Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 970 Regels over de gereedstelling van de krijgsmacht (Wet op de defensiegereedheid)
HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
Artikel 1.2 (doelstellingen)
Artikel 1.3 (gereedstelling in een weerbare maatschappij)
HOOFDSTUK 2. ZORG VOOR DE GEREEDSTELLING
Artikel 2.1 (gereedstelling als publieke taak)
HOOFDSTUK 3. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE FYSIEKE LEEFOMGEVING
HOOFDSTUK 4. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE INFORMATIEOMGEVING
HOOFDSTUK 5. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER PERSONEEL
Artikel 5.1 (enquête)
HOOFDSTUK 6. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER INKOOP
Artikel 6.1 (inkoop)
HOOFDSTUK 7. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN
Artikel 7.1 (wijziging van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming)
Artikel 7.2 (wijziging van de Wet op de medische keuringen)
Artikel 7.3 (wijzing van de Wet ambtenaren defensie)
Artikel 7.4 (wijziging van de Algemene wet bestuursrecht)
Artikel 7.5 (wijziging van de Telecommunicatiewet)
Artikel 7.6 (wijziging van de Luchtvaartwet)
Artikel 7.7 (wijziging van de Wet luchtvaart)
Artikel 7.8 (wijziging van de Scheepvaartverkeerswet)
HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN
Artikel 8.1 (vangnetbepaling)
Artikel 8.2 (evaluatiebepaling)
Artikel 8.3 (samenloop met Verzamelwet gegevensbescherming)
Artikel 8.4 (inwerkingtreding)
Artikel 8.5 (citeertitel)
Bijlage I bij artikel 3.1, eerste lid, van deze wet (Gereedstellingsactiviteiten)
Bijlage II bij artikel 3.1, tweede lid, van deze wet (categorieën gereedstellingsactiviteiten)
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, regels te stellen
over de gereedheid van het militaire vermogen van de krijgsmacht in het belang van
een doeltreffend optreden ter uitvoering van de grondwettelijke en bondgenootschappelijke
taken van de krijgsmacht;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Algemene verordening gegevensbescherming:
verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking
van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119);
bondgenoten:
staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, de lidstaten van de Europese
Unie en andere door Onze Minister aangewezen staten;
defensieonderdelen:
de krijgsmacht of onderdelen daarvan, alsmede de andere organisatieonderdelen van
het Ministerie van Defensie, met uitzondering van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;
defensiepersoneel:
1°. de in werkelijke dienst zijnde militaire ambtenaren in de zin van artikel 1, eerste
lid, onderdelen a en b, van de Wet ambtenaren defensie;
2°. de burgerlijke ambtenaren aangesteld om werkzaam te zijn bij het Ministerie van Defensie
in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet ambtenaren defensie;
3°. de in werkelijke dienst zijnde dienstplichtigen in de zin van de artikelen 18, 19
en 21 van de Kaderwet dienstplicht;
een dienst:
de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 of de Militaire Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten 2017;
geoefendheid:
door opleiding, training en oefening verworven bedrevenheid in het uitvoeren van aan
de krijgsmacht opgedragen operationele taken;
gereedheid:
staat van de krijgsmacht of een onderdeel daarvan om geloofwaardig en doeltreffend
ingezet te kunnen worden ter uitvoering van de in artikel 97 van de Grondwet omschreven
taken;
gereedstelling:
geheel van activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, gericht op de ontwikkeling
van een geloofwaardig en doeltreffend inzetbaar militair vermogen, met inbegrip van
het voortzettingsvermogen daarvan, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid;
materieel:
alle materiële middelen, voorraden, uitrusting, wapensystemen, technologieën en systemen
die door de defensieonderdelen worden gebruikt voor het gereedstellen en uitvoeren
van haar taken;
militair vermogen:
vermogen om militaire operaties doeltreffend te kunnen uitvoeren;
militaire objecten:
militaire objecten aangewezen krachtens artikel 2 van de Rijkswet geweldgebruik bewakers
militaire objecten, alsmede de terreinen waarop zich deze bevinden;
netwerk- en informatiesysteem:
1°. de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of
gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur
en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk
maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische
middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip
van internet) en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten voor zover deze voor overdracht
van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken,
ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;
2°. elk apparaat of elke groep van onderling verbonden of verwante apparaten, waarvan
er een of meer, op grond van een programma, een automatische verwerking van digitale
gegevens uitvoeren; of
3°. digitale gegevens die worden opgeslagen, verwerkt, opgehaald of verzonden met behulp
van de in onderdelen 1 en 2 bedoelde elementen met het oog op de werking, het gebruik,
de bescherming en het onderhoud ervan;
omvangrijke gegevensverzameling:
een verzameling gegevens die persoonsgegevens bevat van een groot aantal personen,
waarvan het merendeel van de personen niet relevant is voor de uitvoering van de activiteiten
van de defensieonderdelen op grond van deze wet;
Onze Minister:
Onze Minister van Defensie;
operationele oefenomgeving:
de voor het opleiden, trainen en oefenen voor militair optreden relevante omgeving,
bezien vanuit het belang van een doeltreffende ontplooiing of beveiliging van militaire
capaciteiten in deze omgeving en van de besluitvorming daarover door de commandant;
operationele omgeving:
voor het militaire optreden relevante dynamische fysieke, virtuele en cognitieve dimensie,
bezien vanuit het belang van een doeltreffende ontplooiing of beveiliging van militaire
capaciteiten in deze omgeving en van de besluitvorming daarover door de commandant.
Artikel 1.2 (doelstellingen)
1. De toepassing van deze wet is gericht op het verzekeren van de gereedheid van het
militaire vermogen van de krijgsmacht voor:
a. het doeltreffend afschrikken en weerstaan van een gewapende aanval tegen het Koninkrijk
of een bondgenoot; en
b. het doeltreffend optreden in het kader van andere hoofdtaken als bedoeld in artikel
97, eerste lid, van de Grondwet,
in de daarvoor relevante operationele omgeving.
2. De toepassing van deze wet is mede gericht op de afstemming van het belang van defensiegereedheid
met andere belangen in een weerbare maatschappij.
Artikel 1.3 (gereedstelling in een weerbare maatschappij)
1. Onze Minister maakt gelijktijdig met de begroting voor het nieuwe jaar zichtbaar
welk verband er ten dienste van een weerbare maatschappij bestaat tussen de mate waarin
de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, naderbij kan worden gebracht en voor de gereedstelling
bestaande ernstige belemmeringen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze
waarop toepassing wordt gegeven aan het eerste lid en over de daarbij te betrekken
gegevens.
HOOFDSTUK 2. ZORG VOOR DE GEREEDSTELLING
Artikel 2.1 (gereedstelling als publieke taak)
1. Onze Minister draagt zorg voor de gereedstelling van de krijgsmacht.
2. De in het eerste lid bedoelde zorg krijgt gestalte door:
a. het voorbereiden, onderhouden en verbeteren van de geoefendheid van de krijgsmacht;
b. het verwerven, onderhouden, vernieuwen en afstoten van infrastructuur en materieel;
c. het werven, selecteren, opleiden en trainen van defensiepersoneel;
d. het vergaren van kennis omtrent de voor de militaire taken relevante operationele
omgeving;
e. het bewaken en beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen,
militaire objecten en het defensiepersoneel;
f. andere activiteiten van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht of
van andere defensieonderdelen die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk
zijn met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2.
HOOFDSTUK 3. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE FYSIEKE LEEFOMGEVING
§ 3.1 Algemeen
Artikel 3.1 (gereedstellingsactiviteiten)
1. De voor uitoefening van defensietaken vereiste gereedstellingsactiviteiten, waarop
afdeling 19.6 van de Omgevingswet van toepassing is, de militaire objecten waar deze
in hoofdzaak worden verricht en in voorkomend geval de begrenzing van de omvang van
die activiteiten, zijn aangegeven in bijlage I.
2. De voor uitoefening van defensietaken vereiste categorieën van gereedstellingsactiviteiten,
waarop afdeling 19.6 van de Omgevingswet van toepassing is, zijn aangegeven in bijlage
II.
3. In de bijlagen kunnen gereedstellingsactiviteiten respectievelijk categorieën van
gereedstellingsactiviteiten worden toegevoegd of onttrokken en de omschrijving van
de activiteiten worden gewijzigd, bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht
van Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede
aangaat.
4. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal
is overgelegd.
§ 3.2 Wijziging Omgevingswet
Artikel 3.2 (wijziging van de Omgevingswet)
1. Artikel 16.44, eerste lid, van de Omgevingswet komt te luiden als volgt:
1. Op verzoek of ambtshalve kan ontheffing worden verleend van de verplichtingen op
grond van deze paragraaf:
a. door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: voor een project of deel daarvan
dat alleen is bestemd voor defensie, als toepassing van de verplichtingen nadelige
gevolgen heeft voor defensie,
b. door het bevoegd gezag: voor een project of deel daarvan dat alleen noodzakelijk is
vanwege een noodtoestand als bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden,
als toepassing van de verplichtingen nadelige gevolgen heeft voor het bestrijden van
de noodtoestand.
2. Na artikel 19.19 van de Omgevingswet wordt een afdeling toegevoegd, luidende:
AFDELING 19.6 DEFENSIEGEREEDHEID
§ 19.6.1 Algemeen
Artikel 19.20 (defensiegereedheid)
Deze afdeling is gericht op het verzekeren van de gereedheid van het militair vermogen
van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op de defensiegereedheid.
Artikel 19.21 (gereedstellingsactiviteiten)
Deze afdeling is van toepassing op de voor uitoefening van defensietaken vereiste
gereedstellingsactiviteiten, bedoeld in bijlage I bij de Wet op de defensiegereedheid,
of categorieën van gereedstellingsactiviteiten als bedoeld in bijlage II bij de Wet
op de defensiegereedheid.
§ 19.6.2 Bijzondere regels over gereedstellingsactiviteiten
Artikel 19.22 (afwijken bij algemene maatregel van bestuur voor activiteiten bij militaire
locaties)
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld
in artikel 19.20, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen,
voor de gereedstellingsactiviteiten die zijn aangewezen in bijlage I van de Wet op
de defensiegereedheid, worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het
verrichten van die gereedstellingsactiviteiten of op de besluiten die voor het verrichten
van die gereedstellingsactiviteiten zijn vereist bij of krachtens:
a. deze wet, voor zover het gaat over:
1°. afdeling 2.3,
2°. afdeling 2.5,
3°. de artikelen 2.40 en 2.45,
4°. paragraaf 4.1.1,
5°. afdeling 4.2,
6°. paragraaf 4.3.2,
7°. de paragrafen 5.1.1, 5.1.3 tot en met 5.1.5,
8°. paragraaf 5.2.2, en de artikelen 5.51 en 5.53,
9°. afdeling 16.2,
10°. afdeling 16.3,
11°. de afdelingen 16.5 en 16.6 en paragraaf 16.7.1, en
b. artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald:
a. welke afwijkingen van de in het eerste lid bedoelde wettelijke voorschriften voor
de betreffende gereedstellingsactiviteit zijn toegestaan,
b. hoe lang die afwijkingen ten hoogste met een maximum van vijf jaar zijn toegestaan,
voor zover de aard van de gereedstellingsactiviteit of de afwijking zich daar niet
tegen verzet.
3. Bij koninklijk besluit kan, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van
de afwijking is bepaald, worden bepaald dat die tijdsduur eenmalig kan worden verlengd.
4. De toepassing van het eerste lid laat met betrekking tot de gereedstellingsactiviteiten
de toedeling van de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.2 van deze wet en artikel
8.1 van de Erfgoedwet, onverlet.
5. De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het derde lid, geschiedt
door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat.
6. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat een afwijking die met toepassing van
het eerste lid is vastgesteld vervalt, zodra de tijdige en volledige uitvoering van
de gereedstellingsactiviteiten die het betreft, anderszins is verzekerd. Het vijfde
lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19.23 (voordracht, passende beoordeling en milieueffectrapportage)
1. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19.22, geschiedt
door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Ministers wie het aangaat.
2. Als artikel 19.22, eerste lid, wordt toegepast op Natura 2000-activiteiten, gaat
in afwijking van artikel 16.53c, eerste lid, de voordracht van de maatregel gepaard
met een passende beoordeling door Onze Minister van Defensie van de gevolgen van de
gereedstellingsactiviteiten voor Natura 2000-gebieden waarop de maatregel betrekking
heeft, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden, als
bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn. Artikel 16.53c, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3. De regels over milieueffectrapportage, bedoeld in paragraaf 16.4.2, zijn niet van
toepassing op de gereedstellingsactiviteiten waarvoor toepassing wordt gegeven aan
artikel 19.22, eerste lid, voor zover daarbij is vastgesteld dat toepassing van deze
regels op de betreffende projecten nadelige gevolgen heeft voor defensie.
Artikel 19.24 (beoordelingsregels gebiedsbescherming en soortenbescherming)
1. Ondanks de conclusies van de in artikel 19.23, tweede lid, bedoelde beoordeling dat
geen zekerheid kan worden verkregen dat de uitvoering van de gereedstellingsactiviteiten
waarvoor toepassing wordt gegeven aan artikel 19.22, eerste lid, de natuurlijke kenmerken
van de betrokken gebieden niet zal aantasten, kan de algemene maatregel van bestuur
worden vastgesteld vanwege het groot openbaar belang voor de nationale veiligheid
van de gereedstellingsactiviteiten en het ontbreken van alternatieve oplossingen.
2. Als bij de gereedstellingsactiviteiten waarvoor toepassing wordt gegeven aan artikel
19.22, eerste lid, sprake is van handelingen als bedoeld in artikel 5 of 6 van de
vogelrichtlijn, of artikel 12, 13 of 14 van de habitatrichtlijn, kan de algemene maatregel
van bestuur worden vastgesteld vanwege het groot openbaar belang van de gereedstellingsactiviteiten
voor de openbare veiligheid en voor de veiligheid voor het luchtverkeer als bedoeld
in artikel 9, eerste lid, onder a, van de vogelrichtlijn respectievelijk voor de nationale
veiligheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder c, van de habitatrichtlijn,
en vanwege het ontbreken van andere bevredigende oplossingen als bedoeld in artikel
9, eerste lid, aanhef, van de vogelrichtlijn en artikel 16, eerste lid, aanhef, van
de habitatrichtlijn.
Artikel 19.25 (inwerkingtreding: compensatieprogramma en soortenprogramma)
1. Onze Minister van Defensie stelt uiterlijk op het tijdstip van de inwerkingtreding
van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19.22, eerste lid, een compensatieprogramma
vast, waaruit blijkt welke compenserende maatregelen worden getroffen voor de in artikel
19.23, tweede lid, bedoelde gevolgen, om te waarborgen dat de algehele samenhang van
Natura 2000 bewaard blijft. Het betreft andere maatregelen dan die nodig zijn voor
het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, of die
nodig zijn om verslechtering of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied
te voorkomen.
2. Onze Minister van Defensie stelt uiterlijk op het tijdstip van de inwerkingtreding
van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19.22, eerste lid, een soortenprogramma
vast waaruit blijkt op welke locaties de gereedstellingsactiviteiten schadelijke gevolgen
kunnen hebben voor vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of dieren
of planten van soorten genoemd in bijlage IV van de habitatrichtlijn, welke soorten
dit zijn en welke maatregelen worden getroffen om te zorgen dat de staat van instandhouding
van de vogelsoorten niet verslechtert en het streven om de andere diersoorten en plantensoorten
in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, niet in het geding
komt.
3. Bij de beoordeling of door de toepassing van het eerste lid is voldaan aan artikel
6, vierde lid, van de habitatrichtlijn mag dat artikel, gelet op artikel 4, tweede
lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet zo worden uitgelegd dat de
goede en tijdige uitvoering van de betreffende gereedstellingsactiviteiten die naar
het oordeel van de regering noodzakelijk zijn voor essentiële defensietaken, wordt
belemmerd of onaanvaardbaar wordt vertraagd.
4. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt de Europese
Commissie op de hoogte van de getroffen compenserende maatregelen.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het compensatieprogramma
en het soortenprogramma, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 19.26 (uitvoering: gebruik van de afwijkingen)
1. Bij regeling van Onze Minister van Defensie worden regels gesteld over een goede
uitvoering van de gereedstellingsactiviteiten waarvoor toepassing is gegeven aan artikel
19.22, eerste lid. Deze regels houden in ieder geval in:
a. eisen over de deskundigheid van degenen die de gereedstellingsactiviteiten verrichten,
b. procedures die gevolgd worden bij de uitvoering van de gereedstellingsactiviteiten,
c. regels over de toepassing van specifieke stoffen, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid,
onder a, van de Wet op de defensiegereedheid, met een beschrijving van de specifieke
toepassing in of aan wapensystemen,
d. regels over maatregelen de wijze waarop activiteiten worden verricht met het oog op
het waar mogelijk beperken van nadelige gevolgen, en
e. de termijn waarbinnen Onze Minister van Defensie onderzoek doet naar de gevolgen voor
de fysieke leefomgeving, voor zover deze rechtstreeks verband houden met de afwijking
en een opgave van de daarbij voor de betreffende gereedstellingsactiviteiten te onderzoeken
onderdelen van de fysieke leefomgeving.
2. Iedere twee jaar worden de gevolgen van gereedstellingsactiviteiten en maatregelen
op de aanwezige vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of dieren of
planten van soorten genoemd in bijlage IV van de habitatrichtlijn en op hun staat
van instandhouding gemonitord. Als uit de monitor blijkt dat er mogelijk sprake is
van verslechtering van de staat van instandhouding door de gereedstellingsactiviteiten,
wordt het soortenprogramma, bedoeld in artikel 19.25, tweede lid, gewijzigd.
Artikel 19.27 (kennisgeving, advies en medewerking)
1. Onze Minister van Defensie geeft op geschikte wijze kennis van de voorgenomen uitvoering
van een gereedstellingsactiviteit waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 19.22,
eerste lid, aan:
a. bestuursorganen die bevoegd gezag zijn voor het doen van meldingen of het nemen van
besluiten krachtens de regels, waarvan krachtens artikel 19.22, eerste lid, voor de
gereedstellingsactiviteit wordt afgeweken,
b. bij de afwijking betrokken belanghebbenden.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk
vier weken voor het begin van de gereedstellingsactiviteiten, tenzij de vereiste spoed
zich daartegen verzet.
3. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, onder a, verlenen medewerking aan
een goede uitvoering van de gereedstellingsactiviteit en kunnen Onze Minister van
Defensie daarover vanwege de door hen behartigde algemene belangen advies geven. Tenzij
de vereiste spoed zich daartegen verzet is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht
van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van de gereedstellingsactiviteit.
Artikel 19.28 (structurele inspanning)
Onze Minister van Defensie bevordert dat de uitvoering van gereedstellingsactiviteiten
kan worden verzekerd anders dan door toepassing van artikel 19.22, eerste lid.
§ 19.6.3 Gereedstellingsbesluiten
Artikel 19.29 (gereedstellingsbesluit)
1. Bij gereedstellingsbesluit kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in
artikel 19.20, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen voor
een gereedstellingsactiviteit die behoort tot een in bijlage II bij de Wet op de defensiegereedheid
aangewezen categorie, worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het
verrichten van de gereedstellingsactiviteit of op de besluiten die voor het verrichten
van die gereedstellingsactiviteit zijn vereist bij of krachtens de in artikel 19.22,
eerste lid, genoemde bepalingen.
2. Een gereedstellingsbesluit bevat:
a. een beschrijving van de uit te voeren gereedstellingsactiviteit en de begrenzing van
de omvang van die activiteit,
b. een beschrijving van de locatie waar de gereedstellingsactiviteit wordt verricht,
c. een beschrijving van de afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid
bedoelde bepalingen die voor de betreffende gereedstellingsactiviteit is of zijn toegestaan,
d. hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van vijf jaar, zijn toegestaan,
voor zover de aard van de gereedstellingsactiviteit of de aard van de afwijking zich
daar niet tegen verzet, en
e. de voorzieningen die worden getroffen om nadelige gevolgen ongedaan te maken of te
beperken.
3. Een gereedstellingsbesluit kan ook bevatten:
a. de termijn waarbinnen Onze Minister van Defensie de gevolgen onderzoekt van de uitvoering
van de gereedstellingsactiviteit, voor zover deze rechtstreeks verband houden met
het gereedstellingsbesluit, en een opgave van de daarbij te onderzoeken onderdelen
van de fysieke leefomgeving,
b. een beschrijving van de specifieke stof of stoffen, bedoeld in artikel 3.5, eerste
lid, onder a, van de Wet op de defensiegereedheid, met een beschrijving van de specifieke
toepassing in of aan wapensystemen,
c. een ontheffing als bedoeld in artikel 16.44, eerste lid.
4. Op de toedeling van de handhavingstaak is artikel 19.22, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
5. Bij koninklijk besluit kan, in afwijking van het gereedstellingsbesluit waarbij de
tijdsduur van de afwijking is bepaald, worden bepaald dat die tijdsduur eenmalig kan
worden verlengd. Op dat koninklijk besluit is artikel 19.22, vijfde en zesde lid,
van toepassing.
Artikel 19.30 (bevoegd gezag)
Een gereedstellingsbesluit wordt vastgesteld door Onze Minister van Defensie in overeenstemming
met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, voor zover het diens
verantwoordelijkheid voor deze wet betreft, en in overeenstemming met Onze Minister
die het aangaat.
Artikel 19.31 (passende beoordeling)
1. In afwijking van artikel 16.53c, eerste lid, gaat het gereedstellingsbesluit gepaard
met een passende beoordeling door Onze Minister van Defensie van de gevolgen van de
relevante gereedstellingsactiviteit voor Natura 2000-gebieden, rekening houdend met
de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden, als bedoeld in artikel 6, derde
lid, van de habitatrichtlijn. Artikel 16.53c, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de voorbereiding
van een gereedstellingsbesluit als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19.32 (beoordelingsregels gebiedsbescherming en soortenbescherming)
1. Ondanks de conclusies van de in artikel 19.31, eerste lid, bedoelde beoordeling dat
geen zekerheid kan worden verkregen dat de uitvoering van de gereedstellingsactiviteit
waarvoor toepassing wordt gegeven aan artikel 19.29, eerste lid, de natuurlijke kenmerken
van de betrokken gebieden niet zal aantasten, kan het gereedstellingsbesluit worden
vastgesteld vanwege het groot en openbaar belang voor de nationale veiligheid van
de gereedstellingsactiviteit en het ontbreken van alternatieve oplossingen.
2. Een gereedstellingsbesluit waarin vanwege het groot en openbaar belang van de gereedstellingsactiviteiten,
bedoeld in artikel 19.31, tweede lid, voor de openbare veiligheid en voor de veiligheid
voor het luchtverkeer als bedoeld in artikel 9 van de vogelrichtlijn respectievelijk
voor de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 16 van de habitatrichtlijn, wordt
afgeweken van de krachtens deze wet voor een flora- en fauna-activiteit gestelde regels
ter uitvoering van verbodsbepalingen als bedoeld in artikel 5, onder a tot en met
d, van de vogelrichtlijn, dan wel artikel 12, eerste lid, onder a tot en met d, van
de habitatrichtlijn of van het gebod, bedoeld in artikel 14 van de habitatrichtlijn,
en dat betrekking heeft op een gereedstellingsactiviteit die mogelijk leidt tot een
overtreding van deze bepalingen, wordt gemotiveerd waarom geen sprake is van een andere
bevredigende oplossing als bedoeld in artikel 16 van de habitatrichtlijn.
Artikel 19.33 (inwerkingtreding en natuur- en soortencompensatie)
1. Onze Minister van Defensie stelt uiterlijk op het tijdstip van de inwerkingtreding
van het gereedstellingsbesluit een compensatieprogramma vast waaruit blijkt welke
compenserende maatregelen worden getroffen voor de in artikel 19.31, eerste lid, bedoelde
gevolgen, om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Het betreft andere maatregelen dan die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen
van een Natura 2000-gebied, of die nodig zijn om verslechtering of significant verstorende
gevolgen voor een Natura 2000-gebied te voorkomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als krachtens artikel 19.25, eerste lid, reeds
in de compenserende maatregelen is voorzien.
3. Onze Minister van Defensie wijzigt nodig het soortenprogramma, bedoeld in artikel
19.25, tweede lid.
4. Bij de beoordeling of door de toepassing van het eerste lid is voldaan aan artikel
6, vierde lid, van de habitatrichtlijn mag dat artikel, gelet op artikel 4, tweede
lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet zo worden uitgelegd dat de
goede en tijdige uitvoering van de betreffende gereedstellingsactiviteiten die naar
het oordeel van de regering noodzakelijk zijn voor essentiële defensietaken, wordt
belemmerd of onaanvaardbaar wordt vertraagd. De artikelen 19.25, vierde en vijfde
lid, en 19.26, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19.34 (kennisgeving, advies en medewerking)
Artikel 19.27 is ook van toepassing op de uitvoering van een gereedstellingsbesluit.
Artikel 19.35 (geen aanvulling gronden na afloop beroepstermijn)
Bij het beroep tegen een gereedstellingsbesluit is de bijzondere regeling over het
aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, eerste en derde lid,
van overeenkomstige toepassing. Bij de bekendmaking van een gereedstellingsbesluit
wordt dit vermeld.
§ 3.3 Militaire mobiliteit
Artikel 3.3 (militair vervoer)
1. Onze Minister van Defensie kan, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur
en Waterstaat, aan een beheerder van infrastructuur die open staat voor het verkeer
te land, onderscheidenlijk aan het bevoegd gezag op binnenwater, aanwijzingen geven
betreffende het beheer, alsmede andere met betrekking tot het verkeer over die infrastructuur
toegekende taken en bevoegdheden, voor zover dat noodzakelijk is ter uitvoering van
een gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I of die behoort tot een
categorie van gereedstellingsactiviteiten die is aangegeven in bijlage II.
2. Artikel 18, eerste lid, en artikel 3, derde lid, van de Vervoersnoodwet zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.4 (vervoer en overslag van gevaarlijke stoffen)
1. Artikel 27, vijfde lid, en artikel 29, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke
stoffen is van overeenkomstige toepassing op het laden en lossen buiten militaire
locaties, als dat noodzakelijk is ter uitvoering van een gereedstellingsactiviteit
die is aangegeven in bijlage I of die behoort tot een categorie van gereedstellingsactiviteiten
die is aangegeven in bijlage II.
2. Onze Minister van Defensie kan tijdens de uitvoering van een gereedstellingsactiviteit
als bedoeld in het eerste lid, ter beperking van de risico’s die zijn verbonden aan
de bij de gereedstellingsactiviteit betrokken overslag van gevaarlijke stoffen of
ontplofbare stoffen, de toegang tot een openbare plaats of een plaats in een haven
of spoorwegstation, beperken of verbieden door dat ter plaatse, of op een andere geschikte
wijze bekend te maken.
§ 3.4 Gebruik van stoffen
Artikel 3.5 (bijzondere vereisten omtrent gebruik stoffen)
1. Voor gereedstellingsactiviteiten die die zijn aangegeven in bijlage I of die behoort
tot een categorie van gereedstellingsactiviteiten die is aangegeven in bijlage II
en die krachtens afdeling 19.6 van de Omgevingswet worden uitgevoerd, waarbij chemische
stoffen worden gebruikt voor defensiedoeleinden, wordt toepassing gegeven aan:
a. artikel 2, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement
en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie
en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees
Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en
houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG)
nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen
91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie voor het uitzonderen
van de in deze verordening opgenomen stoffen voor defensiedoeleinden; en
b. artikel 1, vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees parlement
en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking
van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG
en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor het uitzonderen
van de in deze verordening opgenomen etiketterings- en verpakkingseisen voor defensiedoeleinden.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, onder a, worden de volgende waarborgen in acht
genomen:
a. Onze Minister van Defensie maakt een lijst van uitgesloten of beperkte stoffen (List
of Banned and Restricted Substances);
b. Onze Minister van Defensie gebruikt een gevaarlijke stof niet tenzij er geen technisch
gelijkwaardige alternatieven beschikbaar zijn;
c. Onze Minister van Defensie registreert het gebruik van de gevaarlijke stof in gebruikers-
en onderhoudsdocumentatie;
d. als de leverancier van de stof aangeeft dat aanwezigheid van de stof een risico vormt
voor de mens of het milieu, wordt in de gebruikersinstructies, onderhoudsdocumentatie
of afvalverwerkingsinstructies aangegeven, op welke wijze blootstelling aan de stof
wordt beheerst.
§ 3.5 Overige
Artikel 3.6 (openbaarmaking emissiegegevens Defensie)
In afwijking van artikel 5.1, zevende lid, van de Wet open overheid blijft de openbaarmaking
van milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu en die ziet op
de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, achterwege voor zover:
a. het belang van de veiligheid van de Staat, genoemd in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet open overheid, aan de orde is; of
b. het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van
Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties, genoemd
in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet open overheid.
HOOFDSTUK 4. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE INFORMATIEOMGEVING
§ 4.1 Algemene bepalingen
Artikel 4.1 (verwerkingsverantwoordelijke)
Onze Minister is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens
op grond van deze wet.
Artikel 4.2 (verwerking van persoonsgegevens bij de gereedstelling)
1. Persoonsgegevens kunnen door Onze Minister met inachtneming van het bij of krachtens
deze wet bepaalde worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de gereedstelling,
bedoeld in artikel 2.1, tweede lid.
2. Onze Minister kan ten behoeve van het doel, bedoeld in het eerste lid, gegevens,
waaronder persoonsgegevens, verwerken voor zover:
a. afkomstig uit eigen waarneming, al dan niet met gebruik van technische hulpmiddelen;
b. afkomstig uit publiek toegankelijke bronnen;
c. afkomstig uit informatiebronnen van derden;
d. ontvangen van een dienst;
e. ontvangen van bondgenoten;
f. ontvangen van andere nationale- en internationale privaatrechtelijke of publiekrechtelijke
instanties, indien de betreffende wet- en regelgeving in de verstrekking voorziet
met inachtneming van die wet- en regelgeving.
3. De bronnen, bedoeld in het tweede lid, worden niet gebruikt met het oogmerk om personen
stelselmatig te monitoren. Die beperking houdt in ieder geval in dat geen gebruik
wordt gemaakt van:
a. het op geautomatiseerde wijze en gericht op personen stelselmatig overnemen van persoonsgegevens;
b. ander gebruik van een technisch hulpmiddel waarvan redelijkerwijs voorzienbaar is
dat daarmee verwerkingen van persoonsgegevens gericht worden toegepast op personen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
over de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, waaronder regels
over:
a. de voorwaarden die aan de verwerking van persoonsgegevens worden gesteld, met inbegrip
van:
1°. de deskundigheidseisen die aan het voor de verwerking gemachtigde defensiepersoneel
gesteld kunnen worden;
2°. de wijze van en de eisen die aan de vastlegging van bepaalde verwerkingen van persoonsgegevens
kunnen worden gesteld, in het bijzonder met het oog op de beoordeling van de rechtmatige
verwerking van persoonsgegevens op grond van deze wet;
b. de verwerving en het gebruik van gegevens uit publiek toegankelijke bronnen en uit
informatiebronnen van derden, waarbij de regels over publieke toegankelijke bronnen
betrekking kunnen hebben op:
1°. het gebruik van te onderscheiden categorieën van publiek toegankelijke bronnen;
2°. de voorwaarden voor het gebruik van publiek toegankelijke online communicatieplatforms.
Artikel 4.3 (algemene waarborgen)
1. Persoonsgegevens worden, rekening houdend met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten,
de aard, de omvang, de context van de verwerking, de risico's voor de rechten en vrijheden
van natuurlijke personen en de risico’s voor de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2,
geanonimiseerd dan wel gepseudonimiseerd, tenzij het doel van de verwerking zich daartegen
verzet.
2. Het verzamelen van persoonsgegevens waarvan het niet terstond mogelijk is geweest
om vast te stellen om welke persoonsgegevens het gaat, is toegestaan voor de doeleinden
genoemd in deze wet. De verzamelde gegevens worden onverwijld beoordeeld op de aanwezigheid
van persoonsgegevens en, voor zover relevant, op de noodzaak van verdere verwerking
daarvan. Deze persoonsgegevens worden na vaststelling verwerkt overeenkomstig deze
wet.
3. Onverminderd artikel 6, vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming
is de verwerking van persoonsgegevens voor een ander doel dan waarvoor die zijn verzameld
op grond van deze wet toegestaan, indien Onze Minister hiervoor toestemming verleent
met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, en de verwerking voor dat andere
doel noodzakelijk is en in verhouding staat tot dat doel.
4. Onze Minister zorgt voor passende technische en organisatorische maatregelen in verband
met de verwerking van gegevens bij of krachtens deze wet bepaald. Hiertoe behoren
in ieder geval:
a. het bevorderen van de juistheid en de volledigheid van de gegevens die worden verwerkt
alsmede van de kwaliteit van de gegevensverwerking;
b. een beveiligingsbeleid met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, waaronder:
1°. waarborgen dat slechts daartoe gemachtigd personeel toegang heeft tot de persoonsgegevens;
en
2°. maatregelen met betrekking tot een deugdelijke werking en beveiliging van de apparatuur
en programmatuur die bij het verwerken van de gegevens worden ingezet.
Artikel 4.4 (AVG)
1. Op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de hoofdstukken 1, 2 en 4
van deze wet en de daarop berustende bepalingen is van overeenkomstige toepassing:
a. de Algemene verordening gegevensbescherming, met uitzondering van de artikelen 9 en
10, hoofdstuk III en de artikelen 33, 34 en 36 van die verordening; en
b. de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, met uitzondering van de
artikelen 22 tot en met 33 van die wet.
2. Bij besluit van Onze Minister kan worden afgeweken van het eerste lid indien dit
noodzakelijk is om een belemmering of onaanvaardbare vertraging van de gereedheid,
bedoeld in artikel 1.2, te voorkomen. Van het besluit wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de Autoriteit persoonsgegevens.
3. Krachtens het tweede lid kan niet worden afgeweken van afdeling 4 van hoofdstuk IV
of de hoofdstukken VI tot en met VIII van de Algemene verordening gegevensbescherming
of van hoofdstuk 2 of paragraaf 3.4 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.
Artikel 4.5 (bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard)
Bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zijnde persoonsgegevens waaruit ras of
etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging,
of het lidmaatschap van een vakbond blijkt, en de verwerking van genetische gegevens,
biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon,
of gegevens over gezondheid, seksuele leven en seksuele gerichtheid, alsmede persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard, zijnde persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen
en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen, worden niet
verwerkt, tenzij:
a. dat voor het doel van de gegevensverwerking onvermijdelijk is;
b. deze persoonsgegevens in aanvulling zijn op de verwerking van andere persoonsgegevens
betreffende de persoon; en
c. de gegevens afdoende zijn beveiligd, waaronder in voorkomend geval de versleuteling
van deze gegevens en het beperken van toegang tot deze gegevens.
Artikel 4.6 (omvangrijke gegevensverzamelingen)
1. Voor het doel, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, kunnen uitsluitend omvangrijke
gegevensverzamelingen worden verwerkt die niet meer dan een beperkte inbreuk maken
op de persoonlijke levenssfeer en nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.
2. Bij het beoordelen van de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt in
ieder geval betrokken de mate waarin de omvangrijke gegevensverzameling inzicht geeft
in bepaalde aspecten van iemands privéleven, daarbij rekening houdend met de aard
van de persoonsgegevens in de omvangrijke gegevensverzameling en de mate waarin:
a. de persoonsgegevens te koppelen zijn aan één persoon;
b. de persoonsgegevens inzicht geven in het netwerk van een persoon;
c. het vertrouwelijke inhoud betreft;
d. het locatiegegevens betreft.
3. De toegang tot en het verwerken van persoonsgegevens uit een omvangrijke gegevensverzameling
geschiedt slechts door de daartoe gemachtigde personen, voor zover dat noodzakelijk
is voor de goede uitvoering van de opgedragen taak.
4. Onze Minister voorziet in een functiescheiding tussen de beoordeling, bedoeld in
het tweede lid, en de toegang tot en het verwerken van persoonsgegevens uit een omvangrijke
gegevensverzameling.
Artikel 4.7 (bewaartermijnen)
1. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor het doel waarvoor
deze zijn verwerkt en worden in ieder geval uiterlijk twee jaar na de datum van eerste
verwerking verwijderd en vernietigd, tenzij wettelijke voorschriften over bewaring
aan vernietiging in de weg staan.
2. Onze Minister kan, wanneer dit met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2,
noodzakelijk wordt geacht, de bewaartermijn ten hoogste tweemaal met een termijn van
telkens maximaal twee jaar verlengen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. kunnen beperkingen worden gesteld aan de bewaartermijn, genoemd in het eerste lid,
voor specifieke verwerkingen;
b. worden nadere regels gesteld over de procedure voor de verlenging van de bewaartermijn.
§ 4.2 Gereedstellingsactiviteiten
Artikel 4.8 (gegevensverwerking bij gereedstellingsactiviteiten)
1. Onder noodzakelijk voor de gereedstellingsactiviteiten, bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, onderdelen a tot en met c en f, wordt begrepen gegevensverwerking in het kader
van:
a. het opleiden, trainen en oefenen in de operationele oefenomgeving met en het onderhouden
van materieel, waaronder het gebruik van bemande en onbemande voertuigen, vaartuigen
en luchtvaartuigen en het gebruik van technische hulpmiddelen om de omgeving waar
te nemen;
b. het opleiden, trainen en oefenen in het gebruik van het elektromagnetisch spectrum,
inclusief het gebruik van technische hulpmiddelen om veilig en effectief gebruik te
maken van het elektromagnetisch spectrum en het manipuleren en verstoren van de elektromagnetische
straling in dat spectrum;
c. het opleiden, trainen en oefenen met gegevens verkregen in de fysieke leefomgeving
en de virtuele omgeving;
d. het opleiden, trainen en oefenen in het verkrijgen van een informatiepositie, bedoeld
in artikel 4.9;
e. het opleiden, trainen en oefenen in het bewaken en beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen
van de defensieonderdelen, militaire objecten en het defensiepersoneel, bedoeld in
artikel 4.10;
f. het ontwerpen en ontwikkelen van en het experimenteren met materieel, technologieën
en technieken met het oog op het verzekeren van de gereedheid, bedoeld in artikel
1.2;
g. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gereedstellingsactiviteiten.
2. In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a tot en met e, kunnen persoonsgegevens
en, in afwijking van artikel 4.5, bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden
verwerkt van ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambtenaren defensie, voor
zover dit noodzakelijk is voor het simuleren van de operationele omgeving ten behoeve
van het opleiden, trainen en oefenen of voor het ontwikkelen van een opleiding, training
of oefening.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de gereedstellingsactiviteiten,
waaronder de categorieën van verwerkingen van persoonsgegevens op grond van het eerste
lid alsmede de voorwaarden voor de verwerking van persoonsgegevens bij het opleiden,
trainen en oefenen of het ontwerpen, ontwikkelen en experimenteren.
§ 4.3 Informatiepositie
Artikel 4.9 (informatiepositie)
1. Onze Minister vergaart kennis omtrent de voor een veilig en doeltreffend optreden
van eenheden of onderdelen van de krijgsmacht relevante operationele omgeving. Dit
houdt in het vormen van een initieel beeld van de relevante operationele omgeving,
het analyseren en duiden daarvan en het waarnemen van relevante wijzigingen daarin.
2. De kennis, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op informatie over:
a. de fysisch geografische, oceanografische en meteorologische omstandigheden in de operationele
omgeving;
b. de geografische gegevens in de operationele omgeving, alsmede de gegevens over de
daar aanwezige fysieke infrastructuur;
c. de digitale infrastructuur in de operationele omgeving;
d. het spectrum van elektromagnetische straling, met uitzondering van de inhoud van communicatie,
in de operationele omgeving;
e. militaire activiteiten in de operationele omgeving;
f. relevante trends en ontwikkelingen in het maatschappelijk verkeer in de operationele
omgeving;
g. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen informatie met betrekking
tot de doeleinden, bedoeld in het eerste lid.
3. De vergaring van kennis, bedoeld in het eerste lid, is niet gericht op specifieke
personen.
4. De commandant op het tactische of operationele niveau van een eenheid van de krijgsmacht
is, onverminderd het initiatief bedoeld in het vijfde lid, bevoegd om op aanwijzing
van Onze Minister voor maximaal de duur van de voorbereiding op het betreffende militaire
optreden, voor daarbij te bepalen focusgebieden, af te wijken van het derde lid, voor
zover:
a. een ernstig vermoeden bestaat dat deze personen een gevaar vormen voor de veiligheid
van de krijgsmacht – of de militaire taakuitoefening van de betrokken eenheden;
b. dit noodzakelijk is voor het in kaart brengen van relevante publieke organen en civiele
actoren die de krijgsmacht in de operationele omgeving kunnen ondersteunen; of
c. dit noodzakelijk is voor de bescherming van personen in de operationele omgeving,
in het bijzonder voor de evacuatie van deze personen uit de operationele omgeving.
5. De commandant kan de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, op eigen initiatief
gebruiken, indien het gebruik hiervan onverwijld aan de goedkeuring van Onze Minister
wordt onderworpen. De uitoefening van de bevoegdheid wordt onmiddellijk gestaakt als
goedkeuring hiervoor wordt onthouden. De goedkeuring is in ieder geval onthouden wanneer
Onze Minister zeven dagen na het gebruik van de bevoegdheid geen goedkeuring heeft
gegeven.
6. Artikel 4.2, derde lid, is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in het vierde
en vijfde lid.
7. Met de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst vindt er periodiek afstemming
plaats over de kennisvergaring over personen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel
a.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing
van het vierde, vijfde en zevende lid.
§ 4.4 Bewaken en beveiligen
Artikel 4.10 (bewaken en beveiligen)
1. Onze Minister zorgt voor het bewaken en beveiligen van de defensieonderdelen ter
voorkoming of afwering van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid en gereedheid
van deze defensieonderdelen te schaden. Hieronder wordt begrepen:
a. het beveiligen van netwerk- en informatiesystemen van defensieonderdelen;
b. het bewaken en beveiligen van vaste en mobiele militaire objecten, met inbegrip van
het materieel, van de krachtens artikel 2 van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire
objecten aangewezen objecten;
c. het beschermen van het defensiepersoneel.
2. De in het eerste lid bedoelde taak wordt niet krachtens deze wet uitgeoefend, voor
zover de bewaking en beveiliging reeds bij of krachtens een andere wet wordt uitgeoefend.
3. In aanvulling op de regels gesteld krachtens artikel 3, derde lid, van de Rijkswet
geweldgebruik bewakers militaire objecten kunnen ten behoeve van de activiteiten,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, in de nabijheid van een militair object
of het defensiepersoneel interventiemiddelen worden ingezet om, waar nodig met het
gebruik van het elektromagnetisch spectrum, een object tot stoppen te brengen of zodanig
te beïnvloeden dat hiermee de dreiging of het gevaar voor de veiligheid wordt afgewend.
Artikel 4.11 (gegevensverwerking digitale infrastructuur)
1. Onder noodzakelijk voor het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van
de defensieonderdelen, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a, wordt begrepen
gegevensverwerking in het kader van:
a. het monitoren en analyseren van cyberdreigingen, kwetsbaarheden en incidenten die
het functioneren van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen bedreigen;
b. het verstrekken van waarschuwingen en het verspreiden van informatie over cyberdreigingen,
kwetsbaarheden en incidenten aan relevante belanghebbenden, voor zover dit noodzakelijk
is voor het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van die belanghebbende;
c. het proactief scannen en testen van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen
om kwetsbaarheden met mogelijk significante gevolgen op te sporen, waaronder het analyseren
van cyberdreigingen binnen de defensieonderdelen;
d. het reageren op incidenten in de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen;
e. het verzamelen en analyseren van forensische gegevens en het zorgen voor dynamische
risico- en incidentenanalyse en situationeel bewustzijn met betrekking tot cyberbeveiliging;
f. op verzoek, wederzijdse bijstand verlenen aan een nationale of bondgenootschappelijke
entiteit die is belast met het beveiligen van een netwerk- en informatiesysteem;
g. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen activiteiten voor het beveiligen
van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen.
2. In aanvulling op artikel 4.2, tweede lid, kan Onze Minister gegevens, waaronder persoonsgegevens,
verwerken afkomstig uit een analyse op de cyberbeveiligingsrisico’s van de elektromagnetische
straling, met uitzondering van de inhoud van communicatie, van de netwerk- en informatiesystemen
van de defensieonderdelen.
Artikel 4.12 (gegevensverwerking militaire objecten en defensiepersoneel)
1. Voor de uitvoering van de in artikel 4.10, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde
taken kan Onze Minister in aanvulling op de bronnen, genoemd in artikel 4.2, tweede
lid, gegevens, waaronder persoonsgegevens, verwerken die hij heeft ontvangen van de
Koninklijke marechaussee op grond van de Wet politiegegevens.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over het gebruik
van technische hulpmiddelen bij het bewaken en beveiligen van militaire objecten en
het beschermen van defensiepersoneel.
§ 4.5 Gegevensverstrekking
Artikel 4.13 (gegevensverstrekking)
1. Onze Minister kan gegevens, waaronder persoonsgegevens, verwerkt in het kader van
de goede uitvoering van deze wet en voor zover de vertrouwelijkheid zich daar niet
tegen verzet, verstrekken aan:
a. Onze Minister die het aangaat met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2;
b. een dienst, voor zover zij deze behoeft in verband met de goede uitvoering van de
bij de wet aan haar opgedragen taken;
c. de politie, de Koninklijke marechaussee en het openbaar ministerie, voor zover zij
deze behoeven voor de goede uitvoering van hun wettelijke taken in verband met het
voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten;
d. de burgemeesters, voor zover zij deze behoeven voor de goede uitvoering van hun taken
op grond van de Gemeentewet in verband met de handhaving van de openbare orde;
e. aan relevante belanghebbenden, in het kader van artikel 4.11, eerste lid, onderdeel
b;
f. bondgenoten, voor zover dit noodzakelijk is voor de krijgsmacht ter uitvoering van
haar bondgenootschappelijke taken en verplichtingen op het gebied van internationale
militaire samenwerking, daaronder begrepen het opleiden, trainen en oefenen en het
doeltreffend optreden in de operationele omgeving in bondgenootschappelijk verband.
2. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel f, kunnen persoonsgegevens worden verstrekt
aan bondgenoten indien dit op grond van indicaties noodzakelijk is voor de bescherming
van de veiligheid en zwaarwegende algemene belangen van die bondgenoot en van de vrijheid
en het leven van een persoon. Onder de te beschermen belangen wordt in ieder geval
verstaan:
a. het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van deze bondgenoot;
b. het bewaken van militaire objecten en het defensiepersoneel van deze bondgenoot.
3. Onverminderd de vereisten voor doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen of
internationale organisaties, genoemd in hoofdstuk V van de Algemene verordening gegevensbescherming,
worden persoonsgegevens op grond van het tweede lid niet verstrekt aan derde landen
of internationale organisaties indien de verstrekking in het specifieke geval in strijd
is met de belangen van het Koninkrijk of een gevaar oplevert voor het recht op leven,
menselijke integriteit en vrijheid of andere fundamentele mensenrechten van de betrokkene.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen en instanties worden aangewezen
aan wie of waaraan, met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, persoonsgegevens
kunnen worden verstrekt, waar nodig in afwijking van het derde lid, ter uitvoering
van de bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven taak.
5. In bijzondere gevallen kan Onze Minister, voor zover dit met het oog op de landsverdediging,
nationale veiligheid of ter bescherming van het leven van een persoon dringend noodzakelijk
is, beslissen tot het verstrekken van persoonsgegevens aan andere instanties dan genoemd
in het eerste lid. Van dit besluit wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan
de Autoriteit persoonsgegevens.
6. De verstrekking van gegevens vindt plaats onder de voorwaarde dat deze gegevens slechts
kunnen worden verwerkt door de ontvanger voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt.
De ontvanger wordt hierover geïnstrueerd.
7. Persoonsgegevens worden gepseudonimiseerd verstrekt, tenzij dit vanwege de doeleinden
van de verstrekking niet mogelijk is. Artikel 4.3, eerste lid, is van overeenkomstige
toepassing op de pseudonimisering.
8. Van de verstrekking van persoonsgegevens wordt aantekening gehouden.
§ 4.6 Rechten van de betrokkene
Artikel 4.14 (mededeling verwerking persoonsgegevens)
1. Onze Minister geeft tijdig door een publieke mededeling brede kenbaarheid van voorgenomen
verwerkingen van persoonsgegevens ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel
2.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en onderdeel f, voor zover de vertrouwelijkheid
van de activiteit zich daar niet tegen verzet.
2. Deze mededeling bevat in ieder geval de volgende informatie:
a. de activiteit waarvoor persoonsgegevens worden verwerkt;
b. een aanduiding van de locatie waar de activiteit zal worden verricht;
c. de categorieën persoonsgegevens die worden verwerkt;
d. de periode waarin persoonsgegevens worden verwerkt;
e. de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
f. de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd;
g. dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens,
en de contactgegevens van die autoriteit;
h. informatie over de bron van de persoonsgegevens;
i. de bewaartermijn van de persoonsgegevens.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing
van het eerste lid.
Artikel 4.15 (recht op kennisneming)
1. Onze Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens ten
behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdelen a tot
en met c, zijn verwerkt.
2. Onze Minister kan dit besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging
wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan
aan de aanvrager.
3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan langs elektronische weg worden gedaan.
4. Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, stelt Onze
Minister de aanvrager zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking
van zijn besluit in de gelegenheid van zijn verwerkte persoonsgegevens kennis te nemen.
5. Onze Minister draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van
de aanvrager.
Artikel 4.16 (verklaring na kennisneming persoonsgegevens)
1. Degene die kennis heeft genomen van de omtrent hem verwerkte persoonsgegevens, kan
een schriftelijke verklaring overleggen met betrekking tot de onjuistheid of onvolledigheid
van de persoonsgegevens. Deze persoon wordt hier bij de kennisneming op gewezen.
2. De schriftelijke verklaring wordt bij de desbetreffende persoonsgegevens gevoegd.
3. De verklaring wordt gelijktijdig met de persoonsgegevens waarop deze betrekking heeft
verwijderd of vernietigd.
Artikel 4.17 (weigeringsgronden en beperkingen)
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.15 wordt in ieder geval afgewezen:
a. voor zover verstrekking van de persoonsgegevens waarop de aanvraag betrekking heeft:
1°. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
2°. de landsverdediging, waaronder de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, in gevaar zou
kunnen brengen;
3°. de nationale veiligheid zou kunnen schaden;
b. indien betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.
2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.15 wordt voorts afgewezen voor zover het belang
van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft niet opweegt
tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen
of bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. bedrijfs- en fabricagegegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk
aan de overheid zijn meegedeeld, alsmede andere concurrentiegevoelige bedrijfs- en
fabricagegegevens;
g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;
j. indien geen sprake is van milieu-informatie, de onevenredige benadeling van een ander
belang dan genoemd in het eerste of tweede lid.
§ 4.7 Overige bepalingen
Artikel 4.18 (toetsing en rapportage)
De functionaris voor gegevensbescherming, bedoeld in artikel 37 van de Algemene verordening
gegevensbescherming, toetst de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde
in dit hoofdstuk, in het bijzonder de naleving daarvan. Binnen drie jaar na de inwerkingtreding
van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, zendt Onze Minister aan de Staten-Generaal
een door de functionaris voor gegevensbescherming opgestelde rapportage van de resultaten
van deze toetsing.
Artikel 4.19 (tijdelijke amvb)
Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens de artikelen 4.8, eerste lid,
onderdeel g, 4.9, tweede lid, onderdeel g, of 4.11, eerste lid, onderdeel g, vastgestelde
algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken
onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien
het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal
besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld
ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel
van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
HOOFDSTUK 5. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER PERSONEEL
Artikel 5.1 (enquête)
1. Onze Minister kan ten behoeve van de gereedstelling, bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, onderdeel c, met het oog op de werving van militaire ambtenaren een enquête versturen
aan ingezeten Nederlanders in de leeftijd van zeventien tot en met zevenentwintig
jaar.
2. Onze Minister maakt ten behoeve van de verzending van de enquête gebruik van gegevens
uit de basisregistratie personen.
3. Onze Minister kan persoonsgegevens, met inbegrip van gegevens over gezondheid als
bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming,
uitsluitend verwerken, voor zover dit noodzakelijk is voor de verzending en het verwerken
van de antwoorden op de enquête ten behoeve van het doel, bedoeld in het eerste lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de persoonsgegevens
die op grond van dit artikel verwerkt worden, waaronder de categorieën van persoonsgegevens
die daartoe worden verwerkt en de bewaartermijnen van de op grond van dit artikel
verkregen persoonsgegevens.
HOOFDSTUK 6. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER INKOOP
Artikel 6.1 (inkoop)
1. De omstandigheid waarin de tijdigheid van de gereedstelling is of wordt bedreigd,
wordt aangemerkt als een crisissituatie in de zin van artikel 2.23, eerste lid, onderdeel
d, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied.
2. De tijdigheid van de gereedstelling, bedoeld in artikel 2.1, geldt als een wezenlijk
belang van Nederland als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, onderdeel e, van de
Aanbestedingswet 2012.
HOOFDSTUK 7. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN
Artikel 7.1 (wijziging van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming)
Artikel 3, derde tot en met zesde lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening
gegevensbescherming komt te luiden:
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op:
a. de verwerking van persoonsgegevens door Onze Minister van Defensie met het oog op
de gereedheid van de krijgsmacht ter uitvoering van de in artikel 97 van de Grondwet
omschreven taken voor zover daarop de Wet op de defensiegereedheid van toepassing
is;
b. de verwerking van persoonsgegevens door Onze Minister van Defensie met het oog op
de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter uitvoering van de in
artikel 97 van de Grondwet omschreven taken, voor zover het de artikelen 9 en 10,
hoofdstuk III en de artikelen 33, 34 en 36 van de verordening en de artikelen 22 tot
en met 33 van deze wet betreft;
c. de verwerking van persoonsgegevens voor zover daarop de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2017 van toepassing is.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in
het derde lid, onderdeel b, bedoelde verwerking van persoonsgegevens door de krijgsmacht.
5. Onverminderd het vierde lid, kan Onze Minister van Defensie ten behoeve van de verwerking
van persoonsgegevens, als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, bij besluit afwijken
van de verordening en deze wet. Van dit besluit wordt zo spoedig mogelijk mededeling
gedaan aan de Autoriteit persoonsgegevens.
6. Krachtens het vijfde lid kan niet worden afgeweken van afdeling 4 van hoofdstuk IV
of de hoofdstukken VI tot en met VIII van de verordening of van hoofdstuk 2 of paragraaf
3.4 van deze wet.
Artikel 7.2 (wijziging van de Wet op de medische keuringen)
Na artikel 4 van de Wet op de medische keuringen wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4a
1. Ten behoeve van de gereedstelling van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, onderdeel c, van de Wet op de defensiegereedheid, kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld over keuringen in verband met het aangaan
van een aanstelling als militair ambtenaar.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden
regels gesteld over:
a. het beoordelen van de totale operationele inzetbaarheid van de keurling als militair
ambtenaar;
b. het beoordelen en beslissen tot functietoewijzing krachtens artikel 12 van de Wet
ambtenaren defensie;
c. de plaats van de keuring in het selectieproces van de krijgsmacht; en
d. de bewaartermijn van de keuringsgegevens.
Artikel 7.3 (wijzing van de Wet ambtenaren defensie)
De Wet ambtenaren defensie wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 1, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
j door een komma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
k. gereedstelling van de krijgsmacht:
gereedstelling als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
B
Artikel 1b komt te luiden:
Artikel 1b
Voor zover dit met het oog op de goede uitvoering van de operationele taken van de
krijgsmacht noodzakelijk is, kan Onze Minister afwijken van hetgeen bij of krachtens
deze wet is bepaald:
a. in buitengewone omstandigheden;
b. indien en voor zover naar het oordeel van Onze Minister een goede voortgang van de
gereedstelling van de krijgsmacht in het geding komt en de afwijking tijdelijk noodzakelijk
geacht wordt. Een dergelijke afwijking heeft maximaal een duur van twee jaar en kan
eenmalig voor een jaar worden verlengd. Van een afwijking van hetgeen bij deze wet
is bepaald wordt schriftelijke mededeling gedaan aan beide Kamers der Staten-Generaal.
C
Na artikel 12h worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 12hbis
1. De gezondheid van de militair ambtenaar in werkelijke dienst kan gedurende de opleiding,
trainingen en oefeningen individueel gemonitord worden om:
a. diens inzetbaarheid te beoordelen;
b. diens gezondheid te waarborgen met het oog op het verhogen van de duurzame fysieke
inzetbaarheid van de krijgsmacht; en
c. om trainingsprogramma’s te ontwikkelen en te optimaliseren.
2. De monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats na
schriftelijke instemming van de militair ambtenaar in werkelijke dienst.
3. Onze Minister kan voor zover noodzakelijk voor het doel, genoemd in het eerste lid,
biometrische gegevens en gegevens over gezondheid verwerken. Gepseudonimiseerde persoonsgegevens
mogen verder verwerkt worden voor het ontwikkelen en optimaliseren van trainingsprogramma’s.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder de monitoring van de gezondheid, bedoeld
in het eerste lid, kan plaatsvinden, de technologische middelen die kunnen worden
toegepast, almede ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in het
derde lid.
Artikel 12hter
1. De gezondheid van de militair ambtenaar in werkelijke dienst kan structureel gemonitord
worden ten behoeve van onderzoek voor het vormen van het gezondheidsbeleid voor de
krijgsmacht.
2. De monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats indien
de militair ambtenaar in werkelijke dienst hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt.
3. Voor de monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister
biometrische gegevens en medische gegevens verwerken in combinatie met inzet- en plaatsingsgegevens
of andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens. Deze gegevens
kunnen verder worden verwerkt ten behoeve van de ontwikkeling van het gezondheidsbeleid,
mits geanonimiseerd.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden en de procedure waaronder de monitoring van de gezondheid,
bedoeld in het eerste lid, kan plaatsvinden, alsmede ten aanzien van de verwerking
van persoonsgegevens, bedoeld in het derde lid.
Artikel 7.4 (wijziging van de Algemene wet bestuursrecht)
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
a. in de zinsnede met betrekking tot de Omgevingswet wordt een onderdeel toegevoegd,
luidende:
g. artikel 19.29, eerste lid
b. in de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet op de defensiegereedheid: artikel 8.1
B
In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de zinsnede
met betrekking tot de Omgevingswet, onder verlettering van onderdeel r tot s, een
onderdeel ingevoegd, luidende:
r. artikel 19.26, eerste lid
C
Artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
a. in de zinsnede met betrekking tot de Omgevingswet wordt een onderdeel toegevoegd,
luidende:
n. artikel 19.29, eerste lid
b. in de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet op de defensiegereedheid: artikel 8.1
Artikel 7.5 (wijziging van de Telecommunicatiewet)
De Telecommunicatiewet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt toegevoegd «Bij het vaststellen of wijzigen van het frequentieplan
weegt Onze Minister in ieder geval het belang van de gereedstelling, bedoeld in artikel
1.1 van de Wet op de defensiegereedheid, mee.».
2. Aan het vijfde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
B
In artikel 3.3, tweede lid, vervalt «, dat niet langer dan een jaar tevoren bij hem
is ingediend».
C
Aan artikel 3.5b, tweede lid, wordt toegevoegd «In uitzonderlijke omstandigheden kan
Onze Minister de termijn telkens met zes weken verlengen.».
D
Artikel 3.14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
2. Aan het vierde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
E
Artikel 3.22 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
2. In het vijfde lid wordt na «onder a tot en met d» ingevoegd «en g».
Artikel 7.6 (wijziging van de Luchtvaartwet)
Na artikel 76 van de Luchtvaartwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 76a
1. Bij algemene maatregel van bestuur of bij gereedstellingsbesluit als bedoeld in artikel
19.29 van de Omgevingswet kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel
19.20 van de Omgevingswet, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen,
ten behoeve van de gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I van de
Wet op de defensiegereedheid, respectievelijk in bijlage II van de Wet op de defensiegereedheid
worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van die gereedstellingsactiviteit
of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteit zijn
vereist bij of krachtens artikel 76 van deze wet.
2. Afdeling 19.6 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing op een afwijking
als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.7 (wijziging van de Wet luchtvaart)
Aan hoofdstuk 9 van de Wet luchtvaart wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 9.9
1. Bij algemene maatregel van bestuur of bij gereedstellingsbesluit als bedoeld in artikel
19.29 van de Omgevingswet kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel
19.20 van de Omgevingswet, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen,
ten behoeve van de gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I van de
Wet op de defensiegereedheid, respectievelijk in bijlage II van de Wet op de defensiegereedheid
worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van die gereedstellingsactiviteit
of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteit zijn
vereist bij of krachtens hoofdstuk 1, hoofdstuk 5, titel 5.1, titel 5.2, en hoofdstuk
10 van deze wet.
2. Afdeling 19.6 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing op een afwijking
als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.8 (wijziging van de Scheepvaartverkeerswet)
Na artikel 36 van de Scheepvaartverkeerswet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 36a
1. Bij algemene maatregel van bestuur of bij gereedstellingsbesluit als bedoeld in artikel
19.29 van de Omgevingswet kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel
19.20 van de Omgevingswet, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen,
ten behoeve van de gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I van de
Wet op de defensiegereedheid, respectievelijk in bijlage II van de Wet op de defensiegereedheid
worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van die gereedstellingsactiviteit
of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteit zijn
vereist bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 9 van deze wet.
2. Afdeling 19.6 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing op een afwijking
als bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN
Artikel 8.1 (vangnetbepaling)
1. Bij koninklijk besluit kan, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister die het aangaat, en gehoord de afdeling Advisering van de Raad van State,
ontheffing worden verleend van daarbij aan te wijzen wettelijke voorschriften indien
dit noodzakelijk is om de belemmering of onaanvaardbare vertraging van spoedeisende
training, opleiding of oefening van de krijgsmacht of van de beschikbaarheid van het
daarvoor benodigde materieel te voorkomen of op te heffen. De ontheffing kan niet
worden verleend voor wettelijke voorschriften die zijn gesteld bij deze wet, die zijn
aangewezen in artikel 19.22, eerste lid, van de Omgevingswet, in artikel 76a van de
Luchtvaartwet, artikel 9.9 van de Wet luchtvaart of artikel 36a van de Scheepvaartverkeerswet.
2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden
en beperkingen worden gesteld. De geldigheidsduur van een ontheffing wordt beperkt
tot maximaal twee jaar. Dit tijdvak kan eenmaal worden verlengd met maximaal een jaar
door toepassing van het eerste lid.
3. De voordracht tot vaststelling van een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste
lid, wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp ervan aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een van de kamers der Staten-Generaal besluit
niet in te stemmen met het ontwerp, wordt geen voordracht gedaan.
4. Artikel 8.4, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid.
5. Bij het beroep tegen een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid kunnen
geen gronden worden aangevoerd na afloop van de termijn voor het instellen van beroep.
Bij de bekendmaking van het koninklijk besluit wordt dit vermeld. In afwijking van
artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard
als niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onder d, van die wet, tenzij bij
de bekendmaking van het besluit niet is voldaan aan de vorige volzin.
6. Onze Minister bevordert dat de uitvoering van een activiteit waarvoor toepassing
is gegeven aan het eerste lid kan worden verzekerd anders dan door toepassing van
het eerste lid.
Artikel 8.2 (evaluatiebepaling)
Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat, binnen
vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 8.3 (samenloop met Verzamelwet gegevensbescherming)
Indien het bij koninklijke boodschap van 1 december 2022 ingediende voorstel van wet
tot Wijziging van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en enkele
andere wetten in verband met het stroomlijnen en actualiseren van het gegevensbeschermingsrecht
(Verzamelwet gegevensbescherming) (Kamerstukken II 2022/23, 36 264, nrs. 1–2) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel C, van die wet later inwerking
treedt dan artikel 7.1 van deze wet, vervalt artikel I, onderdeel C, van die wet.
Artikel 8.4 (inwerkingtreding)
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.
Artikel 8.5 (citeertitel)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de defensiegereedheid.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Defensie,
Bijlage I bij artikel 3.1, eerste lid, van deze wet (Gereedstellingsactiviteiten)
A
Luchtvaartuigen
Activiteit
Locatie
Begrenzing
1
Helikopters
Opstijgen, vliegen en landen
Militaire terreinen:
• Arnhemse Heide
• Artillerie Schietkamp
• Assen
• Beekhuizerzand
• Eder- en Ginkelse Heide
• Ermelose heide
• Garderense Veld
• Leusderheide
• • Marnewaard
• Oirschot
• Rijen
• Stroese Zand
• Vlasakkers
• Vliehors
• Waalsdorpervlakte
Maximaal 24.000 vliegtuigbewegingen gespreid over het kalenderjaar te verdelen over
de militaire terreinen
2
Helikopters
Vliegen op lage hoogte
De bestaande laagvlieggebieden:
• Ginkelse Heide
• Maas en Waal
• Midden-Drenthe
• Noord-Drenthe
• Oirschot
• De Peel
• Veluwe en Randmeren
• Voorne-Putten en Hoeksche Waard
• West-Drenthe
• Wieringermeerpolder
Maximaal 2.500 uren gespreid over het kalenderjaar te verdelen over de laagvlieggebieden
3
Luchtvaartuigen
Vliegen zonder straffactor binnen en buiten gestelde openstellingstijden
De militaire luchthavens
• De Kooy
• Deelen
• Eindhoven
• Gilze-Rijen
• Leeuwarden
• Volkel
• Woensdrecht
De laagvlieggebieden
• Ginkelse Heide
• Oirschot
De militaire terreinen in of bij
• Arnhemse Heide
• Artillerie Schietkamp
• Eder- en Ginkelse Heide
• Infanterie Schietkamp
• Oirschot
• Rijen
• Vliehors
Maximaal 42 dagen in de maanden mei, juni en juli per kalenderjaar, te verdelen over
de locaties, op werkdagen, telkens tot 01:00 uur of vanaf 04:30 uur. Wanneer er tot
01:00 gevlogen wordt zal er niet op dezelfde dag om 04:30 gestart worden. Het aantal
vlieguren bij duisternis bedraagt maximaal 50% van het totaal aantal vliegtuigbewegingen
per kalenderjaar.
4
Motoren van luchtvaartuigen
Onderhouden en proefdraaien in luchtvaartuigen
De militaire luchthavens
• De Kooy
• Deelen
• Eindhoven
• Gilze-Rijen
• Leeuwarden
• Volkel
• Woensdrecht
Maximaal 120 minuten per luchtvaartuig per etmaal.
5
F135 vliegtuigmotoren van F-35 jachtvliegtuigen
Onderhouden en proefdraaien in testcell
Vliegbasis Woensdrecht
Maximaal 90 runs per kalenderjaar
6
Jetpacks
Opstijgen, vliegen en landen
Complex Nieuwe Haven (Den Helder)
B
Schieten
Activiteit
Locatie
Begrenzing
1
Scherpe munitie of ontplofbare voorwerpen
Schieten of werpen vanuit bemande of onbemande militaire luchtvaartuigen
De bestaande schietrange Vliehors
Binnen de totale vergunde geluidsruimte op basis van een flexibel schietmodel.
2
Verschillende wapens en kalibers
Oefenen met schieten
• Artillerie Schietkamp
• Infanterie Schietkamp
• Johannes Postkazerne
• Marnewaard
• Ruijter van Steveninckkazerne
• schietbaan op OT Arnhemse Heide
• schietbaan Weert
• schietbaan Harderwijk
• schietbaan Heumensoord
• schietbaan op OT Waalsdorpervlakte
• vliegbasis Gilze-Rijen
• vliegbasis Volkel
• vliegbasis Woensdrecht
Binnen totale vergunde geluidsruimte op basis van een flexibel schietmodel.
3
Schietoefeningen
Schieten tijdens duisternis
• Artillerie Schietkamp
• Infanterie Schietkamp
• Schietrange Vliehors
• de schietbanen van Defensie
Maximaal 42 dagen in de maanden mei, juni en juli van een kalenderjaar, te spreiden
over de locaties, telkens tot 01:00 uur of vanaf 04:30 uur.
4
Oefenen met onbemande luchtvaartuigen
Testen en oefenen met schieten op vliegende oefendoelen alsmede het werpen van explosieve
voorwerpen
• Artillerie Schietkamp
• Infanterie Schietkamp
• Springterrein Reek
Binnen de totale vergunde geluidsruimte op basis van een flexibel schietmodel.
C
Werken
Activiteit
Locatie
Begrenzing
1
Graven en bouwen van werken
Uitvoeren
De militaire oefenterreinen
• Arnhemse Heide
• Beekhuizerzand
• Havelte West
• Oirschotse Heide
• Rucphense Heide
• Stroese Zand
• Wezeperberg
• Vlasakkers
• Vrachelse Heide
Noodzakelijke werkzaamheden, waaronder graven, bouwen en stutten, op de locatie
2
Verzamelgebieden
Aanleggen
De militaire oefenterreinen:
• Arnhemse Heide
• Havelte West
• Havelte-Oost
• Marnewaard
• Oirschotse Heide
• Stroese Zand
• Wezeperberg
Op de locatie
E
Middelen
Activiteit
Locatie
Begrenzing
1
Kleine en grote militaire vaartuigen
Varen op hoge snelheid
Waddenzee tussen het Marsdiep en de Marnewaard
Maximaal 100 dagen gespreid over het kalenderjaar
2
Kleine en grote militaire vaartuigen
Oefenen met schieten met klein kaliber wapens
• Vliehors
• EHR-08 Noord op de Noordzee nabij Texel
Maximaal 50 dagen gespreid over het kalenderjaar en verdeeld over de locaties
3
Onbemande elektrisch aangedreven voer- en luchtvaartuigen
Testen, opleiden, trainen en oefenen in gebruik en bestrijding
Militaire terreinen
Op de locaties
F
Gevaarlijke stoffen en munitie
Activiteit
Locatie
Begrenzing
1a
Munitie
Opslaan
De munitiemagazijncomplexen:
• MMC Alphen
• MMC Beetgumermolen
• MMC Coevorden
• MMC Hoenderloo II (JHL ISK)
• MMC Ritthem
• MMC Ruinen
• MMC Staphorst
• MMC Veenhuizen
Binnen bestaande opslaglocaties
1b
Munitie
Opslaan
De Joint Hoofdlocaties
• JHL Den Helder
• JHL ASK
De vliegbases
• Gilze-Rijen
• Volkel
Binnen bestaande opslaglocaties
1c
Brandstoffen, waaronder diesel, benzine en kerosine, en bedrijfsstoffen of artikelen
met gevarenklassen 2.1, 2.2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 8 en 9
Opslaan
• LC Bathmen
• Locaties Smeerenburg en Spitsbergen op Complex Nieuwe Haven (Den Helder)
Binnen bestaande opslaglocaties
2a
Munitie
Vervoeren in niet planbare situaties
• Spoor
• Binnenwater
• Weg
Noodzakelijk ter ondersteuning van:
• opleiden, trainen en oefenen, of
• host nation support
2b
Munitie
Transport
• Tussen militaire objecten
• Leveringen aan militaire objecten
In Nederland
3a
Gevaarlijke stoffen
Vervoeren in niet planbare situaties
• Spoor
• Binnenwater
• Weg
Noodzakelijk ter ondersteuning van:
• opleiden, trainen en oefenen, of
• host nation support
3b
Gevaarlijke stoffen
Transport
• Tussen militaire objecten
• Leveringen aan militaire objecten
In Nederland
4
Gevaarlijke stoffen of materialen
Overslaan
• LC Bathmen
• Locaties Smeerenburg en Spitsbergen op Complex Nieuwe Haven (Den Helder)
Op de locatie
5
Munitie
Overslaan
Vliegbases
• Eindhoven
Havens
• Den Helder
• Eemshaven
• Rotterdam
• Vlissingen
Op de locatie
6
Munitie
Tijdelijk opstellen, stallen voor transport of klaarzetten
Vliegbases
• Eindhoven
Havens
• Den Helder
• Eemshaven
• Rotterdam
• Vlissingen
Munitiemagazijncomplexen:
• MMC Veenhuizen
Op de locatie
7
Kruit
Verbranden
• Artillerie Schietkamp
• Infanterie Schietkamp
• Locatie Coevorden
• Complex Nieuwe Haven (Den Helder)
Op de locatie
G
Transport en mobiliteit
Activiteit
Locatie
Begrenzing
Militaire schepen met munitie
Dubbel afmeren
Complex Nieuwe Haven (Den Helder)
Op de locatie
H
Legering toename
Activiteit
Locatie
Begrenzing
1
Bestaande gebouwen en bouwwerken
Uitbreiden en gebruiken legeringscapaciteit
Militaire terreinen
Op de locatie
2
Niet-permanente kampementen
Inrichten voor legerings- en opleidingsdoelen
Militaire terreinen
Op de locatie
I
Bouw, sloop en instandhouding
Activiteit
Locatie
Begrenzing
1
Nieuwe of gewijzigde bouwwerken en infrastructuur
Aanleggen, bouwen, verbouwen, slopen, wijzigen en gebruiken
• Complex Groot Heidekamp
• Complex Klein Heidekamp
• Kamp Nieuw Milligen
• MC Duivelsberg
• Oranjekazerne
• Vliegbasis Woensdrecht
Op de locatie
2
Schietfaciliteiten
Aanleggen, bouwen, verbouwen, slopen, wijzigen
• Artillerie Schietkamp
• Infanterie Schietkamp
• Johannes Postkazerne
• Marnewaard
• Ruijter van Steveninckkazerne
• Schietbaan Arnhemse Heide
• Schietbaan Budel
• Schietbaan Harderwijk
• Schietbaan Heumensoord
• Schietbaan Waalsdorp
• Schietbaan Witten
• Vliegbasis Gilze-Rijen
• Vliegbasis Volkel
• Vliegbasis Woensdrecht
Op de locatie
3
Start- en rolbanen
Aanleggen, bouwen, verbouwen, slopen, wijzigen
Vliegbases:
• De Kooy
• Eindhoven
• Gilze-Rijen
• Leeuwarden
• Volkel
• Woensdrecht
Op de locatie
4
Opslaglocaties voor munitie en brandstoffen
Verbouwen, slopen, wijzigen en gebruiken
• Alphen
• Bathmen
• Beetgumermolen
• Coevorden
• Den Helder
• Gilze-Rijen
• Hoenderloo
• Oldebroek
• Ritthem
• Ruinen
• Staphorst
• Veenhuizen
• Volkel
Op de locatie
5
Instandhouding militaire infrastructuur
Drainage
• LG Bestkazerne
Bij de defensielocatie
Bijlage II bij artikel 3.1, tweede lid, van deze wet (categorieën gereedstellingsactiviteiten)
A. Luchtvaartuigen
1. Opstijgen en landen met helikopters en onbemande luchtvaartuigen.
2. Vliegen op lage hoogte met luchtvaartuigen, in laagvlieggebieden of -routes of in
andere gebieden.
3. Het opstijgen, vliegen en landen met luchtvaartuigen.
4. Proefdraaien van motoren van luchtvaartuigen op militaire luchthavens.
5. Het onderhouden en proefdraaien van F135 vliegtuigmotoren van F-35 jachtvliegtuigen
in de testcell op Vliegbasis Woensdrecht, tot een maximum van 260 runs per jaar.
6. Het opstijgen, vliegen en landen met experimentele luchtvaartuigen.
B. Schieten
1. Het buiten de vergunde ruimte, waarmee wordt bedoeld de ruimte die is geborgd in een
onherroepelijke omgevingsvergunning die ziet op het gebruik van de locatie voor militaire
activiteiten, oefenen met schieten op militaire schietkampen, schietterreinen, schietrange
en schietbanen met verschillende wapens en kalibers.
2. Het op militair terreinen beproeven van wapens waarvan de munitie een lange afstand
aflegt.
C. Werken
1. Het aanleggen van graven en uitvoeren van graafactiviteiten op en buiten militaire
oefenterreinen, al dan niet bij grootschalige oefeningen.
2. Het aanleggen van verzamelgebieden op en buiten militaire oefenterreinen.
D. Noodzakelijke nuts- en energievoorzieningen
1. Het hebben of in gebruik hebben op militaire terreinen van alternatieve energievoorzieningen,
(stroom)aggregaten en alternatieve motorpompsystemen ten behoeve van de continuïteit
van militaire installaties.
2. Het vergroten van de capaciteit van bestaande en nieuwe kabels en leidingen, het uitvoeren,
het werken, het gebruiken en intensiveren van het gebruik van kabels en leidingen.
E. Middelen
1. Oefenen met op hoge snelheid varen met kleine en grote militaire vaartuigen op Nederlandse
binnenwateren.
2. Amfibisch oefenen, landen en doorstoten op de Nederlandse kust en binnenwateren, voor
nader door Onze Minister te bepalen duur en een aangewezen locatie anders dan in bijlage
I, onder E, onderdeel 1.
3. Het buiten militaire terreinen testen, opleiden, trainen, oefenen met, alsmede het
gebruiken dan wel bestrijden van onbemande luchtvaartuigen.
F. Gevaarlijke stoffen en munitie
1. Het (ver)bouwen van magazijnen ten behoeve van opslag van munitie (gevarenklasse 1)
op militaire terreinen.
2. Het (ver)bouwen van magazijnen ten behoeve van opslag van gevaarlijke stoffen of artikelen
(gevarenklasse 2 t/m 9) op militaire terreinen.
3. Het overslaan van munitie of gevaarlijke stoffen en/of materialen ten behoeve van
defensiedoeleinden.
4. Het (tijdelijk) opstellen van munitietransport of het klaarzetten daartoe en het transport
van gevaarlijke stoffen of artikelen en het klaarzetten daartoe.
5. Het binnen en buiten daartoe ingerichte constructies opslaan van munitie (gevarenklasse
1).
6. Het binnen en buiten daartoe ingerichte constructies opslaan van gevaarlijke stoffen
of artikelen (gevarenklasse 2 t/m 9).
7. Kruit verbranden op aan te wijzen locaties.
G. Transport en mobiliteit
1. Het afmeren van militaire vaartuigen of door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke
krijgsmacht gebruikte of dienende vaartuigen in zeehavens.
2. Oefenen met transport over de weg en de lucht voor logistieke doeleinden.
3. Rijden met militaire voertuigen of voor de militaire taak dienende voertuigen binnen
en buiten defensieterreinen.
4. Het beschikbaar stellen van locaties en objecten voor laden en lossen ten behoeve
van doorvoer van materieel en voorraden, waaronder munitie, van militaire eenheden.
5. Gebruik en transport ten behoeve van doorvoer van materieel en voorraden, waaronder
munitie, van militaire eenheden.
6. Aanpassingen van infrastructuur ten behoeve van militaire mobiliteit over de weg of
het spoor.
H. Legering toename
1. Uitbreiden en gebruiken van legeringscapaciteit in bestaande gebouwen en bouwwerken
buiten militaire terreinen.
2. Het inrichten en gebruiken van bouwwerken, militaire terreinen en kampementen voor
legerings- en opleidingsdoeleinden buiten militaire terreinen.
I. Bouw, sloop en instandhouding
1. Het aanleggen en gebruiken van infrastructurele voorzieningen op militaire terreinen
en militaire objecten of daarbuiten.
2. Het bouwen, slopen, wijzigen en gebruiken van bouwwerken, infrastructuur en het herindelen
van militaire terreinen, militaire objecten en locaties daarbuiten.
3. Drainage bij militaire terreinen en militaire objecten en het lozen van aan grondwater
onttrokken water op oppervlaktewater.
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.