Nota van wijziging : Tweede nota van wijziging
36 917 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Nr. 37
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 25 juni 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I, onderdeel O, wordt na het voorgestelde artikel 2.87s een artikel ingevoegd,
dat luidt:
Artikel 2.87s1
1. Het Commissariaat kan op aanvraag van een lokale publieke media-instelling de aanwijzing,
bedoeld in artikel 2.87i, eerste lid, herzien.
2. De herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft uitsluitend betrekking op uitbreiding
van het beleidsplan en overeenkomstige verruiming van de begroting bij het beleidsplan.
3. De lokale publieke media-instelling dient een herzieningsaanvraag in bij het Commissariaat
voor 1 september van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de
herziening in werking treedt.
4. Het Commissariaat stelt de NLPO en de gemeenteraad van de gemeente of de gemeenteraden
van de gemeenten binnen het betreffende lokale verzorgingsgebied in staat binnen zes
weken na indiening van de herzieningsaanvraag een zienswijze naar voren te brengen
over de herzieningsaanvraag.
5. Bij het besluit op de herzieningsaanvraag, bedoeld in het eerste lid, slaat het Commissariaat
mede acht op de naar voren gebrachte zienswijzen.
6. Het Commissariaat besluit voor 1 januari van het kalenderjaar waarin de herziening
in werking treedt, op de herzieningsaanvraag.
B
In artikel I, onderdeel PP, wordt in het voorgestelde artikel 2.179a, onder vernummering
van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid, een lid ingevoegd,
dat luidt:
2. De gemeenteraad maakt jaarlijks uiterlijk voor 1 augustus het budget dat voor subsidie
beschikbaar is voor het daaropvolgende kalenderjaar bekend door opname daarvan in
de gemeentelijke begroting.
Toelichting
Met het wetsvoorstel wordt de bekostiging van de lokale publieke omroepen overgeheveld
van de gemeenten naar het Rijk. Het uitvoeren van de publieke mediaopdracht op lokaal
niveau wordt gezien als dienst van algemeen economisch belang (DAEB). De omvang van
deze DAEB wordt vastgesteld bij de aanwijzing als lokale publieke omroep en wordt
bepaald op basis van de begroting en het beleidsplan van de omroep die wordt aangewezen.
Om gemeenten de mogelijkheid te bieden in het nieuwe stelsel bij te dragen aan de
uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, heeft de regering in paragraaf
2.6.6a bepalingen opgenomen die aanvullende bekostiging van gemeenten binnen de DAEB
faciliteren. Om te financieren binnen deze mogelijkheid moeten gemeenten voorafgaand
aan iedere aanwijzingsperiode van vijf jaar het bedrag dat zij in de komende aanwijzingsperiode
beschikbaar willen stellen, kenbaar maken door het opnemen daarvan op de gemeentelijke
begroting. Zo kunnen alle geïnteresseerde partijen bij het opstellen van hun beleidsplan
en begroting rekening houden met deze bedragen, wat zorgt voor gelijke kansen in de
aanwijzingsprocedure. Bovendien kan op die manier de omvang van de DAEB worden vastgesteld
op basis van een volledige begroting, waarin zowel de rijksbijdrage als de eventuele
gemeentelijke bijdragen zijn opgenomen. Daarmee wordt overcompensatie voorkomen.
In aanloop naar de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is breed de
wens uitgesproken de systematiek van de aanvullende bekostiging te flexibiliseren.
Met de ingediende motie van de leden Ceder, Mohandis, Krul en Oualhadj is de regering
verzocht mogelijk te maken dat gemeenteraden ook na de start van de aanwijzingsperiode
aanvullende bekostiging kunnen verstrekken voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht
op lokaal niveau.1 Met deze nota van wijziging geeft de regering (bij voorbaat) uitvoering aan deze
motie.
Voor aanvullende bekostiging van de DAEB tijdens de loopduur (dat wil zeggen: de loopduur
van de aanwijzing als lokale publieke omroep) is nodig dat het aanwijzingsbesluit
van de lokale publieke omroep wordt herzien. Het voorgestelde artikel 2.87s1 bevat
hiervoor een regeling. Herziening vindt plaats op aanvraag van een lokale publieke
media-instelling en kan alleen zien op een uitbreiding van het beleidsplan en de bijbehorende
ophoging van de begroting. Het Commissariaat besluit voor 1 januari van het kalenderjaar
waarin de herziening in werking moet treden op de aanvraag van de lokale publieke
omroep. Hiertoe vraagt het Commissariaat eerst zienswijzen aan de NLPO en de betreffende
gemeenteraad of -raden. De zienswijzen hebben betrekking op de herzieningsaanvraag,
die het Commissariaat doorstuurt aan de betreffende partijen. Voor de hand ligt dat
de NLPO en de gemeenteraad of -raden bij hun zienswijzen de gevolgen betrekken die
de gevraagde herziening kan hebben voor de aspecten waarop de criteria waarover zij
adviseren in de aanwijzingsprocedure betrekking hebben.2 Voor deze zienswijzen staat een termijn van zes weken. Indien partijen gedurende
die periode geen zienswijze indienen, staat dit niet in de weg aan het nemen van een
besluit door het Commissariaat. Het Commissariaat neemt de zienswijzen die naar voren
zijn gebracht, mede in acht bij het nemen van een besluit op de herzieningsaanvraag.
Andere relevante factoren kunnen zijn: de verhouding tussen de uitbreiding van het
beleidsplan en de verhoging van de begroting en of wordt voldaan aan het mediawettelijke
kader. Gelet op het feit dat voor alle publieke omroepen, ook de lokale, het boekjaar
gelijk is aan het kalenderjaar, is vanzelfsprekend dat het besluit op de herzieningsaanvraag
uitsluitend in werking kan treden op 1 januari van ieder jaar.
Om te zorgen dat lokale publieke omroepen voldoende tijd hebben om te besluiten een
herzieningsaanvraag in te dienen, wordt bepaald dat gemeenteraden die aanvullend willen
bekostigen, jaarlijks voor 1 augustus het beschikbare bedrag kenbaar maken. Met het
oog op de stabiliteit van de financiering van de lokale publieke omroepen blijft het
uitgangspunt dat gemeenteraden voorafgaand aan iedere aanwijzingsperiode van vijf
jaar het bedrag dat jaarlijks gedurende die periode beschikbaar is voor de bekostiging
van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, kenbaar maken.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap