Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 943 Wijziging van de Zorgverzekeringswet teneinde het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering per 2027 te verhogen
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 19 juni 2026
Inhoudsopgave
I.
Algemeen deel
1
1.
Inleiding
3
2.
Financiering van de zorg en (kosten)ontwikkelingen
11
3.
Doel en inhoud van de maatregel en overwogen alternatieven
18
4.
Gevolgen voor verzekerden
43
5.
Europese aspecten
52
6.
Uitvoering en regeldruk
52
7.
Budgettaire gevolgen
55
8.
Advies en consultatie
61
9.
Gevolgen voor Caribisch Nederland
65
10.
Inwerkingtreding en communicatie
65
II.
Artikelsgewijze toelichting
68
III.
Ontwerpbesluit houdende tranchering eigen risico medisch-specialistische zorg (tranches
van € 150)
69
I. Algemeen deel
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het onderhavige wetsvoorstel. Ik dank de fracties
van de VVD, PRO, PVV, CDA, JA21, BBB, SGP, PvdD, ChristenUnie en SP voor hun inbreng.
Graag ga ik hieronder in op de gestelde vragen. Daarbij wordt de volgorde van het
verslag aangehouden. De vragen zijn cursief weergegeven. Omdat de fractie van GroenLinks-PvdA
inmiddels de fractie PRO is, zijn in de vragen verwijzingen naar GroenLinks-PvdA wel
aangepast in verwijzingen naar PRO.
De leden van de PvdD-fractie kunnen het wetsvoorstel niet steunen. Een verhoging van het eigen risico vergroot
volgens de leden de financiële drempel tot noodzakelijke zorg en treft juist de meest
kwetsbaren in de samenleving het hardst. Dit staat haaks op het uitgangspunt dat zorg
toegankelijk en solidair georganiseerd moet zijn. Het getuigt volgens de leden van
een simplistisch wereldbeeld om te veronderstellen dat meer «kostenbewustzijn» en
daarmee een gehoopte «remmende werking op het gebruik van zorg» de problemen in de
zorg gaat oplossen. Tot slot constateren deze leden dat burgers, zorgaanbieders en
belangenverenigingen voor patiënten waarschuwen dat een hoger eigen risico zal leiden
tot uitgestelde zorg. Zorg die later alsnog in zwaardere vorm terugkomt. Zij vragen
daarom of de regering heeft doorgerekend tot hoeveel hogere kosten deze uitgestelde
zorg in de toekomst leidt, en hoe de regering de kosten van uitgestelde zorg wil gaan
monitoren.
Allereerst hecht het kabinet eraan om er op te wijzen dat het verplicht eigen risico
in de Zvw twee hoofddoelen kent: medefinanciering van de kosten van de Zvw-zorg en
kostenbewustzijn creëren. Met name het eerste doel zorgt ervoor dat er voor iedereen
een lagere nominale premie kan worden gevraagd. Daarnaast stimuleert het eigen risico
kostenbewustzijn, waarbij het kabinet de zorg van de PvdD deelt dat dit niet voor
iedereen de gewenste uitwerking heeft. Om die reden is het ook belangrijk dat aan
financieel kwetsbare mensen en chronisch zieken en gehandicapten gerichte financiële
ondersteuning te bieden. Het kabinet heeft middelen vrijgemaakt voor verdere specifieke
financiële ondersteuning. De weging over de inzet daarvan vindt uiterlijk in augustus
plaats, waarna het kabinet de Kamer zal informeren.
De budgettaire effecten van verschillende vormen van eigen betalingen zijn in 2020
onderzocht en beschreven door het Centraal Planbureau (CPB). Op basis van die inzichten
is een inschatting gemaakt van de budgettaire effecten van dit wetsvoorstel.
Het CPB heeft een achtergronddocument gepubliceerd met een beschrijving van het door
hem gebruikte model.1 In deze publicatie beschrijft het CPB dat het mogelijk is dat een verzekerde door
het eigen risico eerst afziet van zorg, waardoor zijn gezondheid kan verslechteren
en hij later alsnog meer zorg gebruikt en hogere zorgkosten maakt. Dit effect wordt
deels meegenomen in het model, omdat het gebruik mogelijk tot uiting komt in de totale
kosten van zorg op korte termijn. Het is op basis van het model niet mogelijk om inzicht
te krijgen in het aandeel verschuiving naar duurdere zorg. Het inzichtelijk maken
van verschuiving naar duurdere zorg is complex omdat er bijvoorbeeld niet altijd een
duidelijke relatie gelegd kan worden tussen een bepaalde zorgvraag en het mijden van
zorg eerder in de tijd.
Het CPB doet momenteel onderzoek naar het niet-opvolgen van een verwijzing van de
huisarts. Het niet-opvolgen van een verwijzing kan wijzen op (een ongewenste vorm
van) zorgmijding. Het doel is dat dit onderzoek nieuwe inzichten oplevert over de
omvang en aard van niet-opgevolgde verwijzingen en over verschillen tussen opvolgers
en niet-opvolgers, waarbij zowel gekeken wordt naar financiële als niet-financiële
kenmerken. Dit kan meer inzicht geven in zorgmijding.
1. Inleiding
De leden van de PRO-fractie lezen dat een van de vier richtinggevende principes van het kabinet «solidair zorgstelsel»
is. Kan worden toegelicht hoe de verhoging van het eigen risico bijdraagt aan een
solidair zorgstelsel, want mensen die zorgbehoevend zijn gaan zelf meer bijdragen?
Draagt dit volgens de regering bij aan risicosolidariteit en/of aan inkomenssolidariteit?
Kan de regering aangeven hoe deze pijlers zich autonoom ontwikkelen met een verhoging
van het eigen risico? Verbetert of verslechtert de risicosolidariteit en inkomenssolidariteit?
De verhoging van het eigen risico vermindert de risicosolidariteit iets. Ons zorgstelsel
is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die gezond zijn en mensen die geconfronteerd
worden met aandoeningen of beperkingen. Door een eigen risico worden niet alle kosten
collectief gedragen. Zo houden we de premies beheersbaar. Het eigen risico fungeert
hierdoor als een «ventiel» dat de druk op de (risico)solidariteit beheersbaar houdt:
zonder die eigen bijdrage van zorggebruikers zou de bereidheid van gezonde Nederlanders
die weinig tot geen zorg gebruiken om aan de zorg van anderen mee te betalen, kunnen
afnemen. De verhoging van het eigen risico draagt dus bij aan het draagvlak voor de
risicosolidariteit in ons zorgstelsel.
Naast het verhogen van het eigen risico kiest de regering er ook voor om het eigen
risico te trancheren. Deze tranchering van het eigen risico is een besparing, hoe
kan het dan toch bijdragen aan toegankelijkheid van de zorg? Dat het geld op levert,
betekent toch per definitie dat het een extra drempel is voor de toegang tot zorg?
Kan de regering nader toelichten op basis waarvan zij verwacht dat het effect van
de tranchering sterker zal doorwerken in een lager beroep op de zorg dan in een afname
van de opbrengsten uit het eigen risico?
Het verplicht eigen risico dient twee doelen: medefinanciering van de zorg en het
bevorderen van kostenbewustzijn, waardoor onnodig zorggebruik wordt geremd. Met de
huidige vormgeving van het eigen risico betaalt een verzekerde bij gebruik van medisch
specialistische zorg echter vaak al het gehele eigen risico bij de eerste zorgvraag.
Daardoor maakt een verzekerde bij een volgende zorgvraag niet meer de afweging of
de zorg (op dat moment) nodig is. De tranchering grijpt in op beide nadelen: de financiële
drempel per zorgvraag wordt verlaagd naar maximaal € 150, terwijl het kostenbewustzijn
langer wordt gestimuleerd doordat het eigen risico niet langer al na de eerste zorgvraag
direct vol wordt gemaakt. De zorgvrager maakt dan bij vervolg zorgvragen bewuster
de afweging of en in hoeverre de zorg (op dat moment) nodig is. De besparing is daarmee
niet het gevolg van een hogere drempel, maar van een langer werkzaam kostenbewustzijn
gedurende het gehele jaar. Bij tranchebedragen van € 150 is het remgeldeffect groter
dan de gederfde inkomsten aan eigen risico.
De tranchering van het eigen risico en de verhoging van het eigen risico worden in
samenhang behandeld, terwijl al duidelijk was- en is dat ze niet tegelijkertijd worden
ingevoerd. De tranchering van het eigen risico kan immers pas per 2028 worden ingevoerd.
Dit roept de vraag op waarom beide toch gelijktijdig worden behandeld en of een latere
invoering van de tranchering van het eigen risico wel of niet leidt tot het uitstellen
van een verhoging van het eigen risico? Kan de regering hier onomwonden op antwoorden?
De Kamer heeft bij motie van het lid Synhaeve c.s. (Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800 XVI-106) verzocht om het wetsvoorstel verhoging eigen risico en het ontwerpbesluit tranchering
eigen risico te bundelen, zodat de wet- en regelgeving voor de verhoging en de tranchering
in samenhang kunnen worden bezien en behandeld. In reactie op deze motie heeft het
kabinet aangegeven dat de twee maatregelen niet gebundeld kunnen worden in één voorstel,
maar wel het belang ziet van het behandelen van de twee maatregelen in samenhang.
De Kamer kan echter afzonderlijk besluiten over deze voorstellen. Ook de ingangsdatum
is in beide voorstellen afzonderlijk geregeld.
Kan de regering eveneens precies aangeven wanneer zij voor het eerst geïnformeerd
is, dan wel signalen heeft ontvangen, over het feit dat de tranchering van het eigen
risico pas per 2028 in kan gaan?
Op 30 juni 2023 is de algemene maatregel van bestuur (amvb) tot «Tranchering eigen
risico in de medisch-specialistische zorg» (Kamerstukken II 2022/23, 29 689, nr. 1206) voorgehangen en later controversieel verklaard. Daarbij is ook in zowel de amvb
als in de Kamerbrieven over dit voorstel toegelicht dat de invoering van deze maatregel
één jaar voorbereidingstijd voor de zorgverzekeraars vergt. Door de controversieel-verklaring
hebben de zorgverzekeraars de uitwerking van de tranchering indertijd niet ter hand
genomen. Hetzelfde geldt overigens voor de tranchering op € 50 van het kabinet Schoof.
Nu het kabinet Jetten tranches van € 150 wil invoeren, zullen de zorgverzekeraar alsnog
de voorbereidingen moeten treffen om dat te doen. Gezien zowel de benodigde doorlooptijd
voor de voorhang en de advisering van de Afdeling advisering van de Raad van State
evenals het benodigde jaar invoeringstijd is het daarom niet eerder dan 2028 mogelijk
om de tranchering van het verplicht eigen risico in werking te laten treden. Hier
heeft het kabinet ook rekening mee gehouden in de budgettaire bijlage bij het Coalitieakkoord.
Dat de tranchering van het eigen risico pas later in kan gaan dan de verhoging van
het eigen risico is al langer bekend. Kan de regering aangeven of zij indien er een
politieke meerderheid zou zijn voor de verhoging van het eigen risico dit conform
het coalitieakkoord voornemens zou zijn om per 2027 in te voeren in de wetenschap
dat de tranchering pas een jaar later in zou kunnen gaan?
Dit is inderdaad het voornemen. De zorg staat voor een grote opgave en hervormingen
zijn noodzakelijk, waaronder het verhogen van het verplicht eigen risico.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het verplicht eigen risico naar huidige inzichten stijgt van € 385 in 2026
naar € 455 in 2027. Zij vragen de regering te bevestigen dat dit voor verzekerden
die het verplicht eigen risico volledig volmaken neerkomt op € 70 extra in één jaar.
Hoeveel volwassen verzekerden zullen naar verwachting in 2027 het volledige verplicht
eigen risico betalen en kan de regering dit uitsplitsen naar leeftijd, inkomen, zorgtoeslag,
chronische aandoening en meerjarig zorggebruik?
Volgens huidige inzichten stijgt het verplicht eigen risico van € 385 naar € 455 in
2027. Dit komt overeen met een stijging van € 70. In 2027 betalen naar verwachting
7,3 miljoen mensen het volledige verplicht eigen risico. Voor 2027 is het onderscheid
naar verschillende persoonskenmerken niet beschikbaar, maar op basis van de monitor
stapeling eigen bijdragen is dit onderscheid naar leeftijd en huishoudinkomen wel
beschikbaar voor het jaar 2022, wat indicatief kan zijn voor 2027. Op basis van CBS-microdata
is gekeken hoeveel personen in 2023 zorgtoeslag ontvingen en het verplicht eigen risico
vol maakten, en hoeveel personen in meerdere opeenvolgende jaren het verplicht eigen
risico vol maken, hetgeen als indicator is gehanteerd van meerjarig zorggebruik. De
resultaten staan in onderstaande tabel. Uitsplitsing naar chronische aandoening is
niet mogelijk omdat er geen eenduidige definitie is voor chronische ziekte.
Persoonskenmerk
Aantal personen die het verplicht eigen risico volmaken1
Totaal
6.545.300
Tot AOW-leeftijd
4.123.700
AOW-leeftijd of ouder
2.421.500
Minder dan 20.000 euro
189.500
20.000 tot 30.000 euro
818.500
30.000 tot 40.000 euro
793.100
40.000 tot 50.000 euro
610.400
50.000 tot 75 000 euro
1.155.800
75.000 tot 100.000 euro
893.300
100.000 euro en meer
2.066.200
Inkomen onbekend
18.500
Ontvanger zorgtoeslag
2.987.900
3 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2019–2021)
4 miljoen
5 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2017–2021)
3 miljoen
7 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2015–2021)
2,5 miljoen
10 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2012–2021)
2 miljoen
X Noot
1
Door afronding kan het totaal afwijken van de som van verschillende onderdelen.
Deze leden vragen hoe de regering verantwoordt dat de rekening juist wordt verhoogd
voor mensen die zorg nodig hebben. Kan de regering daarbij ingaan op ouderen, chronisch
zieken en mensen met een beperking? Hoe weegt de regering hierbij dat nog onderzoek
loopt naar het niet opvolgen van verwijzingen van de huisarts en naar de financiële
en niet-financiële redenen van zorgmijding?
Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die gezond zijn en mensen
die geconfronteerd worden met aandoeningen of beperkingen (zoals ouderen en chronisch
zieken). Door een eigen risico worden niet alle kosten collectief gedragen. Zo houden
we de premies beheersbaar. Het eigen risico fungeert hierdoor als een «ventiel» dat
de druk op de (risico)solidariteit beheersbaar houdt: zonder die eigen bijdrage van
zorggebruikers zou de bereidheid van gezonde Nederlanders die weinig tot geen zorg
gebruiken om aan de zorg van anderen mee te betalen, kunnen afnemen.
Om meer inzicht te krijgen in zorgmijding doet het Centraal Planbureau (CPB) momenteel
onderzoek naar het niet-opvolgen van een verwijzing van de huisarts. Het niet-opvolgen
van een verwijzing kan wijzen op (een ongewenste vorm van) zorgmijding. Het doel is
dat dit onderzoek nieuwe inzichten oplevert over de omvang en aard van niet-opgevolgde
verwijzingen en over verschillen tussen opvolgers en niet-opvolgers, waarbij zowel
gekeken wordt naar financiële als niet-financiële redenen van het niet opvolgen. De
uitkomsten van dit onderzoek kunnen meer inzicht geven in zorgmijding en zo nodig
betrokken worden bij het verder aanscherpen van gericht beleid.
Er zijn op dit moment namelijk al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding
wordt tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om op korte termijn in gesprek te gaan met cliënten
en het zorg- en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord,
en analyseert bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar
inkomen. De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
Tot slot zorgt de tranchering van het eigen risico in de medisch-specialistische zorg
ervoor dat mensen niet in één keer het volledige bedrag van het eigen risico verschuldigd
zijn. Hierdoor zijn verzekerden per behandelprestatie een kleiner deel van hun verplicht
eigen risico kwijt. Dit verlaagt de financiële drempel tot zorg, waardoor mogelijke
ongewenste zorgmijding om financiële redenen wordt tegengegaan.
De leden van de PVV-fractie wijzen daarnaast op het recente Nivel-onderzoek. Hoe kijken
verzekerden naar een mogelijk verhoogd eigen risico? Daaruit blijkt dat zeven procent
van de verzekerden bij een eigen risico van € 385 een belemmering verwacht om noodzakelijke
zorg te gebruiken, tegenover zestien procent bij een eigen risico van € 460. Verzekerden
met een matige of slechte ervaren gezondheid, een netto huishoudinkomen lager dan
€ 2.300 per maand en mensen die schulden maken of hun spaarmiddelen moeten aanspreken,
verwachten vaker zo’n belemmering. Hoe weegt de regering deze uitkomsten bij het voorstel
om het eigen risico te verhogen?
Eigen betalingen zorgen voor medefinanciering, dragen bij aan de houdbaarheid van
solidariteit en kostenbewustzijn. Maar we moeten ook waken voor de negatieve effecten,
zoals het afzien van medisch noodzakelijke zorg. In het antwoord op de vorige vraag
van de leden van de PVV-fractie is daar nader op ingegaan. Er zijn op dit moment al
verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt tegengegaan met gerichte
financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 2 van de memorie van toelichting dat het verplicht eigen risico naar
huidige inzichten uitkomt op € 395 door indexering en vervolgens met € 60 wordt verhoogd
naar € 455. Kan de regering concreet uiteenzetten waarom juist voor een aanvullende
verhoging van € 60 is gekozen? Welke alternatieve bedragen zijn overwogen en welke
criteria zijn gebruikt om te bepalen dat dit bedrag de juiste balans oplevert tussen
betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg?
Als het verplicht eigen risico sinds 2018 doorlopend zou zijn geïndexeerd conform
artikel 19 van de Zvw, dan zou het verplicht eigen risico in 2026 naar verwachting
zijn uitgekomen op € 535. Dat is € 150 hoger dan het daadwerkelijke verplicht eigen
risico van € 385 in 2026. Met de verhoging van € 60 van het verplicht eigen risico
wil het kabinet het eigen risico weer meer laten aansluiten bij het niveau van de
zorguitgaven, wat zal leiden tot meer medefinanciering door verzekerden die zorg nodig
hebben en meer kostenbewustzijn. Het kabinet is van mening dat deze keuze tot een
betere balans leidt tussen betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 3 van de memorie van toelichting dat
de verhoging en de tranchering een onderlinge afhankelijkheid kennen en daarom in
samenhang worden behandeld. Kan de regering toelichten waarom de verhoging al per
2027 ingaat, terwijl de tranchering pas per 2028 wordt ingevoerd?
De verhoging van het verplicht eigen risico is een aanpassing van de hoogte van het
bedrag, die de zorgverzekeraars eenvoudig in hun systemen kunnen doorvoeren. Dit hebben
zorgverzekeraars vaker gedaan en deze aanpassing vraagt geen wijzigingen in de ICT.
De tranchering van het verplicht eigen risico vraagt minimaal een jaar voorbereidingstijd,
omdat de tranchering een complexe maatregel is in de uitvoering door de zorgverzekeraars.
Het vergt onder andere forse aanpassingen in de ICT-systemen.
De verhoging van het verplicht eigen risico en de tranchering van het verplicht eigen
risico zijn in de uitvoering niet afhankelijk van elkaar, maar kunnen beleidsmatig
en financieel wel in samenhang worden bezien.
De Kamer heeft bij motie van het lid Synhaeve c.s. (Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800 XVI-106) verzocht om het wetsvoorstel verhoging eigen risico en het ontwerpbesluit tranchering
eigen risico te bundelen, zodat de verhoging en tranchering in samenhang kan worden
bezien en behandeld.
In reactie op deze motie heeft het kabinet aangegeven dat de twee maatregelen niet
gebundeld kunnen worden in één wetsvoorstel, maar wel het belang ziet van het behandelen
van de twee maatregelen in samenhang.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is een integraal tijdpad
te geven voor de verhoging, de indexering, de communicatie en de verdere besluitvorming
over de tranchering. Kan de regering daarbij aangeven op welke momenten de Kamer nog
materieel invloed kan uitoefenen op de vormgeving van de tranchering?
De vaststelling van de nominale premies voor de zorgverzekeringen en de toekenning
van de risicovereveningsbijdragen aan de zorgverzekeraars geschiedt volgens een zorgvuldig
en strak omlijnd proces, dat al in het najaar van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar
waarvoor de premies en risicovereveningsbijdragen gaan gelden, van start gaat.
Uiterlijk op 12 november van het jaar voor het kalenderjaar waarvoor ze moeten gaan
gelden, stellen de zorgverzekeraars de nominale premies voor hun zorgverzekeringen
vast. Daarvoor dienen zij te weten hoeveel risicovereveningsbijdrage zij over dat
kalenderjaar van het Zorginstituut toegekend zullen krijgen. Het Zorginstituut moet
daartoe op zijn beurt weten wat het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is
dat het over dat kalenderjaar kan toekennen. Daarom is in de Zvw bepaald dat dit totaalbedrag
voor 1 oktober van het jaar voor het kalenderjaar bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld.
Voor het berekenen van het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is de hoogte
van het eigen risico een parameter. Het rekenwerk voor de risicoverevening moet begin
september aanvangen.
Het voornemen is om het ontwerpbesluit tot tranchering van het verplicht eigen risico
in de medisch-specialistische zorg eind september voor advies voor te leggen bij de
Afdeling advisering van de Raad van State. Verwacht wordt dat de Afdeling advisering
van de Raad van State de maanden oktober en november 2026 nodig heeft voor het uitbrengen
van advies. Het nader rapport zal dan in december 2026 kunnen worden opgesteld, waarna
de amvb eind 2026 of begin 2027 in het Staatsblad zal kunnen worden gepubliceerd.
De inwerkingtredingsdatum voor de tranchering is 1 januari 2028. Met dit tijdpad hebben
de zorgverzekeraars dus – zoals zij vragen – (bijna) een vol jaar (namelijk 2027)
om de tranchering te implementeren. Dat jaar zal ook worden gebruikt voor een het
verzorgen van voldoende voorlichting over de tranchering.
De Tweede Kamer kan via een motie oproepen om wijzigingen door te voeren in de vormgeving
van de tranchering van het eigen risico.
Kan de regering reflecteren op de stelling dat het verhogen van het eigen risico de
rekening nadrukkelijk neerlegt bij mensen die pech hebben in hun gezondheid en dat
dit wringt met het principe van solidariteit waarop ons zorgstelsel juist gebaseerd
is? De leden van de BBB-fractie lezen daarnaast dat de regering stelt dat tranchering de toegankelijkheid van zorg
zou verbeteren. Deze leden vragen de regering of hiermee niet impliciet wordt erkend
dat een hoog eigen risico daadwerkelijk een zorgdrempel vormt.
De verhoging van het eigen risico draagt bij aan het draagvlak voor de risicosolidariteit
in ons zorgstelsel. Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die
gezond zijn en mensen die geconfronteerd worden met aandoeningen of beperkingen. Door
een eigen risico worden niet alle kosten collectief gedragen. Zo houden we de premies
beheersbaar. Het eigen risico fungeert hierdoor als een «ventiel» dat de druk op de
(risico)solidariteit beheersbaar houdt: zonder die eigen bijdrage van zorggebruikers
zou de bereidheid van gezonde Nederlanders die weinig tot geen zorg gebruiken om aan
de zorg van anderen mee te betalen, kunnen afnemen.
Met de tranchering van het verplicht eigen risico in de medisch-specialistische zorg
wordt maximaal € 150 in rekening gebracht, zodat mensen niet in één keer het volledige
bedrag van het eigen risico verschuldigd zijn. Hierdoor zijn verzekerden per behandelprestatie
een kleiner deel van hun verplicht eigen risico kwijt. Dit verlaagt inderdaad de financiële
drempel tot zorg, waardoor ongewenste zorgmijding om financiële redenen wordt tegengegaan.
Ook blijft het kostenbewustzijn langer doorwerken: waar een verzekerde voorheen na
één behandelprestatie zijn volledige eigen risico kwijt was en vervolgens geen financiële
prikkel meer ervoer, wordt de verzekerde na de tranchering langer gestimuleerd om
na te denken of een vervolgbehandeling (op dat moment) nodig en passend is. Zo geven
we het eigen risico slimmer vorm.
Tegelijk moet er oog blijven voor financieel kwetsbare mensen waar het eigen risico
kan leiden tot ongewenste zorgmijding van zorg die wel nodig is op dat moment. Dit
doen we in Nederland met gerichte financiële ondersteuning, zoals met zorgtoeslag
en gemeentelijke regelingen. Dit kabinet wil deze gerichte ondersteuning verbeteren
en is daarom in een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN over hoe de
gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de tranchering pas vanaf 1 januari 2028 in werking treedt vanwege
de tijd die zorgverzekeraars nodig hebben voor de invoering. De regering geeft in
de toelichting echter zelf aan dat er sprake is van een onderlinge afhankelijkheid
tussen de verhoging van het eigen risico en de tranchering. Zij vragen waarom de regering
er niet voor heeft gekozen om de verhoging en de tranchering gelijktijdig in te laten
gaan, door ofwel de verhoging uit te stellen, ofwel door de tranchering alsnog eerder
in te voeren.
De maatregelen kennen geen afhankelijkheid van elkaar in de uitvoering waardoor ze
tegelijk zouden moeten worden ingevoerd. De tranchering van het verplicht eigen risico
vraagt meer voorbereidingstijd dan het wijzigen van de hoogte van het verplicht eigen
risico. Om die reden treedt het wetsvoorstel verhoging eigen risico per 2027 in werking
en de amvb tranchering per 2028. In de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord
is hier rekening mee gehouden.
De Kamer heeft bij motie van het lid Synhaeve c.s. (Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800 XVI-106) verzocht om het wetsvoorstel verhoging eigen risico en het ontwerpbesluit tranchering
eigen risico te bundelen, zodat de verhoging en tranchering in samenhang kan worden
bezien en behandeld. In reactie op deze motie heeft het kabinet aangegeven dat de
twee maatregelen niet gebundeld kunnen worden in één wetsvoorstel, maar wel het belang
ziet van het behandelen van de twee maatregelen in samenhang.
Door de verhoging al per 2027 in te voeren en de tranchering pas in 2028 wijzigt de
systematiek in korte tijd twee keer. De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat zorgverzekeraars
in hun brief van 28 januari 2025 al aangaven dat voorspelbaarheid ten aanzien van
het eigen risico voor verzekerden belangrijk is. Zij vragen de regering hierop te
reflecteren.
De systematiek van het verplicht eigen risico wordt met dit wetsvoorstel niet gewijzigd.
Met het trancheren van het verplicht eigen risico voor de medisch-specialistische
zorg verandert de systematiek wel. In de maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de tranchering per 2028 zal er daarom gerichte informatievoorziening plaatsvinden
om verzekerden bekend te maken met de maatregel en goed uit te leggen hoe de tranchering
in de praktijk werkt. Deze informatievoorziening wordt opgezet in samenwerking met
zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Bij de totstandkoming worden verschillende doelgroepen
betrokken, zodat de communicatie begrijpelijk is en zoveel mogelijk mensen zal bereiken.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben de zorg dat de verhoging van het eigen risico gevolgen heeft voor de toegankelijkheid
van de zorg. Nederland heeft een langdurig opgebouwd stelsel waarin het altijd belangrijk
is geweest dat de toegankelijkheid voor alle inkomensgroepen gegarandeerd is.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien de meerwaarde van de voorstellen tot tranchering.
Daarbij merken ze op dat de regering schrijft dat enerzijds de drempel tot (medisch-specialistische)
zorg wordt verhoogd (door verhoging van het verplicht eigen risico) en anderzijds
volgens de regering de drempel wordt verlaagd door invoering van de tranchering. De
leden van de ChristenUnie-fractie wat nu het doel van de regering is voor de drempel
en op welke criteria de regering dat baseert. Zij vragen bovendien hoe de regering
reflecteert op de gevolgen van beide voorstellen in het licht van de effecten van
de financiële drempel op de afname van zorg. Zij vragen of de regering voor specifieke
doelgroepen zorgen heeft, zo ja, hoe dat wordt gemonitord en zo nee, waarom niet.
Het verplicht eigen risico kent twee hoofddoelen: medefinanciering en kostenbewustzijn.
Via medefinanciering dragen zorggebruikers zelf een deel van hun kosten, wat een lagere
nominale premie voor iedereen mogelijk maakt. Kostenbewustzijn stimuleert verzekerden
bewuster af te wegen of zorg (op dat moment) noodzakelijk is, wat leidt tot minder
zorggebruik en lagere premies – het zogenoemde remgeldeffect. Onderzoek laat zien
dat eigen bijdragen in de zorg ook kunnen leiden tot uitstel of afzien van medisch
noodzakelijke zorg. Dit komt met name vaker voor bij bepaalde kwetsbare groepen, zoals
mensen met een kwetsbare financiële situatie.
Het is daarom belangrijk om mensen zoveel mogelijk gericht te ondersteunen. Bijvoorbeeld
door zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen, zoals de gemeentepolis waarin vaak een
herverzekering voor het eigen risico is opgenomen. Dit kabinet is in een positief
en constructief gesprek met de VNG en ZN over het beter inzetten van de gemeentepolis.
De tranchering van het verplicht eigen risico leidt ertoe dat het verplicht eigen
risico slimmer wordt ingezet: de drempel is zowel verlaagd als verlengd, waardoor
het effect van het eigen risico op het kostenbewustzijn wordt verlengd. Immers, doordat het verplicht
eigen risico niet al na de eerste zorgvraag wordt vol gemaakt, kan het eigen risico
ook vaker later in het jaar nog worden aangesproken.
De ontwikkeling met betrekking tot zorgmijding wordt reeds gemonitord. Onder andere
door het Nivel, dat daarbij ook kijkt naar specifieke kwetsbare groepen, zoals mensen
met een kwetsbare financiële situatie en chronisch zieke en gehandicapte mensen.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat dit besluit de drempel voor mensen om medisch noodzakelijke zorg
te gebruiken verhoogt. Bovendien worden de kosten van de zorg disproportioneel worden
neergelegd bij mensen die de pech hebben om ziek te worden. Waarom kiest de regering
niet voor het vergroten van de solidariteit, in plaats van deze af te breken?
De verhoging van het eigen risico draagt bij aan het draagvlak voor de risicosolidariteit
in ons zorgstelsel. Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die
gezond zijn en mensen die geconfronteerd worden met aandoeningen of beperkingen. Door
een eigen risico worden niet alle kosten collectief gedragen. Zo houden we de premies
beheersbaar. Het eigen risico fungeert hierdoor als een «ventiel» dat de druk op de
(risico)solidariteit beheersbaar houdt: zonder die eigen bijdrage van zorggebruikers
zou de bereidheid van gezonde Nederlanders die weinig tot geen zorg gebruiken om voor
de zorg van anderen te betalen, kunnen afnemen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering schrijft «Als onderdeel van het vierde
principe «Solidair zorgstelsel» zet het kabinet in op een verhoging van het verplicht
eigen risico met € 60 per 2027 (na indexering)». Ziet de regering zelf ook niet de
absurditeit van die zin in? Waarom erkent de regering niet gewoon dat zij hiermee
bewust de solidariteit van ons zorgstelsel afbreken, om geld vrij te maken voor militarisering?
Is deze onzin echt nodig?
De zorg staat voor een grote opgave en hervormingen zijn op korte termijn noodzakelijk,
waaronder het verhogen van het verplicht eigen risico. Het eigen risico zorgt namelijk
voor medefinanciering, waardoor aan iedereen een lagere premie kan worden gevraagd.
Verder creëert het kostenbewustzijn onder verzekerden. Het beoogt mensen te stimuleren
om bewuster na te denken of het gebruik van zorg noodzakelijk is en of de zorg op
dat moment moet plaatsvinden. Hierdoor is de zorg die wordt verleend vaker passende
zorg. Daarnaast draagt de verhoging van het eigen risico bij aan het draagvlak voor
de risicosolidariteit in ons zorgstelsel. Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit
tussen mensen die gezond zijn en mensen die geconfronteerd worden met aandoeningen
of beperkingen. Door een eigen risico worden niet alle kosten collectief gedragen.
Zo houden we de premies beheersbaar. Het eigen risico fungeert hierdoor als een «ventiel»
dat de druk op de (risico)solidariteit beheersbaar houdt: zonder die eigen bijdrage
van zorggebruikers zou de bereidheid van gezond Nederland om voor de zorg van anderen
te betalen, kunnen afnemen.
De hervormingen in de zorg, waaronder de verhoging van het verplicht eigen risico,
zijn zoals toegelicht noodzakelijk om de zorg houdbaar en toegankelijk te houden,
en passen ook in het beleid van dit kabinet om verstandig om te gaan met de collectieve
uitgaven.
De leden van de SP-fractie stellen dat dit besluit ook het vertrouwen in de politiek
kan beschadigen. Eerst werd beloofd om het eigen risico te verhogen, vervolgens beloofde
tijdens de verkiezingscampagne een meerderheid van de huidige Tweede Kamer om het
op zijn minst te bevriezen en nu volgt er een verhoging die groter is dan die door
enige partij in de doorrekening van het CPB was meegenomen. Hoe legt de regering dit
uit aan de Nederlandse kiezer?
De zorg staat voor een grote opgave en hervormingen zijn op korte termijn noodzakelijk
om de zorg goed en toegankelijk te houden. Eén van de maatregelen hiervoor is het
verhogen van het verplicht eigen risico. Onze zorg is gebouwd op solidariteit. Gezonde
mensen betalen mee aan de zorgkosten van burgers die ziek zijn of langdurig afhankelijk
zijn van zorg en ondersteuning. Mensen met een hoog inkomen betalen meer dan mensen
met een laag inkomen, terwijl we onder andere via de zorgtoeslag de zorg betaalbaar
houden voor mensen met lagere inkomens. En we ondersteunen mensen met weinig geld
die te maken hebben met een stapeling van zorgkosten. We betalen veel samen, en als
je daadwerkelijk zorg of ondersteuning gebruikt, past daar ook een eigen financiële
bijdrage bij. Zo houden we de zorgkosten beheersbaar en zorgen we ervoor dat gezonde
mensen ook in de toekomst solidair willen blijven met mensen die zorg nodig hebben.
Het kabinet realiseert zich dat in de afgelopen periode over het eigen risico verschillende
ideeën gespeeld hebben. Dit kabinet stelt voor het eigen risico te verhogen en weer
jaarlijks te indexeren. Daarmee komt er voor de komende jaren duidelijkheid.
2. Financiering van de zorg en (kosten)ontwikkelingen
Het eigen risico wordt verhoogd met € 60 en tevens geïndexeerd met € 10, wat een totale
verhoging van € 70 is, zo constateren de leden van de PRO-fractie. Kan nader worden toegelicht waarom € 70 een geschikt bedrag is voor de verhoging?
Waarom gaat een verhoging van € 70 precies het gewenste effect van minder zorgconsumptie
bewerkstelligen volgens de regering en kan de regering kwantificeren welk effect er
verwacht wordt inzake de geschetste uitdagingen in de zorg waar de verhoging van het
eigen risico een zogenoemd antwoord op zou zijn?
Als het verplicht eigen risico sinds 2018 doorlopend zou zijn geïndexeerd conform
artikel 19 van de Zvw, dan zou het verplicht eigen risico in 2026 naar verwachting
zijn uitgekomen op € 535. Dat is € 150 hoger dan het daadwerkelijke verplicht eigen
risico van € 385 in 2026. Met de verhoging van € 60 van het verplicht eigen risico
wil het kabinet het verplicht eigen risico weer meer laten aansluiten bij de het niveau
van de zorguitgaven, wat zal leiden tot meer medefinanciering door verzekerden die
zorg nodig hebben en meer kostenbewustzijn. Het kabinet acht dat deze keuze tot een
betere balans leidt tussen betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg.
Voor welke problemen is het verhogen van het eigen risico een oplossing en kan de
regering precies en met een afrekenbaar doel zeggen welk probleem in welke mate opgelost
dient te worden? Kan de regering eenduidig met ja of nee beantwoorden of de verhoging
van het eigen risico en het bedrag van € 70 wel of niet enige samenhang heeft met
financiële opgaven?
De verhoging van het eigen risico is onderdeel van een pakket aan maatregelen dat
het kabinet neemt om de zorg klaar te maken voor de toekomst. Het probleem waar Nederland
voor staat is dat de zorg vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt een steeds groter
beslag legt op een beroepsbevolking, die nauwelijks toeneemt, evenals een steeds groter
beslag op de collectieve uitgaven die volgens het CPB zonder aanvullend beleid toenemen
van 9,5% in 2025 naar bijna 17% van het bbp in 2060. Om de zorg betaalbaar en toegankelijk
te houden, kiest het kabinet voor hervormingen, waaronder een hoger verplicht eigen
risico. Het verplicht eigen risico bedraagt sinds 2016 € 385 en heeft zich niet mee
ontwikkeld met de kosten van de zorg. Door inflatie is de reële waarde van het verplicht
eigen risico over tijd ook afgenomen. Als het eigen risico met de inflatie zou zijn
meegestegen, dan zou het eigen risico in 2026 naar schatting € 535 bedragen en zou
de zorgpremie jaarlijks circa € 100 lager zijn. Dit kabinet acht het wenselijk om
het verplicht eigen risico weer mee te laten bewegen met de ontwikkeling van de zorgkosten
en kiest daarom voor een verhoging (naast indexering) van € 60. Juist om de zorg toegankelijk
te houden voor iedereen en om ervoor te zorgen dat de zorgpremie minder hard stijgt.
Daarnaast kiest het kabinet ervoor het eigen risico in de medisch-specialistische
zorg op € 150 per behandeling te maximeren. Dit verlaagt de financiële drempel tot
zorg en het kostenbewustzijn werkt langer door. De hervormingen in de zorg, waaronder
de verhoging van het verplicht eigen risico, zijn noodzakelijk om de zorg houdbaar
en toegankelijk te houden, en passen ook in het beleid van dit kabinet om verstandig
om te gaan met de collectieve uitgaven.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het verplicht eigen risico volgens de regering dient voor medefinanciering
en kostenbewustzijn. Zij vragen de regering in gewone taal uiteen te zetten wie financieel
voordeel heeft van dit voorstel en wie erop achteruitgaat. Klopt het dat mensen die
weinig of geen zorg gebruiken kunnen profiteren van een lagere premie, terwijl mensen
die hun eigen risico volmaken erop achteruitgaan? Hoe verhoudt dit zich tot solidariteit
tussen gezonde mensen en mensen die ziek zijn?
Verzekerden die het verplicht eigen risico niet vol maken hebben inderdaad het meeste
profijt van het verhogen van het verplicht eigen risico, omdat zij niet meer eigen
risico maar wel een lagere nominale premie gaan betalen. Deze groep omvat naar verwachting
7,5 miljoen mensen. Mensen die hun verplicht eigen risico vol maken, gaan er financieel
op achteruit. Deze groep, die zeer divers is, omvat naar verwachting 7,3 miljoen mensen.
Het kabinet heeft oog voor de groep financieel kwetsbare verzekerden voor wie het
eigen risico kan leiden tot ongewenste zorgmijding van zorg die wel nodig is op dat
moment. Dit doen we in Nederland met gerichte financiële ondersteuning, zoals met
zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen. Dit kabinet wil deze gerichte ondersteuning
verbeteren en is daarom in een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN over
hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De verhoging van het eigen risico draagt bij aan het draagvlak voor de risicosolidariteit
in ons zorgstelsel. Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die
gezond zijn en mensen die geconfronteerd worden met aandoeningen of beperkingen. Door
een eigen risico worden niet alle kosten collectief gedragen. Zo houden we de premies
beheersbaar. Het eigen risico fungeert hierdoor als een «ventiel» dat de druk op de
(risico)solidariteit beheersbaar houdt: zonder die eigen bijdrage van zorggebruikers
zou de bereidheid van gezonde Nederlanders die weinig tot geen zorg gebruiken om aan
de zorg van anderen mee te betalen, kunnen afnemen.
Kan de regering inzichtelijk maken welk deel van de geraamde lagere zorguitgaven voortkomt
uit het vermijden van niet-noodzakelijke zorg en welk deel mogelijk voortkomt uit
het uitstellen of afzien van medisch noodzakelijke zorg? Als dit onderscheid niet
kan worden gemaakt, hoe kan de regering dan met voldoende zekerheid stellen dat de
besparing niet ten koste gaat van noodzakelijke zorg?
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt
tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg-
en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren
bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen.
De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 3 van de memorie van toelichting dat het verplicht eigen risico twee
hoofddoelen heeft, namelijk medefinanciering van de kosten van zorg onder de Zvw en
het creëren van kostenbewustzijn. Kan de regering kwantificeren welk deel van de voorgestelde
maatregel volgens haar primair ziet op medefinanciering en welk deel op het remgeldeffect?
De verhoging van het verplicht eigen risico met € 60, leidt in 2027 naar verwachting
tot € 437 mln extra opbrengst van het eigen risico (medefinanciering) en € 613 mln
aan lagere zorguitgaven (remgeldeffect).
Kan de regering ook aangeven hoe zij deze twee doelen weegt wanneer zij onderling
botsen, bijvoorbeeld wanneer kostenbewustzijn omslaat in ongewenste zorgmijding?
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt
tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg-
en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren
bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen.
De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 4 van de memorie van toelichting dat
het eigen risico zonder bevriezing in 2026 naar schatting € 535 zou hebben bedragen
en dat de nominale premie dan circa € 100 lager had kunnen worden vastgesteld. Kan
de regering inzichtelijk maken hoe de verhouding tussen het verplicht eigen risico
en de nominale premie zich naar verwachting ontwikkelt in de jaren 2027 tot en met
2030, zowel mét als zónder tranchering?
Volgens huidige inzichten bedraagt het verplicht eigen risico na indexatie en verhoging
€ 455 in 2027 en stijgt dit tot € 490 in 2030. De hoogte van het maximumbedrag per
prestatie in de medisch-specialistische zorg ontwikkelt zich volgens huidige inzichten
van € 150 in 2028 naar € 160 in 2030. De hoogte van de nominale premie ontwikkelt
zich volgens huidige inzichten van € 1.991 in 2027 naar € 2.174 in 2030. De genoemde
bedragen kunnen nog veranderen door bijvoorbeeld (loon- en prijs)bijstellingen van
de zorguitgaven.
Op basis van de huidige verwachte ontwikkeling van de zorguitgaven ontwikkelt de nominale
premie van ongeveer € 1.990 in 2027 naar ongeveer € 2.170 in 2030. Deze bedragen zijn
met grote onzekerheid omgeven; de komende maanden komen nog veel realisatiegegevens
beschikbaar die van invloed zijn op de verwachte premie. Op Prinsjesdag wordt de definitieve
raming voor 2027 bekend gemaakt. De verwachte nominale premie voor de jaren na 2027
wordt doorlopend geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten. De nominale premie
wordt uiteindelijk door de verzekeraars zelf vastgesteld.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering invulling geeft aan het advies
van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Raad van State) om te komen
tot een consistenter en voorspelbaarder beleid rond het eigen risico. Acht de regering
het wenselijk dat burgers en uitvoerders in korte tijd worden geconfronteerd met achtereenvolgens
het eerdere voornemen tot verlaging, het huidige voorstel tot verhoging en de aangekondigde
tranchering? Hoe wil de regering voorkomen dat de systematiek van het eigen risico
steeds opnieuw wijzigt, met alle gevolgen voor vertrouwen, uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid?
De systematiek van het eigen risico is in de Zvw geregeld: in principe wordt het verplicht
eigen risico ieder jaar evenredig aan de geraamde stijging van de zorgkosten geïndexeerd.
Sinds 2018 is deze systematiek echter niet toegepast. In plaats daarvan is het eigen
risico steeds bevroren. Het kabinet Schoof was inderdaad van plan het eigen risico
te verlagen. Dit kabinet wil de in de Zvw neergelegde wijzigingssystematiek van het
eigen risico weer gewoon toepassen, dat wil zeggen het eigen risico evenredig aan
de stijging van de zorgkosten indexeren. Daarnaast wil het kabinet het eigen risico
eenmalig met een bedrag van € 60 verhogen, en het eigen risico bij gebruik van medisch-specialistische
zorg eenmalig trancheren. Het is daarbij overigens wel de bedoeling dat het tranchebedrag
vanaf 2029 zo zal worden vastgesteld dat het onafgerond 33% van het onafgeronde totaalbedrag
aan eigen risico bedraagt. Het kabinet heeft geen verdere plannen tot wijziging van
de eigenrisicosystematiek.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de regering stelt dat het eigen risico nodig is om premiebetalers solidair
te houden met mensen die zorg gebruiken. Deze leden vragen de regering waarop concreet
is gebaseerd dat draagvlak voor solidariteit zou afnemen wanneer zorgkosten meer via
de premie zouden worden verdeeld. De leden van de BBB-fractie zien deze redenering
niet terug als het gaat om uitgaven voor bijvoorbeeld natuurbeleid: verhoging van
belastingen om natuurbeleid mee te betalen worden niet in hogere mate neergelegd bij
mensen die dat natuurbeleid waarderen. En afnemende solidariteit wordt ook niet als
argument aangevoerd wanneer subsidies verstrekt worden aan groeperingen die de overheid
met rechtszaken belast. Bij ons zorgstelsel lijkt dit voor het huidige Kabinet echter
wel een belangrijk argument. Kan de regering hierop reflecteren?
Kan de regering tevens reflecteren op het feit dat een premiestijging over miljoenen
verzekerden wordt verdeeld, terwijl een verhoging van het eigen risico juist volledig
terechtkomt bij mensen die daadwerkelijk zorg nodig hebben?
Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die gezond zijn en mensen
die geconfronteerd worden met aandoeningen of beperkingen. Door een eigen risico worden
niet alle kosten collectief gedragen. Zo houden we de premies beheersbaar. Onderzoek2 laat zien dat Nederlanders in 2023 bereid waren om gemiddeld iets meer te betalen
voor de basisverzekering dan de laagste premie in dat jaar. Een deel van de bevolking
wilde echter minder betalen dan de premie in dat jaar. Als het eigen risico niet zou
stijgen, dan zou de premie voor de basisverzekering verder stijgen tot een bedrag
dat de meeste mensen niet meer zouden willen betalen. En dit zou een negatieve invloed
kunnen hebben op het draagvlak voor ons op solidariteit gebaseerde zorgstelsel.
De leden van de BBB-fractie constateren dat ongeveer de helft van de verzekerden het
eigen risico volledig betaalt. Kan de regering uitsplitsen hoeveel van deze groep
bestaat uit chronisch zieken, ouderen, mensen met een beperking en mensen met lage
inkomens?
In 2027 betalen naar verwachting 7,3 miljoen mensen het volledige verplicht eigen
risico. Voor 2027 is het onderscheid naar verschillende persoonskenmerken niet beschikbaar,
maar op basis van de monitor stapeling eigen bijdragen is dit onderscheid naar leeftijd
en huishoudinkomen wel beschikbaar voor het jaar 2022, wat indicatief kan zijn voor
2027. De resultaten staan in onderstaande tabel. Er is in deze tabel geen onderscheid
naar mensen met een chronische aandoening gemaakt, omdat er geen eenduidige definitie
is van wie chronisch ziek is of een beperking heeft.
Persoonskenmerk
Aantal personen die het verplicht eigen risico volmaken1
Totaal
6.545.300
Tot AOW-leeftijd
4.123.700
AOW-leeftijd of ouder
2.421.500
Minder dan 20.000 euro
189.500
20.000 tot 30.000 euro
818.500
30.000 tot 40.000 euro
793.100
40.000 tot 50.000 euro
610.400
50.000 tot 75.000 euro
1.155.800
75.000 tot 100.000 euro
893.300
100.000 euro en meer
2.066.200
Inkomen onbekend
18.500
X Noot
1
Door afronding kan het totaal afwijken van de som van verschillende onderdelen.
Voorts lezen deze leden dat de regering het «remgeldeffect» nadrukkelijk als positief
presenteert. Kan de regering aangeven hoe onderscheid wordt gemaakt tussen het vermijden
van onnodige zorg en het vermijden van noodzakelijke zorg, nu de in memorie van toelichting
erkend wordt dat dit onderscheid in de praktijk lastig te maken is?
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
Vaak zijn er meerdere redenen die tegelijk een rol spelen, is het effect van één specifieke
maatregel niet precies te isoleren en zou een groep verzekerden over een heel lange
periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden is, medisch noodzakelijke
zorg zou kunnen zijn geweest. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke
en niet-noodzakelijke zorg die wordt gemeden.
Het CPB doet momenteel onderzoek naar het niet-opvolgen van een verwijzing van de
huisarts. Het niet-opvolgen van een verwijzing kan wijzen op (een ongewenste vorm
van) zorgmijding. Het doel is dat dit onderzoek nieuwe inzichten oplevert over de
omvang en aard van niet-opgevolgde verwijzingen en over verschillen tussen opvolgers
en niet-opvolgers, waarbij zowel gekeken wordt naar financiële als niet-financiële
redenen van het niet opvolgen. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen meer inzicht
geven in zorgmijding. De resultaten van het CPB-onderzoek worden eind 2026 verwacht.
Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt
tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg-
en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren
bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen.
De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het verhogen van het eigen risico door gebrek aan politiek draagvlak, in
tegenstelling tot wat oorspronkelijk was geanticipeerd, is voorkomen. Deze leden vragen
de regering hoe, ook gezien de unieke positie van het minderheidskabinet, er deze
keer wel politiek draagvlak wordt gerealiseerd voor verhoging van het verplicht eigen
risico.
Uiteraard spant het kabinet zich maximaal in om de benodigde steun te krijgen voor
deze maatregel, die een belangrijk onderdeel vormt van een pakket aan maatregelen
gericht op het toekomstbestendig maken van onze zorg.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op, net als de Raad van State, dat de
hoogte van het verplicht eigen risico de afgelopen jaren onderwerp is geweest van
politieke beloften. Het verplicht eigen risico zou worden gehalveerd. Inmiddels is
duidelijk dat die belofte nooit van de grond gekomen is. In tegenstelling tot de politieke
belofte van enkele jaren terug is de huidige regering voornemens het verplicht eigen
risico te verhogen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij
de recente geschiedenis op dit onderwerp heeft meegewogen bij het ontwerp van dit
wetsvoorstel. Welke overwegingen heeft de regering om deze tournure met deze vaart
in te zetten en welk gevolg heeft dit voor het vertrouwen in de politiek, zo vragen
deze leden.
Dit kabinet deelt de conclusie van de Afdeling advisering van de Raad van State dat
het van belang is om te komen tot een meer consistent en voorspelbaar beleid, en een
balans tussen het meefinancieren van de zorg door verzekerden enerzijds en een collectieve
financiering door middel van zorgpremies anderzijds. Dit kabinet acht het wenselijk
om met het verplicht eigen risico terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling
zoals vastgelegd in de Zvw, namelijk dat het verplicht eigen risico meegroeit met
de zorgkostenkostenontwikkeling. Doordat het verplicht eigen risico sinds 2016 € 385
bedraagt, is de reële waarde van het verplicht eigen risico over tijd afgenomen en
daardoor is ook de balans tussen medefinanciering en collectieve financiering veranderd.
Kan de regering in dit licht ook nader ingaan op het advies van de Raad van State
waar met kracht wordt onderstreept dat een consistent en voorspelbaar beleid wenselijk
is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
De systematiek van het eigen risico is in de Zvw geregeld: in principe wordt het verplicht
eigen risico ieder jaar evenredig aan de geraamde stijging van de zorgkosten geïndexeerd.
Sinds 2018 is deze systematiek echter niet toegepast. In plaats daarvan is het eigen
risico steeds bevroren. Het kabinet wil de in de Zvw neergelegde wijzigingssystematiek
van het eigen risico weer gewoon toepassen, dat wil zeggen het eigen risico evenredig
aan de stijging van de zorgkosten indexeren. Daarnaast wil het kabinet het eigen risico
eenmalig met een bedrag van € 60 verhogen, en het eigen risico bij gebruik van medisch-specialistische
zorg eenmalig trancheren. Het is daarbij overigens wel de bedoeling dat het tranchebedrag
vanaf 2029 zo zal worden vastgesteld dat het onafgerond 33% van het onafgeronde totaalbedrag
aan eigen risico bedraagt. Het kabinet heeft geen verdere plannen tot wijziging van
de eigenrisicosystematiek.
Zij vragen bovendien op welke wijze worden mensen voorbereid op een verdere stijging
van het verplicht eigen risico na 2027, nu mensen enkele jaren een gelijk bedrag aan
verplicht eigen risico hebben moeten betalen?
Verzekerden zullen in het najaar geïnformeerd worden over de nieuwe hoogte van het
verplicht eigen risico. Hier ligt ook een rol voor zorgverzekeraars (zie artikel 14
van de Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten, TH/NR-027).
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering schrijft dat «de zorguitgaven door het afgenomen kostenbewustzijn
[zijn] toegenomen». Waar is deze claim op gebaseerd? In hoeverre is minder uitgestelde
zorg hierbij meegenomen?
Net als bij voorliggend wetsvoorstel, is er bij eerdere wetsvoorstellen tot het bevriezen
van het verplicht eigen risico rekening gehouden met het zogenoemde remgeldeffect.
In het geval van het bevriezen van het eigen risico, is er rekening mee gehouden dat
de zorguitgaven zouden toenemen en zijn de uitgaven hiervoor aangepast. De verwachting
dat een relatief lager eigen risico leidt tot minder kostenbewustzijn en dus een lagere
financiële prikkel vormt voor verzekerden om terughoudend te zijn met zorggebruik,
is gebaseerd op algemene inzichten uit de economische wetenschap dat mensen minder
geremd worden in hun consumptie naarmate ze er zelf meer voor moeten betalen.
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
3. Doel en inhoud van de maatregel en overwogen alternatieven
De leden van de VVD-fractie hechten waarde aan een zorgstelsel waarbij sprake is van risicosolidariteit tussen
gezonde en ongezonde mensen. Een van de doelstellingen van het eigen risico is het
solidariteitsventiel. Het is daarbij belangrijk dat verzekerden die zelf weinig zorg
gebruiken bereid blijven om via hun premie mee te betalen aan de zorg van anderen.
De leden van de VVD-fractie vragen zich af wat de verwachte invloed is van de verhoging
en de tranchering van het eigen risico op het maatschappelijk draagvlak voor solidariteit
in het zorgstelsel.
De verwachting is dat de verhoging van het eigen risico bij zal dragen aan het (behoud
van het) draagvlak voor de risicosolidariteit in ons zorgstelsel. Ons zorgstelsel
is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die gezond zijn en mensen die geconfronteerd
worden met aandoeningen of beperkingen. Door een eigen risico worden niet alle kosten
collectief gedragen. Zo houden we de premies beheersbaar. Het eigen risico fungeert
hierdoor als een «ventiel» dat de druk op de (risico)solidariteit beheersbaar houdt:
zonder die eigen bijdrage van zorggebruikers zou de bereidheid van gezonde Nederlanders
die weinig tot geen zorg gebruiken om aan de zorg van anderen mee te betalen, kunnen
afnemen.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het remgeldeffect door de jarenlange bevriezing
van het verplicht eigen risico is afgenomen. Deze conclusie vinden zij logisch, aangezien
het prijspeil in deze periode niet bevroren geweest is. Kan de regering aangeven in
welke mate het verplicht eigen risico sinds 2016 is afgenomen? Hoe groot zou het remgeldeffect
zijn op het moment dat de wettelijke indexatie elk jaar plaats zou hebben gevonden?
Door inflatie is de reële waarde van het verplicht eigen risico over tijd afgenomen.
De reële waarde van het verplicht eigen risico in 2026 ten opzichte van 2016 bedraagt
€ 281. De reële waarde is daarmee met 27% afgenomen.
Hoe groot het remgeldeffect van het verplicht eigen risico zou zijn als het verplicht
eigen risico de afgelopen jaren wel zou zijn geïndexeerd, is op dit moment niet duidelijk.
Voor het remgeldeffect wordt doorgaans aangesloten bij berekeningen van het CPB omdat
het CPB een microsimulatiemodel heeft om het remgeldeffect bij verschillende hoogtes
van eigen risico door te kunnen rekenen. Dit model is gebaseerd op individuele gegevens
van zorggebruik van verzekerden in de Zvw over een periode van zes jaar. Een beleidsoptie
waarbij het verplicht eigen risico sinds 2016 wel zou zijn geïndexeerd, is door het
CPB niet doorgerekend.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de eigen bijdragen in de Zvw en Wet langdurige
zorg (Wlz) in Nederland op twaalf procent liggen, hetgeen in Europees perspectief
relatief laag is. Kan de regering aangeven of de verhoging van het eigen risico dit
percentage verandert? Graag hierin ook verdisconteren dat het verhogen van het eigen
risico effect heeft op de hoogte van de nominale premie.
De verwachting is dat door de verhoging van het verplicht eigen risico de eigen bijdragen
als aandeel van de totale zorgkosten met iets minder dan 0,5%-punt toeneemt.
De leden van de PRO-fractie constateren dat de regering erkent dat het verhogen van het eigen een keerzijde heeft,
namelijk dat een drempel opwerpt voor medisch noodzakelijke zorg. Echter wordt er
gesteld dat alternatieven lastig uitvoerbaar zijn. Kan de regering nader toelichten
welke alternatieven ze precies hebben overwogen en waarom deze alternatieven zijn
afgevallen? Welke uitvoeringstoetsen zijn uitgevoerd voor de alternatieve mogelijkheden?
Door te stellen dat de alternatieven niet werkzaam zijn, presenteert de regering een
verhoging van het eigen risico als een noodzakelijkheid voor de eigen financiële kaders,
terwijl het dus een politiek keuze is. Waarom heeft de regering niet gekozen voor
bijvoorbeeld een verhoging van de vermogensbelasting zodat het eigen risico niet verhoogt
hoeft te worden? Is dit overwogen?
Nederland staat voor de opgave dat de zorg een steeds groter beslag legt op een beroepsbevolking
die nauwelijks toeneemt, en op de collectieve uitgaven die volgens het CPB zonder
aanvullend beleid toenemen van 9,5% in 2025 naar bijna 17% van het bbp in 2060. Dit
kabinet vindt het daarom zijn verantwoordelijkheid om de zorg te hervormen. Onderdeel
van het pakket aan maatregelen daartoe is het verhogen van het verplicht eigen risico.
Het verplicht eigen risico bedraagt sinds 2016 € 385 en heeft zich sindsdien niet
mee ontwikkeld met de kosten van de zorg. Door inflatie is de reële waarde van het
verplicht eigen risico over tijd afgenomen. Dit is niet houdbaar en heeft ook geleid
tot een hogere zorgpremie. Tegelijkertijd zet een het personeelstekort in de zorg
de toegankelijkheid onder druk. Het verhogen van de vermogensbelasting is geen oplossing
voor de problemen in de zorg. De hervormingen in de zorg, waaronder het verhogen van
het verplicht eigen risico, passen tevens in een totaalpakket aan maatregelen om verstandig
om te gaan met de collectieve uitgaven.
Het kabinet erkent dat het verplicht eigen risico in de zorg zowel voordelen als nadelen
heeft. Hoewel het eigen risico onnodige zorg kan beperken, kan het eigen risico ook
een drempel vormen voor noodzakelijke zorg, met name voor mensen met lage inkomens,
chronisch zieken en gehandicapten. Het kabinet heeft daarom overwogen om het eigen
risico te verlagen voor deze groepen of het inkomensafhankelijk te maken, maar dit
blijkt niet haalbaar. Hiervoor zijn geen uitvoeringstoetsen uitgevoerd, maar verkenningen
gedaan door mijn ministerie. Voor het gericht verlagen van het verplicht eigen risico
is gekeken naar de geleerde lessen van de voormalige compensatie van het eigen risico
(CER) en de voormalige Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).
Deze waren onvoldoende effectief, onder andere door het ontbreken van een eenduidige
definitie en registratie van chronisch zieken en gehandicapten.
Een inkomensafhankelijk eigen risico vindt dit kabinet niet wenselijk en is bovendien
om meerdere redenen complex. De complexiteit en uitvoeringskosten zouden met deze
variant significant toenemen, zorgverzekeraars zouden over inkomensgegevens moeten
gaan beschikken, of om dat te voorkomen zou de uitvoering via een derde partij moeten
lopen. Ook zou rekening moeten worden gehouden met wisselende inkomens, en bezwaar
en beroep mogelijk moeten worden gemaakt voor verzekerden die het niet eens zouden
zijn met de risicoklasse waarin zij op basis van hun inkomen ingedeeld zouden worden.
Om de bovengenoemde redenen acht het kabinet het wenselijk om het verplicht eigen
risico voor iedereen te verhogen en de gerichte financiële ondersteuning van kwetsbare
groepen uit te breiden.
Genoemde leden lezen in de memorie van toelichting dat «Hierbij is geen onderscheid
gemaakt tussen gewenste en ongewenste zorgmijding. In de praktijk blijkt het niet
goed mogelijk om het onderscheid te maken tussen noodzakelijke en minder noodzakelijke
zorg en daarom is het ook niet duidelijk in welke mate de zorg waarvan wordt afgezien
noodzakelijke zorg is. In hoeverre eigen betalingen leiden tot het uitstellen van
noodzakelijke zorg en in hoeverre dat leidt tot hogere zorguitgaven op de langere
termijn is onvoldoende onderzocht. Er is weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke
en niet-noodzakelijke zorg bij de zorg die werd gemeden» Hoe kan de regering dan stellen
dat het remgeldeffect wenselijk is?
Het eigen risico creëert kostenbewustzijn onder verzekerden. Het beoogt mensen te
stimuleren om bewuster na te denken of het gebruik van zorg noodzakelijk is en of
de zorg op dat moment moet plaatsvinden. Hierdoor is de zorg die wordt verleend vaker
passende zorg. Tegelijk moet er oog zijn voor financieel kwetsbare mensen voor wie
het eigen risico een drempel kan zijn tot het gebruik van medisch noodzakelijke zorg.
Dit doen we in Nederland al met gerichte financiële ondersteuning, zoals met zorgtoeslag
en gemeentelijke regelingen. Dit kabinet wil deze gerichte ondersteuning verbeteren
en is daarom in een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN over hoe de
gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de PRO-fractie lezen in de memorie van toelichting over de enveloppe
van € 350 miljoen dat «Voor het zomerreces van 2026 van het parlement zullen de inhoudelijke
resultaten volgend uit de analyse aan het parlement worden aangeboden.» Is hier al
invulling van? Is de verwachting dat € 350 miljoen voldoende is om de nieuwe stapeling
aan zorgkosten te compenseren? Graag ontvangen de genoemde leden van de regering een
heel precies overzicht van alle debatten waarin de € 350 miljoen genoemd is als compensatie
voor bezuinigingen? Voor welke bezuiniging deze € 350 miljoen genoemd is? En hoe groot
de omvang van deze bezuiniging is? Graag ontvangen deze leden een gedetailleerd en
schematisch overzicht sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Indien dit niet
gedetailleerd en schematisch wordt weergegeven, waarom niet? Is de regering dan niet
bereidt de Kamer tot in detail hierover te informeren en grondig uit alle voorbereiding
en beantwoording en verslagen van Kamer- en commissiedebatten deze informatie te extraheren?
Kan de regering bovendien aangeven voor welke bezuinigingen, voor welke hogere kosten
en voor welk inkomensverlies deze € 350 miljoen bedoeld is? Waar is het bedrag van
€ 350 miljoen op gebaseerd?
De maatregelen op het terrein van zorg en ondersteuning en de enveloppe zijn in diverse
debatten aan de orde geweest. Bij het aantreden van het kabinet in het debat over
de regeringsverklaring, bij de begrotingsbehandeling van VWS en in diverse debatten
daarna. Het kabinet heeft in lijn met de procesbrief in reactie op de motie Stoffer
c.s. en motie-Lahlah c.s.3 in de diverse debatten aangegeven dat voor de aanwending van de middelen uit de enveloppe
integraal gekeken wordt hoe deze in het licht van de samenloop van de diverse maatregelen
het best is in te zetten. Daarbij heeft het kabinet reeds aangegeven dat de enveloppe
aangewend zal worden voor maatregelen die aangrijpen op de zorgkosten van mensen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie Stoffer toegezegd om het effect
van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen in kaart te brengen. In
de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten van deze analyse voor de
zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex en vergt meer tijd. Het
kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus in bredere samenhang
te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken hoe de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet kan worden. Over
de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer en de motie Lahlah
en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer informeren.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom specifiek is gekozen voor een verhoging van € 60 bovenop de reguliere
indexatie. Welke andere bedragen zijn doorgerekend en waarom zijn deze afgevallen?
Als het verplicht eigen risico sinds 2018 doorlopend zou zijn geïndexeerd conform
artikel 19 van de Zvw, dan zou het verplicht eigen risico in 2026 naar verwachting
zijn uitgekomen op € 535. Dat is € 150 hoger dan het daadwerkelijke verplicht eigen
risico van € 385 in 2026. Met de verhoging van € 60 van het verplicht eigen risico
wil het kabinet het eigen risico weer meer laten aansluiten bij het niveau van de
zorguitgaven, wat zal leiden tot meer medefinanciering door verzekerden die zorg nodig
hebben en meer kostenbewustzijn. Het kabinet is van mening dat deze keuze tot een
betere balans leidt tussen betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg.
Deze leden lezen dat gerichte ontziening van chronisch zieken en mensen met een beperking
volgens de regering niet goed uitvoerbaar is. Welke varianten zijn concreet onderzocht?
Waarom kunnen bestaande gegevens over langdurig zorggebruik, geneesmiddelengebruik,
meerjarig volmaken van het eigen risico, Wlz-indicaties of Wet maatschappelijke ondersteuning
2015 (Wmo 2015)-gebruik niet worden benut om kwetsbare groepen gerichter te ontzien?
Het kabinet acht een gerichtere inzet van het eigen risico voor chronisch zieken en
mensen met een beperking niet goed uitvoerbaar, omdat er geen eenduidige definitie
van chronisch zieken en mensen met en beperking is. Het is dan ook niet goed mogelijk
om te regelen voor welke specifiek groep mensen een gerichtere inzet van het eigen
risico zal gelden.
Het ontbreken van een definitie was destijds, bij het totstandkoming van de compensatie
voor het verplicht eigen risico (CER) en de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en
gehandicapten al niet haalbaar. Toen is, bij gebrek aan een beter alternatief, het
zorggebruik als indicator genomen. Dat leidde tot situaties waarin mensen van wie
je gelet op hun meerkosten zou verwachten dat zij een tegemoetkoming zouden krijgen,
deze tegemoetkoming niet kregen, en andersom. Op basis van deze lessen uit het verleden
ziet het kabinet geen mogelijkheden om het eigen risico aan de hand van gegevens over
(langdurig) zorggebruik gerichter in te zetten.
Kan de regering aangeven welke alternatieven buiten het eigen risico zijn onderzocht
om de zorg betaalbaar te houden, zoals het verminderen van bureaucratie, overhead,
externe inhuur, subsidies, ondoelmatige uitgaven en administratieve lasten in de zorg?
Waarom zijn deze alternatieven minder geschikt gevonden dan het verhogen van de rekening
voor mensen die zorg nodig hebben?
Het verminderen van administratieve lasten en ondoelmatige uitgaven zijn geen alternatieven
voor het verhogen van het verplicht eigen risico, maar een opgave die óók moet gebeuren.
In het Integraal Zorgakkoord en het Aanvullende Zorg en Welzijnsakkoord zijn doelen
gesteld om de administratieve lasten (meetbaar) te verminderen. Dit is niet voldoende
om de grote opgaves waar de zorg voor staat op te lossen. De zorgkosten zijn gestegen,
terwijl het verplicht eigen risico niet is meegegroeid. Dit is niet houdbaar en heeft
ertoe geleid dat de zorgpremie harder is gestegen. Dit kabinet zet daarom in op het
weer laten meebewegen van het verplicht eigen risico met de zorgkostenontwikkeling
én op het continueren van de inspanningen om ondoelmatige uitgaven en administratieve
lasten te verminderen. Het kabinet acht dit een noodzakelijke maatregel om de zorg
ook in de toekomst betaalbaar, toegankelijk en van goede kwaliteit te houden.
De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat de zorg nu, en in de toekomst, betaalbaar, toegankelijk
en van goede kwaliteit is. Door het eigen risico te verhogen en te indexeren wordt
een verhoging van de zorgpremies voorkomen en de solidariteit binnen het zorgstelsel
behouden. Tegelijkertijd zijn de leden van de CDA-fractie zich ervan bewust dat de
effecten die een verhoging van het eigen risico kan hebben op kwetsbare groepen in
de samenleving en de drempels die zij ervaren om gebruik te maken van het zorgsysteem.
Deze leden vinden het dan ook positief dat via onderzoek van het Centraal Planbureau
(CPB) meer inzicht wordt verkregen in zorgmijding en vragen de regering wanneer de
resultaten van dit onderzoek worden verwacht en of, en zo ja op welke wijze de regering
voornemens de inzichten uit dit onderzoek mee te nemen in het vormgeven van flankerend
beleid zodat ook voor kwetsbare groepen de drempel per behandeling beheersbaar blijft.
De resultaten van het lopende CPB-onderzoek naar het niet opvolgen van een verwijzing
door de huisarts worden eind dit jaar verwacht. Uiteraard is het kabinet voornemens
om de uitkomsten van het onderzoek zoveel als mogelijk te benutten bij het zo nodig
aanscherpen van gericht beleid om ongewenste zorgmijding te voorkomen.
Er zijn op dit moment namelijk al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding
wordt tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg-
en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, en analyseert
bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen.
De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest om waar mogelijk kwetsbare
groepen gerichte financiële ondersteuning te bieden. Deze leden vragen de regering
dit nader toe te lichten hoe de regering voornemens is dit te gaan doen.
Kwetsbare groepen kunnen via al bestaande regelingen ondersteuning ontvangen als zij
moeite hebben hun zorgkosten te betalen. Bekende voorbeelden daarvan zijn de zorgtoeslag,
en ook beschikken gemeenten over mogelijkheden, en financiële middelen, om maatwerk
te bieden voor mensen met bovengemiddeld veel zorgkosten.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.4 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie-Stoffer
en de motie-Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering structureel € 350 miljoen vrijmaakt
voor de tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken. Deze leden vinden het positief
dat de regering ondersteuning biedt de meest kwetsbare groepen maar zien ook dat huidige
ondersteuningsregelingen voor zorgkosten grote en onwenselijke verschillen tussen
gemeenten laten zien. Deze leden vragen de regering daarom of zij bindende afspraken
met gemeenten gaat maken over de compensatie voor stijgende zorgkosten zodat dat de
tegemoetkoming vanaf 2027 terecht komt bij de groep met de meeste zorgkosten.
Het is nog niet bekend hoe de enveloppe van 350 miljoen euro wordt ingevuld en of
dit via gemeenten zal lopen. De weging over de inzet van de enveloppe moet nog plaatsvinden.
In algemene zin is een van de pijlers van de decentralisaties uit 2015 de beleidsruimte
van gemeenten. Dit houdt in dat gemeenten hun beleid kunnen afstemmen op de behoefte
en problematiek van de inwoners (lokaal maatwerk). Het kabinet hecht grote waarde
aan deze beleidsruimte en het vertrouwen dat daarbij nodig is in de uitvoering door
gemeenten. Tegelijkertijd kijkt het kabinet kritisch naar de grote diversiteit die
is ontstaan in gemeentelijke regelingen en onderzoekt het waar deze eenvoudiger, effectiever
en mogelijk ook gelijker kunnen worden.
Aan de hand van de analyse van de maatregelen uit het coalitieakkoord ga ik met verschillende
stakeholders, waaronder de VNG, in gesprek. De gesprekken zullen op korte termijn
gestart worden. De weging over de inzet van de enveloppe moet nog plaatsvinden. In
hoeverre dit via gemeenten zal lopen en of er eventueel bindende afspraken worden
gemaakt, wordt mede bepaald aan de hand van de uitkomsten van de inhoudelijke analyse
en gesprekken met stakeholders. Ook zijn er op onderdelen wel al gesprekken met gemeenten.
Het kabinet is in een positief en constructief gesprek met VNG en ZN over het beter
inzetten van de gemeentepolis.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 6 van de memorie van toelichting dat voor de verhoging van het eigen
risico met € 60 rekening is gehouden met een remgeldeffect van € 0,6 miljard per jaar.
Kan de regering precies uiteenzetten op welke studies, aannames en rekenmodellen deze
raming is gebaseerd? Kan de regering daarbij aangeven in hoeverre deze onderbouwing
actueel is en in hoeverre deze rekening houdt met de huidige wachttijden, personeelstekorten
en druk op de huisartsenzorg?
Het verwachte remgeld van circa € 0,6 miljard per jaar is gebaseerd op eerdere berekeningen
van het CPB. Het CPB heeft in 2020 een microsimulatiemodel in gebruik genomen, dat
is gebaseerd op individuele gegevens van zorggebruik en kosten van verzekerden in
de Zvw over een periode van zes jaar. De uitkomsten van het model zijn volgens het
CPB in lijn met verschillende wetenschappelijke onderzoeken die het remgeldeffect
van het verplicht eigen risico in kaart hebben gebracht. Hoewel het model wetenschappelijk
is onderbouwd en getoetst, kent het model ook beperkingen en onzekerheden.5 Bij de inschatting van het remgeldeffect was het niet mogelijk om rekening te houden
met wachttijden, personeelstekorten en druk op huisartsenzorg.
De leden van de JA21-fractie lezen eveneens op pagina 6 van de memorie van toelichting
dat eigen betalingen kunnen leiden tot zowel gewenste als ongewenste zorgmijding en
dat weinig bekend is over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke zorg
bij gemeden zorg. Hoe kan de regering dan met voldoende zekerheid stellen dat de maatregel
leidt tot meer passende zorg? Welke indicatoren worden gebruikt om te monitoren of
de daling van zorggebruik vooral betrekking heeft op niet-noodzakelijke zorg en niet
op medisch noodzakelijke zorg? Kan de regering hierop een uitgebreide toelichting
geven?
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt
tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg-
en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren
bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen.
De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
Daarnaast doet het CPB momenteel onderzoek naar het niet-opvolgen van een verwijzing
van de huisarts. Het niet-opvolgen van een verwijzing kan wijzen op (een ongewenste
vorm van) zorgmijding. Het doel is dat dit onderzoek nieuwe inzichten oplevert over
de omvang en aard van niet-opgevolgde verwijzingen en over verschillen tussen opvolgers
en niet-opvolgers, waarbij zowel gekeken wordt naar financiële als niet-financiële
redenen van het niet opvolgen. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen meer inzicht
geven in zorgmijding. De resultaten van het CPB-onderzoek worden eind 2026 verwacht.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 7 van de memorie van toelichting dat
het CPB onderzoek doet naar het niet opvolgen van verwijzingen door de huisarts. Wanneer
worden de resultaten van dit onderzoek verwacht? Waarom wordt het wetsvoorstel al
voorgelegd voordat deze resultaten beschikbaar zijn?
Is de regering bereid de Kamer voorafgaand aan verdere behandeling te informeren over
de meest recente inzichten over zorgmijding en het niet opvolgen van verwijzingen?
De resultaten van het lopende CPB-onderzoek naar het niet opvolgen van een verwijzing
door de huisarts worden eind dit jaar verwacht. Het niet-opvolgen van een verwijzing
kan wijzen op (een ongewenste vorm van) zorgmijding. Het doel is dat dit onderzoek
nieuwe inzichten oplevert over de omvang en aard van niet-opgevolgde verwijzingen
en over verschillen tussen opvolgers en niet-opvolgers, waarbij zowel gekeken wordt
naar financiële als niet-financiële redenen van het niet opvolgen. De uitkomsten van
dit onderzoek kunnen meer inzicht geven in zorgmijding.
De zorg staat voor een grote opgave en hervormingen zijn op korte termijn noodzakelijk
om de zorg goed en toegankelijk te houden. Dit kabinet acht het daarom wenselijk het
verplicht eigen risico per 2027 verhogen.
Recent onderzoek van het Nivel laat zien dat zorgmijding vanwege financiële redenen
een dalende trend kent. Waar in 2016 nog circa 16% van de bevolking aangaf om financiële
redenen (niet alleen het eigen risico) in de voorgaande 12 maanden wel eens heeft
afgezien van zorg, is dit vanaf 2016 gedaald tot 6% in 2025.6 Verdiepend onderzoek door het Nivel laat zien dat kwetsbare groepen mensen, zoals
mensen met een laag inkomen, lage gezondheidsvaardigheden en/of een slechtere gezondheid
vaker om financiële redenen afzien van zorg.7 Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen gewenste en ongewenste zorgmijding.
Maar de resultaten van dit onderzoek laten wel zien dat we oog moeten houden voor
kwetsbare groepen van verzekerden. Er zijn op dit moment al verschillende manieren
waarop ongewenste zorgmijding wordt tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning,
zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen. Het kabinet is voornemens om in
gesprek te gaan met cliënten en het zorg- en welzijnsveld over de verschillende maatregelen
uit het coalitieakkoord, te analyseren bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot
het effect is op het besteedbaar inkomen. De verhoging van het eigen risico maakt
onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast heeft het kabinetmiddelen vrijgemaakt voor
specifieke ondersteuning, via de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken
van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet de gerichte ondersteuning verbeteren en
is het daarom in een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN over hoe de
gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de BBB-fractie zien het argument dat verhoging van het eigen risico zou leiden tot vermijden van
onnodige zorg als een motie van wantrouwen naar de Nederlandse huisartsen. Zij zijn
belast met de taak om onnodige doorverwijzing te voorkomen en de leden van de BBB-fractie
hebben alle vertrouwen in die beroepsgroep als het gaat om het vermijden van onnodige
zorg. Begrijpt de regering waarom het argument van onnodige zorg dus gezien kan worden
als wantrouwen richting de huisartsen en kan zij hierop reflecteren?
Hoeveel onnodige zorg denkt de regering dat er daadwerkelijk geleverd wordt als het
eigen risico niet omhooggaat? Als zij kennelijk vindt dat de huisartsen die hiervoor
aan de lat staan hun taak onvoldoende uitoefenen, waarom heeft zij hen daarop dan
niet aangesproken?
Het kabinet hecht grote waarde aan het goede en belangrijke werk van huisartsen en
wil absoluut niet de suggestie wekken dat zij hun taak onvoldoende uitoefenen. Het
verplicht eigen risico kent twee hoofddoelen: medefinanciering en kostenbewustzijn.
Via medefinanciering dragen zorggebruikers zelf een deel van hun kosten, wat een lagere
nominale premie voor iedereen mogelijk maakt. Kostenbewustzijn stimuleert verzekerden
daarnaast bewuster af te wegen of zorg (op dat moment) noodzakelijk is, wat leidt
tot minder zorggebruik en lagere premies.
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
Daarnaast zouden volgens de regering «onnodige vervolgconsulten of onnodige diagnostiek»
worden bekostigd in het huidige systeem. Geeft zij daarmee feitelijk niet aan dat
zij de professionaliteit van alle artsen in Nederland in twijfel trekt? Is de regering
van mening dat artsen onnodige diagnostiek aanvragen? En gebeurt dat volgens de regering
kennelijk op zo’n grote schaal dat mensen met hogere zorgkosten aan de lat moeten
staan om dat op te vangen door meer voor hun zorg te betalen?
Het kabinet trekt de professionaliteit van artsen in Nederland niet in twijfel. Het
eigen risico zorgt voor medefinanciering, waardoor aan iedereen een lagere premie
kan worden gevraagd. Verder creëert het kostenbewustzijn onder verzekerden. Het beoogt
mensen te stimuleren om bewuster na te denken of het gebruik van zorg noodzakelijk
is en of de zorg op dat moment moet plaatsvinden. Hierdoor is de zorg die wordt verleend
vaker passende zorg. Dit kabinet wil van passende zorg en ondersteuning de norm maken.
Daartoe komt het kabinet met een samenhangend pakket aan wet- en regelgeving. Het
kabinet vraagt hierbij van iedereen een bijdrage zodat voor iedere burger passende
zorg er is als dat nodig is, ook in de toekomst. Van beroepsbeoefenaren wordt hierbij
verwacht dat zij duidelijk zijn over welke zorg passend is en welke zorg niet en dat
zij alleen nog passende zorg verlenen. Ook vraagt het iets van zorggebruikers zelf
en haar omgeving. Het kabinet wil dat zij op basis van goede informatie beter zelf
kunnen bepalen en mee kunnen beslissen over de zorg die hij of zij wel of juist niet
(meer) nodig heeft.8
Als een wantrouwen naar de sector niet de reden is om te spreken van «onnodige vervolgconsulten
of onnodige diagnostiek», wat is dan de reden? De leden van de BBB-fractie vragen
zich bovendien af of, áls artsen kennelijk geneigd zijn onnodige diagnostiek aan te
vragen, of dan het afstraffen van de patiënt daarvoor wel correct is. Heeft een patiënt
de kansen, kennis en ruimte om de onnodige diagnostiek te herkennen en de arts op
basis van het kostenplaatje te overtuigen om die onnodige diagnostiek niet in te zetten?
Kan de regering daarop reflecteren?
Het eigen risico zorgt voor medefinanciering, waardoor aan iedereen een lagere premie
kan worden gevraagd. Verder creëert het eigen risico kostenbewustzijn onder verzekerden.
Het beoogt mensen te stimuleren om bewuster na te denken of het gebruik van zorg noodzakelijk
is en of de zorg op dat moment moet plaatsvinden. Hierdoor is de zorg die wordt verleend
vaker passende zorg. Dit kabinet wil van passende zorg en ondersteuning de norm maken.
Daartoe komt het kabinet met een samenhangend pakket aan wet- en regelgeving. Het
kabinet vraagt hierbij van iedereen een bijdrage zodat voor iedere burger passende
zorg er is als dat nodig is, ook in de toekomst. Van beroepsbeoefenaren wordt hierbij
verwacht dat zij duidelijk zijn over welke zorg passend is en welke zorg niet en dat
zij alleen nog passende zorg verlenen. Ook vraagt het iets van zorggebruikers zelf
en haar omgeving. Het kabinet wil dat zij op basis van goede informatie beter zelf
kunnen bepalen en mee kunnen beslissen over de zorg die hij of zij wel of juist niet
(meer) nodig heeft.9
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoeveel van deze geraamde besparingen
door zorgvermijding volgens de regering bestaat uit medisch noodzakelijke zorg. Kan
de regering bevestigen dat zij dit op dit moment feitelijk niet weet?
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch nietnoodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de Raad van State heeft gewezen op het
nog lopende onderzoek naar het niet opvolgen van verwijzingen van huisartsen. Waarom
kiest de regering ervoor het eigen risico al fors te verhogen voordat de uitkomsten
van dit onderzoek bekend zijn? Waarom wacht de regering niet eerst de resultaten van
dit onderzoek af, zodat beter inzicht ontstaat in de omvang van ongewenste zorgmijding?
De zorg staat voor een grote opgave en hervormingen zijn op korte termijn noodzakelijk,
waaronder het verhogen van het verplicht eigen risico. Het kabinet acht het daarom
wenselijk het verplicht eigen risico te verhogen per 2027.
Daarnaast is het kabinet van mening dat het ook niet nodig is om het onderzoek af
te wachten. Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding
wordt tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg-
en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren
bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen.
De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
Wel zal het kabinet uiteraard de uitkomsten van genoemd onderzoek zo nodig betrekken
bij het verder aanscherpen van gericht beleid.
De leden van de BBB-fractie lezen dat alternatieven zoals een inkomensafhankelijk
eigen risico of gerichte uitzonderingen voor chronisch zieken volgens de regering
moeilijk uitvoerbaar zijn. Deze leden begrijpen de uitvoeringsproblemen, maar constateren
tegelijkertijd dat het huidige voorstel ertoe leidt dat juist mensen met veel zorgkosten
en weinig financiële ruimte onevenredig hard geraakt worden. Kan de regering reflecteren
op de vraag of uitvoerbaarheid hier zwaarder lijkt te wegen dan rechtvaardigheid?
Het kabinet erkent dat het verplicht eigen risico in de zorg zowel voordelen als nadelen
heeft. Hoewel het eigen risico onnodige zorg kan beperken, kan het eigen risico ook
een drempel vormen voor noodzakelijke zorg, met name voor mensen met lage inkomens,
chronisch zieken en gehandicapten. Het kabinet heeft daarom overwogen om het eigen
risico te verlagen voor deze groepen of het inkomensafhankelijk te maken, maar dit
blijkt niet haalbaar. Voor het gericht verlagen van het verplicht eigen risico is
gekeken naar de geleerde lessen van de voormalige compensatie van het eigen risico
(CER) en de voormalige Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).
Deze waren onvoldoende effectief, onder andere door het ontbreken van een eenduidige
definitie en registratie van chronisch zieken en gehandicapten.
Een inkomensafhankelijk eigen risico is om meerdere redenen complex. De complexiteit
en uitvoeringskosten zouden met deze variant significant toenemen, zorgverzekeraars
zouden over inkomensgegevens moeten gaan beschikken, of om dat te voorkomen zou de
uitvoering via een derde partij moeten lopen. Ook zou rekening moeten worden gehouden
met wisselende inkomens, en bezwaar en beroep mogelijk moeten worden gemaakt voor
verzekerden die het niet eens zouden zijn met de risicoklasse waarin zij op basis
van hun inkomen ingedeeld zouden worden.
Dit kabinet is van mening dat financieel kwetsbare mensen beter geholpen zijn met
de bestaande inkomensondersteuning voor zorgkosten, namelijk de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. De gemeentepolis, met vaak een herverzekering van het eigen risico, of
een variant daarvan, is een succesvolle gemeentelijke regeling om mensen te helpen.
Dit kabinet is in een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN om de gemeentepolis
beter in te zetten.
Kan de regering daarnaast toelichten waarom niet nadrukkelijker is gekeken naar alternatieven
waarbij de kosten breder via de premie worden verdeeld?
Het verplicht eigen risico bedraagt sinds 2016 € 385 en heeft zich sindsdien niet
mee ontwikkeld met de kosten van de zorg. Door inflatie is de reële waarde van het
verplicht eigen risico over tijd afgenomen en daardoor is ook de balans tussen medefinanciering
en collectieve financiering veranderd. Het kabinet acht dit niet houdbaar, mede omdat
het heeft geleid tot een hogere zorgpremie. Dit kabinet acht het wenselijk om met
het verhogen van het verplicht eigen risico terug te gaan naar de oorspronkelijke
bedoeling, namelijk dat het verplicht eigen risico meegroeit met de zorgkostenkostenontwikkeling.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de regering wijst op zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen als compensatie. Deze leden merken op dat veel mensen alsnog tussen wal
en schip vallen, bijvoorbeeld doordat zij net buiten inkomensgrenzen vallen of onvoldoende
bekend zijn met regelingen. Kan de regering inzicht geven in hoeveel mensen die het
volledige eigen risico betalen géén recht hebben op zorgtoeslag of gemeentelijke ondersteuning?
Of een huishouden recht heeft op zorgtoeslag hangt af van de hoogte van het inkomen
en het vermogen. Zo mag het vermogen niet hoger zijn dan € 119.006 voor alleenstaanden
en € 158.593 voor toeslagenpartners. Bij een inkomen boven € 42.776 voor alleenstaanden
en € 53.913 voor toeslagenpartners is de zorgtoeslag gelijk aan € 0. De genoemde bedragen
zijn de grenzen voor 2027 volgens huidige inzichten en kunnen nog wijzigen. O.b.v.
CBS-microdata is gekeken hoeveel personen in 2023 geen zorgtoeslag ontvingen en wel
het verplicht eigen risico volmaakten. Dit waren 4,2 miljoen personen.
Het kabinet kan geen inzicht geven in hoeveel mensen die het volledig eigen risico
betalen recht hebben op gemeentelijke ondersteuning. De toegang tot de gemeentelijke
ondersteuning bij zorgkosten, zoals via de gemeentepolis en meerkostenregeling voor
chronisch zieken en gehandicapten, verschilt per gemeenten.
Kan de regering daarnaast reflecteren op het feit dat compensatie achteraf niet voorkomt
dat mensen vooraf zorg mijden omdat zij bang zijn de rekening niet te kunnen betalen?
Het is niet zo dat mensen alleen achteraf gecompenseerd worden voor eventuele kosten
van het eigen risico. Zo zijn er gemeentepolissen, waarbij sprake is van een herverzekering
van het eigen risico. Verzekerden betalen dan bij de zogenoemde «restitutievariant»
bijvoorbeeld maandelijks eigen risico en krijgen dit aan het einde van het jaar terug
als zij geen eigen risico hebben gebruikt. Gebruikers van deze gemeentepolissen worden
hierdoor niet geconfronteerd met het eigen risico. Daarnaast betaalt de overheid vooraf
zorgtoeslag aan huishoudens met lage en middeninkomens als compensatie voor de kosten
van de gemiddelde premie en het gemiddeld bedrag aan verplicht eigen risico dat een
verzekerde in een kalenderjaar kwijt zal zijn. Deze huishoudens doen er goed aan om
deze zorgtoeslag opzij te zetten, zodat zij deze kunnen aanspreken als zij bijvoorbeeld
eigen risico verschuldigd zijn.
Daarnaast vinden de leden van de BBB-fractie het opvallend dat de regering compensatie
door gemeentes ziet als specifieke oplossing voor financiële problemen bij burgers
door deze besparing op nationaal niveau. Herkent de regering dat dit gezien kan worden
als een besparing voor de nationale portemonnee, die opgevangen moet worden op gemeentelijk
niveau? Is duidelijk hoeveel meer aanvragen de Nederlandse gemeenten gaan krijgen
voor die gemeentelijke fondsen en regelingen, als de zorgpremie verhoogd wordt? En
hoe goed zijn gemeenten op de hoogte van het feit dat zij deze extra kosten moeten
gaan dragen nu de regering op de zorg wil bezuinigen? De leden van de BBB-fractie
lezen verder dat de regering pas later besluit hoe de enveloppe van € 350 miljoen
voor chronisch zieken wordt ingezet. Waarom wordt deze wet al behandeld terwijl nog
onduidelijk is hoe kwetsbare groepen concreet ondersteund gaan worden?
Anders dan een van de hierboven gestelde vragen suggereert, zal een hoger eigen risico
tot lagere zorgpremies leiden. Gegeven dat de houdbaarheid en toegankelijkheid van
zorg onder druk staan, en het verplicht eigen risico zich sinds 2016 niet mee heeft
ontwikkeld met de zorgkostenstijging, ziet het kabinet noodzaak om het verplicht eigen
risico te verhogen. Dit zal de stijgende druk op de zorgpremie beperken, en daar profiteert
iedereen van.
Voor kwetsbare groepen, bijvoorbeeld mensen met hoge zorgkosten en een laag inkomen,
kan het eigen risico een drempel tot zowel noodzakelijke als niet-noodzakelijke zorg
vormen. Vanuit het huidig beleid zijn er diverse regelingen die mensen helpen die
moeite hebben om de zorgrekening te betalen. Op nationaal niveau is er de zorgtoeslag,
op gemeentelijk niveau beschikken gemeenten over mogelijkheden en middelen om mensen
te helpen. Het is niet bekend of en in hoeverre een hoger eigen risico tot extra aanvragen
voor dergelijke vormen van ondersteuning leidt.
Het kabinet ziet voldoende aanleiding om het eigen risico te verhogen.
Daarnaast is de genoemde enveloppe bedoeld voor compensatie voor een groep mensen
voor het totaal aan maatregelen dat het kabinet voornemens is te treffen die invloed
hebben op de zorgkosten van mensen.
In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat de financiering van de zorg in Nederland
is gebaseerd op solidariteit, zo constateren de leden van de SGP-fractie. De verhoging van het eigen risico draagt volgens de regering bij aan versterking
van het «solidariteitsventiel». Door het eigen risico (en verplichte eigen bijdragen)
worden niet alle zorgkosten collectief gedragen. De effecten van de verhoging van
het eigen risico in combinatie met de tranchering landen in de praktijk echter vooral
bij mensen die veel zorg nodig hebben. Voor wie weinig tot geen zorg nodig heeft,
heeft de verhoging van het eigen risico weinig gevolgen, zeker in combinatie met de
tranchering. De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat wie jaarlijks meerdere keren
zorg nodig heeft, alsnog het volledige eigen risico zal moeten betalen. Voor mensen
die relatief veel zorg nodig hebben, levert de tranchering dus geen financieel voordeel
op. Zij voelen de verhoging dus het meest in hun portemonnee. De regering erkent dit
ook in «4. Gevolgen voor verzekerden». Dit roept de vraag op hoe de combinatie van
verhogen en trancheren precies bijdraagt aan de solidariteit binnen het zorgstelsel.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering hierop te reageren.
Het klopt dat de mensen die hun verplicht eigen risico volmaken, er financieel op
achteruit gaan. Dit vermindert de risicosolidariteit van het stelsel in geringe mate.
Maar tegelijkertijd zorgt de tranchering van het eigen risico in de medisch-specialistische
zorg ervoor dat mensen die die vorm van zorg nodig hebben niet in één keer het volledige
bedrag van het eigen risico verschuldigd zijn. Hierdoor zijn verzekerden per behandelprestatie
een kleiner deel van hun verplicht eigen risico kwijt, wat de risicosolidariteit weer
in geringe mate vergroot. Dit verlaagt daarbij de financiële drempel tot zorg, waardoor
mogelijk ongewenste zorgmijding om financiële redenen wordt tegengegaan.
De leden van de SGP-fractie menen dat de tranchering vooral een financiële tegemoetkoming
is aan mensen die gezond zijn en dus weinig zorg nodig hebben. Mensen die veel zorg
nodig hebben, maken het eigen risico toch wel vol. Op wat voor manier fungeert de
tranchering dan als een prikkel om minder zorg af te nemen?
Door de tranchering van het eigen risico blijft het kostenbewustzijn van verzekerden
langer doorwerken: waar een verzekerde voorheen na één behandelprestatie zijn volledige
eigen risico kwijt was en vervolgens geen financiële prikkel meer ervoer, wordt de
verzekerde na de tranchering langer gestimuleerd om na te denken of een vervolgbehandeling
passend is. Zo geven we het eigen risico slimmer vorm.
De leden van de SGP-fractie vragen om toelichting hoe groot de groep patiënten is
die door de invoering van de tranchering minder eigen risico gaat betalen?
Naar verwachting gaan ongeveer 1,3 miljoen verzekerden op jaarbasis gemiddeld circa
€ 100 minder eigen risico betalen.
De leden van de SGP-fractie vragen wanneer de regering voornemens is de ministeriële
regeling vast te stellen om het verplicht eigen risico per 2027 weer te indexeren.
Krachtens voorliggend wetsvoorstel zal het eigen risico per 2027 niet alleen worden
geïndexeerd, maar ook worden verhoogd.
In de Zvw is opgenomen dat het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage uiterlijk
1 oktober wordt vastgesteld. Dat betekent dat daarvoor duidelijkheid moet zijn over
de hoogte van het verplicht eigen risico. De datum van vaststelling van de betreffende
ministeriële regeling zal dus rond die tijd zijn.
De leden van de SGP-fractie vragen om een reflectie van de regering op de opmerkingen
van de zorgverzekeraars (brief 28 januari 2025) dat de jaarlijkse indexatie van het
eigen risico altijd leidde tot veel vragen en ergernis van verzekerden. Verwacht de
regering dat nu de jaarlijkse indexatie opnieuw wordt ingevoerd het zeer goed denkbaar
is dat dergelijke ergernis opnieuw gaat optreden? Welke maatregelen treft de regering
hieromtrent?
De realiteit is dat de zorgkosten toenemen als gevolg hogere loonkosten, een stijging
van de zorgvraag en meer medische mogelijkheden. Door het verplicht eigen risico niet
mee te laten bewegen met de zorgkosten stijgt de zorgpremie harder (de zorgpremie
en het verplicht eigen risico zijn «communicerende vaten»). De stijging van het verplicht
eigen risico zal zeker bij een deel van de bevolking leiden tot vragen en ergernis,
net zoals dat het geval is bij de stijging van de zorgpremie.
Het verplicht eigen risico bedraagt sinds 2016 € 385 en heeft zich sindsdien niet
mee ontwikkeld met de kosten van de zorg. Door inflatie is de reële waarde van het
verplicht eigen risico over tijd ook afgenomen. Als het verplicht eigen risico wel
met de inflatie zou zijn meegegroeid, dan zou het eigen risico in 2026 naar schatting
€ 535 bedragen en zou de zorgpremie jaarlijks circa € 100 lager zijn.
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere uitleg waarom de regering kiest voor
een extra stijging van het verplicht eigen risico met € 60 en niet een willekeurig
ander bedrag. Het valt hen op dat de € 60 niet duidelijk wordt onderbouwd. De leden
van de SGP-fractie maken uit de memorie van toelichting op dat als het verplicht eigen
risico de afgelopen jaren telkens wel was geïndexeerd het in 2026 naar schatting zou
zijn uitgekomen op € 535. Met de extra verhoging komt het eigen risico uit op ongeveer
€ 455. De regering kiest er dus blijkbaar bewust niet voor om het volledige verschil
bij te trekken. Kan de regering nader toelichten welke overwegingen een rol hebben
gespeeld bij de keuze voor € 60?
Als het verplicht eigen risico sinds 2018 doorlopend zou zijn geïndexeerd conform
artikel 19 van de Zvw, dan zou het verplicht eigen risico in 2026 naar verwachting
zijn uitgekomen op € 535. Dat is € 150 hoger dan het daadwerkelijke verplicht eigen
risico van € 385 in 2026. Met de verhoging van € 60 van het verplicht eigen risico
wil het kabinet het eigen risico weer meer laten aansluiten bij het niveau van de
zorguitgaven, wat zal leiden tot meer medefinanciering door verzekerden die zorg nodig
hebben en meer kostenbewustzijn. Het kabinet is van mening dat deze keuze tot een
betere balans leidt tussen betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg.
De leden van de SGP-fractie vragen wanneer het onderzoek van het CPB naar het niet-opvolgen
van een verwijzing van de huisarts afgerond wordt.
De resultaten van het CPB-onderzoek worden eind 2026 verwacht.
De leden van de SGP-fractie wijzen op de motie-Stoffer c.s.10 die vroeg om voorafgaand aan alle bezuinigingen in de sociale zekerheid en zorg de
gevolgen daarvan voor kwetsbare doelgroepen in kaart brengen (de «Stoffertoets»).
De regering geeft aan dat deze analyse voor het zomerreces met de Kamer wordt gedeeld.
De leden van de SGP-fractie vragen of deze analyse nog vóór de plenaire behandeling
van het wetsvoorstel om het eigen risico te verhogen met de Kamer wordt gedeeld. En
als dat niet mogelijk is, deze toets in ieder geval uit te voeren voor het voorliggende
voorstel.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.11 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer
en de motie Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
Het kabinet ziet, gegeven de druk op de zorguitgaven, in ieder geval voldoende aanleiding
om het eigen risico per 2027 te verhogen en is daarom van mening dat voorliggend wetsvoorstel
plenair behandeld kan worden. De inkomenseffecten van voorliggend wetsvoorstel zijn
goed in beeld en in de memorie van toelichting geschetst. Het maximale inkomenseffect
van het hogere eigen risico (indexatie en verhoging) bedraagt per 2027 € 35 op jaarbasis
(hoger eigen risico – premiedaling + lagere zorgtoeslag). Dit is het geval als iemand
het eigen risico vol maakt en er sprake is van het ontvangen van zorgtoeslag.
De leden van de SGP-fractie vinden het verontrustend dat de regering pas in augustus
2026 een besluit neemt over hoe de envelop tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken
het beste kan worden ingezet om de effecten van de verhoging van het eigen risico
te dempen. Toch wil de regering het wetsvoorstel om het eigen risico te verhogen vóór
het zomerreces 2026 door beide Kamers loodsen zodat het per 1 januari 2027 in werking
kan treden. Daarmee is het voor de Kamer onmogelijk om de invulling van de compensatie
vanuit de envelop mee te wegen bij de wetsbehandeling. De leden van de SGP-fractie
vragen de regering daarom om de Kamer vóór de behandeling van het wetsvoorstel duidelijkheid
te verschaffen over de uitwerking van de envelop.
Het kabinet ziet, gegeven de druk op de zorguitgaven, voldoende aanleiding om het
eigen risico per 2027 te verhogen. De inkomenseffecten van voorliggend wetsvoorstel
zijn goed in beeld en zijn in de memorie van toelichting geschetst. Het maximale inkomenseffect
van het hogere eigen risico (indexatie en verhoging) bedraagt per 2027 € 35 op jaarbasis
(hoger eigen risico – premiedaling + lagere zorgtoeslag). Dit is het geval als iemand
het eigen risico vol maakt en er sprake is van het ontvangen van zorgtoeslag. Het
eigen risico en de doorwerking daarvan op de premies is ook expliciet onderdeel van
het koopkrachtbeeld. Bij de start van het kabinet heeft het CPB een doorrekening gemaakt
van de koopkrachtontwikkeling in de aankomende kabinetsperiode. De doorrekening laat
zien dat de meeste huishoudens volgens de reguliere koopkrachtraming van het CPB er
gedurende de periode 2027 tot 2030 jaarlijks licht op vooruitgaan. Deze raming zal
in augustus op basis van de meest recente inzichten worden bijgesteld.
Het eigen risico kan een drempel tot zorg opwerpen, dat kan gewenste en ongewenste
zorgmijding zijn. Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste
zorgmijding wordt tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag
en gemeentelijke regelingen. Verder zorgt de tranchering van het eigen risico in de
medisch-specialistische zorg ervoor dat mensen niet in één keer het volledige bedrag
van het eigen risico verschuldigd zijn. Dit verlaagt de financiële drempel tot zorg,
waardoor mogelijk ongewenste zorgmijding om financiële redenen wordt tegengegaan.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.12 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie-Stoffer
en de motie-Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
De Raad van State wijst erop dat voor het flankerend beleid onder meer wordt verwezen
naar de mogelijkheden van gemeenten om maatwerk te leveren. Daarbij worden verwachtingen
gewekt over wat gemeenten in algemene zin voor bepaalde groepen verzekerden kunnen
betekenen. Niet duidelijk wordt of gemeenten deze verwachtingen waar zullen kunnen
maken, welke mogelijke gevolgen dit voorstel heeft voor gemeenten en of daarover overleg
met gemeenten heeft plaatsgevonden. De leden van de SGP-fractie vinden dat de memorie
van toelichting hier nog te weinig op is aangevuld en vragen om een nadere toelichting
op dit punt. Hoe verlopen de gesprekken met gemeenten? Achten zij van het flankerend
beleid realistisch en uitvoerbaar? Is het bijvoorbeeld de bedoeling dat compenserende
maatregelen vanuit de envelop gelijktijdig in werking treden als de verhoging van
het eigen risico? Zo ja, is er vanaf de augustusbesluitvorming dan wel voldoende tijd
voor gemeenten om de tegemoetkoming goed te regelen voor 1 januari 2027? De leden
van de SGP-fractie verwijzen hierbij ook naar de opmerkingen van het Adviescollege
toetsing regeldruk (ATR) op dit punt.
Het flankerend beleid waarnaar verwezen wordt, waaronder de zorgtoeslag en de mogelijkheden
die gemeenten hebben, betreffen bestaand beleid.
Aan de hand van de maatregelen uit het coalitieakkoord ga ik met verschillende stakeholders,
waaronder de VNG, in gesprek. Deze gesprekken zullen op korte termijn gestart worden.
Het is inderdaad het streven dat de middelen van de enveloppe, die overigens een compensatie
zijn voor het totaal aan maatregelen op zorggebied van het kabinet, net als de verhoging
van het eigen risico per 2027 ingevuld worden. Daarvoor zal het kabinet zich uiterst
inspannen. Het is nog niet bekend of de invulling via de gemeenten zal lopen.
Ook zijn er op onderdelen wel al gesprekken met gemeenten. Dit kabinet is in een positief
en constructief gesprek met de VNG en ZN om de gemeentepolis beter in te zetten.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering waarborgt dat de middelen die ter
beschikking worden gesteld in de envelop tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken
daadwerkelijk bij deze groep terecht komen. Is het de bedoeling dat deze middelen
aan de Algemene Uitkering worden toegevoegd of worden deze via een Speciale Uitkering
ter beschikking gesteld? Het is immers ook de wens van de regering om SPUK-regelingen
over te hevelen naar het Gemeentefonds.
Voor de leden van de SGP zijn zowel de uitvoering van de «Stoffertoets» als de uitwerking
van de envelop zwaarwegend bij de beoordeling van het wetsvoorstel. Zonder deze informatie
menen de leden van de SGP-fractie dat de Kamer eigenlijk niet goed in staat is om
het wetsvoorstel op zijn merites te beoordelen. Indien de regering er niet in slaagt
om de analyse van de gevolgen voor kwetsbare doelgroepen en de uitwerking van de envelop
af te ronden vóór de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer,
dan zou de behandeling van het voorstel naar de mening van de leden van de SGP-fractie
moeten worden uitgesteld.
De inkomenseffecten van voorliggend wetsvoorstel zijn goed in beeld en zijn in de
memorie van toelichting geschetst. Het maximale inkomenseffect van het hogere eigen
risico (indexatie en verhoging) bedraagt per 2027 € 35 op jaarbasis (hoger eigen risico
– premiedaling + lagere zorgtoeslag). Dit is het geval als iemand het eigen risico
vol maakt en er sprake is van het ontvangen van zorgtoeslag. Het eigen risico en de
doorwerking daarvan op de premies is ook expliciet onderdeel van het koopkrachtbeeld.
Bij de start van het kabinet heeft het CPB een doorrekening gemaakt van de koopkrachtontwikkeling
in de aankomende kabinetsperiode. De doorrekening laat zien dat de meeste huishoudens
volgens de reguliere koopkrachtraming van het CPB er gedurende de periode 2027 tot
2030 jaarlijks licht op vooruitgaan. Deze raming zal in augustus op basis van de meest
recente inzichten worden bijgesteld. Het eigen risico kan een drempel tot zorg opwerpen,
dat kan gewenste en ongewenste zorgmijding zijn. Er zijn op dit moment al verschillende
manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning,
zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen. Verder zorgt de tranchering van
het eigen risico in de medisch-specialistische zorg ervoor dat mensen niet in één
keer het volledige bedrag van het eigen risico verschuldigd zijn. Dit verlaagt de
financiële drempel tot zorg, waardoor mogelijk ongewenste zorgmijding om financiële
redenen wordt tegengegaan.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.13 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. De keuze voor het uiteindelijke financieringsinstrument wordt door het
kabinet bepaald aan de hand van de uitkomsten van de inhoudelijke analyse en gesprekken
met stakeholders. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie-Stoffer
en de motie-Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering zich bewust is dat het verhogen voor het eigen risico voor
mensen ook betekent dat de toegangsdrempel tot de zorg wordt verhoogd. De regering
ziet dit als iets positief, omdat er dan gemiddeld genomen minder zorg wordt gebruikt.
Aan de andere kant kan een verhoogde drempel leiden tot zorgmijding van medisch noodzakelijke
zorg. De regering schrijft dat het onvoldoende is onderzocht in hoeverre eigen betalingen
leiden tot het uitstellen van noodzakelijke zorg en in hoeverre dat leidt tot hogere
zorguitgaven op de langere termijn. Meer inzicht wordt verkregen via onderzoek van
het CPB, maar ook dit onderzoek is volgens deze leden niet toereikend. Immers, dit
onderzoek kijkt alleen naar het niet-opvolgen van verwijzingen van de huisarts, terwijl
de zorgmijding ook al daarvoor, of nog daarna, kan plaatsvinden. Daarmee is het beeld
dat dit onderzoek schetst weliswaar waardevol, maar niet volledig toereikend. De leden
van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij deze lacune herkent, en of zij
bereid is hier nader onderzoek naar te laten doen en gedurende de komende jaren de
zorgmijding als gevolg van financiële drempels te monitoren inclusief de budgettaire
gevolgen daarvan op korte en lange termijn.
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
Het CPB doet momenteel onderzoek naar het niet-opvolgen van een verwijzing van de
huisarts. Het niet-opvolgen van een verwijzing kan wijzen op (een ongewenste vorm
van) zorgmijding. Het doel is dat dit onderzoek nieuwe inzichten oplevert over de
omvang en aard van niet-opgevolgde verwijzingen en over verschillen tussen opvolgers
en niet-opvolgers, waarbij zowel gekeken wordt naar financiële als niet-financiële
redenen van het niet opvolgen. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen meer inzicht
geven in zorgmijding.
Daarnaast richt het kabinet zich op het tegengaan van (ongewenste) zorgmijding. Er
zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt tegengegaan
met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen.
Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg- en welzijnsveld
over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren bij wie de
maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen. De verhoging
van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast heeft het kabinet
middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe tegemoetkoming
zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet de gerichte
ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief gesprek
met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering voornemens is om in gesprek
te gaan met cliënten en het zorg- en welzijnsveld over de verschillende maatregelen
uit het coalitieakkoord, te analyseren bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot
het effect is op het besteedbaar inkomen. De eerste resultaten van de analyse worden
naar verwachting voor het zomerreces van 2026 gedeeld met de Kamer. Deze leden vragen
de regering waarom er niet is gekozen om de indiening van het wetsvoorstel tot verhoging
van het verplicht eigen risico pas te laten plaatsvinden ná deze gespreken en analyses.
Op welke wijze kunnen de resultaten van deze analyse meegenomen worden inclusief koopkrachteffecten,
mocht voorliggend wetsvoorstel in een hypothetisch scenario aangenomen worden voor
het zomerreces? Deze leden vragen op welke wijze de resultaten van de analyse door
de regering worden betrokken bij dit wetsvoorstel.
Gegeven de druk op de zorguitgaven en premies ziet het kabinet voldoende aanleiding
om het eigen risico per 2027 te verhogen. De inkomenseffecten van voorliggend wetsvoorstel
zijn goed in beeld en zijn in de memorie van toelichting geschetst. Het maximale inkomenseffect
van het hogere eigen risico (indexatie en verhoging) bedraagt per 2027 € 35 op jaarbasis
(hoger eigen risico – premiedaling + lagere zorgtoeslag). Dit is het geval als iemand
het eigen risico vol maakt en er sprake is van het ontvangen van zorgtoeslag. Het
eigen risico en de doorwerking daarvan op de premies is ook expliciet onderdeel van
de het koopkrachtbeeld. Bij de start van het kabinet heeft het CPB een doorrekening
gemaakt van de koopkrachtontwikkeling in de aankomende kabinetsperiode. De doorrekening
laat zien dat de meeste huishoudens volgens de reguliere koopkrachtraming van het
CPB er gedurende de periode 2027 tot 2030 jaarlijks licht op vooruitgaan. Deze raming
zal in augustus op basis van de meest recente inzichten worden bijgesteld. Het eigen
risico kan een drempel tot zorg opwerpen, dat kan gewenste en ongewenste zorgmijding
zijn. Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding
wordt tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Verder zorgt de tranchering van het eigen risico in de medisch-specialistische
zorg ervoor dat mensen niet in één keer het volledige bedrag van het eigen risico
verschuldigd zijn. Dit verlaagt de financiële drempel tot zorg, waardoor mogelijk
ongewenste zorgmijding om financiële redenen wordt tegengegaan.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.14 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer
en de motie Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering extra middelen heeft vrijgemaakt
voor specifieke ondersteuning via de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch
zieken. Over de precieze besteding van deze middelen wordt later besloten, aangezien
er eerst op de inhoudelijke resultaten uit de eerdergenoemde analyse wordt gewacht.
Deze leden vragen de regering of er op voorhand kan worden toegezegd dat de tegemoetkoming
in balans zal zijn met de extra kosten die kwetsbare groepen maken naar aanleiding
van de verhoging van het eigen risico. Hoe groot is naar schatting van de regering
de groep mensen die recht heeft op een tegemoetkoming? Indien het beschikbare budget
van € 350 miljoen gedeeld wordt door de geschatte omvang van de groep, wat betekent
dit concreet aan bedrag per persoon? De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen
om inzichtelijk te maken welke kwalitatieve en kwantitatieve criteria de regering
hanteert om te bezien of de extra kosten die kwetsbare groepen krijgen in voldoende
mate worden verdisconteerd met het beschikbare extra budget.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.15 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In navolging op de motie Lahlah en de motie Dobbe16 wordt door het Nibud een rapportage opgeleverd waarin wordt ingegaan op de vraag
of de meest kwetsbare huishoudens voldoende inkomen overhouden. In de procesbrief
heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten van deze analyse voor de zomer naar de
Kamer te sturen. De analyse is echter complex en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens
de uitkomsten van de analyse in augustus in bredere samenhang te bezien. Vervolgens
zal het kabinet een integrale weging maken hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten
chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet kan worden. Over de uitkomsten van deze
analyse, de invulling van de motie Stoffer en de motie Lahlah en de inzet van de enveloppe
zal het kabinet de Kamer na de zomer informeren.
In die analyse wordt nauwgezet gekeken naar de cumulatie van maatregelen en de effecten
daarvan op het besteedbare inkomen.
De inkomenseffecten van voorliggend wetsvoorstel zijn goed in beeld en zijn in de
memorie van toelichting geschetst. Het maximale inkomenseffect (indexatie en verhoging)
van het hogere eigen risico bedraagt in 2027 € 35 op jaarbasis. Dit is het geval als
iemand het eigen risico vol maakt en er sprake is van het ontvangen van zorgtoeslag.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom niet gewacht is met
indiening van het wetsvoorstel tot de uitwerking van de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten
chronisch zieken gereed was. Nu is naar mening van de leden van de ChristenUnie-fractie
een onvolledig wetsvoorstel ingediend, daar het flankerend beleid onduidelijk en allesbehalve
gereed is. Het budget voor de enveloppe is beschikbaar vanaf 2027. Echter is onduidelijk
of dit budget ook daadwerkelijk in 2027 uitgegeven kan worden. Hoe reflecteert de
regering hierop? Is het gereed staan van de tegemoetkoming voortkomend uit de enveloppe
voor de regering randvoorwaardelijk voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel? Zo
nee, waarom niet? Erkent de regering dat de mogelijke consequentie gaat zijn dat chronisch
zieken volgend jaar wel een hoger verplicht eigen risico moeten betalen terwijl zij
in datzelfde jaar geen bedrag kunnen ontvangen uit de enveloppe? Acht de regering
dit wenselijk? Zo nee, wat gaat de regering doen om dit te voorkomen?
Gegeven dat de houdbaarheid en toegankelijkheid van zorg onder druk staan, en het
verplicht eigen risico zich sinds 2016 niet mee heeft ontwikkeld met de zorgkostenstijging,
ziet de regering noodzaak om het verplicht eigen risico te verhogen. Dit zal de stijgende
druk op de zorgpremie voor iedereen beperken. De regering ziet dus aanleiding om het
eigen risico te verhogen, en daarom is voorliggend wetsvoorstel vooruitlopend op de
uitkomsten van de analyse aangeboden aan de Tweede Kamer. De inkomenseffecten van
het wetsvoorstel zijn goed in beeld en zijn in de memorie van toelichting geschetst.
Het maximale inkomenseffect van het hogere eigen risico (indexatie en verhoging) bedraagt
per 2027 € 35 op jaarbasis (hoger eigen risico – premiedaling + lagere zorgtoeslag).
Dit is het geval als iemand het eigen risico vol maakt en er sprake is van het ontvangen
van zorgtoeslag.
De middelen uit de enveloppe zijn bedoeld voor een compensatie aan een kwetsbare groep
voor het totaal aan beleidsmaatregelen dat ingrijpt op de zorgkosten voor mensen,
niet alleen de impact van de maatregelen op het gebied van het eigen risico. Uiteraard
acht het kabinet het wenselijk dat de middelen uit de enveloppe, zoals beoogd, ook
per 2027 ingezet kunnen worden. In het vorige antwoord op de vragen van de leden van
de ChristenUnie-fractie is op het proces hiervoor – waaronder de wijze waarop de motie
Stoffer en de motie Lahlah zullen worden uitgevoerd – ingegaan.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering voornemens is de tegemoetkoming
voor arbeidsongeschikten af te schaffen. Deze regeling voorziet mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
jaarlijks van een bedrag van ruim € 200 om tegemoet te komen aan hun zorgkosten. De
leden van de ChristenUnie-fractie vinden afschaffing hiervan in combinatie met verhoging
van het verplicht eigen risico én het afschaffen van de aftrekpost voor zorgkosten
onverstandig. Deze leden vragen de regering hierover duidelijkheid te verschaffen
en te reflecteren op mensen met een kwetsbare (financiële) positie.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.17 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen, waaronder bovengenoemde
maatregelen, op het besteedbaar inkomen in kaart te brengen. In de procesbrief heeft
het kabinet aangegeven de uitkomsten van deze analyse voor de zomer naar de Kamer
te sturen. De analyse is echter complex en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens
de uitkomsten van de analyse in augustus in bredere samenhang te bezien. Vervolgens
zal het kabinet een integrale weging maken hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten
chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet kan worden. Over de uitkomsten van deze
analyse, de invulling van de motie Stoffer en de motie Lahlah en de inzet van de enveloppe
zal het kabinet de Kamer na de zomer informeren.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de tranchering van het eigen risico
is voorbereid via een afzonderlijke wijziging van het Besluit zorgverzekeringen. Deze
leden kunnen begrijpen dat deze wijziging afzonderlijk wordt meegenomen, zij betreuren
dat de invoer van tranchering later wordt ingevoerd. Ziet de regering kansen om zorgverzekeraars
extra te ondersteunen zodat de tranchering wél per 2027 in kan gaan? Welke opties
zijn er om zorgverzekeraars te helpen om de invoer te versnellen? Indien er echt geen
enkele mogelijkheid is om de tranchering een jaar eerder in te laten gaan, hoe kijkt
de regering dan naar de mogelijkheid om de verhoging van het eigen risico een jaar
later in te voeren?
De tranchering is uitvoeringstechnisch een complexe maatregel. Met name voor de uitvoering
voor de zorgverzekeraars. Het vergt onder andere forse aanpassingen in de ICT-systemen.
Zorgverzekeraars hebben aangegeven een jaar implementatietijd nodig te hebben. Dit
kan niet worden versneld met hulp van de overheid.
Dit kabinet wil de verhoging van het verplicht eigen risico niet met een jaar uitstellen.
De zorg staat voor grote opgaven. Hervormingen, waaronder het verhogen van het verplicht
eigen risico, zijn noodzakelijk voor de houdbaarheid en betaalbaarheid van de zorg.
Door het verplicht eigen risico weer te laten meebewegen met de zorgkostenontwikkeling
en het – na indexering – met € 60 te verhogen, doet het verplicht eigen risico weer
beter waarvoor het bedoeld is, te weten medefinanciering en kostenbewustzijn. Dit
werkt door in een lagere stijging van de zorgpremie, waar iedere Nederlander van profiteert.
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering tegelijkertijd wijst op de personeelstekorten in de zorg en
op de verwachte extra zorgmijding (remgeldeffect) als reden om deze maatregel door
te voeren. In hoeverre kan dit echter zowel een oplossing zijn voor personeelstekorten
als voor stijgende kosten? Op het moment dat er nu al personeelstekorten zijn betekent
dat dat er nu al een deel van de zorgvraag is die hierdoor onbeantwoord blijft. Als
de aanname is dat de zorgvraag zal dalen als gevolg van een verhoging van het eigen
risico, zorgt dat er dan niet vooral voor dat de onbeantwoorde zorgvraag daalt, terwijl
de inzet van personeelscapaciteit praktisch volledig blijft, doordat de vraag alsnog
groter blijft dan het aanbod? Zo ja, hoe verwacht de regering dan dat zowel het personeelstekort
als de zorguitgaven zouden dalen?
Het verplicht eigen risico heeft als doelen medefinanciering en kostenbewustzijn.
Kostenbewustzijn stimuleert verzekerden bewuster af te wegen of zorg noodzakelijk
en tijdig is, wat leidt tot minder zorggebruik en lagere premies – het zogenoemde
remgeldeffect. De druk op de zorg, die te maken heeft met personeelstekorten, neemt
daardoor af. Het is dan ook niet voor niets dat bijna alle landen in de wereld een
vorm van eigen betaling hebben.
Onderzoek laat echter ook zien dat eigen bijdragen in de zorg ook kunnen leiden tot
uitstel of afzien van meer medisch noodzakelijke zorg. Met name bij bepaalde kwetsbare
groepen, zoals mensen met een kwetsbare financiële situatie. Het is daarom belangrijk
om mensen zoveel mogelijk gericht te ondersteunen.
Bijvoorbeeld door zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen, zoals de gemeentepolis
waarin vaak een herverzekering voor het eigen risico is opgenomen. Dit kabinet is
in een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN over het beter inzetten van
de gemeentepolis.
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering schrijft dat zorgmijding vanwege
financiële redenen een dalende trend laat zien tussen 2016 en 2025, op basis van cijfers
van het Nivel. Dit lijkt daarmee aangedragen te worden als argument om het eigen risico
de verhogen. Zij vragen echter of dit niet juist een reden is om het eigen risico
niet te verhogen. Als zorgmijding zo sterk zou zijn gedaald, is het dan niet aannemelijk
dat dit op zijn minst deels te danken is aan de bevriezing van het eigen risico?
Eigen betalingen zijn volgens het kabinet nodig om de zorg toegankelijk en de zorgkosten
betaalbaar te houden. Eigen betalingen zorgen voor medefinanciering en kostenbewustzijn.
Het beoogt onder andere verzekerden te stimuleren om bewuster na te denken of het
gebruik van zorg noodzakelijk is én of de zorg op dat moment moet plaatsvinden.
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden.
De leden van de SP-fractie wijzen er daarnaast op dat onderzoek van het Nivel daarnaast
ook laat zien dat een verhoging van het eigen risico naar € 460 ertoe zou leiden dat
het aantal verzekerden voor wie het eigen risico een belemmering zou vormen om noodzakelijke
zorg te gebruiken zou stijgen van zeven procent naar zestien procent.18 Hoe kijkt de regering hiernaar? Ontkennen zij dat dit effect waarschijnlijk zou optreden?
Of erkennen zij dat wel, maar zien zij het feit dat meer dan een miljoen extra Nederlanders
zorg gaan mijden als acceptabele prijs om meer geld te kunnen investeren in de Amerikaanse
wapenindustrie?
Eigen betalingen zijn volgens het kabinet nodig om de zorg toegankelijk en de zorgkosten
betaalbaar te houden. Maar het kabinet ziet ook het risico van ongewenste zorgmijding.
Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt
tegengegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke
regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg-
en welzijnsveld over de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren
bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen.
De verhoging van het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast
heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe
tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet
de gerichte ondersteuning verbeteren en is het daarom in een positief en constructief
gesprek met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering het CPB onderzoek laat doen «naar
het niet-opvolgen van een verwijzing van de huisarts». Zij vinden het apart dat de
regering deze maatregel nu alvast wil doorvoeren om dan daarna pas te kijken of het
zal zorgen voor zorgmijding. Wat gebeurt er bovendien als uit dat onderzoek blijkt
dat dit tot veel extra zorgmijding leidt? Wordt deze maatregel dan teruggedraaid?
De zorg staat voor een grote opgave en hervormingen zijn op korte termijn noodzakelijk,
waaronder het verhogen van het verplicht eigen risico. Dit kabinet acht het daarom
wenselijk het verplicht eigen risico per 2027 verhogen. Het kabinet is niet voornemens
om deze maatregel op een later moment terug te draaien. Zoals in antwoord op de vorige
vraag van de leden van de SP-fractie is aangegeven zet dit kabinet in op bestaande
en verbeterde ondersteuningsmaatregelen.
De leden van de SP-fractie hebben daarnaast nog vragen over de inzet van de € 350
miljoen die is bedoeld als tegemoetkoming voor chronisch zieken. Wanneer kan de regering
duidelijkheid geven over hoe dit bedrag wordt ingezet? Wat levert dit bovendien naar
verwachting gemiddeld op per persoon met een chronische ziekte of beperking en hoe
verhoudt dit zich tot de extra kosten die dit voorstel voor hen creëert? Kan de regering
in een tabel het totale verwachte effect van deze wet en de geplande tegemoetkoming
voor deze groep weergeven?
Het kabinet zal in augustus een integrale weging maken hoe deze enveloppe het best
ingezet kan worden. Op dit moment kan dus nog geen inzicht gegeven worden in de verwachte
opbrengsten (of extra kosten) per persoon of het gevraagde overzicht in tabelvorm.
Het is dus nog niet mogelijk om in een tabel het verwachte effect van deze wet af
te zetten tegen de gemiddelde tegemoetkoming vanuit de enveloppe van € 350 miljoen.
4. Gevolgen voor verzekerden
De leden van de VVD-fractie lezen dat het verhogen van het verplicht eigen risico niet alleen effect heeft op
de hoogte van het eigen risico zelf, maar ook op de nominale premie en de hoogte van
de zorgtoeslag. Kan de regering aangeven in welke mate de voorgenomen verhoging van
het eigen risico effect heeft op de totale procentuele koopkrachtontwikkeling van
verschillende typen verzekerden? Graag hierbij gebruik maken van de typen verzekerden
zoals weergegeven op pagina 12.
Door de verhoging van het verplicht eigen risico met € 60, is de nominale premie € 48
minder hoog en is de zorgtoeslag € 19 minder hoog. Het inkomenseffect als percentage
van het besteedbaar inkomen dat mensen ervaren, hangt af van het inkomen dat zij hebben.
De tabel in de memorie van toelichting waarnaar verwezen wordt bevat geen onderscheid
naar inkomen. Daarom zijn in onderstaande tabel een paar voorbeelden toegevoegd van
verschillende inkomensniveaus.
Financiële gevolgen burgers van verhogen verplicht eigen risico in 2027 (– = negatief
financieel effect, + = positief financieel effect)
Type verzekerde
Effect verplicht eigen risico
Effect nominale premie
Effect zorgtoeslag
Inkomens-effect
Verplicht eigen risico volledig betaald en ontvangt zorgtoeslag1
– 60
48
– 19
– 30
Bijstand
– 0,2%
WML
– 0,1%
AOW
– 0,2%
Verplicht eigen risico volledig betaald en ontvangt geen zorgtoeslag1
– 60
48
–
– 12
Modaal
0,0%
AOW + € 25.000
0,0%
Verplicht eigen risico niet volledig betaald en ontvangt zorgtoeslag2
–
48
– 19
30
Bijstand
0,2%
WML
0,1%
AOW
0,1%
Verplicht eigen risico niet volledig betaald en ontvangt geen zorgtoeslag2
–
48
–
48
Modaal
0,1%
AOW + € 25.000
0,1%
X Noot
1
Dit betreft verzekerden die in 2027 ten minste € 455 aan zorgkosten hebben die relevant
zijn voor het eigen risico.
X Noot
2
Dit betreft verzekerden die in 2027 € 395 of minder aan zorgkosten hebben die relevant
zijn voor het eigen risico.
Als compenserende maatregel noemt de regering de zorgtoeslag. Echter wordt de zorgtoeslag
verlaagd door de geraamde verlaagde nominale premie. Gaat de regering de zorgtoeslag
verhogen om dit te compenseren? Zo ja, op welke wijze?
De zorgtoeslag biedt gedeeltelijke compensatie voor de gemiddelde nominale premie
en het gemiddelde verplicht eigen risico. Doordat de nominale premie ten gevolge van
de verhoging van het eigen risico meer zal dalen dan het gemiddelde verplicht eigen
risico zal stijgen, zal de zorgtoeslag dalen. Het kabinet is niet voornemens de zorgtoeslag
te verhogen.
De leden van de PRO-fractie lezen dat «de nominale premie lager kunnen vaststellen dan in de situatie waarin
het verplicht eigen risico niet zou worden verhoogd.» Echter kiest de regering er
ook voor om deze verlaging te compenseren met een verhoging van de inkomstenbelasting
en een verhoging van de AOF-premie. Kan de regering toelichten waarom zij ervoor kiest
om deze verlaging te compenseren met lastenverzwaringen? Op welke wijze profiteren
burgers dan de verhoging van het eigen risico? In de Trouw19 lezen genoemde leden dat het «per saldo een lastenverlichting» is. Kan worden toegelicht
hoe dit een lastenverlichting is als het gehele bedrag wordt gecompenseerd met een
verhoging van de lasten?
Hoe staat dit in verhouding met de uitspraak «Na de daling van de zorgtoeslag blijft
per saldo een lastenverlichting over van € 912 miljoen in 2027», uit de memorie van
toelichting?
De verhoging van het verplicht eigen risico leidt tot een minder hoge nominale premie,
lagere inkomsten uit de inkomensafhankelijke bijdragen Zvw en een minder hoge zorgtoeslag.
Per saldo leidt dit tot een lastenverlichting van € 912 mln in 2027. Om te voorkomen
dat de Zvw-maatregelen uit het coalitieakkoord tot een EMU-saldo effect leiden in
het lastenkader, is gekozen voor lastenverzwaring voor burgers en bedrijven. Bij de
augustusbesluitvorming kijkt het kabinet integraal naar het koopkracht- en lastenbeeld,
daarbij zullen de lastenverzwarende maatregelen worden gewogen als onderdeel van het
totale beeld in de Miljoenennota.
Het kabinet acht dit een noodzakelijke maatregel om de zorg ook in de toekomst betaalbaar,
toegankelijk en van goede kwaliteit te houden.
Uit de tabel op pagina 11 van de memorie van toelichting blijkt dat vooral mensen
die het eigen risico volledig opmaken en zorgtoeslag ontvangen er het hardst op achteruitgaan.
Oftewel, lagere inkomens en zorgbehoevende mensen. Hoe kijkt de regering er tegenaan
dat juist de rekening bij hen terecht komt? Is de regering het eens dat dit conflicteert
met zowel inkomenssolidariteit als risicosolidariteit?
Nederland heeft een solidair zorgstelsel en een van de laagste eigen bijdragen voor
curatieve zorg vanuit internationaal perspectief. We betalen veel samen, en als je
daadwerkelijk zorg gebruikt, hoort daar ook een eigen financiële bijdrage bij. Zo
houden we de premies beheersbaar. Voor financieel kwetsbare mensen is zorgtoeslag
beschikbaar, maar ook gemeentelijke regelingen die niet zijn meegenomen in de tabel
in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel verhoging eigen risico. Dit kabinet
wil extra investeren in de gerichte ondersteuning van de meest kwetsbare groepen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat er zorgen bestaan over de stapeling van de voorgenomen
maatregelen. Het kabinet heeft in reactie op de motie-Stoffer c.s. en motie-Lahlah
c.s.20 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer
en de motie Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
De leden van de PVV-fractie lezen dat naar verwachting 7,3 miljoen mensen hun verplicht eigen risico volmaken
en er financieel op achteruitgaan. Zij vragen de regering te bevestigen dat dit een
zeer grote groep Nederlanders betreft die daadwerkelijk zorg nodig heeft. Kan de regering
deze groep uitsplitsen naar ouderen, chronisch zieken, mensen met een beperking, lage
inkomens en ontvangers van zorgtoeslag?
In 2027 betalen naar verwachting 7,3 miljoen mensen het volledige verplicht eigen
risico. Voor 2027 is het onderscheid naar verschillende persoonskenmerken niet beschikbaar,
maar op basis van de monitor stapeling eigen bijdragen is dit onderscheid naar leeftijd
en huishoudinkomen wel beschikbaar voor het jaar 2022, wat indicatief kan zijn voor
2027. Op basis van CBS-microdata is gekeken hoeveel personen in 2023 zorgtoeslag ontvingen
en het verplicht eigen risico vol maakten. De resultaten staan in onderstaande tabel.
Er is geen uitsplitsing naar mensen met een chronische aandoening te maken, omdat
er geen eenduidige definitie is van wie chronisch ziek is of een beperking heeft.
Persoonskenmerk
Aantal personen die het verplicht eigen risico volmaken1
Totaal
6.545.300
Tot AOW-leeftijd
4.123.700
AOW-leeftijd of ouder
2.421.500
Minder dan 20.000 euro
189.500
20.000 tot 30.000 euro
818.500
30.000 tot 40.000 euro
793.100
40.000 tot 50.000 euro
610.400
50.000 tot 75.000 euro
1.155.800
75.000 tot 100.000 euro
893.300
100.000 euro en meer
2.066.200
Inkomen onbekend
18.500
Ontvanger zorgtoeslag
2.987.900
X Noot
1
Door afronding kan het totaal afwijken van de som van verschillende onderdelen.
Kan de regering specifiek ingaan op de uitkomst van het Nivel dat verzekerden zich
over de voorgenomen verhoging veel vaker zorgen maken om anderen dan om zichzelf?
Hoe betrekt de regering deze maatschappelijke zorg bij de beoordeling van de gevolgen
voor ouderen, chronisch zieken, mensen met een laag inkomen en mensen die al moeite
hebben hun zorgkosten te betalen?
Het kabinet vindt het belangrijk om te waken voor ongewenste zorgmijding, bijvoorbeeld
onder ouderen, chronisch zieken, mensen met een laag inkomen en mensen die al moeite
hebben om hun zorgkosten te betalen. Uit het onderzoek van het Nivel blijkt dat deze
zorg breder gedragen wordt. Er zijn op dit moment al verschillende manieren waarop
ongewenste zorgmijding wordt tegen gegaan met gerichte financiële ondersteuning, zoals
de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen. Het kabinet is voornemens om in gesprek
te gaan met cliënten en het zorg- en welzijnsveld over de verschillende maatregelen
uit het coalitieakkoord, te analyseren bij wie de maatregelen cumuleren en hoe groot
het effect is op het besteedbaar inkomen. De verhoging van het eigen risico maakt
onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast heeft het kabinet middelen vrijgemaakt voor
specifieke ondersteuning, via de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken
van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet de gerichte ondersteuning verbeteren en
is het daarom in een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN over hoe de
gemeentepolis beter ingezet kan worden.
Kan de regering in een overzicht laten zien wat de financiële gevolgen zijn voor een
alleenstaande met een laag inkomen en zorgtoeslag die het eigen risico volmaakt, een
chronisch zieke met een modaal inkomen, een oudere met meerdere aandoeningen, een
patiënt in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en een verzekerde met een vrijwillig
eigen risico? Kan daarbij de verhoging, de indexatie, de lagere premie, de lagere
zorgtoeslag en de tranchering per 2028 worden meegenomen?
In onderstaande tabel worden de financiële effecten voor 2027 van het indexeren en
verhogen van het eigen risico getoond voor alleenstaanden met verschillende inkomensniveaus,
inclusief de doorwerking hiervan op de nominale premie en de zorgtoeslag. In elke
situatie is verondersteld dat zij het verplicht eigen risico vol maken. Het verplicht
eigen risico stijgt in totaal met € 70; € 10 door indexatie21 en € 60 door verhoging. Indexatie en verhoging van het verplicht eigen risico leidt
tot een € 57 minder hoge nominale premie en een € 22 minder hoge zorgtoeslag.
Financiële gevolgen indexeren en verhogen eigen risico in 2027 (– = negatief financieel
effect, + = positief financieel effect)
WML
Modaal
AOW
Totaal
€
– 35
€
– 13
€
– 35
Verplicht eigen risico
€
– 70
€
– 70
€
– 70
w.v. indexatie
€
– 10
€
– 10
€
– 10
w.v. verhoging
€
– 60
€
– 60
€
– 60
Effect nominale premie
€
57
€
57
€
57
Effect zorgtoeslag
€
– 22
€
–
€
– 22
Het voornemen is om het verplicht eigen risico wordt per 2028 te trancheren. Het effect
daarvan op het verplicht eigen risico, de nominale premie en zorgtoeslag kan niet
worden getoond, omdat het effect nauw samenhangt met het zorggebruik, zowel binnen
als buiten de medisch-specialistische zorg. Voor de genoemde voorbeelden is niet duidelijk
of mensen profiteren van de tranchering van het verplicht eigen risico. Als mensen
voornamelijk zorg binnen de medisch-specialistische zorg gebruiken en één of twee
dbc’s hebben, dan kunnen zij voordeel hebben van tranchering doordat zij minder verplicht
eigen risico kwijt zijn. Als er sprake is van meerdere dbc’s en zorg in andere sectoren,
dan zullen mensen waarschijnlijk het verplicht eigen risico volmaken en niet profiteren
van de tranchering van het eigen risico. Door de tranchering van het verplicht eigen
risico is de verwachting dat de nominale premie € 2 minder hoog is en de zorgtoeslag
€ 10 minder hoog is.
Het vrijwillig eigen risico valt buiten de regels van de Zvw. Door tranchering van
het verplicht eigen risico kan het voorkomen dat er sneller kosten ten laste van het
vrijwillig eigen risico worden gebracht, maar dit hoeft niet te betekenen dat iemand
ook meer betaalt via het vrijwillig eigen risico.
Kan de regering aangeven hoeveel verzekerden naar verwachting betalingsproblemen krijgen
of vaker gebruik zullen moeten maken van gespreide betaling bij zorgverzekeraars?
Is de regering bereid de Kamer jaarlijks te informeren over betalingsregelingen, betalingsachterstanden,
incassotrajecten en klachten over het verplicht eigen risico?
Dit kabinet kan niet inschatten hoeveel extra verzekerden ten gevolge van de voorgenomen
wijzigingen betalingsproblemen zullen krijgen of gebruik zullen gaan maken van gespreide
betaling bij zorgverzekeraars. Monitoring daarvan is niet goed mogelijk. Een toename
van het aantal verzekerden met betalingsproblemen of het aantal verzekerden dat gespreid
bij de zorgverzekeraars betaalt zou niet direct te koppelen zijn aan de hoogte van
het verplicht eigen risico, omdat er meerdere variabelen van invloed zijn. Zorgverzekeraars
zijn bijvoorbeeld in de loop der jaren laagdrempeliger de mogelijkheid tot gespreide
betaling aan gaan bieden. Ook zijn meerdere variabelen van invloed op het aantal verzekerden
met een betalingsachterstand bij de zorgverzekeraar en het aantal incassotrajecten,
zoals de stand van de economie. De Tweede Kamer wordt via de Verzekerdenmonitor geïnformeerd
over betalingsachterstanden bij zorgverzekeraars.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 11 van de memorie van toelichting dat verzekerden die het verplicht
eigen risico volledig betalen en zorgtoeslag ontvangen er door de verhoging van € 60
per saldo € 30 op achteruitgaan, terwijl verzekerden die het eigen risico niet volledig
betalen en geen zorgtoeslag ontvangen er per saldo € 48 op vooruitgaan. Kan de regering
deze effecten uitsplitsen naar kenmerken als: inkomen, leeftijd, gezondheidstoestand
en huishoudtype?
In 2027 betalen naar verwachting 7,3 miljoen mensen het volledige verplicht eigen
risico. Voor 2027 is het onderscheid naar verschillende persoonskenmerken niet beschikbaar,
maar op basis van de monitor stapeling eigen bijdragen is dit onderscheid naar leeftijd,
huishoudinkomen en huishoudtype wel beschikbaar voor het jaar 2022, wat indicatief
kan zijn voor 2027. Op basis van CBS-microdata is gekeken hoeveel personen in meerdere
opeenvolgende jaren het verplicht eigen risico vol maken, wat als indicator is gehanteerd
voor gezondheidstoestand. De resultaten staan in onderstaande tabel.
Persoonskenmerk
Aantal personen die het verplicht eigen risico volmaken1
Totaal
6.545.300
Tot AOW-leeftijd
4.123.700
AOW-leeftijd of ouder
2.421.500
Minder dan 20.000 euro
189.500
20.000 tot 30.000 euro
818.500
30.000 tot 40.000 euro
793.100
40.000 tot 50.000 euro
610.400
50.000 tot 75.000 euro
1.155.800
75.000 tot 100.000 euro
893.300
100.000 euro en meer
2.066.200
Inkomen onbekend
18.500
Eenpersoonshuishouden
1.565.200
Meerpersoonshuishouden
4.837.100
Institutioneel huishouden
143.000
3 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2019–2021)
4 miljoen
5 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2017–2021)
3 miljoen
7 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2015–2021)
2,5 miljoen
10 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2012–2021)
2 miljoen
X Noot
1
Door afronding kan het totaal afwijken van de som van verschillende onderdelen.
De leden van de JA21-fractie vragen specifiek naar het jaar 2027, waarin het eigen
risico stijgt maar de tranchering nog niet geldt. Welke effecten verwacht de regering
op vergmijding in dit overgangsjaar?
Het verplicht eigen risico heeft als doelen medefinanciering en kostenbewustzijn.
Kostenbewustzijn stimuleert verzekerden bewuster af te wegen of zorg noodzakelijk
en tijdig is, wat leidt tot minder zorggebruik en lagere premies. Onderzoek laat echter
ook zien dat eigen bijdragen in de zorg ook kunnen leiden tot uitstel of afzien van
meer medisch noodzakelijke zorg. Met name bij bepaalde kwetsbare groepen, zoals mensen
met een kwetsbare financiële situatie en hoge zorgkosten. Om die reden heeft dit kabinet
extra oog voor deze groep. Welk effect het verhogen van het verplicht eigen risico
per 2027 hierop heeft, is onbekend. Uit het Nivel-onderzoek uit 2015 bleek dat de
stijging van het eigen risico in de jaren 2010–2013 niet gepaard is gegaan met een
aantoonbare toename van ongewenste zorgmijding. Dit kabinet blijft de ontwikkelingen
met betrekking tot zorgmijding (om verschillende redenen, waaronder financiële redenen)
nauwlettend volgen. Onder andere op basis van de jaarlijkse onderzoeken door het Nivel.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering om de financiële opbrengst van het remgeldeffect, geraamd op € 613
miljoen in 2027, nader te onderbouwen.
Het verwachte remgeld van circa € 613 miljoen in 2027 is gebaseerd op eerdere berekeningen
van het CPB. Het CPB heeft in 2020 een microsimulatiemodel in gebruik genomen, dat
is gebaseerd op individuele gegevens van zorggebruik van verzekerden in de Zvw over
een periode van zes jaar.22 De uitkomsten van het model zijn volgens het CPB in lijn met verschillende wetenschappelijke
onderzoeken die het remgeldeffect van het verplicht eigen risico in kaart hebben gebracht.
Uit de toelichting blijkt dat het financiële effect van de verhoging van het eigen
risico het grootst is voor de groep mensen die het verplicht eigen risico volledig
betalen én recht hebben op zorgtoeslag. De leden van de SGP-fractie vragen hoe groot
deze groep mensen is.
Op basis van CBS-microdata is gekeken hoeveel personen in 2023 zorgtoeslag ontvingen
en het verplicht eigen risico vol maakten. Dit waren circa 3,0 miljoen personen.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat het verhogen van het eigen risico leidt
tot minder zorggebruik. Naar de huidige inzichten wordt dit geraamd op € 613 miljoen
in 2027. Het is voor de leden van de SGP-fractie op basis van de toelichting onduidelijk
bij welke groep verzekerden de daling in zorggebruik het grootst zal zijn. Zij maken
zich zorgen dat juist de verzekerden voor wie het financiële effect van de verhoging
van het eigen risico het grootst is, het vaakst zullen kiezen om zorg te mijden. De
leden van de SGP-fractie zouden dit onwenselijk vinden. Het gaat hier immers juist
om de groep die sociaaleconomisch het zwakst is:
verzekerden die jaarlijks het eigen risico volledig betalen én zorgtoeslag ontvangen.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering daarom inzichtelijk te maken hoe de
geschatte € 613 verdeeld is over de vier typen verzekerden die in de tabel (pagina
11) worden genoemd. Zij verwijzen hierbij naar het advies van ATR om inzichtelijk
te maken hoe mogelijke ongewenste zorgmijding in beeld wordt gebracht.
Verdiepend onderzoek door het Nivel laat zien dat kwetsbare groepen mensen, zoals
mensen met een laag inkomen, lage gezondheids-vaardigheden en/of een slechtere gezondheid
vaker om financiële redenen afzien van zorg.23 In eerdere doorrekeningen van het CPB wordt het remgeldeffect niet uitgesplitst naar
verschillende achtergrondkenmerken. Het verwachtte remgeldeffect van € 613 mln is
daarom niet te verdelen naar verschillende typen verzekerden. Onderzoek van het CPB
uit 2024 laat zien dat het zorggebruik van mensen met een laag inkomen bij een aanpassing
van het eigen risico niet meer of minder verandert dan het zorggebruik van mensen
met een hoog inkomen. Wel zullen de eigen betalingen van mensen met een laag inkomen
meer stijgen, omdat zij meer gebruik maken van zorg.24
De leden van de SGP-fractie constateren dat in de tabel (pagina 11) in de memorie
van toelichting in het totaal effect de indexatie en de tranchering niet zijn meengenomen.
Zij vragen de regering om een berekening te maken waarbij de indexatie en de tranchering
beide zijn meegenomen in het totaal effect.
In onderstaande tabel worden de financiële effecten van het indexeren en verhogen
van het verplicht eigen risico in 2027 getoond.
Financiële gevolgen burgers van indexeren en verhogen verplicht eigen risico in 2027
(– = negatief financieel effect, + = positief financieel effect)
Type verzekerde
Effect verplicht eigen risico
Effect nominale premie
Effect zorgtoeslag
Totaal effect
Verplicht eigen risico volledig betaald en ontvangt zorgtoeslag1
– € 70
€ 57
– € 22
– € 35
Verplicht eigen risico volledig betaald en ontvangt geen zorgtoeslag1
– € 70
€ 57
€ 0
– € 13
Verplicht eigen risico niet volledig betaald en ontvangt zorgtoeslag2
€ 0
€ 57
– € 22
€ 35
Verplicht eigen risico niet volledig betaald en ontvangt geen zorgtoeslag2
€ 0
€ 57
€ 0
€ 57
X Noot
1
Dit betreft verzekerden die in 2027 ten minste € 455 aan zorgkosten hebben die relevant
zijn voor het eigen risico.
X Noot
2
Dit betreft verzekerden die in 2027 € 395 of minder aan zorgkosten hebben die relevant
zijn voor het eigen risico.
Door tranchering van het verplicht eigen risico betalen verzekerden gemiddeld € 8
minder verplicht eigen risico per jaar, € 2 minder nominale premie en ontvangen ze
€ 10 minder zorgtoeslag. Het verplicht eigen risico wordt per 2028 getrancheerd en
wordt daarom niet in bovenstaande tabel getoond, omdat onderstaande effecten van het
indexeren en verhogen van het verplicht eigen risico van toepassing zijn op 2027.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wanneer burgers een definitief kostenplaatje kunnen maken voor
hun eigen huishouden: wanneer is definitief duidelijk hoe hoog de nominale premie
voor het komende jaar is, wat de hoogte van het verplicht eigen risico is en wat,
voor mensen die daarvoor in aanmerking komen, de hoogte is van de zorgtoeslag?
De vaststelling van de nominale premies voor de zorgverzekeringen en de toekenning
van de risicovereveningsbijdragen aan de zorgverzekeraars geschiedt volgens een zorgvuldig
en strak omlijnd proces, dat al in het najaar van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar
waarvoor de premies en risicovereveningsbijdragen gaan gelden, van start gaat.
Uiterlijk op 12 november van het jaar voor het kalenderjaar waarvoor ze moeten gaan
gelden, stellen de zorgverzekeraars de nominale premies voor hun zorgverzekeringen
vast. Daarvoor dienen zij te weten hoeveel risicovereveningsbijdrage zij over dat
kalenderjaar van het Zorginstituut toegekend zullen krijgen. Het Zorginstituut moet
daartoe op zijn beurt weten wat het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is
dat het over dat kalenderjaar kan toekennen. Daarom is in de Zvw bepaald dat dit totaalbedrag
voor 1 oktober van het jaar voor het kalenderjaar bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld.
Voor het berekenen van het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is de hoogte
van het eigen risico een parameter. Het rekenwerk voor de risicoverevening moet begin
september aanvangen.
De zorgtoeslag is niet afhankelijk van de individuele nominale premie voor een zorgverzekering,
maar van de standaardpremie. De standaardpremie is de som van de geraamde gemiddelde
premie en het geraamde gemiddelde bedrag dat een verzekerde naar verwachting daadwerkelijk
aan verplicht eigen risico zal betalen. De standaardpremie die voor de zorgtoeslag
over 2027 geldt, wordt uiterlijk 10 december 2026 gepubliceerd. Overigens is de zorgtoeslag
niet alleen afhankelijk van de standaardpremie, maar ook van het aantal verzekerden
in een huishouden, en van hun inkomen en vermogen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering de verwachte hoogte van het
verplicht eigen risico en de nominale premie voor de jaren na 2027 uiteen te zetten.
Aanvullend vragen deze leden waarom de regering niet gekozen heeft voor een eenmalige
verhoging van het verplicht eigen risico en bevriezing daarvan in plaats van mogelijk
jaarlijkse verhogingen van het eigen risico.
Volgens huidige inzichten bedraagt het verplicht eigen risico na indexatie en verhoging
€ 455 in 2027 en stijgt deze tot € 490 in 2030. De hoogte van de nominale premie ontwikkelt
zich volgens huidige inzichten van € 1.991 in 2027 naar € 2.174 in 2030. De genoemde
bedragen kunnen nog veranderen door bijvoorbeeld (loon- en prijs)bijstellingen van
de zorguitgaven.
Op basis van de huidige verwachte ontwikkeling van de zorguitgaven ontwikkelt de nominale
premie van ongeveer € 1.990 in 2027 naar ongeveer € 2.170 in 2030. Deze bedragen zijn
met grote onzekerheid omgeven; de komende maanden komen nog veel realisatiegegevens
beschikbaar die van invloed zijn op de verwachte premie. Op Prinsjesdag wordt de definitieve
raming voor 2027 bekend gemaakt. De verwachte nominale premie voor de jaren na 2027
wordt doorlopend geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten. De nominale premie
wordt uiteindelijk door verzekeraars zelf vastgesteld.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de doelen van het verplicht eigen risico worden
versterkt: medefinanciering en kostenbewustzijn. Door het bevriezen van het verplicht
eigen risico, stijgt dit niet mee met de zorguitgaven en neemt de werking van het
verplicht eigen risico relatief af. Daarom is ervoor gekozen het verplicht eigen risico
conform de in de Zvw geregelde systematiek weer jaarlijks te indexeren met de stijging
van de zorguitgaven.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de mensen die hun eigen risico niet
volmaken wel zullen profiteren van een lagere nominale premie. Deze leden vragen de
regering of zij nadere duiding bij deze groep kan geven. Is de aanname van de leden
van de ChristenUnie-fractie correct dat in deze groep mensen met een hogere SES-status
oververtegenwoordigd zijn? En geldt de aanname andersom ook, namelijk dat mensen met
een lagere SES-status oververtegenwoordigd zijn in de groep mensen voor wie het totale
effect het meest negatief is?
Op basis van CBS-microdata is voor 2023 gekeken in hoeverre verschillende groepen
verzekerden het verplicht eigen risico vol maken als er wordt gekeken naar sociaaleconomische
status. De sociaaleconomische status wordt uitgedrukt in de zogenaamde SES-WOA-score.
Bij een hogere score zijn inwoners welvarender en/of hoger opgeleid en/of langduriger
aan het werk. Uit onderstaande tabel blijkt dat naarmate er sprake is van een hogere
SES-status, het aandeel volwassenen dat het verplicht eigen risico vol maakt, afloopt.
SESWOA
Aandeel volwassenen met volledig verplicht ER
– 2.5 tot – 2
62%
– 2 tot – 1.5
55%
– 1.5 tot – 1
57%
– 1 tot – 0.5
62%
– 0.5 tot 0
58%
0 tot 0.5
51%
0.5 tot 1
41%
1 tot 1.5
38%
De leden van de SP-fractie wijzen erop dat het verhogen van het eigen risico een lompe en ongerichte maatregel
is om passende zorg af te dwingen. Bij het eigen risico wordt namelijk niet gekeken
naar de medische noodzaak van de zorg. Sterker nog, het geldt enkel voor zorg waarvan
een arts de medische noodzaak al heeft vastgesteld. Bovendien raakt het mensen met
een laag inkomen, een chronische ziekte en/of beperking disproportioneel, omdat zij
vaker zorg nodig hebben en het eigen risico een groter percentage van hun inkomen
beslaat. Waarom kiest de regering er dan toch voor om zo’n kortzichtige maatregel
in te zetten?
Het eigen risico zorgt voor medefinanciering, waardoor aan iedereen een lagere premie
kan worden gevraagd. Verder creëert het kostenbewustzijn onder verzekerden. Het beoogt
mensen te stimuleren om bewuster na te denken of het gebruik van zorg noodzakelijk
is en of de zorg op dat moment moet plaatsvinden. Hierdoor is de zorg die wordt verleend
vaker passende zorg. Daarnaast draagt het eigen risico bij aan het draagvlak voor
de risicosolidariteit in ons zorgstelsel. Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit
tussen mensen die gezond zijn en mensen die geconfronteerd worden met aandoeningen
of beperkingen. Door een eigen risico worden niet alle kosten collectief gedragen.
Zo houden we de premies beheersbaar. Het eigen risico fungeert hierdoor als een «ventiel»
dat de druk op de (risico)solidariteit beheersbaar houdt: zonder die eigen bijdrage
van zorggebruikers zou de bereidheid van gezond Nederland om aan de zorg van anderen
mee te betalen, kunnen afnemen.
De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij onderzocht hebben welk deel van
de verwachte door de overheid gestimuleerde zorgmijding (ook wel aangeduid als het
remgeldeffect) zal worden veroorzaakt door mensen met een laag inkomen, een chronische
ziekte en/of beperking. Zo ja, om welk percentage gaat dit? Zo nee, is de regering
bereid dit alsnog te doen?
Verdiepend onderzoek door het Nivel laat zien dat kwetsbare groepen mensen, zoals
mensen met een laag inkomen, lage gezondheidsvaardigheden en/of een slechtere gezondheid
vaker om financiële redenen afzien van zorg.25 In eerdere doorrekeningen van het CPB wordt het remgeldeffect niet uitgesplitst naar
verschillende achtergrondkenmerken. Het verwachte remgeldeffect van € 613 miljoen
is daarom niet te verdelen naar verschillende typen verzekerden. Onderzoek van het
CPB uit 2024 laat zien dat het zorggebruik van mensen met een laag inkomen bij een
aanpassing van het eigen risico niet meer of minder verandert dan het zorggebruik
van mensen met een hoog inkomen. Wel zullen de eigen betalingen van mensen met een
laag inkomen meer stijgen, omdat zij meer gebruik maken van zorg.26
De leden van de SP-fractie vinden het opmerkelijk dat de regering doet alsof mensen
profiteren van deze maatregel, doordat de premie minder stijgt door de verhoging van
het eigen risico. Zij wijzen er namelijk op dat de regering de verwachte lagere premiestijging
lijkt aan te grijpen om dit geld via belastingverhogingen bij de inkomstenbelasting
in te zetten voor investeringen in defensie. Waarom erkent de regering dit niet in
de memorie van toelichting?
Het kabinet verhoogt het verplicht eigen risico om de doelen van het verplicht eigen
risico te versterken, namelijk medefinanciering en kostenbewustzijn. Doordat het verplicht
eigen risico al sinds 2016 hetzelfde is, is de werking van het instrument afgenomen.
Dit heeft geleid tot een hogere zorgvraag en opwaartse druk op de premie. Het kabinet
acht dit een passende maatregel in een breder pakket van maatregelen om de houdbaarheid
van de zorg te verbeteren.
5. Europese aspecten
Over deze paragraaf zijn geen vragen gesteld.
6. Uitvoering en regeldruk
De leden van de PVV-fractie lezen dat de regeldrukkosten voor burgers worden ingeschat op € 8,2 miljoen en dat
daarbij wordt uitgegaan van twee minuten kennisneming per volwassen verzekerde. Waarom
acht de regering twee minuten realistisch voor een wijziging die voor miljoenen mensen
gevolgen heeft voor hun portemonnee? Is hierbij rekening gehouden met mensen met lage
gezondheidsvaardigheden, mensen die de Nederlandse taal minder goed beheersen en mensen
die al moeite hebben met zorgnota’s en eigenrisicorekeningen?
De regeldrukgevolgen voor burgers zijn in beeld gebracht conform de Rijksbrede methodiek.
Veel Nederlanders zullen slechts kennisnemen van het nieuwe bedrag van het verplicht
eigen risico. De systematiek van het verplicht eigen risico wordt met dit wetsvoorstel
niet gewijzigd. Het wetsvoorstel heeft dan ook geen gevolgen voor de regeldruk voor
burgers, behoudens eenmalige kennisnemingskosten. Hierbij is gerekend met een gemiddelde
tijdsbesteding van alle Nederlanders. Het is daarbij de vraag in hoeverre de tijd
die sommige mensen kwijt zijn aan het berekenen van de gevolgen van een maatregel
voor het huishoudboekje, hierin moet worden meegenomen. Mensen hebben ieder jaar te
maken met veranderingen in hun koopkracht als gevolg van individuele omstandigheden
alsmede veranderingen in overheidsbeleid.
Kan de regering toelichten hoe burgers tijdig en begrijpelijk worden geïnformeerd
over de verhoging per 2027 en de tranchering per 2028? Wordt deze communicatie vooraf
getest bij ouderen, chronisch zieken, mensen met lage inkomens en verzekerden met
een vrijwillig eigen risico?
Het Ministerie van VWS voert jaarlijks een publiekscampagne over de zorgverzekering,
waaronder het eigen risico. VWS zet daarbij radio, sociale media, animaties en de
website ikregelmijnzorggoed.nl in. Een voorlichtingsteam gaat daarnaast het land in
en is op meer dan 60 locaties aanwezig, zoals markten, stations en uitkeringskantoren.
Er is speciale aandacht voor kwetsbare groepen, zoals jongeren van 18–39 jaar en mensen
met een lager opleidingsniveau. Ook wordt voorlichting gegeven over de mogelijkheid
om het eigen risico gespreid te betalen. Zorgverzekeraars, gemeenten, de Stichting
Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) en patiëntenorganisaties spelen elk
een aanvullende voorlichtingsrol. Voor de tranchering van het verplicht eigen risico
zal nog een aanvullend communicatieplan worden opgesteld en uitgevoerd.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 13 van de memorie van toelichting dat de regeldrukkosten voor burgers
als gevolg van de verhoging worden geraamd op € 8,2 miljoen, waarbij is uitgegaan
van 14,5 miljoen volwassen verzekerden die twee minuten nodig hebben om kennis te
nemen van de nieuwe hoogte van het eigen risico. Kan de regering nader onderbouwen
waarom twee minuten realistisch is, gelet op de gelijktijdige effecten op het eigen
risico, de nominale premie en de zorgtoeslag?
De regeldrukgevolgen voor burgers zijn in beeld gebracht conform de Rijksbrede methodiek.
Veel Nederlanders zullen slechts kennisnemen van het nieuwe bedrag van het verplicht
eigen risico. De systematiek van het verplicht eigen risico wordt met dit wetsvoorstel
niet gewijzigd. Het wetsvoorstel heeft dan ook geen gevolgen voor de regeldruk voor
burgers, behoudens eenmalige kennisnemingskosten. Hierbij is gerekend met een gemiddelde
tijdsbesteding van alle Nederlanders. Het is daarbij de vraag in hoeverre de tijd
die sommige mensen kwijt zijn aan het berekenen van de gevolgen van een maatregel
voor het huishoudboekje, hierin moet worden meegenomen. Mensen hebben ieder jaar te
maken met veranderingen in hun koopkracht als gevolg van individuele omstandigheden
alsmede veranderingen in overheidsbeleid.
De leden van de JA21-fractie lezen in het advies van het ATR dat de combinatie van
verhoging en tranchering het systeem aanzienlijk ingewikkelder maakt en dat het risico
bestaat dat de beoogde gedragseffecten uitblijven of anders uitpakken dan beoogd.
Kan de regering toelichten waarom de doenvermogentoets pas in het najaar wordt uitgevoerd?
Waarom is deze toets niet in een eerder stadium uitgevoerd?
De doenvermogentoets wordt uitgevoerd met het oog op het uitwerken van de voorlichting
over de tranchering van het verplicht eigen risico. De verwachting is niet dat de
maatregel dusdanig ingewikkeld is dat de beoogde gedragseffecten uitblijven of dat
deze anders uitpakken dan beoogd. Wel wordt de doenvermogentoets zo nodig gebruikt
om de voorlichting aan te scherpen.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is de uitkomsten van de
doenvermogentoets aan de Kamer te sturen voordat het ontwerpbesluit tranchering eigen
risico wordt vastgesteld. Kan de regering toezeggen dat de tranchering niet wordt
vastgesteld voordat de werkbaarheid voor verschillende groepen verzekerden aantoonbaar
is onderbouwd?
De doenvermogentoets wordt uitgevoerd met het oog op het uitwerken van de voorlichting
over de tranchering van het verplicht eigen risico. De verwachting is niet dat de
maatregel dusdanig ingewikkeld is dat de beoogde gedragseffecten uitblijven of dat
deze anders uitpakken dan beoogd. Wel wordt de doenvermogentoets zo nodig gebruikt
om de voorlichting aan te scherpen. Dit kabinet zal de Kamer in 2027 informeren over
de uitkomsten van de doenvermogentoets en de voorbereidingen van de voorlichting.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering de regeldruk voor zorgaanbieders
beoordeelt. Zorgaanbieders hebben immers ook een informatieplicht richting patiënten
over kosten van zorg. Welke extra vragen voor zorgaanbieders verwacht de regering
door de verhoging in 2027 en door de tranchering in 2028?
Zorgaanbieders in de medisch-specialistische zorg krijgen vragen van patiënten over
de dbc-systematiek en de hoogte van het te verrekenen eigen risico. Het kabinet verwacht
dat zorgaanbieders als gevolg van de tranchering van het verplicht eigen risico meer
vragen zullen krijgen. Om die reden zullen in het nog uit te werken communicatieplan
ook zorgaanbieders worden betrokken. Met hen zal onder andere een lijst met te verwachte
vragen worden opgesteld, zodat ook zij zich hier op kunnen voorbereiden.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering geen uitvoeringstoets of invoeringstoets heeft uitgevoerd.
De verhoging van het eigen risico is voor de zorgverzekeraars eenvoudig uit te voeren.
Om die reden is daarover geen uitvoeringstoets of invoeringstoets gevraagd. Voor de
tranchering van het verplicht eigen risico zijn zorgverzekeraars wel gevraagd naar
de impact op de uitvoering. Zorgverzekeraars hebben met een kwalitatieve analyse de
impact van de maatregel geïnventariseerd.
Het is voor de leden van de SGP-fractie onduidelijk hoe het vrijwillig eigen risico
moet worden uitgevoerd bij de voorgenomen aanpassing van het verplicht eigen risico.
Moet het vrijwillig eigen risico aangesproken worden voor- of nadat het verplicht
eigen risico in tranches is opgemaakt?
Op grond van artikel 23, derde lid, Zvw moet een zorgverzekeraar zorgkosten die zowel
ten laste van het verplicht als het vrijwillig eigen risico kunnen komen, eerst ten
laste van het verplicht eigen risico brengen. Na invoering van de tranchering van
het verplicht eigen risico voor de medisch-specialistische zorg, zal derhalve (totdat
het totaalbedrag aan verplicht eigen risico zal zijn bereikt) telkens de eerste € 150
van een rekening voor medisch-specialistische zorg uit het verplicht eigen risico
worden betaald. Of direct na een tranche van € 150 voor het restant van de rekening
een eventueel door de verzekerde gekozen vrijwillig eigen risico wordt aangesproken,
hangt af van wat de zorgverzekeraar daarover in de zorgpolis zal hebben bepaald. De
zorgverzekeraar is vrij om in die polis bepalen dat hij dit doet, maar kan er ook
voor kiezen om vrijwillig eigen risico pas in rekening te brengen nadat het totaalbedrag
aan verplicht eigen risico is bereikt. Wel moet hij voor alle verzekerden met vrijwillig
eigen risico hetzelfde doen en – zoals hiervoor al aangegeven – met het oog op de
kenbaarheid voor zijn verzekerden zijn handelwijze in zijn zorgpolis opnemen. De vrijheid
die de zorgverzekeraars op dit punt hebben, past goed bij het feit dat de zorgverzekeraars
ook de vrijheid hebben om zelf te bepalen welke vormen van zorg hij buiten het vrijwillig
eigen risico houden (art. 21, vierde lid, Zvw). Beide vrijheden sluiten aan bij het
uitgangspunt van de Richtlijn Solvabiliteit II van de Europese Unie (EU) dat private
schadeverzekeraars zoveel mogelijk vrijheid dient te worden gegeven in het bepalen
van hun polisvoorwaarden.
De zorgverzekeraars wijzen erop dat er ongewenste effecten zouden kunnen optreden
in aanloop naar de tranchering van het eigen risico. Het is niet ondenkbaar dat mensen
door de verhoging van het eigen risico in 2027 een behandeling gaan uitstellen tot
het moment dat in 2028 de tranchering van kracht wordt. Dit kan honderden euro’s schelen.
De leden van de SGP-fractie herkennen deze zorg. Hoe wil de regering deze ongewenste
gedragseffecten voorkomen?
Met de huidige vormgeving van het eigen risico ervaren mensen nadat ze het eigen risico
vol hebben gemaakt geen financiële prikkel meer om terughoudend te zijn met hun zorgvraag.
Als mensen weten dat ze door tranchering bij gebruik van medisch-specialistische zorg
minder eigen risico betalen, is het inderdaad voorstelbaar dat een klein deel van
de zorgvraag aan het einde van het jaar 2027 wordt uitgesteld tot begin 2028.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat verwezen wordt naar flankerend beleid om zorg betaalbaar te houden voor
iedereen. Daarbij wordt ook gerefereerd aan minimapolissen die via gemeenten aangeboden
worden en het reguliere armoedebeleid van gemeenten. Deze leden vragen daarom waarom
de regering over voorliggend wetsvoorstel geen overleg heeft gevoerd met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG)?
Het flankerend beleid waarnaar in de memorie van toelichting verwezen wordt, waaronder
de zorgtoeslag en de mogelijkheden die gemeenten hebben, betreffen bestaand beleid.
Op dit moment wordt geanalyseerd welke gevolgen diverse maatregelen uit het coalitieakkoord,
waar het eigen risico er een van is, kunnen hebben voor mensen in een kwetsbare positie.
Verwacht wordt dat deze inhoudelijke analyse met de VNG en gemeenten het goede gesprek
helpt. De gesprekken met stakeholders, waaronder gemeenten, worden op korte termijn
gestart. Ook zijn er op onderdelen al gesprekken met gemeenten. Dit kabinet is in
een positief en constructief gesprek met de VNG en ZN om de gemeentepolis beter in
te zetten.
7. Budgettaire gevolgen
De leden van de PVV-fractie lezen dat verzekerden door de verhoging naar verwachting € 437 miljoen meer gaan
betalen aan verplicht eigen risico in 2027. Kan de regering bevestigen dat dit bedrag
wordt opgebracht door mensen die zorg gebruiken? Hoe is dit bedrag verdeeld over leeftijdsgroepen,
inkomensgroepen en mensen met meerjarig zorggebruik?
Door verhoging van het verplicht eigen risico met € 60 stijgt de opbrengst van het
verplicht eigen risico naar verwachting met € 437 miljoen in 2027 doordat mensen met
zorggebruik meer gaan betalen. In 2027 betalen naar verwachting 7,3 miljoen mensen
het volledige verplicht eigen risico. Voor 2027 is het onderscheid naar verschillende
persoonskenmerken niet beschikbaar, maar op basis van de monitor stapeling eigen bijdragen
is dit onderscheid naar leeftijd en huishoudinkomen wel beschikbaar voor het jaar
2022, wat indicatief kan zijn voor 2027. Op basis van CBS-microdata is gekeken hoeveel
personen in meerdere opeenvolgende jaren het verplicht eigen risico vol maken, hetgeen
als indicator is gehanteerd van meerjarig zorggebruik. De resultaten staan in onderstaande
tabel.
Persoonskenmerk
Aantal personen die het verplicht eigen risico volmaken1
Totaal
6.545.300
Tot AOW-leeftijd
4.123.700
AOW-leeftijd of ouder
2.421.500
Minder dan 20.000 euro
189.500
20.000 tot 30.000 euro
818.500
30.000 tot 40.000 euro
793.100
40.000 tot 50.000 euro
610.400
50.000 tot 75.000 euro
1.155.800
75.000 tot 100.000 euro
893.300
100.000 euro en meer
2.066.200
Inkomen onbekend
18.500
3 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2019–2021)
4 miljoen
5 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2017–2021)
3 miljoen
7 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2015–2021)
2,5 miljoen
10 jaar op rij volledig verplicht eigen risico (2012–2021)
2 miljoen
X Noot
1
Door afronding kan het totaal afwijken van de som van verschillende onderdelen.
Deze leden lezen daarnaast dat de regering rekent met € 613 miljoen lagere zorguitgaven
door een groter remgeldeffect. Welke zorg wordt naar verwachting niet meer geleverd
als gevolg van deze raming? Om welke typen zorg, specialismen of behandelingen gaat
het? Is in de raming rekening gehouden met hogere kosten op langere termijn doordat
noodzakelijke zorg wordt uitgesteld?
De verwachting is dat door de verhoging van het verplicht eigen risico er met name
minder zorgvraag zal zijn in sectoren waar het eigen risico relevant is. Een uitsplitsing
naar specialismen en behandeling is niet beschikbaar.
De budgettaire effecten van verschillende vormen van eigen betalingen zijn in 2020
onderzocht en beschreven door het CPB. Op basis van die inzichten is een inschatting
gemaakt van de budgettaire effecten van dit wetsvoorstel.
Het CPB heeft een achtergronddocument gepubliceerd met een beschrijving van het door
het CPB gebruikte model.27 In deze publicatie beschrijft het CPB dat het mogelijk is dat een verzekerde door
het eigen risico eerst afziet van zorg, waardoor zijn gezondheid kan verslechteren
en hij later alsnog meer zorg gebruikt en hogere zorgkosten maakt. Dit effect wordt
deels meegenomen in het model, omdat het gebruik mogelijk tot uiting komt in de totale
kosten van zorg op korte termijn. Het is op basis van het model niet mogelijk om inzicht
te krijgen in het aandeel verschuiving naar duurdere zorg. Het inzichtelijk maken
van verschuiving naar duurdere zorg is complex omdat er bijvoorbeeld niet altijd een
duidelijke relatie gelegd kan worden tussen een bepaalde zorgvraag en het mijden van
zorg eerder in de tijd.
De leden van de CDA-fractie lezen in de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord dat de tranchering van het
eigen risico op 150 euro vanaf 2028 een besparing van € 200 miljoen per jaar moet
opleveren. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe zij verwacht tot deze
besparing te komen en in de beantwoording de aan deze besparing onderliggende cijfers
en effecten toe te lichten.
Het budgettaire effect onder het uitgavenkader bestaat uit twee delen: de te verwachte
lagere opbrengst van het verplicht eigen risico omdat verzekerden vanwege trancheren
gemiddeld minder verplicht eigen risico gaan betalen, en een inschatting van de lagere
zorgkosten door het hogere kostenbewustzijn (het remgeldeffect). Zonder tranchering
van het verplicht eigen risico betaalt iemand die medisch-specialistische zorg ontvangt
doorgaans in één keer het volledige bedrag van het verplicht eigen risico. Als de
bijdrage in de medisch-specialistische zorg per 2028 wordt gemaximeerd op € 150 per
prestatie, betalen verzekerden gemiddeld minder verplicht eigen risico. Een aanzienlijk
aantal verzekerden die in een kalenderjaar medisch-specialistische zorg nodig hebben,
zal namelijk slechts één of twee dbc’s nodig hebben en zal hierdoor minder snel het
verplicht eigen risico vol maken. Naar verwachting neemt de opbrengst van het verplicht
eigen risico af met € 118 miljoen vanaf 2028. Naar verwachting gaan ongeveer 1,3 miljoen
verzekerden op jaarbasis gemiddeld circa € 100 minder eigen risico betalen.
Aangezien de tranchering van het verplicht eigen risico in de medisch-specialistische
zorg ertoe leidt dat verzekerden minder snel hun eigen risico vol maken is de veronderstelling
dat dit resulteert in een afname van het zorggebruik, omdat het verplicht eigen risico
langer een rol blijft spelen bij de overweging om zorg te gebruiken. Er is een inschatting
gemaakt van het verwachte effect op de zorgvraag van het trancheren van het verplicht
eigen risico. In 2028 wordt rekening gehouden met € 318 miljoen lagere zorguitgaven
wegens de verhoging van het remgeldeffect. Het remgeldeffect is gebaseerd op eerdere
berekeningen van het CPB, dat dit effect heeft berekend met behulp van een microsimulatiemodel
dat in 2020 in gebruik is genomen.28 Het model is gebaseerd op individuele gegevens van zorggebruik van verzekerden in
de Zvw over een periode van zes jaar.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering een daling van de collectieve zorguitgaven
wordt verwacht. Hierbij wordt rekening gehouden met een daling van € 613 miljoen aan
zorguitgaven in 2027 door een verhoging van het zogeheten remgeldeffect. Deze lezen
ook dat als een rekening voor medisch-specialistische zorg hoger is dan € 150, en
er sprake is van een vrijwillig eigen risico, de zorgverzekeraar het bedrag boven
de € 150 voor rekening van het vrijwillig eigen risico kan brengen, ook als het totaalbedrag
van het verplicht eigen risico nog niet is bereikt. Deze leden vragen de regering
of zij verwacht dat dit effect heeft op het aantal mensen dat besluit om een vrijwillig
eigen risico af te sluiten en wat het effect hiervan is op het remgeldeffect en dientengevolge
de zorguitgaven na 2027.
Het kabinet verwacht niet dat dit een substantieel effect heeft op het aantal mensen
dat besluit om een vrijwillig eigen risico te sluiten.
Het remgeldeffect dat in kaart is gebracht geldt enkel voor de wijziging van het verplicht
eigen risico. Er wordt aangenomen dat als mensen een andere keuze maken met betrekking
tot het vrijwillig eigen risico, dat geen effect heeft op het remgeldeffect van de
tranchering van het verplicht eigen risico.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 13 van de memorie van toelichting dat het budgettaire effect bestaat
uit hogere opbrengsten uit het verplicht eigen risico en lagere zorgkosten door een
hoger kostenbewustzijn. Kan de regering per budgettaire post aangeven welke onzekerheidsmarges
gelden? Hoe gevoelig zijn de ramingen voor een lager of hoger remgeldeffect dan verondersteld?
Het financieringseffect (de hogere opbrengst van het verplicht eigen risico) is met
name afhankelijk van de verdeling van uitgaven tussen sectoren en binnen sectoren
tussen verzekerden die hun eigen risico niet vol maken en verzekerden die hun eigen
risico wel vol maken. Het model wordt daarom doorlopend geactualiseerd aan de uitgavenverwachtingen
en jaarlijks herijkt aan de meest recente gegevens van de risicoverevening, zodat
van de meest actuele gegevens wordt uitgegaan. De raming van het financieringseffect
is beperkt gevoelig voor kleine wijzigingen van het remgeldeffect. Dit komt doordat
het remgeldeffect naar verwachting voor een groot deel neerslaat in sectoren waarbij
het grootste deel van de zorggebruikers hun verplicht eigen risico volmaken.
De inschatting van het remgeldeffect is gebaseerd op eerdere berekeningen van het
CPB. Het CPB heeft in 2020 een microsimulatiemodel in gebruik genomen, dat is gebaseerd
op individuele gegevens van zorggebruik van verzekerden in de Zvw over een periode
van zes jaar. De uitkomsten van het model zijn volgens het CPB in lijn met verschillende
wetenschappelijke onderzoeken die het remgeldeffect van het verplicht eigen risico
in kaart hebben gebracht. Hoewel het model wetenschappelijk is onderbouwd en getoetst,
kent het model ook beperkingen en onzekerheden.29 Dat geldt bijvoorbeeld als er gekeken zou worden naar substantieel andere hoogtes
van het verplicht eigen risico, zoals in het hypothetische geval van verhoging van
het verplicht eigen risico tot € 2.000. Dit is echter niet het geval voor de verhoging
van € 60.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de investering in de tranchering zich verhoudt
tot de geraamde maatschappelijke baten. Kan de regering een totaaloverzicht geven
van de implementatiekosten voor zorgverzekeraars, zorgaanbieders, softwareleveranciers
en de overheid, inclusief informatievoorziening, processen en aanpassing van ICT-systemen?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre deze implementatiekosten uiteindelijk
worden doorberekend in de premie. Kan de regering het netto-effect op de nominale
premie in 2027, 2028, 2029 en 2030 inzichtelijk maken, afzonderlijk voor de verhoging,
de indexering, de tranchering en de uitvoeringskosten?
Het kabinet kan geen totaaloverzicht geven van de implementatiekosten van de tranchering
van het verplicht eigen risico. Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat een wijziging
in de toepassing van het eigen risico betekent dat de zorgverzekeraars hun ICT-systemen
en informatievoorziening moeten aanpassen voor het innen van het verplicht eigen risico
en het vrijwillig eigen risico. De precieze gevolgen voor de ICT worden echter pas
in beeld gebracht als er voldoende zekerheid is dat de tranchering van het verplicht
eigen risico per 2028 wordt ingevoerd. Zorgaanbieders hebben aangegeven dat hun ICT
niet aangepast hoeft te worden als gevolg van de tranchering van het verplicht eigen
risico. Wel worden meer vragen over het verplicht eigen risico verwacht. In het najaar
2026 zal worden gestart met een doenvermogentoets en met het uitwerken van de informatievoorziening
en voorlichting.
De uiteindelijke implementatiekosten zullen door zorgverzekeraars worden meegenomen
in het vaststellen van de nominale premie.
In onderstaande tabel staan de effecten van wijzigingen van het verplicht eigen risico
op de nominale premie. Voor de uitvoeringskosten is de verwachting dat deze slechts
een marginaal effect hebben op de premie.
Effecten van wijzigingen verplicht eigen risico op nominale premie
2027
2028
2029
2030
Verhoging
– 48
– 46
– 46
– 46
Indexering
– 8
– 21
– 25
– 38
Tranchering
– 2
– 2
– 2
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering de lastenverzwaring uit de Voorjaarsnota
2026 betrekt bij de financiële effecten voor burgers. Kan de regering inzichtelijk
maken wat het totale effect is voor burgers wanneer zowel de lagere nominale premie,
de lagere zorgtoeslag, het hogere eigen risico en de compenserende lastenverzwaring
worden meegenomen?
Door de verhoging van het verplicht eigen risico met € 60, is de nominale premie € 48
minder hoog en is de zorgtoeslag € 19 minder hoog. Zowel deze effecten als het effect
van de hogere inkomstenbelasting worden voor verschillende inkomensniveaus getoond
in onderstaande tabel.
Financiële gevolgen burgers van verhogen verplicht eigen risico en verhoging inkomstenbelasting
in 2027 (– = negatief financieel effect, + = positief financieel effect)
Type verzekerde
Effect verplicht eigen risico
Effect nominale premie
Effect zorgtoeslag
Inkomens-effect
Effect hogere inkomsten-belasting
Inkomens-effect incl. hogere inkomsten-belasting
Verplicht eigen risico volledig betaald en ontvangt zorgtoeslag1
– 60
48
– 19
– 30
Bijstand
– 0,2%
– 30
– 0,4%
WML
– 0,1%
– 42
– 0,3%
AOW
– 0,2%
– 6
– 0,2%
Verplicht eigen risico volledig betaald en ontvangt geen zorgtoeslag1
– 60
48
–
– 12
Modaal
0,0%
– 67
– 0,2%
AOW + € 25.000
0,0%
– 64
– 0,2%
Verplicht eigen risico niet volledig betaald en ontvangt zorgtoeslag2
–
48
– 19
30
Bijstand
0,2%
– 30
0,0%
WML
0,1%
– 42
0,0%
AOW
0,1%
– 6
0,1%
Verplicht eigen risico niet volledig betaald en ontvangt geen zorgtoeslag2
–
48
–
48
Modaal
0,1%
– 67
– 0,1%
AOW + € 25.000
0,1%
– 64
0,0%
X Noot
1
Dit betreft verzekerden die in 2027 ten minste € 455 aan zorgkosten hebben die relevant
zijn voor het eigen risico.
X Noot
2
Dit betreft verzekerden die in 2027 € 395 of minder aan zorgkosten hebben die relevant
zijn voor het eigen risico.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of bij de inschatting van het remgeldeffect ook rekening is gehouden
met de gevolgen van zorgmijding en mogelijk hogere zorgkosten bij later ingrijpen
bij medische klachten. Zo nee, is hier een inschatting van te maken? Aanvullend vragen
deze leden of bekend is voor welke categorieën zorgvragen de zorg wordt uit- of afgesteld
als gevolg van het verhogen van het verplicht eigen risico.
De budgettaire effecten van verschillende vormen van eigen betalingen zijn in 2020
onderzocht en beschreven door het CPB. Op basis van die inzichten is een inschatting
gemaakt van de budgettaire effecten van dit wetsvoorstel.
Het CPB heeft een achtergronddocument gepubliceerd met een beschrijving van het door
het CPB gebruikte model30. In deze publicatie beschrijft het CPB dat het mogelijk is dat een verzekerde door
het eigen risico eerst afziet van zorg, waardoor zijn gezondheid kan verslechteren
en hij later alsnog meer zorg gebruikt en hogere zorgkosten maakt. Dit effect wordt
deels meegenomen in het model, omdat het gebruik mogelijk tot uiting komt in de totale
kosten van zorg op korte termijn. Het is op basis van het model niet mogelijk om inzicht
te krijgen in het aandeel verschuiving naar duurdere zorg. Het inzichtelijk maken
van verschuiving naar duurdere zorg is complex omdat er bijvoorbeeld niet altijd een
duidelijke relatie gelegd kan worden tussen een bepaalde zorgvraag en het mijden van
zorg eerder in de tijd.
De verwachting is dat door de verhoging van het verplicht eigen risico er met name
minder zorgvraag zal zijn in sectoren waar mensen hun eigen risico normaliter volmaken.
Een verdere uitsplitsing is niet beschikbaar.
De leden van de SP-fractie vragen de regering in hoeverre bij de berekening van de verwachte door de overheid
gestimuleerde zorgmijding (ook wel aangeduid als het remgeldeffect) rekening heeft
gehouden met het effect op uitgestelde zorg. Het eigen risico geldt immers enkel om
zorg waarvoor een verwijzing nodig is van een arts, die daarmee heeft bepaald dat
deze zorg noodzakelijk is. De kans is daarmee groot dat zorgmijding vanwege het eigen
risico leidt tot uitgestelde zorg, waardoor later die kosten alsnog moeten worden
gemaakt en soms zelfs meer kosten. In hoeverre is dit meegerekend?
Het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke zorg en medisch niet-noodzakelijke
zorg, vanwege het eigen risico, is cijfermatig en verhoudingsgewijs niet te maken.
Dit komt onder meer omdat het onderscheid kan verschillen per individu en/of groep.
Zorgmijding heeft vaak meerdere redenen. Het is lastig om precies te kwantificeren
welke reden tot welke zorgmijding leidt. Daarnaast zou een groep verzekerden over
een heel lange periode moeten worden gevolgd om te bepalen of de zorg die vermeden
is, medisch noodzakelijke zorg zou kunnen zijn geweest. Dat komt omdat een negatief
of positief effect op de gezondheid zich meestal pas op een (veel) later moment uit.
Dat betekent dat er voor het onderzoek naar zorgmijding een heel lange tijdsperiode
nodig is waarin mensen gevolgd worden. In die lange periode vinden er ook veel andere
gebeurtenissen plaats in het leven van mensen die hun gezondheid beïnvloeden, en het
is moeilijk het effect van het eigen risico van het effect van deze gebeurtenissen
te scheiden. Daarom is er weinig bekend over de balans tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke
zorg die wordt gemeden en is dit ook niet meegenomen in de berekeningen van het remgeldeffect.
8. Advies en consultatie
Kan de regering een reactie geven op de specifiek aangestipte zorgen uit de samenvatting
van zorgaanbieders, zo vragen de leden van de PRO-fractie.
De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen heeft eerder aangegeven dat een forse verlaging
van het verplicht eigen risico naar € 165 zou leiden tot een grote toename van de
zorgvraag, zowel van noodzakelijke als niet-noodzakelijke zorg, en vreesde dat er
een beroep op niet-passende zorg zou worden gedaan dat moeilijk uit het medisch-specialistische
domein te weren is. Naar aanleiding van de verhoging van het verplicht eigen risico
hebben zij hun zorgen geuit over de gevolgen van uitgestelde zorg, waardoor de ernst
van de zorgvraag kan toenemen. Ook de Nederlandse GGZ waarschuwt dat een hoger eigen
risico kan leiden tot uitgestelde zorg die later in zwaardere vorm alsnog het zorgsysteem
kan binenkomen.
Dit kabinet ziet de verhoging van het verplicht eigen risico als noodzakelijke maatregel
om de zorg houdbaar en betaalbaar te houden, maar onderkent ook dat het verplicht
eigen risico, met name bij financieel kwetsbare groepen met zorgkosten, kan leiden
tot het uitstellen van medisch noodzakelijke zorg. Het is daarom van belang om gerichte
ondersteuning te bieden.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Raad van State vraagt om een meer consistente en voorspelbare koers
rond het verplicht eigen risico. Kan de regering aangeven hoe dit voorstel daaraan
bijdraagt, nu eerdere plannen juist uitgingen van verlaging van het verplicht eigen
risico?
De systematiek van het eigen risico is in de Zvw geregeld: in principe wordt het verplicht
eigen risico ieder jaar evenredig aan de geraamde stijging van de zorgkosten geïndexeerd.
Sinds 2018 is deze systematiek echter niet toegepast. In plaats daarvan is het eigen
risico steeds bevroren. Het kabinet Schoof was inderdaad van plan het eigen risico
te verlagen. Dit kabinet wil de in de Zvw neergelegde wijzigingssystematiek van het
eigen risico weer gewoon toepassen, dat wil zeggen het eigen risico evenredig aan
de stijging van de zorgkosten indexeren. Daarnaast wil het kabinet het eigen risico
eenmalig met een bedrag van € 60 verhogen, en het eigen risico bij gebruik van medisch-specialistische
zorg eenmalig trancheren (waarbij wel het tranchebedrag vanaf 2029 zo zal worden vastgesteld
dat het onafgerond 33% van het onafgeronde totaalbedrag aan eigen risico bedraagt).
Het kabinet heeft geen verdere plannen tot wijziging van de eigenrisicosystematiek.
Door de terugkeer naar de in de Zvw neergelegde systematiek is sprake van een consistent
en voorspelbaar beleid.
Kan de regering nader motiveren waarom de verhoging van € 60 noodzakelijk en proportioneel
is?
Als het verplicht eigen risico sinds 2018 doorlopend zou zijn geïndexeerd conform
artikel 19 van de Zvw, dan zou het verplicht eigen risico in 2026 naar verwachting
zijn uitgekomen op € 535. Dat is € 150 hoger dan het daadwerkelijke verplicht eigen
risico van € 385 in 2026. Met de verhoging van € 60 van het verplicht eigen risico
wil het kabinet het eigen risico weer meer laten aansluiten bij het niveau van de
zorguitgaven, wat zal leiden tot meer medefinanciering door verzekerden die zorg nodig
hebben en meer kostenbewustzijn. Het kabinet is van mening dat deze keuze tot een
betere balans leidt tussen betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg.
Deze leden lezen dat de Raad van State waarschuwt dat verwachtingen worden gewekt
over wat gemeenten voor kwetsbare groepen kunnen doen. Kan de regering aangeven of
gemeenten extra middelen krijgen om deze verwachtingen waar te maken? Heeft overleg
plaatsgevonden met de VNG en wat was daarvan de uitkomst?
De indexering, verhogingen tranchering van het verplicht eigen risico maken onderdeel
uit van een breder pakket aan maatregelen. Het totaal aan maatregelen in de zorg en
de sociale zekerheid kan forse consequenties hebben voor burgers. Het is daarom niet
ondenkbaar dat ook gemeenten een rol zullen hebben in het beleid om burgers te ondersteunen
bij deze gevolgen. Indien dit het geval is, zal het kabinet met de VNG en gemeenten
in gesprek gaan over de vormgeving van deze ondersteuning. Een eventueel gesprek over
extra middelen is nu nog niet aan de orde.
Ook zijn er op onderdelen wel al gesprekken met gemeenten. Dit kabinet is in een positief
en constructief gesprek met de VNG en ZN om de gemeentepolis beter in te zetten.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de internetconsultatie zag op eerdere
plannen voor verlaging van het verplicht eigen risico naar € 165 en tranchering met
tranches van € 50. Waarom is geen nieuwe internetconsultatie gehouden over de nu voorliggende
combinatie van verhoging naar circa € 455 en tranchering met tranches van € 150? Welke
kritiek van Zorgverzekeraars Nederland (ZN), patiëntenorganisaties en uitvoerders
is overgenomen en welke niet?
Eind 2024 lagen het wetsvoorstel tot verlaging van het eigen risico en het vorige
ontwerpbesluit tot tranchering van het eigen risico open voor internetconsultatie.
Burgers, belangenorganisaties en partijen leggen ofwel de nadruk op:
• de gevolgen van een lager eigen risico voor een toename van de zorgvraag (waaronder
ook meer niet-passende zorg) en een hogere zorgpremie, ofwel;
• de gevolgen van een hoger verplicht eigen risico op een mogelijk toename van ongewenste
zorgmijding.
Deze reacties zijn meegenomen bij het uitwerken van de onderhavige wetgeving en het
flankerende beleid om gerichte ondersteuning te bieden aan financieel kwetsbare groepen.
Het kabinet vindt de keuze om het wetsvoorstel tot verhoging van het eigen risico
niet voor te leggen voor internetconsultatie daarom gerechtvaardigd.
Kan de regering per adviespunt van het ATR aangeven wat concreet is aangepast naar
aanleiding van de kritiek op nut en noodzaak, werkbaarheid, alternatieven en regeldruk?
Kan de regering daarbij ook ingaan op stapeling van maatregelen voor kwetsbare groepen?
Naar aanleiding van de opmerking van het ATR over ongewenste zorgmijding is aan paragraaf
3b van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, waarin al stond dat het lastig
is om te meten in welke mate ongewenste zorgmijding het gevolg is van het eigen risico,
toegevoegd dat het CPB onderzoek doet naar het niet-opvolgen van een verwijzing van
een huisarts. Dat kan namelijk duiden op ongewenste zorgmijding.
Het ATR stelt voor om een doenvermogenstoets te verrichten om de werkbaarheid voor
burgers in kaart te brengen. Omdat de tranchering voor burgers waarschijnlijk minder
gemakkelijk is te bevatten dan de verhoging, zal de doenvermogenstoets van het najaar
gedaan worden en zich focussen op de tranchering. De uitkomsten van de toets zullen
worden betrokken bij de vormgeving van de voorlichting. Passages hierover zijn in
de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel en in de nota van toelichting bij
het voorgehangen ontwerpbesluit tot tranchering opgenomen.
Het ATR heeft geadviseerd om in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel en
in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit te concretiseren welke maatregelen
het kabinet neemt om de gevolgen van stapeling van maatregelen voor kwetsbare groepen
te mitigeren en te onderbouwen wat concreet wordt gedaan om de gewenste gedragseffecten
bij deze groepen (al in 2027) te realiseren. In de memorie van toelichting bij voorliggend
wetsvoorstel en in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit is aangegeven dat
eerst de effecten van stapeling van maatregelen voor kwetsbare groepen moeten worden
geanalyseerd. Elders in deze nota naar aanleiding van het verslag wordt hier nader
op ingegaan.
Naar aanleiding van de opmerkingen van het ATR zijn de regeldrukkosten van de verhoging
en de tranchering herberekend. Dit heeft geleid tot herziene regeldruk-paragrafen
in de memorie van toelichting en de nota van toelichting.
Paragraaf 8b van de memorie van toelichting en paragraaf 7c van de nota van toelichting
gaan nader in op de ATR-toets en de aanpassingen naar aanleiding daarvan.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering per adviespunt van het ATR kan aangeven of dit volledig, gedeeltelijk
of niet is overgenomen. Kan de regering daarbij specifiek ingaan op de adviespunten
over ongewenste zorgmijding, werkbaarheid voor burgers, kwetsbare groepen en de herberekening
van regeldrukkosten?
Zoals ook al in antwoord op vragen van de leden van de PVV-fractie is aangegeven,
is het advies van de ATR als volgt verwerkt.
Naar aanleiding van de opmerking van het ATR over ongewenste zorgmijding is aan paragraaf
3b van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, waarin al stond dat het lastig
is om te meten in welke mate ongewenste zorgmijding het gevolg is van het eigen risico,
toegevoegd dat het CPB onderzoek doet naar het niet-opvolgen van een verwijzing van
een huisarts. Dat kan namelijk duiden op ongewenste zorgmijding.
Het ATR stelt voor om een doenvermogenstoets te verrichten om de werkbaarheid voor
burgers in kaart te brengen. Omdat de tranchering voor burgers waarschijnlijk minder
gemakkelijk is te bevatten dan de verhoging, zal de doenvermogenstoets van het najaar
gedaan worden en zich focussen op de tranchering. De uitkomsten van de toets zullen
worden betrokken bij de vormgeving van de voorlichting. Passages hierover zijn in
de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel en in de nota van toelichting bij
het voorgehangen ontwerpbesluit tot tranchering opgenomen.
Het ATR heeft geadviseerd om in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel en
in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit te concretiseren welke maatregelen
het kabinet neemt om de gevolgen van stapeling van maatregelen voor kwetsbare groepen
te mitigeren en te onderbouwen wat concreet wordt gedaan om de gewenste gedragseffecten
bij deze groepen (al in 2027) te realiseren. In de memorie van toelichting bij voorliggend
wetsvoorstel en in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit is aangegeven dat
eerst de effecten van stapeling van maatregelen voor kwetsbare groepen moeten worden
geanalyseerd. Elders in deze nota naar aanleiding van het verslag wordt hier nader
op ingegaan.
Naar aanleiding van de opmerkingen van het ATR zijn de regeldrukkosten van de verhoging
en de tranchering herberekend. Dit heeft geleid tot herziene regeldruk-paragrafen
in de memorie van toelichting en de nota van toelichting.
Paragraaf 8b van de memorie van toelichting en paragraaf 7c van de nota van toelichting
gaan nader in op de ATR-toets en de aanpassingen naar aanleiding daarvan.
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting waarom de regering het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit
niet heeft aangeboden voor internetconsultatie. Het betreft immers de grootste stijging
van het verplicht eigen risico in jaren. Over het verhogen van het eigen risico wordt
in het publieke debat veel gesproken. Het ligt dan toch voor de hand dat hierover
een internetconsultatie plaatsvindt? Daarbij vinden de leden van de SGP-fractie het
niet juist dat de regering heeft gemeend om te kunnen volstaan met de inbreng uit
de internetconsultatie voor het wetsvoorstel van het kabinet-Schoof om het eigen risico
te halveren. Een significante verhoging van het eigen risico is een wezenlijk ander
voorstel dan een substantiële verlaging ervan. Een nieuwe internetconsultatie had
dan ook op zijn plaats geweest.
Eind 2024 lagen het wetsvoorstel tot verlaging van het eigen risico en een ander ontwerpbesluit
tot tranchering van het eigen risico in de medisch-specialistische zorg open voor
internetconsultatie. Er zijn destijds reacties ontvangen van burgers, belangenorganisaties
en partijen die ofwel de nadruk legden op de gevolgen van ongewenste zorgmijding dan
wel de nadruk legden op de gevolgen voor de zorgvraag (en de druk op de zorg) en de
zorgpremie. Deze reacties zijn meegenomen in het uitwerken van de onderhavige wetgeving.
Het kabinet vindt de keuze om het wetsvoorstel tot verhoging van het eigen risico
niet voor te leggen voor internetconsultatie daarom gerechtvaardigd.
De leden van de SGP-fractie lezen dat ATR adviseert om een doenvermogentoets uit te
voeren. De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering dit advies opvolgt, maar
de doenvermogentoets pas in het najaar uitvoert. Dit betekent dat de doenvermogentoets
alleen gebruikt kan worden voor de voorlichting en niet betrokken kan worden bij de
wetsbehandeling. Zij vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om de doenvermogentoets
uit te voeren vóórdat het wetsvoorstel in het parlement wordt besproken. Zij verzoeken
de regering om dit alsnog te bewerkstelligen.
De doenvermogentoets wordt uitgevoerd met het oog op het uitwerken van de voorlichting
over de tranchering van het verplicht eigen risico. De verwachting is niet dat de
maatregel dusdanig ingewikkeld is dat de beoogde gedragseffecten uitblijven of dat
deze anders uitpakken dan beoogd. Wel wordt de doenvermogentoets zo nodig gebruikt
om de voorlichting aan te scherpen. Dit kabinet zal de Tweede Kamer in 2027 informeren
over de uitkomsten van de doenvermogentoets en de voorbereidingen van de voorlichting.
De leden van de ChristenUnie-fractie achten het niet deugdelijk dat voorliggend wetsvoorstel niet voorgelegd is voor internetconsultatie.
Kan de regering nader toelichten waarom zij deze keuze gerechtvaardigd acht?
Eind 2024 lagen een wetsvoorstel tot verlaging van het eigen risico en een ander ontwerpbesluit
tranchering eigen risico in de medisch-specialistische zorg open voor internetconsultatie.
Er zijn destijds reacties ontvangen van burgers, belangenorganisaties en partijen
die ofwel de nadruk legden op de gevolgen van ongewenste zorgmijding dan wel de nadruk
legden op de gevolgen voor de zorgvraag (en de druk op de zorg) en de zorgpremie.
Deze reacties zijn meegenomen in het uitwerken van de onderhavige wetgeving. HEt kabinet
vindt de keuze om het wetsvoorstel tot verhoging van het eigen risico niet voor te
leggen voor internetconsultatie daarom gerechtvaardigd.
9. Gevolgen voor Caribisch Nederland
Over deze paragraaf zijn geen vragen gesteld.
10. Inwerkingtreding en communicatie
Kan de regering toelichten wat de consequenties zijn als het wetsvoorstel niet door
beide Kamers komt voor het zomerreces, zo vragen de leden van de PRO-fractie. Wat is de uiterste datum dat voorliggend wetsvoorstel door beide Kamers aangenomen
dient te worden om een besparingsverlies te voorkomen? Wat is de omvang van een eventueel
besparingsverlies?
De vaststelling van de nominale premies voor de zorgverzekeringen en de toekenning
van de risicovereveningsbijdragen aan de zorgverzekeraars geschiedt volgens een zorgvuldig
en strak omlijnd proces, dat al in het najaar van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar
waarvoor de premies en risicovereveningsbijdragen gaan gelden, van start gaat.
Uiterlijk op 12 november van het jaar voor het kalenderjaar waarvoor ze moeten gaan
gelden, stellen de zorgverzekeraars de nominale premies voor hun zorgverzekeringen
vast. Daarvoor dienen zij te weten hoeveel risicovereveningsbijdrage zij over dat
kalenderjaar van het Zorginstituut toegekend zullen krijgen. Het Zorginstituut moet
daartoe op zijn beurt weten wat het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is
dat het over dat kalenderjaar kan toekennen. Daarom is in de Zvw bepaald dat dit totaalbedrag
voor 1 oktober van het jaar voor het kalenderjaar bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld.
Voor het berekenen van het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is de hoogte
van het eigen risico een parameter. Het rekenwerk voor de risicoverevening moet begin
september aanvangen.
Mocht het wetsvoorstel niet worden aangenomen, dan levert dat een besparingsverlies
van circa € 1 miljard op.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de parlementaire behandeling uiterlijk begin juli 2026 moet zijn afgerond
om het verplicht eigen risico voor 2027 tijdig vast te stellen. Waarom wordt de Kamer
onder deze tijdsdruk gezet bij een wetsvoorstel met grote financiële gevolgen voor
miljoenen verzekerden?
De vaststelling van de nominale premies voor de zorgverzekeringen en de toekenning
van de risicovereveningsbijdragen aan de zorgverzekeraars geschiedt volgens een zorgvuldig
en strak omlijnd proces, dat al in het najaar van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar
waarvoor de premies en risicovereveningsbijdragen gaan gelden, van start gaat.
Uiterlijk op 12 november van het jaar voor het kalenderjaar waarvoor ze moeten gaan
gelden, stellen de zorgverzekeraars de nominale premies voor hun zorgverzekeringen
vast. Daarvoor dienen zij te weten hoeveel risicovereveningsbijdrage zij over dat
kalenderjaar van het Zorginstituut toegekend zullen krijgen. Het Zorginstituut moet
daartoe op zijn beurt weten wat het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is
dat het over dat kalenderjaar kan toekennen. Daarom is in de Zvw bepaald dat dit totaalbedrag
voor 1 oktober van het jaar voor het kalenderjaar bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld.
Voor het berekenen van het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is de hoogte
van het eigen risico een parameter. Het rekenwerk voor de risicoverevening moet begin
september aanvangen.
De leden van de JA21-fractie lezen op pagina 18 van de memorie van toelichting dat de parlementaire behandeling
uiterlijk begin juli 2026 moet zijn afgerond om inwerkingtreding per 1 september 2026
mogelijk te maken. Kan de regering nader toelichten wat de gevolgen zijn als het wetsvoorstel
niet voor het zomerreces door beide Kamers wordt behandeld? Betekent dit dat de verhoging
pas een jaar later kan plaatsvinden of zijn er alternatieve routes?
Zoals ik hiervoor al in antwoord op een vraag van de leden van de JA21-fractie heb
aangegeven, dient het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage dat het Zorginstituut
over het jaar 2027 aan zorgverzekeraars kan toekennen, voor 1 oktober 2026 bij ministeriële
regeling vastgesteld te worden. Voor het berekenen van het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage
is de hoogte van het eigen risico een parameter. Het rekenwerk voor de risicoverevening
moet begin september aanvangen.
De leden van de JA21-fractie vragen welke concrete communicatieverantwoordelijkheid
bij zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de overheid komt te liggen. Kan de regering
aangeven wie het aanspreekpunt is voor verzekerden die vragen hebben over de samenloop
van het verplicht eigen risico, vrijwillig eigen risico, zorgtoeslag en tranchering?
Het Ministerie van VWS voert jaarlijks een publiekscampagne over de zorgverzekering,
waaronder het eigen risico. VWS zet daarbij radio, sociale media, animaties en de
website ikregelmijnzorggoed.nl in. Een voorlichtingsteam gaat daarnaast het land in
en is op meer dan 60 locaties aanwezig, zoals markten, stations en uitkeringskantoren.
Er is speciale aandacht voor kwetsbare groepen, zoals jongeren van 18–39 jaar en mensen
met een lager opleidingsniveau. Ook wordt voorlichting gegeven over de mogelijkheid
om het eigen risico gespreid te betalen. Zorgverzekeraars, gemeenten, de SKGZ en patiëntenorganisaties
spelen elk een aanvullende voorlichtingsrol. Zij ontvangen ieder jaar vragen over
het eigen risico en vaak ook over de samenloop met het vrijwillig eigen risico en
de zorgtoeslag. Voor de tranchering van het verplicht eigen risico zal nog een aanvullend
communicatieplan worden opgesteld en uitgevoerd.
De regering wil de verhoging van het eigen risico per 1 januari 2027 invoeren. Daarvoor
moet het voorstel nog voor de zomer in beide Kamers worden aangenomen. Het is echter
nu reeds duidelijk dat in de Eerste Kamer geen meerderheid is voor verhoging van het
eigen risico. De Eerste Kamer heeft immers in meerderheid de motie-Rosenmöller c.s.
aangenomen over niet verhogen van het eigen risico31. De leden van de SGP-fractie vragen de regering wat dit betekent voor het wetsvoorstel. Hoe kansrijk acht de regering
het wetsvoorstel überhaupt?
De zorg staat voor een grote opgave en hervormingen zijn op korte termijn noodzakelijk,
waaronder het verhogen van het verplicht eigen risico. Dit kabinet acht het daarom
wenselijk om het verplicht eigen risico per 2027 verhogen. Het kabinet spant zich
maximaal in om de benodigde steun te krijgen voor deze maatregel, die een belangrijk
onderdeel vormt van een pakket aan maatregelen gericht op het toekomstbestendig maken
van onze zorg.
De leden van de SGP-fractie merken op dat de systematiek van het eigen risico complexer
wordt en daardoor ook moeilijker uitlegbaar wordt aan verzekerden. Welke rol ziet
de regering voor zichzelf weggelegd als het gaat om communicatie over de toekomstige
werking van het eigen risico?
Het kabinet ziet een belangrijke rol voor zichzelf weggelegd om verzekerden tijdig
te informeren over de werking van het eigen risico. Daarom zal er in de maanden voorafgaand
aan de inwerkingtreding van de tranchering van het eigen risico voor medisch-specialistische
zorg gerichte informatievoorziening plaatsvinden om verzekerden bekend te maken met
de maatregel. Deze wordt opgezet in samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders.
Bij de totstandkoming worden verschillende doelgroepen betrokken, zodat de uitingen
begrijpelijk zijn en zoveel mogelijk mensen zullen bereiken.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen uit de memorie van toelichting dat er haast is met behandeling van het
wetsvoorstel om het wetsvoorstel tijdig in werking te kunnen laten treden. Deze leden
vragen echter hoe de regering (met een minderheidscoalitie in beide Kamers) verwacht
de verhoging van het eigen risico te kunnen realiseren, zonder dat er duidelijkheid
is over hoe de enveloppe voor tegemoetkoming voor chronisch zieken (om tegemoet te
komen aan het hogere verplicht eigen risico) uitgegeven wordt?
Gegeven dat de houdbaarheid en toegankelijkheid van zorg onder druk staan, en het
verplicht eigen risico zich sinds 2016 niet mee heeft ontwikkeld met de zorgkostenstijging,
ziet het kabinet noodzaak om het verplicht eigen risico te verhogen. Dit zal de stijgende
druk op de zorgpremie voor iedereen beperken. Het kabinet ziet daarmee voldoende aanleiding
om het eigen risico te verhogen.
De genoemde enveloppe is bedoeld voor compensatie voor een groep mensen voor het totaal
aan maatregelen dat het kabinet voornemens is te treffen die invloed hebben op de
zorgkosten van mensen, en niet alleen het eigen risico.
II. Artikelsgewijze toelichting
De leden van de PVV-fractie vragen de regering te bevestigen dat dit wetsvoorstel alleen ziet op de verhoging
van het verplicht eigen risico en dat de tranchering juridisch via het Besluit zorgverzekering
wordt geregeld. Welke ruimte heeft de Kamer nog om de hoogte van het verplicht eigen
risico voor 2027 aan te passen en op welk moment kan de Kamer nog invloed uitoefenen
op de hoogte, reikwijdte en uitvoering van de tranchering?
Voorliggend wetsvoorstel gaat inderdaad alleen over de verhoging van het verplicht
eigen risico, en de tranchering van het verplicht eigen risico voor de medisch-specialistische
zorg wordt inderdaad via de voorgehangen wijziging van het Besluit zorgverzekering
geregeld.
De Tweede Kamer kan de hoogte van het verplicht eigen risico voor 2027 aanpassen door
het wetsvoorstel te amenderen. Zij kan via een motie oproepen om de vormgeving van
de tranchering te wijzigen ten opzichte van het voorgehangen voorstel.
De leden van de JA21-fractie lezen dat artikel I regelt dat het eigen risico voor 2027 eerst wordt geïndexeerd
en vervolgens met € 60 wordt verhoogd. Kan de regering aangeven wanneer de ministeriële
regeling waarin het definitieve bedrag wordt vastgesteld naar de Kamer wordt gestuurd?
Kan de regering toezeggen dat de Kamer gelijktijdig wordt geïnformeerd over de onderliggende
raming van de zorguitgaven die tot de indexatie leidt?
In de Zvw is opgenomen dat het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage uiterlijk
1 oktober wordt vastgesteld. Dat betekent dat daarvoor duidelijkheid moet zijn over
de hoogte van het verplicht eigen risico. De datum van vaststelling van de desbetreffende
ministeriële regeling zal dus rond die tijd zijn.
In de toelichting bij deze regeling zal worden ingegaan op de onderliggende raming
van de zorguitgaven die tot de indexatie leidt. Gelet op het verzoek van de leden
van de JA21-fractie zal de regeling met toelichting na publicatie aan de Kamer worden
gezonden.
De leden van de JA21-fractie lezen dat artikel III voorziet in inwerkingtreding per
1 september 2026. Kan de regering toelichten welke onderdelen van de uitvoering uiterlijk
op die datum gereed moeten zijn? Welke risico’s zijn er als de publicatie in het Staatsblad
later plaatsvindt dan voorzien?
De vaststelling van de de nominale premies voor de zorgverzekeringen en de toekenning
van de risicovereveningsbijdragen aan de zorgverzekeraars geschiedt volgens een zorgvuldig
en strak omlijnd proces, dat al in het najaar van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar
waarvoor de premies en risicovereveningsbijdragen gaan gelden, van start gaat.
Uiterlijk op 12 november van het jaar voor het kalenderjaar waarvoor ze moeten gaan
gelden, stellen de zorgverzekeraars de nominale premies voor hun zorgverzekeringen
vast. Daarvoor dienen zij te weten hoeveel risicovereveningsbijdrage zij over dat
kalenderjaar van het Zorginstituut toegekend zullen krijgen. Het Zorginstituut moet
daartoe op zijn beurt weten wat het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is
dat het over dat kalenderjaar kan toekennen. Daarom is in de Zvw bepaald dat dit totaalbedrag
voor 1 oktober van het jaar voor het kalenderjaar bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld.
Voor het berekenen van het totaalbedrag aan risicovereveningsbijdrage is de hoogte
van het eigen risico een parameter. Het rekenwerk voor de risicoverevening moet begin
september aanvangen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het wetsvoorstel vóór het zomerreces moet zijn aangenomen vanwege uitvoeringstechnische
redenen. Kan de regering toelichten waarom snelheid van invoering zwaarder weegt dan
zorgvuldigheid, nu belangrijke onderzoeken naar zorgmijding nog lopen en compensatiemaatregelen
nog niet zijn uitgewerkt?
Het aanpassen van de hoogte van het verplicht eigen risico is niet nieuw. Sinds de
invoering van het verplicht eigen risico in 2008 is het verplicht eigen risico een
aantal maal verhoogd en «bevroren» (niet geïndexeerd). Onderzoek naar de effecten
van eigen bijdragen, waaronder het eigen risico, op zorgmijding, worden continu uitgevoerd,
maar zijn nooit een reden geweest om een wetsvoorstel aan te houden.
Er ligt een grote opgave om de zorg houdbaar en toegankelijk te houden. De zorg legt
een steeds groter beslag op de beroepsbevolking en de collectieve uitgaven.
Dit kabinet voelt de noodzaak om direct aan de slag te gaan met de hervormingen van
de zorg, zodat de zorg houdbaar en betaalbaar blijft. De verhoging van het verplicht
eigen risico is daar onderdeel van.
Om financieel kwetsbare mensen te helpen met het eigen risico zijn reeds instrumenten
aanwezig, namelijk de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen. Dit kabinet wil deze
gerichte ondersteuning verbeteren en is daarom in een positief en constructief gesprek
met de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
III. Ontwerpbesluit houdende tranchering eigen risico medisch-specialistische zorg
(tranches van € 150)
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het verplicht eigen risico in de medisch-specialistische zorg, los
van onderhavig wetsvoorstel, wordt getrancheerd op maximaal € 150 per behandeling.
Deze leden vinden dit goed, omdat mensen nu niet in één keer het volledige bedrag
van het eigen risico verschuldigd zijn. Dit gaat zorgmijding tegen. Kan de regering
aangeven in welke mate zij door tranchering verwacht dat zorgmijding zal afnamen?
De leden van de VVD-fractie zijn hiernaast ook benieuwd of de regering kan toelichten
in welke mate de tranchering van het verplicht eigen risico invloed heeft op het kostenbewustzijn.
Kan de regering daarbij ingaan op wat het verhogen en de tranchering van het eigen
risico bijdraagt aan de beweging die we willen maken naar meer passende zorg?
Per behandelprestatie in de medisch-specialistische zorg zal maximaal € 150 in rekening
worden gebracht, zodat mensen bij gebruik van medisch-specialistische zorg niet in
één keer het volledige bedrag van het eigen risico verschuldigd zullen zijn. Hierdoor
zijn verzekerden per behandelprestatie een kleiner deel van hun verplicht eigen risico
kwijt. Dit verlaagt de financiële drempel tot zorg, waardoor mogelijk ongewenste zorgmijding
om financiële redenen wordt tegengegaan. De mate waarin dit gebeurt is moeilijk te
kwantificeren, omdat het onderscheid tussen het mijden van medisch noodzakelijke en
medisch minder noodzakelijke zorg vanwege het eigen risico, zeer lastig te maken is.
Door de tranchering van het eigen risico blijft het kostenbewustzijn van verzekerden
langer doorwerken: waar een verzekerde voorheen na één behandelprestatie zijn volledige
eigen risico kwijt was en vervolgens geen financiële prikkel meer ervoer, wordt de
verzekerde na de tranchering langer gestimuleerd om na te denken of een vervolgbehandeling
passend is. Zo geven we het eigen risico slimmer vorm.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit houdende tranchering van het verplicht
eigen risico in de medisch-specialistische zorg. Waarom is gekozen voor een maximumbedrag
van € 150 per rechtsgeldig in rekening gebracht tarief? Welke andere tranchebedragen
zijn onderzocht, waaronder € 50, € 100, € 125 en € 200, en wat waren daarvan de gevolgen
voor verzekerden, zorgvraag, premie, uitvoerbaarheid en budgettaire effecten? Klopt
het dat de eerdere internetconsultatie over tranchering uitging van tranches van € 50
en waarom is in het huidige ontwerpbesluit gekozen voor € 150?
Het onderhavige ontwerpbesluit gaat uit van een tranchebedrag van € 150. Dit is gelijk
aan het tranchebedrag zoals is opgenomen in het ontwerpbesluit tranchering verplicht
eigen risico dat op 30 juni 2023 aan het parlement is voorgelegd.32 Het kabinet Schoof was voornemens het verplicht eigen risico te verlagen naar € 165
en ging daarom uit van een tranchebedrag van € 50. Deze tranchebedragen werken vanuit
de gedachte dat het eigen risico ongeveer in 3 delen wordt opgesplitst. Circa 1,3
mln verzekerden betalen daarom dankzij de tranchering van het verplicht eigen risico
minder verplicht eigen risico. Er zijn geen andere tranchebedragen doorgerekend.
De leden van de PVV-fractie lezen in hetzelfde Nivel-onderzoek dat ook bij een regeling
van maximaal € 150 eigen risico per behandeling bij een eigen risico van € 460 nog
twaalf procent van de verzekerden aangeeft dat dit waarschijnlijk of zeker een belemmering
vormt om zorg te gebruiken. Hoe verhoudt dit zich tot de stelling van de regering
dat de tranchering de toegankelijkheid van zorg vergroot?
Het Nivel heeft geen onderzoek gedaan naar de mogelijke verklaring van deze bevinding.
Het is mogelijk dat het hier verzekerden betreft die hun eigen risico sowieso volmaken
en zo, ondanks de tranches van € 150, in een jaar het maximale bedrag aan eigen risico
verschuldigd zijn en dit zien als een belemmering om zorg te gebruiken.
Deze leden vragen hoe een verzekerde vooraf kan weten of één ziekenhuistraject leidt
tot één diagnose-behandelcombinatie (dbc), meerdere dbc’s, een vervolg-dbc, een add-on
of een overig zorgproduct (ozp). Hoe wordt voorkomen dat verzekerden meerdere rekeningen
ontvangen voor wat zij zelf ervaren als één behandeling of één opname?
De meeste verzekerden hebben te maken met één of twee ziekenhuisbehandelingen in een
jaar. Circa 1,3 mln. verzekerden zullen daarom minder verplicht eigen risico gaan
betalen dankzij de tranchering van het verplicht eigen risico. Een deel van de verzekerden
heeft te maken met andere losse declarabele prestaties, zoals «overige zorgproducten».
Het is onvermijdelijk dat zij daardoor meerdere facturen voor het verplicht eigen
risico ontvangen. Ook als zij de ontvangen zorg als één behandeling ervaren. Dit is
een aandachtspunt in de nog uit te werken voorlichting en informatievoorziening.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de tranchering uitwerkt voor verzekerden met
een vrijwillig eigen risico. Kan de regering bevestigen dat kosten boven de € 150
per medisch-specialistische prestatie ten laste kunnen komen van het vrijwillig eigen
risico, ook wanneer het verplicht eigen risico nog niet volledig is volgemaakt? Kan
de regering duidelijke rekenvoorbeelden geven voor verzekerden zonder vrijwillig eigen
risico en met € 100, € 300 en € 500 vrijwillig eigen risico?
Op grond van artikel 23, derde lid, Zvw moet een zorgverzekeraar zorgkosten die zowel
ten laste van het verplicht als het vrijwillig eigen risico kunnen komen, eerst ten
laste van het verplicht eigen risico brengen. Na invoering van de tranchering van
het verplicht eigen risico voor de medisch-specialistische zorg, zal derhalve (totdat
het totaalbedrag aan verplicht eigen risico zal zijn bereikt) telkens de eerste € 150
van een rekening voor medisch-specialistische zorg uit het verplicht eigen risico
worden betaald. Of direct na een tranche van € 150 voor het restant van de rekening
een eventueel door de verzekerde gekozen vrijwillig eigen risico wordt aangesproken,
hangt af van wat de zorgverzekeraar daarover in de zorgpolis zal hebben bepaald. De
zorgverzekeraar is vrij om in die polis bepalen dat hij dit doet, maar kan er ook
voor kiezen om vrijwillig eigen risico pas in rekening te brengen nadat het totaalbedrag
aan verplicht eigen risico is bereikt. Wel moet hij voor alle verzekerden met vrijwillig
eigen risico hetzelfde doen en – zoals hiervoor al aangegeven – met het oog op de
kenbaarheid voor zijn verzekerden zijn handelwijze in zijn zorgpolis opnemen. De vrijheid
die de zorgverzekeraars op dit punt hebben, past goed bij het feit dat de zorgverzekeraars
ook de vrijheid hebben om zelf te bepalen welke vormen van zorg zij buiten het vrijwillig
eigen risico houden (art. 21, vierde lid, Zvw). Beide vrijheden sluiten aan bij het
uitgangspunt van de Richtlijn Solvabiliteit II van de Europese Unie (EU) dat private
schadeverzekeraars zoveel mogelijk vrijheid dient te worden gegeven in het bepalen
van hun polisvoorwaarden.
Voorbeeld zorgverzekering zonder vrijwillig eigen risico
Een verzekerde gaat naar de neuroloog. De rekening bedraag € 275. De verzekerde betaalt
dan € 150 aan verplicht eigen risico. De rest van de rekening (€ 125) wordt door de
zorgverzekeraar betaald. Enkele maanden later gaat de verzekerde naar de internist.
De rekening bedraagt € 500. Wederom betaalt de verzekerde € 150 aan verplicht eigen
risico; de zorgverzekeraar betaalt de rest van de rekening (€ 350).
Voorbeeld zorgverzekering met vrijwillig eigen risico van € 100
Een verzekerde gaat naar de neuroloog. De rekening bedraag € 275. De verzekerde betaalt
dan € 150 aan verplicht eigen risico. Als in zijn polis staat dat zijn vrijwillig
eigen risico direct na een tranche verplicht eigen risico in rekening wordt gebracht,
betaalt hij daarnaast ook nog € 100 aan vrijwillig eigen risico. De rest van de rekening
(€ 25) wordt door de zorgverzekeraar betaald. Enkele maanden later gaat de verzekerde
naar de internist. De rekening bedraagt € 500. Wederom betaalt de verzekerde € 150
aan verplicht eigen risico; de zorgverzekeraar betaalt de rest van de rekening (€ 350),
want het vrijwillig eigen risico is al vol gemaakt.
Als in de polis staat dat het vrijwillig eigen risico pas in rekening zal worden gebracht
nadat het volledige verplicht eigen risico is vol gemaakt, betaalt de verzekerde in
dit voorbeeld 2 x € 150 (dus € 300) aan verplicht eigen risico en niets aan vrijwillig
eigen risico. Het aan verplicht eigen risico betaalde bedrag is immers lager dan het
totaalbedrag aan verplicht eigen risico.
Voorbeeld zorgverzekering met vrijwillig eigen risico van € 300
Een verzekerde gaat naar de neuroloog. De rekening bedraag € 275. De verzekerde betaalt
dan € 150 aan verplicht eigen risico. Als in zijn polis staat dat zijn vrijwillig
eigen risico direct na een tranche verplicht eigen risico in rekening wordt gebracht,
betaalt hij daarnaast ook nog € 125 aan vrijwillig eigen risico. De verzekeraar draagt
niet aan de eerste rekening bij. Enkele maanden later gaat de verzekerde naar de internist.
De rekening bedraagt € 500. Wederom betaalt de verzekerde € 150 aan verplicht eigen
risico. Daarnaast betaalt hij € 300 – € 125 = € 175 aan vrijwillig eigen risico; de
zorgverzekeraar betaalt de rest van de rekening (ook € 175, te weten € 500 – € 150
– € 175).
Als in de polis staat dat het vrijwillig eigen risico pas in rekening zal worden gebracht
nadat het volledige verplicht eigen risico is vol gemaakt, betaalt de verzekerde ook
in dit voorbeeld 2 x € 150 (dus € 300) aan verplicht eigen risico en niets aan vrijwillig
eigen risico. Ook hier geldt dat het aan verplicht eigen risico betaalde bedrag lager
is dan het totaalbedrag aan verplicht eigen risico.
Voorbeeld zorgverzekering met vrijwillig eigen risico van € 500
Een verzekerde gaat naar de neuroloog. De rekening bedraag € 275. De verzekerde betaalt
dan € 150 aan verplicht eigen risico. Als in zijn polis staat dat zijn vrijwillig
eigen risico direct na een tranche verplicht eigen risico in rekening wordt gebracht,
betaalt hij daarnaast ook nog € 125 aan vrijwillig eigen risico. De verzekeraar draagt
niet aan de eerste rekening bij. Enkele maanden later gaat de verzekerde naar de internist.
De rekening bedraagt € 500. Wederom betaalt de verzekerde € 150 aan verplicht eigen
risico. Daarnaast betaalt hij € 500 – € 150 = € 350 aan vrijwillig eigen risico. Ook
aan de tweede rekening betaalt de zorgverzekeraar dus niet mee.
En ook in dit voorbeeld betaalt de verzekerde geen vrijwillig eigen risico als in
zijn zorgpolis staat dat het vrijwillig eigen risico pas in rekening zal worden gebracht
nadat het volledige eigen risico is vol gemaakt. Ook hier is het aan verplicht eigen
risico betaalde bedrag van 2 x € 150 (dus € 300) lager dan het totaalbedrag aan verplicht
eigen risico.
Deze leden lezen dat de tranchering pas per 1 januari 2028 kan ingaan vanwege de impact
op administratiesystemen en informatie- en communicatietechnologie (ICT) van zorgverzekeraars.
Welke concrete aanpassingen moeten zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa) doen en wie betaalt de uitvoeringskosten? Welke risico’s zijn
er dat de invoering per 1 januari 2028 niet wordt gehaald?
Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat een wijziging in de toepassing van het eigen
risico betekent dat de zorgverzekeraars hun ICT-systemen en informatievoorziening
moeten aanpassen voor het innen van het verplicht eigen risico en het vrijwillig eigen
risico. De precieze gevolgen voor de ICT worden echter pas in beeld gebracht als er
voldoende zekerheid is dat de tranchering van het verplicht eigen risico per 2028
wordt ingevoerd. De kosten van de uitvoering worden betaald door de zorgverzekeraars.
Zorgaanbieders hebben aangegeven dat hun ICT niet aangepast hoeft te worden als gevolg
van de tranchering van het verplicht eigen risico. De Nederlandse Zorgautoriteit verwacht
dat de invoering van de tranchering van het verplicht eigen risico zal leiden tot
een intensivering van de toezichtstaken in verband met de toegenomen complexiteit
van het eigen risico systeem. Indien voor de tranchering van het verplicht eigen risico
voldoende implementatietijd is (minimaal een jaar), is het risico dat de invoering
per 1 januari 2028 niet wordt gehaald, minimaal.
Deze leden lezen dat naar verwachting ongeveer 1,3 miljoen verzekerden door de tranchering
gemiddeld circa € 100 minder verplicht eigen risico betalen, terwijl de regering tegelijk
rekent met € 318 miljoen lagere zorguitgaven door een groter remgeldeffect. Kan de
regering uitleggen waarom een maatregel die de financiële drempel tot medisch-specialistische
zorg verlaagt, tegelijkertijd tot minder zorggebruik zou leiden? Hoe verhoudt dit
zich tot de waarschuwing dat een lagere drempel voor ziekenhuiszorg juist extra druk
op ziekenhuizen en zelfstandig behandelcentra kan veroorzaken?
Door het te betalen bedrag aan verplicht eigen risico voor medisch-specialistische
zorg te verlagen naar maximaal € 150 per behandelprestatie, wordt de financiële drempel
voor het eerste gebruik van medisch-specialistische zorg verlaagd. Tegelijkertijd
wordt met deze maatregel het effect van het eigen risico op het kostenbewustzijn verlengd, waardoor er een remmende werking
is op het gebruik van zorg. Immers, doordat het verplicht eigen risico niet al na
de eerste zorgvraag wordt vol gemaakt, kan het eigen risico ook vaker later in het
jaar nog worden aangesproken. De verzekerde zal daarom bij volgende zorgvragen in
hetzelfde jaar bewuster afwegen of de zorg nodig is en in hoeverre de zorg ook op
dat moment nodig is. De maatregel zorgt dus voor een slimmere toepassing van het eigen
risico: de drempel is zowel verlaagd als verlengd. Per saldo neemt het zorggebruik
daardoor af.
Kan de regering toezeggen dat na invoering wordt gemonitord wat de tranchering doet
met zorggebruik, wachttijden, betalingsproblemen, zorgmijding, verwijzingen, klachten
en uitvoeringskosten? Kan de regering de Kamer uiterlijk één jaar na invoering een
eerste evaluatie sturen, met bijzondere aandacht voor ouderen, chronisch zieken, mensen
met een laag inkomen en verzekerden met een vrijwillig eigen risico?
Het is niet mogelijk om al na een jaar de effecten van de tranchering van verplicht
eigen risico goed te evalueren. Het is tevens de vraag of de precieze effecten van
het trancheren van het verplicht eigen risico goed kunnen worden gemonitord, omdat
op veel van de genoemde punten meerdere variabelen een rol spelen.
Kan de regering daarbij toezeggen dat in de monitoring ook wordt gekeken naar het
aandeel verzekerden dat zorg mijdt of verwacht te mijden vanwege het eigen risico,
uitgesplitst naar ervaren gezondheid, inkomen en financiële situatie?
Zorgmijding wordt reeds jaarlijks onderzocht door het NIVEL. Ook worden regelmatig
verdiepende onderzoeken gedaan, zoals naar de kenmerken van de mensen die de zorg
om financiële redenen mijden. De Tweede Kamer wordt hier regelmatig over geïnformeerd.
De ontwikkelingen zijn ook te volgen op Financiële toegankelijkheid: afzien van zorg vanwege de kosten | De Staat van Volksgezondheid
en Zorg
De leden van de CDA-fractie lezen dat de tranchering gaat gelden voor dbc’s en ozp’s. Deze leden vragen de regering
om nader toe te lichten, zo mogelijk aan de hand van voorbeelden, hoe dit in zijn
werk gaat. In het bijzonder vragen deze leden aan de regering daarbij in te gaan op
de vraag of in die gevallen dat een patiënt na een vastgestelde zorgvraag en bijhorende
dbc een wijziging van dbc heeft omdat de initiële zorgvraag niet de juiste was, of
er nadere complicaties zijn gevonden waardoor de dbc moet wijzigen, dit ook zal leiden
tot een nieuwe tranche of dat dit binnen de oorspronkelijke tranchering valt.
De meeste patiënten die te maken krijgen met het eigen risico hebben jaarlijks 1 of
2 ziekenhuisbehandelingen nodig. Deze worden afgerekend in pakketjes; de Diagnose
BehandelCombinaties (dbc’s). Zij zullen niet te maken krijgen met verschillende rekeningen.
Verzekerden die naast een dbc ook te maken hebben met andere los declarabele prestaties,
zoals een Overig Zorgproduct (ozp) (bijvoorbeeld een IC-ligdag), hebben wel te maken
met meerdere facturen eigen risico. Dit is onvermijdelijk. Dit zal een belangrijk
aandachtspunt zijn in de nog uit te werken voorlichting en communicatie.
Er wordt op deze manier aangesloten bij de systematiek van registratie en declaratie
zoals die binnen de medisch-specialistische zorg gebruikelijk is.
Indien gedurende een lopende behandeling blijkt dat de initiële zorgvraag anders moet
worden vastgesteld dan aanvankelijk werd verondersteld, en de dbc overeenkomstig wordt
aangepast, zal dit in de praktijk veelal betekenen dat de dbc wordt aangepast voordat
deze wordt gedeclareerd. Alleen de aangepaste dbc met de gewijzigde zorgvraag zal
worden gedeclareerd, waardoor de tranchering daarmee eenmaal geldt. Hetzelfde geldt
wanneer gedurende de behandeling complicaties of aanvullende medische bevindingen
optreden die binnen hetzelfde behandeltraject aanleiding geven tot een aanpassing
van de dbc. In die gevallen is sprake van voortzetting of bijstelling van bestaande
zorg en niet van een nieuw, zelfstandig zorgtraject.
Van een nieuwe tranche kan sprake zijn indien de wijziging leidt tot het openen van
een nieuwe dbc of een afzonderlijke prestatie die op grond van de reguliere declaratiesystematiek
als een nieuw zorgtraject wordt beschouwd. Of hiervan sprake is, hangt af van de concrete
omstandigheden van het geval en de toepasselijke registratieregels. Ter illustratie:
indien een patiënt aanvankelijk wordt behandeld voor een orthopedische klacht en gedurende
dat traject blijkt dat specialistische vervolgzorg nodig is die niet binnen hetzelfde
dbc-zorgpad valt, kan dit aanleiding geven tot toepassing van een nieuwe tranche.
Het doel van de tranchering is nadrukkelijk niet om medisch noodzakelijke aanpassingen
in de behandeling administratief te compliceren, maar om op een uitvoerbare en voorspelbare
wijze aan te laten sluiten bij bestaande zorgregistratie en declaratieprocessen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering ten behoeve van de begrijpelijkheid
en uitvoerbaarheid van de reikwijdte van de tranchering-maatregel ervoor kiest rekening
te houden met welke zorg verzekerden in het dagelijks spraakgebruik als medisch-specialistische
zorg beschouwen. Hierbij geeft de regering aan dat wat als medisch-specialistische
zorg wordt ervaren onder de tranchering van het eigen risico valt. Hoewel het volgens
deze leden positief is om aan te sluiten bij de belevingswereld van verzekerden moet
er volgens deze leden ook geconstateerd worden dat wat door verzekerden als medisch-specialistische
zorg ervaren wordt ook een hoge mate van subjectiviteit kan bevatten. Deze leden vragen
de regering daarom toe te lichten hoe zij weegt en vervolgens concludeert wat door
verzekerden als medisch-specialistische zorg wordt ervaren.
De wijze waarop verzekerden zorg ervaren kan tot op zekere hoogte subjectief zijn.
Daarom is bij de afbakening van de reikwijdte van de tranchering uitgegaan van wat
zowel in het dagelijks spraakgebruik als ook in de praktijk doorgaans als medisch-specialistische
zorg wordt beschouwd. Daarbij is bijvoorbeeld niet alleen gekeken naar de aard van
de zorg en door wie deze geleverd wordt, maar ook naar de locatie waar de zorg is
geleverd (in bijvoorbeeld een ziekenhuis of zelfstandig behandelcentrum).
Het uitgangspunt is geweest dat voor verzekerden begrijpelijk en voorspelbaar moet
zijn welke zorg onder de maatregel valt. Om die reden is gekozen voor een afbakening
die zoveel mogelijk aansluit bij de verwachtingen en belevingswereld van verzekerden,
terwijl tegelijkertijd de uitvoerbaarheid en eenduidigheid voor zorgaanbieders en
verzekeraars in de praktijk zijn geborgd.
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor de indexering van het maximumbedrag per
prestatie uit wordt gegaan van een verhouding tussen het bedrag aan verplicht eigen
risico en het ongegronde maximumbedrag van 33 procent. Deze leden vragen de regering
toe te lichten hoe zij tot deze verhouding van 33 procent is gekomen.
In het voorgehangen besluit tot tranchering van het eigen risico wordt voorgesteld
om het onafgeronde tranchebedrag vanaf 2029 gelijk te laten zijn aan 33% van het geïndexeerde,
onafgeronde (niet: ongegronde) totaalbedrag aan eigen risico. Dit bedrag wordt vervolgens
naar beneden afgerond op een veelvoud van € 5. Het tranchebedrag zal dus steeds ongeveer
1/3 zijn van het totaalbedrag aan verplicht eigen risico. Bij het bepalen van deze
verhouding is gekeken naar de verhouding die zou hebben gegolden indien zowel de verhoging
van het eigen risico als de tranchering van € 150 in 2027 in werking zouden kunnen
treden (wat in de praktijk niet mogelijk is, omdat de zorgverzekeraars voor de tranchering
een jaar implementatietijd nodig hebben). Een tranche van € 150 bij een totaal eigen
risico van naar verwachting € 455 komt ongeveer neer op 1:3. Ook is rekening gehouden
met de verhouding die het kabinet Schoof in gedachten had, te weten tranches van € 50
bij een eigen risico van € 165 (ook ongeveer 1:3).
De leden van de CDA-fractie lezen dat zorgverzekeraars zich zorgen maken over het
feit dat de tranchering van het eigen risico de drempel naar ziekhuiszorg te laag
maakt en dat kan leiden tot omgekeerde substitutie, namelijk: dat mensen vaker zullen
kiezen voor duurdere ziekenhuiszorg in plaats van behandeling door de huisarts. Deze
leden vragen de regering hierop te reflecteren en aan te geven hoe zij zo mogelijk
dit effect met concrete maatregelen wil beperken.
Allereerst wordt opgemerkt dat huisartsenzorg niet onder het verplicht eigen risico
valt. Behandeling door de huisarts blijft dus voor de verzekerde goedkoper dan behandeling
in het ziekenhuis. Ten tweede zorgt de tranchering voor een langer aanhoudend kostenbewustzijn.
Maakt een verzekerde op dit moment met één behandeling in de medisch-specialistische
zorg vaak al zijn verplicht eigen risico vol, na de tranchering zal dat niet meer
het geval zijn. Dat kan er juist toe leiden dat mensen minder vaak voor behandeling
in het ziekenhuis kiezen.
Afgezien van het vooraande is voor medisch-specialistische zorg een verwijzing van
de huisarts nodig. Het kabinet verwacht niet dat huisartsen voor behandelingen die
zij ook zelf kunnen geven gemakkelijker naar medisch-specialistische zorg zullen verwijzen
nadat het verplicht eigen risico voor die vorm van zorg getrancheerd zal zijn.
De leden van de JA21-fractie hebben stevige vragen over de uitlegbaarheid, uitvoerbaarheid en doelmatigheid van
het ontwerpbesluit houdende tranchering eigen risico medisch-specialistische zorg.
Deze leden begrijpen de gedachte dat mensen bij medisch-specialistische zorg niet
in één keer het volledige eigen risico kwijt moeten zijn. Tegelijkertijd constateren
zij dat de gekozen uitwerking via behandelprestaties, dbc’s en overige zorgproducten
(ozp’s) voor verzekerden moeilijk te begrijpen kan zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering het risico beoordeelt dat tranchering
leidt tot verminderd begrip en vertrouwen bij verzekerden, omdat de berekening plaatsvindt
op basis van dbc’s en ozp’s die niet altijd aansluiten bij de beleving van de patiënt
van «één behandeling». Acht de regering het wenselijk dat patiënten inzicht moeten
krijgen in de dbc-systematiek om hun eigen risico te kunnen begrijpen?
Declaratie op basis van de dbc-systematiek zal niet altijd aansluiten bij de wijze
waarop patiënten hun behandeling ervaren. Tegelijkertijd is bewust gekozen om voor
de tranchering aan te sluiten bij de bestaande bekostigings- en declaratiesystematiek,
omdat dit de meest uitvoerbare en doelmatige vormgeving mogelijk maakt en onnodige
administratieve lasten voorkomt.
De regering acht het niet noodzakelijk dat verzekerden diepgaand inzicht moeten hebben
in de dbc-systematiek om hun eigen risico te begrijpen. Voor verzekerden moet vooral
inzichtelijk zijn welk bedrag aan eigen risico in rekening wordt gebracht en waarop
dit betrekking heeft. Heldere communicatie door zorgverzekeraars en zorgaanbieders
is daarbij van belang. Over de communicatie richting patiënten lopen gesprekken tussen
het Ministerie van VWS en verschillende veldpartijen, waaronder zorgverzekeraars en
zorgaanbieders.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering inzicht kan geven in hoe vaak een
behandeling in de medisch-specialistische zorg bestaat uit meerdere dbc’s of ozp’s.
Hoe groot acht de regering de kans dat verzekerden ondanks de tranchering alsnog in
korte tijd het volledige eigen risico betalen doordat voor één ziekenhuisbezoek of
één zorgtraject meerdere prestaties worden gedeclareerd?
Veel verzekerden hebben 1 of 2 behandelingen in een ziekenhuis per jaar. Hiervoor
worden dbc’s gedeclareerd die bestaan uit meerdere handelingen, zoals diagnostiek,
een operatie en verpleging. Circa 1,3 mln. verzekerden zullen door de tranchering
van het verplicht eigen risico minder eigen risico betalen. Het is niet bekend hoe
vaak er combinaties zijn van dbc’s en ozp’s waardoor verzekerden het maximale verplicht
eigen risico kwijt zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe verzekerden eenvoudig en begrijpelijk kunnen
worden geïnformeerd over verschillen tussen medisch-specialistische zorg, farmacie
en geestelijke gezondheidszorg (ggz) in de toepassing van het eigen risico. Hoe wordt
uitgelegd dat voor sommige zorgvormen geen tranche geldt, terwijl voor medisch-specialistische
zorg per behandelprestatie een maximum van € 150 geldt?
De voorlichting en informatievoorziening over de tranchering van het verplicht eigen
risico wordt nog uitgewerkt. Hierbij zal veel aandacht zijn voor de zorg waarbij de
tranchering van het verplicht eigen risico wel en niet geldt. In de uitwerking hiervan
zal ook worden gekeken naar de huidige voorlichting en informatievoorziening over
het verplicht eigen risico waarin bijvoorbeeld wordt uitgelegd dat het verplicht eigen
risico niet van toepassing is op huisartsenzorg, verloskundige zorg en kraamzorg.
Verzekerden zijn dus al bekend met een verplicht eigen risico dat soms wel en soms
niet van toepassing is.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt uitgelegd dat binnen één ziekenhuisbezoek
of één zorgtraject meerdere keren € 150 eigen risico in rekening kan worden gebracht.
Kan de regering voorbeelden geven van situaties waarin één patiënt door meerdere specialismen
wordt behandeld, bijvoorbeeld bij opname, intensive care of een vervolgtraject, en
hoe de tranchering dan uitwerkt?
Het kabinet begrijpt dat een patiënt één ziekenhuisbezoek of opname als één samenhangend
zorgtraject kan ervaren, terwijl daar in de declaratiepraktijk meerdere dbc’s of ozp’s
aan ten grondslag kunnen liggen. De tranchering sluit aan bij de bestaande systematiek
van zorgprestaties, omdat dit uitvoerbaar is en voorkomt dat ingrijpende wijzigingen
in registratiesystemen nodig zijn.
Dit betekent dat in bepaalde situaties meerdere tranches van het eigen risico kunnen
worden aangesproken indien sprake is van meerdere afzonderlijke zorgprestaties. Bijvoorbeeld
wanneer een patiënt tijdens één opname wordt behandeld door verschillende specialismen
die ieder een eigen dbc openen. Ook kan dit zich voordoen wanneer een patiënt na een
acute opname een afzonderlijk vervolgtraject krijgt bij een ander specialisme. Daarbij
blijft het jaarlijkse maximum van het verplicht eigen risico uiteraard wel gelden.
De meeste verzekerden hebben bovendien te maken met maximaal 1 of 2 dbc’s in een kalenderjaar.
Circa 1,3 mln verzekerden zullen door de tranchering van het verplicht eigen risico
minder verplicht eigen risico betalen.
Ter illustratie: een patiënt kan na een operatie op de intensive care verblijven en
daarna een cardiologisch vervolgtraject krijgen. Deze zorg wordt volgens de geldende
registratieregels met meerdere prestaties gedeclareerd, waarop afzonderlijke tranches
van toepassing zijn. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een patiënt die na een chirurgische
behandeling ook een apart revalidatie- of longgeneeskundig traject doorloopt.
Met de toepassing van de tranchering wordt aangesloten bij de bestaande registratie-
en declaratiesystematiek. Hoewel de zorg in de beleving van de patiënt één traject
kan vormen, gaat het vanuit de ziekenhuisorganisatie veelal om verschillende zorgtrajecten
die afzonderlijk worden geregistreerd, gedeclareerd en kosten met zich brengen.
Het kabinet acht het van belang dat verzekerden hierover helder worden geïnformeerd,
zodat inzichtelijk is waarom in bepaalde situaties meerdere tranches kunnen ontstaan,
ook wanneer de zorg in de beleving van de patiënt één traject betreft.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de tranchering samenloopt met het vrijwillig
eigen risico. Deelt de regering de zorg dat verzekerden geconfronteerd kunnen worden
met meerdere, versnipperde eigen-risicobedragen, waarbij verplicht en vrijwillig eigen
risico door elkaar lopen? Hoe wordt voorkomen dat zorgverzekeraars hier verschillend
mee omgaan en verzekerden daardoor ongelijk worden behandeld?
Op grond van artikel 23, derde lid, Zvw moet een zorgverzekeraar zorgkosten die zowel
ten laste van het verplicht als het vrijwillig eigen risico kunnen komen, eerst ten
laste van het verplicht eigen risico brengen. Na invoering van de tranchering van
het verplicht eigen risico voor de medisch-specialistische zorg, zal derhalve (totdat
het totaalbedrag aan verplicht eigen risico zal zijn bereikt) telkens de eerste € 150
van een rekening voor medisch-specialistische zorg uit het verplicht eigen risico
worden betaald. Of direct na een tranche van € 150 voor het restant van de rekening
een eventueel door de verzekerde gekozen vrijwillig eigen risico wordt aangesproken,
hangt af van wat de zorgverzekeraar daarover in de zorgpolis zal hebben bepaald. De
zorgverzekeraar is vrij om in die polis bepalen dat hij dit doet, maar kan er ook
voor kiezen om vrijwillig eigen risico pas in rekening te brengen nadat het totaalbedrag
aan verplicht eigen risico is bereikt. Wel moet hij voor alle verzekerden met vrijwillig
eigen risico hetzelfde doen en – zoals hiervoor al aangegeven – met het oog op de
kenbaarheid voor zijn verzekerden zijn handelwijze in zijn zorgpolis opnemen. De vrijheid
die de zorgverzekeraars op dit punt hebben, past goed bij het feit dat de zorgverzekeraars
ook de vrijheid hebben om zelf te bepalen welke vormen van zorg zij buiten het vrijwillig
eigen risico houden (art. 21, vierde lid, Zvw). Beide vrijheden sluiten aan bij het
uitgangspunt van de Richtlijn Solvabiliteit II van de Europese Unie (EU) dat private
schadeverzekeraars zoveel mogelijk vrijheid dient te worden gegeven in het bepalen
van hun polisvoorwaarden.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt gewaarborgd dat er één uniforme landelijke
interpretatie komt van wat als medisch-specialistische prestatie geldt en wanneer
een tranche wordt toegepast. Wie stelt dit kader vast, wanneer is het gereed en hoe
worden geschillen tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over de afbakening beslecht?
Een uniforme toepassing van de tranchering is van groot belang voor de uitvoerbaarheid,
rechtszekerheid en begrijpelijkheid voor verzekerden. Daarom wordt voor de afbakening
van medisch-specialistische prestaties aangesloten bij de bestaande landelijke systematiek
van dbc’s en ozp’s, inclusief de geldende registratie- en declaratieregels. Hiermee
wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande uitvoeringspraktijken en wordt ruimte
voor uiteenlopende interpretaties beperkt. Over de uitvoering van de tranchering lopen
bovendien gesprekken tussen het Ministerie van VWS en verschillende veldpartijen,
waaronder zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij het borgen van een uniforme
toepassing onderwerp is van deze gesprekken.
De leden van de JA21-fractie vragen welke systeemaanpassingen nodig zijn bij zorgverzekeraars,
zorgaanbieders en softwareleveranciers om de tranchering mogelijk te maken. Kan de
regering per ketenpartij aangeven wat de geschatte doorlooptijd, kosten en belangrijkste
uitvoeringsrisico’s zijn?
Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat een wijziging in de toepassing van het eigen
risico betekent dat de zorgverzekeraars hun ICT-systemen en informatievoorziening
moeten aanpassen voor het innen van het verplicht eigen risico en het vrijwillig eigen
risico. Ten behoeve van de regeldrukparagraaf van de nota van toelichting bij het
ontwerpbesluit tranchering verplicht eigen risico is een grove berekening gemaakt
(circa € 6 mln).
De precieze gevolgen voor de ICT worden echter pas in beeld gebracht als er voldoende
zekerheid is dat de tranchering van het verplicht eigen risico per 2028 wordt ingevoerd.
Zorgaanbieders hebben aangegeven dat hun ICT niet aangepast hoeft te worden als gevolg
van de tranchering van het verplicht eigen risico.
De leden van de JA21-fractie vragen welke inschatting de regering maakt van het aantal
extra vragen, bezwaren en klachten dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders zullen ontvangen
als gevolg van de tranchering. Kan de regering deze inschatting onderbouwen en aangeven
of deze is getoetst bij zorgverzekeraars en zorgaanbieders?
Het aantal extra vragen, bezwaren en klachten dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders
zullen ontvangen als gevolg van de tranchering is op voorhand niet goed in te schatten.
Dit aantal is mede afhankelijk van de goede informatievoorziening en voorlichting
die nog zal worden uitgewerkt.
De leden van de JA21-fractie vragen op welke recente en empirisch onderbouwde studies
de regering de verwachting baseert dat tranchering geen ongewenste toename van niet
medisch noodzakelijk gebruik van medisch-specialistische zorg veroorzaakt. Hoe beoordeelt
de regering het risico dat een lagere drempel tot medisch-specialistische zorg leidt
tot extra druk op huisartsen, doordat patiënten sneller om een verwijzing vragen?
Het verwachte remgeld is gebaseerd op eerdere berekeningen van het CPB. Het CPB heeft
in 2020 een microsimulatiemodel in gebruik genomen, dat is gebaseerd op individuele
gegevens van zorggebruik en kosten van verzekerden in de Zvw over een periode van
zes jaar. De uitkomsten van het model zijn volgens het CPB in lijn met verschillende
wetenschappelijke onderzoeken die het remgeldeffect van het verplicht eigen risico
in kaart hebben gebracht. Hierbij kan geen onderscheid worden gemaakt naar gebruik
van noodzakelijke en niet-noodzakelijke zorg.
Op dit moment zijn verzekerden al snel door het verplicht eigen risico heen en is
er daarna geen financiële drempel meer tot de medisch-specialistische zorg. Dit legt
ook druk op huisartsen, omdat kostenbewustzijn een minder grote rol speelt bij de
vraag om een verwijzing. Door de tranchering van het verplicht eigen risico werkt
het remgeldeffect langer door, waardoor de verzekerde bij volgende zorgvragen in hetzelfde
jaar bewuster zal afwegen of zorg nodig is en of dat ook op dat moment echt nodig
is.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering het risico beoordeelt dat tranchering
leidt tot omgekeerde substitutie, waarbij zorggebruik verschuift van eerstelijnszorg
naar duurdere medisch-specialistische zorg. Is dit risico betrokken bij de raming
dat de tranchering per saldo juist een besparing oplevert?
Allereerst wordt opgemerkt dat een belangrijke vorm van eerstelijnszorg, namelijk
huisartsenzorg, niet onder het verplicht eigen risico valt. Behandeling door de huisarts
blijft dus voor de verzekerde goedkoper dan behandeling in het ziekenhuis. Ten tweede
zorgt de tranchering voor een langer aanhoudend kostenbewustzijn. Maakt een verzekerde
op dit moment met één behandeling in de medisch-specialistische zorg vaak al zijn
verplicht eigen risico vol, na de tranchering zal dat niet meer het geval zijn. Dat
kan er juist toe leiden dat mensen minder vaak voor behandeling in het ziekenhuis
kiezen, en zich tot de eerste lijn wenden.
Afgezien van het voorgaande is voor medisch-specialistische zorg een verwijzing van
de huisarts nodig. Het kabinet verwacht niet dat huisartsen gemakkelijker naar medisch-specialistische
zorg zullen verwijzen nadat het verplicht eigen risico voor die vorm van zorg getrancheerd
zal zijn.
Aangenomen is derhalve dat de tranchering tot weinig «omgekeerde subsitutie» zal leiden.
Daarom is dit effect niet meegenomen in de ramingen.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat nieuwe of bestaande
aanbieders van medisch-specialistische zorg de lagere financiële drempel gebruiken
om zorgvraag aan te wakkeren. Welke rol ziet de regering hierbij voor zorgverzekeraars
in contractering en controle op passende zorg?
Dit kabinet wil van passende zorg en ondersteuning de norm maken. Daartoe komt het
kabinet met een samenhangend pakket aan wet- en regelgeving. Het kabinet vraagt hierbij
van iedereen een bijdrage zodat voor iedere burger passende zorg er is als dat nodig
is, ook in de toekomst. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat ze sterker gaan
sturen op de beschikbaarheid van passende zorg.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering de maatschappelijke baten van
tranchering concreet onderbouwt. Is de regering het ermee eens dat een maatregel die
moeilijk uitlegbaar is voor patiënten, aanzienlijke uitvoeringslasten en kosten met
zich meebrengt en mogelijk onbedoelde gedragseffecten heeft, alleen verantwoord is
als de maatschappelijke baten aantoonbaar en substantieel zijn? Kan de regering deze
baten kwantificeren?
De baten van de tranchering van het verplicht eigen risico zijn aanzienlijk. Circa
1,3 mln verzekerden zullen door de tranchering van het verplicht eigen risico minder
verplicht eigen risico betalen. Tegelijk blijft het kostenbewustzijn langer doorwerken:
waar een verzekerde voorheen na één behandelprestatie zijn volledige verplicht eigen
risico kwijt was en vervolgens geen financiële prikkel meer ervoer, wordt de verzekerde
na de tranchering langer gestimuleerd om na te denken of een vervolgbehandeling passend
is. Hierdoor daalt de zorgvraag en daardoor de zorgpremie. Deze baten overstijgen
de beperkte uitvoeringskosten voor aanpassingen in de ICT en de investeringen in de
informatievoorziening en voorlichting.
De leden van de JA21-fractie vragen welke alternatieven zijn overwogen om de ervaren
financiële drempel voor medisch-specialistische zorg te verlagen zonder het eigen
risico verder te fragmenteren.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel verhoging eigen risico is toegelicht
dat twee alternatieven zijn overwogen, namelijk een gerichte verlaging van het verplicht
eigen risico voor chronisch zieken en gehandicapten, en een inkomensafhankelijk eigen
risico. In de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit tranchering eigen risico
is aangegeven dat er is gekeken naar alternatieven die begrijpelijker zijn voor verzekerden,
zoals een maximumbedrag per zorggebeurtenis of zorgvraag.
Waarom is tranchering per dbc of ozp verkozen boven alternatieven die beter aansluiten
bij de beleving van de patiënt, zoals een maximum per zorggebeurtenis, per zorgvraag
of per kalenderperiode?
De tranchering per dbc en ozp is verkozen boven de verkende alternatieven, zoals een
maximum per zorggebeurtenis en per zorgvraag. Deze alternatieven blijken complexer
te zijn in de uitvoering en ingrijpende wijzigingen te vergen.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is het ontwerpbesluit pas
vast te stellen nadat de Kamer beschikt over de uitkomsten van de doenvermogentoets,
een geactualiseerde regeldrukberekening, een uitgewerkt communicatieplan en een nadere
onderbouwing van de gedragseffecten. Zo nee, waarom acht de regering vaststelling
verantwoord zonder deze stukken?
Het is belangrijk dat het ontwerpbesluit tranchering verplicht eigen risico op tijd
wordt vastgesteld, zodat de zorgverzekeraars aan de slag kunnen met de voorbereidingen.
Het kabinet wil niet het ontwerpbesluit pas vaststellen nadat de Kamer beschikt over
de uitkomsten van de doenvermogentoets, een geactualiseerde regeldrukberekening, een
uitgewerkt communicatieplan en een nadere onderbouwing van de gedragseffecten. De
genoemde stukken gaan over de verdere uitwerking en voorbereidingen van de tranchering
van het verplicht eigen risico. Dit staat los van het principebesluit met betrekking
tot de systematiek. De doenvermogentoets wordt uitgevoerd ten behoeve van het uitwerken
van de voorlichting en informatievoorziening.
De leden van de BBB-fractie begrijpen de gedachte achter het beperken van hoge rekeningen ineens, maar hebben
grote twijfels of de voorgestelde tranchering dit probleem in de praktijk daadwerkelijk
oplost. Kan de regering bevestigen dat verzekerden alsnog in korte tijd met hoge bedragen
geconfronteerd kunnen worden wanneer zij gelijktijdig bij meerdere specialismen onder
behandeling zijn?
Als een verzekerde te maken heeft met meerdere dbc’s in een kalenderjaar, omdat hij
gelijktijdig bij meerdere specialismen onder behandeling is, dan is deze verzekerde
meerdere keren € 150 aan verplicht eigen risico verschuldigd.
Klopt het dat meerdere dbc’s of zorgproducten ertoe kunnen leiden dat iemand alsnog
in één periode meerdere keren € 150 eigen risico verschuldigd is?
Als een verzekerde te maken heeft met meerdere dbc’s in een kalenderjaar, dan is deze
verzekerde meerdere keren € 150 eigen risico verschuldigd. De meeste verzekerden hebben
echter te maken met maximaal 1 of 2 dbc’s in een kalenderjaar. Circa 1,3 mln verzekerden
zullen door de tranchering van het verplicht eigen risico minder verplicht eigen risico
betalen.
Kan de regering voorbeelden uitwerken van patiënten die:
• gelijktijdig bij meerdere specialismen lopen;
• te maken krijgen met een ziekenhuisopname plus vervolgbehandeling;
• zowel medisch-specialistische zorg als andere zorg uit het eigen risico ontvangen?
Kan de regering daarbij inzichtelijk maken hoeveel eigen risico deze patiënten in
korte tijd kwijt kunnen zijn? De leden van de BBB-fractie vragen de regering tevens
of hiermee niet het risico ontstaat dat mensen alsnog zorg mijden, omdat meerdere
«kleinere» bedragen samen alsnog een forse financiële last vormen.
Voorbeeld: gelijktijdig bij meerdere specialismen
• Een verzekerde wordt behandeld door een reumatoloog in het ziekenhuis voor reuma (€ 800).
Tegelijkertijd wordt de verzekerde behandeld door een oogarts voor een bijkomende
aandoening (€ 300).
• Oude systematiek: De verzekerde maakt direct het verplicht eigen risico van (in 2028
volgens de huidige inzichten) € 470 vol met de behandeling van de reumatoloog.
• Nieuwe systematiek: De verzekerde betaalt € 150 voor de behandeling bij de reumatoloog
en € 150 voor de behandeling bij de oogarts. De verzekerde betaalt in totaal € 300.
Voorbeeld: ziekenhuisopname met vervolgbehandeling
• Een verzekerde ondergaat een knievervanging in het ziekenhuis: een operatie-dbc (€ 4.500)
en een ozp voor een IC-dag (€ 900). Na 130 dagen wordt een vervolg-dbc geopend voor
nacontroles (€ 400).
• Oude systematiek: De verzekerde maakt direct het verplicht eigen risico van € 470
vol met de operatie-dbc.
• Nieuwe systematiek: De verzekerde betaalt € 150 voor de operatie-dbc en € 150 voor
de ozp IC-dag. Voor de vervolg-dbc betaalt de verzekerde opnieuw € 150, omdat na 120
dagen een nieuwe dbc is geopend. In totaal betaalt de verzekerde € 450.
Voorbeeld: combinatie van medisch-specialistische zorg en andere zorg
• Een verzekerde bezoekt een dermatoloog in het ziekenhuis voor een behandeling (€ 500).
Daarna gebruikt de verzekerde GGZ-zorg (€ 600).
• Oude systematiek: De verzekerde maakt direct het verplicht eigen risico van € 470
vol met de behandeling van de dermatoloog.
• Nieuwe systematiek: De verzekerde betaalt € 150 voor de behandeling bij de dermatoloog
en € 320 voor de GGZ-behandeling. De verzekerde maakt het eigen risico van € 470 vol.
De tranchering van het verplicht eigen risico zorgt ervoor dat 1,3 mln. verzekerden
minder verplicht eigen risico hoeft te betalen. Een groot deel van de verzekerden
zal wel het gehele verplicht eigen risico vol maken. Dit kabinet heeft aandacht voor
de groep financieel kwetsbare mensen die relatief vaker de meer medisch noodzakelijke
zorg uitstellen of daarvan afzien. Het is daarom belangrijk om gerichte ondersteuning
te bieden, zoals dit nu al wordt gedaan met zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen,
zoals de gemeentepolis.
Kan de regering toelichten waarom gekozen is voor € 150 per behandelprestatie en niet
voor lagere bedragen?
Het onderhavige ontwerpbesluit gaat uit van een tranchebedrag van € 150, zoals is
afgesproken in het Coalitieakkoord en de bijbehorende budgettaire bijlage. Dit is
gelijk aan het tranchebedrag, zoals is opgenomen in het ontwerpbesluit tranchering
verplicht eigen risico dat op 30 juni 2023 aan het parlement is voorgelegd.33 Het kabinet Schoof was voornemens het verplicht eigen risico te verlagen naar € 165
en ging daarom uit van een tranchebedrag van € 50. Deze tranchebedragen werken vanuit
de gedachte dat het eigen risico ongeveer in 3 delen wordt opgesplitst. Circa 1,3 mln
verzekerden betalen daarom dankzij de tranchering van het verplicht eigen risico minder
verplicht eigen risico.
De leden van de BBB-fractie vragen bovendien hoe begrijpelijk en uitlegbaar het systeem
voor burgers nog is, zeker voor mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden of financiële
problemen. Kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat mensen verrast worden
door meerdere losse rekeningen uit verschillende behandeltrajecten?
De meeste patiënten die te maken krijgen met het eigen risico hebben jaarlijks 1 of
2 ziekenhuisbehandelingen nodig. Deze worden afgerekend in pakketjes; de Diagnose
BehandelCombinaties (dbc’s). Zij zullen niet te maken krijgen met verschillende rekeningen.
Verzekerden die naast een dbc ook te maken hebben met andere los declarabele prestaties,
zoals een Overig Zorgproduct (ozp) (bijvoorbeeld een IC-dag), hebben wel te maken
met meerdere facturen eigen risico. Dit is onvermijdelijk. Dit zal een belangrijk
aandachtspunt zijn in de nog uit te werken voorlichting en communicatie.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de regering erkent dat tranchering
weliswaar de vorm van het eigen risico verandert, maar niet wegneemt dat mensen die
veel zorg nodig hebben uiteindelijk nog steeds de hoogste directe zorgkosten dragen.
Het klopt dat mensen die veel zorg nodig hebben het maximale verplicht eigen risico
nog steeds zullen vol maken. Financieel kwetsbare mensen worden geholpen bij het betalen
van het verplicht eigen risico met behulp van de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat volgens de regering de tranchering het kostenbewustzijn bij verzekerden
versterkt. Het komt immers nu voor dat een verzekerde al na één behandeling zijn volledige
eigen risico moet betalen. Door de tranchering wordt de verzekerde langer gestimuleerd
om na te denken of een nieuwe behandeling of vervolgbehandeling passend is. De leden
van de SGP-fractie vragen of deze argumentatie is onderzocht en wetenschappelijk is
onderbouwd. Passen mensen inderdaad hun gedrag hier inderdaad op aan? Is hier ervaring
mee, bijvoorbeeld in andere landen?
Het verwachte remgeldeffect is gebaseerd op eerdere berekeningen van het CPB. Het
CPB heeft in 2020 een microsimulatiemodel in gebruik genomen, dat is gebaseerd op
individuele gegevens van zorggebruik en kosten van verzekerden in de Zvw over een
periode van zes jaar. De uitkomsten van het model zijn volgens het CPB in lijn met
verschillende wetenschappelijke onderzoeken die het remgeldeffect van het verplicht
eigen risico in kaart hebben gebracht.34 Door tranchering maken mensen minder snel hun verplicht eigen risico vol, waardoor
er een financiële prikkel blijft bestaan voor eventuele nieuwe zorgvragen.
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting waarom de regering kiest
voor het bedrag van € 150 en niet een ander hoger of lager bedrag.
Het onderhavige ontwerpbesluit gaat uit van een tranchebedrag van € 150. Dit is gelijk
aan het tranchebedrag zoals is opgenomen in het ontwerpbesluit tranchering verplicht
eigen risico dat op 30 juni 2023 aan het parlement is voorgelegd.35 Het kabinet Schoof was voornemens het verplicht eigen risico te verlagen naar € 165
en ging daarom uit van een tranchebedrag van € 50. Deze tranchebedragen werken vanuit
de gedachte dat het verplicht eigen risico ongeveer in 3 delen wordt opgesplitst.
Circa 1,3 mln verzekerden betalen daarom dankzij de tranchering van het verplicht
eigen risico minder verplicht eigen risico.
De leden van de SGP-fractie vragen om verduidelijking of het bedrag per tranche (nu
€ 150) ook jaarlijks zal worden geïndexeerd. Zo ja, dan wijzen zij erop dat verzekerden
jaarlijks moeten gaan wennen aan twee maximumbedragen, namelijk een maximumbedrag
voor het vrijwillig eigen risico en het bedrag voor de tranches. Wat doet dit met
de begrijpelijkheid van het eigen risico? De zorgverzekeraars wijzen erop dat het
jaarlijks aanpassen van het eigen risico bij veel verzekerden leidt tot ongenoegen
en verwarring. Welke maatregelen treft het regering om dit te voorkomen?
De bedragen van de tranches vrijwillig eigen risico die een zorgverzekeraar (tegenover
een korting op de nominale premie) kan aanbieden, worden niet geïndexeerd. Zij zijn
sinds de inwerkingtreding van de Zvw in 2006 niet gewijzigd.
Het bedrag per tranche verplicht eigen risico in de medisch-specialistische zorg zal
vanaf 2029 meeveranderen met de indexatie van het totaalbedrag aan verplicht eigen
risico. Door de tranchering van het verplicht eigen risico neemt de complexiteit toe.
Om die reden zal extra worden geïnvesteerd in goede voorlichting en informatievoorziening.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien tranchering van het eigen risico als een verbetering. De leden van de ChristenUnie-fractie
vragen de regering of zij inzicht kan geven in hoe vaak een behandeling bij de medische
specialistische zorg bestaat uit meerdere dbc’s of ozp’s. Hoe groot acht de regering
de kans dat verzekerden straks alsnog in één keer het gehele eigen risico moet betalen
door de tranchering te koppelen aan een dbc of ozp? Deze leden vragen de regering
ook of zij nader kan toelichten op basis waarvan zij verwacht dat het effect van de
tranchering sterker zal doorwerken in een lager beroep op de zorg dan in een afname
van de opbrengsten uit het eigen risico.
Veel verzekerden hebben 1 of 2 behandelingen in een ziekenhuis per jaar. Hiervoor
worden dbc’s gedeclareerd die bestaan uit meerdere handelingen, zoals diagnostiek,
een operatie en verpleging. Circa 1,3 mln. verzekerden zullen door de tranchering
van het verplicht eigen risico minder eigen risico betalen. Het is niet bekend hoe
vaak combinaties van dbc’s en ozp’s ertoe zullen leiden dat verzekerden het totaalbedrag
aan verplicht eigen risico kwijt zullen zijn.
Er is gekeken wat de effecten van tranchering van het verplicht eigen risico op een
hoogte van € 150 zijn op (a.) de opbrengst van het verplicht eigen risico, en (b.) het
remgeldeffect. Hieruit is gebleken dat het remgeldeffect een groter financieel effect
heeft dan de gederfde inkomsten aan eigen risico.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Zij zien het voorstel niet als de oplossing
voor ongewenste zorgmijding, hoewel het voor een deel van de mensen een kostenbesparing
kan opleveren. Zij blijven daarom voorstander van volledige afschaffing van het eigen
risico. Zij hebben daarom nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat het opknippen van het eigen risico er enerzijds
voor zou zorgen dat sommige mensen minder eigen risico hoeven te betalen, maar dat
mensen anderzijds vaker worden gestimuleerd om zorg te mijden. De kans bestaat daardoor
dat de hoeveelheid uitgesteld zorg zou stijgen. Hoe kijkt de regering naar dit risico?
Eigen betalingen zijn volgens het kabinet nodig om de zorgkosten betaalbaar te houden.
Eigen betalingen zorgen voor medefinanciering, dragen bij aan de houdbaarheid van
solidariteit en kostenbewustzijn. Maar we moeten inderdaad ook waken voor de negatieve
effecten, zoals het afzien van medisch noodzakelijke zorg. Er zijn op dit moment al
verschillende manieren waarop ongewenste zorgmijding wordt tegengegaan met gerichte
financiële ondersteuning, zoals de zorgtoeslag en gemeentelijke regelingen. Het kabinet
is voornemens om in gesprek te gaan met cliënten en het zorg- en welzijnsveld over
de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, te analyseren bij wie de maatregelen
cumuleren en hoe groot het effect is op het besteedbaar inkomen. De verhoging van
het eigen risico maakt onderdeel uit van deze analyse. Daarnaast heeft het kabinet
middelen vrijgemaakt voor specifieke ondersteuning, via de enveloppe tegemoetkoming
zorgkosten chronisch zieken van € 350 miljoen. Verder wil het kabinet de gerichte
ondersteuning verbeteren en is daarom in een positief en constructief gesprek met
de VNG en ZN over hoe de gemeentepolis beter ingezet kan worden.
De leden van de SP-fractie wijzen er daarnaast op dat het opknippen van het eigen
risico voor een grote groep mensen geen oplossing is voor de problemen die zij ervaren
door het eigen risico. Mensen met een chronische ziekte en/of beperking zullen naar
verwachting vaak alsnog het volledige eigen risico volmaken. Waarom kiest de regering
daarom niet voor een verlaging of afschaffing, in plaats van deze maatregel?
Om verschillende redenen is de regering geen voorstander van afschaffing of verlaging
van het eigen risico. Het eigen risico zorgt namelijk voor medefinanciering, waardoor
aan iedereen een lagere premie kan worden gevraagd. Verder creëert het kostenbewustzijn
onder verzekerden. Het beoogt mensen te stimuleren om bewuster na te denken of het
gebruik van zorg noodzakelijk is en of de zorg op dat moment moet plaatsvinden. Hierdoor
is de zorg die wordt verleend vaker passende zorg. Daarnaast draagt de verhoging van
het eigen risico bij aan het draagvlak voor de risicosolidariteit in ons zorgstelsel.
Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die gezond zijn en mensen
die geconfronteerd worden met aandoeningen of beperkingen. Door een eigen risico worden
niet alle kosten collectief gedragen. Zo houden we de premies beheersbaar. Het eigen
risico fungeert hierdoor als een «ventiel» dat de druk op de (risico)solidariteit
beheersbaar houdt: zonder die eigen bijdrage van zorggebruikers zou de bereidheid
van gezond Nederland om aan de zorg van anderen mee te betalen, kunnen afnemen.
De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat mensen die afhankelijk zijn van
ggz niet in aanmerking komen voor deze maatregel. In de ggz wordt immers niet meer
gewerkt met dbc’s. Wat doet de regering om zorgmijding in de ggz te voorkomen?
De tranchering geldt alleen in de medisch-specialistische zorg, omdat de tranchering
in andere sectoren weinig effect zal hebben. Er is een aanzienlijke groep patiënten
die jaarlijks 1 of 2 ziekenhuisbehandelingen nodig hebben. Deze worden afgerekend
in pakketjes; de dbc’s. Naar verwachting gaan ongeveer 1,3 miljoen verzekerden op
jaarbasis gemiddeld circa € 100 minder eigen risico betalen. In andere deelsectoren
zal dit niet zo zijn, zoals in de GGZ. In de GGZ volgen verschillende relatief goedkopere
behandelingen elkaar snel op. Mensen maken dan al snel binnen korte tijd het volledige
verplicht eigen risico op.
Er wordt op verschillende manieren gewerkt aan het voorkomen van zorgmijding en het
verlagen van de drempel om vroegtijdig GGZ te ontvangen. Vanaf 1 januari 2025 is er
een aparte bekostiging voor het verkennend gesprek met een GGZ-professional, en sinds
2026 vallen de kosten van zo’n verkennend gesprek buiten het verplicht eigen risico.
Aldus worden de financiële drempels voor een eerste stap verlaagd.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Indieners
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport