Memorie van toelichting : Memorie van toelichting)
36 967 Wijziging van wetten op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Reparatiewet OCW 20##)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Inhoudsopgave
I.
Algemeen
1
1.
Inleiding
1
2.
Gevolgen
1
2.1. Gevolgen voor het doenvermogen
1
2.2. Financiële gevolgen
2
2.3. Gevolgen voor de regeldruk
2
2.4. Gevolgen voor Caribisch Nederland
2
3.
Consultatie en toetsing
2
3.1. Uitvoeringstoets
2
3.2. Internetconsultatie
2
4.
Inwerkingtredingsdatum
2
II.
Artikelsgewijze toelichting
3
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
Jaarlijks wordt een reparatiewet opgesteld binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap. De reparatiewet bestaat uit een bundeling van correcties van verschrijvingen,
verwijzingen en andere wetstechnische omissies. Verder bevat de wet wetstechnische
verbeteringen en herformuleringen, wordt wetgeving in lijn gebracht met de evidente
bedoeling van een eerdere wetswijziging en worden «dode letters» geschrapt. Het wetsvoorstel
heeft als doel de technische kwaliteit van de wetgeving te verbeteren.
2. Gevolgen
2.1 Gevolgen voor het doenvermogen
Met deze wetswijzigingen worden geen nieuwe handelingen van burgers gevraagd. De wijzigingsvoorstellen
hebben dan ook geen impact op het doenvermogen van burgers.
2.2 Financiële gevolgen
Het wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen.
2.3 Gevolgen voor de regeldruk
Onderhavig wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de regeldruk, aangezien de wijzigingen
wetstechnisch van aard zijn. Wel kunnen verschillende wijzigingen bijdragen aan een
vermindering van de ervaren regeldruk. Zo kunnen het helderder formuleren van voorschriften,
maar vooral ook het intrekken van dode letters daaraan een bijdrage leveren. Het Adviescollege
toetsing regeldruk heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat
het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
2.4 Gevolgen voor Caribisch Nederland
De impact van dit wetsvoorstel voor Caribisch Nederland beperkt zich tot enkele wetstechnische
wijzigingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de
Wet voortgezet onderwijs 2020 die ook van toepassing zijn op Caribisch Nederland.
Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de openbare lichamen van de BES.
3. Consultatie en toetsing
3.1. Uitvoeringstoets
Het wetsvoorstel is voorgelegd aan DUO met het verzoek een uitvoeringstoets uit te
voeren. DUO heeft geconstateerd dat het wetsvoorstel voor DUO geen uitvoeringsconsequenties
heeft. In het kader van het geïntegreerde toezicht is de uitvoeringstoets ook uitgezet
bij de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst Rijk (ADR). De ADR heeft geen
reactie gegeven. De Inspectie van het Onderwijs heeft een enkele suggestie gedaan.
3.2. Internetconsultatie
Onderhavig wetsvoorstel is van 24 november 2025 tot en met 5 januari 2026 in internetconsultatie
geweest. Op deze openbare consultatie zijn twee reacties binnengekomen. De opmerkingen
in deze internetconsultatiereacties hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassing
van het wetsvoorstel.
Na de internetconsultatie en de uitvoeringstoets is artikel V ingevoegd in dit wetsvoorstel.
Het betreft een technische wijziging van het Wetsvoorstel herziening wettelijke grondslagen
kerndoelen, dat naar verwachting op 1 augustus 2026 in werking zal treden. Om geen
onduidelijkheid te laten bestaan, is het wenselijk de technische onvolkomenheden in
dat wetsvoorstel op zo kort mogelijke termijn te herstellen, zodat de wettekst overeenkomt
met de toelichting bij de wet.
4. Inwerkingtredingsdatum
Het oogmerk is om het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk na vaststelling in werking
te laten treden. Hierbij wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn.
Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder c, van de Aanwijzingen voor de Regelgeving staat
afwijking van de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn toe wanneer het
gaat om reparatieregelgeving, hetgeen hier het geval is.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
ARTIKEL I. ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
(wijziging van artikel 2, bijlage 2, Awb)
Met ingang van 1 augustus 2023 is artikel 7.5.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs
(hierna: WEB) met de Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet
educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming
van mbo-studenten toegevoegd aan artikel 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb).1 Tegen besluiten, genomen op grond van de in bijlage 2 van de Awb genoemde wetsartikelen,
staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State. Vervolgens is in artikel 2 van bijlage 2 van de Awb de opsomming van artikelen
van de WEB waartegen rechtstreeks beroep openstaat bij de Afdeling opnieuw vastgesteld
met de Reparatiewet OCW 2024. Hierbij is artikel 7.5.9 WEB abusievelijk verdwenen
uit de genoemde opsomming. Dit artikel wordt dan ook wederom toegevoegd aan de bijlage,
zodat deze omissie wordt hersteld. Dat er sprake is van een omissie blijkt onder andere
uit het feit dat het vervallen van artikel 7.5.9 WEB niet expliciet genoemd wordt
in de artikelsgewijze toelichting bij de Reparatiewet OCW 2024.2 Bovendien wordt artikel 7.5.9 WEB nog wel genoemd in bijlage 3 van de Awb. Dit betekent
dat de student of vavo-student die beroep instelt in aanmerking komt voor een verlaagd
griffierecht.
ARTIKEL II. WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS
A
(wijziging van artikel 6.3.3, WEB)
In artikel 6.3.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt verwezen naar artikel
6.3.2, eerste lid, maar artikel 6.3.2 heeft geen leden.
B
(wijziging van artikel 6a.1.1, eerste lid, WEB)
Artikel 6a.1.1 van de WEB heeft betrekking op het elektronisch register van niet-bekostigde
opleidingen educatie met diploma-erkenning. Het register bevat de opleidingen educatie
waarvoor het bevoegd gezag het recht heeft om diploma’s uit te reiken als bedoeld
in artikel 1.4a.1 van de WEB. Het bevat niet de opleidingen educatie waarvoor alleen
diploma-erkenning is aangevraagd en evenmin de opleidingen educatie ten aanzien waarvan
de diploma-erkenning is beëindigd. In zijn huidige vorm is die bepaling tot stand
gekomen met artikel 45, onderdeel C, van de Wet inburgering 2021. Daarmee is artikel
6a.1.1 WEB per 1 januari 2022 opnieuw vastgesteld. Voorheen publiceerde DUO jaarlijks
in de Staatscourant een overzicht van erkende opleidingen educatie. Inhoudelijk is
destijds niet beoogd veel te wijzigen, alleen maakt het elektronisch register het
mogelijk sneller in te spelen op de actuele stand van zaken van erkende opleidingen.
Zo kunnen belanghebbenden sneller op de hoogte gebracht worden van wijzigingen in
de lijst. De nieuwe redactie doet recht aan deze situatie.
C
(wijziging van artikel 7.4.5a, vijfde lid, WEB)
In artikel 7.4.5a, vijfde lid, WEB is geregeld dat een lid van de examencommissie
niet deelneemt aan de behandeling van een klacht of verzoek van een deelnemer waarbij
hij is betrokken (bijvoorbeeld als docent, bij afname van een examen of als lid van
de examencommissie). Uit de huidige redactie van het artikellid volgt dat klachten
bij de examencommissie kunnen worden ingediend, maar dat is nadrukkelijk niet de bedoeling.
Klachten dienen bij de toegankelijke faciliteit te worden ingediend (artikel 7.5.1,
derde lid, juncto artikel 7.5.2 WEB).
D
(wijziging van artikel 11a.1, zesde lid, onderdeel b, WEB)
In het huidige artikel 11a.1, zesde lid, onderdeel b, WEB is per abuis het woord «van»
niet opgenomen, waar dat bij de andere onderdelen wel het geval is.
ARTIKEL III. WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
A en F
(wijziging van artikelen 2.9, eerste lid, vierde volzin en 7.37, derde lid, WHW)
Met de Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering
van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek
en de rechtspositie van studenten (versterking besturing)3 is onder andere geregeld dat studenten voor onderwijs bij de Open Universiteit geen
cursusgeld, maar collegegeld OU verschuldigd zijn. In verband daarmee is in verschillende
bepalingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna:
WHW) «cursusgeld» gewijzigd in «collegegeld OU». Abusievelijk zijn daarbij de artikelen
2.9, eerste lid, en 7.37, derde lid, WHW, niet gewijzigd.
B
(wijziging van artikel 5.8, eerste lid, onderdeel a, WHW)
In artikel 5.8, eerste lid, onderdeel a, WHW wordt verwezen naar artikel 6.2, zevende
lid, WHW. Bedoeld is echter te verwijzen naar artikel 6.2, negende lid, WHW. Dit volgt
uit het vervallen artikel 5a.11, zesde lid, onderdeel c, WHW waarop artikel 5.8, eerste
lid, onderdeel a, WHW is gebaseerd.4
C
(wijziging van de artikelen 6.13, vierde lid, onderdeel j, en 9.15, eerste lid, onderdeel
g, WHW)
Met de Wet Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs en vervolgens de Wet van 7 april
2021 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een
verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs
en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs)5 is artikel 7.25, vierde lid, WHW eerst vernummerd tot het vijfde lid en vervolgens
tot het zesde lid. Abusievelijk is daarbij de verwijzing naar dat lid in de artikelen
6.13, vierde lid, onderdeel j, en 9.15, eerste lid, onderdeel g, WHW niet gewijzigd.
D
(wijziging van artikel 7.3, zesde lid, WHW)
Met de Wet leeruitkomsten hoger onderwijs is in artikel 7.3 van de WHW het derde tot
en met zesde lid vernummerd tot vierde tot en met zevende lid in verband met het invoegen
van een nieuw derde lid. Abusievelijk is daarbij de verwijzing in het zesde lid (nieuw)
naar het derde lid (oud) niet gewijzigd in het vierde lid (nieuw).
E
(wijziging van de artikelen 7.30b, zesde lid, 7.31a, eerste en tweede lid, en 7.31e,
vierde lid, WHW)
De artikelen 7.30b, zesde lid, 7.31a, eerste en tweede lid, en 7.31e, vierde lid,
WHW, kunnen de suggestie wekken dat een betrokkene zichzelf kan inschrijven bij een
onderwijsinstelling. Dat is niet het geval. Ingevolge artikel 7.32, eerste lid, WHW
dient, voor zover hier van belang, eenieder die wenst gebruik te kunnen maken van
onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve
van initieel onderwijs aan een instelling, zich door het instellingsbestuur als student
of extraneus te laten inschrijven. Een betrokkene wordt dus ingeschreven door het
instellingsbestuur.
G
(wijziging van artikel 7.61, zesde lid, WHW)
Met de Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs
met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten6 is onder meer het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs opgeheven en diens
rechtsprekende taak overgegaan op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
State. In verband daarmee zijn verschillende bepalingen van de WHW gewijzigd dan wel
vervallen. Zo is artikel 7.66 van de WHW vervallen. Abusievelijk is daarbij de verwijzing
in artikel 7.61, zesde lid, WHW naar artikel 7.66, tweede lid, WHW niet komen te vervallen.
H
(wijziging van artikel 15.1, eerste lid, onderdeel c, WHW)
Met de voorgestelde wijzigingen wordt «spoedaanwijzing» toegevoegd en een onjuiste
verwijzing in artikel 15.1, eerste lid, onderdeel c, WHW gecorrigeerd.
Op grond van artikel 15.1, eerste lid, onderdeel c, WHW kan de Minister de rijksbijdrage,
een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten,
indien het bestuur een aanwijzing niet opvolgt. In dit onderdeel is abusievelijk de
met de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium onderwijs7 ingevoerde spoedaanwijzing niet genoemd.
In artikel 15.1, eerste lid, onderdeel c, WHW wordt op dit moment verwezen naar artikel
9.51, achtste lid, WHW. Bedoeld is om te verwijzen naar artikel 9.51, tweede lid,
zesde volzin, WHW. Uit artikel 9.51 van de WHW volgt dat bijzondere universiteiten
keuzevrijheid hebben bij de vormgeving van de scheiding tussen bestuur en toezicht.
De bepalingen uit de WHW met betrekking tot de raad van toezicht zijn dan van overeenkomstige
toepassing op de leden van dit orgaan die met het toezicht zijn belast.8 Laatstgenoemde volgt uit artikel 9.51, tweede lid, zesde volzin, WHW. Daaronder valt
ook het geven van bovenbedoelde aanwijzingen/spoedaanwijzingen.
ARTIKEL IV. WET STUDIEFINANCIERING 2000
A
(wijziging van artikel 1.1, eerste lid, WSF 2000)
Met deze wijziging wordt ter verduidelijking het begrip «burgerservicenummer» aan
de begripsbepalingen toegevoegd.
B
(wijziging van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.7, eerste lid, 3.23, tweede lid, onderdeel
a, en 3.24, eerste lid, WSF 2000)
In de wet worden «vervoerbedrijf» en «vervoersbedrijf« door elkaar gebruikt. Met deze
wijziging wordt overal de term «vervoerbedrijf» gebruikt.
C
(wijziging van de artikelen 4.8, eerste lid, en 5.3, eerste lid, WSF 2000)
In de artikelen 4.8, eerste lid, en 5.3, eerste lid, is vastgelegd hoe de waarde van
de reisvoorziening voor het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs wordt berekend.
In deze artikelen zit echter geen grondslag om de waarde van de reisvoorziening, het
bedrag, bij ministeriële regeling vast te stellen. Andere (norm)bedragen die zijn
opgenomen in onder andere de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000) worden
jaarlijks vastgesteld in de Regeling normen WSF 2000, Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage
en schoolkosten (hierna: WTOS) en WSF BES. Door het ontbreken van een grondslag in
de artikelen 4.8, eerste lid, en 5.3, eerste lid, van de WSF 2000 wordt de waarde
van de reisvoorziening, die volgt uit de berekening uit de artikelen 4.8, eerste lid,
en 5.3, eerste lid, niet in deze regeling vastgesteld, maar wordt dit bedrag slechts
in de toelichting bij de jaarlijkse wijziging van deze regeling genoemd. Met deze
wijziging wordt een grondslag opgenomen in de artikelen 4.8, eerste lid, en 5.3, eerste
lid, zodat het mogelijk wordt om ook de waarde van de reisvoorziening jaarlijks in
de Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES vast te stellen. Dit bevordert de duidelijkheid
en vindbaarheid van dit bedrag.
ARTIKEL V. WET VOORTGEZET ONDERWIJS 2020
(wijziging van artikel 13.1, eerste en derde lid, WVO 2020)
Bij de plenaire behandeling van het Wetsvoorstel herziening wettelijke grondslagen
kerndoelen is een amendement aangenomen waarmee een voorhangbepaling is geïntroduceerd
in het wetsvoorstel.9 Abusievelijk wordt daarbij verwezen naar het eerste lid, terwijl de grondslag voor
het vaststellen van de kerndoelen bij AMvB is opgenomen in het tweede lid. Daarnaast
is abusievelijk de wijzigingsopdracht waarmee de reeds bestaande nahangbepaling wordt
geschrapt gericht op het tweede lid, waar dit het derde lid moest zijn. Daarmee is
een onuitvoerbare wijzigingsopdracht ontstaan. Met bijgaande wijzigingen wordt dit
beide hersteld. Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de procedure tot vaststelling
van de kerndoelen is het wenselijk deze technische onvolkomenheden op zo kort mogelijke
termijn te herstellen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.