Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 928 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/790 (Implementatiewet herziening MiFID II 2026)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 17 juni 2026
INLEIDING
De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die
zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en voor de door haar daarover
gestelde vragen. De vragen worden zo veel mogelijk beantwoord in de volgorde van het
door de commissie uitgebrachte verslag. Voor zover vragen, vanwege overeenkomst in
onderwerp, gezamenlijk beantwoord zijn, is dit vermeld.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op
het financieel toezicht (Wft) ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/790 (Implementatiewet
herziening markten voor financiële instrumenten II (MiFID II) 2026). Deze leden onderschrijven
de noodzaak van tijdige implementatie van Europese richtlijnen en hechten groot belang
aan een goed functionerende en geïntegreerde Europese kapitaalmarkt. Deze leden benadrukken
dat een goed werkende kapitaalmarkt een onmisbare motor is voor economische groei,
voor het aantrekkelijk houden van het Europese investeringsklimaat en voor de financiering
van ondernemers en innovatie.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat een geïntegreerde Europese kapitaalmarkt een cruciale
bijdrage levert aan de concurrentiekracht van de Europese Unie, aan betere financieringsmogelijkheden
voor ondernemers en aan het vermogen van burgers om via beleggen te participeren in
de economische groei. Deze leden hebben de ambitie om Nederland de sterkste economie
van Europa te laten worden, wat mede afhangt van goede toegang tot kapitaalmarkten
voor Nederlandse start-ups, scale-ups en het midden- en kleinbedrijf (mkb).
De leden van de VVD-fractie vragen de regering welke concrete vervolgstappen de regering nodig acht om
de kapitaalmarktunie te voltooien en de Europese kapitaalmarkt aantrekkelijker te
maken. Deze leden denken daarbij aan het stimuleren van particulier beleggen, het
wegnemen van resterende belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen binnen
de Europese Unie en het versterken van het investeringsklimaat voor investeerders
uit derde landen.
De regering wil snel stappen zetten om de kapitaalmarktunie te voltooien en de Europese
kapitaalmarkt aantrekkelijker te maken. Zoals uiteengezet in de kabinetsinzet voor
de kapitaalmarktunie en conform het regeerakkoord, pleit de regering hierbij voor
ambitieuze acties op drie vlakken: (1) sterker Europees toezicht op de kapitaalmarkt,
(2) meer en divers aanbod van kapitaal voor financiering van bedrijven, en (3) eenduidige
regels in de EU voor een optimale werking van de interne markt. Zoals eerder met uw
Kamer gedeeld, werkt Nederland nauw samen met gelijkgestemde lidstaten om deze inzet
op EU-niveau uit te werken. Hiertoe behoort ook de samenwerking van zes lidstaten
(Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Polen en Nederland) en onze gezamenlijke prioriteiten
voor de spaar- en investeringsunie, waarmee de regering de besluitvorming binnen de
Raad wil aanjagen.1
Ten aanzien van het wegnemen van barrières voor grensoverschrijdende investeringen
en het versterken van het Europese toezicht op kapitaalmarkten wordt binnen de Raad
momenteel gesproken over het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket.
Nederland werkt hierop ook samen met bovengenoemde vijf lidstaten, die recentelijk
een gezamenlijke inbreng hebben gepubliceerd ten aanzien van de onderhandelingen in
de Raad over dit kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket.2 De regering zet zich samen met de andere lidstaten in voor een ambitieus akkoord
over dit pakket.
Specifiek op het gebied van het stimuleren van particuliere beleggingen verwelkomt
de regering de aanbeveling van de Europese Commissie ten aanzien van financiële geletterdheid
en de spaar- en investeringsrekening. Ook onderzoekt het kabinet de mogelijkheden
om beleggen fiscaal te stimuleren in box 3. Dit onderzoek loopt nog. De planning is
om dit jaar het onderzoek af te ronden en met uw Kamer te delen.
Ten aanzien van dit laatste punt vragen de leden van de VVD-fractie specifiek of de in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen maatregelen, waaronder
het verbod op payment for order flow (PFOF) en de aangescherpte transparantievereisten,
naar het oordeel van de regering bijdragen aan of juist ten koste gaan van de aantrekkelijkheid
van de Europese kapitaalmarkt ten opzichte van de Verenigde Staten en het Verenigd
Koninkrijk.
De regering deelt de mening van de leden van de VVD-fractie dat de internationale
concurrentiepositie en de aantrekkelijkheid van de Europese kapitaalmarkt van groot
belang zijn bij het vormgeven van regelgeving. Bij de herziening van MiFID II (en
de bijbehorende MiFIR-verordening) op Europees niveau is nadrukkelijk gezocht naar
een evenwicht tussen enerzijds een sterke, transparante en eerlijke markt voor beleggers
en anderzijds het behoud van een competitief Europees speelveld. Naar het oordeel
van de regering dragen de voorgestelde maatregelen op de lange termijn bij aan de
aantrekkelijkheid en de integriteit van de Europese kapitaalmarkt.
Wat betreft het verbod op payment for order flow (PFOF) is het uitgangspunt van de Europese wetgever – dat de regering steunt – dat
dit verbod de belangen van met name de particuliere belegger ten goede komt. PFOF
kan immers leiden tot verborgen belangenverstrengeling, waarbij orders van beleggers
niet noodzakelijkerwijs naar de voor hen meest gunstige handelsplaats (best execution) worden geleid, maar naar de partij die de hoogste vergoeding aan de broker betaalt.
Hoewel het klopt dat in de Verenigde Staten PFOF is toegestaan, is de marktstructuur
daar wezenlijk anders en is de discussie over de risico’s ervan ook daar continu actueel.3 In het Verenigd Koninkrijk is PFOF overigens, net als in de EU, al langer restrictief
behandeld en via regels van de Financial Conduct Authority (de Britse tegenhanger
van de AFM) feitelijk niet toegestaan voor retailbrokers. Door PFOF nu EU-breed structureel
te verbieden, creëert de Europese Unie een transparante marktstructuur waarin brokers
puur concurreren op de kwaliteit van hun dienstverlening en de daadwerkelijke transactiekosten.
Dit verhoogt het vertrouwen van zowel binnenlandse particuliere beleggers als investeerders
uit staten die geen lidstaat zijn (derde landen) in de integriteit van de Europese
markt.
Wat betreft de aangescherpte transparantievereisten, zoals de introductie van een
geconsolideerd overzicht van marktgegevens (consolidated tape, CT), is de regering van mening dat dit de aantrekkelijkheid van de Europese kapitaalmarkt
substantieel vergroot. Momenteel is de Europese handelsmarkt sterk gefragmenteerd
over vele handelsplatformen en alternatieve platformen. Dit maakt het voor investeerders
uit derde landen (zoals de VS en het VK) complex en kostbaar om een volledig en real
time beeld te krijgen van de liquiditeit en de prijzen in de EU. De VS kennen al decennia
een vorm van een CT. Het introduceren van een vergelijkbaar gecentraliseerd datastream-model
binnen de EU verlaagt de drempel voor buitenlandse investeerders aanzienlijk, verbetert
de prijsvorming en brengt de efficiëntie van de Europese markt op gelijke hoogte met
die van de VS.
Hoewel striktere regels op de korte termijn nalevingskosten met zich meebrengen voor
marktpartijen, is de regering van oordeel dat een eerlijkere marktstructuur zonder
perverse prikkels (PFOF-verbod) gecombineerd met een betere toegankelijkheid van marktdata
(via de CT) de Europese kapitaalmarkt op de middellange tot lange termijn juist tot
een stabieler, transparanter en daardoor aantrekkelijker alternatief maakt voor wereldwijde
investeerders.
De leden van de VVD-fractie vragen of het voorliggende wetsvoorstel naar het oordeel van de regering
een voldoende stap of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
Het voorliggende wetsvoorstel ter implementatie van de herziening van MiFID II zet
een cruciale en gerichte stap in het verbeteren van de marktstructuur, het aanpakken
van marktfragmentatie en het beschermen van beleggers binnen de Europese Unie. Naar
het oordeel van de regering is dit wetsvoorstel op zichzelf echter niet het eindpunt
om de Europese kapitaalmarktunie (verder vormgegeven onder de vlag van de Savings and Investment Union of spaar- en investeringsunie) volledig te voltooien. Om de resterende belemmeringen
voor grensoverschrijdende investeringen weg te nemen en de markt concurrerender te
maken zijn aanvullende, brede Europese maatregelen noodzakelijk.
In dat licht wijst de regering graag op het omvangrijke wetgevingspakket dat de Europese
Commissie recent heeft gepresenteerd: het Market Integration and Supervision Package (MISP).4 Waar het thans voorliggende wetsvoorstel zich toespitst op specifieke handels- en
transparantieregels, pakt het MISP-pakket de bredere, dieperliggende structurele oorzaken
van de fragmentatie van de Europese kapitaalmarkt aan. Dit pakket richt zich onder
andere op het vereenvoudigen van grensoverschrijdende paspoortregimes voor handelsplatformen
en beleggingsfondsen, het wegnemen van barrières in de post-trading infrastructuur (clearing en settlement) en het versterken van de rol en bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor Effecten
en Markten (ESMA) om tot centraler en eenduidiger toezicht te komen.
De regering heeft haar appreciatie over deze vervolgstappen vastgelegd in het BNC-fiche
over het voorstel voor het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket
(KTP/MISP).5 Zoals in het fiche is uiteengezet, steunt de regering de hoofddoelen van het MISP-pakket
om barrières voor grensoverschrijdende kapitaalstromen af te breken, schaalvergroting
te faciliteren en daarmee het Europese investeringsklimaat substantieel te versterken.
Tegelijkertijd heeft de regering in het BNC-fiche ook kritische randvoorwaarden geformuleerd
die cruciaal zijn voor het succes ervan. Zo moet de centralisatie van het toezicht
proportioneel en doeltreffend zijn en mogen de maatregelen de aantrekkelijkheid en
concurrentiekracht van de Europese markt niet aantasten.
Samenvattend is de regering van mening dat het nu voorliggende wetsvoorstel een noodzakelijke
en solide bouwsteen is. De echte structurele sprong voorwaarts om de kapitaalmarktunie
te voltooien en de concurrentiepositie ten opzichte van de VS en het VK fundamenteel
te verbeteren, zal echter moeten komen van de uitwerking van het MISP-pakket. Nederland
zet zich in de lopende Europese onderhandelingen actief in om dit pakket volgens de
in het BNC-fiche geschetste uitgangspunten vorm te geven.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat een diepere, meer geïntegreerde Europese kapitaalmarkt
niet alleen bijdraagt aan betere financieringsmogelijkheden voor (Nederlandse) ondernemers,
maar ook aan het aantrekken van investeringen uit derde landen en aan meer grensoverschrijdend
kapitaalverkeer binnen de Europese Unie. Het wetsvoorstel past in die bredere ambitie.
Deze leden hebben naar aanleiding van de memorie van toelichting een aantal vragen
en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van Implementatiewet herziening MiFID II 2026. Deze
leden ondersteunen de verdere integratie van de Europese kapitaalmarkt om zo te komen
tot een Kapitaalmarktunie. Wel hebben deze leden een aantal vragen over het voorliggende
wetsvoorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het
financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/790, de Implementatiewet
herziening MiFID II 2026. Deze leden staan positief tegenover maatregelen die bijdragen
aan een beter functionerende Europese kapitaalmarktunie. Een diepere, transparantere
en beter geïntegreerde kapitaalmarkt kan bijdragen aan betere financiering voor bedrijven,
meer investeringsmogelijkheden en een sterker Europees verdienvermogen. Deze leden
steunen daarom het uitgangspunt dat belemmeringen voor consolidated tapes worden weggenomen
en dat marktdata beter toegankelijk en bruikbaar worden. Wel vragen de leden van de
JA21-fractie hoe de regering waarborgt dat deze implementatie daadwerkelijk bijdraagt
aan eenvoudigere en beter werkende kapitaalmarkten en niet leidt tot extra complexiteit
voor marktpartijen. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De regering deelt de visie van de leden van de JA21-fractie dat wetgeving die beoogt
markten te integreren, in de praktijk niet mag verzanden in administratieve complexiteit
of onevenredige regeldruk voor marktpartijen. Het hoofddoel van de herziening van
MiFID II en MiFIR, in het bijzonder de introductie van een CT, is juist het wegnemen
van bestaande complexiteit en marktfragmentatie.
Momenteel is de Europese kapitaalmarkt sterk versnipperd. Om een volledig, real time
beeld te krijgen van handelsvolumes en prijzen van financiële instrumenten moeten
marktpartijen (zoals vermogensbeheerders en brokers) nu met tientallen individuele
handelsplatformen en alternatieve platformen aparte, kostbare data-abonnementen afsluiten
en deze datastromen zelf technisch integreren. Dit zorgt voor een hoge mate van complexiteit
en operationele kosten, wat met name voor kleinere en middelgrote marktpartijen een
drempel opwerpt.
De introductie van de CT vereenvoudigt dit landschap aanzienlijk. Er komt één centrale
database voor marktdata. In plaats van versnipperde databronnen komt er per activaklasse
(aandelen, obligaties, derivaten) één door ESMA geselecteerde aanbieder van de CT
(de Consolidated Tape Provider of CTP). Marktpartijen kunnen via één enkele datastroom en één uniform contract toegang
krijgen tot de geaggregeerde marktdata van de gehele Europese Unie. Dit reduceert
de operationele en administratieve complexiteit aanzienlijk. Daarnaast verplicht de
herziene MiFIR-verordening handelsplatformen om marktdata in een gestandaardiseerd
en kwalitatief hoogwaardig formaat aan te leveren aan de CTP. Dit voorkomt dat marktpartijen
zelf verschillende dataformaten moeten converteren en opschonen, wat de IT-complexiteit
verlaagt. Tot slot zijn de technische vereisten en de inrichting van de CT grotendeels
vastgelegd in een Europese verordening (MiFIR) en bindende technische normen (RTS),
waardoor deze regels directe werking hebben. Dit voorkomt dat er door lidstaten verschillende,
uiteenlopende nationale regels op Europese regels kunnen worden gestapeld, waardoor
een gelijk speelveld binnen de EU gewaarborgd blijft.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het
financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/790 (Implementatiewet
herziening MiFID II 2026). Deze leden steunen het schrappen van de best execution-rapportages
om administratieve lasten te verlichten. Tegelijkertijd koesteren deze leden zorgen
over de verruiming van interventiebevoegdheden op de handelsplatformen. Juist in tijden
van geopolitieke of macro-economische spanningen moeten markten vrij kunnen functioneren
om tot een reële, marktconforme prijsvorming te komen. Het te snel of preventief stilleggen
van de handel tast de voorspelbaarheid aan en schaadt de bereidheid van marktpartijen
om liquiditeit te verschaffen.
ALGEMEEN
§ 1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie constateren dat de implementatietermijn van de richtlijn op 29 september
2025 is verstreken zonder dat Nederland de richtlijn tijdig heeft omgezet in nationale
wetgeving. Deze leden vragen de regering om toe te lichten welke concrete maatregelen
zijn en worden genomen om herhaling van dergelijke implementatieachterstanden bij
toekomstige Europese wetgeving te voorkomen, mede in het licht van de brede Europese
wetgevingsagenda voor de kapitaalmarktunie.
De regering betreurt het dat de implementatie van de richtlijn niet voor het verstrijken
van de implementatietermijn van 29 september 2025 is afgerond. Het tijdig omzetten
van Europese regelgeving heeft prioriteit voor de regering.
De regering merkt op dat de materiële gevolgen voor de Nederlandse kapitaalmarkt en
marktpartijen in dit specifieke geval beperkt zijn gebleven. De herziening van het
MiFID II/MiFIR-raamwerk bestaat voor het overgrote deel uit wijzigingen van de MiFIR-verordening
(Verordening (EU) 2024/791). Verordeningen hebben directe werking en hoeven – in tegenstelling
tot een richtlijn – niet te worden omgezet in nationale wetgeving. De belangrijkste
inhoudelijke wijzigingen uit de herziene MiFIR-verordening, waaronder het EU-brede
verbod op PFOF en de kaders voor de CT, gelden daarom reeds rechtstreeks in alle lidstaten.
Het voorliggende wetsvoorstel strekt er hoofdzakelijk toe de Wet op het financieel
toezicht (Wft) formeel in lijn te brengen met de gewijzigde MiFID II-richtlijn en
de Autoriteit Financiële Markten (AFM) te voorzien van de specifieke handhavingsbevoegdheden
ten aanzien van de direct werkende regels die zijn opgenomen in de verordening die
MiFIR wijzigt.
Met het oog op de omvangrijke wetgevingsagenda voor de kapitaalmarktunie, waaronder
de ingrijpende voorstellen uit het Market Integration and Supervision Package (MISP), onderkent de regering dat een strakke procesregie essentieel is om achterstanden
zoveel mogelijk te voorkomen. Tegelijkertijd is het zo dat de termijnen voor implementatie
van Europese richtlijnen doorgaans te kort zijn in het licht van het Nederlandse wetgevingsproces,
dat gemiddeld ten minste twee jaar vergt. Hier wordt aandacht voor gevraagd in Europa
en ingezet op voortvarende, maar ook realistische implementatietermijnen.
Daarnaast worden stappen ondernomen om het wetgevingsproces in Nederland efficiënt
te doorlopen. Om de doorlooptijd van het nationale wetgevingsproces te verkorten worden,
zoveel als mogelijk, processtappen met elkaar gecombineerd. Zo worden de internetconsultatie
en de formele adviesaanvragen bij de AFM en het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)
over de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets (UHT), respectievelijk de regeldrukeffecten,
tegelijkertijd aangevraagd en uitgevoerd. Daarnaast hanteert de regering, om vertraging
door nationale beleidsdiscussies te voorkomen, bij Europese implementatiewetgeving
het stringente uitgangspunt van «zuivere implementatie». Dit betekent dat er in beginsel
geen additionele nationale koppen of beleidswensen aan het wetsvoorstel worden toegevoegd,
waardoor het wetgevingsproces puur technisch blijft en daardoor het proces sneller
kan worden doorlopen. Daarnaast ligt het in de rede om aan Europese implementatietrajecten
voorrang te verlenen boven het opstellen van nationale wetgeving.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de uiterste implementatiedatum van deze richtlijn, te weten
29 september 2025, inmiddels ruimschoots is verstreken. Deze leden verzoeken de regering
om uiteen te zetten wat de achtergrond en oorzaken zijn van deze vertraagde implementatie.
Daarnaast vragen deze leden op welke wijze in de toekomst wordt geborgd dat Europese
wetgeving tijdig wordt geïmplementeerd.
De regering deelt de mening van de leden van de CDA-fractie dat een tijdige omzetting
van Europese richtlijnen essentieel is voor de rechtszekerheid en de goede werking
van de interne markt.
Voor de implementatie van onderhavige richtlijn gold een zeer krappe implementatietermijn
van 18 maanden. Zoals ik hiervoor, in antwoord op een vraag van de VVD-fractie beschreef,
duurt het Nederlandse wetgevingsproces gemiddeld ten minste twee jaar. Een implementatietermijn
van 18 maanden was daarom bij voorbaat al niet realistisch. In het geval van technisch
complexe wet- en regelgeving, waarvan op het terrein van de financiële markten doorgaans
sprake is, geldt dit des te meer. De regering blijft zich daarom in Europees verband
inspannen voor passende implementatietermijnen en vraagt bij de Europese Commissie
om begrip voor de doorlooptijden van het Nederlandse wetgevingsproces.
Daarnaast geldt dat er sprake is van een piek aan implementatiewetgeving op het terrein
van de financiële markten. Om een voortvarende implementatie van Europese richtlijnen
te borgen, wordt, zoals hiervoor is toegelicht, ingezet op een zo efficiënt mogelijk
wetgevingsproces, bijvoorbeeld door middel van parallelle consultatie en advisering
en een beleidsluwe omzetting met (waar mogelijk) geen nationale koppen.
Tevens vernemen de leden van de CDA-fractie graag wat de stand van zaken is van de implementatie van deze richtlijn in
andere lidstaten en of Nederland hieruit lessen kan trekken.
Een aantal lidstaten heeft de uiterste implementatietermijn van 29 september 2025
niet gehaald. Op dit moment hebben naast Nederland vier andere lidstaten (Spanje,
Frankrijk, Portugal en Roemenië) de richtlijn nog niet geïmplementeerd.6 Een belangrijke les die de regering trekt uit de aanpak van lidstaten die wel sneller
implementeerden, is de meerwaarde van een flexibele wetgevingsarchitectuur. Lidstaten
die de handhavingsbevoegdheden en technische definities minder rigide in de formele
wet zelf hebben verankerd, maar in plaats daarvan sterk leunen op dynamische verwijzingen,
soms ook in lagere (ministeriële) regelgeving, of rechtstreekse mandaatverlening aan
de toezichthouder, zijn wendbaarder. Bij wijzigingen van de Wft ter implementatie
van Europese richtlijnen wordt om die reden ook in toenemende mate gebruik gemaakt
van dynamische verwijzingen.
§ 2. Inhoud richtlijn
De leden van de VVD-fractie lezen dat bepaalde handelaren voor eigen rekening die via directe elektronische
toegang (DEA) op een handelsplatform handelen, zijn vrijgesteld van het merendeel
van de Wft-voorschriften. Deze leden vragen de regering om nader uiteen te zetten
welke categorieën handelaren exact onder deze uitzondering vallen en welke verplichtingen
uit MiFID II en de verordening markten voor financiële instrumenten (MiFIR) onverkort
van toepassing blijven.
De regering licht graag nader toe hoe de afbakening van de vergunningplicht voor handelaren
voor eigen rekening is vormgegeven. Met de herziening van MiFID II is beoogd de regeldruk
voor niet-financiële entiteiten te beperken, mits hun handelsactiviteiten geen systeemrisico
vormen of een kernactiviteit van beleggingsondernemingen betreffen.
De vrijstelling voor handelaren voor eigen rekening waarop de leden van de VVD-fractie
doelen vloeit voort uit artikel 2, eerste lid, onderdeel d, MiFID II. Dat artikel
is geïmplementeerd in artikel 1:18, aanhef en onderdeel g, Wft. Onder deze generieke
uitzondering op MiFID II vallen in de basis personen die voor eigen rekening handelen
in financiële instrumenten, niet zijnde grondstoffenderivaten, emissierechten of van
emissierechten afgeleide instrumentenderivaten.
Cruciaal bij de voorliggende herziening is dat de vergunningplicht voor handelaren
voor eigen rekening die enkel via directe elektronische toegang (DEA) op een handelsplatform
handelen, is komen te vervallen. Dit betekent dat de volgende categorieën nu onder
de generieke uitzondering kunnen vallen:
• niet-financiële entiteiten: bedrijven die handelen voor eigen rekening om bijvoorbeeld
overtollige kasmiddelen te beheren of risico’s af te dekken, maar die geen beleggingsdiensten
verlenen aan derden; en
• particuliere beleggers: personen die voor eigen vermogen handelen via elektronische
toegangssystemen.
Niet alle handelaren voor eigen rekening vallen buiten het toepassingsbereik van MiFID II.
De vergunningplicht, en daarmee de vrijwel volledige reikwijdte van MiFID II, blijft
onverkort van toepassing op:
• market makers: personen die op financiële markten doorlopend blijk geven voor eigen rekening te
handelen door financiële instrumenten tegen door hen vastgestelde prijzen te kopen
en te verkopen;
• Personen die bij de handel in financiële instrumenten gebruik maken van hoogfrequente
algoritmische handelstechnieken (high frequency traders, of HFT) en die daarbij gebruik maken van infrastructuur die is ontworpen om latentie
te minimaliseren (zoals co-locatie) en die een hoog volume aan handelsberichten genereren.
• leden van of deelnemers aan een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit
(MTF): de generieke uitzondering op MiFID II geldt enkel voor hen die via DEA handelen,
niet voor partijen die een direct lidmaatschap hebben op het handelsplatform zelf
(behalve voor bepaalde niet-financiële entiteiten die grondstoffenderivaten verhandelen
onder specifieke voorwaarden).
Hoewel bepaalde handelaren voor eigen rekening vrijwel volledig buiten het toepassingsbereik
van MiFID II blijven, blijven bepaalde cruciale waarborgen uit MiFID II, MiFIR en
de verordening marktmisbruik (MAR) op hen van toepassing om de marktintegriteit te
borgen:
• marktmisbruikregels (MAR): het verbod op handel met voorwetenschap en marktmanipulatie
geldt voor alle handelaren, ongeacht hun status.
• algoritmische handelsvoorschriften: als de vrijgestelde handelaar gebruikmaakt van
algoritmische handel, gelden specifieke systeem- en controlevereisten (zoals kill switches en tests van algoritmen) om marktverstoring te voorkomen.
• transparantievereisten (MiFIR): bepaalde rapportageverplichtingen met betrekking tot
transacties kunnen van toepassing blijven, vaak via de partij die de toegang (DEA)
verleent.
• toezicht door handelsplatformen: handelsplatformen zijn verplicht om regels en controles
op te leggen aan alle gebruikers van DEA-toegang om de ordelijke handel op hun platform
te waarborgen.
Met deze gelaagde aanpak wordt enerzijds onnodige administratieve lasten voor bepaalde
handelaren voor eigen rekening weggenomen, terwijl anderzijds de stabiliteit van het
handelsplatform en de integriteit van de prijsvorming gewaarborgd blijven door streng
toezicht op algoritmen en marktmisbruik.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de regering het huidige onderscheid voldoende duidelijk en handhaafbaar
acht voor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en voor marktpartijen zelf, en of
de regering signalen heeft ontvangen dat de afbakening in de praktijk tot onduidelijkheid
of een ongelijk speelveld leidt.
De AFM heeft in haar uitvoeringstoets aangegeven de gewijzigde wettelijke voorschriften,
die mede het herziene onderscheid betreffen, handhaafbaar te achten. De DEA-provider
krijgt vanuit Europese regelgeving de nodige verplichtingen ten opzichte van de partijen
voor wie zij toegang verzorgen. Het toezicht op DEA-providers ten aanzien van deze
verplichtingen wordt daarbij belangrijker. Omdat de vergunningplicht voor DEA-gebruikers
nu rechtstreeks gekoppeld is aan objectief vaststelbare kenmerken (zoals het al dan
niet hanteren van een HFT-techniek of het optreden als market maker) in plaats van
de pure technische toegangsvorm, kan de AFM gerichter risicogebaseerd toezicht uitoefenen
op die partijen die daadwerkelijk een potentieel risico vormen voor de stabiliteit
van de handelsplatformen.
Tijdens de internetconsultatie van dit wetsvoorstel zijn er van de zijde van marktpartijen
en belangenverenigingen geen reacties of opmerkingen binnengekomen over deze specifieke
afbakening van DEA-handelaren. Dit duidt erop dat de sector de voorgestelde wijziging,
die overigens leidt tot een vermindering van de administratieve lasten voor niet-HFT-eigenrekeninghandelaren,
niet als onduidelijk of onlogisch ervaart.
De regering heeft, in het verlengde van de consultatie, geen indicatie of signaal
ontvangen dat de vernieuwde afbakening in de praktijk aanleiding geeft tot onduidelijkheid
of het ontstaan van een ongelijk speelveld. De maatregel harmoniseert de Nederlandse
praktijk met de rest van de Europese Unie, waardoor Nederlandse handelaren voor eigen
rekening onder dezelfde voorwaarden toegang hebben tot handelsplatformen als hun Europese
concurrenten.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de richtlijn de transparantie en risicobeheersmaatregelen
voor de handel in grondstoffenderivaten, emissierechten en van emissierechten afgeleide
instrumenten aanscherpt, mede naar aanleiding van de buitensporige volatiliteit op
de Europese energiemarkt tijdens de energiecrisis in 2022. Deze leden onderschrijven
het belang van robuuste en transparante energiemarkten, maar wijzen er tegelijkertijd
op dat onnodige administratieve lasten de liquiditeit op de markt en de bereidheid
van marktpartijen om risico’s af te dekken negatief kunnen beïnvloeden. Deze leden
vragen de regering om nader toe te lichten hoe de aangescherpte transparantie en toezichtvereisten
in de praktijk zullen functioneren. Hoe wordt voorkomen dat de uitbreiding van rapportage
en toezichtverplichtingen leidt tot een significante toename van administratieve lasten
of een afname van liquiditeit op de markt voor energiederivaten?
De regering deelt de visie van de leden van de VVD-fractie dat transparantie en risicobeheer
niet ten koste mogen gaan van de marktliquiditeit en de toegankelijkheid van hedging-instrumenten. De energiecrisis van 2022 heeft aangetoond dat extreme prijsvolatiliteit
de stabiliteit van marktpartijen kan bedreigen, maar ook dat marktpartijen (zoals
energieproducenten en industriële eindgebruikers) vitale behoefte hebben aan een liquide
derivatenmarkt om hun prijsrisico’s effectief af te dekken. In dit specifieke geval
is de toename in administratieve lasten beperkt. De additionele rapportages dragen
afdoende bij aan het beter toezicht kunnen houden zonder daarmee een significante
afname in liquiditeit te veroorzaken.
De herziene voorschriften zijn zo ontworpen dat zij het toezicht versterken door middel
van doelgerichte en geharmoniseerde verplichtingen, in plaats van een generieke verzwaring
van de administratieve druk. De aangescherpte transparantie- en toezichtsvereisten
functioneren in de praktijk via een gelaagde structuur waarbij de nadruk ligt op digitalisering
en centrale data-aggregatie. Handelsplatformen waar grondstoffenderivaten of emissierechten
worden verhandeld, moeten dagelijks een geaggregeerd overzicht van de openstaande
posities publiceren en doorgeleiden naar de AFM. In de praktijk verandert er voor
de achterliggende marktpartijen hierdoor weinig; de rapportageplicht rust primair
op de exploitant van het handelsplatform, die de benodigde transactiedata al automatisch
in zijn systemen registreert. De systematiek van de positielimieten (de maximale omvang
van een positie die één marktpartij in een contract mag houden) is gestroomlijnd.
ESMA stelt de methodologie vast, waarna de AFM deze toepast op de in Nederland verhandelde
contracten (zoals de TTF-gasderivaten). Dit zorgt voor een uniform Europees speelveld.
De belangrijkste maatregel om administratieve lasten te voorkomen is het wegnemen
van overlappingen met andere Europese regelgeving. Marktpartijen in de energiesector
rapporteren al omvangrijke data onder de verordening over de integriteit en transparantie
van de groothandelsmarkt voor energie (REMIT) en de European Market Infrastructure
Regulation (EMIR). De herziene MiFID II-regels verplichten toezichthouders zoals de
AFM en ESMA om maximaal gebruik te maken van bestaande datastromen en formats. Handelsplatformen
hoeven gegevens niet dubbel in te richten, wat een substantiële besparing in operationele
compliancekosten oplevert. De zogeheten hedging exemption blijft volledig intact en is juridisch verduidelijkt. Posities die door niet-financiële
entiteiten (zoals energiebedrijven of agrarische ondernemingen) worden ingenomen en
die objectief meetbaar de risico’s verminderen van hun reële commerciële bedrijfsvoering,
worden in principe vrijgesteld van de dwingende positielimieten. Hierdoor behouden
marktpartijen de operationele ruimte om hun risico’s af te dekken, zonder dat zij
tegen wettelijke handelsbeperkingen aanlopen. De positielimieten worden niet generiek
op alle grondstoffencontracten toegepast, maar zijn specifiek gereserveerd voor zogenaamde
«kritieke of significante contracten» (waar de open interest groter is dan een bepaalde
Europese drempelwaarde). Voor kleinere, minder liquide opkomende markten of sub-contracten
gelden de limieten niet of nauwelijks. Dit stimuleert de innovatie en de liquiditeit
in nieuwe contracten (zoals derivaten voor hernieuwbare energie of waterstof) omdat
startende marktpartijen niet direct met zware toezichtregimes worden geconfronteerd.
De leden van de VVD-fractie vragen verder hoe de regering waarborgt dat marktpartijen voldoende ruimte
behouden om legitieme risico’s af te dekken («hedging»), terwijl tegelijkertijd marktmanipulatie
en excessieve speculatie effectief worden tegengegaan. Deze leden ontvangen ook graag
een nadere toelichting op de wijze waarop nationale toezichthouders en Europese toezichthouders
met name de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), hierbij samenwerken
en welke concrete bevoegdheden in de praktijk worden uitgebreid ten opzichte van de
bestaande situatie.
Zoals hiervoor aangegeven blijft binnen de systematiek van de positielimieten de zogeheten
hedging exemption onverkort van kracht. Wanneer een niet-financieel bedrijf kan aantonen dat een positie
direct herleidbaar is tot het reduceren van de risico’s van haar reële, fysieke bedrijfsactiviteiten,
telt deze positie niet mee voor de dwingende limieten. De herziening stroomlijnt de
procedures hiervoor, zodat er minder administratieve onzekerheid is voor deze reële
marktpartijen. De harde positielimieten worden door de herziene regels juist restrictiever
en effectiever ingezet voor die derivaten die zeer kritiek zijn voor de prijsvorming
(zoals landbouwproducten en bepaalde vitale energiedragers) en die voornamelijk door
financiële speculanten worden verhandeld. Hierdoor wordt excessieve speculatie aan
de bron ingedamd, zonder de reële economie te verstikken.
Bij de detectie naar marktmanipulatie kijkt de AFM specifiek naar gedragingen die
misleidend zijn of leiden tot een kunstmatig prijsniveau en daarmee mogelijk vallen
binnen de definitie van marktmanipulatie. Het legitiem afdekken van posities zal logischerwijs
niet voldoen aan deze definitie. De AFM is actief in het bevorderen van de samenwerking
tussen de nationale toezichthouders in ESMA-verband.
De leden van de CDA-fractie constateren dat op dit moment nog geen vergunning voor het aanbieden van
een consolidated tape (CT) is aangevraagd bij de ESMA. Zij vragen de regering of de
recente wijzigingen van het MiFID II/MiFIR kader inmiddels aanleiding hebben gegeven
tot concrete belangstelling vanuit (markt)partijen om een dergelijke vergunning aan
te vragen. Tevens vernemen deze leden graag of reeds zicht bestaat op partijen die
voornemens zijn zich als aanbieder van een CT te laten registreren.
Inmiddels hebben de herziene MiFIR-regels voor het verstrekken van een CT geleid tot
concrete, marktbrede belangstelling van marktpartijen. De selectieprocedures die de
ESMA heeft doorlopen of nog doorloopt hebben per activaklasse de volgende concrete
resultaten gehad:
• obligaties (bonds): de selectieprocedure voor het verstrekken van een CT voor obligaties werd begin
2025 gestart. ESMA heeft de procedure afgerond en op 3 juli 2025 bekendgemaakt dat
het fintech-consortium Ediphy (onder de naam fairCT) is geselecteerd als de meest geschikte partij om de CT voor obligaties in de Europese
Unie te exploiteren. Deze partij doorloopt thans de formele autorisatiefase bij ESMA
om de CT operationeel te lanceren.
• aandelen en exchange traded funds (ETF’s) (equities): de selectieprocedure voor het verstrekken van de CT voor aandelen en ETF’s is in
de zomer van 2025 gestart. ESMA heeft eind december 2025 geoordeeld dat EuroCTP (een
gezamenlijk initiatief van zestien vooraanstaande Europese beursexploitanten) de aanbesteding
heeft gewonnen en is aangewezen om deze dataomgeving in te richten.
• Over-The-Counter (OTC) derivaten: voor de resterende categorie, de CT voor otc-derivaten, heeft ESMA
de selectieprocedure begin januari 2026 geopend. Geïnteresseerde marktpartijen konden
zich tot medio februari 2026 inschrijven, en ESMA is voornemens om begin juli 2026
de definitieve toewijzing voor deze categorie te publiceren.
Er is dus niet alleen sprake van belangstelling; voor de belangrijkste activaklassen
zijn de toekomstige aanbieders inmiddels door ESMA geselecteerd.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie wat het concreet zou betekenen als geen partij zich meldt om als Consolidated
Tape Provider te fungeren en in hoeverre dit gevolgen heeft voor het al dan niet schrappen
van bestaande periodieke rapportageverplichtingen.
Als ESMA geen aanvrager heeft geselecteerd of als zij geen vergunning heeft verleend
voor het verstrekken van de CT, moet zij binnen zes maanden een nieuwe selectie- of
vergunningsprocedure starten (artikel 27 quinquies bis, vijfde lid, MiFIR).
Voor de gevolgen van de CT-opzet voor bestaande rapportageverplichtingen moet een
strikt onderscheid worden gemaakt tussen rapportages ten behoeve van markttoezicht
enerzijds en rapportages ten behoeve van markttransparantie anderzijds.
Bestaande periodieke rapportageverplichtingen aan de nationale toezichthouders (zoals
de transactierapportages onder artikel 26 MiFIR aan de AFM ter opsporing van marktmisbruik
en handel met voorwetenschap) dienen een direct publiek toezichtsdoel. Deze vertrouwelijke
rapportages blijven onverkort en ongewijzigd van kracht; de komst van de CT verandert
daar niets aan.
De komst van de CT heeft daarentegen wel impact op de wijze waarop marktpartijen aan
hun verplichtingen in het kader van post-trade transparancy moeten voldoen. Zodra de CT volledig operationeel is, hoeven marktpartijen hun transactiedata
niet meer via een veelheid aan gefragmenteerde, eigen kanalen openbaar te maken, maar
verloopt dit via gestandaardiseerde datalevering aan de CTP. Dit stroomlijnt de markttransparantie
aanzienlijk.
§ 3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie lezen dat de verplichting voor beleggingsondernemingen om periodiek te rapporteren
over de kwaliteit van de uitvoering van cliëntorders (de zogeheten best execution-rapportage)
komt te vervallen. Als onderbouwing wordt aangevoerd dat de CT in de toekomst voldoende
informatie zal bieden om de naleving van de best execution-verplichting te beoordelen.
Deze leden begrijpen de wens om onnodige rapportagelasten te reduceren, maar vragen
de regering op welke gronden de verwachting is gebaseerd dat cliënten en andere relevante
partijen via de CT wél adequaat inzicht zullen kunnen verkrijgen in de kwaliteit van
het orderuitvoeringsbeleid van verschillende beleggingsondernemingen, terwijl de huidige
periodieke rapportages daar aantoonbaar ontoereikend voor zijn gebleken.
Zoals in de bovenstaande antwoorden op de vragen van de leden van de JA21- en CDA-fractie
aangegeven, zorgt de introductie van de CT voor een verbetering in transparantie voor
marktpartijen. Door de CT kunnen beleggers bijna real time gecentraliseerde handelsdata
inzien. De best execution-rapportages werden jaarlijks en per kwartaal gepubliceerd. Beleggers zagen daarom
pas maanden later of was voldaan aan de best execution verplichting. Daarnaast waren
deze rapportages afkomstig van veel verschillende individuele partijen, waardoor het
samenvoegen van de gegevens zeer bewerkelijk en complex was. De CTP zal alle handelsinformatie
centraal bundelen in één uniforme datastroom. Hierdoor kunnen beleggers en cliënten
direct de actuele handelsdata inzien en deze gebruiken om het orderuitvoeringsbeleid
effectief te toetsen.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering om concreet toe te lichten welke informatie via de CT
beschikbaar zal komen die momenteel ontbreekt in de periodieke best execution-rapportages,
en waarom die informatie wél geschikt is voor onderlinge vergelijking door cliënten
en toezichthouders. Tevens vragen de leden hoe wordt gewaarborgd dat de informatie
via de CT voor cliënten daadwerkelijk vergelijkbaar, toegankelijk en praktisch bruikbaar
zal zijn, gezien het technische karakter van de CT-data. Wordt er voorzien in aanvullende
instrumenten, richtsnoeren of standaarden om die toegankelijkheid voor kleinere en
minder professionele marktpartijen te bevorderen?
De gegevens die de CTP zal verstrekken, omvatten de beste Europese bied- en laatkoers,
posttransactionele informatie over transacties in aandelen en ETF’s, en post trade
informatie over transacties in obligaties en otc-derivaten. Uit de herziene MiFIR-verordening7 en de bijbehorende bijlagen volgt welke informatie de CTP precies moet verstrekken.
Daarnaast zijn handelsplatformen verplicht om marktdata gestandaardiseerd en in hoge
kwaliteit aan te leveren. Marktpartijen hoeven daarom niet langer zelf data te converteren
en op te schonen. Voor kleinere en minder professionele marktpartijen zal het dus
gemakkelijker worden om handelsdata in te zien.
De leden van de VVD-fractie merken daarnaast op dat er op dit moment nog geen CT in de Europese Unie
operationeel is. Dat roept de vraag op of het niet prematuur is om de best execution
rapportage reeds te schrappen voordat de CT daadwerkelijk functioneert en de informatiewaarde
ervan is aangetoond. Deze leden vragen de regering hierop te reflecteren en toe te
lichten welk transitiemechanisme is voorzien voor de periode dat de CT nog niet beschikbaar
is.
Het klopt dat er op dit moment nog geen CT operationeel is. De geselecteerde CTP’s
geven op hun website aan te verwachten in het derde kwartaal van 2026 (voor EUROCTP)
respectievelijk in het vierde kwartaal van 2026 of het eerste kwartaal van 2027 (voor
Ediphy/fairCT) operationeel te zijn.
Evaluaties door ESMA en de Europese Commissie hebben uitgewezen dat de best execution-rapportages door de complexiteit ervan vrijwel nooit door particuliere beleggers
werden geraadpleegd en door de gebrekkige vergelijkbaarheid hun doel misten. Het schrappen
ervan neemt onnodige administratieve lasten en nalevingskosten bij marktpartijen weg.
De bescherming van de retailbelegger is in de overgangsfase gewaarborgd doordat de
broker wettelijk verplicht blijft om aantoonbaar de beste prijs en laagste kosten
te realiseren, en de AFM hierop toezicht houdt. Zodra de CT operationeel wordt, krijgt
de markt bovendien een veel praktischer, real time instrument in handen om de marktkwaliteit te vergelijken, wat de transparantie verder
zal verbeteren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat naar aanleiding van de ervaringen tijdens de energiecrisis van
2022 aanvullende voorschriften worden geïntroduceerd om marktvolatiliteit te beperken.
Handelsplatformen zouden in staat gesteld moeten worden om in noodsituaties in te
grijpen. Deze leden vragen wat in dit verband precies onder een «noodsituatie» wordt
verstaan en in hoeverre dit verschilt van de reeds bestaande bevoegdheden van handelsplatformen
om in te grijpen bij marktvolatiliteit.
De term «noodsituatie», die in de richtlijn niet nader wordt gedefinieerd, ziet op
een breed spectrum aan potentiële, zwaarwegende omstandigheden. Hierbij kan worden
gedacht aan onvoorziene geopolitieke ontwikkelingen zoals gewapende conflicten, een
pandemie of een crisis, die de ordelijke werking van de financiële markten ernstig
verstoren. Daarbij kan het ook gaan om situaties waarbij de markten niet volatiel
zijn, maar er bijvoorbeeld te weinig liquiditeit is om nog te spreken over een ordelijke
werking van de markten.
Momenteel kunnen marktexploitanten de handel al tijdelijk opschorten of beperken bij
aanzienlijke koersbewegingen. Dit doen ze aan de hand van door hen vastgestelde technische
parameters, die stillegging of beperking van de handel rechtvaardigen. Deze parameters
moeten voldoen aan de technische standaarden van de Europese Commissie.8 Over de vaststelling en wijziging van deze parameters moeten zij de AFM informeren,
die vervolgens ESMA informeert.
In de nieuwe situatie kunnen marktexploitanten de handel ook tijdelijk opschorten
of beperken ingeval van een noodsituatie. Dat verschilt in zoverre van de huidige
situatie, dat marktexploitanten deze bevoegdheden kunnen gebruiken zonder dat er sprake
hoeft te zijn van marktvolatiliteit. Zoals hierboven is toegelicht kan er een noodsituatie
zijn zonder dat de markt volatiel is.
De leden van de JA21-fractie steunen het uitgangspunt achter de CT omdat betere en toegankelijke marktdata
kunnen bijdragen aan een beter functionerende kapitaalmarktunie. Deze leden lezen
dat ESMA technische reguleringsnormen zal ontwerpen voor gegevenskwaliteitsnormen
en dat beleggingsondernemingen en marktexploitanten interne regelingen moeten treffen
om aan deze normen te voldoen. Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen dat
marktpartijen al aanzienlijke nalevingskosten moeten maken voordat de CT-infrastructuur
daadwerkelijk operationeel is? Welke overgangstermijnen worden voorzien en hoe wordt
geborgd dat de verplichtingen proportioneel blijven voor kleinere marktpartijen? Kan
de regering aangeven hoe wordt gewaarborgd dat de CT vanaf de start betaalbaar en
praktisch toegankelijk is voor kleinere marktpartijen zodat de voordelen van betere
marktdata niet vooral terechtkomen bij de grootste partijen?
De regering deelt de zorg van de leden van de JA21-fractie dat de introductie van
de CT niet mag leiden tot disproportionele lasten, zeker niet voor kleinere marktpartijen.
Bij de vormgeving van de herziene MiFIR-verordening is daarom op Europees niveau gekozen
voor een gefaseerde aanpak en specifieke waarborgen voor toegankelijkheid.
Om te voorkomen dat marktpartijen investeringen moeten doen zonder dat daar direct
een operationele structuur tegenover staat, is de verplichting tot datalevering gekoppeld
aan de feitelijke aanwijzing van een CPT. Pas nadat ESMA een CTP heeft geselecteerd
en vergund, treedt de verplichting voor handelsplatformen en beleggingsondernemingen
om data aan te leveren in werking. In de technische reguleringsnormen (RTS) die ESMA
momenteel ontwikkelt, worden specifieke overgangstermijnen opgenomen. Deze termijnen
geven marktpartijen de nodige tijd om hun interne IT-systemen en datastromen aan te
passen aan de nieuwe kwaliteitsnormen nadat de definitieve technische specificaties
bekend zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat partijen op basis van voorlopige aannames
kosten maken.
De regering benadrukt dat de lasten van de CT-infrastructuur primair terechtkomen
bij de zogenaamde data contributors (de partijen die de data genereren). Voor veel kleinere beleggingsondernemingen die
niet zelf een handelsplatform exploiteren of als systematic internaliser optreden, zullen de directe aanpassingskosten beperkt zijn. Voor de partijen die
wél moeten aanleveren, borgt ESMA de proportionaliteit door uniforme standaarden en
vrijstellingen.
Een cruciaal winstpunt van de herziene verordening is juist dat de voordelen van betere
marktdata breed toegankelijk worden. Dit wordt gewaarborgd door een kosteloze toegang
voor particuliere beleggers, redelijke commerciële voorwaarden en een inkomstenverdelingsmodel.
De regering is van mening dat de CT hiermee het speelveld tussen grote en kleine marktpartijen
egaliseert: kleinere partijen krijgen voor een fractie van de huidige kosten toegang
tot dezelfde hoogwaardige data als de grootste marktpartijen, wat hun concurrentiekracht
en de kwaliteit van de dienstverlening aan hun cliënten ten goede komt.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de verplichting voor beleggingsondernemingen om periodiek gedetailleerde
rapportages over de uitvoering van klantorders te publiceren, de zogenoemde RTS 27/28
rapportages, definitief komt te vervallen. Deze leden begrijpen dat deze rapportages
in de praktijk beperkt werden gebruikt en niet altijd geschikt waren om de uitvoeringskwaliteit
goed te vergelijken. Tegelijkertijd blijft het van belang dat de kwaliteit van orderuitvoering
voor Nederlandse retailbeleggers niet verslechtert.
De leden van de JA21-fractie vragen daarom hoe in de periode tussen het vervallen van de RTS 27/28-rapportages
en het volledig operationeel worden van de CT wordt geborgd dat particuliere beleggers
voldoende inzicht houden in de kwaliteit van orderuitvoering.
De regering deelt de mening van de leden van de JA21-fractie dat de bescherming van
de particuliere belegger en het toezicht op de kwaliteit van orderuitvoering te allen
tijde gewaarborgd moeten zijn. Het definitief laten vervallen van de RTS 27 (voor
handelsplatformen) en RTS 28 (voor brokers) rapportageverplichtingen leidt in de praktijk
niet tot een informatie- of toezichtvacuüm in de overgangsperiode naar de CT.
De reden hiervoor is dat de materiële zorgplicht rondom best execution (optimale orderuitvoering) onverkort en ongewijzigd van kracht blijft onder MiFID
II. Het schrappen van de rapportages betreft puur het wegnemen van een administratieve
verplichting die haar doel voorbijgeschoten was. De onderliggende beschermingsmechanismen
voor de retailbelegger blijven verankerd door een onverkorte informatieplicht van
brokers aan cliënten, een actieve interne controleverplichting door marktpartijen
en doorlopend en risicogebaseerd toezicht door de AFM.
Evaluaties door ESMA en de Europese Commissie hebben uitgewezen dat de RTS 27/28-rapportages
door de complexiteit ervan vrijwel nooit door particuliere beleggers werden geraadpleegd
en door de gebrekkige vergelijkbaarheid hun doel misten. Het schrappen ervan neemt
onnodige administratieve lasten en nalevingskosten bij marktpartijen weg.
De bescherming van de retailbelegger is in de overgangsfase gewaarborgd doordat de
broker wettelijk verplicht blijft om aantoonbaar de beste prijs en laagste kosten
te realiseren, en de AFM hierop toezicht houdt. Bovendien kan elke retailbelegger
bij de beleggingsonderneming meer informatie opvragen over de uitvoering van zijn
orders, los van de standaardinformatie zoals koers, aantal stuks, moment en plaats
van uitvoering. Zodra de CT operationeel wordt, krijgt de markt een veel praktischer,
real time instrument in handen om de marktkwaliteit te vergelijken, wat de transparantie
verder zal verbeteren.
De leden van de JA21-fractie vragen voorts of de regering kan toezeggen dat de AFM bij het toezicht op
best execution strikt zal aansluiten bij de nieuwe Europese standaarden en ESMA-richtsnoeren.
Kan worden bevestigd dat Nederlandse beleggingsondernemingen via nationale toezichtspraktijk
of AFM soft law niet met een zwaardere bewijslast worden geconfronteerd dan hun Europese
concurrenten?
De AFM zal zich aansluiten bij de gangbare praktijk in de EU wat betreft het toezicht
op de best execution-verplichtingen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat marktexploitanten in noodsituaties verplicht kunnen worden om de
handel tijdelijk stil te leggen of te beperken om extreme koersbewegingen te beteugelen.
Indien een marktexploitant in een dergelijke situatie zelf niet ingrijpt, krijgt de
AFM de bevoegdheid om passende maatregelen te nemen om de ordelijke marktwerking te
herstellen.
Deze leden begrijpen dat in uitzonderlijke marktomstandigheden ingrijpen nodig kan
zijn. Tegelijkertijd raakt het stilleggen van handel direct aan de vrije marktwerking
en aan de voorspelbaarheid voor marktpartijen. De leden van de JA21-fractie vragen
welke objectieve criteria de AFM zal hanteren om te bepalen wanneer sprake is van
een noodsituatie en onder welke omstandigheden zij zelfstandig kan ingrijpen. Hoe
wordt voorkomen dat de AFM te snel of onvoorspelbaar ingrijpt in de markt? Hoe worden
begrippen zoals «noodsituatie», «extreme koersschommelingen» en «verstoring van ordelijke
marktwerking» uniform en voorspelbaar ingevuld? Deelt de regering de opvatting dat
de nadere invulling van deze begrippen zoveel mogelijk moet plaatsvinden via wetgeving
of via Europese technische normen en ESMA-richtsnoeren en niet via soft law in de
nationale toezichtspraktijk of via AFM-leidraden?
De AFM beschikt al over bevoegdheden om op te treden bij onordelijke handelsomstandigheden.
Het beleid van de AFM is dat er zeer terughoudend wordt omgegaan met de bevoegdheid
om de handel in een financieel instrument stil te leggen. De belangen van de beleggers
tellen altijd zwaar in de overweging om de maatregel toe te passen. Dat zal zeer zeker
ook gelden bij het eventueel toepassen van de handelsmaatregel in een noodsituatie.
De regering en de AFM zijn groot voorstander van convergentie. In de huidige praktijk
van handelsonderbrekingen speelt de AFM een trekkende rol in het Europees afstemmen
van de harmonisatie van de procedures rond het stilleggen van de handel. Deze inspanningen
zullen ook worden doorgevoerd bij de uitvoering van de bevoegdheid zoals hier beschreven.
Wanneer dezelfde of nauw verbonden financiële instrumenten ook in andere lidstaten
worden verhandeld, dan kan een ingreep van de AFM grensoverschrijdende gevolgen hebben.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de AFM een zelfstandig besluit tot het stilleggen of beperken
van de handel afstemt met toezichthouders in andere EU-lidstaten.
De toezichthouders van de lidstaten informeren elkaar over suspensions via het zogenaamde SARIS-systeem. Hierbij is bepaald dat de Relevant Competent Authority
(RCA) leidend is bij het besluit tot handelsonderbreking. Voor elk financieel instrument
is bepaald welke autoriteit de RCA is. Deze informatie is beschikbaar op de website
van ESMA in het zogenaamde Financial Instruments Reference Data System (FIRDS). De
RCA informeert de overige lidstaten en deze volgen de onderbreking en geven opdracht
aan de handelsplatformen binnen de eigen jurisdictie om de handel in het desbetreffende
instrument te onderbreken.
De leden van de JA21-fractie vragen voorts op welke wijze is geborgd dat de AFM, voordat de AFM zelfstandig
ingrijpt, eerst overleg voert met de desbetreffende marktexploitant, tenzij de acute
situatie dit onmogelijk maakt. Is de AFM verplicht om direct na een interventie openbaar
en gemotiveerd verantwoording af te leggen over de aanleiding, duur, proportionaliteit
en effecten van de genomen maatregel?
Een handelsonderbreking door de toezichthouder is een formeel besluit dat gemotiveerd
moet worden opgelegd. De marktexploitant kan achteraf bezwaar maken tegen de opgelegde
maatregel. In de praktijk wordt bij het stilleggen van de handel altijd contact gelegd
met zowel de uitgevende instelling van het desbetreffende financiële instrument als
met het handelsplatform waar het financiële instrument is genoteerd.
De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de verruiming van de bevoegdheden rondom handelsonderbrekers
(circuit breakers), waarbij platformen de handel al mogen stilleggen in een «noodsituatie»
voordat er daadwerkelijk aanzienlijke volatiliteit is opgetreden. In de memorie van
toelichting wordt via een open norm (voetnoot 6) verwezen naar brede begrippen zoals
«gewapende conflicten» of «een crisis op de desbetreffende markt». Erkent de regering
dat deze preventieve «noodknop» de marktzekerheid fundamenteel ondermijnt omdat marktpartijen
vooraf niet kunnen inschatten wanneer een marktbestuurder subjectief besluit dat er
sprake is van een «noodsituatie»?
De regering deelt de mening van de leden van de BBB-fractie dat marktzekerheid en
voorspelbaarheid de fundamenten zijn van een goed functionerende kapitaalmarkt. Het
stilleggen van de handel is een uiterst ingrijpend instrument dat de normale prijsvorming
tijdelijk blokkeert. Juist om die reden is de introductie van deze preventieve bevoegdheid
niet bedoeld om de marktzekerheid te ondermijnen, maar juist om de algehele marktstabiliteit
te beschermen in situaties waarin de reguliere, geautomatiseerde parameters tekortschieten.
De regering herkent de zorg dat open normen zoals «een crisis op de desbetreffende
markt» of «gewapende conflicten» op het eerste gezicht ruimte lijken te laten voor
subjectiviteit. In de praktijk en binnen de systematiek van MiFID II/MiFIR is deze
preventieve «noodknop» echter ingebed in een strak kader van objectieve randvoorwaarden,
waardoor willekeur wordt uitgesloten. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze
bedoelde mechanismen lichtvaardig zullen worden ingezet. Deze maatregel is alleen
bedoeld om in extreme omstandigheden, waarin er geen ordelijke prijsvorming tot stand
kan komen, de handel te onderbreken.
Traditionele handelsonderbrekers reageren reactief: zij treden automatisch in werking
nadat er al een vooraf gedefinieerde, extreme koersuitslag (volatiliteit) heeft plaatsgevonden.
De praktijk heeft uitgewezen dat er zich uitzonderlijke scenario’s kunnen voordoen
waarbij het wachten op die feitelijke koersval onherstelbare schade toebrengt aan
het marktvertrouwen en de liquiditeit volledig doet verdampen.9
Om te borgen dat het instrument proportioneel en uitsluitend in noodsituaties wordt
ingezet, is het gebruik van handelsonderbrekers onderworpen aan strikte Europese meldingsprocedures.
Zodra een marktexploitant de handel onderbreekt (of dit nu reactief of preventief
is), moet dit onverwijld en met opgaaf van redenen worden gemeld aan de nationale
toezichthouder (in Nederland de AFM). De AFM deelt deze informatie direct met ESMA
en de toezichthouders van de andere lidstaten, zodat de rest van de Europese markt
onmiddellijk op de hoogte is en eventuele spill-overeffecten naar andere platformen
kunnen worden gemonitord. De AFM toetst achteraf of de marktexploitant in redelijkheid
tot dit besluit heeft kunnen komen. Als zou blijken dat een platform de bevoegdheid
oneigenlijk of onvoorspelbaar gebruikt, heeft de AFM handhavingsinstrumenten om hiertegen
op te treden.
Een marktexploitant kan niet naar eigen inzicht of op basis van subjectieve sentimenten
de handel stilleggen. Handelsplatformen zijn wettelijk verplicht om een helder, intern
beleid en strikte escalatieprocedures te hanteren voor noodsituaties. Het besluit
om preventief in te grijpen moet gebaseerd zijn na een zware en objectieve toetsing
of de ordelijkheid van de handel direct in het geding is. Bovendien opereren beurzen
in een concurrerende omgeving; het ongemotiveerd stilleggen van de handel beschadigt
de reputatie en de omzet van het platform zelf, wat een sterke natuurlijke prikkel
vormt tegen lichtvaardig gebruik.
De preventieve bevoegdheid fungeert als een uiterste veiligheidsklep voor situaties
waarin de reële wereld sneller beweegt dan de geautomatiseerde volatiliteitslimieten
van handelscomputers kunnen verwerken. Omdat marktexploitanten hierbij gebonden zijn
aan strikte wettelijke procedures en doorlopend toezicht van de AFM, is er geen sprake
van een subjectieve noodknop, maar van een noodzakelijk instrument om de marktintegriteit
juist in tijden van extreme externe schokken te bewaken.
De leden van de BBB-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen om handelsonderbrekingen uitsluitend
te koppelen aan objectieve, rekenkundige marktparameters (zoals concrete prijsbandbreedtes
of price collars), in plaats van een beursbestuur de ruimte te geven om preventief
te handelen op basis van externe geopolitieke gebeurtenissen?
Het sturen op harde, rekenkundige parameters – zoals een automatische handelsstop
zodra een aandeel of grondstof binnen vijf minuten met meer dan X procent stijgt of
daalt – heeft vanuit het oogpunt van objectiviteit en voorspelbaarheid grote voordelen.
Dit is dan ook de reden dat dergelijke automatische volatility interrupters en price collars de absolute basis vormen van de dagelijkse marktstabilisering. Handelsplatformen
maken hier continu gebruik van.
De reden waarom de Europese wetgever er in de herziene verordening voor heeft gekozen
om hiernaast ook ruimte te bieden voor een preventieve, kwalitatieve beoordeling door
de marktexploitant, is dat puur wiskundige formules blind zijn voor de aard en de
context van een externe schok.
De regering benadrukt dat deze preventieve bevoegdheid nadrukkelijk een sluitstuk
is en geen vervanging van de objectieve parameters. Objectieve, rekenkundige marktparameters
(prijsbandbreedtes) vangen 99% van de reguliere marktvolatiliteit op. Hier komt geen
menselijk handelen aan te pas. De preventieve bevoegdheid van de marktexploitant is
er exclusief voor de zeldzame, exogene schokken (zoals extreme crises of gewapende
conflicten, waardoor onordelijke handelsomstandigheden ontstaan) waarbij de wiskundige
modellen aantoonbaar tekortschieten.
Zoals toegelicht in het antwoord op de vorige vraag van deze leden, is het achteraf
toezicht door de AFM op het gebruik van deze preventieve knop de belangrijkste borging
tegen willekeur.
§ 4. Toezicht en handhaving
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de toelichting op de nieuwe bevoegdheid van de AFM
om passende maatregelen te nemen in het geval dat een marktexploitant, ondanks onordelijke
handelsomstandigheden, niet overgaat tot het stilleggen van de handel. Deze leden
onderschrijven het belang van deze bevoegdheid. Deze leden vragen de regering om nader
te verduidelijken welke criteria de AFM hanteert bij de beoordeling of sprake is van
«onordelijke handelsomstandigheden» en of hiervoor ESMA-richtsnoeren beschikbaar zijn
dan wel worden ontwikkeld, zodat marktpartijen tijdig en voorspelbaar kunnen anticiperen.
De AFM stelt zich bij het besluit tot een handelsmaatregel terughoudend op omdat het
belang van beleggers zwaar wordt meegewogen. Bij de afweging of onordelijke handelsomstandigheden
aanleiding zijn om de handel stil te leggen geldt dit onverminderd.
De specifieke omstandigheden die aanleiding zouden kunnen zijn om tot een handelsonderbreking
over te gaan laten zich moeilijk definiëren en zullen te allen tijde per geval worden
beoordeeld. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat hier gedetailleerde ESMA-richtsnoeren
voor zullen worden ontwikkeld.
De leden van de CDA-fractie constateren dat in de richtlijn tevens nieuwe rapportageverplichtingen aan
de ESMA zijn opgenomen. Deze leden vragen hoe deze nieuwe verplichtingen zich verhouden
tot reeds bestaande rapportageverplichtingen en op welke wijze overlap tussen nationaal
en Europees toezicht wordt voorkomen.
De nieuwe verplichting sluit meer aan bij de behoefte van marktdeelnemers om de informatie-
en transparantieverplichtingen beter af te stemmen op de volatiliteit van de desbetreffende
markt. Zo zullen er twee wekelijkse rapporten worden aangeleverd indien op het handelsplatform
opties worden verhandeld en een wekelijks rapport wanneer dat niet zo is (zie ook
de toelichting bij artikel 5:89f Wft op pagina 21 van de memorie van toelichting).
De nieuwe rapportageverplichtingen aan ESMA gaan over de splitsing van de positierapportage
in een optie-positie en een future-positie. ESMA publiceert deze informatie op haar website. De nieuwe verplichting
moet de transparantie (voor de markt) over openstaande posities vergroten. Deze wekelijkse
en twee wekelijkse rapportages worden niet of nauwelijks in het dagelijkse toezicht
van de AFM gebruikt omdat de dagelijkse positierapportage aan de AFM (op grond van
artikel 5:89f, derde lid, Wft) op frequentere basis is en meer granulariteit bevat.
Er is geen sprake van overlap omdat de rapportages twee verschillende doelstellingen
hebben (transparantie en toezicht).
Daarnaast vernemen de leden van de CDA-fractie graag hoe deze verplichtingen worden ingepast in de samenwerking tussen de
AFM en ESMA, aangezien de richtlijn geen nieuwe bepalingen bevat ten aanzien van de
onderlinge samenwerking tussen toezichthouders.
Er is niet wezenlijk sprake van samenwerking aangezien de wekelijkse positierapportage
rechtstreeks aan ESMA wordt gestuurd (voor publicatie, met het oog op transparantie
voor de markt) en de dagelijkse positierapportage aan de AFM (ten behoeve van het
toezicht op marktmisbruik van de AFM). De enige samenwerking die er is tussen AFM
en ESMA voor deze rapportages, is dat de AFM een aanpreekpunt is voor de rapporterende
entiteiten.
§ 5. Gevolgen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie constateren dat de memorie van toelichting wijst op de eenmalige nalevingskosten
van circa 10 miljoen euro en jaarlijkse kosten van circa 700.000 euro voor de invoering
van gegevenskwaliteitsregelingen ten behoeve van de CT. Deze leden vinden het van
belang dat de regeldruk voor financiële ondernemingen proportioneel blijft ten opzichte
van de beoogde voordelen. Deze leden vragen de regering om toe te lichten of bij de
kostenschatting ook rekening is gehouden met de (extra) nalevingskosten voor kleinere
beleggingsondernemingen en hoe deze in verhouding staan tot de verwachte baten van
de CT.
Bij de berekening van de eenmalige nalevingskosten (circa 10 miljoen euro) en de structurele
kosten (circa 700.000 euro) is de gelaagdheid van de sector nadrukkelijk meegewogen.
De genoemde nalevingskosten voor de invoering van gegevenskwaliteitsregelingen landen
in de praktijk niet als een generieke, gelijke deken over de gehele sector. Deze kosten
zijn primair toe te rekenen aan de zogeheten data contributors: de partijen die transacties faciliteren en deze data real time en gestandaardiseerd
moeten aanleveren aan de CTP.
Waar de kosten primair aan de aanbodzijde (de grote beurzen en handelsplatformen)
liggen, vallen de baten van de CT juist in sterke mate aan de vraagzijde, oftewel
bij de datagebruikers. Juist voor kleinere beleggingsondernemingen is de kosten-batenverhouding
van de CT gunstig, doordat deze ondernemingen voortaan via één enkel, betaalbaar contract
toegang hebben tot geconsolideerde handelsdata van de gehele EU. Bovendien vervallen
met de komst van de CT de belastende RTS 27- en RTS 28-rapportageverplichtingen. Voor
kleinere beleggingsondernemingen betekent dit een directe besparing op de doorlopende
compliance- en operationele kosten.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er verschillen bestaan in rapportageformats en doeleinden tussen
de rapportages aan ESMA en aan de AFM. Deze leden vragen de regering of deze verschillen
een volledige verklaring vormen voor het naast elkaar bestaan van beide verplichtingen.
Ziet de regering ook mogelijkheden voor verdere harmonisatie of vereenvoudiging van
de rapportageprocessen zodat marktpartijen niet onnodig dubbele administratieve lasten
dragen? Is hierover overleg gaande met ESMA?
Zoals hierboven aangegeven hebben de rapportages aan ESMA en aan de AFM verschillende
doelstellingen (transparantie en toezicht) en hebben de positierapportages aan de
AFM een hogere frequentie (dagelijks) en bevatten deze meer details. Verdere harmonisatie
of vereenvoudiging van de rapportageprocessen wordt overwogen in het kader van de
totstandkoming van het MISP-pakket.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de wijzigingen geen grote materiële gevolgen met zich brengen op
het gebied van regeldruk en nalevingskosten. De regeldrukeffecten zijn bepaald aan
de hand van het Handboek meting regeldrukkosten. Deze leden vernemen graag of de uitkomsten
hiervan ook door de sector worden herkend en of dit getoetst is bij marktpartijen.
Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting, met daarin de regeldrukparagraaf,
zijn ter consultatie gepubliceerd. Iedereen, ook marktpartijen, is daarbij in de gelegenheid
gesteld om een zienswijze naar voren te brengen over het wetsvoorstel en de memorie
van toelichting. Er zijn twee consultatiereacties ontvangen. De consultatiereacties
zagen niet op de regeldruk of de nalevingskosten.
Daarnaast lezen de leden van de CDA-fractie in het advies van de ATR dat de regeldruk deels afhankelijk is van nog op
te stellen technische reguleringsnormen door de Europese Commissie en richtsnoeren
van de ESMA. Deze leden vernemen graag in hoeverre deze nog nader uit te werken regelgeving
al is meegenomen in de huidige berekeningen van de regeldruk en nalevingskosten.
De regeldruk van toekomstige technische reguleringsnormen van de Europese Commissie
en richtsnoeren van ESMA is niet meegenomen in de huidige berekening van de regeldruk
en nalevingskosten. De Europese Commissie en ESMA voeren te zijner tijd een effectenbeoordeling
(impact assessment) uit bij het opstellen van deze regelgeving. In deze impact assessment gaan zij in op de regeldruk en de nalevingskosten.
Voorts lezen de leden van de CDA-fractie dat de wijzigingen geen substantiële effecten zouden hebben voor het mkb
en zzp’ers. Deze leden vragen of onderzocht is in hoeverre de verplichtingen voor
beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen indirecte- of tweede-orde-effecten
kunnen hebben voor mkb’ers en zelfstandigen.
In de effectenbeoordelingen (impact assessments) van de Europese Commissie is onderzocht via welke kanalen regelgeving voor de financiële
sector doorwerkt naar de reële economie. Op basis daarvan is de conclusie dat de indirecte
effecten voor het mkb en zelfstandigen (zzp’ers) naar verwachting beperkt, maar overwegend
positief van aard zullen zijn.
Momenteel zijn veel kleinere, lokale mkb-fondsen minder zichtbaar voor grote (internationale)
institutionele beleggers, omdat marktdata gefragmenteerd is en grotere investeerders
hun focus leggen op de meest liquide hoofdindices. De introductie van de CT brengt
de handelsdata van kleinere beurzen en mkb-groeimarkten samen in één Europees overzicht.
Dit vergroot de zichtbaarheid en de verhandelbaarheid (liquiditeit) van mkb-aandelen
en -obligaties. Het indirecte tweede-orde-effect is dat het voor mkb-ondernemingen
op termijn makkelijker en potentieel goedkoper wordt om kapitaal aan te trekken buiten
de traditionele bankensector om.
Zzp’ers acteren op de kapitaalmarkt primair in de hoedanigheid van particuliere belegger,
bijvoorbeeld om in eigen beheer vermogen op te bouwen voor hun oudedagsvoorziening.
Het verbod op PFOF beschermt deze groep tegen verborgen kosten en perverse prikkels
bij brokers. Het indirecte effect voor de beleggende zzp’er is een transparantere
marktstructuur waarin beleggingsproducten op zuivere kwaliteitskenmerken met elkaar
concurreren.
Een belangrijk risico bij financiële sectorwetgeving is dat strengere compliance-eisen
door banken en beleggingsondernemingen via aangescherpte contractvoorwaarden of hogere
tarieven indirect worden doorberekend aan hun zakelijke mkb-klanten. De onderhavige
herziening rationaliseert de regelgeving door onnodige verplichtingen (zoals de RTS 27/28-uitvoeringsrapportages)
te schrappen. Omdat de administratieve druk voor beleggingsondernemingen per saldo
eerder af- dan toeneemt, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat dit leidt
tot negatieve tweede-orde-effecten, zoals hogere dienstverleningstarieven voor mkb-ondernemers
die gebruikmaken van vermogensbeheer of zakelijke beleggingsproducten.
De regering becijfert de eenmalige nalevingskosten voor de sector voor het inrichten
van systemen voor de CT op bijna 10 miljoen euro, zo lezen de leden van de BBB-fractie. Hoewel de regering stelt dat dit «vervangende lasten» zijn voor oude rapportages,
vragen deze leden hoe reëel deze aanname is in de praktijk. Kan de regering uitsluiten
dat deze ingrijpende datakoppeling voor Nederlandse partijen onder de streep alsnog
tot een netto verzwaring van de operationele regeldruk leidt?
De raming van bijna 10 miljoen euro aan eenmalige nalevingskosten voor de Nederlandse
sector is reëel en weerspiegelt de noodzakelijke IT-investeringen die marktpartijen
(met name handelsplatformen en grotere beleggingsondernemingen) moeten doen om hun
systemen aan te sluiten op de CT. Dit vraagtop korte termijn een merkbare operationele
inspanning van de tech- en compliance-afdelingen van deze partijen.
De stelling dat dit «vervangende lasten» betreft, ziet echter op de structurele, doorlopende
(jaarlijkse) administratieve lasten op de middellange tot lange termijn. De praktijk
leert dat de regeldruk bij de oude systematiek niet zozeer zat in de initiële bouw,
maar in het continu onderhouden van tientallen gefragmenteerde datastromen, het handmatig
opschonen van inconsistente dataformaten en het opstellen van de geschrapte, complexe
RTS 27/28-uitvoeringsrapportages.
Hoewel de regering de initiële aanpassingskosten niet kan wegnemen, meent zij dat
dit onder de streep niet tot een netto verzwaring van de operationele regeldruk leidt
doordat er onder het nieuwe regime sprake is van meer standaardisatie in plaats van
maatwerk, meer centralisatie van het contractmanagement in het kader van de CT en
compensatie via het inkomstenverdelingsmodel.
De regering kan niet uitsluiten dat de overgangsfase tijdelijk een hogere operationele
druk geeft vanwege de gelijktijdige afbouw van oude systemen en de opbouw van de nieuwe
infrastructuur. Onder de streep is de aanname van «vervangende lasten» echter gerechtvaardigd:
het structurele, doorlopende werkproces voor marktpartijen wordt door de harmonisatie
eenvoudiger, voorspelbaarder en daardoor minder belastend dan de huidige gefragmenteerde
praktijk.
Aangezien Nederland kiest voor een «beleidsarme» implementatie zonder nationale koppen,
vragen de leden van de BBB-fractie naar het toezichtklimaat in de rest van Europa. Hoe voorkomt de regering
dat de AFM de regelingen ter borging van de datakwaliteit strenger handhaaft dan toezichthouders
in andere lidstaten, waardoor het Nederlandse vestigingsklimaat voor handelsondernemingen
verslechtert?
De AFM werkt binnen ESMA hard aan toezichtconvergentie en probeert bij het toezicht
op de naleving van de datakwaliteit zoveel mogelijk aan te sluiten bij de gangbare
praktijk in Europa. De AFM doet dit bij voorbeeld door actief bij te dragen aan werkgroepen
binnen ESMA om de Europese samenwerking op dit gebied te bevorderen.
§ 7. Gevolgen overschrijding implementatietermijn
De leden van de VVD-fractie constateren dat de implementatietermijn is overschreden en vragen de regering
om een toelichting op de vraag of de Europese Commissie reeds een inbreukprocedure
is gestart of daartoe stappen heeft gezet.
De Europese Commissie heeft Nederland op 20 november 2025 in gebreke gesteld in verband
met het overschrijden van de uiterste implementatiedatum van de richtlijn (29 september
2025). Zij is vooralsnog geen inbreukprocedure bij het Hof van Justitie gestart.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de overschrijding van de implementatietermijn concrete nadelen heeft gehad
voor Nederlandse marktpartijen, bijvoorbeeld ten aanzien van de toepassing van de
noodsituatiebevoegdheid.
Sinds het verstrijken van de uiterste implementatiedatum, 29 september 2025, heeft
zich op de Nederlandse financiële markten geen situatie voorgedaan die het noodzakelijk
of wenselijk maakte om gebruik te maken van de in (het voorgestelde) artikel 5:30a,
derde lid, eerste zin, Wft opgenomen bevoegdheid om vanwege een noodsituatie de handel
op een gereglementeerde markt of op een aanverwante markt tijdelijk stil te leggen
of te beperken.10 De overige gevolgen voor Nederlandse marktpartijen van het overschrijden van de implementatietermijn
van de richtlijn zijn toegelicht in paragraaf 7 van de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel.11
De leden van de CDA-fractie welke gevolgen de ingebrekestelling door de Europese Commissie wegens niet-tijdige
implementatie met zich meebrengt.
De ingebrekestelling van Nederland door de Europese Commissie vanwege de niet-tijdige
implementatie van de richtlijn zou ertoe kunnen leiden dat de Europese Commissie een
inbreukprocedure tegen Nederland begint bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Daarin zou zij een bedrag kunnen vorderen dat wordt berekend over de periode dat Nederland
te laat is met de omzetting van de richtlijn in nationaal recht. Van zo’n inbreukprocedure
is nu nog geen sprake.
Daarnaast vernemen de leden van de CDA-fractie graag in hoeverre deze vertraging gevolgen
heeft voor handelsplatformen die onder de richtlijn vallen, alsmede welke consequenties
dit heeft voor het toezicht door de Autoriteit Financiële Markten.
De gevolgen van de niet-tijdige implementatie van de richtlijn voor in Nederland geëxploiteerde
handelsplatformen zijn toegelicht in paragraaf 7 van de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel. De exploitant van een gereglementeerde markt, de zogenoemde marktexploitant,
beschikt tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel kracht van wet heeft verkregen en
in werking is getreden, nog niet over de bevoegdheid om op de door hem in Nederland
geëxploiteerde gereglementeerde markt de handel tijdelijk stil te leggen of te beperken,
als zich een noodsituatie voordoet. Verder heeft het verstrijken van de implementatietermijn
gevolgen voor de in de richtlijn neergelegde verplichting voor beleggingsondernemingen
of marktexploitanten om positiebeheerscontroles toe te passen bij de handel in van
emissierechten afgeleide instrumenten (derivaten) op de door hen in Nederland geëxploiteerde
handelsplatformen. De exploitant van het enige handelsplatform in Nederland waarop
dergelijke derivaten in enige omvang worden verhandeld past deze positiebeheerscontroles
in de praktijk al toe.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Autoriteit Financiële Markten alsnog kan handhaven op de richtlijn
via een aanpassing van het Besluit EU-verordeningen Wft. Deze leden vragen wat dit
concreet betekent voor het toezicht op marktpartijen nu de wetgeving nog niet is geïmplementeerd
maar er kennelijk al wel toezicht kan worden uitgeoefend.
De AFM oefent nu al toezicht uit in het belang van de bescherming van de belangen
van beleggers in een financieel instrument of de ordelijke handel in een instrument.
Zo beschikt ze over de bevoegdheid om door middel van het geven van een aanwijzing
een beleggingsonderneming die een handelsplatform exploiteert of een marktexploitant
te verplichten om de handel in een financieel instrument op te schorten of te onderbreken.
Zij kan nog niet handhavend optreden in een noodsituatie. In de praktijk zal in een
noodsituatie echter veelal sprake zijn van aanzienlijke koersbewegingen of een onordelijke
handel in een financieel instrument, zodat die situaties al kunnen worden ondervangen.
De toevoeging van een noodsituatie is met name bedoeld om de ordelijke werking van
de markten te herstellen en niet alleen de ordelijke handel in een financieel instrument.
De wijziging van het Besluit EU-verordening Wft (BEUv) strekt tot uitvoering van een
aantal in de MiFIR-verordening opgenomen voorschriften die rechtstreeks toepasselijk
zijn in de lidstaten van de Europese Unie. Daarentegen strekt het wetsvoorstel uitsluitend
tot implementatie van enige in de MiFID II-richtlijn opgenomen bepalingen. Deze bepalingen
moeten, omdat zij niet rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten, (wel) door
de lidstaten worden omgezet in hun nationaal recht. Met andere woorden: de door te
voeren wijziging van het BEUv ziet niet op de in het wetsvoorstel opgenomen bepalingen.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.