Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van verslag
36 918 Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van die wet en enkele andere wijzigingen
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 17 juni 2026
I. Algemeen
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie Justitie
en Veiligheid. Daarbij ben ik uw commissie erkentelijk voor de voortvarende behandeling
van het wetsvoorstel, nu de huidige wet met ingang van 1 maart 2027 vervalt. De leden
van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA, BBB en SGP hebben nog enkele
vragen, die ik hierna zal beantwoorden.
Bij de beantwoording is grotendeels de indeling van het verslag gevolgd, waarbij een
nummering bij de gestelde vragen is aangebracht. Waar dit de duidelijkheid ten goede
komt is een aantal vragen bij de beantwoording samengevoegd. De inhoud van het verslag
is daarbij cursief weergegeven.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Tijdelijke
wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking
van die wet en enkele andere wijzigingen (hierna: het wetsvoorstel). Deze leden onderschrijven
het belang van een doelmatige en efficiënte aanpak van terrorisme en extremisme om
de nationale veiligheid te garanderen. Tegelijkertijd constateren voornoemde leden
dat het wetsvoorstel ingrijpende maatregelen bevat die tot een beperking van diverse
grondrechten kunnen leiden, wat vraagt om een uitgebreide onderbouwing van de noodzaak
van het wetsvoorstel. De aan het woord zijnde leden zijn daarnaast van mening dat
een doelmatige aanpak van terrorisme vraagt om zowel het nemen van maatregelen met
betrekking tot de veiligheid als maatregelen met betrekking tot preventie. In dat
kader hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij delen de noodzaak
die de regering beschrijft om de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding
(hierna: Twbmt) permanent te maken. Deze leden zien met de regering de blijvende noodzaak
om te kunnen beschikken over bestuurlijke maatregelen ter bescherming van de nationale
veiligheid. Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling en ook enige verbazing kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De oorspronkelijke wet kende vanwege het vergaande karakter van de in die wet opgenomen
bestuurlijke maatregelen die meerdere grondrechten raakten, een horizonbepaling die
de wet in 2022 deed vervallen. Uit de kritische evaluatie van die tijdelijke wet bleek
toen al dat de bestuurlijke maatregelen te weinig toegevoegde waarde hadden. Het wetsvoorstel
tot verlenging van de wet stuitte ook op kritiek van de Afdeling advisering van de
Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling achtte het verlengingsvoorstel onvoldoende
onderbouwd. De toen nog beide fracties van GroenLinks en PvdA stemden tegen het wetsvoorstel
tot verlenging. Desalniettemin werd de tijdelijke wet in 2022 met vijf jaar verlengd.
De tweede evaluatie van de Twbmt uit 2024 is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
betreft duidelijk: de evaluatie wijst erop dat de tijdelijke wet nauwelijks is «toegepast
en dan vaak ook nog in aanvulling op een strafrechtelijk traject. De wet voorziet
kennelijk niet in een werkelijke behoefte»1. Bovendien is uit de evaluatie niet gebleken «dat er terroristische activiteiten
zijn ontplooid die met toepassing van de Twbmt hadden kunnen worden voorkomen»2. En «[g]een van de door ons geïnterviewde professionals van gemeenten, de politie
of Zorg- en Veiligheidshuizen, die op lokaal niveau betrokken zijn bij de aanpak van
radicalisering, heeft aangegeven grote behoefte te hebben aan de wet. Dit rechtvaardigt
de algemene conclusie dat de Twbmt geen noodzakelijk instrument is in de bestrijding
van terroristische activiteiten»3.
Daarnaast is gebleken dat ook de rechter in meerdere gevallen heeft geoordeeld dat
er onvoldoende onderbouwing was voor een maatregel. Ook wordt er in de evaluatie op
gewezen dat artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht inmiddels is gaan voorzien
in de mogelijkheid «om in afgeronde strafzaken met betrekking tot terroristische misdrijven
(mits uitgemond in een veroordeling tot een vrijheidsstraf of tbs) blijvend gedragsbeïnvloedende
en/of vrijheidsbeperkende maatregelen toe te passen»4. En als er in een strafzaak met betrekking tot een terroristisch misdrijf geen vrijheidsbeperkende
maatregel wordt opgelegd, geldt ook naar de mening van deze leden dat het strafrecht
het ultimum remedium moet blijven en is een bestuursrechtelijke maatregel die na een
strafrechtelijk vonnis zou moeten komen, dus ongewenst. Ten slotte stuit het voorliggend
wetsvoorstel nu wéér op een kritisch advies van de Afdeling. Voornoemde leden kunnen
zich aansluiten bij de woorden van de Afdeling, namelijk dat er «geen reden [is] om
af te zien van de eerder naar voren gebrachte vraagtekens bij deze wettelijke maatregelen,
temeer niet nu wordt voorgesteld de wet permanent te maken». Temeer ook daar de voorgestelde
bestuurlijke maatregelen meerdere grondrechten raken, zien de aan het woord zijnde
leden geen reden om de tijdelijke wet permanent te maken.
Vraag 1
Zij vragen de regering het wetsvoorstel beter te onderbouwen anders dan de redenering
dat het handig kan zijn «voor het geval dat» om de bestuurlijke maatregelen alvast
in de spreekwoordelijke gereedschapskist te hebben.
De regering stelt vast dat er sprake is van een aanhoudende en veranderende terroristische
dreiging, waarover periodiek wordt gerapporteerd in het Dreigingsbeeld Terrorisme
Nederland (DTN). Een Dreigingsbeeld kan in de loop der jaren fluctueren. Dit neemt
niet weg dat ook bij een lager dreigingsniveau er personen kunnen zijn ten aanzien
van wie het ter bescherming van de nationale veiligheid noodzakelijk kan zijn een
maatregel op te leggen. De frequentie van de noodzaak tot het opleggen van een maatregel
kan daarbij ook fluctueren. Daarnaast geldt dat de te beschermen belangen groot zijn,
wat het behoud van de wet ook bij een lagere frequentie van toepassing rechtvaardigt.
Uit de verschillende DTN’s die de afgelopen jaren zijn verschenen blijkt echter dat
de terroristische dreiging onverminderd hoog is. Om de terroristische dreiging het
hoofd te kunnen bieden blijft een brede aanpak nodig, waaronder het kunnen nemen van
preventieve maatregelen. De Twbmt vormt daar naar het oordeel van de van de regering
een onmisbaar onderdeel van.
Recente inzet van maatregelen bij een aantal terrorismeveroordeelden met een hoog
dreigingsprofiel zonder verblijfsrecht, waarbij ander instrumentarium om de dreiging
uitgaande van deze personen te mitigeren ontbrak, laat zien dat de wet nog steeds
noodzakelijk is. Het strafrecht is niet in alle gevallen inzetbaar of een oplossing
waar het gaat om preventieve maatregelen. Dat geldt ook ten aanzien van de hierboven
genoemde voorbeelden. Indien er bij het vonnis geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende
maatregel is opgelegd, is de inzet van strafrecht na detentie alleen aan de orde bij
nieuwe strafbare feiten. De inzet van de Twbmt is nodig om het zicht op deze personen
te behouden en risico’s te mitigeren. Met name bij deze specifieke doelgroep is er
dan ook een belangrijke noodzaak, wat ook uw Kamer benadrukt, om zicht te houden en
hun dreiging voor de nationale veiligheid te beperken. Overigens neemt dat niet weg
dat ook in andere situaties de inzet van de wet ter bescherming van de nationale veiligheid
noodzakelijk kan zijn. Op dit moment geldt echter dat specifiek deze groep maatregelen
vergt. Daarbij wordt benadrukt dat het gaat om bestuurlijke maatregelen die preventief
kunnen worden ingezet en nadrukkelijk geen punitief oogmerk hebben.
Tot slot dient te worden benadrukt dat indien «voor het geval dat» betekent dat de
maatregelen uit de wet alleen worden ingezet indien dit noodzakelijk is ter bescherming
van de nationale veiligheid, dit geen negatief uitgangspunt is. Juist omdat het gaat
om vrijheidbeperkende maatregelen wordt met de toepassing van die maatregelen zorgvuldig
omgegaan en juist omdat de te beschermen belangen die op het spel staan groot zijn,
is het noodzakelijk dat het instrumentarium behouden blijft.
Vraag 2
Deelt de regering de mening van deze leden dat het in het kader van het voorkomen
van terroristische aanslagen effectiever is om te voorkomen dat mensen afglijden naar
terroristisch gedachtegoed en gedrag? Zo ja, hoe gaat de regering daar gevolg aan
geven? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangspunt is dat wordt voorkomen dat personen radicaliseren richting extremisme
en/of terrorisme. Preventie kent verschillende fasen en een brede en gerichte inzet.
Inzet op al deze fasen is van belang om ons land veilig te houden.
Het voorkomen van radicalisering begint in de eerste plaats bij de zogenoemde brede preventie: het bevorderen van veerkracht en weerbaarheid. Deze vorm van preventie
ziet op het versterken van beschermende factoren en het verminderen van voedingsbodems
voor onder andere (maar niet enkel) radicalisering. Dit vraagstuk is niet enkel gericht
op veiligheid, maar is ook nauw verbonden met het sociaal, onderwijs- en zorgdomein
en sluit dan ook aan op bredere programma’s die welzijn, samenleven of democratisch
burgerschap in algemene zin bevorderen. Een voorbeeld hiervan is de Agenda Veerkrachtige
en Weerbare Samenleving, die als doel heeft om kennis en instrumenten te bieden aan
gemeenten en professionals om de veerkracht en weerbaarheid van individuen en groepen
te vergroten. Daarnaast richt bijvoorbeeld de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS)
zich op het versterken van de sociale stabiliteit en daarmee veerkracht in de samenleving
inzake maatschappelijke spanningen, polarisatie, preventie van ondermijning en radicalisering.
Tot slot speelt ook het onderwijs een grote rol in het versterken van (digitale) weerbaarheid
en burgerschapsonderwijs.
Naast deze brede vorm van preventie, focust de lokale aanpak radicalisering, extremisme
en terrorisme op gerichte preventie. Deze preventiefase heeft als doel te voorkomen dat personen radicaliseren
of verder gaan in hun radicaliseringsproces. Om dit te kunnen bewerkstelligen wordt
onder andere ingezet op:
• het zicht verkrijgen op vatbare individuen in vatbare omgevingen en/of personen die
zich in gemeenten bevinden,
• het uitvoeren van projecten en interventies voor deze personen, gericht op het versterken
van beschermende factoren,
• het vergroten van inzicht in effectieve preventieve interventies gericht op deze groepen
en/of personen,
• het versterken en onderhouden van kennis, vaardigheden, vertrouwen en samenwerking
in het netwerk,
• het evalueren en bijschaven van interventies en het bouwen aan bestuurlijk draagvlak.
Onderdeel van de lokale aanpak radicalisering, extremisme en terrorisme is de persoonsgerichte
aanpak radicalisering (PGA). Het doel van de PGA is het tegengaan van radicalisering
en het voorkomen van (gewelddadig) extremisme en terrorisme, door gezamenlijke inspanning
van lokale ketenpartners. De PGA is een integrale, op de persoon of zijn of haar directe
omgeving toegesneden mix van bestuursrechtelijke, strafrechtelijke, zorg- en overige
interventies. Hierin werken diverse organisaties vanuit verschillende disciplines
samen, zoals bestuur (gemeente), strafrecht (de politie, het OM) en zorg (zoals GGZ-partners).5 De grondslag van de PGA is gelegen in de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte
aanpak radicalisering en terroristische activiteiten.
Een groot deel van de aanpak is gericht op het voorkomen van radicalisering en het
tegengaan van verdere radicalisering in verschillende fasen. De Twbmt vindt zijn plaats
in het laatste stukje van de preventieve fase, daar waar preventie gericht op een
persoon noodzakelijk is om de nationale veiligheid te beschermen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van
de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering over dit wetsvoorstel.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie merken op dat bij de invoering van de Twbmt is benoemd dat de bestuurlijke maatregelen
niet los kunnen worden gezien van het gehele palet aan maatregelen om radicalisering
tegen te gaan. Deze leden delen de mening dat een effectieve aanpak van terroristisch
en extremistisch gedachtegoed vraagt om zowel maatregelen met betrekking tot het beschermen
van de nationale veiligheid als maatregelen ten behoeve van preventie.
Vraag 3
Voornoemde leden vragen de regering dan ook het volledige pakket aan maatregelen uiteen
te zetten waarbinnen de bestuurlijke maatregelen een rol vervullen en vragen de regering
daarbij expliciet uiteen te zetten welke maatregelen worden getroffen ten behoeve
van preventie van radicalisering.
Zoals geschetst bij de beantwoording van de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onder 2 wordt er in verschillende fasen ingezet op preventie. De Twbmt is een vorm van gerichte
preventie op een individu. Het doel van de Twbmt ziet op het beschermen van de nationale
veiligheid tegen mogelijk extremistisch of terroristisch geweld, dat met andere maatregelen,
zoals het strafrecht, (nog) niet kan worden weggenomen. De maatregelen hebben een
preventief karakter, enkele maatregelen kunnen ook ingezet worden na detentie wanneer
een veilige re-integratie centraal staat. Onderstaand worden diverse (niet limitatieve)
preventieve en repressieve maatregelen in de fase van de PGA geschetst.
Voorbeelden van preventieve interventies/activiteiten door sociaal- en zorgdomein
betreffen:
• Familie- en netwerkondersteuning;
• Gezinsbegeleiding;
• Coaching vanuit jongerenwerk;
• Theologische/ideologische begeleiding;
• Sociaal-emotionele vaardigheden verbeteren;
• Praktische ondersteuning bij het zoeken van een woning, werk of schuldenproblematiek;
• Vrijwillige zorg in overleg met betrokkene (bijv. gesprekken met een behandelaar of
opname in een GGZ-instelling);
• Bemoeizorg (dit kan ook zien op hulp bij sociale problemen, zoals schulden);
• Zorgmachtiging, crisismaatregel;
• Aanmelding bij het Zorg- en Veiligheidshuis voor de levensloopaanpak;
• Zorgmaatregelen via de Wet verplichte GGZ (Wvggz);
• Gecoördineerde aanpak in het geval van meervoudige problematiek via de Wet aanpak
meervoudige problematiek sociaal domein (Wams).
De inzet op deze interventies kan worden afgestemd in het lokale casusoverleg radicalisering,
zoals geregeld in de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering
en terroristische activiteiten.
Binnen de diverse rechtsgebieden (bestuursrecht en strafrecht) is de inzet van veiligheidsmaatregelen
mogelijk. CTER specifieke interventies, naast de Twbmt, zijn:
• Artikel 23 van de Paspoortwet: het bemoeilijken van zowel de uitreis van personen
naar terroristische strijdgebieden als eventuele ongeziene terugkeer uit strijdgebied.
• Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN): het intrekken van het Nederlanderschap op
grond van artikel 14, tweede lid, en 14, vierde lid, RWN.
• Bevriezingsmaatregel: bevriezen van financiële tegoeden van personen die opgenomen
zijn op de nationale sanctielijst.
• Strafrechtelijke maatregelen: bij verdenking van strafbare feiten. Specifiek voor
terroristische misdrijven geldt artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat de inzet van deze interventies afhankelijk is
van de beschermende en risicofactoren van de betrokkenen. Bij de inzet van interventies
wordt altijd gekeken naar proportionaliteit en subsidiariteit.
Vraag 4
Hoe beoordeelt de regering de balans tussen veiligheidsmaatregelen enerzijds en de
inzet op preventie anderzijds? Is deze balans met het huidige wetsvoorstel voldoende
gewaarborgd?
Preventie en repressie gaan hand in hand. De beantwoording van de vragen van de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie onder 2 en de leden van de D66-fractie onder 3 laat zien dat er binnen het brede palet van interventies veel mogelijkheden op het
gebied van preventie zijn. In minder gevallen zijn repressieve maatregelen, zoals
het strafrecht van toepassing. De Twbmt vormt een brug tussen deze twee vormen van
maatregelen: daar waar de preventieve interventies door het sociaal- en zorgdomein
niet meer toereikend zijn om een dreiging te beperken, maar waar repressieve maatregelen
zoals het strafrecht nog niet (of niet langer) in beeld komen. Dit past bij de aard
van de Twbmt, in het uiterste spectrum van preventieve maatregelen: daar waar overige
interventies niet toereikend zijn, nog geen sprake is van een strafbaar feit, maar
er wel op een individu gerichte interventies nodig zijn om gevolgen voor de nationale
veiligheid te voorkomen, zoals in gevallen waarin de strafrechtelijke detentie is
geëindigd, maar er nog steeds sprake is van een risico voor de nationale veiligheid.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de noodzaak van de Tijdelijke wet onderschrijft door te verwijzen
naar het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (hierna: DTN) van juni 2025, waaruit
blijkt dat de jihadistische dreiging van geradicaliseerde individuen in Nederland
onverminderd hoog is.
Vraag 5
Kan de regering bevestigen dat dit beeld vrijwel onveranderd is aan de hand van het
DTN van december 2025? Is er sindsdien sprake van andere soorten dreigingen, een afname
of intensiteit van bepaalde vormen van jihadisme?
De terroristische dreiging tegen Nederland is sinds de publicatie van het DTN in juni
2025 nog steeds hoog. Het dreigingsniveau is in december 2025 opnieuw als substantieel
aangemerkt. Naast dreiging vanuit het jihadisme blijft er een terroristische dreiging
uitgaan van aanhangers van rechts-terroristisch gedachtegoed en van een klein deel
geweldsbereide anti-institutioneel extremisten. Ten slotte kunnen aanslagplegers gedreven
worden door persoonlijke omstandigheden of handelen uit een fascinatie voor nihilistisch
geweld.6
2. Terroristische dreiging en contraterrorisme
2.1 Aanhoudende dreiging
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering onder andere het huidige dreigingsbeeld, de zorgen over online
radicalisering en de relatief snel veranderende omstandigheden in de wereld benoemt
als redenen om tot een andere weging te komen ten aanzien van de noodzaak voor behoud
van de Tijdelijke wet dan de onderzoekers in het evaluatierapport. Deze leden onderschrijven
het dreigingsbeeld dat de regering schetst met betrekking tot jihadistische, rechts-terroristische,
anti-institutionele en andere groeperingen. Daarnaast delen voornoemde leden de zorgen
over de snelheid van online radicalisering en de steeds grotere impact van sociale
media op het ontwikkelen van extremistisch gedachtegoed. De aan het woord zijnde leden
zien echter niet hoe deze problematiek wordt ondervangen met de permanentmaking van
de Twbmt.
Vraag 6
Kan de regering uiteenzetten hoe de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel bijdragen
aan het tegengaan van deze online ontwikkelingen?
De zorgen over de online dreiging nemen toe. Het online domein mist een corrigerend
geluid en wordt door extremisten en terroristen benut om hun ideologieën te verspreiden
en om te rekruteren via sociale media en andere platformen. Online radicalisering
blijft hierdoor vaak in eerste instantie onopgemerkt voor de directe omgeving. Online
radicalisering blijft niet beperkt tot de digitale wereld, maar fungeert regelmatig
als brug naar fysieke dreigingen. Het is daarom essentieel om de stap van online uitingen
naar gewelddadige actie te voorkomen. De Twbmt biedt ook de vereiste maatregelen,
zoals gebieds- of contactverboden, om de bewegingsvrijheid van personen met een acuut
online dreigingsprofiel in de fysieke wereld te beperken nog voordat zij tot actie
overgaan. Zonder deze wet ontstaat er een leemte wanneer een persoon weliswaar radicaliseert,
maar (nog) niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, of wanneer hij is gestraft, maar
nog steeds een risico vormt. Met bijvoorbeeld het opleggen van een meldplicht kan
met betrokkene contact kan worden gelegd. Op deze manier kan risicogedrag, waaronder
online, dat kan uitmonden in geweldsbereidheid worden gesignaleerd met het oog op
het mitigeren van het risico voor de nationale veiligheid dat van deze persoon uitgaat.
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de regering concludeert dat de maatregelen nog steeds noodzakelijk
zijn met het oog op het bestaande terroristische dreigingsniveau. Deze leden erkennen
dat het dreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid
(hierna: NCTV) onverminderd hoog is. Tegelijkertijd bestaat de mogelijkheid dat het
dreigingsniveau in de toekomst zal afnemen.
Vraag 7
Kan de regering toelichten waarom desondanks is gekozen voor een permanente wet in
plaats van een verlenging van de wet tot het dreigingsniveau substantieel is afgenomen?
Is de regering van mening dat de voorgestelde maatregelen en de mogelijk daaraan verbonden
inbreuk op grondrechten nog steeds noodzakelijk, proportioneel en uitlegbaar zijn
wanneer het dreigingsniveau sterk is afgenomen? Kan de regering dit per bestuurlijke
maatregel toelichten?
De regering heeft gekozen voor een permanente wettelijke regeling, omdat de terroristische
dreiging tegen Nederland al gedurende langere tijd substantieel is en bovendien een
veranderlijk en moeilijk voorspelbaar karakter heeft. Uit de opeenvolgende Dreigingsbeelden
Terrorisme Nederland (DTN’s) blijkt dat de aard en verschijningsvorm van de dreiging
voortdurend veranderen, waardoor behoefte blijft bestaan aan een duurzaam en flexibel
bestuurlijk instrumentarium. Het kabinet acht het daarom niet wenselijk dat de beschikbaarheid
van deze maatregelen afhankelijk blijft van periodieke verlengingen van tijdelijke
wetgeving. Om die reden is dan ook in het coalitieakkoord «Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland» de permanentmaking van de wet aangekondigd.
Zoals ook aan bod kwam bij de beantwoording van de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onder 2 neemt een eventuele verlaging van het algemene dreigingsniveau niet weg dat zich
nog steeds individuele gevallen kunnen voordoen waarin sprake is van een concrete
dreiging voor de nationale veiligheid. Ook in dergelijke situaties acht de regering
het noodzakelijk te kunnen beschikken over bestuurlijke maatregelen om risico’s tijdig
en proportioneel te beperken. Het algemene dreigingsniveau is niet bepalend voor de
noodzaak van een maatregel in een individueel geval, maar geeft in algemene zin aan
welke dreigingen zich voordoen als gevolg waarvan de noodzaak tot inzet van maatregelen
voorstelbaar is.
Voor alle bestuurlijke maatregelen uit de wet geldt dat toepassing uitsluitend mogelijk
is indien in het concrete geval wordt voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid,
proportionaliteit en subsidiariteit. Iedere maatregel dient individueel gemotiveerd
te worden waarbij rechterlijke toetsing mogelijk is. Hiermee wordt gewaarborgd dat
eventuele beperkingen van grondrechten slechts plaatsvinden indien dit gerechtvaardigd
is in het belang van de nationale veiligheid.
Dit geldt voor alle maatregelen uit de wet, waaronder het contactverbod, gebiedsverbod,
uitreisverbod en de meldplicht. Per maatregel wordt beoordeeld of deze, gelet op de
aard en ernst van de dreiging, passend en evenwichtig is. Zo kan een meldplicht noodzakelijk
zijn om zicht te houden op een persoon die een risico vormt voor de nationale veiligheid,
terwijl een contactverbod kan worden ingezet om beïnvloeding binnen extremistische
netwerken te voorkomen. De regering acht deze maatregelen, mede gelet op de bestaande
waarborgen en de individuele toetsing per geval, ook bij een lager algemeen dreigingsniveau
uitlegbaar en juridisch gerechtvaardigd.
Tot slot is nog relevant dat de regering de wet binnen vijf jaar na inwerkingtreding
van de permanentmaking opnieuw zal evalueren, waarbij onder meer zal worden gekeken
naar de toepassing, effectiviteit, proportionaliteit en uitvoerbaarheid van het instrumentarium
in de praktijk. De evaluatie en de kabinetsreactie daarop zullen aan beide Kamers
der Staten-Generaal worden toegezonden.
De leden van de VVD-fractie lezen in de beantwoording van feitelijke vragen bij de Voorjaarsnota 2026 dat er
in 2023 vijfentwintig verdachten van terroristische misdrijven zijn geregistreerd
bij het Openbaar Ministerie (hierna: OM). In 2024 waren dat er veertig. Er zijn nog
geen cijfers beschikbaar uit 2025. Mede uit deze cijfers en de jaarrapporten van de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
en het recente DTN blijkt dat het dreigingsniveau substantieel blijft. Er is volgens
het recente DTN een hoge voorstelbare terroristische dreiging en er is een reële kans
dat een aanslag in Nederland zal plaatsvinden.
Vraag 8
Kan de regering ingaan op de maatregelen die tijdens de kabinetsperiode worden getroffen
om deze dreiging te beperken? Welke maatregelen worden er naast permanentmaking van
de Twbmt genomen om bijvoorbeeld de toegenomen snelle online radicalisering van eenlingen
tegen te gaan?
Om de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde te beschermen tegen de aanhoudende
terroristische en geweldsbereide extremistische dreiging is de Nationale Contraterrorismestrategie
opgesteld. Deze strategie voorziet van een brede en wendbare aanpak waar nauwe samenwerking
tussen partners uit de betrokken veiligheids-, vreemdelingen- en zorgketen op nationaal
en lokaal niveau plaatsvindt. De strategie bestaat uit vier hoofddoelen: verwerven,
voorkomen, voorbereiden en vervolgen.
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) werkt middels
de Versterkte Aanpak Online (VAO) aan een gecoördineerde aanpak van specifiek online
extremisme en terrorisme. Daarin wordt intensief samengewerkt met partners binnen
het veiligheidsdomein, maar ook in het jeugddomein en met de online platformen. Daarnaast
vervult Nederland een voortrekkersrol bij het op de Europese agenda zetten van onlineradicalisering.
Zo pleit Nederland, samen met Frankrijk en Duitsland, voor aanvullende maatregelen,
in de vorm van een gedragscode ten aanzien van dergelijke platformen via de gezamenlijke
non-paper «Countering together: Fighting Online Radicalisation, Violent Extremism and Terrorism».
Ook wordt ingezet op preventie van en bewustwording over online radicalisering. Zo
werk ik samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aan de (brede)
preventie en de digitale weerbaarheid van jongeren via regionale bijeenkomsten en
conferenties.
De NCTV is met partners voornemens om door middel van communicatie-inzet aandacht
te genereren voor de zorgwekkende ontwikkeling van onder andere radicaliserende jongeren
en handelingsperspectief te bieden, naast de inzet die door gemeenten hierop wordt
gedaan die gefinancierd worden met de Versterkingsgelden. Voor een uitgebreid overzicht
van maatregelen en beleidstrajecten om online radicalisering tegen te gaan, verwijs
ik uw Kamer naar de voortgangsbrief VAO inzake extremisme en terrorisme, die recent
is verzonden aan uw Kamer.
Nederland heeft een robuuste aanpak op het tegengaan van radicalisering, extremisme
en terrorisme. Deze aanpak is ideologie-onafhankelijk en toepasbaar op iedere doelgroep
en leeftijd. Ook wordt in de lokale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme
het online domein steeds beter geïntegreerd: zo worden handvatten geboden om online
signalen sneller te kunnen herkennen, zoals in het verdiepingsdossier online. In het
geval van signalen van (online) radicalisering kan de betrokkene worden opgenomen
in de PGA. Ten aanzien van alleenhandelende daders is bekend dat een deel van hen
kampt met psychische problematiek. Mede daarom wordt ingezet op betrekken van de (forensische)
geestelijke gezondheidszorg bij de multidisciplinaire lokale aanpak.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de terroristische dreiging onverminderd actueel is en de kans op een aanslag
reëel blijft. De dreiging komt vooral voort uit jihadistische groepen uit ISIS-provincies
die jihadisten aansturen op aanslagen. Dit gedachtegoed wordt met name verspreid via
sociale media, wat veel terechtkomt bij tieners en jongvolwassenen. Deze leden constateren
dat eind 2022 de motie van het lid Kuik (Kamerstuk 29 754, nr. 658) is aangenomen om een pilot te starten om de aanpak van online radicalisering te
versterken door jongeren die radicaliserende content opzoeken, online om te leiden
naar anti-extremistische content.
Vraag 9
Kan de regering al resultaten delen van deze pilot, die in januari 2026 is uitgerold
op Instragram, Facebook en Threads? Zo nee, wanneer kan de Tweede Kamer de eerste
resultaten verwachten?
In januari 2026 is de Re-Direct-pilot met Meta kleinschalig uitgerold op Instagram.
Met behulp van deze ReDirect methode worden gebruikers die zoeken naar terroristische
online content omgeleid naar het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE). Tot op heden
is het aantal omleidingen relatief beperkt. In de zomer van dit jaar wordt de pilot
uitgebreid naar Threads en Facebook, waarna in het najaar van 2026 op basis van de
resultaten zal worden bezien of een eventuele uitbreiding en/of verlenging opportuun
is. Ik zal uw Kamer hierover eind 2026 informeren in de volgende voortgangsbrief ten
aanzien van de Versterkte Aanpak Online (VAO).
Vraag 10
De leden van de CDA-fractie vragen tevens of de regering bereid is te onderzoeken of met andere platformen vergelijkbare
pilots kunnen worden opgezet om radicalisering tegen te gaan, zoals gamingplatformen
of andere platformen waar veel jongeren actief op zijn. Daarnaast vragen deze leden,
nu de regering in de memorie van toelichting schrijft dat de online radicalisering
zich manifesteert over landsgrenzen heen, of de regering bereid is om de pilot onder
de aandacht te brengen bij andere Europese lidstaten.
De regering brengt de ReDirect-pilot reeds onder de aandacht van andere Europese lidstaten.
Zo heb ik het EU Internet Forum hiervoor aangegrepen. Gedurende de «Ministerial Meeting»
georganiseerd door de Europese Commissie worden Ministers vanuit de lidstaten, hooggeplaatste
vertegenwoordigers van online platformen, EU-instellingen en maatschappelijke organisaties
samengebracht om misbruik van online diensten voor terroristische en gewelddadige
extremistische doeleinden tegen te gaan. Ik zal op Europees niveau ervaringen blijven
uitwisselen over interventies, met aandacht voor samenwerkingsmogelijkheden, best
practices en kennisdeling. Verder is de regering bereid te onderzoeken of met andere
platformen vergelijkbare pilots kunnen worden opgezet om online radicalisering tegen
te gaan. Er loopt momenteel een verkenning. Zo wordt de mogelijkheid tot het opzetten
van een dergelijke pilot met een ander, vaak gebruikt sociale media platform onderzocht,
met oog voor de wijze waarop jongeren het beste bereikt kunnen worden. Daarnaast kijk
ik naar een project op een online gamingplatform. Ik zal uw Kamer in het najaar van
2026 nader over de voortgang van deze initiatieven informeren.
Vraag 11
De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat op grond van de Tijdelijke wet in de afgelopen zes jaren
slechts tweemaal een maatregel is opgelegd, te weten een meldplicht. Hoe verhouden
deze cijfers zich tot de aanhoudende dreiging die beschreven wordt door de regering?
In de afgelopen zes jaar (periode juli 2020 tot en met mei 2026) zijn aan vijf personen
één of meer maatregelen op grond van de Twbmt opgelegd. Daarbij dient te worden opgemerkt
dat het aantal opgelegde maatregelen hoger ligt indien de verlengingen worden meegerekend.
De Twbmt voorziet in een bestuurlijk instrumentarium voor die gevallen waarin sprake
is van een dreiging voor de nationale veiligheid en het noodzakelijk is om tijdig
maatregelen te kunnen treffen ter bescherming daarvan, wanneer andere interventies
ontbreken. Dat het instrumentarium gericht en terughoudend wordt ingezet, past ook
bij het ingrijpende karakter van de maatregelen en de beperking van grondrechten die
daarmee gepaard gaat, en het uitgangspunt dat per casus in eerste instantie wordt
bezien of de dreiging kan worden tegengegaan met interventies uit een ander kader.
De terroristische dreiging tegen Nederland is aanhoudend hoog, zoals ook volgt uit
de recente DTN’s. Daarbij komt dat sinds 2025 meerdere terrorismeveroordeelden met
een hoog dreigingsprofiel uit detentie vrijkomen. In individuele gevallen kan het
noodzakelijk zijn om ten aanzien van deze personen aanvullende bestuurlijke maatregelen
te treffen om zicht te houden op gedragingen en risico’s voor de nationale veiligheid
te beperken. De regering acht het daarom noodzakelijk dat dit instrumentarium beschikbaar
blijft.
2.2 Terrorismeveroordeelden met hoger dreigingsprofiel uit detentie
Vraag 12
De leden van de VVD-fractie stellen dat ook de komende jaren een aantal terrorismeveroordeelden met een hoog
dreigingsprofiel uit detentie zal komen. In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt
over deze groep, waarbij specifiek aandacht is besteed aan de groep waarvan het Nederlanderschap
is ingetrokken. Kan de regering een stand van zaken geven met betrekking tot de uitvoering
van de afspraken uit het coalitieakkoord?
De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, van de
Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), gaat in de meeste gevallen gepaard met het
opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod door de Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND). Hierna dient de persoon Nederland te verlaten. Het kabinet intensiveert de
inzet op het maatwerk van vertrek van personen die een risico vormen voor de nationale
veiligheid en geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. In de brief Coördinatie operationeel
contraterrorismebeleid die op 22 april jl. aan uw Kamer is verstuurd wordt hier nader
op ingegaan. Het kabinet voert voortvarend de afspraken uit het coalitieakkoord uit
waaronder de permanentmaking van de Twbmt. Zo is het advies van de Afdeling advisering
van de Raad van State verwerkt en is het wetsvoorstel op 24 maart jl. bij uw Kamer
ingediend. Daarnaast zet het kabinet zich in om de wettelijke mogelijkheid te creëren
om ter bescherming van de nationale veiligheid elektronische monitoring in combinatie
met een gebiedsgebod op te leggen. Het kabinet wil deze maatregel graag zorgvuldig
en toekomstbestendig vormgeven. Uw Kamer zal hierover in het najaar nader geïnformeerd
worden.
Wat betreft het creëren van een tijdelijke toezichtsmaatregel nationale veiligheid
wordt gekeken naar de aanpak van het Verenigd Koninkrijk voor terrorismeveroordeelden,
waaronder vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Het Verenigd Koninkrijk heeft
de mogelijkheid om een beperkte en tijdelijke juridische voorziening op te leggen
om op verschillende manieren en door verschillende organisaties duurzaam (toe)zicht
te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden, waaronder ook vreemdelingen zonder
rechtmatig verblijf. Dit kan doordat er strenge vrijheidsbeperkende voorwaarden aan
deze voorziening zijn gekoppeld. Conform het coalitieakkoord wordt gekeken naar de
mogelijkheden om in Nederland een soortgelijke maatregel te creëren. Hierbij geldt
als uitgangspunt dat de toezichtmaatregel geen (permanente) aanspraak op voorzieningen
oplevert. Deze tijdelijke voorziening dient enkel ter bescherming van de nationale
veiligheid en wordt zo ingericht dat er geen rechten uit voortkomen.
De leden van de VVD-fractie brengen in herinnering dat de rechter tegenwoordig ook de gedragsbeïnvloedende en
vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) kan opleggen bij veroordeling wegens een
terroristisch misdrijf. Hier is een specifieke wettelijke grondslag voor gecreëerd.
Vraag 13
Kan de regering toelichten hoe vaak inmiddels de GVM is opgelegd aan terrorismeveroordeelden?
En hoe vaak is de tenuitvoerlegging van deze maatregel gelast? Acht de regering het
wenselijk dat het OM bij het uitspreken van strafeisen wegens terrorismedelicten ook
vaker aan de rechter verzoekt een GVM op te leggen? Hoe vaak is dat in 2024, 2025
en tot nu toe in 2026 gebeurd?
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) heeft in het kader van het onderzoeksprogramma
van de Wet langdurig toezicht onderzoek gedaan naar de toepassing van de GVM in de
periode van 2018–2022. In die periode is de GVM 302 keer opgelegd, waarbij in 17 gevallen
sprake is geweest van een veroordeling voor een terroristisch misdrijf.
Tot en met 2023 heeft het openbaar ministerie ten aanzien van tien maatregelen een
vordering tot tenuitvoerlegging ingediend bij de rechtbank. Hiervan zijn negen vorderingen
toegewezen. Eén vordering is afgewezen. Het is niet bekend in hoeveel gevallen de
tenuitvoerlegging betrekking had op terrorismeveroordeelden.
Het aantal tenuitvoerleggingsbeslissingen is nog beperkt omdat de GVM sinds 2018 kan
worden opgelegd en de tenuitvoerlegging pas kan worden gevorderd en bevolen aan het
einde van de gevangenisstraf of tbs-maatregel. Hierdoor duurt het doorgaans meerdere
jaren alvorens de tenuitvoerlegging aan de orde is.
Het WODC brengt momenteel in kaart hoe vaak de GVM is opgelegd en tenuitvoergelegd
in de periode 2023–2026. Deze cijfers worden eind 2026 verwacht.
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeelden die naast het Nederlanderschap nog een andere
nationaliteit hebben en binnenkort vrijkomen, het Nederlanderschap kan worden ingetrokken.
Vraag 14
Deze leden vragen hoeveel terrorismeveroordeelden de komende twee jaar vrijkomen en
of voor elke terrorismeveroordeelde met een dubbele nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap
wordt ingetrokken.
Het precieze aantal invrijheidstellingen van deze groep is lastig te noemen, omdat
dit onder meer afhankelijk is van ontwikkelingen in de individuele strafprocessen
en het voldoen aan opgelegde voorwaarden. Het aantal (onherroepelijk) veroordeelden
van terroristische misdrijven dat in 2026 vrijkomt is daarmee afhankelijk van deze
uitkomsten. Op dit moment is van minder dan tien terrorismeveroordeelden de uitstroom
uit detentie voorzien in 2026.
De Minister kan op grond van artikel 14, tweede lid, van de RWN het Nederlanderschap
intrekken van personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een terroristisch
misdrijf. Hoewel het intrekken van het Nederlanderschap geen automatisme is, betreft
het hier wel een belangenafweging die naar zijn aard al snel in het nadeel van de
betrokken persoon uitvalt: met de onherroepelijke veroordeling is immers gegeven dat
de essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig zijn geschaad. Dit weegt zwaar en
rechtvaardigt dat bij de belangenafweging wordt uitgegaan van «intrekking, tenzij».
Dat betekent dat de Minister na een onherroepelijke veroordeling voor één van de genoemde
misdrijven bevoegd is in te trekken, maar betekent óók dat dat die intrekking al snel
in de rede ligt.
Vraag 15
Ook vragen voornoemde leden hoe de regering gaat voorkomen dat wanneer het Nederlanderschap
is ingetrokken maar het vertrek naar het derde land niet wordt gerealiseerd, deze
persoon onder de radar verdwijnt en onrechtmatig in Nederland verblijft met het risico
op radicalisering. Wordt over de terugkeer van deze groep veroordeelden afspraken
gemaakt met derde landen?
Onder coördinatie van de NCTV werken alle betrokken partners, ieder vanuit de eigen
processen en verantwoordelijkheden, intensief samen om de risico’s die van hoogrisico
casuïstiek uitgaat te mitigeren en zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden
zonder rechtmatig verblijf totdat vertrek gerealiseerd is. De aanpak is geïntensiveerd
om te voorkomen dat personen uit beeld raken en om vertrek te realiseren.
De Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) voert het terugkeerbeleid uit en zet zich maximaal
in om het vertrek van deze doelgroep te realiseren. DTenV is hiervoor mede afhankelijk
van externe factoren, waaronder de medewerking van landen van herkomst en de persoon
zelf alsmede individuele juridische procedures. Juist omdat medewerking van herkomstlanden
en juridische procedures vaak een lange doorlooptijd hebben, wordt ingezet op een
proactieve en samenhangende benadering, zodat beschikbare interventies tijdig en effectief
kunnen worden benut en diplomatieke inzet goed kan worden voorbereid. Omwille van
de vertrouwelijkheid van deze diplomatieke inzet kan ik niet ingaan op eventuele afspraken
die met derde landen worden gemaakt.
Om te voorkomen dat betrokkenen uit beeld raken, wordt – afhankelijk van de casus
– gebruikgemaakt van beschikbare maatregelen, zoals een meldplicht en gebiedsverbod
op basis van de Twbmt, de GVM zoals toegelicht bij de beantwoording van de vragen
van de leden van de VVD-fractie onder 13, en vreemdelingenrechtelijke maatregelen (waaronder een meldplicht en een gebiedsgebod).
Signaleringen en periodieke casusafstemming in ketenverband borgen dat zichtmomenten
worden gecreëerd en behouden. Daarnaast is in het coalitieakkoord aangekondigd dat
wordt bezien op welke wijze het instrumentarium ter bescherming van de nationale veiligheid
verder kan worden versterkt. Daarbij is onder meer genoemd het creëren van een tijdelijke
toezichtmaatregel nationale veiligheid, mede naar analogie van het Verenigd Koninkrijk,
evenals de mogelijkheid van elektronische monitoring in combinatie met een gebiedsgebod.
Eventuele voorstellen zullen afzonderlijk moeten worden uitgewerkt en beoordeeld,
mede in het licht van grondrechtelijke en verdragsrechtelijke waarborgen.
Vraag 16
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeelden zonder dubbele nationaliteit door betrokken
ketenpartners wordt ingezet op het houden van zoveel mogelijk zicht op deze personen.
Kan de regering nader uiteenzetten welke ketenpartners hierbij betrokken zijn, hoe
de informatie- en gegevensdeling op een adequate manier is ingericht en op welke manier
zicht wordt gehouden op de veroordeelden die vrij zijn gekomen?
Bij personen zonder dubbele nationaliteit, dus van wie het Nederlanderschap niet kan
worden ingetrokken na een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf,
geldt dat wordt ingezet op de re-integratie van de betrokkene. Buiten detentie komen,
onder regie van de gemeente, diverse zorg- en veiligheidspartners bijeen in het lokale
casusoverleg. De uitwisseling van gegevens vindt in het casusoverleg plaats onder
de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische
activiteiten. De voorbereidingen voor een veilige re-integratie worden al tijdens
detentie getroffen. De partners in het casusoverleg investeren na vrijlating uit detentie
verder in de veilige re-integratie. Zo heeft iemand die uit detentie komt in de regel
een traject bij de reclassering lopen. De overige inzet door overige partijen is persoonsgericht
en kent een significante overlap met de werkwijze, doelstellingen en samenwerkingspartners
van de persoonsgerichte aanpak. Deze aanpak is eerder toegelicht bij de beantwoording
van de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onder 2.
Zij kunnen, indien dat noodzakelijk wordt geacht, de inzet van bestuurlijke maatregelen
op basis van de Twbmt verzoeken. Indien de rechter bij het vonnis toezichtmaatregelen
heeft opgelegd op basis van artikel 38z WvSr kunnen ex-veroordeelden bij de tenuitvoerlegging
zo lang als nodig onder toezicht blijven staan en kan bij terugvalgedrag en dreigende
recidive worden ingegrepen. Bij personen zonder rechtmatig verblijf is de inzet tijdens
en na detentie niet op re-integratie, maar op het realiseren vertrek gericht.
Vraag 17
De leden van de CDA-fractie lezen dat een GVM zoals opgenomen in de Wet langdurig toezicht, binnen het strafrechtelijk
kader niet altijd kan worden toegepast op terrorismeveroordeelden. De regering benadrukt
daarom het belang van de Twbmt, die ook ziet op preventieve werking en het voorkomen
van recidive. Heeft de regering overwogen om de Wet langdurig toezicht aan te passen,
zodat terrorismeveroordeelden die vrijkomen, vaker hieronder kunnen vallen en, zo
nee, waarom niet? Kunnen de maatregelen in het wetsvoorstel de Wet langdurig toezicht
nu doorkruisen of kan dit niet naast elkaar bestaan?
De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) zoals opgenomen in
artikel 38z WvSr heeft tot doel recidive te voorkomen en slachtoffers te beschermen,
door langer toezicht te houden op veroordeelden en te werken aan gedragsverandering.
De inzet van artikel 38z WvSr vereist dat deze maatregel reeds in het veroordelende
vonnis is opgelegd, in combinatie met een (voorwaardelijke) gevangenisstraf of tbs-maatregel.
Indien de rechter de GVM niet heeft opgelegd, kan dat later niet alsnog gebeuren.
Dit in verband met het beginsel van ne bis in idem (verbod op dubbele bestraffing).
Indien de rechter de GVM heeft opgelegd, kan het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging
vorderen aan het einde van de gevangenisstraf of tbs-maatregel. De GVM kan vervolgens
aansluitend worden tenuitvoergelegd. Tenuitvoerlegging is kort gezegd mogelijk in
geval van recidiverisico of mogelijk ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers
of getuigen. De GVM kan worden verlengd zolang de risico’s aanwezig blijven.
De Twbmt kan ook worden toegepast ná of zonder een strafrechtelijk kader, wanneer
er nieuwe dreigingsinformatie naar voren komt en iemand op grond van zijn gedragingen
in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning
daarvan. De Twbmt is bedoeld voor die gevallen waarin sprake is van een dreiging voor
de nationale veiligheid, maar waarin de strafrechtelijke drempel voor bijvoorbeeld
vervolging, voorlopige hechtenis of het opleggen van strafrechtelijke maatregelen
(nog) niet wordt gehaald. De Twbmt kan dus ook worden toegepast in gevallen waarin
de GVM niet is opgelegd of tenuitvoergelegd. In zoverre vormt de Twbmt een aanvulling
op het strafrechtelijk instrumentarium. Per geval wordt zorgvuldig bekeken welke interventies
noodzakelijk en proportioneel zijn, en welke interventies het meest effectief zijn.
Vraag 18
De leden van de SGP-fractievragen de regering te reageren op kritiek dat de uitvoering van de meldplicht veel
te wensen overlaat en dat de wijze van uitvoeren vaak niet bijdraagt aan het daadwerkelijk
verwerven van goede informatie. Welke inspanningen verricht de regering om dit te verbeteren?
De onderzoekers van het WODC hebben in hun evaluatie van de Twbmt voorgesteld de meldplicht
te verbeteren door er een contactmoment van te maken met professionals binnen de radicaliseringsaanpak.
Het kabinet heeft deze suggestie omarmd en heeft in de gevallen waarin sinds het verschijnen
van het onderzoek meldplichten zijn opgelegd, de politie verzocht professionals op
het gebied van CTER en/of gesprekstechniek in te zetten bij de uitvoering van een
meldplicht. Ten behoeve van voornoemde professionals is een leidraad professionele
oordeelsvorming opgesteld met het oog op het benutten van het contactmoment dat de
meldplicht biedt voor zicht op de betreffende personen. Dit heeft geleid tot meer
inhoudelijke gesprekken met en een versterkt zicht op de personen aan wie de meldplicht
is opgelegd.
Vraag 19
De leden van de SGP-fractie constateren op basis van het evaluatieonderzoek dat in acht van de negen gevallen
een bestuurlijke maatregel is ingezet na een strafrechtelijke procedure. Deze leden
vragen of de regering kan duiden in hoeveel gevallen naar verwachting de inzet van
artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht soelaas had kunnen bieden.
De inzet van artikel 38z WvSr kan niet zonder meer als alternatief gelden voor de
Twbmt. De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) heeft tot doel
recidive te voorkomen en slachtoffers te beschermen, door langer toezicht te houden
op veroordeelden en te werken aan gedragsverandering. De inzet van artikel 38z WvSr
vereist dat deze maatregel reeds in het veroordelende vonnis wordt opgelegd, in combinatie
met een (voorwaardelijke) gevangenisstraf of tbs-maatregel. De tenuitvoerlegging kan
vervolgens worden gevorderd door het openbaar ministerie aan het einde van de gevangenisstraf
of tbs-maatregel. De Twbmt kan met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid
ook worden toegepast ná of zonder een strafrechtelijk kader, wanneer er nieuwe dreigingsinformatie
naar voren komt en iemand op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht
met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. In zoverre vormt de Twbmt
een aanvulling op het strafrechtelijk instrumentarium. Per casus wordt zorgvuldig
onderzocht welke interventies noodzakelijk en proportioneel zijn, en welke interventies
daarbij het meest effectief zijn.
3. De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding
3.1 Onderdeel van de persoonsgerichte aanpak
Vraag 20
De leden van de CDA-fractie lezen dat in een casusoverleg gezamenlijk de aanpak van radicaliserende of geradicaliseerde
personen wordt besproken tussen verschillende ketenpartners. Op welke manier is de
gegevensdeling hierbij geborgd, zodat lokale partners uit het sociale en zorgdomein
en nationale partners zoals de politie en reclassering, beschikken over voldoende
en dezelfde informatie over de persoon in kwestie? Onder welke voorwaarden kan de
NCTV aansluiten bij de casusoverleggen?
De gegevensdeling in het casusoverleg is geborgd middels de Wet gegevensverwerking
persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten. Deze continueert
en codificeert de praktijk van de persoonsgerichte aanpak radicalisering en zorgt
voor heldere juridische grondslagen waardoor deelnemers aan de casusoverleggen inzake
radicalisering en terroristische activiteiten (persoons)gegevens met elkaar mogen
delen en verwerken. Hierop is ook ingegaan bij de beantwoording van de vragen van
de leden van uw fractie onder 16.
De NCTV kan, op grond van de aan de Minister toegekende taken onder de Wet coördinatie
terrorismebestrijding en nationale veiligheid, op incidentele basis aansluiten bij
een casusoverleg, indien zij een uitnodiging ontvangt van de lokale weegploeg, bestaande
uit de burgemeester van de gemeente van verblijf, het OM en de politie.
3.2 Doelstelling
De leden van de D66-fractie constateren dat met het onderhavige wetsvoorstel de Minister van Justitie en Veiligheid
de bevoegdheid krijgt vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan een persoon
die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische
activiteiten of de ondersteuning daarvan. Het gaat daarbij om personen die in strafrechtelijke
zin nog niets verwijtsbaars doen, maar wiens gedragingen wel een gevaar vormen voor
de nationale veiligheid.
Vraag 21
Deze leden merken op dat onduidelijk is wanneer sprake is van het «in verband kunnen
worden gebracht» of «het ondersteunen» van terroristische activiteiten, waarbij de
gedragingen niet strafbaar zijn. Kan de regering daarom uiteenzetten welke activiteiten
hieronder kunnen vallen? Wat wordt concreet bedoeld met «het ondersteunen» van terroristische
activiteiten? In welke concrete omstandigheden zou hier sprake van zijn zonder dat
strafrechtelijk optreden mogelijk is? Kan de regering een aantal voorbeelden schetsen?
Zoals ook bij de invoering van de Twbmt is betoogd7 geldt dat het begrip terroristische activiteiten niet is gedefinieerd, omdat het
bestuur een zekere interpretatievrijheid bij de uitleg van het begrip behoort te hebben.
Als richtsnoer kan niettemin dienen dat het moet gaan om (ondersteuning van) activiteiten
die worden verricht met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het
WvSr. In dat artikel wordt onder terroristisch oogmerk verstaan: het oogmerk om (een
deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale
organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan
wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren
van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
De regering onderschrijft dat bij de toepassing van de Twbmt zorgvuldig moet worden
beoordeeld wanneer gedragingen kunnen worden aangemerkt als het «in verband kunnen
worden gebracht met terroristische activiteiten» of het «ondersteunen» daarvan. Het
gaat daarbij nadrukkelijk niet uitsluitend om gedragingen die reeds strafbaar zijn
gesteld, maar ook om gedragingen die, in onderlinge samenhang bezien, aanleiding geven
tot ernstige zorgen over risico’s voor de nationale veiligheid.
Onder het ondersteunen van terroristische activiteiten kan bijvoorbeeld worden verstaan
het faciliteren, stimuleren of in stand houden van terroristische netwerken, radicalisering
of extremistische activiteiten, zonder dat reeds sprake hoeft te zijn van strafrechtelijk
bewijs voor deelname aan een terroristische organisatie of de voorbereiding van een
terroristisch misdrijf. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan het structureel
onderhouden van contacten met personen uit extremistische netwerken, het verspreiden
van extremistische propaganda, het ondersteunen van radicaliseringsprocessen of gedragingen
die bijdragen aan de logistieke of organisatorische ondersteuning van terroristische
activiteiten.
Ook kan sprake zijn van gedragingen die afzonderlijk bezien niet strafbaar zijn, maar
die in samenhang met andere feiten en omstandigheden wel kunnen duiden op een risico
voor de nationale veiligheid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen
die reeds (meermaals) zijn veroordeeld voor terroristische misdrijven, maar die ook
na hun veroordeling actief contact onderhouden met jihadistische of extremistische
netwerken, herhaaldelijk verblijven in kringen waarin extremistisch gedachtegoed wordt
verspreid, of zich bezighouden met het aanjagen of verheerlijken van gewelddadig extremisme,
terwijl strafrechtelijk optreden op dat moment nog niet mogelijk is.
De Twbmt is juist bedoeld voor situaties waarin vanuit het oogpunt van bescherming
van de nationale veiligheid aanleiding bestaat om maatregelen te treffen, terwijl
het strafrecht nog niet of niet langer voldoende mogelijkheden biedt om in te grijpen.
Daarbij geldt steeds dat toepassing van maatregelen uitsluitend mogelijk is indien,
gelet op alle feiten en omstandigheden van het individuele geval, sprake is van noodzaak,
proportionaliteit en subsidiariteit.
Vraag 22
De leden van de BBB-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel een tijdelijke wet permanent wordt gemaakt, terwijl
uit evaluaties blijkt dat de wet slechts beperkt is toegepast en de effectiviteit
moeilijk aantoonbaar is. Deze leden vragen de regering daarom allereerst om een nadere
onderbouwing van de effectiviteit van de wet. Op basis waarvan concludeert de regering
dat deze bevoegdheden daadwerkelijk bijdragen aan het voorkomen van terroristische
dreiging?
De regering onderkent dat de effectiviteit van bestuurlijke maatregelen in het kader
van contraterrorisme niet uitsluitend in kwantitatieve zin kan worden beoordeeld.
De belangen die op het spel staan zijn echter groot. De Twbmt is bedoeld voor specifieke
situaties waarin sprake is van risico’s voor de nationale veiligheid en waarin het
noodzakelijk kan zijn om preventief bestuurlijk op te treden. Het gaat daarbij nadrukkelijk
om een instrumentarium dat is gericht op het voorkomen van terroristische activiteiten
en het beperken van risico’s, juist ook in situaties waarin strafrechtelijk optreden
nog niet of niet langer mogelijk is.
De regering acht de beperkte toepassing van de wet daarom niet zonder meer een aanwijzing
dat de bevoegdheden onvoldoende effectief zouden zijn. Het ingrijpende karakter van
de maatregelen en de mogelijke beperking van grondrechten brengen mee dat maatregelen
uitsluitend kunnen worden ingezet indien in het individuele geval wordt voldaan aan
de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dat leidt er logischerwijs
toe dat het instrumentarium terughoudend en casusgericht wordt toegepast.
Daarnaast blijkt uit de evaluaties dat de Twbmt in concrete gevallen heeft bijgedragen
aan het behouden van zicht op personen die een risico vormen voor de nationale veiligheid
en aan het beperken van veiligheidsrisico’s. Ook heeft de wet voorzien in aanvullende
handelingsmogelijkheden in situaties waarin bestaande kaders onvoldoende toereikend
waren. De regering acht juist de beschikbaarheid van een dergelijk aanvullend instrumentarium
van belang, gelet op het voortdurende en veranderlijke karakter van de terroristische
dreiging.
Daarbij komt dat vanaf 2025 naar verwachting meerdere terrorismeveroordeelden uit
detentie zullen vrijkomen met een hoger dreigingsprofiel dan eerder vrijgekomen terrorismeveroordeelden.
De regering acht het noodzakelijk dat ook in dergelijke situaties passende bestuurlijke
maatregelen kunnen worden getroffen indien dat, gelet op de bescherming van de nationale
veiligheid, noodzakelijk wordt geacht.
Tot slot dient er wellicht ten overvloede op worden gewezen dat de effectiviteit van
preventieve maatregelen op het terrein van de nationale veiligheid naar zijn aard
moeilijk is te staven. Er kan immers geen vergelijkend onderzoek worden verricht naar
de situatie waarin er wel en de situatie waarin geen maatregel is opgelegd.
3.3 De bestuurlijke maatregelen
De leden van de D66-fractie constateren uit de evaluatie van de Tijdelijke wet dat de meldplicht, die bedoeld
is om zicht te krijgen op geradicaliseerde personen, op dit moment weinig effectief
is, omdat de meldmomenten niet altijd zinvolle interactie opleveren. Zo ontbreken
de noodzakelijke vaardigheden hoe om te gaan met geradicaliseerde individuen bij medewerkers
waarbij een persoon zich moet melden. Deze leden zijn van mening dat de meldplicht
extra waarde zou hebben als de contactmomenten die daaraan zijn verbonden, ook daadwerkelijk
zicht geven op het gedachtegoed van de betrokken persoon en of (verdere) radicalisering
plaatsvindt.
Vraag 23
Voornoemde leden vragen de regering dan ook toe te lichten hoe, met de permanentmaking
van de meldplicht, extra kan worden ingezet op het vergroten van dergelijke vaardigheden
bij relevante instanties en werkgevers. Welke concrete wijzigingen vinden plaats in
de uitvoering van de meldplicht om het instrument te verbeteren?
Bij de beantwoording van de vragen van de leden van de SGP-fractie onder 18 is hier nader op ingegaan. Voor de beantwoording van deze vraag van de leden van
uw fractie wordt dan ook naar die beantwoording verwezen.
Vraag 24
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het DTN vaak wordt geconstateerd dat er personen zijn die radicaliseren
of sterk geradicaliseerd zijn en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.
Welke concrete gevolgen zouden er ontstaan als de Twbmt zou komen te vervallen per
1 maart 2027?
Met het opleggen van maatregelen op grond van de Twbmt wordt beoogd terroristische
dreiging te voorkomen en risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. De wet
biedt daarbij de mogelijkheid om bestuurlijke maatregelen op te leggen aan personen
die in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning
daarvan, juist in situaties waarin andere interventiemogelijkheden onvoldoende toereikend
zijn.
Indien de Twbmt per 1 maart 2027 zou vervallen, zou een belangrijk bestuurlijk instrumentarium
wegvallen waarmee gericht kan worden ingegrepen ter bescherming van de nationale veiligheid.
Dat zou onder meer betekenen dat geen bestuurlijke maatregelen meer kunnen worden
opgelegd zoals een meldplicht, contactverbod, gebiedsverbod of uitreisverbod. Daarmee
zouden mogelijkheden verdwijnen om zicht te houden op personen die een dreiging vormen
voor de nationale veiligheid, netwerkvorming tegen te gaan, of personen te beletten
zich naar bepaalde locaties of strijdgebieden te verplaatsen.
De regering acht dit onwenselijk, mede gelet op het voortdurende en veranderlijke
karakter van de terroristische dreiging zoals beschreven in de opeenvolgende DTN’s.
Daarbij komt dat sinds 2025 meerdere terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel
uit detentie vrijkomen. In individuele gevallen kan het noodzakelijk zijn om ten aanzien
van dergelijke personen aanvullende bestuurlijke maatregelen te treffen om risico’s
voor de nationale veiligheid te beperken, juist wanneer strafrechtelijke of andere
bestaande kaders daarvoor onvoldoende mogelijkheden bieden.
De Twbmt vervult daarmee een aanvullende rol binnen het bredere contraterrorismebeleid
en de persoonsgerichte aanpak. Het wegvallen van dit instrumentarium zou ertoe leiden
dat in specifieke gevallen niet langer tijdig en adequaat bestuurlijk kan worden opgetreden
tegen personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
Vraag 25
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering een voorbeeld kan geven van een hypothetische casus waarin
andere middelen, zoals het strafrecht, niet kunnen worden ingezet en deze bestuurlijke
middelen noodzakelijk zijn.
Er zijn verschillende situaties denkbaar waarin de inzet van de Twbmt noodzakelijk
kan zijn, terwijl strafrechtelijke interventies of andere bestaande kaders op dat
moment onvoldoende mogelijkheden bieden. De Twbmt is juist bedoeld voor die gevallen
waarin sprake is van een dreiging voor de nationale veiligheid, maar waarin de strafrechtelijke
drempel voor vervolging, voorlopige hechtenis of het opleggen van strafrechtelijke
maatregelen (nog) niet wordt gehaald.
Zo was de noodzaak tot het opleggen van maatregelen op grond van de Twbmt in 2025
aan de orde bij een casus van een terrorismeveroordeelde met een hoog dreigingsprofiel,
die na het vrijkomen uit strafrechtelijke detentie op grond van concrete gedragingen
in verband kon worden gebracht met terrorisme en een dreiging tegen de nationale veiligheid
werd geacht, maar waarin strafrechtelijke vervolging nog niet aan de orde was. Ook
kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een persoon die intensief contact onderhoudt met
extremistische netwerken, online jihadistisch of extremistisch gedachtegoed verspreidt
en signalen van verdere radicalisering vertoont, terwijl de beschikbare informatie
op dat moment onvoldoende is voor strafrechtelijke vervolging. In een dergelijk geval
kan een bestuurlijke maatregel, zoals een meldplicht of contactverbod, noodzakelijk
zijn om zicht te houden op betrokkene en verdere netwerkvorming of radicalisering
te beperken.
Een ander voorbeeld betreft personen die na afloop van een strafrechtelijke detentie
vrijkomen en ten aanzien van wie nog altijd sprake is van een hoog dreigingsprofiel.
Indien aan deze personen bij het vonnis geen gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende
maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het WvSr, is opgelegd, kan de Twbmt
noodzakelijk zijn om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken en zicht te
houden op gedragingen en contacten van betrokkene.
De regering acht het van belang dat in dergelijke situaties een aanvullend bestuurlijk
instrumentarium beschikbaar is, zodat ook buiten het strafrecht tijdig en proportioneel
kan worden opgetreden ter bescherming van de nationale veiligheid.
Vraag 26
De leden van de CDA-fractie lezen dat een maatregel die opgelegd kan worden op basis van de Twbmt, noodzakelijk
moet zijn met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid. Kan de regering
ingaan op de zwaarte van die toets en wanneer er wel en niet sprake is van de bescherming
van de nationale veiligheid.
De criteria «in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten» en
het «ondersteunen van terroristische activiteiten» moeten worden bezien in samenhang
met het vereiste dat een maatregel noodzakelijk moet zijn ter bescherming van de nationale
veiligheid. Niet iedere radicale, omstreden of zorgwekkende gedraging valt daarmee
onder de reikwijdte van de Twbmt. Doorslaggevend is steeds of de gedragingen, gelet
op alle feiten en omstandigheden van het individuele geval, een zodanig verband houden
met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan dat sprake is van een
risico voor de nationale veiligheid.
Bij de beoordeling of iemand in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten
wordt gekeken naar het totaalbeeld van gedragingen, contacten, uitingen en overige
relevante omstandigheden. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan intensieve
contacten met extremistische netwerken, gedragingen die wijzen op verdere radicalisering,
het verspreiden of verheerlijken van terroristisch gedachtegoed, pogingen anderen
te radicaliseren, of gedragingen die duiden op betrokkenheid bij of facilitering van
terroristische activiteiten. Deze gedragingen moeten echter wel in verband kunnen
worden gebracht met een dreiging voor de nationale veiligheid.
Van het ondersteunen van terroristische activiteiten kan eveneens sprake zijn zonder
dat betrokkene zelf terroristische handelingen verricht of reeds strafrechtelijk verwijtbaar
handelt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gedragingen die bijdragen aan
het faciliteren, versterken of in stand houden van terroristische netwerken of extremistische
structuren, indien die gedragingen noodzaken tot het nemen van preventieve maatregelen
ter bescherming van de nationale veiligheid.
De beoordeling vindt steeds plaats aan de hand van het individuele geval en in samenhang
met de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
Van noodzakelijkheid is slechts sprake indien op basis van het geheel aan feiten en
omstandigheden voldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat betrokkene een dreiging
vormt voor de nationale veiligheid en ingrijpen noodzakelijk is om die dreiging te
beperken. Daarbij wordt steeds beoordeeld of de maatregel daadwerkelijk kan bijdragen
aan de bescherming van de nationale veiligheid. Daarnaast geldt dat de maatregel proportioneel
moet zijn in verhouding tot de aard en ernst van de dreiging. Hoe ingrijpender de
maatregel en de beperking van grondrechten, hoe zwaarder de motivering moet zijn.
Tevens moet worden beoordeeld of minder ingrijpende middelen of bestaande interventies
toereikend zijn. Indien met andere, minder ingrijpende maatregelen hetzelfde doel
kan worden bereikt, ligt inzet van de Twbmt niet in de rede.
Gedragingen die uitsluitend een lokaal karakter hebben, vormen niet zonder meer een
bedreiging voor de nationale veiligheid. Indien echter lokale gedragingen onderdeel
zijn van bredere extremistische netwerkvorming, radicalisering of terroristische beïnvloeding,
kunnen deze – afhankelijk van de concrete omstandigheden – wel degelijk raken aan
de bescherming van de nationale veiligheid.
Juist vanwege het preventieve karakter van de Twbmt kan aanleiding bestaan om bestuurlijk
op te treden voordat strafrechtelijk optreden mogelijk is of als strafrechtelijk optreden
niet langer mogelijk is. Tegelijkertijd waarborgt de zware toets aan de nationale
veiligheid dat maatregelen uitsluitend kunnen worden opgelegd in die gevallen waarin
daadwerkelijk sprake is van een voldoende concrete en ernstige dreiging voor de nationale
veiligheid.
Vraag 27
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de cijfers kan duiden rondom de aantal opgelegde vrijheidsbeperkende
maatregelen tussen 2017 en 2027. Wat is de reden dat de aantallen relatief laag liggen?
Heeft dat te maken met juridische of praktische bezwaren of heeft dit andere oorzaken?
Er zijn verschillende verklaringen mogelijk voor het gegeven dat het aantal gevallen
waarin maatregelen zijn opgelegd, beperkt is. Uit onderzoek van het WODC is gebleken
dat partijen die gevallen kunnen aandragen in eerste instantie kijken naar alternatieve
interventies. Daarbij is de drempel voor inzet van de Twbmt hoog, en wordt gekozen
voor de (combinatie van) minst ingrijpende, maar meest effectieve interventie(s).
Ook is eerder vastgesteld dat de bekendheid van de wet was afgenomen in een periode
waarin het dreigingsniveau lager was, en waarin de NCTV bovendien geen mogelijkheid
had aan te sluiten bij lokale casusoverleggen en zo de mogelijkheden van de wet onder
de aandacht te brengen. Inmiddels kan de NCTV onder voorwaarden weer op incidentele
basis aansluiten bij de casusoverleggen radicalisering en heeft de NCTV de mogelijkheid
de deelnemers van het casusoverleg te adviseren over de maatregelen van de Twbmt.
Deze ontwikkeling kan bijdragen aan meer bekendheid en inzet van de wet.
Vraag 28
De leden van de BBB-fractie vragen ten aanzien van het gebiedsverbod de regering te reflecteren op hoe vaak deze
maatregel sinds de invoering van de wet is toegepast. Deze leden vragen hoe effectief
een gebiedsverbod is in situaties waarin sprake is van een concrete terroristische
dreiging. In hoeverre voorkomt een dergelijke maatregel daadwerkelijk dat iemand tot
geweld overgaat?
Sinds de invoering van de Twbmt is aan drie personen een gebiedsverbod op grond van
de Twbmt opgelegd. Uit de praktijk is gebleken dat met name de handhaving van dit
verbod door middel van elektronische monitoring sterk bijdraagt aan de effectiviteit
van dit verbod. Bij overtreding van het verbod, dat wordt opgelegd bij dreiging tegen
een specifieke locatie, wordt de politie door de elektronische monitoring in staat
gesteld deze overtreding snel op te volgen en zo concrete terroristische dreiging
tegen te gaan.
Vraag 29
De aan het woord zijnde leden vragen daarnaast of in situaties van serieuze dreiging
niet een zwaardere maatregel overwogen zou moeten worden. Waarom wordt niet gekozen
voor een vorm van tijdelijke administratieve detentie of een andere administratieve
vrijheidsbenemende maatregel indien sprake is van een concrete dreiging, maar strafrechtelijk
ingrijpen (nog) niet mogelijk is?
De regering onderkent dat in situaties van ernstige terroristische dreiging de vraag
kan opkomen of verdergaande maatregelen noodzakelijk zijn. Tegelijkertijd geldt dat
administratieve detentie of andere administratieve vrijheidsbenemende maatregelen
zeer ingrijpende bevoegdheden betreffen, die diep ingrijpen in fundamentele rechten,
in het bijzonder het recht op vrijheid zoals beschermd door artikel 5 van het EVRM.
Voor een dergelijke maatregel is een uitdrukkelijke en toereikende wettelijke grondslag
vereist, waarbij tevens hoge eisen gelden ten aanzien van noodzakelijkheid, proportionaliteit,
rechtsbescherming en rechterlijke toetsing.
De Twbmt voorziet daarom in bestuursrechtelijke vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals
een meldplicht, contactverbod, gebiedsverbod en uitreisverbod, die gericht zijn op
het beperken van risico’s voor de nationale veiligheid, zonder dat sprake is van vrijheidsbeneming.
Daarbij geldt dat steeds wordt gekozen voor de minst ingrijpende maatregel die, gelet
op het concrete dreigingsbeeld, effectief wordt geacht.
Indien sprake is van een concrete terroristische dreiging en strafrechtelijk optreden
mogelijk is, ligt inzet van het strafrecht en de daarbij behorende dwangmiddelen in
de rede. De Twbmt is juist bedoeld voor situaties waarin vanuit het oogpunt van nationale
veiligheid bestuurlijk optreden noodzakelijk wordt geacht, maar waarin de strafrechtelijke
drempel voor vervolging of voorlopige hechtenis (nog) niet wordt gehaald.
In het coalitieakkoord is aangekondigd dat wordt bezien op welke wijze het instrumentarium
ter bescherming van de nationale veiligheid verder kan worden versterkt. Daarbij is
onder meer genoemd het creëren van een tijdelijke toezichtmaatregel nationale veiligheid,
mede naar analogie van het Verenigd Koninkrijk, evenals de mogelijkheid van elektronische
monitoring in combinatie met een gebiedsgebod. Eventuele voorstellen zullen afzonderlijk
moeten worden uitgewerkt en beoordeeld, mede in het licht van grondrechtelijke en
verdragsrechtelijke waarborgen.
Vraag 30
De leden van de SGP-fractie maken uit de toelichting op dat inmiddels meer maatregelen zijn opgelegd dan in het
evaluatieonderzoek uit 2024 te lezen valt. Deze leden vragen of de regering het overzicht
zoals weergegeven op pagina 109 van het onderzoek, kan aanvullen met de nieuwe gegevens
en of zij een duiding kan geven van de meest recente maatregelen die zijn opgelegd.
In aanvulling op de gegevens op pagina 109 van het WODC-rapport kan worden aangegeven
dat het totaal aantal personen aan wie maatregelen zijn opgelegd sinds inwerkingtreding
van de wet per juni 2026 11 betreft. In casus 10 zijn met ingang van mei 2025 een
meldplicht en gebiedsverbod opgelegd; deze maatregelen zijn inmiddels tweemaal verlengd.
In casus 11 is sinds december 2025 een meldplicht opgelegd.
Vraag 31
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre het doel van het gebiedsverbod op grond van de Tijdelijke wet
ook bereikt kan worden met een gebiedsverbod door de burgemeester of burgemeesters
dan wel op basis van een civielrechtelijke procedure.
De burgemeester kan op grond van artikel 172a van de Gemeentewet bij ernstige vrees
voor verdere verstoring van de openbare orde een gebiedsverbod opleggen. Dit gebiedsverbod
houdt in een bevel om zich niet te bevinden in de omgeving van een of meer bepaalde
objecten binnen de gemeenten, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeenten,
of zich niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een voor het publiek
toegankelijke plaats zonder redelijk doel met meer dan drie andere personen in groepsverband
op te houden. Dit gebiedsverbod kan worden opgelegd aan een persoon die individueel
of in groepsverband de openbare ernstig heeft verstoord of bij de groepsgewijze ernstige
verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad. Te denken valt aan personen
die hebben gezorgd voor overlast in de wijk of rondom wedstrijden in het betaald voetbal
en ernstige vrees bestaat dat er verdere verstoring van de openbare orde plaatsvindt.
Dit zijn personen die veelal ook strafbaar gedrag vertonen. Het doel van deze bevoegdheid
is om herhaling van (ernstige) verstoringen van de openbare orde te voorkomen.
Het doel van de bevoegdheid van de Minister om een gebiedsverbod op te leggen op grond
van de Twbmt is de bescherming van de nationale veiligheid. Een gebiedsverbod kan
door de Minister slechts worden opgelegd een persoon die op grond van zijn gedragingen
in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning
daarvan indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid. Vaak
gaat het om personen die (nog) geen strafbare gedragingen hebben verricht.
Kortom, het doel, de doelgroep en de voorwaarden waaronder een burgemeester een gebiedsverbod
kan opleggen verschillen fundamenteel van het doel, de doelgroep en de voorwaarden
waaronder de Minister een gebiedsverbod kan opleggen. Dit geldt overigens ook voor
gebiedsverboden die de burgemeester op basis van andere wetsbepalingen kan geven,
zoals artikel 172, derde lid, en 175 van de Gemeentewet of de APV, als de gemeenteraad
daarin heeft voorzien. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare
orde en heeft bevoegdheden om op treden bij een (dreigende) verstoring van de openbare
orde. Bij de belangenafweging die een burgemeester maakt bij het opleggen van een
gebiedsverbod wordt het belang van de nationale veiligheid daarom niet meegewogen.
Daarnaast voldoen personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid veelal
niet aan de voorwaarden om een gebiedsverbod op grond van de Gemeentewet op te leggen,
omdat zij zich niet schuldig maken aan een verstoring van de openbare orde. Als dat
in een bepaalde casus wel zo is, is de bevoegdheid van de burgemeester bovendien beperkt
tot zijn eigen gemeente. Het belang van de nationale veiligheid kan onvoldoende worden
gewaarborgd met de bevoegdheid van burgemeesters om op grond van de Gemeentewet een
gebiedsverbod op te leggen. Het is daarom noodzakelijk dat de bevoegdheid van de Minister
om een gebiedsverbod op te leggen blijft bestaan.
Een civielrechtelijk gebiedsverbod speelt voornamelijk in zaken waarin een persoon
hinder of overlast ervaart door een ander en in een kort geding aan de civiele rechter
om een gebiedsverbod vraagt. Bij de afweging van de rechter om een gebiedsverbod op
te leggen speelt het belang van de nationale veiligheid geen rol.
Vraag 32
De leden van de SGP-fractie vragen of het gebiedsverbod dat onder de Tijdelijke wet aan een drietal personen
is opgelegd, ook gepaard ging met een enkelband. Eveneens vragen zij of de regering
kan aangeven wat het geografische bereik was van de gebiedsverboden die zijn opgelegd.
Tot op heden is aan drie personen een gebiedsverbod opgelegd op grond van de Twbmt.
In twee van deze gevallen heeft handhaving door middel van elektronische monitoring
plaatsgevonden. Ten aanzien van het geografische bereik kan worden aangegeven dat
in twee gevallen een deel van de stad Den Haag, en in het andere geval een deel van
de stad Rotterdam als verboden gebied is aangemerkt.
Vraag 33
De leden van de SGP-fractie vragen of het toepassen van een enkelband volgens de regering in beginsel voor de
hand ligt gezien het ernstige karakter van de maatregel van een gebiedsverbod op basis
van de voorgestelde bijzondere bestuursrechtelijke regeling.
Zoals ook is toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de leden van de BBB-fractie onder 28 geldt dat sinds de invoering van de Twbmt aan drie personen een gebiedsverbod op
grond van de Twbmt is opgelegd. Uit de praktijk is gebleken dat met name de handhaving
van dit verbod door middel van elektronische monitoring sterk bijdraagt aan de effectiviteit
van dit verbod. Bij overtreding van het verbod wordt de politie door de elektronische
monitoring in staat gesteld deze overtreding snel op te volgen en zo concrete terroristische
dreiging tegen te gaan.
4. Evaluatie Twbmt, beleidsreactie en voorgestelde maatregelen
4.1 Conclusies evaluatierapport
Vraag 34
De leden van de D66-fractie lezen in de wetsevaluatie dat de bestuurlijke maatregelen uit de Tijdelijke wet in
de afgelopen jaren zelden zijn toegepast en als deze zijn toegepast deze vaak in aanvulling
op een strafrechtelijk traject van toepassing waren. Deze leden lezen in de memorie
van toelichting dat een van de argumenten vóór het wetsvoorstel juist is dat preventief
ingrijpen mogelijk wordt als strafrechtelijk ingrijpen geen uitkomst biedt. Voornoemde
leden vragen de regering dan ook te reflecteren op deze doelstelling van het wetsvoorstel.
Welk gat vullen de maatregelen op als de maatregelen niet preventief maar in aanvulling
op een strafrechtelijk traject worden opgelegd?
Het klopt dat in een aanzienlijk deel van de gevallen waarin maatregelen op grond
van de Twbmt zijn opgelegd, sprake was van een voorafgaand strafrechtelijk traject.
Dat neemt echter niet weg dat de inzet van de Twbmt een preventief karakter heeft.
De maatregelen uit de Twbmt zijn immers niet gericht op bestraffing van eerder handelen,
maar op het voorkomen van toekomstige terroristische dreiging en het beperken van
risico’s voor de nationale veiligheid.
Ook in situaties waarin een strafrechtelijk traject is geëindigd of waarin strafrechtelijke
interventies onvoldoende mogelijkheden bieden, kan nog steeds sprake zijn van een
actuele dreiging voor de nationale veiligheid. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
aan personen die na detentie vrijkomen en ten aanzien van wie nog altijd zorgen bestaan
over radicalisering, extremistische contacten of de kans op recidive, terwijl geen
grondslag bestaat voor verdere strafrechtelijke vrijheidsbeperkende maatregelen.
In dergelijke gevallen kan inzet van de Twbmt noodzakelijk zijn om preventief risico’s
te beperken. Zo kunnen maatregelen worden ingezet om zicht te houden op gedragingen
van betrokkene (meldplicht), netwerkvorming of beïnvloeding binnen extremistische
kringen tegen te gaan (contactverbod), of verplaatsingen die relevant zijn voor terroristische
activiteiten te beperken (gebiedsverbod of uitreisverbod).
De regering acht het preventieve karakter van de Twbmt daarmee juist gelegen in het
feit dat maatregelen kunnen worden getroffen vóórdat nieuwe strafbare feiten plaatsvinden
en in situaties waarin strafrechtelijk optreden niet of niet langer mogelijk is, maar
vanuit het oogpunt van nationale veiligheid nog wel aanleiding bestaat om risico’s
te beperken.
4.2 Beleidsreactie
4.2.1 Noodzaak behoud vrijheidsbeperkende maatregelen
De leden van de VVD-fractie stellen dat het contactverbod van de Twbmt in de huidige vorm fysiek van aard is.
Tegelijkertijd hebben zij zeker in de afgelopen paar jaren gezien dat er een toename
is van online radicalisering, met name bij jongeren. De aan het woord zijnde leden
menen dat daarmee de aard van de dreiging van terrorisme is veranderd ten opzichte
van 1 maart 2017, toen de Twbmt in werking trad.
Vraag 35
Heeft de regering onderzoek gedaan naar uitbreiding van het contactverbod uit de Twbmt
naar online contacten? Zo nee, waarom niet? Voornoemde leden stellen dat een online
contactverbod in sommige gevallen effectiever kan zijn om de nationale veiligheid
te beschermen dan een fysiek contactverbod. Wat is hiervoor nodig? En is de regering
bereid deze uitbreiding voor te bereiden?
In het coalitieakkoord zijn verschillende maatregelen op het gebied van contraterrorisme
opgenomen. Zo wordt de (lokale) aanpak van contraterrorisme versterkt en zet de regering
in op een gecoördineerde aanpak van radicaliserende jongeren. Daarbij wordt (online)
radicalisering tegengegaan door middel van preventie en vroegsignalering, en door
het vergroten van kennis en vaardigheden van professionals. Ook is aangekondigd dat
het toezicht op vrijkomende terrorismeveroordeelden zonder verblijfsrecht wordt versterkt,
waaronder het verkennen van mogelijkheden voor elektronische monitoring en gebiedsgebonden
maatregelen en het verkennen van de mogelijkheid tot invoeren van een tijdelijke toezichtsmaatregel
naar Brits voorbeeld. De permanentmaking van de Twbmt is eveneens een belangrijk onderdeel
van de versterking van toezicht. Gelet op de horizonbepaling in de huidige wet heeft
de regering er voor gekozen zich in eerste instantie te richten op behoud van de Twbmt
en zich ervan te verzekeren dat de voor terrorismebestrijding belangrijke maatregelen
die daarin zijn opgenomen blijvend ingezet kunnen worden. Daarbij geldt dat de genoemde
maatregelen nadere uitwerking vergen. Mogelijke aanpassing van het contactverbod wordt
hierin ook betrokken.
Vraag 36
De leden van de PVV-fractie lezen dat er in 2027 weer jihadistische terrorismeveroordeelden vrijgelaten zullen
worden. Zij vragen de regering om hoeveel personen het gaat.
Bij de beantwoording van de vragen van de leden van de CDA-fractie onder 14 is toegelicht dat het precieze aantal invrijheidstellingen van terrorismeveroordeelden
lastig is te noemen, omdat dit onder meer afhankelijk is van ontwikkelingen in de
individuele strafprocessen en het voldoen aan voorwaarden. Het aantal (onherroepelijk)
veroordeelden van terroristische misdrijven dat in 2026 vrijkomt is daarmee afhankelijk
van deze uitkomsten. Op dit moment is van minder dan tien terrorismeveroordeelden
de uitstroom uit detentie voorzien in 2026.
De wetsartikelen die ten grondslag liggen aan een veroordeling voor een terroristisch
misdrijf zijn ideologie-neutraal. Daarom is het niet mogelijk om inzichtelijk te maken
welke terrorismeveroordeelden in 2027 vrij zullen komen uit detentie die veroordeeld
zijn voor een jihadistisch gemotiveerd terroristisch misdrijf.
Vraag 37
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of zij een update kan geven over potentiële uitreizigers uit
Nederland of Europa richting Syrië, Somalië of Afghanistan met betrekking tot het
aansluiten bij een kalifaat. Zijn sinds het DTN uit december 2025 nieuwe signalen
binnengekomen over een stroom richting die gebieden?
Binnen de jihadistische beweging is er nog steeds interesse om uit te reizen en zich
aan te sluiten bij terroristische groeperingen in de genoemde landen. In absolute
aantallen is het aantal echter nog beperkt, afgezet tegen de periode 2012–2016.
Vraag 38
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering schrijft dat de handhaving van een gebiedsverbod met een enkelband
ervoor zorgt dat tijdig ingegrepen kan worden bij een dreiging richting personen of
objecten in het verboden gebied. Deze leden vragen of bij een gebiedsverbod als preventieve
bestuurlijke maatregel een enkelband standaard onderdeel is van de maatregel.
Zoals ook bij de beantwoording van de vragen van de leden van de BBB-fractie onder 28 en de SGP-fractie onder 33 is toegelicht geldt dat elektronische monitoring wordt ingezet wanneer dit voor de
handhaving van een gebiedsverbod noodzakelijk wordt geacht. Dit wordt per casus beoordeeld
en separaat gemotiveerd bij het opleggen van maatregelen op grond van de Twbmt. Tot
op heden is aan drie personen een gebiedsverbod opgelegd op grond van de Twbmt. In
twee van deze gevallen heeft handhaving door middel van elektronische monitoring plaatsgevonden.
Vraag 39
De leden van de CDA-fractie vragen onder welke voorwaarden de NCTV kan aansluiten bij de casusoverleggen radicalisering.
Zoals tevens toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de leden van uw fractie onder 16 en 20 geldt dat de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische
activiteiten van toepassing is op de casusoverleggen radicalisering.
De NCTV kan, op grond van haar taken onder de Wet coördinatie terrorismebestrijding
en nationale veiligheid, op incidentele basis aansluiten bij een casusoverleg indien
zij een uitnodiging ontvangt van de lokale weegploeg, bestaande uit de burgemeester
van de gemeente van verblijf, het OM en de politie.
Vraag 40
De leden van de CDA-fractie constateren dat uit de evaluatie van de Tijdelijke wet blijkt dat de meldplicht maar
beperkt leidt tot zicht op de persoon die zich moet melden en dat de regering uitvoeringspartijen
heeft gevraagd om van de meldplicht een contactmoment te maken met professionals binnen
de radicaliseringsaanpak. Kan de regering verder ingaan op de uitwerking van de meldplicht
en op welke wijze meer zicht kan worden gekregen op de persoon die zich moet melden?
Deze leden zijn vooral benieuwd of de meldplicht dus ook automatisch leidt tot individueel,
inhoudelijk contact. Welke professionals zijn betrokken bij een dergelijk contactmoment
en op welke manier wordt geborgd dat relevante informatie onderling wordt gedeeld
tussen de instanties die hierbij betrokken zijn?
Bij de beantwoording van de vragen van de leden van de SGP-fractie onder 18 en de leden van de D66-fractie onder 23 is hier op ingegaan.
In aanvulling hierop kan worden toegelicht dat de informatie die de gesprekken opleveren
waar mogelijk wordt gedeeld met relevante betrokkenen via overlegstructuren zoals
het lokale casusoverleg.
4.2.2 Schrappen grondslag afwijzen aanvraag voor een besluit af te wijzen, of een
genomen besluit in te trekken
De leden van de VVD-fractie zijn niet overtuigd van de noodzaak van het schrappen van artikel 6 van de Twbmt,
waarin een grondslag is geregeld voor het afwijzen of intrekken van een subsidie,
vergunning of ontheffing als de aanvrager in verband kan worden gebracht met terroristische
activiteiten of als er een ernstig gevaar bestaat dat de subsidie of vergunning wordt
gebruikt ten behoeve van (ondersteuning aan) terroristische activiteiten. Zij hebben
hierover nog een aantal vragen.
Vraag 41
De leden van de VVD-fractie merken op dat de tekst van het coalitieakkoord 2026 over de Twbmt helder is. In het
coalitieakkoord is namelijk afgesproken dat de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakt.
Er is niet afgesproken dat een deel van de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakt
en een ander deel komt te vervallen. De tekst laat aldus geen ruimte om een deel van
deze wet te laten vervallen. Kan de regering toelichten waarom zij desondanks voorstelt
artikel 6 van de Twbmt te schrappen?
Op het moment van publicatie van het coalitieakkoord op 30 januari 2026 was het wetsvoorstel
tot permanentmaking van de Twbmt reeds in behandeling bij de Afdeling advisering van
de Raad van State sinds 24 december 2025. De consultatiefase, verplichte toetsten
en behandeling in de ministerraad hadden dus al plaatsgevonden. Het wijzigen van het
wetsvoorstel door het laten vervallen van een van de maatregelen ongedaan te maken
zou een ingrijpende wijziging zijn. Een ingrijpende wijziging van het voorstel zonder
dat dit volgt uit het advies van de Afdeling advisering vergt dat een aantal stappen
in het wetgevingsproces opnieuw worden gevolgd, zoals consultatie, behandeling in
de Minsterraad en adviesaanvraag aan de Raad van State. Vanwege de horizonbepaling
en de druk die dit legt op een voortvarende wetsbehandeling is het wetstraject zoals
dit was gestart voortgezet. Daarnaast geldt dat met de evaluatie van de verlenging
van de wet opnieuw een afweging is gemaakt ten aanzien van het in de Twbmt opgenomen
instrumentarium. Deze afweging diende tevens plaats te vinden naar aanleiding van
de motie van de leden Bikker en Kuik van 7 december 2021 waarin de regering is verzocht
de afzonderlijke maatregelen uit de Twbmt te toetsen op noodzakelijkheid en proportionaliteit
en de uitkomsten te betrekken bij besluitvorming over de toekomstige vormgeving van
de wet (Kamerstukken II 2021/22, 35 917, nr. 15). Ten aanzien van de bevoegdheid tot het weigeren of intrekken van subsidies is daarbij
van belang dat uit de evaluatie is gebleken dat deze bevoegdheid sinds de inwerkingtreding
van de wet niet is toegepast. De onderzoekers van het WODC hebben geconcludeerd dat
voor deze bevoegdheid in de praktijk onvoldoende meerwaarde bestaat naast bestaande
mogelijkheden binnen andere wettelijke kaders. De regering heeft deze bevinding betrokken
bij de afweging om deze specifieke bevoegdheid niet permanent te maken. Waar een beperkte
inzet van een bevoegdheid laat zien dat een instrument niettemin meerwaarde heeft
of kan hebben in bepaalde gevallen, geldt hier dat de bevoegdheid sinds de invoering
van de wet nooit is toegepast. Daarmee is de lat voor de motivering van de noodzaak
tot behoud van de maatregel niet gehaald.
Vraag 42
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (hierna: NGB)
in zijn consultatiereactie heeft gesteld dat het de onderbouwing van het schrappen
«bijzonder matig» vindt. Het enkele feit dat een bepaling niet is toegepast, is volgens
het NGB geen gegronde reden om deze vervolgens te laten vervallen. Hoe kijkt de regering
hiernaar? Als er bij bestuursorganen en/of vertegenwoordigers van veiligheidspartners
zoals het NGB nog wel de behoefte bestaat aan dit instrument, kan de regering dan
niet beter in gesprek gaan met alle relevante partners in de veiligheidsketen om te
bezien hoe de bestaande bevoegdheid beter toepasbaar kan worden gemaakt voor de praktijk?
De regering heeft bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel nadrukkelijk gekeken naar
de evaluatie van de Twbmt, waaronder het evaluatieonderzoek van het WODC uit 2024
en de ontvangen consultatiereacties, waaronder die van het Nederlands Genootschap
van Burgemeesters (NGB). Daarbij is per bevoegdheid beoordeeld of deze in de praktijk
een toegevoegde waarde heeft binnen het bestaande contraterrorisme-instrumentarium.
Voor de subsidiebevoegdheid geldt echter dat uit de evaluatie niet is gebleken van
concrete gevallen waarin bestaande instrumenten onvoldoende waren om op te treden.
De verwachting is daarom dat zich ook in de toekomst geen gevallen zullen voordoen
waarin toepassing van deze maatregel aan de orde is.
Vraag 43
De leden van de VVD-fractie constateren dat bij de verlenging van de Twbmt (Kamerstuk 35 917, nr. 6) de regering specifiek nut en noodzaak van artikel 6 verdedigde door dit onder andere
te illustreren aan de hand van een voorbeeld. Toen schreef de regering dat bij deze
bevoegdheid kan worden gedacht aan de verstrekking van een subsidie voor een stichting
die activiteiten organiseert voor de jeugd in een wijk met problemen met hangjongeren,
terwijl nadien blijkt dat (leden van) het bestuur van de stichting waaraan de subsidie
is verleend, banden blijkt te hebben met een terroristische organisatie, zodat het
ernstige gevaar bestaat dat de subsidie mede zal worden aangewend voor terroristische
activiteiten of de ondersteuning daarvan. Is daar anno 2026 geen sprake meer van?
Kan de regering volledig uitsluiten dat bovenstaand voorbeeld dat bij de verlenging
van de Twbmt relevant werd geacht, zich ooit in de toekomst nog zal kunnen voordoen?
En, zo nee, waarom kiest de regering er dan toch niet voor om artikel 6 in stand te
laten?
Zoals aan bod kwam bij de beantwoording van de vragen van de leden van uw fractie onder 42 is met de evaluatie na de verlenging opnieuw een afweging gemaakt ten aanzien van
iedere in de Twbmt opgenomen maatregel. Deze afweging diende tevens plaats te vinden
naar aanleiding van de motie van de leden Bikker en Kuik van 7 december 2021 waarin
de regering is verzocht de afzonderlijke maatregelen uit de Twbmt te toetsen op noodzakelijkheid
en proportionaliteit en de uitkomsten te betrekken bij besluitvorming over de toekomstige
vormgeving van de wet (Kamerstukken II 2021/22, 35 917, nr. 15). Op voorhand valt geen garantie te geven dat een dergelijke situatie, ook al is
deze hypothetisch, zich nooit kan voordoen. Doordat echter van deze bevoegdheid geen
enkele keer is gebruik is gemaakt sinds de invoering van de wet is volgens de regering
de lat voor de motivering voor de noodzaak van deze bevoegdheid niet gehaald.
Vraag 44
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat naast het onderzoek
van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (hierna: WODC) ook «organisaties
in het veiligheidsdomein» geen meerwaarde zien in de maatregel van artikel 6 van de
Twbmt. Kan de regering deze stelling nader onderbouwen met de adviezen van deze organisaties?
Welke organisaties hebben in 2012 en 2017 nog wel positief geadviseerd over artikel
6 van de Twbmt en zien op dit moment geen meerwaarde?
Bij de invoering van de wet zijn in de consultatiefase voornamelijk opmerkingen gemaakt
van technische aard. Bij de eerste evaluatie is hier vanwege het ontbreken van gegevens
over de toepassing doordat er van de bevoegdheid geen gebruik is gemaakt niet nader
op in gegaan. Ook in de consultatiefase bij de verlenging van de wet is niet ingegaan
op artikel 6. Zoals aangekondigd in de beleidsreactie op het onderzoek van het WODC
die op 16 september 2024 aan uw Kamer is aangeboden, is naar aanleiding van de motie
Bikker en Kuik (Kamerstukken II, 2021/22, 35 917, nr. 15) met partners bezien of instandhouding van alle afzonderlijke maatregelen noodzakelijk
is. Hieraan is invulling gegeven door middel van gesprekken met veiligheidspartners.
In die gesprekken is aangegeven dat behoud van deze maatregel niet noodzakelijk is.
Vraag 45
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het WODC-onderzoek is uitgevraagd of het intrekken of weigeren
van een beschikking een effectief middel is om deelname aan of ondersteuning van terrorisme
te verhinderen. 42% van de respondenten was het (helemaal) eens met de stelling dat
dit een effectieve maatregel is, ondanks dat deze nog niet in de praktijk is toegepast.
Meer respondenten verwachten zelfs dat deze maatregel effectiever is dan de meldplicht
en het contact- en gebiedsverbod. Hoe kijkt de regering hiernaar?
De verwachting bij de invoering van de wet was dat deze maatregel een effectief middel
zou zijn om deelname aan of ondersteuning van terrorisme te verhinderen. In de praktijk
is dit echter niet het geval gebleken.
Vraag 46
In het WODC-onderzoek wordt voorts geconcludeerd dat er «blijkbaar geen situaties
waren waarin er behoefte was aan de maatregel of waarin deze uitkomst bood».8 Kan de regering toelichten of deze conclusie overeenkomt met de ervaringen uit de
praktijk? De leden van de VVD-fractie benadrukken dat eenentwintig respondenten bij het WODC-onderzoek hebben laten weten
dat er lokaal te weinig kennis is over de toepassing van de maatregelen en twintig
respondenten aangaven dat de mogelijkheden die de Twbmt biedt, niet bekend waren.
Zou dat ook niet een reden kunnen zijn waarom de maatregel van artikel 6 van de Twbmt
nog niet is toegepast? Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden een reactie van
de regering op dit punt.
Indien een situatie zich heeft voorgedaan die onder het toepassingsbereik van artikel
6 van de Twbmt valt, waarbij vanwege een gebrek aan bekendheid de Twbmt niet is ingezet
en een ander handelingsperspectief ontbrak, is het moeilijk denkbaar dat die situatie
niet aan het licht zou komen.
De leden van de VVD-fractie stellen dat de dreiging van terrorisme aan verandering onderhevig is. Hierdoor kunnen
zich na verloop van tijd grotere kansen voordoen op situaties waarbij het noodzakelijk
is om vrijheden van individuen te beperken zodra hun gedragingen in verband worden
gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan en de nationale
veiligheid beschermd moet worden. Daarom moet er wat deze leden betreft een wettelijke
grondslag zijn om een aanvraag voor een besluit af te wijzen of een genomen besluit
in te trekken als het ernstige gevaar bestaat dat de activiteit waarop het besluit
betrekking heeft, (mede) zou worden gebruikt ten behoeve van terroristische activiteiten
of de ondersteuning daarvan. Deze bevoegdheid biedt daartoe de mogelijkheid en maakt
het mogelijk dat de overheid kan ingrijpen als ongewild en indirect wordt bijgedragen
of dreigt te worden bijgedragen aan terroristische activiteiten of de ondersteuning
daarvan.
Vraag 47
Kan de regering nader toelichten waarom de bevoegdheid jarenlang is verdedigd en nu
zonder dragende motivering wordt geschrapt? Deelt zij de mening dat juist gelet op
snelle fluctuaties van het dreigingsniveau, het noodzakelijk kan zijn om snel te handelen,
ook ten aanzien van de bevoegdheid die is geregeld in artikel 6 van de Twbmt?
Zoals toegelicht bij de beantwoording van de vragen van uw fractie onder 43 diende iedere maatregel opgenomen in de Twbmt getoetst te worden op noodzaak en proportionaliteit
en betrokken te worden bij de besluitvorming over de vormgeving van de wet. Daarbij
is er een verschil of een maatregel weinig is ingezet of nooit is ingezet. Doordat
van deze bevoegdheid geen enkele keer is ingezet sinds de invoering van de Twbmt is
de lat voor motivering volgens de regering niet gehaald.
Vraag 48
De leden van de PVV-fractie merken op dat in het oorspronkelijke voorstel de regering de noodzaak zag om een
aanvullende weigerings- en intrekkingsgrond te creëren voor subsidies, vergunningen,
ontheffingen of erkenningen. Zonder deze grondslag zou het namelijk niet toepasbaar
zijn op alle vormen in voorgenoemde opsomming. Kan de regering aangeven of er bij
het ontbreken van deze maatregel alsnog een grondslag bestaat om de aanvraag voor
alle vormen van subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning te weigeren of in te
trekken. Zo nee, zou dit alsnog kunnen leiden tot het financieren of faciliteren van
een terroristische organisatie?
Zoals nader toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie onder 43, 46 en 47 is van de bevoegdheid sinds de invoering van de Twbmt geen enkele keer gebruik gemaakt.
Ook zijn er geen situaties bekend waarbij er wegens het ontbreken van een grondslag
een subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning niet kon worden geweigerd of een
beschikking ingetrokken waarbij sprake was van een situatie zoals omschreven in artikel
6 van de Twbmt.
Vraag 49
De leden van de SGP-fractie vragen waarom volgens de regering niet het risico bestaat dat subsidies, vergunningen
en erkenningen als noodzakelijk middel kunnen dienen om een bedreiging voor de nationale
veiligheid te kunnen vormen. Mogelijk is hiervan minder sprake bij financiële middelen,
maar een vergunning om in bepaald gebied activiteiten te ontplooien kan een relevant
onderdeel zijn van de bedreiging. Zij vragen een nadere toelichting op het besluit
om dit middel te schrappen, mede gezien het feit dat de regering erkent dat ook andere
instrumenten in veel jaren niet of nauwelijks gebruikt worden.
Zoals nader toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie onder 43, 46 en 47 en de leden van de PVV-fractie onder 48 geldt dat voor iedere maatregel getoetst is op noodzakelijkheid en proportionaliteit
en de uitkomsten daarvan betrokken diende te worden over de toekomstige vormgeving
van de wet. Het verschil tussen de bevoegdheid opgenomen in artikel 6 en de andere
maatregelen opgenomen in de wet is dat de bevoegdheid opgenomen in artikel 6 van de
wet geen enkele keer is ingezet. Voor de andere maatregelen geldt dat dit wel het
geval is, ook al is dat niet frequent.
4.2.3 Evalueren
Vraag 50
De leden van de BBB-fractie vragen wie toezicht houdt op de inzet van de bevoegdheden uit deze wet. Welke instantie
controleert de proportionaliteit en rechtmatigheid van de opgelegde maatregelen? In
het bijzonder vragen deze leden wie toezicht houdt op de verwerking van persoonsgegevens
binnen het kader van deze wet en hoe dit toezicht in de praktijk is ingericht.
Op grond van artikel 7 van de Twbmt geldt een overlegverplichting met de burgemeester
van de gemeente waar degene tot wie het voorgenomen besluit zich richt woon- of verblijfplaats
heeft alsmede andere bij het voorgenomen besluit betrokken burgemeesters, tenzij de
spoedeisendheid daar aan in de weg staat. In dat geval geldt een plicht tot informeren.
Daarnaast geldt dat de maatregelen tijdelijk zijn en niet langer dan noodzakelijk.
Een verlenging is dan ook niet automatisch, maar moet aan dezelfde motiveringseisen
voldoen als het initiële besluit. Een maatregel wordt tussentijds ingetrokken of gewijzigd
als daar aanleiding voor is. Bij het opleggen van een maatregel geldt de hoofdregel
dat betrokkene gehoord moet worden voor het opleggen van een maatregel op grond van
artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een uitzondering geldt overeenkomstig
artikel 4:11 van de Awb bij spoed of indien het horen in de weg staat aan het doel
van de maatregel. Er kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de rechtbank, er
hoeft dus niet eerst bezwaar te worden gemaakt. Daarnaast is de rechtbank verplicht
de zaak versneld te behandelen. Ook geldt dat de rechtbank bij de beoordeling van
het beroep rekening met feiten en omstandigheden houdt die na het nemen van het bestreden
besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening
van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens geldt dat dit onder de werking
van de AVG geldt. De Autoriteit Persoonsgegevens is de toezichthouder. In aanvulling
daarop houdt de Functionaris Gegevensbescherming binnen de NCTV toezicht op naleving
van privacywetgeving.
II. Overig
Vraag 51
De leden van de PVV-fractie vragen of de meest recente aantallen uitreizigers met de Kamer gedeeld kunnen worden.
De AIVD heeft onderkend dat er sinds 2012 vanuit Nederland circa 300 personen met
jihadistische intenties zijn uitgereisd naar Syrië en Irak. De cijfers die de AIVD
meest recentelijk gepubliceerd heeft geven de op vijftallen afgeronde aantallen volwassen
uitreizigers weer op 1 maart 2026.
Aantal uitreizigers in gevangenissen en kampen in Syrië en Irak
20
Aantal uitreizigers woonachtig elders in Syrië
45
Aantal uitreizigers in overige landen
10
Aantal terugkeerders
110
Aantal overleden uitreizigers
115
Totaal
300
Vraag 52
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij aan kan geven hoe vaak het Nederlanderschap is ingetrokken
op grond van artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
De onderstaande cijfers geven de stand van zaken op 20 mei 2026 betreffende aantallen
omtrent het intrekken Nederlanderschap.
Intrekken Nederlanderschap o.b.v. artikel 14 lid 2 RWN (intrekking na onherroepelijk
veroordeling wegens een terroristisch of daarmee vergelijkbaar misdrijf)
Zaken waarin is besloten tot intrekken Nederlanderschap o.b.v. 14.2 RWN
44
Zaken waarin het Nederlanderschap definitief is ingetrokken
14
Besluiten tot intrekken Nederlanderschap vernietigd door de rechter
1
Zaken nog in behandeling bij de rechtbank
11
Zaken waarbij de beroepszaak nog in behandeling is bij de Raad van State
12
Zaken in bezwaarfase of met openstaande bezwaar- of beroepstermijn
6
Intrekken Nederlanderschap o.b.v. artikel 14 lid 4 RWN (intrekking in het belang van
de nationale veiligheid nadat betrokkene is uitgereisd)
Zaken waarin is besloten tot intrekken Nederlanderschap o.b.v. 14.4 RWN
25
Zaken waarin het Nederlanderschap definitief is ingetrokken
15
Besluiten tot intrekken Nederlanderschap vernietigd door rechter
4
Besluiten tot intrekken ingetrokken door IND
5
Zaken waarbij de beroepszaak nog in behandeling is bij de rechtbank
1
Vraag 53
De leden van de PVV-fractie vragen om het overzicht van terroristische arrestaties wegens aanslagplanning van
de afgelopen vijf jaar uit te splitsen naar stroming.
Het is niet mogelijk om de arrestaties op verdenking van het voorbereiden van een
aanslag met een terroristisch oogmerk uit te splitsen naar ideologische stroming,
omdat ideologie niet geregistreerd wordt in de systemen.
Vraag 54
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij de mening deelt dat voorgestelde bestuurlijke maatregelen
gewoonweg genegeerd kunnen worden en dat administratieve detentie daarom noodzakelijk
is als preventieve maatregel om de nationale veiligheid te waarborgen.
De regering deelt niet de opvatting dat bestuurlijke maatregelen op grond van de Twbmt
«gewoon genegeerd» kunnen worden zonder consequenties. Het opzettelijk handelen in
strijd met een opgelegde maatregel, dan wel het opzettelijk onttrekken aan elektronische
monitoring, is op grond van artikel 8 van de Twbmt als misdrijf strafbaar gesteld.
Overtreding van een maatregel kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten
hoogste één jaar of een geldboete van de derde categorie.
Daarnaast kunnen maatregelen zoals een gebiedsverbod of meldplicht, mede in combinatie
met elektronische monitoring, juist bijdragen aan het effectief beperken van risico’s
voor de nationale veiligheid en het tijdig signaleren van overtredingen. Elektronische
monitoring kan daarbij ondersteuning bieden bij het toezicht op de naleving van opgelegde
maatregelen en maakt het mogelijk sneller op te treden indien voorwaarden worden overtreden.
De regering wijst er tegelijkertijd op dat administratieve detentie een uiterst ingrijpende
vorm van vrijheidsbeneming betreft, waarvoor hoge constitutionele en verdragsrechtelijke
eisen gelden, in het bijzonder gelet op artikel 5 van het EVRM. Voor een dergelijke
maatregel bestaat op dit moment geen mogelijkheid binnen het in Nederland geldende
grondrechtelijke kader.
In het coalitieakkoord is wel opgenomen dat wordt bezien op welke wijze het instrumentarium
ter bescherming van de nationale veiligheid verder kan worden versterkt. Daarbij is
onder meer genoemd het creëren van een tijdelijke toezichtmaatregel nationale veiligheid,
mede naar analogie van het Verenigd Koninkrijk, evenals de mogelijkheid van elektronische
monitoring in combinatie met een gebiedsverbod. Eventuele voorstellen zullen afzonderlijk
moeten worden uitgewerkt en beoordeeld in het licht van noodzakelijkheid, proportionaliteit,
subsidiariteit en de geldende grondrechtelijke waarborgen.
Vraag 55
De leden van de BBB-fractie vragen waarom de regering kiest voor permanentmaking van de wet. Gezien het ingrijpende
karakter van de bevoegdheden en de blijvende discussie over nut en noodzaak, ligt
een nieuwe verlenging met een horizonbepaling volgens deze leden meer voor de hand.
Kan de regering toelichten waarom niet opnieuw wordt gekozen voor een verlenging met
bijvoorbeeld vijf jaar, zodat het parlement periodiek opnieuw kan toetsen of deze
wet nog noodzakelijk en proportioneel is?
In aanvulling op de beantwoording van de vragen van de leden van de D66-fractie onder 7, geldt dat er sprake is van een aanhoudende en veranderlijke terroristische dreiging
tegen Nederland. Ontwikkelingen in binnen- en buitenland kunnen ertoe leiden dat het
dreigingsniveau en de aard van de dreiging relatief snel veranderen. Tegen die achtergrond
acht de regering het noodzakelijk duurzaam te kunnen beschikken over het instrumentarium
dat de Twbmt biedt ter bescherming van de nationale veiligheid.
De regering onderkent dat de bevoegdheden uit de Twbmt ingrijpend van aard kunnen
zijn en dat toepassing daarvan raakt aan grondrechten. Juist daarom geldt dat maatregelen
uitsluitend kunnen worden opgelegd indien in het individuele geval wordt voldaan aan
de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast worden
maatregelen individueel gemotiveerd en is rechterlijke toetsing mogelijk.
De regering acht een nieuwe tijdelijke verlenging met horizonbepaling niet wenselijk.
Het telkens tijdelijk verlengen van de wet doet naar het oordeel van de regering onvoldoende
recht aan het structurele karakter van de terroristische dreiging en aan de noodzaak
om blijvend te beschikken over een adequaat bestuurlijk instrumentarium. Daarbij acht
de regering ook van belang dat in verschillende concrete gevallen in de afgelopen
jaren is gebleken dat de Twbmt noodzakelijke aanvullende mogelijkheden bood in situaties
waarin andere interventies onvoldoende toereikend waren.
Dat neemt niet weg dat de regering het van belang acht dat de werking en toepassing
van de wet worden geëvalueerd. Om die reden is in het wetsvoorstel voorzien in een
evaluatiebepaling. Het kabinet is voornemens de wet binnen vijf jaar na inwerkingtreding
van de permanentmaking te evalueren, waarbij onder meer zal worden gekeken naar de
toepassing, effectiviteit, proportionaliteit en uitvoerbaarheid van het instrumentarium
in de praktijk. De evaluatie en de kabinetsreactie daarop zullen aan beide Kamers
der Staten-Generaal worden toegezonden.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.