Brief regering : Onderzoeken sigarettenfilters, vapes en andere wegwerpplastics
32 011 Tabaksbeleid
30 872
Landelijk afvalbeheerplan
Nr. 138
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI EN VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN
EN SPORT EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2026
Plastic producten voor eenmalig gebruik, ook wel wegwerpplastics genoemd, zijn moeizaam
te verenigen met een circulaire economie en gezonde leefomgeving. Het betreft producten
die geheel of gedeeltelijk gemaakt zijn van plastic, in grote aantallen worden geproduceerd,
een korte levensduur hebben en veelvuldig in het milieu terechtkomen, met allerlei
effecten op bodem, lucht, water, planten en dieren.
Met deze brief wordt de Kamer geïnformeerd over diverse onderzoeken naar bepaalde
wegwerpplastics, te weten: vapes (e-sigaretten), sigarettenfilters, knijpzakjes, vuurwerk
dat plastic bevat en kledinghangers voor transport. Hiermee worden de volgende moties
en toezeggingen afgedaan: een motie van de leden Hagen en Van der Laan om de mogelijkheden
voor een verbod op vapes te onderzoeken1, een motie van de leden Daniëlle Jansen en Krul om vapes te verbieden2, een toezegging aan het lid Bamenga over de wenselijkheid van het implementeren van
statiegeld op vapes3, twee toezeggingen om de mogelijkheden te onderzoeken voor een nationaal verbod op
sigarettenfilters4, 5, de motie van het lid Van Esch om als blijkt dat een nationaal verbod op sigarettenfilters
mogelijk is, dit in te stellen6, en de toezegging de Kamer te informeren over een rookverbod op stranden7.
Voor de genoemde wegwerpplastics geldt dat ze beschouwd kunnen worden in het licht
van zowel de circulaire economie, het milieu, als de volksgezondheid (specifiek voor
sigarettenfilters en vapes), waarbij het zwaartepunt of het handelingsperspectief
ligt bij het dossier circulaire economie. Om deze reden ontvangt uw Kamer deze brief
vanuit de Minister van Klimaat en Groene Groei met medeondertekening door de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Infrastructuur en
Waterstaat. De verschillende in deze brief genoemde onderzoeken zijn destijds, op
verzoek van de Tweede Kamer, geïnitieerd door het Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat, dat tot het aantreden van het huidige kabinet verantwoordelijk was voor
het beleid inzake circulaire economie.
Onderstaand leest u per type wegwerpplastic een korte inleiding, de bevindingen van
de onderzoeken en de conclusies die het kabinet daaruit trekt.
Vapes
Het gebruik van vapes (e-sigaretten), en dan voornamelijk de wegwerpvariant, is de
afgelopen jaren flink toegenomen en leidt om diverse redenen tot maatschappelijk en
politiek debat. Zo gaan waardevolle grondstoffen zoals koper en lithium verloren wanneer
ze met het restafval worden verbrand, zorgen ze voor gezondheidsrisico’s8, en veroorzaken ze regelmatig branden in vuilniswagens en bij afvalverwerkers9. Ook komen ze in ruime mate terecht in het milieu.
Onderzoeksbureau CE Delft10 heeft, in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, een viertal
beleidsmaatregelen onderzocht om de klimaat en milieueffecten van vapes tegen te gaan:
1) een verbod op wegwerpvapes, 2) statiegeld op wegwerpvapes, 3) meer afvalpunten
voor vapes en 4) herbruikbare vapes als standaardoptie aanbieden. Het onderzoekrapport
treft u aan als bijlage.
Verbod op wegwerpvapes
Er gelden al veel regels voor vapes, zoals het verbod op de verkoop in supermarkten
en horeca-inrichtingen, het verbod op de verkoop op afstand, de minimum leeftijdsgrens
en een verbod op vapes met andere smaken dan tabak11. Hoewel de effecten van deze maatregelen pas na verloop van tijd zichtbaar worden,
lijken de eerste signalen, over bijvoorbeeld het smaakjesverbod, voorzichtig positief.
Zo geeft het RIVM aan dat bij een onderzoek onder vapende jongeren tussen de 13 en
24 een vijfde is gestopt en twee vijfde is geminderd vanwege het smaakjesverbod. Maar
er is niet alleen goed nieuws. Zo werd onlangs duidelijk dat 87 procent van de mensen
die vapes gebruiken, gebruikmaakt van een verboden vape of een vape die via een niet-toegestaan
verkoopkanaal is aangeschaft12.
Een nationaal totaalverbod op vapes voor eenmalig gebruik, ook wel wegwerpvapes genoemd,
is in beginsel in strijd met de Europese Tabaksproductenrichtlijn (Tobacco Products Directive, TPD). Deze stelt regels voor vapes en biedt slechts in een specifiek geval, namelijk
in een specifieke situatie binnen een lidstaat, de mogelijkheid om een verbod voor
wegwerpvapes in te stellen (artikel 24, derde lid). Hoewel hier in België en Frankrijk
gebruik van is gemaakt, is het juridisch niet houdbaar om te beargumenteren dat de
situatie in Nederland dermate afwijkt van de situatie in andere lidstaten dat een
dergelijk verbod in afwijking van de TPD op grond van dit artikel gerechtvaardigd
is. Frankrijk en België waren de eerste landen die een beroep deden op dit artikel.
In deze gevallen was daarom sprake van een specifieke situatie die een dergelijk beroep
kon rechtvaardigen. Voor Nederland geldt dat deze situatie zich, na de maatregelen
van Frankrijk en België en andere EU landen die inmiddels met dezelfde problematiek
worden geconfronteerd, niet langer voordoet. Daarom kan Nederland zich niet op dezelfde
specifieke situatie beroepen. Daarnaast, hoe meer lidstaten van deze uitzondering
gebruikmaken, hoe minder specifiek de situatie wordt waardoor de maatregel juridisch
kwetsbaarder wordt. Verder is het de vraag of een nationaal verbod op wegwerpvapes
zinvol is naast een verbod op smaakjes voor vapes. Zoals hierboven vermeld, gebruiken
jongeren voornamelijk vapes uit het illegale circuit. Een nationaal verbod op wegwerpvapes
heeft daarmee enkel gevolgen voor het beperkte legale aanbod aan wegwerpvapes.
Gelet op het bovenstaande heeft het kabinet daarom bij de lopende evaluatie van de
Single-Use Plastics (SUP) richtlijn gepleit voor een Europees verbod op wegwerpvapes.
Een Europees verbod lijkt het meest kansrijk te zijn en bemoeilijkt eveneens de aanschaf
van wegwerpvapes van buiten de landsgrenzen. De inbreng vanuit Nederland bij deze
evaluatie treft u aan bij de geannoteerde agenda voor de Milieuraad van 25 juni 2026
die gelijktijdig met deze brief aan uw Kamer wordt verzonden.
Statiegeld op wegwerpvapes
Een substantieel deel van de wegwerpvapes wordt momenteel, zoals bovenstaand benoemd,
via het illegale circuit verhandeld. Het is niet mogelijk om statiegeld te heffen
op illegale producten. Aangezien er een verbod geldt op vapes met andere smaken dan
tabak, zou het statiegeldsysteem dan ook alleen van toepassing zijn op wegwerpvapes
met tabakssmaak. Dit zou er mogelijk voor kunnen zorgen dat de legale vapes verder
de illegaliteit in verdwijnen, omdat er voor illegale vapes geen statiegeld betaald
hoeft te worden en de vape na gebruik niet hoeft te worden ingeleverd.
Om deze reden geeft het kabinet geen opvolging aan deze mogelijke beleidsmaatregel,
maar heeft het in plaats daarvan in Europa gepleit voor een verbod op wegwerpvapes.
Meer afvalpunten voor vapes
Op dit moment kunnen vapes alleen ingeleverd worden bij afvalpunten die daar specifiek
voor zijn bestemd, zoals bij verkooppunten, supermarkten, bouwmarkten of bij de milieustraat.
Door extra inleverbakken te plaatsen bij bijvoorbeeld winkels of op festivals wordt
het makkelijker om de vape in te leveren. Het makkelijk in kunnen leveren van alle
vapes, zowel die met smaakjes als die met tabakssmaak, kan bijdragen aan het verminderen
van het grondstoffenverlies, branden in vuilniswagens en bij afvalverwerkers, en vapes
in het zwerfafval. Het zal dan voornamelijk gaan om verboden vapes met een smaakje.
Om de effectiviteit van inname door verkooppunten te verhogen is het nodig dat er
beter zicht komt op de verkooppunten van vapes. Zo wordt een registratiesysteem van
verkooppunten van tabaksproducten en aanverwante producten, waaronder vapes, ingevoerd,
dat 1 juli a.s. in werking zal treden13. De verwachting is dat per 1 juli 2027 of per 1 januari 2028 de verkoop van vapes
enkel zal zijn toegestaan in speciaalzaken14.
Het kabinet is voornemens om verkooppunten van vapes te verplichten om gebruikte vapes
in te nemen en deze op de juiste wijze te laten verwerken. Daarbij is wel een aandachtspunt
hoe het inzamelen van vapes zich verhoudt tot het voorgenomen verbod om smaakjesvapes,
behoudens voor eigen gebruik, in voorraad te hebben15. Het is immers niet de bedoeling dat een verkooppunt dat vapes inzamelt het verbod
op het in voorraad hebben van vapes zou kunnen overtreden indien er vapes met een
smaakje worden ingezameld. Om deze reden moet deze maatregel verder worden uitgewerkt.
Herbruikbare vapes als standaardoptie aanbieden
Bij deze maatregel heeft CE Delft de gevolgen in kaart gebracht van het als standaard
aanbieden van herbruikbare vapes waarbij de wegwerpvariant niet zichtbaar wordt tentoongesteld.
Bij de verkoop van de herbruikbare e-vape wordt in dit scenario tevens uitleg gegeven
over het gebruik, de economisch baten en afvalpunten voor vapes.
Hoewel dit een sympathieke en uitvoerbare maatregel lijkt, ziet het kabinet bezwaren.
Er bestaat namelijk serieuze twijfel of de consument die kiest voor het gemak en de
prijsvoordeel van een wegwerpvape, verleid kan worden om te kiezen voor een herbruikbare
vape die duurder is en waarvoor navulverpakkingen aangeschaft moeten worden. Daarom
wordt aan deze beleidsoptie geen opvolging gegeven, maar heeft het kabinet in plaats
daarvan in Europa gepleit voor een verbod op wegwerpvapes.
Sigarettenfilters
Jaarlijks worden in Nederland ruim 9 miljard filtersigaretten verkocht16. De filters hebben een omvangrijke milieu-impact en dienen tegelijkertijd geen wezenlijk
doel: een filter biedt namelijk geen bewezen gezondheidsvoordeel17.
Eerder zijn maatregelen in kaart gebracht om het aantal filters in het milieu te verminderen18. In aanvulling daarop is een aantal onderzoeken gedaan waar deze brief hieronder
op ingaat. Ook gaat deze brief in op het verzoek van de vaste Kamercommissie voor
Infrastructuur en Waterstaat om een reactie op de brief van de Fair Resource Foundation
(FRF) over het uitspreken van steun voor de No (Plastic) Filter campagne19.
Onderzoek nationaal verbod op sigarettenfilters
De Universiteit Leiden heeft, in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat, onderzoek gedaan naar de juridische haalbaarheid van een nationaal verbod
op sigarettenfilters. Daarbij is zowel gekeken naar filtersigaretten die in combinatie
met tabak worden verkocht als naar losse filters die afzonderlijk worden verkocht.
Het onderzoeksrapport treft u aan als bijlage.
De onderzoekers geven aan dat voor zowel filtersigaretten als voor losse filters de
juridische mogelijkheden voor een nationaal verbod zeer beperkt en onzeker zijn. Voor
filtersigaretten is de inschatting dat de TPD een nationaal verkoopverbod in de weg
zal staan. In de TPD zijn namelijk regels voor tabaksproducten met filters opgenomen.
Lidstaten mogen producten die onder de TPD vallen niet beperken of verbieden. Er bestaan
wel beperkte uitzonderingsmogelijkheden, voor nieuwe wetenschappelijke inzichten of
voor een specifiek nationaal probleem ter bescherming van de volksgezondheid, maar
de inschatting is dat (juridische) onderbouwing hiervoor ontoereikend is.
Losse filters vallen niet onder de reikwijdte van de TPD. Wel zou een nationaal verbod
op losse filters moeten worden getoetst aan de Europese regels voor het vrije verkeer
van goederen. Hoewel een dergelijk verbod een handelsbeperking vormt, kan dit mogelijk
worden gerechtvaardigd op grond van milieubescherming. Er zijn echter twijfels over
de doeltreffendheid en proportionaliteit van deze maatregel, omdat consumenten filters
gemakkelijk in het buitenland, online of via de illegale markt kunnen kopen.
Het onderzoek concludeert daarom dat de nationale beleidsruimte voor een verbod op
filtersigaretten en losse filters juridisch zeer beperkt is en dat de doeltreffendheid
en proportionaliteit waarschijnlijk te wensen overlaat. Tegelijkertijd onderstreept
het onderzoek dat een verbod milieuwinst kan opleveren. Tegen deze achtergrond beveelt
het onderzoek aan om primair in te zetten op een Europese aanpak. In het kader van
het uitgevoerde onderzoek geldt dat de Europese route kansrijker is dan de nationale
route. Aanvullend geldt dat bij een nationale aanpak de kans groot is dat de consument
filtersigaretten over de grens aanschaft en deze alsnog in Nederland in het milieu
belanden. De afgelopen jaren is al een significante stijging van niet in Nederland
aangeschafte filtersigaretten te zien, van 25,1% in 202320 naar 45,0% in 202421.
Het kabinet ondersteunt de suggestie van de onderzoekers en heeft daarom bij de lopende
evaluatie van de SUP-richtlijn gepleit voor een Europees verbod op sigarettenfilters.
De inbreng vanuit Nederland bij deze evaluatie treft u aan bij de geannoteerde agenda
voor de Milieuraad van 25 juni 2026 die gelijktijdig met deze brief aan uw Kamer wordt
verzonden.
Onderzoek draagvlak rookverbod op stranden
In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderzocht adviesbureau
Rebel het draagvlak voor een rookverbod op stranden en de voorwaarden voor dit draagvlak.
Het onderzoeksrapport heeft de Kamer eerder ontvangen22.
Hoewel het belang van het tegengaan van sigarettenfilters op stranden door gemeenten
wordt onderschreven en preventie wordt gezien als een geëigende route, blijkt het
draagvlak voor een lokaal wettelijk verankerd rookverbod beperkt. Het belangrijkste
bezwaar is te weinig capaciteit bij de lokale handhaving. Ook twijfelen veel gemeenten
over het draagvlak onder inwoners en strandbezoekers.
Indien een rookverbod zou worden ingevoerd, geven gemeenten de voorkeur aan een landelijke
en gefaseerde invoering boven versnipperde lokale initiatieven. Ook benadrukt het
onderzoek dat de effectiviteit van zo’n verbod afhankelijk zal zijn van een goede
motivering, duidelijke communicatie en zichtbare handhaving.
Het kabinet kiest er op dit moment niet voor om een volledig rookverbod op stranden
in te voeren. In plaats daarvan wordt, zoals hierboven beschreven, ingezet op een
Europees verbod op sigarettenfilters.
Onderzoek verschil uitloging sigarettenpeuk met en zonder filter
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is door het Ministerie van
Infrastructuur en Waterstaat gevraagd in kaart te brengen welke informatie beschikbaar
is over de stoffen die uitlogen uit sigarettenpeuken met en zonder filters en hoe
deze zich tot elkaar verhouden. Aanvullend is gevraagd om aanbevelingen te doen voor
aanvullend laboratoriumonderzoek wanneer de beschikbare informatie in de literatuur
de gestelde vragen onvoldoende zou kunnen beantwoorden. Het onderzoeksrapport is als
bijlage bij deze brief gevoegd.
Omdat filters in overwegende mate gemaakt zijn van de plasticsoort celluloseacetaat,
stelt het RIVM dat het aannemelijk is dat een filterverbod de hoeveelheid microplastics
en weekmakers in het milieu zal verminderen. Voor andere schadelijke stoffen die uitlogen,
zoals nicotine, metalen, PAKs en pesticiden concludeert het RIVM dat het aannemelijk
is dat er meer stoffen lekken uit sigarettenpeuken zonder filter (omdat deze langer
zijn door ontbreken filter), maar dat een dergelijke toename aan stoffen die uit tabak
komen te gering is om te leiden tot een merkbare toename van de milieubelasting. Het
RIVM concludeert dan ook dat een filterverbod positief lijkt te zijn voor het milieu,
vooral vanwege de vermindering van de hoeveelheid microplastics en filtergerelateerde
stoffen (weekmakers) die vrijkomen.
Reactie op brief Fair Resource Foundation
Op 4 februari 2026 heeft de vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat
verzocht te reageren op een brief van milieuorganisatie Fair Resource Foundation (FRF)
met het verzoek om steun uit te spreken voor de No (Plastic) Filter campagne. FRF uit in de brief haar zorgen over de milieuschade door sigarettenfilters
en de hoge opruimkosten voor gebiedsbeheerders en vraagt het kabinet om steun voor
de campagne uit te spreken en toe te staan de rijksoverheid als supporter op de campagne-website
van FRF te vermelden.
Het kabinet reageert positief op dit verzoek, spreekt steun uit voor de No (Plastic) Filter campagne, en staat er positief tegenover om deze steun zichtbaar te maken door vermelding
op de website.
Knijpverpakkingen
Knijpverpakkingen zijn flexibele verpakkingen die vooral worden gebruikt als voedsel-
en drankverpakking, maar bijvoorbeeld ook voor zeep en wasmiddel. Knijpverpakkingen
voor zuivel- en dranken worden vaak to-go gebruikt, buitenshuis. Daardoor komen ze
relatief vaak terecht in het milieu. Wanneer ze wel op de juiste manier worden weggegooid
eindigen ze doorgaans in de afvalverbrandingsinstallatie, omdat de verpakkingen slecht
recyclebaar zijn.
In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft CE Delft een
aantal mogelijke beleidsmaatregelen in kaart gebracht: 1) statiegeld op knijpverpakkingen,
2) verbeterd productontwerp, 3) een verhoogde financiële bijdrage van producenten
binnen de UPV Verpakkingen, en 4) een verbod op knijpverpakkingen.
Op basis van het onderzoek stelt CE Delft voor om dit type verpakkingen op termijn
onder het statiegeldsysteem te laten vallen, waar op dit moment plastic flessen en
blikjes al onder vallen. Ten aanzien van het huidige systeem zijn er nog een aantal
tekortkomingen bij de uitvoering die leiden tot frustraties bij consumenten23. Die moeten eerst worden opgelost. Daarnaast zijn er voor het uitbreiden van statiegeld
naar knijpzakken ook praktische bezwaren, aangezien de huidige inzamelinfrastructuur
hier niet geschikt voor is. De evaluatie van het statiegeldsysteem24 laat zien dat statiegeld op plastic flessen en blikjes effectief is in het terugdringen
van deze verpakkingen in het zwerfafval. Hoewel dit ook het geval zou kunnen zijn
voor knijpverpakkingen, acht het kabinet gezien de praktische bezwaren en de tekortkomingen
die er op dit moment nog zijn in het huidige systeem, het invoeren van statiegeld
op knijpverpakkingen op dit moment niet opportuun.
De mogelijke beleidsmaatregel verbeterd productontwerp wordt ondervangen door maatregelen in de Europese Verpakkingenverordening, waar bijvoorbeeld
reeds verplicht wordt dat verpakkingen in 2030 recyclebaar moeten zijn. De mogelijke
beleidsmaatregel financiële bijdrage van producenten binnen de UPV verhogen wordt door het kabinet als suggestie meegegeven aan producentenorganisatie Verpact,
die uitvoering geeft aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen
en in die hoedanigheid de bijdragen van producenten vaststelt.
De laatste voorgestelde beleidsmaatregel, een verbod op knijpverpakkingen, is in de ogen van het kabinet alleen aan de orde als uiterste maatregel wanneer
andere interventies onvoldoende effect blijken te sorteren en zou bij voorkeur Europees
moeten worden geregeld. Een dergelijke vergaande maatregel is nu niet aan de orde.
Vuurwerk dat plastic bevat
Het bovengenoemde onderzoek van CE Delft laat zien dat er in Nederland al aanzienlijke
stappen zijn gezet in Nederland om het gebruik van plastic in vuurwerk te verminderen.
Vrijwel alle belangrijke retailers en vuurwerkimporteurs hebben reeds toegezegd om
vanaf 1 januari 2021 geen vuurwerk meer te verkopen dat plastic bevat. Zo goed als
al het in Nederland verkochte consumentenvuurwerk is nagenoeg plasticvrij. Het vuurwerk
in andere lidstaten van de Europese Unie bevat over het algemeen meer plastic dan
in Nederland.
Op basis van het onderzoek stelt CE Delft de volgende beleidsmaatregelen voor: een
verbod op vuurwerk dat plastic bevat, het uitfaseren van plastic plakband waarmee
de lont vastzit en vervangen voor een veilig alternatief, strengere Europese normen
voor gebruik van plastic in vuurwerk en een bewustwordingscampagne over de milieu-impact
van plastic vuurwerkresten in het zwerfafval.
Op 16 januari 2026 is de Wet veilige jaarwisseling gepubliceerd25. Deze wet regelt een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten. Dit betekent dat
na inwerkingtreding van de wet het gebruik van consumentenvuurwerk zal verminderen,
maar niet geheel zal verdwijnen26 en dat professionele vuurwerkontbrandingen mogelijk blijven. Vanwege de beperkte
hoeveelheid plastic in consumentenvuurwerk en het aannemen van de Wet veilige jaarwisseling
wordt niet nader ingegaan op de voorgestelde maatregelen door CE Delft.
Wel worden er twee andere wegen bewandeld om zo het overgebleven plastic in vuurwerk
te reduceren. Ten eerste wordt er ingezet op de beperking van het plastic afval afkomstig
van vuurwerk binnen de Normcommissie Pyrotechnische voorwerpen van het Nederlands
Normalisatie Instituut (NEN). Daarnaast wordt het thema door Nederland geagendeerd
in het kader van een herziening van de Europese Pyrorichtlijn27 die reeds is aangekondigd. Hiervoor geldt dat de inzet ten aanzien van het uitfaseren
van plastic zal plaatsvinden in aanvulling op de twee hoofdthema’s waar Nederland
internationaal op inzet: het verbeteren van de productconformiteit van vuurwerk en
de aanpak van de illegale handel met professioneel vuurwerk28. Bij beide wegen die worden bewandeld geldt dat overstappen naar een plasticvrij
alternatief niet ten koste mag gaan van de veiligheid van het vuurwerk.
Kledinghangers voor transport
Hoewel kledinghangers niet veelvuldig in het zwerfafval voorkomen, was er toch voldoende
aanleiding om deze productgroep op te nemen in het onderzoek. Onderzoek in het Verenigd
Koninkrijk liet zien dat plastic kledinghangers massaal worden weggegooid na slechts
enkel voor transport gebruikt te zijn. Het zou jaarlijks in het Verenigd Koninkrijk
gaan om bijna een miljard kledinghangers29.
Het onderzoek van CE Delft laat zien dat de situatie in Nederland anders is. Kleding
wordt zelden hangend vervoerd, maar meestal in kartonnen dozen. Het wordt dus veelal
zonder kledinghanger verscheept. Het vervoeren van kleding in dozen is volgens brancheverenigingen
een trend vanwege de lagere transportkosten. Bij ondernemingen waar kleding wel op
een hanger wordt geleverd, wordt deze doorgaans ook aan dezelfde hanger in de winkel
gehangen. Er is in Nederland dus geen sprake van een kledinghanger op noemenswaardige
schaal die alleen voor transport gebruikt wordt.
Op basis hiervan adviseert CE Delft om op basis van dit onderzoek geen beleidsmaatregelen
door te voeren. Dit advies neemt het kabinet over.
Daarnaast worden kledinghangers die bij de verkoop van een kledingstuk aan de klant
worden verstrekt, onder de Europese Verpakkingenverordening gezien als verpakking.
Dit betekent dat deze hangers onder de UPV verpakkingen vallen, meetellen voor de
reductiedoelstelling van verpakkingsafval, dat ze vanaf 2030 recyclebaar moeten zijn
en dat plastic kledinghangers vanaf 2030 voor een percentage gemaakt moeten zijn van
recyclaat.
Afsluitend
Over de voortgang op bovengenoemde wordt de Kamer geïnformeerd via de verzamelbrieven
Circulaire Economie die meermaals per jaar worden verzonden. Met de beschreven acties
werkt het kabinet actief verder aan het verminderen van de effecten van sigarettenfilters,
wegwerpvapes en andere wegwerpplastics op ons klimaat en milieu. Zo gaan we zuinig
om met de grondstoffen die we hebben en zorgen we ervoor dat er minder plastic in
ons milieu terechtkomt.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport