te beperken tot bijdragen van natuurlijke personen. Daarmee zou voorkomen
kunnen worden dat personen, instellingen of bedrijven uit het buitenland in Nederland
een rechtspersoon oprichten om via deze rechtspersoon alsnog geld te kunnen doneren
aan een politieke partij. Ook zou een dergelijke maatregel het voor vermogenden moeilijker
maken om via een omweg meer dan het bijdragenmaximum aan een politieke partij te doneren.
Daar staat tegenover dat, zoals eerder vermeld, een hiertoe strekkend amendement nog
niet lang geleden door uw Kamer is verworpen.61 In dit licht bezien achtte de regering het niet opportuun een dergelijk voorstel
in dit wetsontwerp op te nemen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie gaan in het verslag ook in op de meldingsplicht
voor substantiële bijdragen. Deze leden vinden het met name tijdens verkiezingscampagnes
belangrijk dat stemgerechtigden snel inzicht hebben in wie een politieke partij financiert.
Zij willen daarom weten hoe de meldplicht van substantiële bijdragen zich tot verkiezingscampagnes
verhoudt. De regering deelt de observatie van deze leden dat het in aanloop naar een
verkiezing belangrijk is dat stemgerechtigden snel worden geïnformeerd als een politieke
partij een substantiële bijdrage aanvaardt. Daarom kent het voorliggende wetsvoorstel
met betrekking tot de meldplicht twee regimes. In de periode die aanvangt vanaf drie
weken voorafgaand aan de dag van de stemming en loopt tot en met de dag van de stemming
moeten landelijke politieke partijen de ontvangst van een substantiële bijdrage binnen
één werkdag melden bij de Nederlandse autoriteit politieke partijen (Napp).62 Dit is sneller dan nu in de Wfpp is voorgeschreven.63 Buiten de verkiezingsperiode hebben zij hiervoor juist langer dan nu de tijd: ten
hoogste tien werkdagen.64 De regering komt hiermee enerzijds tegemoet aan de legitieme wens van politieke partijen
om meer tijd te krijgen om melding te maken van een substantiële bijdrage en een structurele
hoge uitvoeringslast te voorkomen, anderzijds waarborgt zij dat kiezers gedurende
de verkiezingscampagne – als het er nog meer toe doet – juist sneller worden geïnformeerd
over de substantiële bijdragen die politieke partijen hebben aanvaard.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of de termijn van drie werkdagen
altijd werkbaar is voor politieke partijen en controleerbaar voor de toezichthouder.
Onder de Wfpp moest een substantiële bijdrage binnen drie dagen worden gemeld bij
de Minister van BZK. Om een structureel hoge uitvoeringslast te voorkomen is ervoor
gekozen om in de Wpp deze termijn te verruimen naar tien werkdagen. Alleen in de periode
van verkiezingen wordt de termijn ingekort naar één werkdag voor het melden van een
substantiële bijdrage.65 Dit vraagt om een tijdelijke intensivering, maar wordt noodzakelijk geacht in verband
met het verhoogd belang van transparantie tijdens de verkiezingsperiode.
Gedurende het kalenderjaar is het voor de toezichthouder niet mogelijk om te controleren
of politieke partijen zich daadwerkelijk aan de meldplicht houden. De toezichthouder
kan immers niet op de bankrekeningen van politieke partijen meekijken om te zien welke
bij- en afschrijvingen daarop plaatsvinden. Dat zou overigens ook onwenselijk zijn.
Of politieke partijen tijdig aan hun meldplicht hebben voldaan is achteraf te controleren.
Vóór 1 juli van elk jaar moet elke landelijke politieke partij immers een door een
accountant gecontroleerd financieel verslag over het voorgaande kalenderjaar aanleveren
bij de toezichthouder.66 De Napp kan op basis van dit financieel verslag en de daar deel van uitmakende financiële
overzichten vaststellen of een politieke partij tijdig melding heeft gemaakt van de
ontvangst van een substantiële bijdrage. Als in een kalenderjaar een verkiezing plaatsvindt,
moeten politieke partijen aanvullende overzichten van bijdragen en schulden aanleveren
bij de toezichthouder.67 Hoewel deze overzichten nog niet gecontroleerd hoeven te worden door een accountant,
kan de Napp wel al nagaan of in deze overzichten geen substantiële bijdragen voorkomen
die al eerder gemeld hadden moeten worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Napp voldoende middelen beschikbaar
heeft om de beoogde taken goed uit te kunnen voeren. De projectorganisatie is inmiddels
opgestart om de oprichting van de Napp uit te werken en op basis daarvan is de raming
bijgesteld. Volgens de huidige raming is er € 4 mln. per jaar benodigd om uitvoering
te kunnen geven aan de Napp. Met de voorjaarsnota is het budget voor de Napp op de
begroting van Binnenlandse Zaken bijgesteld naar € 4 mln. Hiermee is er voldoende
budget beschikbaar voor de taken die het huidige wetsvoorstel bij de Napp beoogt te
leggen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dat de transparantie over partijfinanciering
in Caribisch Nederland even streng moet zijn als in Europees Nederland. In dit kader
vragen zij de regering om uit te leggen hoe de transparantie van geldstromen naar
politieke partijen in Caribisch Nederland wordt geborgd. Het korte antwoord op deze
vraag is dat voor politieke verenigingen die in Caribisch Nederland gevestigd zijn
in beginsel dezelfde normen gelden als voor politieke verenigingen die in Europees
Nederland gevestigd zijn. Betreft het een landelijke politieke vereniging, dan gelden
exact dezelfde voorschriften. Op die manier wordt een gelijk speelveld tussen landelijke
politieke verenigingen gewaarborgd. Dit argument speelt minder sterk bij decentrale
politieke verenigingen. Het voornemen is dat decentrale politieke verenigingen die
in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba onder dezelfde voorwaarden
bijdragen mogen aanvaarden als hun evenknieën in Europees Nederland. Omdat politieke
verenigingen in Caribisch Nederland doorgaans nog geen eigen website hebben en sociaalnetwerksites
zoals Facebook een grotere rol spelen in het maatschappelijk leven op Bonaire, Sint-Eustatius
en Saba dan in Europees Nederland, kunnen in Caribisch Nederland gevestigde politieke
verenigingen evenwel ook aan hun transparantieverplichtingen voldoen door informatie
op een sociaalnetwerksite te plaatsen.68 Daarbij moeten zij dan wel een kopie aan de toezichthouder verstrekken, die dezelfde
informatie op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar zal maken. Op
deze manier kan worden tegemoetgekomen aan de staande praktijk en kennelijke behoefte
in Caribisch Nederland, zonder dat de informatie over in Caribisch Nederland gevestigde
politieke verenigingen minder openbaar zou zijn dan van politieke verenigingen in
Europees Nederland. Overigens bestaat het voornemen om de bepalingen betreffende decentrale
politieke verenigingen in Caribisch Nederland op een later moment te laten treden.
Voor een toelichting daarop zij verwezen naar de bij deze nota gevoegde tweede nota
van wijziging.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ook benieuwd of Nederland met Aruba,
Curaçao en Sint-Maarten heeft gesproken over het belang van partijregulering. Bij
de voorbereiding van dit wetsvoorstel heeft geen overleg plaatsgevonden met de andere
landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden, omdat het vaststellen van een wet ter
zake een landsaangelegenheid is. Overigens beschikken Aruba, Curaçao en Sint Maarten
over eigen wetgeving die de onafhankelijkheid van politieke partijen beoogt te beschermen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering een «was-wordt»-overzicht
kan geven van de wijzigingen in de Wpp ten opzichte van de Wfpp ten aanzien van de
financiering van landelijke politieke partijen. Zoals eerder aangegeven, heeft de
regering de in de Wfpp gestelde regels omtrent de financiering van landelijke politieke
partijen zoveel mogelijk overgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Hierop gelden
enkele uitzonderingen, zoals hieronder opgesomd:
– In de Wfpp is de hoogte van enkele subsidieonderdelen afhankelijk van het totaalaantal
leden en neveninstellingen van politieke partijen. In de Wpp worden vaste bedragen
voor deze onderdelen genoemd. Daardoor is het voor politieke partijen bij het indienen
van de subsidieaanvraag duidelijker op welk subsidiebedrag zij in het aankomend subsidiejaar
aanspraak kunnen maken.69
– Evenals onder de Wfpp worden de subsidiebedragen in de Wpp jaarlijks aangepast conform
de voor de rijksbegroting gehanteerde loon- en prijsbijstelling. De onder de Wfpp
ontstane praktijk om de verleende subsidie tweemaal te wijzigen conform de loon- en
prijsbijstelling wordt verlaten. Dit betekent dat voor de hele subsidieperiode wordt
gewerkt met de bedragen zoals vastgelegd in de wet op het moment van de verlening.70
– Onder de Wfpp kan onder meer subsidie worden verstrekt aan activiteiten ter bevordering
van de politieke participatie van jongeren. Onder de Wpp wordt deze categorie verbreed
tot activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren en andere
ondervertegenwoordigde groepen.71
– De Wfpp verbiedt het aannemen van bijdragen van niet-Nederlandse gevers. Deze regel
kon in de Wpp niet onverkort worden overgenomen, omdat de ruimere reikwijdte van deze
wet ertoe zou leiden dat die regel in strijd is met het EU-recht. In de Wpp is daarom
een verbod op het aannemen van bijdragen van personen die niet in Nederland woonachtig
zijn opgenomen, tenzij het natuurlijke personen betreft die de Nederlandse nationaliteit
bezitten.72 Het verbod op het aannemen van bijdragen van buitenlandse rechtspersonen is in een
apart artikel vastgelegd.73
– Onder de Wfpp is het aannemen van anonieme bijdragen van € 250,– of minder toegestaan.
Onder de Wpp is het aannemen van anonieme bijdragen in zijn geheel verboden. Dit betekent
dat politieke partijen voortaan ook van bijdragen van € 250,– of minder de naam, het
bedrag en de datum moeten registreren.74
– Onder de Wfpp moeten bijdragen van in totaal € 1.000,– of meer worden opgenomen in
het overzicht van bijdragen. Hetzelfde geldt voor schulden van € 25.000,– of meer.
In de Wpp wordt de drempel gewijzigd naar bijdragen van in totaal meer dan € 1.000,–
en schulden van meer dan € 25.000,–.75 Hetzelfde geldt voor de verplichting om substantiële bijdragen te melden. In de Wpp
is een substantiële bijdrage een bijdrage van meer dan € 10.000,–, en in de Wfpp gaat
het om een bijdrage van in totaal € 10.000,– of meer die gemeld moet worden bij de
toezichthouder.76
– De Wfpp schrijft voor dat een substantiële bijdrage binnen drie dagen wordt gemeld
bij de Minister van BZK. In de Wpp wordt deze termijn verruimd naar tien werkdagen.
In de laatste drie weken tot de dag van de stemming wordt de termijn ingekort naar
één werkdag.77
– Naast de bestaande indexatie voor de subsidiehoogte in de Wfpp wordt ook een indexatie
toegepast op het bijdragenmaximum in de Wpp. Dit houdt in dat het drempelbedrag één
keer per vijf jaar wordt geactualiseerd conform de voor de rijksbegroting gehanteerde
loon- en prijsbijstelling, waarbij naar boven wordt afgerond op duizendtallen.78
– In de Wfpp hoeft een schuld die binnen 14 dagen is terugbetaald niet te worden opgenomen
in het overzicht van schulden. In de Wpp is deze termijn verlengd naar 28 dagen.79
– Onder de Wfpp wordt de berekening van het drempelbedrag voor de publicatie van bijdragen
in een verkiezingsjaar naar rato berekend. Gelet op de complexiteit van deze werkwijze
is dit in de Wpp niet overgenomen.80
– Onder de Wfpp gelden aanvullende transparantieverplichtingen voor landelijke politieke
partijen (en verenigingen) die deelnemen aan een Tweede Kamerverkiezing. In de Wpp
worden deze verplichtingen ook van toepassing op politieke partijen (en verenigingen)
die deelnemen aan een verkiezing voor het Europees Parlement.81
VVD
De leden van de VVD-fractie spreken steun uit voor het voorstel van de regering om
de duizendledeneis als subsidievereiste te handhaven in het wetsvoorstel Wpp. De leden
van de VVD-fractie vragen voorts hoe de regering tot de voorgestelde subsidiebedragen
voor politieke partijen is gekomen. De regering heeft de regels omtrent de verdeling
van subsidie op grote lijnen ontleend aan de bestaande regelgeving daaromtrent. Eén
van de voorgestelde aanpassingen betreft een wijziging van de wijze waarop de maximumhoogte
van de te verlenen subsidie wordt bepaald. De subsidie op grond van de Wfpp is opgebouwd
uit verschillende onderdelen. Van een aantal subsidieonderdelen is de hoogte afhankelijk
van de gegevens van alle politieke partijen gezamenlijk. Denk bijvoorbeeld aan het
bedrag per lid. Het bedrag per lid wordt thans berekend door een vast bedrag, te weten
€ 3.042.199,–, te delen door het totaalaantal leden van alle politieke partijen gezamenlijk.
Omdat politieke partijen bij de indiening van hun aanvraag een schatting moeten geven
van het door hen verwachte ledental op de peildatum en niet weten hoeveel leden andere
politieke partijen verwachten te hebben, kan pas nadat alle aanvragen zijn ontvangen
de voorlopige hoogte van het onderdeel «bedrag per lid» van de subsidie worden berekend.
De definitieve hoogte kan pas na afloop van het subsidiejaar worden vastgesteld. Namelijk
als elke politieke partij haar door een accountant gecontroleerde verantwoording over
het subsidiejaar heeft aangeleverd, met daarin een geverifieerde opgave van haar ledental
op 1 januari van het subsidiejaar. Deze systematiek maakt het voor politieke partijen
bijkans onmogelijk een goede inschatting te maken van het subsidiebedrag waarop zij
aanspraak kunnen maken. De regering kiest er daarom voor om de hoogte van alle subsidieonderdelen
te baseren op vaste bedragen. Deze bedragen zijn gebaseerd op de gemiddelde aantallen
in de periode 2020–2025. De regering verwacht dat het effect van deze aanpassing op
politieke partijen beperkt is, aangezien de regering geen grote veranderingen verwacht
in het totaalaantal leden of het totaalaantal neveninstellingen. Hierdoor zal het
te verlenen bedrag in lijn zijn met de voorgaande subsidiejaren. Mocht dit wel het
geval zijn, dan kan de wetgever ervoor kiezen om de subsidiebedragen in de wet bij
te stellen.
De leden van de VVD-fractie vragen of politieke partijen een bijdrage moeten teruggeven
als een bijdrage afkomstig is van een rechtspersoon waarvan de uiteindelijk belanghebbende
niet is geregistreerd. Ook willen zij weten of politieke partijen in een dergelijk
geval worden meegenomen in het UBO-register om dit te controleren. Met dit wetsvoorstel
beoogt de regering de transparantie van de financiering van politieke partijen te
vergroten. Hiertoe worden politieke partijen verplicht alle door hen aanvaarde bijdragen
in hun financiële administratie te registreren. Wanneer een rechtspersoon meer dan
€ 250,– aan een politieke partij doneert, registreert de politieke partij tevens de
naam en het adres van de uiteindelijk belanghebbende achter deze rechtspersoon.82 Zo wordt meer inzicht geboden in de herkomst van een bijdrage. In het geval van onvolledige
registratie wordt een bijdrage beschouwd als anoniem. Anonieme bijdragen zijn onder
de Wpp niet toegestaan.83 De politieke partij kan de bijdrage, indien mogelijk, teruggeven aan de gever of
het bedrag overmaken aan de Napp. Wegens een uitspraak van het Hof van Justitie van
de Europese Unie is het UBO-register op het moment van schrijven niet meer voor iedereen
toegankelijk. De regering is zich ervan bewust dat dit de correcte registratie van
bijdragen door politieke partijen kan bemoeilijken. Met de Wijzigingswet beperking
toegang UBO-registers is het UBO-register beperkt toegankelijk gemaakt voor een aantal
groepen.84 Een van deze groepen betreft personen en rechtspersonen met een legitiem belang.
Politieke partijen hebben een legitiem belang op het moment dat zij waarschijnlijk
een zakelijke transactie zullen aangaan met een partij. Het ontvangen van een gift
wordt in dit kader ook gezien als het aangaan van een zakelijke transactie. Politieke
partijen kunnen dan toegang krijgen tot de UBO-registratie van die partij. Dit is
uitgewerkt in het op 2 april 2026 aan uw kamer aangeboden ontwerpwijzigingsbesluit
toegang UBO-registers voor natuurlijke personen en rechtspersonen met een legitiem
belang.85 Op het moment van schrijven ligt dit ontwerpwijzigingsbesluit bij de Raad van State
voor advisering. Op dit moment kunnen politieke partijen de UBO-gegevens controleren
door de gever te vragen een KvK-uittreksel bij te voegen en de adresgegevens van de
uiteindelijk belanghebbende na te zenden. Bij een volgende bijdrage in hetzelfde kalenderjaar
van dezelfde gever volstaat de vraag of de eerder verstrekte gegevens nog steeds actueel
zijn. Bij nota van wijziging is dit in het voorstel van wet verduidelijkt.86
De leden van de VVD-fractie wijzen de regering er terecht op dat het hebben van een
Nederlands bankrekeningnummer (IBAN) geen uitsluitsel biedt ten aanzien van de vraag
of iemand in Nederland woonachtig is of de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij vragen
hoe politieke partijen dan kunnen controleren of zij een bijdrage mogen aanvaarden.
Het in dit wetsvoorstel opgenomen verbod op het aanvaarden van bijdragen van personen
die niet in Nederland woonachtig zijn of de Nederlandse nationaliteit hebben is van
toepassing op bijdragen van in totaal meer dan € 250,– per jaar.87 Dit is tevens de grens waarboven politieke partijen worden geacht het adres van de
gever in hun financiële administratie te registreren.88 Dit betekent dat op het moment dat een politieke partij een bijdrage van in totaal
meer dan € 250,– ontvangt en daarbij de naam en het adres van de gever registreert,
deze gegevens geen adres buiten Nederland mogen bevatten tenzij de gever kan aantonen
de Nederlandse nationaliteit te bezitten. Het controleren van bijdragen van personen
woonachtig in het buitenland kan bijvoorbeeld met behulp van een kopie van een Nederlandse
identiteitskaart of paspoort. Het BSN-nummer mag op die kopie onleesbaar zijn gemaakt
dan wel doorgehaald.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het begrip «gift» vaak afhankelijk
is van de context waarin een bijdrage aan een politieke partij wordt verleend. Zij
vragen zich af hoe de regering voorkomt dat er misbruik wordt gemaakt van dit grijze
gebied. Anders dan de aan het woord zijnde leden, meent de regering dat er geen sprake
is van een grijs gebied. Een bijdrage wordt in het voorstel van wet gedefinieerd als
«bijdrage: een geldelijke bijdrage, anders dan dividend, rente of subsidie, dan wel
een bijdrage in natura».89 Hieruit volgt dat geldelijke inkomsten van een politieke vereniging bijdragen zijn,
ongeacht of daar de levering van een goed of dienst tegenover staat. Dat is niet anders
dan onder de huidige wet (vgl. art. 1 Wfpp). Wel heeft de regering aanleiding gezien
om inkomsten die een politieke partij in de vorm van rente of dividend ontvangt van
dit begrip uit te zonderen. Deze wijziging is met de bij deze nota naar aanleiding
van het verslag gevoegde nota van wijziging gerealiseerd.
De leden van de VVD-fractie kunnen zich vinden in de keuze van de regering om voor
personen die niet in Nederland woonachtig zijn een verbod op te leggen op het doneren
van meer dan € 250,– per jaar. Wel vragen zij zich af wat de extra administratieve
lasten hiervan zijn voor politieke partijen en waarom deze bij de politieke partijen
zelf worden belegd. Zoals eerder vermeld, bestaat onder de huidige wet een absoluut
verbod op het aannemen van bijdragen van niet-Nederlanders.90 Dit verbod leidt ertoe dat politieke partijen nu bij elke bijdrage, hoe gering ook,
moeten nagaan of deze wel afkomstig is van een Nederlander. Omdat de regering in de
Wpp niet heeft gekozen voor een absoluut verbod, verwacht zij dat de administratieve
lasten voor politieke partijen beperkter zijn dan onder de Wfpp het geval is. De grens
van meer dan € 250,– per jaar is dezelfde grens als waarboven politieke partijen worden
geacht het adres van de gever te registreren. De controle op de juistheid van de adresgegevens
kunnen politieke partijen op verschillende manieren uitvoeren, bijvoorbeeld door middel
van een bankafschrift, een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie, een
kopie van een brief van een overheidsinstantie of een rekening van een nutsvoorziening.
Deze wijze van controle acht de regering beter uitvoerbaar en minder ingrijpend dan
de thans verlangde controle op de nationaliteit van een gever ongeacht de hoogte van
diens bijdrage. Dat de administratieve lasten die met deze controles gemoeid zijn
bij de politieke partijen zelf worden neergelegd, acht de regering gerechtvaardigd.
Politieke partijen zijn er zelf voor verantwoordelijk een betrouwbare financiële administratie
te voeren teneinde de integriteit en transparantie van de organisatie te waarborgen.
Als zij daar niet of onvoldoende in slagen, dan kan de Napp vaststellen welke maatregelen
de partij heeft ondernomen om het ingezetenschap van de gever te verifiëren, bij te
sturen en zo nodig te sanctioneren.
De leden van de VVD-fractie vragen welk geldbedrag ingezetenen zonder de Nederlandse
nationaliteit aan een politieke partij mogen doneren en of de regering verwacht dat
een politieke partij bij iedere bijdrage boven de € 250,– de nationaliteit van de
gever verifieert. Het voorliggende wetsontwerp verplicht politieke partijen om, wanneer
zij bijdragen van een persoon ontvangen van in totaal meer dan € 250,–, na te gaan
of de gever woonachtig is in Nederland of de Nederlandse nationaliteit bezit. Bijdragen
van Nederlanders en andere personen die in Nederland woonachtig zijn, zijn dus toegestaan
en worden op eenzelfde manier behandeld. Er worden geen beperkingen gesteld ten aanzien
van het aantal bijdragen dat een persoon aan een politieke partij mag doen. Er geldt
wel een bijdragenmaximum. Een landelijke politieke partij en haar neveninstellingen
mogen in een kalenderjaar gezamenlijk van een persoon in totaal niet meer dan € 100.000,–
aanvaarden.91 Zoals hierboven al is aangegeven zal een politieke partij, wanneer zij in een kalenderjaar
in totaal meer dan € 250,– van een gever ontvangt moeten nagaan of deze gever in Nederland
woonachtig is dan wel de Nederlandse nationaliteit bezit.92 Volgt uit deze controle dat zij de bijdrage mag aanvaarden, dan kan zij uiteraard
een in hetzelfde kalenderjaar ontvangen nieuwe bijdrage vanaf hetzelfde bankrekeningnummer
(IBAN) aannemen zonder deze controle te moeten herhalen.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering toe te lichten waarom zij heeft besloten
dat politieke partijen in campagnetijd bijdragen met een cumulatieve waarde van meer
dan € 10.000,– binnen één werkdag na ontvangst moeten melden. De leden van de VVD-fractie
wijzen erop dat enkele partijen juist hebben aangegeven hiervoor méér tijd nodig te
hebben dan de huidige drie werkdagen. De regering is zich ervan bewust dat de meldplicht
een grote impact heeft op de administratieve lasten van politieke partijen. Uit de
praktijk en de consultatiereacties blijkt dat het voor politieke partijen lastig en
soms zelfs onmogelijk is om aan de huidige termijn te voldoen. Om een structurele
hoge uitvoeringslast te voorkomen heeft de regering in het voorliggende wetsontwerp
voorgesteld de reguliere termijn te verruimen naar tien werkdagen. Dit neemt niet
weg dat de meldplicht, met name in aanloop naar een verkiezing, een grote maatschappelijke
waarde heeft. Om deze reden wil de regering de termijn in de laatste drie weken tot
de dag van de stemming aanscherpen tot één werkdag.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering welke waarde wordt gehecht aan de verkorte
termijn en waarom er niet voor is gekozen om deze termijn in te laten gaan in de laatste
dagen voorafgaand aan de verkiezing. De regering hecht extra waarde aan het verschaffen
van een zo actueel mogelijk beeld van de financiering van politieke partijen in de
verkiezingsperiode. Deze transparantie draagt bij aan de betrouwbaarheid van het volledige
verkiezingsproces. De regering kiest bewust niet voor de hele periode vanaf het indienen
van de kandidatenlijst tot en met de dag van de stemming om te voorkomen dat politieke
partijen te zwaar worden belast. De regering heeft hiermee gepoogd tegemoet te komen
aan de zorgen van politieke partijen in de praktijk. Tegelijkertijd heeft zij ook
niet al te zeer willen afwijken van de wens van de Tweede Kamer om substantiële bijdragen
eerder openbaar te maken, zoals blijkt uit het aannemen van het hiertoe strekkende
amendement van de leden Leijten en Arib bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp.93
De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt nagegaan of de bijdragen die kandidaten
privé ontvangen niet ten behoeve van de campagne worden besteed. De regels ten aanzien
van kandidaten zijn geïntroduceerd om het risico op oneigenlijke financiële beïnvloeding
van individuele kandidaten te verkleinen. De regering acht de kans klein dat een privébijdrage,
zoals een erfenis of een schenking van een familielid, is gegeven met het doel de
verkiezingscampagne van de kandidaat te beïnvloeden. Het is evenwel aan de kandidaat
om af te wegen met welk doel een bijdrage is gegeven. Voor de toezichthouder is een
volledige controle op de juistheid van de opgegeven bijdragen van kandidaten vrijwel
onmogelijk. Dit kan alleen wanneer de Napp toegang krijgt tot de bankrekeningen van
kandidaten en zelfs dan zou de regelgeving niet waterdicht zijn. Het valt immers niet
te controleren of de kandidaten het vermogen op een andere manier hebben verkregen,
bijvoorbeeld via een eigen onderneming of in natura. In het thans in uw Kamer voorliggende
voorstel heeft de regering gepoogd een balans te vinden tussen het belang van een
transparant en integer stelsel enerzijds en het belang van privacy van de kandidaat
en het voorkomen van onredelijke regeldruk anderzijds.
D66
Het is de leden van de D66-fractie opgevallen dat met het verbod op bijdragen van
niet-ingezetenen nog steeds een verschil wordt gemaakt tussen EU-burgers en personen
met de Nederlandse nationaliteit. Zij vragen zich af hoe deze situatie anders is dan
in een situatie van een totaalverbod en daarmee niet in strijd is met het Unierecht.
In het onderhavige wetsvoorstel wordt inderdaad onderscheid gemaakt tussen EU-burgers
die zich in Nederland bevinden en EU-burgers die zich buiten Nederland bevinden. Dit
onderscheid is gerechtvaardigd. Op grond van artikel 39, eerste lid, van het Verdrag
betreffende de Europese Unie dienen alle EU-burgers die in Nederland verblijven het
passief en actief kiesrecht te hebben voor de verkiezingen van het Europees Parlement
onder dezelfde voorwaarden als Nederlanders. Artikel 40 van dit verdrag bevat een
vergelijkbare bepaling ten aanzien van gemeenteraadsverkiezingen. Een soortgelijke
verplichting bestaat niet ten aanzien van EU-burgers die zich buiten Nederland bevinden.
Bovendien is het belang van EU-burgers om aan het Nederlandse democratische proces
te kunnen deelnemen dan wel daarop invloed te kunnen uitoefenen voor personen die
daadwerkelijk in Nederland verblijven, of de Nederlandse nationaliteit hebben, groter
dan voor hen die dat niet doen.
De leden van de D66-fractie uiten hun zorgen over het verbod op het aanwijzen van
organisaties met andere rechtsvormen dan verenigingen of stichtingen, zoals een besloten
vennootschap (BV), als neveninstelling van een politieke partij en het grijze gebied
wanneer kandidaten of Kamerleden zelf eigenaar zijn van een BV. De regering begrijpt
deze zorg, maar wijst erop dat juist het feit dat een besloten BV niet aangewezen
kan worden als neveninstelling ervoor zorgt dat bijdragen van een BV aan een politieke
partij of neveninstelling onder de transparantieverplichtingen van de Wpp vallen.
Voor een dergelijke bijdrage geldt immers de meldplicht en het bijdragenmaximum. Bij
bijdragen van neveninstellingen aan een politieke partij kan registratie volgens het
wetsvoorstel achterwege blijven. Dit maakt dat wanneer een BV aangewezen kan worden
als neveninstelling dit in feite de transparantie verlaagt in plaats van verhoogt.
De leden van de D66-fractie vragen zich af op welke wijze de bevindingen van de door
lid Sneller aangevraagde «red-team-test» zijn verwerkt in het voorliggende wetsvoorstel.
Een van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in de Evaluatiewet Wfpp als gevolg van
het uitgevoerde onderzoek naar mogelijke ontwijkingsroutes, is dat uitsluitend verenigingen
of stichtingen als een neveninstelling dergelijke activiteiten of werkzaamheden kunnen
verrichten. Een ander voorbeeld is het verbod op het aannemen van anonieme bijdragen.
SP
Politieke partijen moeten in hun financieel verslag onder andere een overzicht opnemen
van de bijdragen die zij in een kalenderjaar hebben ontvangen.94 Het betreft bijdragen met een cumulatieve waarde van meer dan € 1.000,– per gever.
Dit is de zogenoemde openbaarmakingsplicht van gevers. De leden van de SP-fractie
vragen hoe wordt voorkomen dat gevers de openbaarmakingsplicht omzeilen door, in plaats
van één bijdrage van meer dan € 1.000,–, meerdere kleine(re) bijdragen te schenken.
In de Wpp wordt dit voorkomen door het politieke partijen niet langer toe te staan
anonieme bijdragen aan te nemen.95 Van elke aanvaarde bijdrage moeten politieke partijen voortaan ten minste de naam
van de gever, het geldbedrag en de datum van ontvangst registreren.96 Zo wordt voorkomen dat de voornoemde openbaarmakingsplicht kan worden omzeild door
het geven van meerdere kleine bijdragen. Immers, elke bijdrage die een politieke partij
van een gever ontvangt, telt mee bij het bepalen of de grens van de openbaarmakingsplicht
is overschreden. Om de administratieve lasten voor politieke partijen zo beperkt mogelijk
te houden, hoeft het adres van de gever, zijnde een natuurlijk persoon, pas bij bijdragen
van meer dan € 250,– te worden opgevraagd.97 Voor bijdragen van een rechtspersoon geldt deze verplichting ongeacht de hoogte van
de bijdrage.98
Op de vraag van de leden van de SP-fractie of het klopt dat een bijdrage van boven
de € 100.000,– mogelijk is door verschillende gevers een deel van de bijdrage te doen
schenken, antwoordt de regering bevestigend. Politieke partijen, neveninstellingen
en kandidaten mogen, alleen of gezamenlijk, per jaar geen bijdragen van meer dan € 100.000,–
van één gever aannemen. Een gever kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon
zijn. Omdat een rechtspersoon in het vermogensrecht gelijk staat aan een natuurlijk
persoon, mogen zij onder dezelfde voorwaarden doneren aan een politieke partij. Dit
leidt ertoe dat het in de praktijk mogelijk is dat een persoon zowel als natuurlijk
persoon en als belanghebbende van een rechtspersoon een maximumbijdrage aan een partij
doneert. Om dit te voorkomen, ziet de regering vooralsnog geen andere oplossing dan
het volledig verbieden van bijdragen van rechtspersonen. Aangezien een hiertoe strekkend
amendement van het lid-Leijten99 recent geen meerderheid vond, heeft de regering ervoor gekozen de huidige regelgeving
in stand te houden.
De leden van de SP-fractie vragen waarom de regering met het wetsvoorstel Wpp geen
regels invoert die tegengaan dat één gever meer dan € 100.000,– kan doneren door het
te spreiden over meerdere politieke partijen. Ook vragen zij zich af waarom de regering
de verantwoordelijkheid niet bij de gever zelf legt. Doel van het bijdragenmaximum
is om te voorkomen dat een politieke partij een substantieel deel van haar inkomen
verkrijgt van één gever. De regering blijft van mening dat de door de leden van de
SP-fractie voorgestelde controle onuitvoerbaar is voor politieke partijen. Het ligt
volgens de regering ook niet in de rede om deze verantwoordelijkheid bij de gever
zelf te leggen, aangezien dit niet past bij de huidige systematiek van de wet. De
regering is bovendien van mening dat het personen vrij moet staan om verschillende
politieke partijen financieel te ondersteunen. Zij kan zich voorstellen dat personen
niet zozeer aan één politieke partij, maar aan een politieke stroming in den brede
willen bijdragen, zoals het liberalisme of het ecologisme. In dat geval kan een persoon
in het Nederlandse meerpartijenstelsel kiezen uit een meervoud van politieke partijen.
Dit is toegestaan, zolang de financiële bijdrage de € 100.000,– per jaar per partij
niet overschrijdt.
CDA
De leden van de CDA-fractie vragen of is overwogen een gefaseerde inwerkingtreding
te hanteren zodat politieke partijen voldoende tijd krijgen om hun interne organisatie
in lijn te brengen met de nieuwe eisen. De regering onderkent dat het van belang is
dat politieke partijen op het moment van de inwerkingtreding voldoende zijn geëquipeerd
om de nieuwe regels na te leven. Aangezien de financieringsregels uit de Wfpp vrijwel
integraal zijn overgenomen en de regels omtrent de interne organisatie uitsluitend
transparantievereisten betreffen, verwacht de regering dat politieke partijen in staat
zijn zich relatief snel aan te passen aan de nieuwe regels. Om ervoor te zorgen dat
politieke partijen tijdig zijn toegerust om aan de nieuwe vereisten te voldoen, zet
de regering in op uitgebreide informatievoorziening en ondersteuning voorafgaand aan
de inwerkingtreding. Ook kan de regering zich voorstellen dat de nieuwe toezichthouder
een zekere coulance zal betrachten in de opstartfase.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Napp gaat toezien op de naleving van de
regels en hoe hierbij wordt geborgd dat het toezicht proportioneel en ondersteunend
is. Met de inwerkingtreding van de Wpp wordt het toezicht op politieke partijen verschoven
van de Minister van BZK naar de Nederlandse autoriteit politieke partijen, kortweg
de Napp. De toezichthoudende werkzaamheden van de Napp komen grotendeels overeen met
de huidige toezichthoudende werkzaamheden van de Minister. De Napp verstrekt subsidie
aan politieke partijen, controleert aan de hand van de verantwoording of politieke
partijen aan de wettelijke voorschriften hebben voldaan en maakt de verantwoordingsdocumenten
openbaar. De regels zoals deze in de wet zijn vastgelegd, vormen daarbij het uitgangspunt.
Hoewel de Napp als onafhankelijk toezichthouder op de door hemzelf gekozen wijze invulling
zal geven aan zijn rol, is hij als zelfstandig bestuursorgaan bij de uitoefening van
zijn taken en bevoegdheden wel gebonden aan de geschreven en ongeschreven algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel.100 Maatregelen van de Napp zullen zijn afgestemd op het risico en de ernst van de situatie.
Bij een geconstateerde onrechtmatige situatie zal de nadruk veeleer liggen op het
herstel van de onrechtmatigheid dan op bestraffing, zoals dit onder het toezichtregime
van de Minister ook het geval is. De Napp zal zich bovendien niet alleen richten op
het controleren, maar ook op het ondersteunen van politieke partijen, onder andere
door voorlichting te geven. De eerdergenoemde ex ante uitvoeringstoets geeft meer
inzicht in de overgang van het toezicht naar de Napp. Bij de uitwerking zijn politieke
partijen en andere stakeholders uitvoerig geconsulteerd.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe wordt geborgd dat niet onbedoeld sprake
is van een neveninstelling die aan de partij wordt toegerekend, terwijl de partij
daar geen zeggenschap over heeft. De regering gaat ervan uit dat een rechtspersoon
die uitsluitend of in hoofdzaak activiteiten verricht ten bate van een politieke partij
door deze partij wordt aangewezen als neveninstelling. Wanneer een partij dit heeft
nagelaten, kan de Napp de rechtspersoon ambtshalve als neveninstelling aanwijzen.101 Conform artikel 122 zal de Napp een politieke partij in de gelegenheid stellen om
te worden gehoord, alvorens zij tot dit besluit over gaat. Tegen een dergelijk besluit
is bovendien bezwaar en beroep mogelijk. Of een partij wel of geen directe of indirecte
zeggenschap heeft over deze rechtspersoon is voor de aanwijzing niet relevant. Deze
regelgeving is immers bedoeld om eventuele beïnvloeding van het beleid van politieke
partijen door neveninstellingen zichtbaar te maken en te voorkomen.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre het wetsvoorstel politieke partijen
handvatten verschaft om bijdragen in natura te waarderen en daarvan melding te maken
in hun financiële verslaglegging. Een bijdrage in natura wordt als zodanig aangemerkt
wanneer sprake is van een zaak of dienst, op verzoek van een politieke vereniging
aan haar geleverd dan wel door deze aanvaard, waar geen of geen evenredige tegenprestatie
tegenover staat.102 Activiteiten of werkzaamheden van leden van de politieke partij zijn daarvan uitgezonderd.103 Er worden in het voorliggende wetsvoorstel geen nadere regels gesteld over het registreren
van bijdragen in natura. Zij worden op dezelfde wijze geregistreerd als financiële
bijdragen. Dit betekent dat een politieke partij bij het aannemen van een bijdrage
in natura de naam en het adres van de gever registreert, evenals de waarde van de
bijdrage en de datum. Om de waarde van de bijdrage te bepalen, moet worden uitgegaan
van de in het economisch verkeer gebruikelijke waarde van goederen of diensten. Als
een zaal waar normaal gesproken € 400,– voor moet worden betaald, aan een partij voor
€ 100,– ter beschikking wordt gesteld, dan bedraagt de bijdrage in natura € 300,–.
Wordt de zaal gratis ter beschikking gesteld, dan bedraagt de bijdrage € 400,–. Voor
de datum hanteert de partij het moment waarop de bijdrage daadwerkelijk is ontvangen.
Dat is dus – in het voorbeeld van de zaal die ter beschikking wordt gesteld – de datum
waarop gebruik is gemaakt van de zaal. Bedraagt de bijdrage in natura meer dan € 10.000,–,
dan moet de partij de bijdrage binnen tien werkdagen (of één werkdag in de verkiezingsperiode)
na ontvangst melden bij de toezichthouder als substantiële bijdrage.
De leden vragen daarnaast of de regering het risico onderkent dat strengere regels
kunnen leiden tot een afname van kleine bijdragen van burgers aan politieke partijen.
Zij vragen of wordt overwogen om drempelbedragen, afschermopties of uitzonderingen
in te bouwen, zodat burgers minder worden gehinderd door administratieve drempels
en zich evenmin bezorgd hoeven te maken dat openbaar wordt dat zij een bijdrage hebben
geschonken aan een politieke partij. Met de leden van de CDA-fractie is de regering
zich ervan bewust dat als bureaucratisch ervaren verplichtingen voor burgers een drempel
kunnen vormen om een bijdrage te schenken aan een politieke partij. Ook voor de ontvangende
partij kunnen administratieve lasten het aannemen van kleine bijdragen onaantrekkelijk
maken. Een burger die een kleine bijdrage doet aan een politieke partij, vormt geen
risico. Daarom is in het wetsontwerp een drempel opgenomen. Ontvangt een politieke
partij in een kalenderjaar een bedrag tot € 250,– van een burger, dan hoeft zij deze
burger enkel te vragen om de naam104; daarboven gelden alle transparantieverplichtingen. Dit drempelbedrag is niet willekeurig
gekozen. Het is overgenomen uit de Wfpp. De daarin opgenomen drempelbedragen zijn
door het aannemen van amendementen van de leden Ellian105 en Leijten106 op de Evaluatiewet Wfpp betrekkelijk recent verlaagd en de regering heeft bij deze
drempelbedragen aansluiting gezocht. De administratieve lasten voor burgers nemen
dus niet toe.
Van een burger die in een kalenderjaar meer dan € 1.000,– als bijdrage aan een politieke
partij verleent, wordt de bijdrage opgenomen in het overzicht van bijdragen.107 Voor bijdragen aan decentrale politieke partijen geldt dat bijdragen vanaf € 250,–
worden opgenomen het overzicht van bijdragen.108 Van deze overzichten worden de volgende gegevens uiteindelijk openbaar gemaakt:109 de achternaam van de gever, de woonplaats van de gever, de hoogte van de bijdrage
en – als er sprake is van een cumulatieve bijdrage – de afzonderlijke bijdragen en
data van ontvangst.
De regering kan zich voorstellen dat sommige burgers wegens de aangescherpte openbaarmakingsverplichtingen
– tot 1 januari 2023 bevatte het overzicht van bijdragen uitsluitend bijdragen die
het bedrag van € 4.500,– te boven gingen110 – en het veranderde politieke klimaat terughoudender zijn geworden met het geven
van grotere bijdragen aan politieke partijen. Anderzijds zijn de gegevens die openbaar
worden gemaakt zeer beperkt.
Ook ten aanzien van de drempel om een bijdrage op te nemen in het overzicht van bijdragen
bij het financieel jaarverslag van een politieke partij, heeft de regering niet willen
afwijken van de recent door uw Kamer verlaagde drempelbedragen.111 Dit neemt niet weg dat de regering passende maatregelen heeft getroffen om de privacy
en veiligheid van gevers te beschermen. Zo wordt zoals eerder vermeld van het adres
van een natuurlijk persoon of belanghebbende uitsluitend de woonplaats openbaar gemaakt.
Daarnaast kan de Napp, gelet op de veiligheid van die persoon of belanghebbende op
verzoek gemotiveerd besluiten om alle gegevens van een gever af te schermen.112 Tot slot regelt de regering bij nota van wijziging dat ook van rechtspersonen niet
langer het vestigingsadres openbaar wordt gemaakt maar uitsluitend de vestigingsplaats.
Op deze manier wordt voorkomen dat, wanneer het adres van een rechtspersoon en een
uiteindelijk belanghebbende gelijk zijn, het privéadres van een persoon indirect openbaar
wordt gemaakt.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij toezicht op bijdragenstromen wordt omgegaan
met indirecte bijdragen via derden of via niet-officiële routes. Zij vragen in hoeverre
dit toetsbaar en controleerbaar is, zonder disproportionele lasten op partijen te
leggen. De regering is het met de leden van de CDA-fractie eens dat er denkbare omzeilingsroutes
via derden bestaan. Het is echter niet mogelijk om alle omzeilingsroutes met wet-
en regelgeving te dichten. Er dient altijd een afweging gemaakt te worden tussen de
ernst van een mogelijk risico, de controleerbaarheid van de voorgestelde maatregel
en de administratieve lasten die met een voorgestelde maatregel gepaard gaan. Het
is eigenlijk niet mogelijk om giften aan politieke partijen mogelijk te maken en tegelijkertijd
alle omzeilingsroutes via derden af te sluiten.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de continuïteit van toezicht en regelgeving
wordt gewaarborgd bij de overgang van de bestaande regelgeving naar de Wpp. De regering
realiseert zich dat een zekere mate van continuïteit van groot belang is. Om deze
reden wordt, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wpp, een projectorganisatie
opgestart om de overgang van het toezicht van de Minister van BZK naar de Napp goed
te laten verlopen. Ook is er een ex ante uitvoeringstoets uitgevoerd om inzicht te
geven in de verwachte werking van de regels en de gevolgen voor het toezicht door
de Napp. Deze is reeds aan uw Kamer aangeboden.
Op de vraag van de leden van de CDA-fractie of het mogelijk is dat bijdragen via digitale
platforms onder het bijdragenregimevallen, antwoordt de regering bevestigend. Hierop
zijn dezelfde regels van toepassing als wanneer gebruik wordt gemaakt van een zogenaamde
donatiezuil. Op de juridische consequenties van het gebruik van een donatiezuil is
uitgebreid ingegaan in paragraaf 5.4.2 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.
De regering benadrukt voorts nog dat alle geldelijke bijdragen, anders dan subsidie,
als bijdragen moeten worden beschouwd.
SGP
De leden van de SGP-fractie vragen op welke manieren de regering de ervaringen met
de wijzigingen van de afgelopen jaren heeft betrokken bij het ontwikkelen van het
wetsvoorstel en in hoeverre die ervaringen hebben geleid tot aanpassingen. De regering
is van mening dat met de totstandkoming van de Evaluatiewet Wfpp recent een balans
is gevonden tussen het belang van toezicht en financiering enerzijds en de regeldruk
en administratieve lasten voor politieke partijen anderzijds. Om deze reden zijn de
financieringsregels uit de Wfpp vrijwel integraal overgenomen in het voorliggende
wetsvoorstel. Er zijn echter enkele wijzigingen doorgevoerd om recht te doen aan de
zorgen van politieke partijen met betrekking tot de uitvoerbaarheid. Een van de wijzigingen
betreft de termijn waarin een meldplicht geldt voor substantiële bijdragen, buiten
verkiezingstijd wordt deze verruimd van drie dagen naar tien werkdagen.
De leden van de SGP-fractie stellen dat door de beperking van de mogelijkheid van
politieke partijen om bijdragen aan te nemen, politieke partijen afhankelijker worden
van overheidsfinanciering. Zij wijzen erop dat dit voor een zekere spanning zorgt,
omdat de onafhankelijkheid van partijen ten opzichte van de overheid volgens hen juist
van essentieel belang is. De regering onderkent dit belang. Ook zij vindt het belangrijk
dat politieke partijen niet enkel gefinancierd worden door overheidssubsidie, maar
ook andere inkomsten hebben. Maar anders dan de aan het woord zijnde leden, denkt
de regering niet dat de regels die voortkomen uit de Wpp over het aannemen van bijdragen
de aantrekkelijkheid van het doneren aan politieke partijen te zeer onder druk zet.
De regering benadrukt dat transparantie altijd een belangrijk uitgangspunt is geweest
van de regelgeving over partijfinanciering.113 Door de herkomst van bijdragen inzichtelijk te maken, kunnen derden ook inzien hoe
partijen mogelijk worden beïnvloed en hier vragen over stellen. Zo waarborgen transparantievereisten
juist dat het onafhankelijk functioneren van politieke partijen wordt gecontroleerd.
Omdat uit een bijdrage aan een politieke partij de politieke opvattingen van de gever
(kunnen) blijken, heeft de regering passende maatregelen getroffen om diens privacy
te beschermen. Zo wordt van het adres van een natuurlijk persoon of belanghebbende
uitsluitend de woonplaats openbaar gemaakt.
De regering regelt tevens bij nota van wijziging dat van een rechtspersoon op grond
van de Wpp, in plaats van het vestigingsadres, uitsluitend nog de vestigingsplaats
openbaar zal worden gemaakt. Op deze manier wordt voorkomen dat, wanneer het adres
van een rechtspersoon en uiteindelijk belanghebbende (UBO) gelijk zijn, het privéadres
van een persoon indirect wordt geopenbaard.
De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de hoogte van het basisbedrag
voor politieke jongerenorganisaties. De politieke jongerenorganisaties kunnen sinds
1976 aanspraak maken op financiële ondersteuning van de overheid. In de daaropvolgende
decennia is het bedrag aan overheidssubsidie gestaag toegenomen. Naar aanleiding van
de motie-Jetten c.s. is het budget voor politieke partijen met de Evaluatiewet Wfpp
opnieuw verhoogd.114 Een gedeelte van deze middelen is met het amendement-Van der Graaf en Arib115 met ingang van 2024 geoormerkt voor de politiek-wetenschappelijke instituten en de
politieke jongerenorganisaties van politieke partijen. De regering beschikt over onvoldoende
informatie om te kunnen vaststellen of het huidige budget voor politieke jongerenorganisaties
toereikend is. De regering benadrukt evenwel dat de overheidssubsidie ook niet is
bedoeld toereikend te zijn om alle kosten van een politieke partij te dekken. Net
als de leden van de SGP-fractie vindt de regering het immers belangrijk dat politieke
partijen niet volledig afhankelijk worden van overheidssubsidie. Het staat de politieke
partij vrij om hun jongerenorganisatie met eigen middelen of een deel van de basissubsidie
desgewenst een extra impuls te geven. Een verdere verhoging van de subsidie voor politieke
jongerenorganisaties is niet mogelijk zonder structureel meer geld te vinden op de
begroting. Dit wetsvoorstel voorziet daar niet in.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de huidige regeling gelet op het afgenomen
belang van het ledental voor de hoogte van de subsidie voor politieke jongerenorganisaties
zich verhoudt tot de wettelijke opdracht voor deze organisaties om de politieke participatie
van jongeren te bevorderen. Met de Evaluatiewet Wfpp heeft de regering ervoor gekozen
de verdelingssystematiek voor de subsidie voor jongerenorganisaties gelijk te trekken
met de verdelingssystematiek voor de subsidie voor de moederpartij, aangezien de organisatievorm
en taakstelling van deze organisaties tot op zekere hoogte in het verlengde liggen
van die van politieke partijen. Gelet op de mobilisatiefunctie van jongerenorganisaties
acht de regering het belang van het ledental voor de subsidie uitlegbaar. Dit neemt
niet weg dat jongerenorganisaties ook andere functies vervullen. Denk aan de scholing
en vorming van toekomstig politiek talent en het articuleren en aggregeren van de
belangen van jongeren in de politiek. Daarom ontvangen jongerenorganisaties naast
subsidie gebaseerd op het aantal leden ook een basisbedrag en een bedrag op basis
van het aantal zetels van de moederpartij.
De leden van de SGP-fractie vragen welke inspanningen de regering heeft verricht en
welke verruimingen er komen voor politieke partijen om de wettelijk voorgeschreven
gegevens daadwerkelijk met acceptabele werkbelasting te kunnen leveren. Ook vragen
zij of de toegang van politieke partijen tot het UBO-register met het oog hierop wordt
verbeterd. De regering is zich bewust van de aanzienlijke impact van de huidige regelgeving
op de werkbelasting van partijorganisaties. De regering heeft het daarom noodzakelijk
geacht om de administratieve lasten in het voorliggende wetsontwerp, waar mogelijk,
te verlichten. Zo is de meldplicht voor substantiële bijdragen buiten verkiezingstijd
verruimd van drie dagen naar tien werkdagen. Ook is de definitie van schulden aangepast
zodat de registratie van kortlopende schulden niet langer is vereist. De regering
is zich er tevens van bewust dat de huidige beperkte toegang tot het UBO-register
de correcte registratie van bijdragen van rechtspersonen door politieke partijen kan
bemoeilijken. Met de Wijzigingswet beperking toegang UBO-registers is het UBO-register
beperkt toegankelijk gemaakt voor een aantal groepen.116 Een van deze groepen betreft personen en rechtspersonen met een legitiem belang.
Politieke partijen hebben een legitiem belang op het moment dat zij waarschijnlijk
een zakelijke transactie zullen aangaan met een partij. Het ontvangen van een gift
wordt in dit kader ook gezien als het aangaan van een zakelijke transactie. Politieke
partijen kunnen dan toegang krijgen tot de UBO-registratie van die partij. Dit is
uitgewerkt in het op 2 april 2026 aan uw kamer aangeboden ontwerpwijzigingsbesluit
toegang UBO-registers voor natuurlijke personen en rechtspersonen met een legitiem
belang.117 Op het moment van schrijven ligt dit ontwerpwijzigingsbesluit bij de Raad van State
voor advisering. Op dit moment kunnen politieke partijen de UBO-gegevens controleren
door de gever te vragen een KvK-uittreksel bij te voegen en de adresgegevens van de
uiteindelijk belanghebbende na te zenden. Bij een volgende bijdrage in hetzelfde kalenderjaar
van dezelfde gever volstaat de vraag of de eerder verstrekte gegevens nog steeds actueel
zijn. Bij nota van wijziging is dit in het voorstel van wet verduidelijkt.118
Op de vraag of een legaat als een bijdrage moet worden verstaan in het voorliggende
wetsvoorstel, antwoordt de regering bevestigend. Een bijdrage betreft alle geldelijke
bijdragen, anders dan dividend, rente of subsidie, of bijdragen in natura. Dit betekent
dat ook het bijdragenmaximum van € 100.000,– van toepassing is op een legaat. De regering
ziet vooralsnog geen reden om het legaat uit te zonderen. Zij verwijst hiervoor naar
de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp, toen een soortgelijk voorstel van het lid
Teunissen geen meerderheid heeft gevonden in de Tweede Kamer.119 Indien een politieke partij een bijdrage van meer dan € 100.000,– ontvangt, moet
de partij het deel van de bijdrage dat de € 100.000,– te boven gaat teruggeven aan
de gever. In het geval van een legaat, kan de bijdrage worden teruggestort op de rekening
van de notaris. Indien dit niet mogelijk is, komt het bedrag toe aan de Staat. De
regering verwacht van notarissen dat zij tot op zekere hoogte bekend zijn met deze
regelgeving en dat zij in staat zijn de desbetreffende persoon voor te lichten over
de gevolgen van het nalaten aan een politieke partij. De regering ziet ook goede voorbeelden
van politieke partijen die hun leden zelf actief informeren over het nalaten aan de
partij.
ChristenUnie
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering hun zorgen omtrent afnemende
ledentallen en vergrijzing erkent en wat zij doet om dit tegen te gaan. De regering
herkent deze zorgen, maar is tegelijkertijd voorzichtig positief over de groei in
het gezamenlijke ledental van politieke partijen. Op 1 januari 2023 was het aantal
partijleden vergelijkbaar met het niveau in 1987, zij het dat zij toen verdeeld waren
over tien politieke partijen, tegenover vijftien politieke partijen nu.120 In 2024 en 2025 is het aantal partijleden opnieuw gestegen. Dit neemt niet weg dat
bij een groot aantal politieke partijen de aantallen wel degelijk dalen.121 Ook het aantal actieve leden lijkt af te nemen. Dit heeft grote organisatorische
en financiële gevolgen voor politieke partijen. De subsidiëring van politieke partijen
is in de eerste plaats bedoeld om de teruglopende contributie-inkomsten als gevolg
van de dalende ledentallen te compenseren.122 In de Kamerbrief waardevol ambt heeft de regering maatregelen aangekondigd om het
politieke ambt aantrekkelijk te houden.123 Het is voor de regering evident dat bestuurders en volksvertegenwoordigers niet goed
kunnen functioneren als zij niet kunnen rekenen op lokale partijbesturen en vrijwilligers.
Om die reden zal er ook aandacht worden besteed aan het belang van lokaal vrijwilligerswerk
voor politieke partijen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering erkent dat de financiering
van politieke partijen moet worden verhoogd gelet op de steeds beperktere financiële
speelruimte en toename van de administratieve lasten. Gelet op het publieke belang
van politieke partijen komen zij sinds de vorige eeuw in aanmerking voor overheidssubsidie.
Dit begon met de subsidiëring van enkele van hun neveninstellingen en na verloop van
tijd konden ook politieke partijen in aanmerking komen voor subsidie.124 Sindsdien is het aandeel van de overheidssubsidie in de totale inkomsten van politieke
partijen gestaag toegenomen.125 Met de Evaluatiewet Wfpp is het budget van politieke partijen recent aanzienlijk
verhoogd.126 Omdat het budget per 2025 voor een deel zou aflopen, heeft de regering bovendien
besloten de middelen voor politieke partijen structureel te verhogen. De regering
acht een verdere verhoging van de overheidssubsidie aan politieke partijen niet opportuun.
Met het voorliggende wetsvoorstel stelt de regering opnieuw extra budget beschikbaar
voor politieke partijen, namelijk € 8,15 miljoen voor de financiering van decentrale
politieke partijen en afdelingen. Ten slotte benadrukt de regering dat de overheidssubsidie
niet is bedoeld om alle inkomsten van politieke partijen te dekken. De regering vindt
het immers van belang dat zij ook inkomsten uit andere bron hebben, zoals de ledencontributie.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke wijze de financiering
van politieke partijen zich verhoudt tot Europese landen om ons heen. Op de vraag
of het klopt dat Nederland onderaan de Europese lijstjes bungelt, antwoordt de regering
ontkennend. Een internationaal onderzoek van Follow the Money laat zien dat politieke
partijen in Spanje en Duitsland veruit de meeste subsidie ontvangen. Nederland staat
op plek 15 van de in totaal 25 onderzochte EU-landen. Wat echter opvalt, is dat het
percentage van de inkomsten van politieke partijen dat afkomstig is uit subsidie in
Nederland ongeveer gelijk is aan Duitsland (35 procent). In België ligt het percentage
een stuk hoger (75 procent).127 Dit verschil is verklaarbaar, aangezien België een streng bijdragenregime kent. Hierdoor
zijn Belgische politieke partijen zeer gebonden aan de subsidie van de overheid. Gelet
op de onafhankelijke positie van politieke partijen vindt de regering een dergelijke
mate van afhankelijkheid onwenselijk.
De leden vragen de regering nader uiteen te zetten op welke wijze de ledentallen in
de huidige en in de nieuwe situatie gecontroleerd worden. Ook vragen zij of de regering
de conclusie deelt dat enkel een accountantscontrole onvoldoende is om het aantal
leden te onderbouwen. Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie is de accountant
verantwoordelijk voor het vaststellen van de juistheid van het ledental van een politieke
partij. Hiertoe verricht de accountant een aantal minimale werkzaamheden, zoals vastgelegd
in het accountantsprotocol dat geldig is voor de Wfpp.128 Dit houdt in dat de accountant nagaat of het ledental correspondeert met de ledenadministratie
en of de contributies in de financiële administratie verantwoord zijn. Daartoe voert
de accountant detailcontroles uit op de juistheid van de administratie door vast te
stellen of er sprake is van een feitelijke inschrijving en of het lid de minimale
contributie van € 12,– (€ 5,– in het geval van een jongerenorganisatie) heeft betaald.
De regering gaat in dat opzicht uit van de deskundigheid en onafhankelijkheid van
accountant.
In navolging van de leden van de ChristenUnie-fractie acht de regering het noodzakelijk
dat de subsidie op basis van een correcte ledenadministratie wordt verstrekt. De regering
hecht veel waarde aan de maatschappelijke verankering van politieke partijen. Om deze
reden is een deel van de subsidie afhankelijk van het ledental van een politieke partij.
Wanneer bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat een accountant het opgegeven
ledental niet of niet volledig kan vaststellen, wordt het reeds ontvangen voorschotbedrag
gedeeltelijk of volledig teruggevorderd. De regering is derhalve van mening dat adequaat
wordt opgetreden in dergelijke situaties.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de regering het van belang acht
dat politieke partijen ledenorganisaties zijn die een brede basis in de samenleving
hebben terwijl die ledenbasis tegelijkertijd niet wordt voorgeschreven. Deze leden
zijn benieuwd hoe de regering een ledenverplichting zou beoordelen en op welke wijze
dit uitvoerbaar zou kunnen zijn. In deze nota naar aanleiding van het verslag is in
het onderdeel «interne organisatie van politieke partijen» uitgebreid ingegaan op
het vraagstuk van de ledenverplichting en de uitvoerbaarheidseisen. De regering verwijst
voor een antwoord op deze vraag naar de inleiding bij dat hoofdstuk, de eerder verzonden
Kamerbrief toezegging interne organisatie politieke partijen en de antwoorden op de
vragen van de leden van de fractie van D66 over de gevolgen die een ledenverplichting
kan hebben voor het toezicht en de handhaving.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een overzicht van de voorgestelde
wijzigingen ten opzichte van de reeds bestaande regels over de financiering van landelijke
politieke partijen. De regering verwijst daarvoor naar het eerder gegeven antwoord
op een vergelijkbare vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het klopt dat neveninstellingen
die geen subsidie ontvangen niet verplicht zijn om financiële verantwoordingsstukken
te overleggen en openbaar te maken. Dit klopt niet. Omdat neveninstellingen nauw gerelateerd
zijn aan de politieke partij, bestaat de kans dat getracht wordt het beleid van een
politieke partij te beïnvloeden via deze neveninstellingen. Om deze reden vallen alle
neveninstellingen onder de reikwijdte van de wet.129 Dit betekent dat ook de neveninstellingen die geen subsidie ontvangen verantwoording
moeten afleggen over hun financiële positie en dat deze stukken openbaar worden gemaakt.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarnaast of de regering voornemens is
wettelijke verplichtingen op te nemen over aan de partij gelieerde rechtspersonen
met een commercieel doel. Op grond van de Wet op de politieke partijen kunnen alleen
verenigingen en stichtingen worden aangewezen als neveninstelling van een politieke
vereniging. Rechtspersonen met een andere rechtsvorm, zoals naamloze vennootschappen
(NV’s) en besloten vennootschappen (BV’s), kunnen niet langer als zodanig worden aangewezen.
Dit heeft in hoofdzaak twee voordelen. Allereerst wordt hiermee voorkomen dat geld
van een commercieel bedrijf al te gemakkelijk ongezien en onopgemerkt aan een politieke
vereniging kan worden geschonken. Er is immers geen limiet gesteld aan de hoogte van
de bijdrage die een politieke vereniging van een van haar neveninstellingen mag aanvaarden.
Een politieke vereniging hoeft zelfs geen verantwoording af te leggen over de bijdragen
die zij van een of meer van haar neveninstellingen heeft aanvaard (vgl. art. 17 lid 3
en 79 lid 3 Wpp). Juist omdat de mogelijkheid om rechtspersonen als neveninstelling
aan te wijzen in de Wet op de politieke partijen wordt ingeperkt, wordt de mogelijkheid
van politieke verenigingen om via een achterdeur tóch het giftenmaximum te kunnen
ontwijken beperkt. Overigens speelt ook mee dat als een BV of NV wél zou kunnen worden
aangewezen als een neveninstelling, dit tot gevolg zou hebben dat de omzet per klant
van een commercieel bedrijf gemaximeerd zou worden tot de maximum(bijdrage) van € 100.000,–
(vgl. art. 26 lid 1 en 88 lid 1 Wpp).
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen zich af waarom de regering ervoor heeft
gekozen om de reikwijdte van de wet niet uit te breiden tot álle geldstromen die ten
behoeve van een politieke partij bestaan. Politieke partijen zijn op grond van het
voorliggende wetsvoorstel verplicht verantwoording af te leggen over de aanvaarde
bijdragen, overige inkomsten, vermogenspositie en schulden. Indien een politieke partij
subsidie heeft ontvangen, moet ook de besteding van de op basis van deze wet ontvangen
subsidie worden verantwoord. De toezichthouder maakt deze informatie vervolgens openbaar.
Deze transparantie is belangrijk omdat het (de schijn van) belangenverstrengeling
voorkomt en de rechtmatigheid van de subsidiebesteding waarborgt. Uitgaven van politieke
partijen, anders dan subsidie-uitgaven, worden niet openbaar gemaakt. Gelet op de
onafhankelijke positie van politieke partijen staat het hen vrij om de eigen middelen
naar eigen inzicht te besteden. Zodoende heeft de regering in het voorliggende wetsvoorstel
een balans gezocht tussen controle en verantwoording enerzijds en de vrijheid van
vereniging anderzijds.
Tevens vragen de leden van de ChristenUnie-fractie waarom de regering ervoor heeft
gekozen om geldstromen aan politici niet onder de reikwijdte van de wet te laten vallen.
De regering acht het in deze context noodzakelijk te benadrukken dat het wetsvoorstel
primair is gericht op politieke partijen en dat de regering, in navolging van het
advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, terughoudend moet zijn in
de regulering van Kamerleden.130 In haar voorlichting benadrukt de Afdeling het feit dat bij het houden van toezicht
op kandidaat-volksvertegenwoordigers en politieke partijen een fundamenteel andere verhouding aan de orde is
dan bij het houden van toezicht op Kamerleden en fracties. Tegen die achtergrond is
het houden van toezicht door een externe, niet door de Kamer zelf ingestelde instantie
niet mogelijk binnen de grondwettelijke kaders. Dat geldt ook voor de Napp. De ministeriële
verantwoordelijkheid voor de Napp, hoe beperkt dan ook, raakt aan de noodzakelijke
scheiding van machten tussen regering en parlement, aangezien de Minister via deze
constructie, zij het indirect, betrokken is bij het toezicht op de invulling van de
functie van een Kamerlid. Dat toezicht is, behoudens de beperkte grondwettelijke mogelijkheden,
een zaak van de Kamer zelf. Hierom heeft de regering ervoor gekozen om geldstromen
ten behoeve van politici niet onder de reikwijdte van de wet te laten vallen.
De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich zorgen over inmenging in de Nederlandse
democratie van buitenaf, bijvoorbeeld uit onvrije landen. Zij achten strikte regels
die nageleefd kunnen worden noodzakelijk om dergelijke financiering te voorkomen.
Zij vragen in hoeverre de expertise van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruikt
zijn bij de totstandkoming van voorliggend wetsvoorstel. Bij het concipiëren van het
onderhavige wetsvoorstel is geen rechtstreeks beroep gedaan op de expertise van de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wel is het onderzoek naar mogelijke sluiproutes
ten aanzien van de Wfpp betrokken bij het opstellen van het wetsvoorstel. De regering
heeft bij het vormgeven van dit voorstel steeds een afweging gemaakt tussen twee belangrijke
belangen. Enerzijds is gestreefd naar een zo laag mogelijke administratieve lastendruk
voor politieke partijen en hun gevers. Anderzijds is het van groot belang om voldoende
waarborgen in te bouwen die (buitenlandse) beïnvloeding van politieke partijen voorkomen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze politieke partijen uitvoering
moeten geven aan het verbod op bijdragen van niet-ingezetenen. De regering verwacht
dat een politieke partij bij iedere bijdrage van in totaal meer dan € 250,– controleert
of de gever ingezetene is van Nederland. Dit houdt in dat de persoon woonachtig is
in Nederland. Is dit niet het geval, dan verwacht de regering dat een politieke partij
de nationaliteit van de gever verifieert door bijvoorbeeld het opvragen van een kopie
van een identiteitsdocument (identiteitskaart of paspoort). Het BSN-nummer mag op
deze kopie onleesbaar zijn gemaakt. De regering acht een dergelijke identiteitscontrole
op zijn plaats aangezien een politieke partij wettelijk verplicht is de nationaliteit
van een gever vast te stellen. Volgt uit deze controle dat zij de bijdrage mag aanvaarden,
dan kan zij uiteraard een in hetzelfde kalenderjaar ontvangen nieuwe bijdrage vanaf
hetzelfde bankrekeningnummer (IBAN) aannemen zonder deze controle te moeten herhalen.
Op grond van artikel 9, eerste lid, Algemene verordening gegevensbescherming (AVG;
Verordening (EU) 2016/679) is het in beginsel verboden om bijzondere persoonsgegevens
te verwerken. Vanwege een zwaarwegend algemeen belang – te weten het toezicht op de
financiering van politieke partijen ter bescherming van de democratische rechtsstaat
– voorziet de Wpp in een grondslag om de verwerking van bijzondere persoonsgegevens
in dit geval toch toe te staan. Artikel 9, tweede lid, onder g, van de AVG biedt hiervoor
de juridische grondslag. Politieke partijen mogen echter alleen bijzondere persoonsgegevens
verwerken voor zover dit noodzakelijk is om de hen bij of krachtens deze wet opgedragen
verplichtingen te kunnen nakomen.
De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen erop dat politieke partijen op dit moment
geen toegang meer hebben tot het zogenoemde UBO-register. Het UBO-register is een
register van de Kamer van Koophandel, waarin wordt bijgehouden wie de uiteindelijk
belanghebbende (UBO) van een juridische entiteit is. Als een politieke partij een
bijdrage aanvaardt van een rechtspersoon, is zij op grond van artikel 22, eerste lid,
onder c, van de Wpp verplicht enkele gegevens over de uiteindelijk belanghebbende(n)
van deze rechtspersoon in haar financiële administratie vast te leggen. Het betreft
geen nieuwe verplichting; deze verplichting bestaat al onder de huidige wet.131 Aanvankelijk konden politieke partijen zélf de gegevens van de uiteindelijk belanghebbende
opvragen. Maar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie uit 2022132 heeft ertoe geleid dat het UBO-register op het moment van schrijven niet meer voor
iedereen toegankelijk is. De regering is zich ervan bewust dat dit de correcte registratie
van bijdragen door politieke partijen kan bemoeilijken. Met de Wijzigingswet beperking
toegang UBO-registers is het UBO-register beperkt toegankelijk gemaakt voor een aantal
groepen.133 Een van deze groepen betreft personen en rechtspersonen met een legitiem belang.
Politieke partijen hebben een legitiem belang op het moment dat zij waarschijnlijk
een zakelijke transactie zullen aangaan met een partij. Het ontvangen van een gift
wordt in dit kader ook gezien als het aangaan van een zakelijke transactie. Politieke
partijen kunnen dan toegang krijgen tot de UBO-registratie van die partij. Dit is
uitgewerkt in het op 2 april 2026 aan uw kamer aangeboden ontwerpwijzigingsbesluit
toegang UBO-registers voor natuurlijke personen en rechtspersonen met een legitiem
belang.134 Op het moment van schrijven ligt dit ontwerpwijzigingsbesluit bij de Raad van State
voor advisering. Op dit moment kunnen politieke partijen de UBO-gegevens controleren
door de gever te vragen een KvK-uittreksel bij te voegen en de adresgegevens van de
uiteindelijk belanghebbende na te zenden. Bij een volgende bijdrage in hetzelfde kalenderjaar
van dezelfde gever volstaat de vraag of de eerder verstrekte gegevens nog steeds actueel
zijn. Bij nota van wijziging is dit in het voorstel van wet verduidelijkt.135
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de regelgeving omtrent bijdragen
in natura. Ook vragen zij of de regering voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid
om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen aan bijdragen in natura.
De regering benadrukt dat de voorgestelde regelgeving omtrent bijdragen in natura
niet anders is dan de huidige regelgeving. Op advies van de Commissie toezicht financiën
politieke partijen heeft de regering door middel van voorbeelden in de toelichting
gepoogd te verhelderen welke zaken of diensten als bijdrage in natura moeten worden
aangemerkt. Voor bijdragen in natura gelden dezelfde verplichtingen als voor geldelijke
bijdragen. Dit betekent dat een politieke partij van elke aanvaarde bijdrage de naam
van de gever, het bedrag of de waarde van de bijdrage en de datum van ontvangst registreert.
De regering is vooralsnog niet voornemens nadere regels te stellen over bijdragen
in natura. Mocht blijken dat de beoogde verduidelijking politieke partijen nog steeds
onvoldoende handvatten geeft om de regelgeving correct na te leven, kan de regering
hiertoe alsnog besluiten.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in het kader van het verbod op bijdragen
van niet-ingezetenen of politieke partijen afgelopen jaren op adequate wijze invulling
hebben gegeven aan de verplichting conform de Wfpp. In de Wfpp is het aannemen van
bijdragen van niet-Nederlanders verboden. Het betreft een absoluut verbod. Een sluitende
controle hierop zou van politieke partijen verlangen dat zij bij elke bijdrage die
zij wensen te aanvaarden nagaan of de gever de Nederlandse nationaliteit bezit, ongeacht
de geldelijke waarde van de bijdrage. Dit zou een enorm administratieve last voor
politieke partijen hebben betekend. Daarom heeft de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties als toezichthouder in de praktijk enige coulance betracht jegens
politieke partijen ten aanzien van dit voorschrift. Hoe een politieke partij invulling
geeft aan de controle, wordt aan de partij zelf gelaten. Wel wordt verwacht van politieke
partijen dat zij een aantal minimale controlemaatregelen treffen om de legitimiteit
van een bijdrage vast te stellen. Zo verwacht de Minister dat een politieke partij
van ten minste iedere bijdrage van een persoon woonachtig in het buitenland of met
een buitenlands bankrekeningnummer de nationaliteit controleert. Er wordt van politieke
partijen dus wel enige controle verwacht om grove misstanden te voorkomen. De regering
kan geen uitspraak doen over het exacte aantal bijdragen dat door politieke partijen
is geweigerd vanwege het vermoeden dat de gever niet een Nederlandse gever was, omdat
politieke partijen hiervan geen melding hoeven te doen. Wel heeft de toezichthouder
de afgelopen jaren met verschillende politieke partijen gesproken over de omgang met
bijdragen van niet-Nederlanders. Het is meermaals voorgekomen dat een politieke partij
niet in staat was om het bedrag terug te geven aan de gever. In deze gevallen heeft
de Minister van BZK het geldbedrag namens de Staat gevorderd.
De leden vragen zich daarnaast af of de regering de voorgestelde wetswijzigingen bij
de politieke partijen heeft getoetst op uitvoerbaarheid. De regering heeft de ervaringen
die zijn opgedaan met het toezicht en de handhaving van de Wfpp betrokken bij het
opstellen van dit wetsvoorstel. Zoals eerder vermeld, bestaat onder de huidige wet
een absoluut verbod op het aannemen van bijdragen van niet-Nederlanders. De Wpp zal
een dergelijk absoluut verbod niet kennen. De verplichting om na te gaan of een bijdrage
is ontvangen van iemand die in Nederland woonachtig is of de Nederlandse nationaliteit
bezit, is pas van toepassing als een politieke partij van een gever in een jaar meer
dan € 250,– ontvangt. Deze drempel verlaagt de administratieve lasten voor politieke
partijen. Niet elke kleine gever hoeft meer gecontroleerd te worden. De grens van
€ 250,– is dezelfde grens als waarboven politieke partijen worden geacht het adres
van de gever te registreren. De controle op de juistheid van de adresgegevens bij
bijdragen vanaf € 250,– acht de regering bovendien minder ingrijpend en eenvoudiger
uit te voeren dan de controle op nationaliteit. Ook dat maakt dat de administratieve
lasten onder de Wpp lager zullen uitvallen dan bij een lettergetrouwe naleving van
de Wfpp. Artikel 39 van het voorstel zoals het in 2022 aan politieke partijen ter
consultatie is voorgelegd was qua administratieve lasten gelijk aan het huidige artikel 23a
van de Wfpp. Nadien heeft de regering haar voorstel ingrijpend aangepast om tegemoet
te komen aan Europese regelgeving, de uitvoerbaarheid van de wet te vergroten en tegelijkertijd
de administratieve lasten voor politieke partijen te verlagen. De uitvoerbaarheid
van de wettelijke voorschriften is overigens meegenomen in de ex ante uitvoeringstoets
die is uitgevoerd in voorbereiding op de oprichting van de Napp. Hierbij zijn politieke
partijen nauw betrokken.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat een niet-Nederlander
via een rechtspersoon tot € 100.000,– kan doneren aan een politieke partij. Ook vragen
zij of de regering deze mogelijkheid wenselijk acht. Een niet-Nederlander kan als
belanghebbende van een Nederlandse rechtspersoon aan een politieke partij doneren.
Om deze constructies inzichtelijk te maken zijn de transparantieregels met de Evaluatiewet
Wfpp aangescherpt en moeten politieke partijen sindsdien bij het aannemen van een
bijdrage van een rechtspersoon ook nagaan en openbaar maken wie de uiteindelijk belanghebbende
achter deze rechtspersoon is.136 Dit neemt niet weg dat het is toegestaan om dergelijke bijdragen aan te nemen. Een
rechtspersoon staat in het vermogensrecht gelijk aan een natuurlijk persoon en mag
daarom onder dezelfde voorwaarden doneren aan een politieke partij. Het verbieden
van bijdragen van rechtspersonen is bovendien geen waterdichte oplossing. Het is immers
ook denkbaar dat een niet-Nederlander een natuurlijk persoon met de Nederlandse nationaliteit
een bepaald bedrag aanbiedt met de opdracht het bedrag over te maken aan een politieke
partij. Aangezien een gever niet inzichtelijk hoeft te maken hoe hij of zij aan het
geld komt, is het voorkomen van dergelijke omzeiling vrijwel onmogelijk. De regering
acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van buitenlandse
inmenging. Tegelijkertijd hecht zij eraan politieke partijen niet overmatig administratieve
lasten op te leggen of te beperken in hun mogelijkheden om ook financiële steun vanuit
de samenleving te aanvaarden. Volgens de regering is met het thans bij uw Kamer aanhangige
wetsvoorstel een balans gevonden tussen een strikt bijdragenregime enerzijds en uitvoerbaarheid
en de vrijheid om inkomsten te hebben anderzijds. Ook politieke partijen hebben daarin
een belangrijke verantwoordelijkheid om te besluiten of zij bepaalde bijdragen wel
of niet aannemen.
4. Financiering en verplichtingen decentrale politieke partijen
GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten er waarde aan dat decentrale politieke
partijen transparant functioneren. Desalniettemin vinden zij dat de daarmee gepaard
gaande lasten proportioneel moeten zijn. Zij vragen waarom de regering ervoor heeft
gekozen de regels voor landelijke en decentrale politieke partijen gelijk te stellen.
Dat standpunt berust op een misverstand. Met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
onderkent de regering dat decentrale politieke partijen te maken hebben met een ander
speelveld dan landelijke politieke partijen. Zo zijn decentrale politieke partijen
doorgaans kleinere organisaties en liggen inkomsten van decentrale politieke partijen
gemiddeld lager. Dat vraagt om andere regels. Tegelijkertijd is het van belang dat
ook decentrale politieke partijen transparant zijn over hun bijdragen en schulden.
Om voorgenoemde redenen wijken de regels voor decentrale politieke partijen op een
aantal punten af van de regels voor landelijke politieke partijen.
Zo gelden er lagere drempelbedragen met betrekking tot het bijdragenmaximum, de meldplicht
voor substantiële bijdragen en de openbaarmaking van schulden van decentrale politieke
partijen. De regering onderschrijft de constatering van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
dat een relatief kleine bijdrage mogelijk meer invloed kan genereren op lokaal niveau
dan op landelijk niveau. De drempelbedragen zijn daarom vastgelegd op 1/5e deel van
de drempelbedragen voor landelijke partijen. Zo is het cumulatief bijdragenmaximum
vastgesteld op € 20.000,–,137 het drempelbedrag voor substantiële bijdragen op € 2.000,–138 en het drempelbedrag voor de openbaarmaking van schulden op € 5.000,–.139 Daarnaast zijn decentrale politieke partijen niet verplicht tot het indienen van
een subsidieverantwoording of het overleggen van een accountantsverklaring. Decentrale
politieke partijen ontvangen bovendien geen subsidiebedrag dat afhangt van het totaalaantal
leden. Ook is er geen minimumaantal leden vastgesteld dat een decentrale politieke
partij moet hebben om in aanmerking te kunnen komen voor subsidiëring. De regering
meent dat het niet proportioneel is om decentrale politieke partijen te vragen deze
administratieve lasten te dragen. Om nader tegemoet te komen aan de lagere administratieve
capaciteit van decentrale politieke partijen is bovendien besloten om ruimere termijnen
te hanteren voor de openbaarmaking van substantiële bijdragen. Een decentrale politieke
partij moet binnen drie weken een substantiële bijdrage van meer dan € 2.000,– openbaar
maken.140 In de 21 dagen voor verkiezingen gebeurt dit binnen vijf werkdagen.141 De voorgenoemde verschillen in regels voor decentrale politieke partijen en landelijke
politieke partijen zorgen ervoor dat de transparantieverplichtingen en subsidiëring
van decentrale politieke partijen op vergelijkbare wijze kunnen plaatsvinden als voor
landelijke politieke partijen, met daarbij oog voor de capaciteit van decentrale politieke
partijen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat subsidie voor decentrale
politieke partijen eerlijk moet worden verdeeld en moet leiden tot een versterking
van de democratie op decentraal niveau. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen
naar de wijze waarop de subsidieregeling voor decentrale politieke partijen wordt
vormgegeven. De regering onderschrijft het belang van een eerlijke verdeling van de
subsidie voor decentrale politieke partijen en heeft ervoor gekozen om de subsidiëring
op vergelijkbare wijze in te richten als reeds wordt gehanteerd bij de vergoeding
voor de werkzaamheden van decentrale publieke ambtsdragers. Voor de subsidie van decentrale
politieke partijen in gemeenten geldt een verdeelsystematiek die is gebaseerd op het
aantal inwoners van de gemeente, waarbij een vaste vergoeding geldt per zetel per
jaar.142 Zo bedraagt de subsidie voor een decentrale politieke partij per zetel per jaar in
een gemeente met minder dan 40.000 inwoners € 658,–. Opereert de decentrale politieke
partij in een gemeente met meer dan 375.000 inwoners, dan bedraagt de subsidie per
zetel per jaar € 1.613,–. Het inwonertal per gemeente van 1 januari van het jaar van
de laatstgehouden gemeenteraadsverkiezing is hierbij leidend. De regering tracht daarmee
de hoogte van de subsidie voor decentrale politieke partijen voorspelbaar en stabiel
te maken. Voor politieke partijen in de provinciale staten geldt een vaste subsidie
van € 1.137,– per zetel per jaar.143 Voor politieke partijen in algemene besturen van waterschappen geldt een subsidie
van € 432,– per zetel per jaar.144 Eventuele afsplitsingen van volksvertegenwoordigers hebben geen invloed op de hoogte
van de subsidie voor een politieke partij en komen ook zelf niet voor subsidie in
aanmerking.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de subsidie voor decentrale politieke
partijen zich verhoudt tot de ondersteuning van raads- en statenfracties en of er
sprake is van overlap. Er is volgens de regering geen sprake van overlap, aangezien
deze met andere doeleinden worden verstrekt. Fractieondersteuning is bedoeld ter ondersteuning
van de fractie bij haar volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende
taak. Het budget wordt onder andere gebruikt om een of meerdere fractiemedewerkers
in dienst te nemen.145 De subsidie voor decentrale politieke partijen is bedoeld ter versterking van hun
cruciale rol als intermediair tussen «de politiek» en de samenleving. Politieke partijen
kunnen het budget onder andere gebruiken voor de werving van leden, de rekrutering
en selectie van kandidaten en het voeren van campagnes.146 De regering acht een onderscheid tussen de werkzaamheden van fracties en politieke
partijen van belang, gelet op de scheiding van verantwoordelijkheden. Om deze reden
beschouwt de regering het als essentieel dat zowel fractie als partij op eigen financiële
ondersteuning kan rekenen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat nieuwe verplichtingen
een drempel opwerpen voor de oprichting van nieuwe decentrale politieke partijen en
welke rol is voorzien voor de VNG en de koepels. De regering beaamt dat goede informatievoorziening
over de nieuwe verplichtingen essentieel is. De regering zal daarom, in samenwerking
met de VNG en het Kennispunt lokale politieke partijen, een programma uitwerken om
decentrale politieke partijen adequaat voor te bereiden op de inwerkingtreding van
de wet. Wanneer burgers een nieuwe politieke partij willen oprichten, kunnen zij gebruikmaken
van de Wegwijzer van het Kennispunt.147
De leden vragen daarnaast hoe toezicht wordt gehouden op de honderden kleine politieke
partijen in het land, zonder dat dit leidt tot disproportionele lasten voor de toezichthouder.
Ook vragen zij naar de consequenties van een overtreding. Omdat de inkomsten van decentrale
politieke partijen zelfs met overheidssubsidie relatief laag zijn, worden decentrale
politieke partijen aan een lichter toezichtsregime onderworpen dan landelijke politieke
partijen. Decentrale partijen zijn bijvoorbeeld niet verplicht tot het indienen van
een financiële verantwoording bij de toezichthouder. In plaats daarvan publiceren
zij een financieel verslag op de eigen website.148 Deze hoeft niet door een accountant te zijn gecontroleerd. Gelet op het lichtere
regime en het grote aantal politieke partijen op decentraal niveau zal het toezicht
op een minder intensieve wijze worden vormgegeven. Zo zal de Napp niet standaard ieder
financieel verslag controleren. Wel kan de Napp nagaan of alle decentrale politieke
partijen hun financieel verslag op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar
hebben gemaakt, bijvoorbeeld op de eigen website. Het ligt ook voor de hand dat de
Napp risicogericht en/of steekproefsgewijs nadere controles uitvoert. Hierbij kan
de Napp de administratie van een decentrale politieke partij naast de gepubliceerde
gegevens houden, waar nodig met behulp van een (ingehuurde) registeraccountant.149 Indien blijkt dat een decentrale politieke partij niet aan de wettelijke voorschriften
voldoet, kan de Napp een bestuursrechtelijke sanctie opleggen. Daarbij wordt steeds
rekening gehouden met het proportionaliteitsbeginsel. Afhankelijk van de overtreding
kan de Napp besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom,150 het vorderen van (een deel van) de bijdrage die een decentrale politieke partij niet
had mogen aanvaarden of het opleggen van een bestuurlijke boete.151 Of de Autoriteit een bestuurlijk handhavingsinstrument inzet, welk instrument zij
inzet en hoe zwaar de sanctie is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de afwegingen die zijn gemaakt
bij het bepalen van de gevolgen van de nieuwe wet voor de lokale partijen op Bonaire,
Sint-Eustatius en Saba. Het uitgangspunt bij de afwegingen is dat alle Europees-Nederlandse
regelgeving ook van toepassing is in Caribisch Nederland, tenzij er gronden zijn om
dit niet te doen.152 De regering heeft in de consultatieperiode diverse adviezen over dit wetsvoorstel
ontvangen vanuit Caribisch Nederland. Deze adviezen hebben ertoe geleid enkele specifieke
aanpassingen te doen voor decentrale politieke verenigingen die actief zijn in Caribisch
Nederland. Dit is nodig omdat de openbare lichamen in Caribisch Nederland niet volledig
gelijkgesteld kunnen worden met Nederlandse gemeenten. De oorzaak ligt onder andere
bij de afwijkende vorm als openbaar lichaam, het takenpakket, de (politieke) cultuur
en de omvang van de eilandsraden. Vanuit Caribisch Nederland is naar voren gebracht
dat de vereiste organisatorische, administratieve en financiële lasten mogelijk een
grote druk leggen op decentrale politieke partijen in Caribisch Nederland. Daarbij
is aangegeven dat deze partijen doorgaans in mindere mate zijn georganiseerd dan politieke
partijen in Europees Nederland en vaak niet beschikken over toereikende faciliteiten
voor de openbaarmaking van bijdragen, schulden en de financiële verslagen. Hierbij
gaat het bijvoorbeeld om het hebben van een eigen website. In het voorliggende voorstel
krijgen decentrale politieke partijen in Caribisch Nederland daarom de keuze om ofwel
de jaarlijkse stukken betreffende de interne organisatie, financiële verslagen en
andere stukken betreffende de financiële organisatie zelf op een algemeen toegankelijke
wijze elektronische openbaar te maken, bijvoorbeeld op hun eigen website, ofwel de
jaarlijkse stukken op sociaalnetwerksites zoals Facebook te publiceren. De stukken
moeten in het laatste geval ook worden toegezonden aan de Napp, zodat deze de documenten
op de eigen website kan plaatsen.153 Deze laatste werkwijze geldt ook voor de melding van substantiële bijdragen. Bovendien
bleek uit de adviezen van Caribisch Nederland dat politieke partijen in Caribisch
Nederland te maken krijgen met relatief hoge kosten ten opzichte van politieke partijen
uit gemeenten met een vergelijkbaar aantal inwoners in Europees Nederland. De regering
heeft daarom ervoor gekozen om voor de hoogte van de subsidie aan te sluiten bij de
hoogte voor de subsidies voor provinciale politieke partijen. Dit komt neer op een
bedrag van $ 1.137,– per zetel. Voorgenoemde specifieke bepalingen zorgen ervoor dat
ook decentrale politieke partijen in Caribisch Nederland een aanvraag kunnen indienen
tot subsidiëring. Tegelijkertijd wordt ook rekening gehouden met de verschillen tussen
Caribisch Nederland en Europees Nederland.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie informeren eveneens of de informatie over
de nieuwe wet ook beschikbaar wordt in alle officiële talen van de eilanden. Op Bonaire,
Sint-Eustatius en Saba zijn naast het Nederlands ook Papiaments en Engels erkend als
officiële talen. Op 22 januari 2024 is het Papiaments op Bonaire ook erkend onder
deel III van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden.154 De regering hecht waarde aan het toegankelijk maken van de informatie over de wet
voor lokale partijen op de eilanden. De relevante informatie zal daarom ook toegankelijk
worden gemaakt in de officiële talen van de eilanden.
VVD
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van regels voor transparantie
bij decentrale politieke partijen, maar uiten zorgen over het risico op ondermijning
dat kan ontstaan door het in dit wetsvoorstel voorgestelde lichtere regime. Zij verzoeken
de regering daarom om een nadere motivering van de keuze voor dit lichtere regelgevingskader.
Bij het vaststellen van de kaders voor het financiële transparantieregime voor decentrale
politieke partijen is rekening gehouden met de specifieke omstandigheden waarin deze
partijen opereren. Decentrale politieke partijen zijn doorgaans kleiner van omvang,
draaien veelal op vrijwilligers en beschikken gemiddeld over lagere inkomsten. Bovendien
zullen de verleende subsidiebedragen veel lager zijn dan voor landelijke politieke
partijen. Om de administratieve lasten proportioneel te houden, heeft de regering
ervoor gekozen op een aantal punten af te wijken van de regels die gelden voor landelijke
politieke partijen. Zo zijn decentrale politieke partijen in het voorliggende wetsvoorstel
niet verplicht een subsidieverantwoording in te dienen. In plaats daarvan wordt gekozen
voor een systeem van directe subsidievaststelling. Hiervoor zijn meerdere redenen:
de subsidies betreffen relatief lage bedragen, de subsidiedoelen zijn breed geformuleerd
en na vaststelling heeft de Napp de mogelijkheid om nadere controles uitvoeren.155 Daarnaast ontvangen decentrale politieke partijen geen subsidie die afhankelijk is
van het totale ledenaantal. Ook geldt er geen minimumaantal leden om voor subsidiëring
in aanmerking te komen en worden ruimere termijnen gehanteerd voor de openbaarmaking
van substantiële bijdragen.
De regering heeft er wel voor gekozen om de drempelbedragen van het bijdragenmaximum
en voor de openbaarmaking van substantiële bijdragen en schulden voor decentrale politieke
partijen te verlagen ten opzichte van die voor landelijke politieke partijen. Deze
drempelbedragen zijn vastgesteld op een vijfde van de drempels die gelden voor landelijke
partijen. Concreet betekent dit dat het cumulatieve bijdragenmaximum is vastgesteld
op € 20.000,–,156 het drempelbedrag voor substantiële bijdragen op € 2.000,–157 en het drempelbedrag voor de openbaarmaking van schulden op € 5.000,–.158 Voor deze lagere drempelbedragen is gekozen om het risico op ondermijning via decentrale
politieke partijen te beperken. Met deze specifieke transparantievereisten wordt enerzijds
invulling gegeven aan het belang van transparantie voor het goed functioneren van
de democratie en het beperken van het risico op ondermijning, terwijl anderzijds rekening
wordt gehouden met de praktische uitvoerbaarheid voor decentrale politieke partijen.
De leden van de VVD lezen dat de subsidietermijn voor decentrale politieke partijen
loopt vanaf 1 juli tot en met 30 juni van het volgende kalenderjaar. Aangezien verkiezingen
van gemeenteraden, waterschappen en provincies altijd gehouden worden in maart, vragen
zij waarom er niet gekozen is voor een datum dichter bij de verkiezingsdag en of het
niet mogelijk zou zijn om deze termijn te vervroegen naar 1 april of 1 mei, om zo
te voorkomen dat decentrale politieke partijen maanden zonder deze subsidies moeten
functioneren. Om in aanmerking te komen voor subsidie, moeten decentrale politieke
partijen uiterlijk 6 april een subsidieaanvraag indienen bij de Napp. De regering
heeft bewust voor deze datum gekozen aangezien, in een verkiezingsjaar, het vertegenwoordigend
orgaan uiterlijk 3 april besluit over de toelating van de nieuwgekozen leden. Door
de subsidieaanvragen tot 6 april toe te staan is elke decentrale politieke partij
in staat haar aanvraag in te dienen op basis van het juiste zeteltal. De subsidie
wordt vervolgens voor 1 juli verleend. De Napp heeft deze tijd nodig om de ontvangen
aanvragen op juistheid en volledigheid te beoordelen. Het naar voren halen van de
verlening heeft tot gevolg dat tevens de datum voor de subsidieaanvraag met twee maanden
wordt vervroegd. Dit acht de regering onwenselijk, aangezien het in een verkiezingsjaar
onmogelijk is voor decentrale politieke partijen om op 1 februari een goede inschatting
te maken van hun zeteltal na de verkiezing. Dit betekent dat de Napp de subsidie moet
verlenen op basis van het zeteltal voor de verkiezing, terwijl deze verdeling op het
moment van de verlening reeds is achterhaald. Daarnaast zouden er nieuwe politieke
partijen zetels kunnen hebben verkregen. Deze zouden worden belemmerd door de voorgestelde
wijziging.
NSC
De leden van de NSC-fractie vragen of de regering kan onderzoeken of het mogelijk
is om de zendtijd voor landelijke partijen in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen
op te schorten. Politieke partijen krijgen in Nederland zendtijd zodat zij hun standpunten
rechtstreeks aan het publiek kunnen communiceren. Dit draagt bij aan de pluriformiteit
en toegankelijkheid van het publieke debat. De zendtijd voor politieke partijen is
geregeld in de Mediawet 2008 en valt onder het toezicht van het Commissariaat voor
de Media (hierna: het Commissariaat). Het Commissariaat kent reguliere zendtijd toe
aan politieke partijen die in de Eerste of Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd.159 Het uitzendschema voor de reguliere zendtijd staat vast tot aan de volgende Tweede
Kamerverkiezing. Dit wordt niet tussentijds opgeschort voor gemeenteraadsverkiezingen.
In aanloop naar de verkiezing voor de Tweede Kamer kent het Commissariaat zendtijd
toe aan politieke partijen die in ten minste negentien kieskringen deelnemen. In aanloop
naar de verkiezingen voor het Europees Parlement kent het Commissariaat zendtijd toe
aan politieke partijen die in Nederland daaraan deelnemen.160 Het is dus niet zo dat politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in de Tweede
of Eerste Kamer zendtijd krijgen toegewezen in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen.
De leden van de NSC-fractie vermoeden dat in de memorie van toelichting een verschrijving
heeft plaatsgevonden bij het bedrag per zetel in de provinciale staten. De regering
erkent dat op pagina 57 van de memorie van toelichting per abuis een foutief bedrag
is opgenomen. De hoogte van de subsidie voor politieke partijen in de provinciale
staten staat gelijk aan de subsidie voor politieke partijen in gemeenten met 100.001–150.000
inwoners. Dit komt neer op een bedrag van € 1.137,– per zetel per jaar, niet € 1.1137,–.
De leden van de NSC-fractie zijn benieuwd hoe de regering voorziet dat de subsidiebedragen
zich in de praktijk gaan ontwikkelen. Zij hechten daarbij aan zekerheid en voorspelbaarheid
in de bedragen, zodat de subsidie in ieder geval niet in enig jaar onverwacht lager
kan uitvallen dan het jaar daarvoor. Tegelijkertijd zien zij wel de mogelijkheid om
bij onderbenutting de bedragen (enigszins) te verhogen. Zij verzoeken de regering
om een nadere toelichting te geven op hoe dit in de praktijk voorzien is. De regering
erkent het belang van zekerheid en voorspelbaarheid van de subsidiebedragen. Zoals
ook onder de Wfpp was geregeld, worden de subsidiebedragen in de Wpp jaarlijks aangepast
conform de voor de rijksbegroting gehanteerde loon- en prijsbijstelling. Voor de gehele
subsidieperiode zal met inwerkingtreding van de Wpp de bedragen worden gehanteerd
zoals vastgelegd in de wet op het moment van de verlening.161 De regering kiest er bovendien voor om de hoogte van alle subsidieonderdelen te baseren
op vaste bedragen. Deze bedragen zijn gebaseerd op de gemiddelde aantallen in de periode
2020–2025. De regering verwacht geen grote veranderingen in het totaalaantal leden
of het totaalaantal neveninstellingen, waardoor het effect hiervan op politieke partijen
beperkt zal zijn. Hierdoor zal het te verlenen bedrag in lijn zijn met de voorgaande
subsidiejaren en voorspelbaarder uitvallen. De wetgever kan, mocht het in de praktijk
anders uitvallen, ervoor kiezen om de subsidiebedragen in de wet bij te stellen.
De leden van de NSC-fractie vragen of de regering bereid is de middelen voor decentrale
politieke partijen alvorens de Wpp inwerking treedt op een andere wijze beschikbaar
te stellen ter versterking van de lokale democratie. Bijvoorbeeld door een eenmalige
toevoeging aan het gemeente- en provinciefonds. Het thans bij uw Kamer aanhangige
wetsvoorstel bevat een wettelijke grondslag en regeling om de subsidiëring van decentrale
politieke partijen mogelijk te maken. Omdat deze wet nog niet in werking is getreden,
ontbreekt momenteel de vereiste wettelijke grondslag om deze middelen uit te keren.
Bij de begrotingsbehandeling van 2026 is het Amendement Clemminck-Van den Brink162 aangenomen. Dit amendement betreft een incidentele overboeking van de begroting van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties naar het gemeentefonds van € 5,5 miljoen
in 2026. Met verstrekking van deze middelen aan gemeenten middels een decentralisatie-uitkering,
worden gemeenten in de gelegenheid gesteld om een subsidiebedrag te verstrekken aan
lokale politieke partijen die een zetel hebben in de gemeenteraad.
CDA
De leden van de CDA-fractie vragen naar de verdeling van verantwoordelijkheden tussen
landelijke politieke partijen en hun lokale afdelingen, alsmede naar de uitvoerbaarheid
van de bijbehorende verplichtingen. Bij nota van wijziging is het begrip «afdeling»
uit het voorstel van wet geschrapt. Een afdeling van een politieke vereniging kan
in de praktijk een orgaan zijn zonder rechtspersoonlijkheid, maar het kan ook een
decentrale politieke vereniging zijn met rechtspersoonlijkheid. Een afdeling zonder
rechtspersoonlijkheid valt onder de verantwoordelijkheid van de landelijke politieke
vereniging als het gaat om de transparantieverplichtingen en subsidiëring.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is te verkennen of een tijdelijke,
faciliterende rol van de Napp in de invoeringsfase kan bijdrage aan een soepele implementatie.
Om de oprichting van de Napp en implementatie te bespoedigen, beoogt de regering de
oprichting van de Napp eerder te laten geschieden dan dat andere onderdelen uit het
wetsvoorstel Wpp van kracht worden. Bovendien verwacht de regering dat de Napp de
overgang zo goed als mogelijk zal faciliteren, onder andere door middel van voorlichting.
Of politieke partijen een vaste contactpersoon krijgen, zoals de leden van de CDA-fractie
eveneens vragen, kan de regering op dit moment niet zeggen. In de eerste plaats is
de Napp nog niet opgericht. Maar in de tweede plaats zal de Napp ook onafhankelijk
van de regering opereren, waardoor dit soort specifieke inrichtingsvraagstukken uiteindelijk
aan de Napp zelf zijn.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering aanvullende maatregelen overweegt
om de lasten voor kleine afdelingen en vrijwilligers te verlichten. De regering erkent
dat decentrale politieke partijen te maken hebben met een ander speelveld dan landelijke
politieke partijen. Daarom wijken de regels voor decentrale politieke partijen op
een aantal punten af van de regels voor landelijke politieke partijen. De regering
verwijst hiervoor naar het eerder gegeven antwoord op een vergelijkbare vraag van
de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de naleving van de meldplicht van substantiële
bijdragen wordt gecontroleerd, in het bijzonder bij decentrale afdelingen, en hoe
fouten of onvolkomenheden in het toezicht worden hersteld zonder direct tot sancties
te leiden. De wijze waarop toezicht zal worden gehouden op de meldplicht van substantiële
bijdragen, zal na oprichting van de Napp door de toezichthouder zelf nader worden
uitgewerkt.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij het opstellen van het bijdragenreglement
wordt geborgd dat politieke partijen voldoende ruimte houden voor eigen afwegingen,
terwijl tegelijkertijd een minimumniveau van transparantie en controleerbaarheid wordt
gewaarborgd. De regering heeft de in de Wfpp opgenomen verplichting om een bijdragenreglement
bij te houden niet overgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. In plaats daarvan
heeft de regering bindende voorschriften opgesteld inzake de transparantie en financiering
van landelijke en decentrale politieke partijen teneinde een minimumniveau van transparantie
en controleerbaarheid te garanderen.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen de administratieve
lasten voor decentrale besturen. De regering heeft in dit wetsvoorstel de administratieve
lasten voor decentrale politieke partijen zo laag mogelijk gehouden. In het wetsvoorstel
is voorzien voor het vaststellen van modellen. Van een digitaal registratiesysteem
gaat de regering momenteel niet uit, aangezien het aan de partij zelf is om het financiële
verslag op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar te maken. Dit kan
bijvoorbeeld op een partijwebsite. De regering heeft hierbij getracht de juiste balans
te vinden tussen transparantie en het laag houden van de administratieve lasten.
SGP
De leden van de SGP-fractie vragen waarom afdelingen van landelijke politieke partijen
zonder rechtspersoonlijkheid op eenzelfde wijze financiële verantwoording dienen af
te leggen als landelijke politieke partijen. Die stelling lijkt op een vergissing
te berusten, want dit lag niet besloten in het voorstel van wet zoals dit door de
regering is ingediend. In het oorspronkelijke voorstel van wet werden afdelingen van
landelijke politieke verenigingen gelijkgesteld met decentrale politieke verenigingen.
Inmiddels is het begrip «afdeling» echter bij nota van wijziging uit het voorstel
van wet geschrapt. Het begrip laat zich moeilijk afbakenen. Daarnaast bleek het bij
nader inzien juridisch onvoldoende mogelijk om aan afdelingen andere rechten en plichten
op te leggen dan aan de rechtspersonen waarvan zij een onderdeel zijn. Het voorstel
van wet was er bovendien onnodig complex door geworden. Een politieke vereniging kan
ervoor kiezen om afdelingen in het leven te roepen. Zolang deze afdelingen een onderdeel
zijn van deze rechtspersoon, blijft deze rechtspersoon voor hen verantwoordelijk.
Het is dus niet meer de afdeling die verantwoording moet afleggen over de bijdragen
die zij heeft aanvaard, maar de landelijke politieke vereniging. En deze landelijke
politieke vereniging legt verantwoording af over de bijdragen die zij, al dan niet
via haar afdelingen, heeft aanvaard.
De leden van de SGP-fractie vragen eveneens waarom de transparantievereisten op het
gebied van bijdragen en verantwoording even noodzakelijk zijn voor decentrale politieke
partijen als voor landelijke politieke partijen. Het korte antwoord op deze vraag
is dat voor decentrale politieke partijen dezelfde afwegingen spelen als voor landelijke
politieke partijen. Ook decentrale politieke partijen lopen risico op mogelijk onwenselijke
financiële beïnvloeding. De integriteit van decentrale politieke partijen is echter
van groot belang voor de integriteit van het decentraal bestuur. Het ontbreken van
bindende regels over de financiering van deze partijen leidt er momenteel toe dat
onvoldoende inzicht bestaat in de herkomst en omvang van hun middelen. Door decentralisaties
liggen er bovendien meer bestuurlijke verantwoordelijkheden bij decentrale besturen,
waardoor het risico op ondermijning is vergroot. De commissie-Veling heeft al in 2019
het risico van onwenselijke beïnvloeding van lokale besturen aangekaart.163 Daarnaast heeft de regering ervoor gekozen in het voorliggende wetsvoorstel lagere
drempelbedragen voor het bijdragenmaximum, de openbaarmaking van bijdragen en schulden
op te nemen. Dit heeft als reden dat decentrale politieke partijen en lokale afdelingen
lagere inkomsten hebben en een bijdrage dan al snel een relatief grote invloed kan
hebben. Met de voorliggende regels wordt het risico verkleind dat politieke partijen
te maken krijgen met onwenselijke (financiële) beïnvloeding. De regering zet in op
financiële transparantie om partijen weerbaarder te maken en de parlementaire democratie
te versterken.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen om aan
de subsidieverlening aan decentrale politieke partijen niet als voorwaarde te verbinden
dat deze partijen een minimumaantal leden moeten hebben. Daarvan is afgezien, omdat
als een minimumaantal leden als subsidievoorwaarde zou zijn gesteld, decentrale politieke
partijen hun ledental op objectieve wijze zouden hebben moeten aantonen, vergelijkbaar
met landelijke politieke partijen. Dit zou in de praktijk betekenen dat zij een accountant
zouden moeten inschakelen om hun ledental vast te stellen. De daarmee gepaard gaande
kosten en administratieve lasten wegen volgens de regering niet op tegen het subsidiebedrag
dat wordt verstrekt.
5. Politieke reclame
In het verslag van uw Kamer valt te lezen dat meerdere fracties vragen hebben over
de regels omtrent politieke reclame. Een deel van deze vragen ziet op regels die geen
onderdeel (meer) uitmaken van het wetsvoorstel zoals het door de regering bij uw Kamer
is ingediend. De regering heeft die regels bij gelegenheid van het nader rapport geschrapt,
omdat duidelijk was dat de Europese Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparantie
en gerichte politieke reclame al spoedig van kracht zou worden. Dat is inmiddels het
geval:de verordening is per 10 oktober 2025 van toepassing geworden.164
Ook over deze verordening zijn door uw Kamer de nodige vragen gesteld. De Minister
van BZK heeft de noodzakelijke uitvoeringswet voor deze Europese verordening op 13 april
jl. ingediend bij de Tweede Kamer. De regering verwacht dat de memorie van toelichting
bij dat wetsvoorstel al veel van de thans bij uw Kamer levende vragen zal wegnemen.
Gelet op het voorgaande heeft de regering de vragen die op het onderwerp politieke
reclame zagen nog niet van een antwoord voorzien. Bij de behandeling van de Uitvoeringswet
verordening transparantie en gerichte politieke reclame wisselt zij evenwel graag
met uw Kamer van gedachten over politieke reclame en het reguleren daarvan. Eventueel
resterende vragen kunnen ook op dat moment beantwoord worden.
6. Overige onderwerpen
GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden graag zien dat de Wpp spoedig in werking
treedt. Zij vragen aan te geven vanaf wanneer deze wet in werking zou kunnen treden
als het wetsvoorstel wordt aangenomen. Tot op heden is het streven erop gericht geweest
de wet per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Ik heb uw Kamer bij brief geïnformeerd
over dat dit niet haalbaar is gebleken. Ik koers nu op inwerkingtreding per 1 januari
2028.165
NSC
De leden van de NSC-fractie vragen of (voormalig) bestuurders van politieke verenigingen
ook niet uitgesloten dienen te worden voor benoeming in het bestuur van de Napp. Met
de leden van NSC-fractie vindt de regering het belangrijk dat de leden van de Napp
niet aan het onpartijdig en onafhankelijk functioneren van de Napp in de weg staan,
noch de aanleiding vormen voor twijfel daaromtrent. Bij een aantal ambten is de onverenigbaarheid
ervan met een functie als lid van de toezichthouder zo duidelijk, dat deze als incompatibiliteit
in de wet zijn opgenomen. De regering pretendeert evenwel niet op dit onderdeel een
volledige en limitatieve opsomming te kunnen geven van de functies die zich slecht
verdragen met het lidmaatschap van de Napp. Er zijn immers meerdere functies of nevenactiviteiten,
in heden of verleden van kandidaten, die vragen kunnen oproepen over hoe zich dat
verhoudt tot het lidmaatschap van de Napp. Daarbij kan bijvoorbeeld ook worden gedacht
aan bestuursfuncties van maatschappelijke organisaties met een sterk politiek profiel.
Het zou echter te ver voeren een volledige opsomming van onverenigbare functies na
te streven, ook omdat dit het rekruteringsbereik van potentiële leden op voorhand
al te zeer zou kunnen beperken. Eén en ander laat onverlet dat bij de selectie en
benoeming van leden er rekening mee zal worden gehouden dat de onafhankelijkheid en
onpartijdigheid van de Napp niet ter discussie mag komen te staan.
De leden van de NSC-fractie vragen of in het huidige wetsvoorstel de gewenste afstand
tussen de Minister van BZK en de Napp goed is geborgd. Dit is het geval. Als zbo kan
de Napp onafhankelijk opereren van de Minister. De regering heeft ervoor gekozen deze
onafhankelijkheid verder te versterken door bepaalde artikelen uit de Kaderwet zbo’s
buiten toepassing te laten voor de Napp. De Minister is stelselverantwoordelijk voor
de Napp, en kan in deze hoedanigheid worden aangesproken door de Kamer. Aandachtspunt
bij de beperkte ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister, is dat ook de directe
parlementaire controle op de werking van een zbo beperkt is. De regering is van mening
dat met deze vorm de juiste balans is gevonden tussen onafhankelijkheid en (parlementair)
toezicht. De leden van de NSC-fractie vragen tevens waarom de selectie van leden van
de Napp niet nader is vastgelegd. In reactie op deze vraag wijst de regering erop
dat in het wetsvoorstel belangrijkste kaders voor de benoemingsprocedure zijn vastgelegd.
Zo is er een incompatibiliteitenregeling in het wetsvoorstel opgenomen en worden leden
van de Napp benoemd per koninklijk besluit. Dit is een verzwaring van de gebruikelijke
benoemingswijze bij zbo’s. Ik ben voornemens uw Kamer op korte termijn in een brief
nader te informeren over de wijze waarop ik binnen de kaders van het wetsvoorstel
het initiële benoemingsproces wil inrichten. Hierbij zal bijzondere aandacht uitgaan
naar belangrijke uitgangspunten zoals transparantie en onafhankelijkheid van de procedure.
Na afronding van het initiële benoemingsproces zal de Kamer geïnformeerd worden over
de wijze waarop het benoemingsproces hierna binnen de wettelijke kaders zal worden
ingericht. Op deze manier kunnen er lessen getrokken worden uit de initiële benoemingsprocedure.
Dit benoemingsproces zal tevens in het bestuursreglement van de Napp worden vastgelegd.
De leden van de D66-fractie lezen dat de mogelijkheid van deelname aan verkiezingen
middels een blanco lijst blijft bestaan. Zij zien hierin het risico dat politieke
verenigingen de aan hen gestelde regels kunnen omzeilen en vragen de regering hoe
die dit taxeert. Voorts vragen zij de regering ook wat het belang is van de mogelijkheid
van deelname door middel van een blanco lijst. In reactie op deze vragen wenst de
regering allereerst op te merken dat de Wet op de politieke partijen wel degelijk
ook regels bevat die zich richten op personen wier naam voorkomt op een lijst waarboven
geen aanduiding van een politieke vereniging staat, de zogenoemde blanco lijst. Voor
een Tweede Kamerverkiezing zal elke kandidaat op een blanco lijst een overzicht moeten
aanleveren van alle bijdragen die hij heeft aanvaard tussen de dag van de stemming
en 1 januari van het kalenderjaar voor het jaar waarin de stemming plaatsvindt.166 Op grond van het partijverbod kan een politieke vereniging verboden worden verklaard
en ontbonden, maar daarmee zijn de bestuurders van die vereniging nog niet uit het
passief kiesrecht ontzet. De mogelijkheid van deelname met een blanco lijst aan de
verkiezingen wordt in Nederland doorgaans gezien als een manier om toch te kunnen
deelnemen aan de verkiezingen als bedoeld of onbedoeld niet aan de vereisten voldaan
kan worden die registratie van een partij met zich meebrengt. Aangezien het kiesrecht
een grondrecht is dat zowel het actief kiesrecht, te weten het recht om leden van
algemeen vertegenwoordigende organen te kiezen, als het passief kiesrecht, dat wil
zeggen het recht om verkozen te worden, omvat, moet een beperking hiervan bij wet
geregeld worden en een redelijk doel dienen, proportioneel en niet willekeurig zijn.
Hoewel de regering er zeer veel belang aan hecht dat politieke verenigingen zich zullen
houden aan de in het voorstel van wet gestelde regels en bepalingen, is zij eveneens
de mening toegedaan dat het mogelijk moet blijven dat individuen die om welke reden
dan ook niet kunnen of willen voldoen aan deze regels, de kans moeten krijgen om zich
op persoonlijke titel middels een blanco lijst verkiesbaar te stellen.
Voorts vragen de leden van de fractie van D66 of de regering het risico ziet dat politici
van een verboden partij alsnog via een blanco lijst pogen mee te doen aan verkiezingen.
De regering ziet dat verband niet. Voor uitsluiting van deelname aan verkiezingen
is uitzetting uit het kiesrecht vereist. De vereisten voor uitzetting uit het kiesrecht
liggen in Nederland zeer hoog. Dit kan alleen bij uitspraak door een rechter en alleen
bij bepaalde door de wet aangewezen misdrijven. Bij de grondwetsherziening van 1983
heeft de wetgever een criterium geformuleerd voor de aanwijzing van delicten die in
aanmerking komen voor uitsluiting: er moet sprake zijn van een ernstige aantasting
van de grondslagen van het Nederlandse staatsbestel.
De leden van de D66-fractie vragen waarom de regering niet heeft gekozen voor een
benoeming van de leden van de Napp door een onafhankelijke commissie. De regering
is voornemens de Tweede Kamer op korte termijn te informeren over de wijze waarop
het initiële benoemingsproces wordt ingericht. Vooruitlopend op deze brief kan de
regering alvast kort ingaan op de inhoud daarvan en daarmee op de gestelde vragen.
Er zal een onafhankelijke selectiecommissie worden opgericht. Aan de hand van een
geschiktheidsprofiel zal deze selectiecommissie en de kandidaten via een open procedure
werven. Zowel voor de voorzitter als de leden van het bestuur geldt dat personen met
een «recent» politiek verleden niet voor lidmaatschap van de Napp in aanmerking komen.
De commissie zal de geselecteerde kandidaten aan de Minister van BZK voordragen. De
Minister zal deze vervolgens voordragen aan de ministerraad. Hiermee wordt volgens
de regering voldoende recht gedaan aan de vereiste afstand tussen de regering en de
leden van de Napp, de (politieke) onafhankelijkheid van de selectiecommissie en de
vereiste transparantie over het benoemingsproces. Bij de specifieke vormgeving van
de benoemingsprocedures die volgen na de initiële benoemingsprocedure zal ook de Napp
zelf betrokken worden. Ook hierbij zal bijzondere aandacht toegekend worden aan de
transparantie en onafhankelijkheid van de procedure. Door de benoemingsprocedure niet
in detail in het wetsvoorstel vast te leggen, kan de Napp hier nog betekenisvolle
invulling aan geven.
De leden van de D66-fractie vragen of de regering ook heeft overwogen om een ondergrens
van € 50,– in te stellen voor de registratieplicht van bijdragen aan decentrale partijen
om de administratieve last te verlagen. Momenteel is de registratieplicht voor decentrale
partijen van toepassing op alle bijdragen. Partijen moeten immers in staat zijn om
achteraf vast te stellen of meerdere bijdragen gezamenlijk optellen tot € 250,– of
meer. Wanneer dit het geval is moeten partijen deze bijdragen openbaar maken. Wanneer
de ondergrens voor de registratieplicht wordt verhoogd naar € 50,– is het denkbaar
dat partijen niet langer het overzicht van bijdragen van minder dan € 50,–. Dit maakt
het bewaken van het grensbedrag van € 250,– onuitvoerbaar. Het ophogen van de ondergrens
voor de registratieplicht is daarom onwenselijk.
De leden van de D66-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom ervoor
is gekozen de Napp geen rechtspersoonlijkheid toe te wijzen. De regering is het met
de leden van de D66-fractie eens dat de Napp een onafhankelijke autoriteit dient te
zijn, met voldoende afstand tot de Minister. De regering hanteert als uitgangspunt
dat zbo’s onderdeel uitmaken van de rechtspersoon Staat der Nederlanden.167 Alleen als zbo’s zelfstandig aan het civielrechtelijke rechtsverkeer mee dienen te
doen, wordt een rechtspersoonlijkheid toegekend. Dat is voor de Napp niet aan de orde.
Bovendien kan een publiekrechtelijk zbo zonder rechtspersoonlijkheid standaard gebruikmaken
van ondersteunende organisaties van de Staat, de zogenaamde shared service organisaties, zoals bijvoorbeeld P-Direkt, SSC-ICT en FMHaaglanden.
Een zbo met een rechtspersoonlijkheid moet bedrijfsvoeringsdiensten zelf organiseren
of aanbesteden. Door gebruik te maken van de ondersteunende diensten van de Staat
kan de focus van de Napp gericht blijven op de primaire taak: het onafhankelijk toezichthouden
op de politieke partijen. Het afnemen van ondersteunende diensten bij de Staat vormt
op geen enkele wijze een inbreuk op de onafhankelijkheid van de Napp.
De onafhankelijkheid van de Napp blijkt uit het feit dat de Napp zonder tussenkomst
van de Minister besluiten neemt, dat de in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
neergelegde bevoegdheid van de Minister om besluiten van de Napp te vernietigen buiten
toepassing verklaard is en dat de Minister geen beleidsregels kan vaststellen voor
de Napp. Daarnaast is de onafhankelijkheid geborgd door een zwaardere benoemingsprocedure
van de leden: de leden van de Napp worden bij koninklijk besluit benoemd. Het toekennen
van een rechtspersoonlijkheid zou de onafhankelijkheid van de Napp niet vergroten.
De leden van de fractie van D66 hebben ook enkele vragen over de benoeming van de
leden van de Napp. De regering is voornemens de Tweede Kamer op korte termijn te informeren
over de wijze waarop het initiële benoemingsproces wordt ingericht. Vooruitlopend
op deze brief kan de regering alvast kort ingaan op de inhoud daarvan en daarmee op
de gestelde vragen. Er zal een onafhankelijke selectiecommissie worden opgericht.
Aan de hand van een geschiktheidsprofiel zal deze selectiecommissie de kandidaten
via een open procedure werven. Zowel voor de voorzitter als de leden van het bestuur
geldt dat personen met een «recent» politiek verleden niet voor lidmaatschap van de
Napp in aanmerking komen. De commissie zal de geselecteerde kandidaten aan de Minister
van BZK voordragen. De Minister zal deze vervolgens voordragen aan de ministerraad.
Hiermee wordt volgens de regering voldoende recht gedaan aan de vereiste afstand tussen
de regering en de leden van de Napp, de (politieke) onafhankelijkheid van de selectiecommissie
en de vereiste transparantie over het benoemingsproces. Voor de specifieke vormgeving
van de benoemingsprocedures die volgen na de initiële benoemingsprocedure zal ook
de Napp zelf betrokken worden. Ook hierbij zal bijzondere aandacht toegekend worden
aan de transparantie en onafhankelijkheid van de procedure. De benoemingsprocedure
zal worden vastgelegd in het bestuursreglement van de Napp. Een intensieve betrokkenheid
vanuit de Tweede Kamer bij de benoemingsprocedure acht de regering gezien de gewenste
afstand tot actieve politici in dit geval minder geschikt.
SGP
De leden van de SGP-fractie vragen de regering naar de wenselijkheid van een grondwettelijke
regeling van politieke partijen en of een nadere verkenning daartoe gewenst is, dan
wel of de huidige situatie hiertoe geen aanleiding toe geeft. Zoals ook beschreven
in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, kiest de regering ervoor om een
wet tot stand te brengen die geen uitdrukkelijke grondslag heeft in de Grondwet. Deze
keuze is in lijn met de overweging van de Staatscommissie parlementair stelsel, die
in haar rapport een constitutionele verankering «niet direct nodig acht». De regering
beschouwt het op dit moment niet als een noodzakelijke stap om ook een grondwettelijk
traject te starten met betrekking tot de positie van politieke partijen. Zij ziet
dat er nog geen brede en duurzame overeenstemming bestaat over wat de constitutionele
rol van politieke partijen is en wat daaromtrent in de Grondwet, ook in verhouding
tot andere grondwetsbepalingen, geregeld zou moeten worden. Alvorens grondwettelijke
verankering van politieke partijen door de wetgever wordt overwogen, is nadere verkenning
gewenst.
De leden van de SGP-fractie steunen de keuze van de regering om vast te houden aan
de vereniging als rechtsvorm en om geen vrije keuze van rechtsvorm te bieden. Deze
leden menen evenwel dat meer toelichting te geven valt op de stelling van de regering
dat zij geen aanleiding ziet om terug te komen op de in 1989 gemaakt keuze. Deze leden
vragen de regering toe te lichten hoe zij de relatie ziet tussen «de essentie van
de democratie» en het karakter van de verenigingsvorm en hoe die overwegingen zich
verhouden tot hetgeen hierover bij de herziening van 1989 is opgemerkt.
Sinds 1989 verplicht de Kieswet politieke groeperingen om een vereniging met een volledige
rechtsbevoegdheid te zijn om hun aanduiding te kunnen registreren bij het centraal
stembureau. Daarvan is sprake als de statuten zijn opgenomen in een notariële akte,
waaruit voortvloeit dat de vereniging is ingeschreven in het handelsregister. De regering
heeft ten tijde van de wetsbehandeling in 1989 aangegeven praktische overwegingen
te hebben gehad bij het stellen van deze voorwaarde. De oprichting van een politieke
groepering in deze vorm betekende een weloverwogen activiteit, gericht op deelname
aan de verkiezingen. Hiermee worden «al te lichtvaardige registratieverzoeken van
personen die besluiten gezamenlijk een politieke groepering te vormen en aan dit voornemen
geen nadere vorm of uitwerking geven dan een kosteloos verzoek aan het centraal stembureau
om de naam van hun groepering te laten registreren, voorkomen,» aldus de regering
destijds.168 Daarnaast heeft de regering in 1989 aangegeven dat het vereiste belangrijke voordelen
biedt voor de uitvoering van de registratieregeling, omdat uit de statuten en het
over te leggen bewijs van inschrijving in het verenigingsregister blijkt wie namens
de groepering mag optreden.
Enkele fracties, zoals die van het CDA en de SGP, hadden in 1989 wel bedenkingen.
Zo stelden de leden van de CDA-fractie de vraag of deze verzwaring van eisen tevens
inhield dat bij een geregistreerde groepering een zekere aanhang verondersteld kon
worden. De regering gaf te kennen dat dit niet het geval is: «Twee personen kunnen
samen reeds een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid oprichten. Het bestaan
van enige aanhang van betekenis ligt in dit vereiste dus niet besloten.»169 De leden van de SGP-fractie bleven, ook na kennisneming van de memorie van antwoord
kritisch ten aanzien van de eis dat registratie van politieke groeperingen slechts
kan geschieden indien ze een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid zijn. In de
nota naar aanleiding van het eindverslag valt te lezen dat zij weliswaar begrip toonden
voor de praktische overwegingen die tot deze eis hebben geleid, maar dat zij ook van
mening waren dat de eis van rechtspersoonlijkheid als zodanig voldoende was. Met name
de eis dat de politieke groepering de rechtsvorm van een vereniging zou moeten aannemen
stuitte bij hen op verzet. Zij zagen hierin een nodeloze beperking van de vrijheid
van deze groeperingen, niet het minst door de dwingende rechtelijke eisen, die de
wet aan deze rechtsvorm stelt.170
Hoewel er vele jaren zijn verstreken sinds 1989 en de regering zich anno 2026 nog
steeds herkent in de praktische overwegingen van destijds, zijn er ook enkele overwegingen
bijgekomen. Zoals reeds elders in deze nota naar aanleiding van het verslag te lezen
valt, acht de regering het inmiddels wenselijk dat politieke partijen ledenorganisaties
zijn en dat zij een zekere interne democratische structuur kennen. Uit het feit dat
politieke partijen verenigingen met een volledige rechtsbevoegdheid zijn, volgt dat
een politieke partij moet voldoen aan de voorwaarden die in het Burgerlijk Wetboek
van toepassing zijn op een vereniging, zoals het hebben van leden, statuten, een verenigingsbestuur
en het houden van een algemene ledenvergadering. De regering waagt zich er niet aan
om toe te lichten hoe het karakter van de verenigingsvorm zich verhoudt tot «de essentie
van de democratie», omdat zij niet weet wat de leden van de SGP-fractie hieronder
verstaan. Wel wijst zij erop dat reeds in 1989 vrijwel alle politieke groeperingen
verenigingen met een volledige rechtsbevoegdheid waren.171
ChristenUnie
In reactie op de vraag van de leden van de CU-factie wat de verhouding tussen de Napp
en de Commissie toezicht financiën politieke partijen (Ctfpp) is, antwoordt de regering
dat de Ctfpp met de invoering van de Wpp komt te vervallen. Er is derhalve geen verhouding
tussen de Napp en de Ctfpp. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wfpp in de
periode 2011–2013 is er de nodige discussie geweest over de vraag bij welke instantie
het toezicht op de uitvoering van de wet zou moeten worden belegd. Uiteindelijk toonde
een meerderheid van de Staten-Generaal zich voorstander van de figuur waarbij het
toezicht wordt belegd bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
die op onderdelen van de wet waarin er beleidsvrijheid is, wordt geadviseerd door
de Commissie van toezicht financiën politieke partijen, als extra waarborg voor onafhankelijk
toezicht. Nu het toezicht verplaatst van een politiek ambtsdrager naar een onafhankelijke
autoriteit, is het onafhankelijke advies dat de Ctfpp inbracht niet langer nodig.
De Wpp regelt de intrekking van de Wfpp. Met de intrekking van de Wfpp komt de Ctfpp
te vervallen.
7. Vragen betreffende het artikelsgewijze deel
Artikel 1
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil ingaan op de situatie van een
afdeling die wel rechtspersoonlijkheid bezit en die bijvoorbeeld als lokale vereniging
onderdeel uitmaakt van een landelijke politieke partij. Zij vragen de regering toe
te lichten waarom die afdeling-verenigingen geen decentrale politieke verenigingen
kunnen zijn en waarom het statutaire vereiste zo belangrijk is. Zij vragen de regering
bovendien hoe voorkomen wordt dat deze rechtspersonen tussen wal en schip vallen.
Als een afdeling van een landelijke politieke vereniging wél rechtspersoonlijkheid
bezit, dan kunnen zich twee situaties voordoen. De afdelingvereniging kan bij het
centraal stembureau voor de verkiezingen van de leden van de gemeenteraad van [plaatsnaam]
een verzoek hebben ingediend om haar aanduiding te registreren en kan daardoor zelf
een decentrale politieke vereniging als bedoeld in deze wet worden. Staat de door
haar geregistreerde aanduiding boven een lijst waaraan een of meer zetels worden toegewezen,
dan wordt deze afdelingsvereniging een decentrale politieke partij en komt zij ook
voor subsidie in aanmerking. De afdelingsvereniging kan er ook voor kiezen om niet
zelf een aanduiding te registreren. Staat bij een gemeenteraadsverkiezing de aanduiding
van een landelijke politieke vereniging boven een lijst waaraan een of meer zetels
worden toegewezen, dan kan deze landelijke politieke vereniging subsidie aanvragen.
Zij kan deze subsidie dan doorgeleiden naar de afdelingsvereniging.
Uit het voorstel van wet is door middel van de nota van wijziging de definitie van
het begrip afdeling geschrapt. Een afdeling van een politieke vereniging kan in de
praktijk een orgaan zijn zonder rechtspersoonlijkheid. Simpel gezegd is de afdeling
dan een groep leden binnen een bestaande vereniging, namelijk de landelijke politieke
vereniging. De vraag van de aan het woord zijnde leden ziet evenwel op de variant
waarbij een afdeling rechtspersoonlijkheid heeft, die actief is binnen en primair
gericht is op een onderliggende decentrale bestuurslaag, en die lid is van een landelijke
politieke partij. Deze afdelingen met rechtspersoonlijkheid zijn daarmee ook decentrale
politieke verenigingen. Deze rechtspersonen kunnen daarmee ook aanspraak maken als
decentrale politieke vereniging op subsidiëring en moeten voldoen aan de transparantievereisten.
Een vereniging die bij notariële akte wordt opgericht heeft volledige rechtsbevoegdheid
en kent altijd statuten (art. 2:27 lid 3 BW).
Artikel 36
In reactie op de vraag van de leden van de SGP-fractie naar de betekenis van de woorden
«zich verbindt met een politieke vereniging» in het voorgestelde artikel 36, eerste
lid, kan worden geantwoord dat hierbij zowel kan worden gedacht aan Kamerleden die
zich van hun fractie afsplitsen om zich te verbinden aan een nieuw op te richten politieke
vereniging, alsook aan Kamerleden die zich aansluiten bij een al langer bestaande
politieke vereniging. Het doel van deze bepaling is dat er een gelijk speelveld blijft
bestaan. Voorschriften over de financiering van landelijke politieke partijen zijn
in beginsel niet van toepassing op landelijke politieke verenigingen waarvan de aanduiding
bij de laatste Eerste of Tweede Kamerverkiezing niet boven een lijst heeft gestaan
waaraan een of meer zetels zijn toegewezen, maar dit wordt anders als er in een van
de Kamers toch een groep ontstaat die aan hen gelieerd is.
Artikel 54
In het ingediende wetsontwerp worden voorwaarden gesteld waaraan een politieke jongerenorganisatie
moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Een van deze voorwaarden is
dat ten minste twee derde van de leden minimaal 14 en maximaal 27 jaar oud mag zijn.
Een tweede voorwaarde is dat deze groep ten minste 100 leden moet omvatten. Op deze
manier wordt gewaarborgd dat de politieke jongerenorganisatie daadwerkelijk een jongerenorganisatie
is en ook enige omvang heeft.
De leden van de ChristenUnie-fractie stellen voor deze subsidievoorwaarden te schrappen
en te vervangen door een regeling waarbij de hoogte van de subsidie die ten behoeve
van een politieke jongerenorganisatie wordt uitgekeerd, afhankelijk wordt gemaakt
van het aantal van haar leden dat op de peildatum minimaal 14 jaar en maximaal 30
jaar oud is. Het gevolg van deze aanpassing zou zijn dat elke politieke jongerenorganisatie
voor subsidie in aanmerking komt. Ook politieke jongerenorganisaties met een zeer
gering ledental of een relatief oud ledenbestand. Daarbij moet bedacht worden dat
de subsidie aan politieke jongerenorganisaties ingevolge het voorgestelde artikel
57, eerste lid, onderdeel c, is opgebouwd uit drie componenten: een vast bedrag, een
bedrag per Kamerzetel en een bedrag per lid. In het voorstel van de ChristenUnie zou
de laatste component veranderen in een bedrag per lid in de leeftijdscategorie 14
tot en met 30 jaar. Die vereenvoudiging heeft als consequentie dat ook organisaties
die qua samenstelling geen politieke jongerenorganisatie meer genoemd kunnen worden
ook voor subsidie in aanmerking komen. Evenals politieke jongerenorganisaties die
zo klein van omvang zijn, dat de vraag op kan komen of zij qua organisatiegraad wel
in staat zijn om aan de wettelijke verantwoordingseisen te voldoen.
Met de aan het woord zijnde leden van de ChristenUnie is het kabinet van mening dat
het onwenselijk is als politieke jongerenorganisaties leden royeren om aan de wettelijke
subsidievoorwaarden te kunnen voldoen. Liever ziet het kabinet dat politieke jongerenorganisaties
zich inspannen om nieuwe leden te werven. Al realiseert het kabinet zich dat dit niet
eenvoudig is. Er zijn personen die pas na hun 27e politiek actief worden. Evenzeer
zijn er mensen die na hun 30e politiek actief worden. Het opschuiven van een leeftijdsgrens
heeft dus iets arbitrairs.
Als de subsidievoorwaarden worden aangepast of, zoals in het voorstel van de ChristenUnie,
zelfs geschrapt, heeft dat bovendien ook financiële consequenties.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Indieners
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.