Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de kabinetsreactie op bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten (Kamerstuk 25657-379)
25 657 Persoonsgebonden Budgetten
Nr. 381
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 16 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over
de brief van 2 maart 2026 over de kabinetsreactie op bericht dat gemeenten steeds
strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten (Kamerstuk 25 657, nr. 379).
De vragen en opmerkingen zijn op 3 april 2026 aan de Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 16 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
10
II.
Reactie van de Minister
10
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten.
In de kabinetsreactie staat dat de Minister geen signalen heeft ontvangen van het
strenger worden van gemeenten in de toekenning van pgb-budgetten. Uit het onderzoek
van Pointer blijkt dat een grote meerderheid van de clientondersteuners van stichting
MEE (83 procent) ziet dat de gemeenten de afgelopen twee jaar strenger zijn geworden
in het toekennen van pgb-budgetten. Hoe verklaart de Minister deze ervaringen uit
het veld?
Daarnaast wijzen de leden van de D66-fractie op de mogelijke ongelijkheid tussen gemeenten.
Door de beleidsvrijheid binnen de Jeugdwet kunnen verschillen ontstaan in de toekenning
van pgb-budgetten, waardoor gezinnen afhankelijk zijn van hun woonplaats voor de mate
van ondersteuning die zij ontvangen. Deze leden vragen in hoeverre de Minister deze
verschillen in kaart heeft en hoe er wordt gezorgd dat overal aan een bepaald voorzieningenniveau
wordt voldaan.
Tot slot constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister in de reactie voornamelijk
wijst op bestaande uitgangspunten en verantwoordelijkheden van gemeenten. Deze leden
vragen of de Minister van mening is dat deze voornamelijk faciliterende en decentrale
aanpak toereikend is, gezien de geschetste signalen uit de praktijk. Voorziet de Minister
mogelijkheden om, waar nodig, aanvullende maatregelen te treffen, zoals het versterken
van landelijke kaders, betere monitoring of gerichter toezicht, om te waarborgen dat
gezinnen tijdig passende ondersteuning ontvangen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten.
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de reactie dat de Minister geen signalen
heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg.
Deze leden wijzen echter op het artikel en de uitzending van Pointer, waarin ook verwezen
wordt naar de position paper van Ieder(in) «Toch (niet) te veel gevraagd?», waarin
ouders en cliëntondersteuners wel degelijk aangeven dat zij ervaren dat gemeenten
strenger zijn geworden met het toekennen van pgb-budgetten. Hoe rijmt dat met de constatering
van de Minister dat zij geen signalen heeft ontvangen? Is er inmiddels contact geweest
met Ieder(in) en Per Saldo over deze signalen? Zo nee, waarom niet en is de Minister
bereid alsnog in gesprek te treden met hen? Zo ja, wat is er voortgekomen uit dit
contact? Zou gereflecteerd kunnen worden op de gevolgen die het strenger omgaan met
het toekennen van pgb-budgetten heeft voor gezinnen met een kind met een zorgvraag?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gemeenten aan zet zijn om invulling
te geven aan de visie uit het VN-verdrag Handicap door middel van hun lokale inclusiebeleid.
Hoeveel gemeenten hebben inmiddels een eigen inclusiebeleid, conform de principes
van het VN-Verdrag Handicap, vastgesteld? Welke rol ziet de Minister voor zichzelf
in het aanjagen van lokale inclusiebeleid? Welke rol ziet de Minister voor zichzelf
in het bewaken van de vrije keuze voor het pgb? Genoemde leden lezen daarnaast ook
dat de overheid, waaronder gemeenten, op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht
is om het mogelijk te maken dat mensen met een beperking zoveel mogelijk mee kunnen
doen. Kan nader toegelicht worden welke concrete verplichtingen voor enerzijds gemeenten
en anderzijds provincies er vanuit het VN-Verdrag voortvloeien? Kan tevens toegelicht
worden in hoeverre lagere overheden, zoals gemeenten en provincies, zich voldoende
bewust zijn van hun plichten ten opzichte van het VN-Verdrag Handicap? Welke rol ziet
de Minister voor zichzelf in het handhaven van het naleven van de verplichtingen uit
het verdrag, in het bijzonder op het lokale en provinciale niveau?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zouden graag aandacht willen vragen voor
de problemen met onvoldoende toereikende pgb tarieven. Zij ontvangen signalen dat
het regelmatig voorkomt dat budgethouders niet uitkomen met de opgelegde tarieven,
met als gevolg dat ze daardoor in de knel komen of zelfs niet verder kunnen met het
pgb. Dit is ook herhaaldelijk aangekaart door budgethouders en hun belangenbehartiger,
Per Saldo. Genoemde leden erkennen dat er sinds 2024 een handreiking bestaat voor
toereikende pgb-tarieven voor het sociaal domein. Sindsdien is echter herhaaldelijk
geconstateerd dat het gebruik van de handreiking te vrijblijvend is en daardoor onvoldoende
of niet goed wordt toegepast. Herkent het kabinet dit beeld? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, welke concrete maatregelen zullen er genomen worden om erop toe te zien dat
de handreiking vaker correct toegepast wordt? Deze leden willen ook graag opmerken
dat een soortgelijke handreiking ontbreekt voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet
(Zvw). Zij zien echter zeker de toegevoegde waarde hiervan. Is de Minister bereid
een soortgelijke handreiking te ontwikkelen voor de Wlz en Zvw?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens zorgen over het voortbestaan
van ouderinitiatieven wegens onder andere ontoereikende tarieven. Zij vragen de Minister
of stappen gezet zijn om samen met ouderinitiatieven in kaart te brengen waar zij
tegen aan lopen ten aanzien van de financiering en te bekijken wat een passende oplossing
zou kunnen zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten. Deze leden
vinden dat ouders van kinderen met een levenslange en levensbrede beperking goed geholpen
moeten worden en niet vermalen mogen raken tussen beleid, procedures en financiële
afwegingen van gemeenten. De Minister schrijft dat zij geen signalen heeft ontvangen
dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg, terwijl de kabinetsreactie
juist is opgesteld naar aanleiding van een artikel en onderliggend onderzoek waarin
dergelijke signalen naar voren komen. De leden van de PVV-fractie hebben daarom de
volgende vragen.
Deze leden vragen hoe de Minister kan stellen geen signalen te hebben ontvangen dat
gemeenten strenger zijn geworden met de toekenning van pgb-zorg, terwijl het artikel
van Pointer en het onderliggende rapport van Ieder(in), gebaseerd op signalen van
ouders en cliëntondersteuners, juist aanleiding vormden voor deze kabinetsreactie.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister deze signalen niet als serieuze
signalen beschouwt.
Ook vragen deze leden op welke bronnen de Minister haar stelling baseert dat zij geen
signalen heeft ontvangen. Deze leden vragen de Minister of dit actief is uitgevraagd
bij ouders, cliëntondersteuners, belangenorganisaties en onafhankelijke deskundigen,
of dat zij zich hierbij vooral baseert op informatie van gemeenten.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast op welke wijze signalen van ouders, cliëntondersteuners
en belangenorganisaties zijn betrokken bij de beoordeling van de Minister dat gemeenten
niet strenger zijn geworden bij het toekennen van pgb-zorg. Kan de Minister toezeggen
hierover in overleg te treden met Per Saldo?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te bevestigen dat signalen van ouders
en cliëntondersteuners voor haar even zwaar moeten wegen als signalen van gemeenten,
juist omdat zij in de praktijk direct ervaren of gezinnen in de knel komen. Deze leden
vragen de Minister verder hoe in de praktijk wordt getoetst of gemeenten bij de beoordeling
van de zogenoemde eigen kracht daadwerkelijk zorgvuldig kijken naar de draagkracht
en draaglast van gezinnen en hoe wordt voorkomen dat ouders structureel overvraagd
worden.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij bereid is nader te onderzoeken
of gemeenten de laatste jaren strenger zijn geworden bij het toekennen van pgb-zorg,
zodat niet alleen gemeenten zelf, maar juist ook ouders en cliëntondersteuners gehoord
worden.
Tot slot vragen deze leden of de Minister kan aangeven welke mogelijkheden ouders
hebben wanneer zij vinden dat hun gezin door een gemeente ten onrechte wordt overvraagd
of wanneer noodzakelijke zorg niet of onvoldoende wordt toegekend.
De leden van de PVV-fractie zien met belangstelling uit naar de beantwoording.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag van de mogelijkheid gebruik enige aanvullende
en verduidelijkende vragen te stellen naar aanleiding van de brief van de Minister
en het onderzoek door Pointer naar aanleiding van de position paper van Ieder(in)
«Toch (niet) te veel gevraagd?!»
De Minister stelt in de reactie op het onderzoek van Pointer, dat in de Jeugdwet is
opgenomen dat ouders zelf een rol hebben in deze zorg. De zogenoemde «eigen kracht».
Gemeenten kijken naar wat realistisch en haalbaar is voor het gezin. Dit principe
begrijpen en ondersteunen de leden van de CDA-fractie.
Hoeveel gemeenten werken er op dit moment met de modelverordening van de Vereniging
Nederlandse Gemeenten (VNG)? Klopt het dat deze verordening van VNG meer zorg dan
voorheen als normale zorg, die je normaliter aan je kind geeft, beschouwd? In hoeverre
wordt er rekening gehouden dat kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke
beperking meer zorg nodig hebben dan gebruikelijke zorg?
Gemeenten moeten na de aanvraag toetsen wat realistisch en haalbaar is voor het gezin
dat de aanvraag heeft gedaan. De Minister stelt in haar brief dat er gekeken moet
worden naar draagkracht en draaglast van het gezin. Betekent dat dit maatwerk voor
elk gezin voor elk kind anders uit kan werken? Is geregeld hoe een dergelijke toets
eruit moet zien?
Er is een noodzaak om inhoudelijke en deskundige medewerkers bij de toegang en in
de hulpverlening de zorg te laten toetsen. Is er voldoende deskundigheid over deze
groep kinderen bij de lokale teams? Zo nee, wat kan de Minister doen om deze deskundigheid
te bevorderen?
Hoe weegt de Minister het feit dat een aantal ouders (vaak moeders) die werken naast
de zorg voor hun kind met een beperking, dat opgeven omdat het persoonsgebonden budget
– de zorg – niet worden toegekend? Tenslotte vragen de leden van de CDA-fractie de
Minister of met de komst van de Reikwijdtewet deze groep kinderen voldoende in beeld
is en blijft. Is bekend hoe groot de groep kinderen is die van de Jeugdwet overgaan
naar de Wlz?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie. Zij stellen
hierover de volgende vragen.
De leden van de SGP-fractie verbazen zich over de opmerking van de Minister dat zij
geen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen
van pgb-zorg. Kan zij dit nader onderbouwen?
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister om nader in gesprek te gaan met cliëntorganisaties
zoals Ieder(in) en Per Saldo over signalen die zij krijgen over het beperken van pgb-zorg.
De leden van de SGP-fractie vragen zich af hoe het kan dat de Minister er blijkbaar
niet mee bekend is dat ouders al jaren moeten vechten op passende ondersteuning te
krijgen via een pgb, en dat zodra de keuze voor het pgb wordt gemaakt gemeenten ineens
zeer terughoudend zijn om een toekenning af te geven. Kan zij dat toelichten?
De leden van de SGP-fractie herinneren de Minister aan afspraken in de Hervormingsagenda
Jeugd met betrekking tot de keuzevrijheid voor naturazorg en pgb voor jeugdigen met
een levenslange en levensbrede beperking. Hoe staat het met de uitvoering van deze
afspraken? Hoe rijmt de Minister dit met de signalen die worden ontvangen door cliëntorganisaties
dat kinderen geen pgb meer toegekend krijgen om passende ondersteuning te regelen?
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister of zij bekend is met het onderzoek
naar de daling van pgb’s jeugdhulp uit 2020 (uitgevoerd door J.B. Lorenz Consultancy)
en de reactie van Per Saldo op het onderzoek? Is de Minister ermee bekend dat in de
eerste vijf jaar na de decentralisatie er een daling van het aantal jeugd pgb’s plaatsvond
van bijna vijftig procent? Wat vindt zij hiervan?
Heeft de Minister de indruk dat het aantal pgb’s jeugd en Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo) sinds 2020 stabiel is gebleven, toegenomen is of juist gedaald? Kan zij dit
nader toelichten? Zo niet, dan vragen de leden van de SGP-fractie of de Minister bereid
is om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar het aantal pgb’s Wmo en jeugd voor
de periode vanaf 2020 tot heden.
De leden van de SGP-fractie vragen of de Minister bekend is met de actuele modelverordening
van de VNG voor de Jeugdwet. Deze modelverordening wordt door veel gemeenten gebruikt
bij wijzigingen van de lokale verordeningen jeugd. In de modelverordening zijn significante
aanscherpingen opgenomen die extra drempels opwerpen voor het toekennen van zorg via
een persoonsgebonden budget. Is de Minister hiermee bekend en hoe kijkt zij hiernaar?
De leden van de SGP-fractie zien dat de Minister, net als in de modelverordening van
de VNG, nu gebruikmaakt van de termen «draagkracht en draaglast». Deze termen komen
niet terug in de Jeugdwet (en ook niet in de Wmo). In die wetten wordt gesproken over
«eigen kracht». Kan de Minister aangeven of er een verschil zit tussen «draagkracht
en draaglast» en «eigen kracht» of dat de Minister van mening is dat deze nieuwe term
inwisselbaar is voor de «oude» term «eigen kracht»?
Kan de Minister schetsen hoe gemeenten cliënten (inwoners) betrekken bij het opstellen
van beleid ten aanzien van pgb’s? Is zij van mening dat dit nu voldoende gebeurt zodat
perspectieven vanuit de dagelijks praktijk van gezinnen voldoende in het beleid en
regelgeving worden meegenomen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om vragen te
stellen over de kabinetsreactie op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden
met het toekennen van pgb-budgetten.
De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich er zorgen over of de Minister de ernst
van de situatie wel begrijpt. Ieder(in) waarschuwt dat ouders worden klemgezet. Ouders
moeten óf hun inkomen opgeven, óf de veiligheid en ontwikkeling van hun kind op het
spel zetten. De Minister schrijft dat ouders uiteraard niet in de knel moeten komen
en geeft aan geen signalen te ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het
toekennen van pgb-zorg. In het rapport van Ieder(in), waar de Minister ook naar verwijst,
staat echter dat de organisatie veel zorgwekkende signalen krijgt. Deze leden vragen
hoe het kan dat de Minister stelt geen signalen te hebben ontvangen. Beschouwt de
Minister het rapport wel als signaal? Staat de Minister ervoor open om signalen te
ontvangen en is de Minister bereid om actief op zoek te gaan naar deze signalen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het rapport van Ieder(in) dat het langetermijnperspectief
centraal staat. Welke stappen gaat de Minister ondernemen om een goed langetermijnperspectief
voor ouders te garanderen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat de Minister het toetsen
van «eigen kracht» een goed uitgangspunt vindt. Deze leden zijn ook van mening dat
de eerste zorg voor kinderen bij het gezin ligt. Wanneer het echter niet meer realistisch
en haalbaar is voor een gezin om het hoofd boven water te houden, is het van belang
dat de maatschappij en overheid te hulp schieten. De leden van de ChristenUnie-fractie
zien dat gezinnen met kinderen met een levenslange en levensbrede beperking hulp behoeven,
en juichen het bestaan van het persoonsgebonden budget toe. Er zijn echter duidelijke
signalen dat het persoonsgebonden budget op deze wijze niet toereikend is. Ouders
luidden de noodklok, zo blijkt ook uit het rapport van Ieder(in). Kan de Minister
een beeld schetsen van de gevolgen van de toenemende druk op ouders, tegelijk met
vermindering van hulp en ondersteuning? Heeft de Minister zicht op de oorzaken voor
de ontwikkeling dat gemeenten steeds meer uitgaan van de eigen kracht van een gezin?
Zijn deze bijvoorbeeld financieel ingegeven, omdat er te weinig gemeentelijk budget
is, of is dit inhoudelijk gedreven?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat de regering het VN-verdrag Handicap
heeft ondertekend en dat in het coalitieakkoord staat dat deze wordt uitgevoerd. Deze
leden zien ook de aanbevelingen van het VN-comité, waaruit blijkt dat er nog veel
stappen moeten worden gezet om hier volledig aan te voldoen. Hoe rijmt de Minister
het strenger worden van de toekenning van het persoonsgebonden budget met de aanbeveling
van het VN-Comité? Welke verantwoordelijkheid ligt hier voor het Rijk?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat gemeenten aan zet zijn
om invulling te geven. Deze leden vragen de Minister wat voor haar hier de ondergrens
zou zijn. Welke kansen ziet de Minister om gemeenten te ondersteunen, of zijn er juist
punten om gemeenten op aan te spreken? In de eerste vijf jaar na de decentralisatie
is er bij de jeugd-pgb een daling geweest van bijna vijftig procent. Welke oorzaken
heeft dit volgens de Minister? Deze leden zien dat er wel een enorme toename is van
het aantal jeugdhulpaanvragen. Hoe sluiten deze gegevens op elkaar aan volgens de
Minister? Welke stappen gaat de Minister zetten om de jeugdhulpaanvragen zo goed mogelijk
te beantwoorden, en de jeugdhulpaanvragen te verminderen?
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er aanpassingen nodig zijn om het persoonsgebonden
budget houdbaar te houden. Deze leden zijn dan ook blij in het coalitieakkoord te
lezen dat het doorgeslagen indicatiecircus wordt stopgezet. Hoe gaat de Minister hier
invulling aan geven, en welke kansen ziet de Minister om gemeentes hierbij te ondersteunen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten. Zij hebben
hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister zegt geen signalen heeft ontvangen
«dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg». Heeft de Minister
de berichtgeving van Pointer niet gelezen? Dat is toch overduidelijk een signaal dat
gemeenten strenger zijn geworden? Is zij bereid om zich beter te laten informeren
over wat hier speelt, door in gesprek te gaan met ouders, cliëntondersteuners en hun
vertegenwoordigers?
De leden van de SP-fractie herinneren de Minister eraan dat de Kamer in 2023 de motie-Futselaar/Dijk1 aannam, waarin werd uitgesproken «dat het uitvoeren van complexe medische handelingen,
zoals het geven van sondevoeding, stomazorg of het monitoren van beademing tijdens
de nacht, niet behoort tot normale ouderlijke zorg». Hoe verhoudt de praktijk die
blijkt uit het Pointer-onderzoek zich tot deze Kameruitspraak?
De leden van de SP-fractie benadrukken dat gezinnen niet in de knel mogen komen door
slecht beleid door gemeenten als het gaat om het toekennen van pgb’s. Wat gaat de
Minister doen om ervoor te zorgen dat ouders niet worden gedwongen om zware zorgtaken,
die niet vallen binnen de gebruikelijke ouderlijke zorg, gratis te verlenen aan hun
kinderen, waardoor zij onder zware druk komen te staan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten. Deze leden
hebben de volgende vragen aan de Minister.
Genoemde leden merken op dat in de kabinetsreactie op het bericht over strengere pgbtoekenning
wordt gesteld dat er geen signalen zijn dat gemeenten strenger zouden zijn geworden,
terwijl tegelijkertijd uit onderzoeken, mediaberichten en uitvoeringspraktijk blijkt
dat gezinnen regelmatig knelpunten ervaren, onder andere door een zware invulling
van het criterium «eigen kracht». Hoe verklaart de Minister deze discrepantie tussen
de signalen die ouders en belangenorganisaties melden en de constatering dat er geen
aanwijzing zou zijn voor strengere toekenning? Is de Minister bereid inzichtelijk
te maken hoe gemeenten de toets op eigen kracht uitvoeren en of deze toets daadwerkelijk
proportioneel wordt toegepast, ook in situaties van langdurige of levensbrede zorgbehoefte?
Kan de Minister bevestigen dat bij de beoordeling van draagkracht en draaglast niet
alleen gekeken moet worden naar theoretische zelfredzaamheid, maar ook naar de praktische
uitvoerbaarheid en belasting voor gezinnen?
Verder merken de leden van de BBB-fractie op dat budgethouders vaak in complexe werkgeversrollen
worden geplaatst, zelfs wanneer zij uitsluitend informele zorgverleners inzetten.
Zij vragen zich af waarom ondanks jarenlang aandringen vanuit budgethouders, professionals
en uitvoeringsinstanties vereenvoudiging van het pgbstelsel niet meer prioriteit krijgt.
Is de Minister bereid de administratieve lasten bij budgethouders substantieel te
verlagen door harmonisatie van regelgeving, het schrappen van dubbele verantwoordingsplichten
en het bevorderen van risicogericht toezicht? Op welke wijze wordt geborgd dat het
pgb-portaal daadwerkelijk leidt tot vermindering van administratieve druk en niet
tot digitalisering van bestaande complexiteit? Kan de Minister aangeven of mantelzorgers
structureel kunnen worden ondersteund via een vergoeding die hen uit de werkgeversrol
haalt, zodat zij zich kunnen richten op zorg in plaats van administratie?
Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat het pgb regelmatig wordt ingezet als vangnet
wanneer passende zorg in natura ontbreekt. Deze leden constateren dat dit voor veel
budgethouders niet leidt tot keuzevrijheid, maar tot gedwongen administratieve lasten
zodat noodzakelijke zorg überhaupt geleverd kan worden. Hoe beoordeelt de Minister
signalen dat mensen een pgb krijgen omdat zorg in natura onvoldoende beschikbaar is,
terwijl dit niet de bedoeling van het instrument is? Hoe wordt voorkomen dat de tekorten
in wijkverpleging, jeugdzorg en Wmo-voorzieningen worden afgewenteld op budgethouders
die geen bewuste keuze voor het pgb hebben gemaakt? Is de Minister bereid inzichtelijk
te maken hoeveel pgb-aanvragen plaatsvinden wegens onvoldoende beschikbaarheid van
zorg in natura?
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat in de stukken over de jeugdzorg
en langdurige zorg opnieuw duidelijk wordt dat gezinnen vaak meerdere jaren achtereen
moeten aantonen dat een levenslange beperking nog steeds aanwezig is. Deze leden vinden
dit disproportioneel en in strijd met de menselijke maat. Kan de Minister toelichten
waarom ouders en budgethouders nog altijd jaarlijks bewijs moeten leveren van aandoeningen
waarvan het permanente karakter evident is? Is de Minister bereid tot een stelselwijziging
waarbij langdurige, niet-veranderlijke beperkingen niet jaarlijks opnieuw hoeven te
worden aangetoond?
Voorts merken de leden van de BBB-fractie op dat vele signalen wijzen op toenemende
druk op professionals door gescheiden wettelijke kaders, hoge registratielast en gebrekkige
gegevensuitwisseling. Deze leden vragen hoe de Minister regie gaat nemen om hier daadwerkelijk
verbetering in te brengen, gelet op eerdere toezeggingen. Is de Minister bereid om,
in samenwerking met uitvoeringsorganisaties, gemeenten, zorgkantoren en beroepsgroepen,
te komen tot één samenhangende vereenvoudigingsagenda voor het pgb en verwante zorgwetten?
Hoe wordt geborgd dat professionals voldoende tijd en ruimte krijgen om maatwerk te
leveren zonder voortdurend geconfronteerd te worden met ingewikkelde procedureregels?
Ook zien de leden van de BBB-fractie dat de wachttijden in de ggz, wijkverpleging
en huisartsenzorg leiden tot verschuiving van zorgproblemen naar gezinnen. Zij constateren
dat, zolang wachttijden oplopen, pgb-aanvragen toenemen en gezinnen zwaardere taken
dragen, wat niet duurzaam is. Erkent de Minister dat oplopende wachttijden indirect
leiden tot een zwaardere druk op pgb-gebruik? Welke maatregelen neemt de Minister
om te voorkomen dat knelpunten in de reguliere zorg rechtstreeks worden afgewenteld
op burgers, al dan niet via het pgb?
Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat uit meerdere stukken blijkt dat
het huidige stelsel tot verschillen tussen gemeenten en regio’s leidt, waardoor burgers
afhankelijk zijn van postcode in plaats van behoefte. Zij benadrukken dat gelijke
situaties tot gelijke uitkomsten moeten leiden. Is de Minister bereid om te werken
aan landelijke minimumnormen voor de uitvoering van pgb-procedures, zodat rechtsongelijkheid
tussen gemeenten wordt beperkt? Kan de Minister aangeven hoe gemeenten worden ondersteund
om hun beoordeling en uitvoering beter te uniformeren?
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat in veel documenten wordt gesproken
over «vertrouwen», «toegankelijkheid» en «menselijke maat», maar dat deze uitgangspunten
in de praktijk niet altijd worden ervaren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat
deze uitgangspunten niet slechts beleidsmatige intenties blijven, maar concreet merkbaar
worden voor ouders, mantelzorgers, budgethouders en professionals? Is de Minister
bereid om een brede pilot te starten waarin pgb-procedures worden ingericht vanuit
het principe van maximale eenvoud en vertrouwen, met als doel succesvolle elementen
landelijk te implementeren?
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben met verbazing kennisgenomen van de vrij summiere
kabinetsreactie op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen
van pgb-budgetten en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoe het kan dat de Minister geen signalen
heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg,
terwijl deze signalen er wel degelijk zijn, zo blijkt uit het Pointer artikel gebaseerd
op het rapport van Ieder(in). Hoe kan het dat deze signalen de Minister niet bereiken?
De Minister is niet op de hoogte dat gemeenten noodzakelijke ondersteuning vanuit
de Jeugdwet steeds vaker afwijzen onder het mom «eigen kracht». Uit het Pointer onderzoek
blijkt dat het tegendeel waar is. Vooral de groep ouders van een kind met een levenslange
beperking die intensieve zorg nodig heeft, komt in de knel. Is de Minister bereid
dit nader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Is de Minister bereid om contact op te nemen met de cliëntondersteuners en de ouders
uit het Ieder(in)-onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Is de Minister het met de leden van de Groep Markuszower eens dat het strenger worden
met het toekennen van pgb-budgetten heel veel weg heeft van de meldingen van ouders
vanuit de Zorgverzekeringswet, waarin zorgverzekeraars ook onder het mom «eigen kracht»
bepalen dat ouders steeds meer zorgtaken zelf kunnen gaan uitvoeren en steeds strenger
worden in het toekennen van pgb-budgetten? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat
ouders die hun kind dagelijks intensieve zorg geven, niet gaan vastlopen door strengere
eisen onder het mom «eigen kracht»?
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
In de kabinetsreactie staat dat de Minister geen signalen heeft ontvangen van het
strenger worden van gemeenten in de toekenning van pgb-budgetten. Uit het onderzoek
van Pointer blijkt dat een grote meerderheid van de clientondersteuners van stichting
MEE (83 procent) ziet dat de gemeenten de afgelopen twee jaar strenger zijn geworden
in het toekennen van pgb-budgetten. Hoe verklaart de Minister deze ervaringen uit
het veld?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
Daarnaast wijzen de leden van de D66-fractie op de mogelijke ongelijkheid tussen gemeenten.
Door de beleidsvrijheid binnen de Jeugdwet kunnen verschillen ontstaan in de toekenning
van pgb-budgetten, waardoor gezinnen afhankelijk zijn van hun woonplaats voor de mate
van ondersteuning die zij ontvangen. Deze leden vragen in hoeverre de Minister deze
verschillen in kaart heeft en hoe er wordt gezorgd dat overal aan een bepaald voorzieningenniveau
wordt voldaan.
Uitgangspunt van de wet uit 2015 is dat gemeenten een goed beeld hebben van de lokale
situatie en zij het aanbod goed kunnen laten aansluiten op lokale behoeften van individuen,
gezinnen en kinderen. Juist omdat de gemeente een bredere rol speelt in en om individuen
en gezinnen kunnen zij de bredere sociale context (verbinding met het onderwijs, wonen
of zorg) goed meewegen in het vormgeven van het lokale aanbod. De verschillende behoefte
aan en invulling van een eventueel pgb kan inderdaad verschillen in aanbod per gemeente
veroorzaken. Er is geen landelijk beeld van hoe gemeenten hun lokale verordeningen
en aanbod precies invullen. Het doel van de wet is juist om te voorzien in meer lokaal
beter passende hulp.
Verder helpen landelijke wettelijke kaders om gemeenten richting te geven aan hun
beleid. Deze kaders zorgen voor kleinere verschillen tussen gemeenten. Het wetsvoorstel
Reikwijdte (dat in internetconsultatie is geweest) verduidelijkt bijvoorbeeld de reikwijdte
van de jeugdhulpplicht van gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulp
wordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een afwegingskader voor de inzet van aanvullende
jeugdhulp aan de hand waarvan wordt beoordeeld welke hulp van ouders en de sociale
omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstel voorziet in een helder en eenduidig
afwegingskader zodat gemeenten over duidelijkere handvatten beschikken om deze afweging
te maken.
Er wordt onder de werkagenda VN-verdrag Handicap een afwegingskader voor de Jeugdwet
en Wmo2015 ontwikkeld, met als doel de verschillen tussen gemeenten te verkleinen.
Gemeenten kunnen dit gebruiken om het wegen van eigen kracht nader in te vullen in
hun lokale verordening. Hierover wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd.
Tot slot constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister in de reactie voornamelijk
wijst op bestaande uitgangspunten en verantwoordelijkheden van gemeenten. Deze leden
vragen of de Minister van mening is dat deze voornamelijk faciliterende en decentrale
aanpak toereikend is, gezien de geschetste signalen uit de praktijk. Voorziet de Minister
mogelijkheden om, waar nodig, aanvullende maatregelen te treffen, zoals het versterken
van landelijke kaders, betere monitoring of gerichter toezicht, om te waarborgen dat
gezinnen tijdig passende ondersteuning ontvangen?
Er zijn sinds de decentralisatie diverse handreikingen voor gemeenten ontwikkeld om
hen te helpen het aanbod zo goed mogelijk vorm te geven. Daarnaast zijn er diverse
ondersteunings- en leernetwerken ingericht. VNG heeft een modelverordening ontworpen
die gemeenten kunnen gebruiken als uitgangspunt in hun beleid. Voor de inkoop en organisatie
is recent de wet Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen vastgesteld dat de
nodige verplichtende kaders biedt voor de (boven)regionale organisatie en inkoop van
(hoog)specialistische jeugdhulp. Vanuit de Hervormingsagenda Jeugd lopen diverse trajecten
om het stelsel te verbeteren op onder andere monitoring en toezicht. Het aanbod van
zorg in natura moet dusdanig zijn dat mensen die dit willen hier een beroep op kunnen
doen en niet noodgedwongen voor een pgb kiezen. Pgb is een goed instrument voor mensen
die eigen regie kunnen voeren en hier bewust voor kiezen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de reactie dat de Minister geen signalen
heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg.
Deze leden wijzen echter op het artikel en de uitzending van Pointer, waarin ook verwezen
wordt naar de position paper van Ieder(in) «Toch (niet) te veel gevraagd?», waarin
ouders en cliëntondersteuners wel degelijk aangeven dat zij ervaren dat gemeenten
strenger zijn geworden met het toekennen van pgb-budgetten. Hoe rijmt dat met de constatering
van de Minister dat zij geen signalen heeft ontvangen?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
Is er inmiddels contact geweest met Ieder(in) en Per Saldo over deze signalen? Zo
nee, waarom niet en is de Minister bereid alsnog in gesprek te treden met hen? Zo
ja, wat is er voortgekomen uit dit contact? Zou gereflecteerd kunnen worden op de
gevolgen die het strenger omgaan met het toekennen van pgb-budgetten heeft voor gezinnen
met een kind met een zorgvraag?
VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggen passen signalen
over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in
het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse
gemeenten gesproken en eventueel ervaren knelpunten zijn aan de orde gekomen. Gemeenten
gaven aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap.
Daardoor konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning
inkopen, waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als
signaal naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis
en kunde over pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS
– het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van
gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of
en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van dit project «toerusting».
Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe we vervolg geven aan de signalen
die voortkomen uit de Pointeruitzending.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gemeenten aan zet zijn om invulling
te geven aan de visie uit het VN-verdrag Handicap door middel van hun lokale inclusiebeleid.
Hoeveel gemeenten hebben inmiddels een eigen inclusiebeleid, conform de principes
van het VN-Verdrag Handicap, vastgesteld? Welke rol ziet de Minister voor zichzelf
in het aanjagen van lokale inclusiebeleid? Welke rol ziet de Minister voor zichzelf
in het bewaken van de vrije keuze voor het pgb? Genoemde leden lezen daarnaast ook
dat de overheid, waaronder gemeenten, op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht
is om het mogelijk te maken dat mensen met een beperking zoveel mogelijk mee kunnen
doen. Kan nader toegelicht worden welke concrete verplichtingen voor enerzijds gemeenten
en anderzijds provincies er vanuit het VN-Verdrag voortvloeien? Kan tevens toegelicht
worden in hoeverre lagere overheden, zoals gemeenten en provincies, zich voldoende
bewust zijn van hun plichten ten opzichte van het VN-Verdrag Handicap? Welke rol ziet
de Minister voor zichzelf in het handhaven van het naleven van de verplichtingen uit
het verdrag, in het bijzonder op het lokale en provinciale niveau?
Er zijn op specifieke terreinen een aantal concrete verplichtingen vastgelegd voor
gemeenten en provincies. Deze wetten bieden gemeenten en provincies de mogelijkheid
om bewust werk te maken van inclusie en toegankelijkheid. Dit is ook wat ik verwacht
van hen. Zo bevat de Kieswet een bepaling over de toegankelijkheid van stemlokalen,
waaraan gemeenten uitvoering geven zodat mensen met een beperking hun stem zelfstandig
kunnen uitbrengen. Ook het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid verplicht
alle overheden, waaronder gemeenten en provincies, om hun websites en applicaties
digitaal toegankelijk te maken en houden voor mensen met een beperking. Ook staat
in de Participatiewet, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo
2015) de verplichting voor gemeenten om een periodiek plan op te stellen om uitvoering
te geven aan het VN-Verdrag Handicap, de zogenoemde Lokale Inclusie Agenda (LIA).2
Op dit moment hebben 213 gemeenten een LIA en zijn 58 gemeenten bezig met de ontwikkeling
ervan. Voor gemeenten zonder LIA heb ik met de VNG de afspraak gemaakt dat ze via
bestuurlijke inzet extra energie zetten op het opstellen van een LIA. De VNG stimuleert
dat het opstellen van een LIA in samenspraak met ervaringsdeskundige inwoners gebeurt.
De VNG ontvangt projectsubsidie vanuit het Ministerie van VWS om kennis te verspreiden,
samenwerking te bevorderen en de toepassing van het VN-Verdrag Handicap in de praktijk
op lokaal niveau te stimuleren. De uitvoering van het VN-verdrag Handicap is een gezamenlijke
opgave van ministeries, maatschappelijke partners en gemeenten. Met de eerste Werkagenda
VN-Verdrag Handicap 2025–2030 zetten we hierin stappen. Hiervoor overleg ik jaarlijks
met de VNG omdat veel maatregelen raken aan gemeenten. Op termijn wordt het IPO mogelijk
toegevoegd aan dit overleg. In de jaarlijkse voortgangsbrief over de Werkagenda ga
ik tevens in op de voortgang.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zouden graag aandacht willen vragen voor
de problemen met onvoldoende toereikende pgb tarieven. Zij ontvangen signalen dat
het regelmatig voorkomt dat budgethouders niet uitkomen met de opgelegde tarieven,
met als gevolg dat ze daardoor in de knel komen of zelfs niet verder kunnen met het
pgb. Dit is ook herhaaldelijk aangekaart door budgethouders en hun belangenbehartiger,
Per Saldo. Genoemde leden erkennen dat er sinds 2024 een handreiking bestaat voor
toereikende pgb-tarieven voor het sociaal domein. Sindsdien is echter herhaaldelijk
geconstateerd dat het gebruik van de handreiking te vrijblijvend is en daardoor onvoldoende
of niet goed wordt toegepast. Herkent het kabinet dit beeld? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, welke concrete maatregelen zullen er genomen worden om erop toe te zien dat
de handreiking vaker correct toegepast wordt? Deze leden willen ook graag opmerken
dat een soortgelijke handreiking ontbreekt voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet
(Zvw). Zij zien echter zeker de toegevoegde waarde hiervan. Is de Minister bereid
een soortgelijke handreiking te ontwikkelen voor de Wlz en Zvw?
De handreiking voor toereikende pgb-tarieven is pas eind 2024 afgerond. De handreiking
is vooral gericht op formele tarieven. Ten tijde van de handreiking kwamen er verschillende
uitspraken over pgb-tarieven van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In 2023 oordeelde
de CRvB dat voor hulp uit het sociaal netwerk minimaal het tarief uit de cao VVT moet
worden vergoed. In 2025 kwam de CRvB op dat oordeel terug. De CRvB oordeelde dat gemeenten
zorg uit het sociaal netwerk wel met het minimumloon mogen vergoeden. De uitspraken
gaan niet over het tarief voor beroepsmatige zorgverleners met een mbo-zorgopleiding
of langjarige vergelijkbare praktijkervaring. De uitspraken staan een hoger tarief
voor deze groep niet in de weg. Omdat ik een hoger tarief voor de zorgverleners uit
deze groep wenselijk vind, zal ik gemeenten oproepen hier gevolg aan te geven. Deze
recente ontwikkelingen zijn en worden gecommuniceerd naar gemeenten. Het zorgvuldig
opnemen hiervan in gemeentelijke verordeningen vraagt tijd en inzet van gemeenten.
Die tijd moeten gemeenten ook krijgen.
Ik zie geen noodzaak voor een dergelijke handreiking voor de Wlz en Zvw: in de Wlz
is recentelijk het pgb op maat ingevoerd. Dit verplicht zorgkantoren bij vaststelling
van de zorgovereenkomst samen met de budgethouder te bezien welk budget nodig is voor
de in te kopen zorg. Het pgb-tarief in de Zvw maakt deel uit van een private overeenkomst
tussen budgethouder en verzekeraar.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens zorgen over het voortbestaan
van ouderinitiatieven wegens onder andere ontoereikende tarieven. Zij vragen de Minister
of stappen gezet zijn om samen met ouderinitiatieven in kaart te brengen waar zij
tegen aan lopen ten aanzien van de financiering en te bekijken wat een passende oplossing
zou kunnen zijn.
Er bestaat een verscheidenheid aan ouderinitiatieven, variërend in aard en opzet.
Zo zijn er verschillen in het aantal bewoners, de budgetten (Wlz en/of Wmo 2015) en
de wijze waarop de zorg wordt georganiseerd. Dit alles heeft invloed op de kosten
en de mate waarin een initiatief uitkomt met het beschikbare budget. Er is goed contact
en overleg met (vertegenwoordigers van) ouderinitiatieven, ook over de knelpunten
en mogelijke oplossingen in de financiering van het ouderinitiatief. Zo is in samenwerking
met Per Saldo een masterclass zelf werkgeverschap georganiseerd. Bij zelfwerkgeverschap
neemt een ouderinitiatief de zorgverleners zelf in dienst. Dit leidt tot minder overheadkosten
en meer regie over de zorg. Ik blijf in gesprek en zal signalen nauwlettend volgen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Deze leden vragen hoe de Minister kan stellen geen signalen te hebben ontvangen dat
gemeenten strenger zijn geworden met de toekenning van pgb-zorg, terwijl het artikel
van Pointer en het onderliggende rapport van Ieder(in), gebaseerd op signalen van
ouders en cliëntondersteuners, juist aanleiding vormden voor deze kabinetsreactie.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister deze signalen niet als serieuze
signalen beschouwt.
Ook vragen deze leden op welke bronnen de Minister haar stelling baseert dat zij geen
signalen heeft ontvangen. Deze leden vragen de Minister of dit actief is uitgevraagd
bij ouders, cliëntondersteuners, belangenorganisaties en onafhankelijke deskundigen,
of dat zij zich hierbij vooral baseert op informatie van gemeenten.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast op welke wijze signalen van ouders, cliëntondersteuners
en belangenorganisaties zijn betrokken bij de beoordeling van de Minister dat gemeenten
niet strenger zijn geworden bij het toekennen van pgb-zorg. Kan de Minister toezeggen
hierover in overleg te treden met Per Saldo?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te bevestigen dat signalen van ouders
en cliëntondersteuners voor haar even zwaar moeten wegen als signalen van gemeenten,
juist omdat zij in de praktijk direct ervaren of gezinnen in de knel komen.
VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggen passen signalen
over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in
het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse
gemeenten gesproken en eventueel ervaren knelpunten zijn aan de orde gekomen. Gemeenten
gaven aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap.
Daardoor konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning
inkopen, waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als
signaal naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis
en kunde over pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS
– het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van
gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of
en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van dit project «toerusting».
Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe we gevolg geven aan de signalen
die voortkomen uit de Pointeruitzending.
Deze leden vragen de Minister verder hoe in de praktijk wordt getoetst of gemeenten
bij de beoordeling van de zogenoemde eigen kracht daadwerkelijk zorgvuldig kijken
naar de draagkracht en draaglast van gezinnen en hoe wordt voorkomen dat ouders structureel
overvraagd worden.
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij bereid is nader te onderzoeken
of gemeenten de laatste jaren strenger zijn geworden bij het toekennen van pgb-zorg,
zodat niet alleen gemeenten zelf, maar juist ook ouders en cliëntondersteuners gehoord
worden.
VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggen passen signalen
over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in
het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse
gemeenten en eventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gaven aan,
dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap. Daardoor
konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen,
waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal
naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis
en kunde over pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS
– het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van
gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of
en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van dit project «toerusting».
Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen
die voortkomen uit de Pointeruitzending.
Tot slot vragen deze leden of de Minister kan aangeven welke mogelijkheden ouders
hebben wanneer zij vinden dat hun gezin door een gemeente ten onrechte wordt overvraagd
of wanneer noodzakelijke zorg niet of onvoldoende wordt toegekend.
Als ouders vinden dat zij overvraagd worden en dus onvoldoende zorg krijgen toegekend,
dan kunnen zij bezwaar maken en uiteindelijk beroep indienen tegen de gemeente. Gemeenten
zijn verplicht bij het nemen van een beslissing over een pgb een zorgvuldig proces
te doorlopen en op transparante wijze een afweging te maken. Daarnaast hebben inwoners
van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zo moeten de afwegingskaders via
een democratisch proces in de verordeningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij
is ook inspraak op beleid georganiseerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Hoeveel gemeenten werken er op dit moment met de modelverordening van de Vereniging
Nederlandse Gemeenten (VNG)? Klopt het dat deze verordening van VNG meer zorg dan
voorheen als normale zorg, die je normaliter aan je kind geeft, beschouwd? In hoeverre
wordt er rekening gehouden dat kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke
beperking meer zorg nodig hebben dan gebruikelijke zorg?
Het is niet bekend hoeveel gemeenten met de modelverordening van de VNG werken. Vaststellen
wat normale zorg is voor een kind is lastig. Kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke
beperking hebben vaak meer zorg nodig. Als meer zorg nodig is, moeten gemeenten een
passend aanbod bieden. Het afwegingskader van gemeenten helpt om tot een goede onderbouwing
te komen voor het bepalen van de benodigde zorg. Als gemeenten er zelf niet uitkomen,
kunnen zij expertise van professionals inschakelen -op het gebied van lichamelijke
en verstandelijke beperking- om te komen tot een goede onderbouwing voor het bepalen
van de benodigde zorg.
Gemeenten moeten na de aanvraag toetsen wat realistisch en haalbaar is voor het gezin
dat de aanvraag heeft gedaan. De Minister stelt in haar brief dat er gekeken moet
worden naar draagkracht en draaglast van het gezin. Betekent dat dit maatwerk voor
elk gezin voor elk kind anders uit kan werken? Is geregeld hoe een dergelijke toets
eruit moet zien?
In overleg met de ouders bekijken gemeenten wat ouders zelf kunnen doen. Hierbij kijken
gemeenten naar wat realistisch en haalbaar is voor het gezin. Na het toetsen van deze
«eigen kracht» bepaalt de gemeente welke zorg vanuit de Jeugdwet betaald moet worden.
Dit kan betekenen dat maatwerk voor elk kind er anders uitziet. Gemeenten zijn vrij
om zelf een afwegingskader te ontwikkelen, maar kunnen in de toekomst ook gebruik
maken van het afwegingskader en de handreiking gebruikelijke hulp dat momenteel vanuit
de werkagenda VN-verdrag Handicap wordt ontwikkeld.
Ik vind deze werkwijze een goed uitgangspunt. Op deze manier borgen gemeenten dat
passende zorg en ondersteuning wordt geboden. Uiteraard moeten ouders niet in de knel
komen. Gemeenten moeten daarom goed kijken naar de draagkracht en draaglast van het
gezin en dit zorgvuldig wegen.
Er is een noodzaak om inhoudelijke en deskundige medewerkers bij de toegang en in
de hulpverlening de zorg te laten toetsen. Is er voldoende deskundigheid over deze
groep kinderen bij de lokale teams? Zo nee, wat kan de Minister doen om deze deskundigheid
te bevorderen?
Het is inderdaad belangrijk dat er een goede toetsing plaatsvindt in de toegang en
in de hulpverlening. Om te waarborgen dat de juiste professionals worden ingezet,
geldt binnen de Jeugdwet de norm van verantwoorde werktoedeling. Daarnaast zijn bij
algemene maatregel van bestuur eisen gesteld aan de deskundigheid. Gemeenten hebben
in het convenant Stevige Lokale Teams aanvullende afspraken gemaakt om de benodigde
expertise te betrekken om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Hiervoor kunnen
zij afspraken maken met specialistische aanbieders. Daarnaast wordt vanuit de organisatie
Kwaliteit en Blijvend gekeken op welke manier medewerkers in de toegang zelf beter
kunnen worden toegerust. Hierbij wordt onder andere samengewerkt met VNG en de Ondersteuningslijn
Stevige Lokale Teams van het Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd (OZJ.
Hoe weegt de Minister het feit dat een aantal ouders (vaak moeders) die werken naast
de zorg voor hun kind met een beperking, dat opgeven omdat het persoonsgebonden budget
– de zorg – niet wordt toegekend? Tenslotte vragen de leden van de CDA-fractie de
Minister of met de komst van de Reikwijdtewet deze groep kinderen voldoende in beeld
is en blijft. Is bekend hoe groot de groep kinderen is die van de Jeugdwet overgaan
naar de Wlz?
Gemeenten mogen niet eisen dat een ouder stopt met werken om de zorg voor het kind
op zich te nemen. Het komt wel voor dat ouders zelf deze beslissing nemen. In het
conceptwetsvoorstel Reikwijdte is aandacht voor de doelgroep jeugdigen met een levenslange,
levensbrede beperking en het belang om oog te hebben voor de chronische aard van de
problematiek en wat dit doet met kind en gezin. Een deel van deze groep gaat inderdaad
over naar de Wlz. Op dit moment maakt een groep van ruim 8.000 jeugdigen onder de
18 jaar gebruik van een pgb uit de Wlz: circa 5.000 jongens en 3.000 meisjes.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie verbazen zich over de opmerking van de Minister dat zij
geen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen
van pgb-zorg. Kan zij dit nader onderbouwen?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister om nader in gesprek te gaan met cliëntorganisaties
zoals Ieder(in) en Per Saldo over signalen die zij krijgen over het beperken van pgb-zorg.
De leden van de SGP-fractie vragen zich af hoe het kan dat de Minister er blijkbaar
niet mee bekend is dat ouders al jaren moeten vechten op passende ondersteuning te
krijgen via een pgb, en dat zodra de keuze voor het pgb wordt gemaakt gemeenten ineens
zeer terughoudend zijn om een toekenning af te geven. Kan zij dat toelichten?
VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggen passen signalen
over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in
het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse
gemeenten en eventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gaven aan,
dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap. Daardoor
konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen,
waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal
naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis
en kunde over pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS
– het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van
gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of
en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van dit project «toerusting».
Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen
die voortkomen uit de Pointeruitzending.
De leden van de SGP-fractie herinneren de Minister aan afspraken in de Hervormingsagenda
Jeugd met betrekking tot de keuzevrijheid voor naturazorg en pgb voor jeugdigen met
een levenslange en levensbrede beperking. Hoe staat het met de uitvoering van deze
afspraken? Hoe rijmt de Minister dit met de signalen die worden ontvangen door cliëntorganisaties
dat kinderen geen pgb meer toegekend krijgen om passende ondersteuning te regelen?
Keuzevrijheid voor zorg in natura en pgb is opgenomen in de Jeugdwet als ook in de
Wmo 2015. Als ouders vinden dat zij onterecht een afwijzing voor passende ondersteuning
krijgen, kunnen zij in bezwaar en beroep gaan. De rechter toetst de onderbouwing van
de beschikking aan de hand van de verordening van de gemeente.
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister of zij bekend is met het onderzoek
naar de daling van pgb’s jeugdhulp uit 2020 (uitgevoerd door J.B. Lorenz Consultancy)
en de reactie van Per Saldo op het onderzoek? Is de Minister ermee bekend dat in de
eerste vijf jaar na de decentralisatie er een daling van het aantal jeugd pgb’s plaatsvond
van bijna vijftig procent? Wat vindt zij hiervan?
Heeft de Minister de indruk dat het aantal pgb’s jeugd en Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo) sinds 2020 stabiel is gebleven, toegenomen is of juist gedaald? Kan zij dit
nader toelichten? Zo niet, dan vragen de leden van de SGP-fractie of de Minister bereid
is om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar het aantal pgb’s Wmo en jeugd voor
de periode vanaf 2020 tot heden.
Het onderzoek naar de daling van pgb’s jeugdhulp is uitgevoerd vlak na de decentralisatie
van de Jeugdwet. In de beginperiode moest het nieuwe stelsel zich nog vormen. Daarbij
was er een overgangsperiode voor bestaande cliënten uit de Awbz. Gemeenten zijn in
de loop der jaren steeds passender zorg gaan inkopen en zijn beter in staat maatwerk
te leveren binnen zorg in natura. Ook zijn er door veranderende (arbeids)wetgeving
meer lasten en plichten bij budgethouders belegd. Het is verklaarbaar dat hierdoor
cliënten vaker kiezen voor zorg in natura en/of overstappen naar zorg in natura. Het
aantal pgb’s in de Jeugdwet en de Wmo 2015 is daardoor gedaald. Daarbij is de Wlz
opengesteld voor doelgroepen die voorheen ondersteuning vanuit de Wmo 2015 kregen,
waardoor daling in het aantal pgb’s in de Wmo 2015 heeft plaatsgevonden. Daling in
het aantal pgb’s is dus verklaarbaar. Ik start geen aanvullend onderzoek naar deze
aantallen. In de Monitor Langdurige Zorg staan namelijk ook cijfers over de ontwikkeling
van het aantal pgb’s in de Jeugdwet en de Wmo 2015.
De leden van de SGP-fractie vragen of de Minister bekend is met de actuele modelverordening
van de VNG voor de Jeugdwet. Deze modelverordening wordt door veel gemeenten gebruikt
bij wijzigingen van de lokale verordeningen jeugd. In de modelverordening zijn significante
aanscherpingen opgenomen die extra drempels opwerpen voor het toekennen van zorg via
een persoonsgebonden budget. Is de Minister hiermee bekend en hoe kijkt zij hiernaar?
De aangescherpte modelverordening sluit aan op de doelen van de Jeugdwet en de Wet
maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De toets op eigen kracht staat sinds
2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze
toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en
het probleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijn ouders en hun
sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo 2015 is het versterken van de
eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt
in afwegingskaders. Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening,
zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
De leden van de SGP-fractie zien dat de Minister, net als in de modelverordening van
de VNG, nu gebruikmaakt van de termen «draagkracht en draaglast». Deze termen komen
niet terug in de Jeugdwet (en ook niet in de Wmo). In die wetten wordt gesproken over
«eigen kracht». Kan de Minister aangeven of er een verschil zit tussen «draagkracht
en draaglast» en «eigen kracht» of dat de Minister van mening is dat deze nieuwe term
inwisselbaar is voor de «oude» term «eigen kracht»?
Gemeenten kunnen de term «eigen kracht» operationaliseren met de termen draagkracht
en draaglast. Bij draagkracht wordt gekeken wat ouders/sociaal netwerk zelf kan. Bij
draaglast wordt gekeken naar de belasting bij het gezin zoals zorg voor andere kinderen
en/of ontbreken van sociaal netwerk. Als de draaglast groter is dan de draagkracht
ontstaat er overbelasting. Gemeenten moeten daarom goed beoordelen of een gezin niet
overbelast wordt.
Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulpplicht van
gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulp wordt ingezet. Het wetsvoorstel
regelt ook een afwegingskader voor de inzet van aanvullende jeugdhulp waarin wordt
vastgelegd welke hulp van ouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstel
voorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeenten over duidelijkere
handvatten beschikken om deze afweging te maken.
Kan de Minister schetsen hoe gemeenten cliënten (inwoners) betrekken bij het opstellen
van beleid ten aanzien van pgb’s? Is zij van mening dat dit nu voldoende gebeurt zodat
perspectieven vanuit de dagelijks praktijk van gezinnen voldoende in het beleid en
regelgeving worden meegenomen?
Gemeenten moeten -vanuit de Jeugdwet en vanuit Wmo 2015- inwoners, waaronder cliënten
of hun vertegenwoordigers betrekken bij de uitvoering van de wet. De wijze waarop
gemeenten dit beleid vormgeven leggen zij lokaal vast in hun verordening en/of beleidsregels.
Bij het vormgeven van hun beleid vragen gemeenten inwoners om input te leveren. Sommige
gemeenten hebben hiervoor een adviesraad ingesteld, waarin burgers en professionals
meedenken over (de uitwerking van) beleid. Een overzicht van hoe gemeenten deze inspraak
vormgeven, is er niet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich er zorgen over of de Minister de ernst
van de situatie wel begrijpt. Ieder(in) waarschuwt dat ouders worden klemgezet. Ouders
moeten óf hun inkomen opgeven, óf de veiligheid en ontwikkeling van hun kind op het
spel zetten. De Minister schrijft dat ouders uiteraard niet in de knel moeten komen
en geeft aan geen signalen te ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het
toekennen van pgb-zorg. In het rapport van Ieder(in), waar de Minister ook naar verwijst,
staat echter dat de organisatie veel zorgwekkende signalen krijgt. Deze leden vragen
hoe het kan dat de Minister stelt geen signalen te hebben ontvangen. Beschouwt de
Minister het rapport wel als signaal? Staat de Minister ervoor open om signalen te
ontvangen en is de Minister bereid om actief op zoek te gaan naar deze signalen?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggen passen signalen
over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in
het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse
gemeenten en eventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gaven aan,
dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap. Daardoor
konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen,
waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal
naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis
en kunde over pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS
– het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van
gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of
en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van dit project «toerusting».
Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen
die voortkomen uit de Pointeruitzending.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het rapport van Ieder(in) dat het langetermijnperspectief
centraal staat. Welke stappen gaat de Minister ondernemen om een goed langetermijnperspectief
voor ouders te garanderen?
Sinds 2023 wordt door Rijk, gemeenten, professionals en vertegenwoordigers van cliënten
gewerkt aan de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd om onze jeugd veilig, weerbaar
en kansrijk te laten opgroeien, indien nodig tijdig passende en kwalitatief goede
hulp te kunnen bieden en het jeugdzorgstelsel houdbaar te maken voor de toekomst.
Lang niet altijd is jeugdzorg de goede oplossing. Kinderen zijn gebaat bij de hulp
van mensen die dicht bij ze staan: thuis, op school, bij een vereniging of in de buurt.
We zetten in op meer collectieve interventies in plaats van individuele maatwerktrajecten
daar waar dit passend is. We versterken de sociale basis om het gezin heen en zetten
in op stevige lokale teams die laagdrempelig hulp bieden en breed kijken. Het wetstraject
Reikwijdte waarmee we de beweging naar stevige lokale teams borgen en nadere keuzes
maken in de afbakening, toeleiding en de inzet op (bewezen) effectieve zorg wordt
dit jaar verder gebracht. Als specialistische jeugdhulp nodig is, dan streven we naar
liefdevolle zorg, passend bij de zorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat de Minister het toetsen
van «eigen kracht» een goed uitgangspunt vindt. Deze leden zijn ook van mening dat
de eerste zorg voor kinderen bij het gezin ligt. Wanneer het echter niet meer realistisch
en haalbaar is voor een gezin om het hoofd boven water te houden, is het van belang
dat de maatschappij en overheid te hulp schieten. De leden van de ChristenUnie-fractie
zien dat gezinnen met kinderen met een levenslange en levensbrede beperking hulp behoeven,
en juichen het bestaan van het persoonsgebonden budget toe. Er zijn echter duidelijke
signalen dat het persoonsgebonden budget op deze wijze niet toereikend is. Ouders
luidden de noodklok, zo blijkt ook uit het rapport van Ieder(in). Kan de Minister
een beeld schetsen van de gevolgen van de toenemende druk op ouders, tegelijk met
vermindering van hulp en ondersteuning? Heeft de Minister zicht op de oorzaken voor
de ontwikkeling dat gemeenten steeds meer uitgaan van de eigen kracht van een gezin?
Zijn deze bijvoorbeeld financieel ingegeven, omdat er te weinig gemeentelijk budget
is, of is dit inhoudelijk gedreven?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
Sinds 2023 wordt door Rijk, gemeenten, professionals en vertegenwoordigers van cliënten
gewerkt aan de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd om onze jeugd veilig, weerbaar
en kansrijk te laten opgroeien, indien nodig tijdig passende en kwalitatief goede
hulp te kunnen bieden en het jeugdzorgstelsel houdbaar te maken voor de toekomst.
Lang niet altijd is jeugdzorg de goede oplossing. Kinderen zijn gebaat bij de hulp
van mensen die dicht bij ze staan: thuis, op school, bij een vereniging of in de buurt.
We zetten in op meer collectieve interventies in plaats van individuele maatwerktrajecten
daar waar dit passend is. We versterken de sociale basis om het gezin heen en zetten
in op stevige lokale teams die laagdrempelig hulp bieden en breed kijken. Het wetstraject
Reikwijdte waarmee we de beweging naar stevige lokale teams borgen en nadere keuzes
maken in de afbakening, toeleiding en de inzet op (bewezen) effectieve zorg wordt
dit jaar verder gebracht. Als specialistische jeugdhulp nodig is, dan streven we naar
liefdevolle zorg, passend bij de zorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat de regering het VN-verdrag Handicap
heeft ondertekend en dat in het coalitieakkoord staat dat deze wordt uitgevoerd. Deze
leden zien ook de aanbevelingen van het VN-comité, waaruit blijkt dat er nog veel
stappen moeten worden gezet om hier volledig aan te voldoen. Hoe rijmt de Minister
het strenger worden van de toekenning van het persoonsgebonden budget met de aanbeveling
van het VN-Comité? Welke verantwoordelijkheid ligt hier voor het Rijk?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
Uitgangspunt van de wet uit 2015 is dat gemeenten een goed beeld hebben van de lokale
situatie en zij het aanbod goed kunnen laten aansluiten op lokale behoeften van individuen,
gezinnen en kinderen. Juist omdat de gemeente een bredere rol speelt in en om individuen
en gezinnen kunnen zij de bredere sociale context (verbinding met het onderwijs, wonen
of zorg) goed meewegen in het vormgeven van het lokale aanbod. Dit veroorzaakt inderdaad
verschillen in aanbod per gemeente en vervolgens ook een verschillende behoefte aan
en invulling van een eventueel pgb. Er is geen landelijk beeld van hoe gemeenten hun
lokale verordeningen en aanbod precies invullen. Het doel van de wet is juist om te
voorzien in meer lokaal beter passende hulp en dat kan betekenen dat er verschillen
zijn tussen gemeenten.
Verder helpen landelijke wettelijke kaders om gemeenten richting te geven aan hun
beleid. Deze kaders zorgen voor kleinere verschillen tussen gemeenten. Het wetsvoorstel
Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulpplicht van gemeenten om beter
te borgen dat er passende jeugdhulp wordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een
afwegingskader voor de inzet van aanvullende jeugdhulp aan de hand waarvan wordt beoordeeld
welke hulp van ouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstel
voorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeenten over duidelijkere
handvatten beschikken om deze afweging te maken.
Er wordt onder de werkagenda VN-verdrag Handicap een afwegingskader voor de Jeugdwet
en Wmo2015 ontwikkeld waarmee mogelijk ook de verschillen tussen gemeenten verkleind
worden. Gemeenten kunnen dit gebruiken om het wegen van eigen kracht nader in te vullen
in hun lokale verordening. Hierover wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat gemeenten aan zet zijn
om invulling te geven. Deze leden vragen de Minister wat voor haar hier de ondergrens
zou zijn. Welke kansen ziet de Minister om gemeenten te ondersteunen, of zijn er juist
punten om gemeenten op aan te spreken? In de eerste vijf jaar na de decentralisatie
is er bij de jeugd-pgb een daling geweest van bijna vijftig procent. Welke oorzaken
heeft dit volgens de Minister? Deze leden zien dat er wel een enorme toename is van
het aantal jeugdhulpaanvragen. Hoe sluiten deze gegevens op elkaar aan volgens de
Minister? Welke stappen gaat de Minister zetten om de jeugdhulpaanvragen zo goed mogelijk
te beantwoorden, en de jeugdhulpaanvragen te verminderen?
Sinds 2023 wordt door Rijk, gemeenten, professionals en vertegenwoordigers van cliënten
gewerkt aan de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd om onze jeugd veilig, weerbaar
en kansrijk te laten opgroeien, indien nodig tijdig passende en kwalitatief goede
hulp te kunnen bieden en het jeugdzorgstelsel houdbaar te maken voor de toekomst.
Lang niet altijd is jeugdzorg de goede oplossing. Kinderen zijn gebaat bij de hulp
van mensen die dicht bij ze staan: thuis, op school, bij een vereniging of in de buurt.
We zetten in op meer collectieve interventies in plaats van individuele maatwerktrajecten
daar waar dit passend is. We versterken de sociale basis om het gezin heen en zetten
in op stevige lokale teams die laagdrempelig hulp bieden en breed kijken. Het wetstraject
Reikwijdte waarmee we de beweging naar stevige lokale teams borgen en nadere keuzes
maken in de afbakening, toeleiding en de inzet op (bewezen) effectieve zorg wordt
dit jaar verder gebracht. Als specialistische jeugdhulp nodig is, dan streven we naar
liefdevolle zorg, passend bij de zorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er aanpassingen nodig zijn om het persoonsgebonden
budget houdbaar te houden. Deze leden zijn dan ook blij in het coalitieakkoord te
lezen dat het doorgeslagen indicatiecircus wordt stopgezet. Hoe gaat de Minister hier
invulling aan geven, en welke kansen ziet de Minister om gemeentes hierbij te ondersteunen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de kamerbrief voor het pgb- debat
van 23 juni 2026. In deze brief presenteer ik plannen om het pgb toekomstbestendig
te maken en te houden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister zegt geen signalen heeft ontvangen
«dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg». Heeft de Minister
de berichtgeving van Pointer niet gelezen? Dat is toch overduidelijk een signaal dat
gemeenten strenger zijn geworden? Is zij bereid om zich beter te laten informeren
over wat hier speelt, door in gesprek te gaan met ouders, cliëntondersteuners en hun
vertegenwoordigers?
VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggen passen signalen
over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in
het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse
gemeenten en eventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gaven aan,
dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap. Daardoor
konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen,
waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal
naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis
en kunde over pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS
– het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van
gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of
en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van dit project «toerusting».
Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen
die voortkomen uit de Pointeruitzending.
De leden van de SP-fractie herinneren de Minister eraan dat de Kamer in 2023 de motie-Futselaar/Dijk3 aannam, waarin werd uitgesproken «dat het uitvoeren van complexe medische handelingen,
zoals het geven van sondevoeding, stomazorg of het monitoren van beademing tijdens
de nacht, niet behoort tot normale ouderlijke zorg». Hoe verhoudt de praktijk die
blijkt uit het Pointer-onderzoek zich tot deze Kameruitspraak?
Gemeenten gebruiken steeds vaker afwegingskaders voor het toetsen van de benodigde
zorg. Dit is een goede zaak omdat dit een objectieve toets bevordert. Complexe medische
handelingen vallen niet onder normale ouderlijke zorg. Mijn indruk is dat de meeste
gemeenten hier rekening mee houden. Als dat niet zo is, kunnen ouders in bezwaar en
beroep gaan.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat gezinnen niet in de knel mogen komen door
slecht beleid door gemeenten als het gaat om het toekennen van pgb’s. Wat gaat de
Minister doen om ervoor te zorgen dat ouders niet worden gedwongen om zware zorgtaken,
die niet vallen binnen de gebruikelijke ouderlijke zorg, gratis te verlenen aan hun
kinderen, waardoor zij onder zware druk komen te staan?
Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulpplicht van
gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulp wordt ingezet. Het wetsvoorstel
regelt ook een afwegingskader voor de inzet van aanvullende jeugdhulp waarin wordt
vastgelegd welke hulp van ouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstel
voorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeenten over duidelijkere
handvatten beschikken om deze afweging te maken.
Per Saldo heeft – gefinancierd door VWS – het project «toerusting» uitgevoerd waarin
zowel budgethouders als consulenten van gemeenten werden ondersteund. Doel van dit
project is het op peil houden van kennis en kunde over pgb. Op dit moment ben ik met
Per Saldo in overleg over of en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten
van dit project «toerusting». Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe
gevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit de Pointeruitzending.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Genoemde leden merken op dat in de kabinetsreactie op het bericht over strengere pgb-toekenning
wordt gesteld dat er geen signalen zijn dat gemeenten strenger zouden zijn geworden,
terwijl tegelijkertijd uit onderzoeken, mediaberichten en uitvoeringspraktijk blijkt
dat gezinnen regelmatig knelpunten ervaren, onder andere door een zware invulling
van het criterium «eigen kracht». Hoe verklaart de Minister deze discrepantie tussen
de signalen die ouders en belangenorganisaties melden en de constatering dat er geen
aanwijzing zou zijn voor strengere toekenning? Is de Minister bereid inzichtelijk
te maken hoe gemeenten de toets op eigen kracht uitvoeren en of deze toets daadwerkelijk
proportioneel wordt toegepast, ook in situaties van langdurige of levensbrede zorgbehoefte?
Kan de Minister bevestigen dat bij de beoordeling van draagkracht en draaglast niet
alleen gekeken moet worden naar theoretische zelfredzaamheid, maar ook naar de praktische
uitvoerbaarheid en belasting voor gezinnen?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
Gemeenten kunnen de term «eigen kracht» operationaliseren met de termen draagkracht
en draaglast. Bij draagkracht wordt gekeken wat ouders/sociaal netwerk zelf kan. Bij
draaglast wordt gekeken naar de belasting bij het gezin zoals zorg voor andere kinderen
en/of ontbreken van sociaal netwerk. Als de draaglast groter is dan de draagkracht
ontstaat er overbelasting. Gemeenten moeten daarom goed beoordelen of een gezin niet
overbelast wordt.
Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulpplicht van
gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulp wordt ingezet. Het wetsvoorstel
regelt ook een afwegingskader voor de inzet van aanvullende jeugdhulp waarin wordt
vastgelegd welke hulp van ouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstel
voorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeenten over duidelijkere
handvatten beschikken om deze afweging te maken.
Verder merken de leden van de BBB-fractie op dat budgethouders vaak in complexe werkgeversrollen
worden geplaatst, zelfs wanneer zij uitsluitend informele zorgverleners inzetten.
Zij vragen zich af waarom ondanks jarenlang aandringen vanuit budgethouders, professionals
en uitvoeringsinstanties vereenvoudiging van het pgbstelsel niet meer prioriteit krijgt.
Is de Minister bereid de administratieve lasten bij budgethouders substantieel te
verlagen door harmonisatie van regelgeving, het schrappen van dubbele verantwoordingsplichten
en het bevorderen van risicogericht toezicht? Op welke wijze wordt geborgd dat het
pgb-portaal daadwerkelijk leidt tot vermindering van administratieve druk en niet
tot digitalisering van bestaande complexiteit? Kan de Minister aangeven of mantelzorgers
structureel kunnen worden ondersteund via een vergoeding die hen uit de werkgeversrol
haalt, zodat zij zich kunnen richten op zorg in plaats van administratie?
Ik ben het met de leden van de BBB-fractie eens dat de administratieve lasten in het
pgb hoog zijn en dat het prettiger zou zijn als de uitvoering van het pgb eenvoudiger
was. De complexiteit van het stelsel bemoeilijkt echter een effectieve aanpak. Zo
kan vermindering van administratieve lasten bij budgethouders bijvoorbeeld leiden
tot vergroting van lasten bij uitvoerders. Dit maakt het stellen van prioriteiten
ingewikkeld. Daarnaast slokt nieuwe wetgeving rond het arbeidsrecht alle aandacht
en capaciteit op bij de partijen die nodig zijn om iets aan te doen aan de ervaren
regeldruk. Om deze last te verminderen, verken ik samen met de Minister van SZW mogelijkheden
om de werkgeverschapslasten voor budgethouders te verminderen. Hier kom ik op een
later moment per brief aan uw Kamer op terug.
Op dit moment maken 14 gemeenten gebruik van het PGB Portaal. We werken aan het overbrengen
van alle budgethouders vanuit Jeugdwet en Wmo 2015. Budgethouders worden in het gebruiksvriendelijke
PGB Portaal digitaal ondersteund bij de uitvoering van de pgb-administratie. Binnen
de wettelijke kaders worden zaken zoveel mogelijk eenvoudiger gemaakt. Het invullen
van een zorgovereenkomst gaat bijvoorbeeld veel makkelijker in het PGB Portaal. Dit
wordt ook zeer gewaardeerd door budgethouders: bij het laatste waarderingsonderzoek
scoorde het PGB Portaal een 8,1.
Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat het pgb regelmatig wordt ingezet als vangnet
wanneer passende zorg in natura ontbreekt. Deze leden constateren dat dit voor veel
budgethouders niet leidt tot keuzevrijheid, maar tot gedwongen administratieve lasten
zodat noodzakelijke zorg überhaupt geleverd kan worden. Hoe beoordeelt de Minister
signalen dat mensen een pgb krijgen omdat zorg in natura onvoldoende beschikbaar is,
terwijl dit niet de bedoeling van het instrument is? Hoe wordt voorkomen dat de tekorten
in wijkverpleging, jeugdzorg en Wmo-voorzieningen worden afgewenteld op budgethouders
die geen bewuste keuze voor het pgb hebben gemaakt? Is de Minister bereid inzichtelijk
te maken hoeveel pgb-aanvragen plaatsvinden wegens onvoldoende beschikbaarheid van
zorg in natura?
Ik heb geen zicht hoe vaak mensen genoodzaakt zijn om zorg in pgb te nemen, terwijl
zij een voorkeur voor zorg in natura hebben. Wel krijg ik signalen dat gemeenten gerichter
inkopen en meer maatwerk leveren. Dat vind ik een positieve ontwikkeling. Een gedwongen
keuze voor een pgb omdat er geen zorg in natura is, moet vermeden worden. Inwoners
moeten bewust kiezen voor een pgb. Daarom wil ik dit onderwerp de komende tijd oppakken,
onder andere door verstrekkers en aanbieders te stimuleren meer gevarieerd aanbod
van zorg in natura te bieden.
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat in de stukken over de jeugdzorg
en langdurige zorg opnieuw duidelijk wordt dat gezinnen vaak meerdere jaren achtereen
moeten aantonen dat een levenslange beperking nog steeds aanwezig is. Deze leden vinden
dit disproportioneel en in strijd met de menselijke maat. Kan de Minister toelichten
waarom ouders en budgethouders nog altijd jaarlijks bewijs moeten leveren van aandoeningen
waarvan het permanente karakter evident is? Is de Minister bereid tot een stelselwijziging
waarbij langdurige, niet-veranderlijke beperkingen niet jaarlijks opnieuw hoeven te
worden aangetoond?
In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in het hele
land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeenten
en eventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten zijn er op gewezen
meerjarig te beschikken als cliënten een levenslange beperking hebben. Gemeenten gaven
aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap. Daardoor
konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen,
waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal
naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening.
Uit die gesprekken werd duidelijk dat het verstandig is in gesprek te blijven met
(ouders van) cliënten met een levenslange beperking. Bijvoorbeeld om in de gaten te
houden of de zorgbehoefte veranderd is of omdat er door innovaties of veranderingen
in het zorglandschap een passender alternatief is. Het is dan wel zaak om te voorkomen
dat bekende zaken opnieuw worden uitgevraagd. Hiervoor zijn alerte uitvoeringsorganisaties
nodig en geen stelselwijzigingen.
Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis en kunde over pgb op peil
te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS – het project «toerusting»
uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van gemeenten werden ondersteund.
Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of en hoe er vervolg kan worden
gegeven aan de uitkomsten van dit project. Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per
Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit de Pointeruitzending.
Voorts merken de leden van de BBB-fractie op dat vele signalen wijzen op toenemende
druk op professionals door gescheiden wettelijke kaders, hoge registratielast en gebrekkige
gegevensuitwisseling. Deze leden vragen hoe de Minister regie gaat nemen om hier daadwerkelijk
verbetering in te brengen, gelet op eerdere toezeggingen. Is de Minister bereid om,
in samenwerking met uitvoeringsorganisaties, gemeenten, zorgkantoren en beroepsgroepen,
te komen tot één samenhangende vereenvoudigingsagenda voor het pgb en verwante zorgwetten?
Hoe wordt geborgd dat professionals voldoende tijd en ruimte krijgen om maatwerk te
leveren zonder voortdurend geconfronteerd te worden met ingewikkelde procedureregels?
In de kamerbrief voor het pgb-debat van 23 juni 2026 ga ik in op plannen voor de toekomst
van pgb. Daarin is ook aandacht voor verbeteringen in het pgb-stelsel. Dit stelsel
is complex, vanwege de verankering in vier verschillende zorgwetten. Binnen dit gegeven
kader zal altijd een zekere complexiteit blijven bestaan. Ik wil inzetten op het verminderen
van complexiteit langs twee beleidsmatige actielijnen:
– Het pgb -in een gezamenlijke uitwerking van de term «voorliggendheid»-nadrukkelijker
positioneren als een bewuste keuze voor eigen regie;
– Het vereenvoudigen van het werkgeverschap.
Meer focus op een bewuste en positieve keuze voor een pgb, reduceert complexiteit
en ontlast het ondersteunend apparaat.
Ook zien de leden van de BBB-fractie dat de wachttijden in de ggz, wijkverpleging
en huisartsenzorg leiden tot verschuiving van zorgproblemen naar gezinnen. Zij constateren
dat, zolang wachttijden oplopen, pgb-aanvragen toenemen en gezinnen zwaardere taken
dragen, wat niet duurzaam is. Erkent de Minister dat oplopende wachttijden indirect
leiden tot een zwaardere druk op pgb-gebruik? Welke maatregelen neemt de Minister
om te voorkomen dat knelpunten in de reguliere zorg rechtstreeks worden afgewenteld
op burgers, al dan niet via het pgb?
Ik ben het met de vraagstellers eens dat het pgb geen instrument is om een eind te
maken aan lange wachtlijsten. Daarvoor wil ik een gevarieerder aanbod van zorg in
natura bevorderen, waarbij maatwerk wordt toegepast indien nodig. In de kamerbrief
voor het pgb-debat van 23 juni 2026 ga ik in op mijn plannen voor de toekomst van
pgb. Het is mijn doel het pgb te reserveren voor de groep zorgvragers waarvoor het
pgb een meerwaarde heeft en die er mee wil en kan omgaan. Daardoor wordt de keuze
voor pgb een bewuste keuze.
Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat uit meerdere stukken blijkt dat
het huidige stelsel tot verschillen tussen gemeenten en regio’s leidt, waardoor burgers
afhankelijk zijn van postcode in plaats van behoefte. Zij benadrukken dat gelijke
situaties tot gelijke uitkomsten moeten leiden. Is de Minister bereid om te werken
aan landelijke minimumnormen voor de uitvoering van pgb-procedures, zodat rechtsongelijkheid
tussen gemeenten wordt beperkt? Kan de Minister aangeven hoe gemeenten worden ondersteund
om hun beoordeling en uitvoering beter te uniformeren?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
Uitgangspunt van de wet uit 2015 is dat gemeenten een goed beeld hebben van de lokale
situatie en zij het aanbod goed kunnen laten aansluiten op lokale behoeften van individuen,
gezinnen en kinderen. Juist omdat de gemeente een bredere rol speelt in en om individuen
en gezinnen kunnen zij de bredere sociale context (verbinding met het onderwijs, wonen
of zorg) goed meewegen in het vormgeven van het lokale aanbod. Dit veroorzaakt inderdaad
verschillen in aanbod per gemeente en vervolgens ook een verschillende behoefte aan
en invulling van een eventueel pgb.
Verder helpen landelijke wettelijke kaders om gemeenten richting te geven aan hun
beleid. Deze kaders zorgen voor kleinere verschillen tussen gemeenten. Het wetsvoorstel
Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulpplicht van gemeenten om beter
te borgen dat er passende jeugdhulp wordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een
afwegingskader voor de inzet van aanvullende jeugdhulp aan de hand waarvan wordt beoordeeld
welke hulp van ouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstel
voorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeenten over duidelijkere
handvatten beschikken om deze afweging te maken.
Er wordt onder de werkagenda VN-verdrag Handicap een afwegingskader voor de Jeugdwet
en Wmo2015 ontwikkeld, met als doel de verschillen tussen gemeenten te verkleinen.
Gemeenten kunnen dit gebruiken om het wegen van eigen kracht nader in te vullen in
hun lokale verordening. Hierover wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd.
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat in veel documenten wordt gesproken
over «vertrouwen», «toegankelijkheid» en «menselijke maat», maar dat deze uitgangspunten
in de praktijk niet altijd worden ervaren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat
deze uitgangspunten niet slechts beleidsmatige intenties blijven, maar concreet merkbaar
worden voor ouders, mantelzorgers, budgethouders en professionals? Is de Minister
bereid om een brede pilot te starten waarin pgb-procedures worden ingericht vanuit
het principe van maximale eenvoud en vertrouwen, met als doel succesvolle elementen
landelijk te implementeren?
PGB is een middel om burgers eigen regie te geven. Dat is een belangrijke waarde.
In de gesprekken met gemeenten kwamen gemeenten ook met voorbeelden van (terugkerende)
fraude door pgb-aanbieders. Gemeenten merken daarom dat voorwaarden van belang zijn
om fraude te verminderen. Het voorstel van BBB voor een pilot gebaseerd op vertrouwen
neem ik daarom niet over. Budgethouders mogen niet het slachtoffer worden van zorgfraude.
Gemeenten moeten hen daarbij beschermen.
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower vragen hoe het kan dat de Minister geen signalen
heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg,
terwijl deze signalen er wel degelijk zijn, zo blijkt uit het Pointer artikel gebaseerd
op het rapport van Ieder(in). Hoe kan het dat deze signalen de Minister niet bereiken?
De Minister is niet op de hoogte dat gemeenten noodzakelijke ondersteuning vanuit
de Jeugdwet steeds vaker afwijzen onder het mom «eigen kracht». Uit het Pointer onderzoek
blijkt dat het tegendeel waar is. Vooral de groep ouders van een kind met een levenslange
beperking die intensieve zorg nodig heeft, komt in de knel. Is de Minister bereid
dit nader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Is de Minister bereid om contact op te nemen met de cliëntondersteuners en de ouders
uit het Ieder(in)-onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigen kracht houdt in dat eerst gekeken
wordt naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het individu
of de jeugdige, zijn ouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de
Wmo 2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebben inmiddels
de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Deze afwegingskaders
zijn opgenomen in de lokale verordening, zoals opgedragen door de wet.
Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwoners kunnen verwachten
aan hulp en ondersteuning. Een doel van de decentralisatie in 2015 was namelijk te
komen tot een beter passend lokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen
verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientondersteuners
van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. En dat kan als strenger
worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is van een individuele afweging, is vergelijken
niet goed mogelijk. Bovendien hebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk
beleid. Zo moeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningen
worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleid georganiseerd.
VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggen passen signalen
over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken met gemeenten in
het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse
gemeenten gesproken en eventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten
gaven aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorglandschap.
Daardoor konden gemeenten een passender aanbod van zorg in natura en ondersteuning
inkopen, waardoor er minder voor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als
signaal naar boven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.
Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in het verbeteren
van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis
en kunde over pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS
– het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van
gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg over of
en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van dit project «toerusting».
Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen
die voortkomen uit de Pointeruitzending.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de organisatie, uitvoering en het toezicht op
de zorg en ondersteuning in het Sociaal Domein. Het functioneren van de lokale organisaties
wordt gemonitord door de lokale gemeenteraden. Ik ga hier daarom geen onderzoek naar
doen. In het regulier overleg met Ieder(In) en Per Saldo kunnen signalen aan de orde
komen.
Is de Minister het met de leden van de Groep Markuszower eens dat het strenger worden
met het toekennen van pgb-budgetten heel veel weg heeft van de meldingen van ouders
vanuit de Zorgverzekeringswet, waarin zorgverzekeraars ook onder het mom «eigen kracht»
bepalen dat ouders steeds meer zorgtaken zelf kunnen gaan uitvoeren en steeds strenger
worden in het toekennen van pgb-budgetten? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat
ouders die hun kind dagelijks intensieve zorg geven, niet gaan vastlopen door strengere
eisen onder het mom «eigen kracht»?
Kinderen met een levenslange en levensbrede beperking blijven jarenlang afhankelijk
van zorg en dit vraagt, indien de ouders zelf voor de zorgverlening verantwoordelijk
zijn, veel van de ouders en andere gezinsleden. Uiteraard moeten deze kinderen en
hun ouders de zorg en ondersteuning krijgen daar waar zij die nodig hebben. De meldingen
van ouders vanuit de Zorgverzekeringswet dat zorgverzekeraars steeds strenger worden
in het toekennen van Zvw-pgb-budgetten, zijn mij niet bekend. Wellicht ten overvloede
merk ik op dat de Zorgverzekeringswet op het punt van Zvw-pgb geen overeenkomstige
bepaling kent als in de Jeugdwet waarin is opgenomen dat ouders zelf een rol hebben
in die zorg die »eigen kracht» wordt genoemd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier