Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 (Kamerstuk 36945-XVII-1)
36 945 XVII Jaarverslag en slotwet Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025
Nr. 7
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 11 juni 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een
aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
over de brief van 20 mei 2026 over het Jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
2025 (Kamerstuk 36 945 XVII, nr. 1).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van11 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Den Hollander
De griffier van de commissie, Van der Leeden
Vragen en antwoorden
1
In hoeverre heeft u zicht op de besteding van middelen door organisaties die financiering
ontvangen vanuit de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
Antwoord
Organisaties die financiering ontvangen verantwoorden deze jaarlijks via een financiële
en inhoudelijke jaarrapportage. De betaling van de volgende tranche voor de uitvoering
hangt van deze rapportages. Daarnaast wordt via audits de legitimiteit van de uitgaven
getoetst en via evaluaties door onafhankelijk onderzoekers, de relevantie, effectiviteit
en efficiëntie van de uitvoering. Daarnaast zijn er ook (structurele) overleggen tussen
het ministerie en de verschillende organisaties. Zodoende houdt het ministerie zicht
op de besteding van de middelen.
2
Kunt u uitsluiten dat organisaties die subsidies of bijdragen uit de middelen van
uw ministerie ontvangen, deze middelen direct of indirect gebruiken voor juridische
procedures tegen de Nederlandse Staat?
Antwoord
Het ministerie verstrekt middelen waarmee de doelstellingen van het BHOS-beleid worden
nagestreefd, de zogenaamde «doelgebondenheid» van subsidies en bijdragen. Dit kan
onder andere dienstverlening, capaciteitsversterking en pleitbezorging zijn, bijvoorbeeld
voor het versterken van de internationale rechtsorde, van vrede en veiligheid en van
het maatschappelijk middenveld in lage- en middeninkomenslanden. Het procederen tegen
de Staat is, hoewel niet altijd expliciet uitgesloten, in verreweg de meeste gevallen
evident geen subsidiabele activiteit.
3
Hoeveel middelen zijn in 2025 vanuit uw begroting beschikbaar gesteld voor medische
en humanitaire hulp in het Midden-Oosten, uitgesplitst naar land, uitvoerende organisatie
en type hulp? En kan daarbij aan worden gegeven welke resultaten tot op heden zijn
gerealiseerd?
Antwoord
Nederland financiert verschillende noodhulpfondsen en hulporganisaties, waaronder
de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Hiervoor
geeft Nederland meerjarige en flexibele financiering die wereldwijd kan worden ingezet.
Met deze bijdragen kunnen zij zodoende snel, en op basis van de hoogste noden, reageren
op crises wereldwijd. Dat geldt ook voor de crises in het Midden-Oosten, waaronder
in Libanon, Syrië, Jemen en de Palestijnse gebieden. Naast deze flexibel inzetbare
bijdragen heeft Nederland in 2025 specifiek bijgedragen aan de humanitaire respons
in Syrië met EUR 20,4 miljoen, in Jemen met EUR 18,5 miljoen en in Gaza met EUR 26,5 miljoen.
Met deze bijdragen werden verschillende hulporganisaties ondersteund, waaronder het
Nederlandse Rode Kruis en de door de VN beheerde Country Based Pooled Funds. Ook heeft
Nederland een bedrag van 25 miljoen euro vrijgemaakt ter ondersteuning van de medische
capaciteit in Gaza en het verlichten van de overbelasting van de zorg in de regio,
waaronder in Egypte en Jordanië.1
4
Beschikt u over een integraal rijksbreed overzicht van alle Nederlandse publieke middelen
die ten goede komen aan organisaties die actief zijn in Gaza? Zo ja, kunt u dit overzicht
toelichten?
Antwoord
De middelen op de begroting van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
die in 2025 direct ten goede kwamen aan de Palestijnse Gebieden bedroegen EUR 63 miljoen.
Met deze financiering voerden de VN, maatschappelijke organisaties en bedrijven projecten
uit op het gebied van water, voedsel, landrechten, private sectorontwikkeling en rechtsstaat.
Deze middelen zijn ten goede gekomen aan de gehele Palestijnse Gebieden, met als gevolg
dat het ministerie geen inzicht heeft in de uitsplitsing van middelen tussen Gaza
en de Westelijke Jordaanoever. Wel heeft veel programmering in 2025 gezien het conflict
in Gaza alleen doorgang kunnen vinden op de Westelijke Jordaanoever. Dit is in aanvulling
op de middelen die in 2025 ten goede zijn gekomen aan de medische en humanitaire respons
in Gaza (zie daarvoor het antwoord op vraag 3). Daarnaast bedroeg de Nederlandse bijdrage
aan UNRWA het afgelopen jaar EUR 15 miljoen, dat ten goede is gekomen aan de vijf
werkgebieden van UNRWA, waaronder Gaza en de Westelijke Jordaanoever.
5
Waarom is het budget voor veiligheid en rechtsstaatontwikkeling in Afghanistan slechts
afgebouwd en nog niet volledig gestopt? Hoeveel hulpgeld gaat er nog naar Afghanistan,
naar welke projecten gaat het en wat is daarvan het beoogde resultaat?
Antwoord
Het budget voor veiligheid en rechtstaatontwikkeling in Afghanistan wordt conform
afspraak stop gezet. Omdat een aantal betalingen nog voortvloeien uit eerder aangegane
verplichtingen, is sprake van een afbouw in betalingen tot nul.
In 2025 waren er nog uitgaven, optellend tot EUR 7,4 mln. (zie het HGIS jaarverslag
2025). In 2026 is nog EUR 1,3 mln. aan uitgaven gepland, in 2.027 EUR 1,5 mln. en
vanaf 2028 t/m 2031 nog EUR 1 mln. per jaar. Deze uitgaven vinden plaats in het kader
van twee partnerschappen» op het terrein van lokale conflictoplossing, met speciale
aandacht voor inclusieve deelname van vrouwen en jongeren, en beschermen van burgers.
6
Waarom kiest Nederland er niet voor om inzake investeringen in publieke infrastructuurprojecten
uitsluitend te kiezen voor subsidies met een terugbetaalverplichting?
Antwoord
Subsidies met terugbetaalverplichting worden selectief ingezet, bijvoorbeeld in het
geval waar sprake is van een reële kasstroom na oplevering van het project. In het
geval van publieksrelevante infrastructuur leveren deze vaak wel maatschappelijke,
maar nauwelijks directe inkomensstromen op voor de overheid. Hierbij moet gedacht
worden aan openbare wegen, bruggen, waterzuivering en ziekenhuizen. Zonder subsidie,
zoals dat bijvoorbeeld wordt gedaan via het Development Related Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE), zijn deze projecten financieel onhaalbaar.
7
Wie zijn – naast Nederland – de andere aandeelhouders van de Afrikaanse ontwikkelingsbank
(AFDB), wat is de grootte van hun belang en wie zijn de andere aandeelhouders met
een AAA-kredietstatus?
Antwoord
De Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) heeft een brede aandeelhoudersbasis van 81
landen: 54 Afrikaanse regionale leden en 27 niet-regionale leden. De stemverhouding
is bewust zo ingericht dat Afrikaanse landen gezamenlijk de meerderheid houden. Deze
regionale leden beschikken samen over grofweg 58,5% van de stemrechten; niet-regionale
leden circa 41.5%. De exacte percentages bewegen beperkt mee met kapitaalinschrijvingen
en worden periodiek door de AfDB gepubliceerd.
De grootste aandeelhouders zijn Nigeria met 8,7%, de Verenigde Staten met 6,6%, Egypte
met 6,3%, Japan met 5,5%, Algerije met 5,3%, Zuid-Afrika met 5,1%, Marokko met 4,8%,
Duitsland met 4,1%, Canada met 3,9% en Frankrijk met 3,7%. Nederland heeft een relatief
beperkt direct stemgewicht van 0,884%, maar zit in een kiesgroep met Italië en het
VK, die gezamenlijk circa 5,2% vertegenwoordigt.
Voor de kredietkwaliteit is vooral relevant dat een aantal niet-regionale aandeelhouders
zelf een AAA-status heeft. Naast Nederland gaat het, als wordt gekeken naar AAA/Aaa
bij de drie grote rating agencies, om Duitsland, Denemarken, Luxemburg, Noorwegen, Zweden en Zwitserland. Canada heeft
bij Moody’s en S&P de hoogste rating, maar niet bij Fitch. De Verenigde Staten en
het Verenigd Koninkrijk zijn belangrijke aandeelhouders, maar hebben niet langer bij
alle drie de grote bureaus een AAA-status.
8
Welke ambities en doelstellingen streeft Nederland na bij het strategisch aansturen
van de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) de komende
jaren?
Antwoord
FMO blijft ook de komende jaren een belangrijke partner in het BHOS-beleid. Als innovatieve
speler en spil in het internationale financieringslandschap zal FMO, in samenwerking
met andere BHOS-partners, een belangrijke bijdrage blijven leveren aan het versterken
van de economische weerbaarheid van partnerlanden. Er zal de komende jaren extra aandacht
uitgaan naar de rol die FMO speelt in het versterken van strategische partnerschappen,
zowel bilateraal als in EU verband en multilateraal. Dit alles natuurlijk met respect
voor het mandaat van FMO en het feit dat FMO op afstand van de staat opereert.
9
Wat is er voor Nederland overgebleven uit de failliete boedel van Instrument in Support
of Trade Exchanges (INSTEX)?
Antwoord
Nederland bezat 4,21% van de aandelen in INSTEX. Bij de liquidatie vloeide EUR 135.509,36
terug naar Nederland.
10
Kan worden aangeven wat INSTEX (incl. kosten aandeelhouderschap) de Nederlandse belastingbetaler
uiteindelijk heeft gekost van de oprichting tot en met de liquidatie?
Antwoord
Nederland trad in 2020 toe als aandeelhouder met een kapitaalbijdrage van EUR 418.500.
Bij de liquidatie ontving Nederland EUR 135.509,36 terug. Dit betekent dat het nettoverlies
op de kapitaalbijdrage EUR 282.990,64 bedraagt.
11
Is het mogelijk om bij de nieuwe verantwoordingssystematiek ook nieuwe of verbeterde
indicatoren toe te voegen?
Antwoord
De verbeterde verantwoordingssystematiek ziet op een manier van verantwoorden die
meer zeggingskracht heeft. Het gaat – naast de uniform meetbare indicatoren – ook
om andere relevante ontwikkelingen binnen een bepaald beleidsterrein. De verbeterde
verantwoordingssystematiek maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op de verschillende
doelstellingen en resultaten die worden behaald. Dat maakt ook de introductie van
nieuwe indicatoren eenvoudiger, waarbij de totale werkdruk niet uit het oog wordt
verloren.
12
Hoe kan het dat ondanks bezuinigingen op voedselzekerheid de realisatie in 2025 veel
hoger ligt dan in 2024 en 2023 en ruim boven de streefwaarden op het gebied van uitbannen
van honger?
Antwoord
De realisaties in 2025 zijn het resultaat van in eerdere jaren gefinancierde activiteiten.
In dit geval betreft het enkele grootschalige voedingsprogramma’s die in voorgaande
jaren zijn gestart en nu tegelijkertijd resultaten laten zien die, opgeteld, boven
de streefwaarde uitkomen.
13
Is er in het beleid een keuze gemaakt om meer prioriteit te geven aan de eerste indicator
op voedselzekerheid in tegenstelling tot de twee andere indicatoren?
Antwoord
Nee, voor alle indicatoren geldt dat de inzet gericht is op het behalen van de streefwaardes.
14
Hoe gaat de bijsturing en vernieuwde inzet op de indicator van het aantal boeren worden
gewijzigd om toch de streefwaarde van 8 miljoen boeren in beeld te krijgen?
Antwoord
In 2026 en 2027 wordt een aantal nieuwe programma’s opgestart, onder meer op het gebied
van duurzame groenteteelt en toegang tot verbeterd zaaizaad. Deze programma’s zullen
de komende jaren tot een hoger bereik van het aantal boeren leiden. De verwachting
is dat daarmee de doelstelling voor 2030, 8 miljoen boeren met verhoogde productiviteit
en inkomen, behaald zal kunnen worden.
15
Hoe gaat de bijsturing en intensivering op de indicator van het aantal hectare duurzame
landgebruik worden gewijzigd om toch de 8 miljoen te halen? Waar en hoeveel wordt
er in geïnvesteerd? Komt er een nieuw project die zich vooral hierop gaat richten?
Antwoord
Nieuwe activiteiten gericht op duurzaam landgebruik zijn reeds ingezet. Zo is er in
2.023 EUR 100 miljoen gecommitteerd aan een tienjarig bodemvruchtbaarheidsprogramma
in de Sahel. Daarnaast wordt bij elke relevante activiteit scherper gestuurd op het
meten en rapporteren van resultaten op gebied van duurzaam landgebruik. De verwachting
is dat dit de komende jaren tot een stijging in het aantal bereikte hectare landbouwgrond
zal leiden en dat de doelstelling voor 2030, 8 miljoen hectare duurzaam beheerd, nog
steeds haalbaar is.
16
Hoe kan het dat op al de drie indicatoren op water overal de streefwaarden worden
gehaald ondanks dat erop werd bezuinigd?
Antwoord
De over 2025 gerapporteerde resultaten zijn het resultaat van contracten met partners
die in eerdere jaren zijn aangegaan. De bezuiniging heeft daardoor geen direct effect
op de resultaten in het jaar 2025. Het heeft wel geleid tot minder nieuwe contracten
met onze partners en zal doorwerken in de resultaten in de komende jaren.
17
Waarom is er geen indicator op klimaatfinanciering? Waarom is niet gekozen om in de
nieuwe verantwoordingssystematiek ook een of meerdere indicatoren rondom klimaatfinanciering
toe te voegen?
Antwoord
De Nederlandse inzet op klimaat is onderdeel van verschillende programma’s op beleidsterreinen
als water, voedselzekerheid, humanitaire hulp, duurzame economische ontwikkeling,
energie en bossen. Binnen deze programma’s zijn indicatoren opgenomen die het effect
op klimaat concreet maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aantal hectares grond
onder duurzaam beheer en het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie. Omdat
klimaatfinanciering een optelsom is van de totale besteding aan deze inzet, en daarmee
uitsluitend over financiën gaat, is er geen specifieke indicator opgenomen in het
BHO-jaarverslag en maakt het ook geen deel uit van de nieuwe verantwoordingssystematiek.
Wel ontvangt de Tweede Kamer jaarlijks een overzicht van de Nederlandse klimaatfinanciering
als bijlage bij het HGIS-jaarverslag.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. den Hollander, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
Drs. M.J. van der Leeden, griffier