Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 899 Wijziging van de Visserijwet 1963 in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2023/2842 over visserijcontrole met betrekking tot de maximaal op te leggen bestuurlijke boete
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 11 juni 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de vaste
commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ik dank de leden van
de commissie voor hun inbreng en spreek de hoop uit dat het wetsvoorstel met deze
beantwoording van de gestelde vragen op korte termijn kan worden geagendeerd voor
plenaire behandeling. Hieronder ga ik graag in op de vragen en opmerkingen van de
leden van de verschillende fracties. Ik ga daarbij uit van de volgorde van de vragen
in het verslag, waarbij in een aantal gevallen naar antwoorden op samenhangende vragen
wordt verwezen.
I ALGEMEEN
Vraag 1
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering in hoeverre bij het vaststellen van
de hoogte van bestuurlijke boetes momenteel rekening wordt gehouden met het welzijn
van vissen, bijvoorbeeld wanneer vismethoden aantoonbaar en ernstig lijden veroorzaken.
De hoogte van de bestuurlijke boete is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid,
de ernst van de overtreding en het behaalde voordeel. De ernst van de overtreding
wordt beoordeeld aan de hand van de mate waarin deze schade berokkent aan de belangen
die de regelgeving beoogt te beschermen. De visserijregelgeving is primair gericht
op bescherming van de visbestanden en natuurbelangen en betreft grotendeels EU-regelgeving.
De aard van een wettelijk gefixeerde bestuurlijke boete brengt met zich mee dat slechts
in beperkte mate rekening kan worden gehouden met de specifieke omstandigheden van
de overtreding. Elke overtreding is vooraf gekoppeld aan een vast boetebedrag.
Vraag 2
De leden van de PvdD-fractie constateren dat in het wetsvoorstel geen aandacht wordt
besteed aan het welzijn van vissen, terwijl uit wetenschappelijk onderzoek allang
blijkt dat vissen pijn en stress kunnen ervaren. In de huidige visserijpraktijken
worden vissen vaak diep uit de zee op schepen getrokken, met als gevolg dat door het
drukverschil geregeld de ogen uit de vis worden geperst en soms zelfs de ingewanden.
Op het dek liggen naar adem happende vissen, die daar langzaam stikken. Vervolgens
worden ze bij volle bewustzijn onverdoofd opengesneden om de ingewanden te verwijderen.
Erkent de regering dat deze praktijken leiden tot ernstig dierenleed? Zo nee, waarom
niet?
Dierenwelzijn heeft de aandacht van de regering, ook het welzijn van waterdieren.
Het voorliggende wetsvoorstel dient een ander doel, namelijk enerzijds het voldoen
aan de herziene Europese controleverordening en anderzijds het wegnemen van een onduidelijkheid
in de formulering van artikel 54c, derde lid, van de Visserijwet 1963. Zaken rondom
dierenwelzijn zijn daarom geen onderdeel van dit wetsvoorstel. De regering is van
mening dat het welzijn van vissen een Europese aanpak behoeft om het gelijke speelveld
tussen lidstaten te blijven waarborgen en zet hierop in. Extra nationale kaders zijn
daarom niet wenselijk.
Vraag 3
De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat enkel het verhogen van boetes volstrekt
onvoldoende is om een einde te maken aan het ernstige lijden van vissen in de visserij,
omdat deze praktijken binnen de huidige wetgeving gewoon zijn toegestaan. Erkent de
regering dat de huidige wettelijke bescherming van vissen ernstig tekortschiet om
het welzijn en intrinsieke waarde van vissen adequaat te waarborgen? Zo ja, welke
maatregelen wil de regering treffen om vissen beter te beschermen? Zo nee, waarom
niet?
De wettelijke bescherming van vissen in het kader van de visserij is voornamelijk
in Europese regelgeving vastgelegd. Regels ter bescherming van het welzijn van vissen
kunnen worden vastgesteld via de Wet dieren, maar alleen als er terzake niet iets
is geregeld bij of krachtens de Visserijwet 1963 (artikel 10.7 van de Wet dieren).
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2 is de regering van mening dat het
welzijn van vissen een Europese aanpak behoeft om het gelijke speelveld tussen lidstaten
te blijven waarborgen. Extra nationale kaders zijn daarom niet wenselijk.
Vraag 4
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering voorts of zij bereid is om in de Visserijwet
1963 expliciet beperkingen of verboden op te nemen ten aanzien van vismethoden die
aantoonbaar leiden tot ernstig en vermijdbaar dierenleed. Zo nee, waarom niet?
Het specifiek verbieden van vangsttuigen voor de zeevisserij gebeurt op Europees niveau
in de Verordening (EU) 2019/1241 (verordening technische maatregelen). Daarvan afwijken
verstoort het gelijke speelveld tussen lidstaten. Wel loopt er onderzoek naar dodingsmethoden
aan boord van vaartuigen en specifiek voor krabben en kreeften. Voor dit laatste is
nationale regelgeving (Besluit houders van dieren onder de Wet dieren) in voorbereiding.
De onderzoeken die nu lopen worden gebruikt als input voor de agendering van dit onderwerp
op Europees niveau om een gelijk speelveld tussen de lidstaten te waarborgen. Het
kabinet zet niet in op specifieke nationale regelgeving waarbij alleen Nederlandse
vissers aan vissenwelzijnsbepalingen gehouden zouden zijn.
1. Aanleiding en doel
Vraag 5
De leden van de D66-fractie vragen de regering te verduidelijken welke technische
of organisatorische belemmeringen er op dit moment zijn bij de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (NVWA) om dit boetestelsel volledig te effectueren. Tevens vragen
deze leden in hoeverre de onduidelijkheid in de huidige formulering van artikel 54c,
derde lid, in de praktijk reeds heeft geleid tot juridische complicaties of lagere
boeteopleggingen dan beoogd.
Met de invoering van de bestuurlijke boete onder de Visserijwet 1963 in 20241 is een ingroeimodel beoogd om ervaring op te doen met het instrument van de bestuurlijke
boete bij de handhaving van visserijregelgeving en de uitvoeringskosten te beperken.
Het ingroeimodel bestaat uit het stapsgewijs toevoegen van overtredingen onder de
visserijregelgeving die met een bestuurlijke boete bestraft kunnen worden. In overeenstemming
met het ingroeimodel is begonnen met overtredingen in de binnen- en kustvisserij en
overtredingen op de (vangst)registratie beboetbaar te stellen. Na aanpassing van het
betreffende interventiebeleid past de NVWA deze boetestelling voor de binnen- en kustvisserij
sinds augustus 2025 toe.
Daarnaast worden (conform het ingroeimodel) voorbereidingen getroffen om het beboeten
van een groot deel van de overtredingen in de zeevisserij mogelijk te maken. In de
afgelopen twee jaar zijn door de complexiteit van de visserijregelgeving en de herziening
van de Europese controleverordening, (juridische) vraagstukken geïdentificeerd. Door
de herziene Europese controleverordening zijn bijvoorbeeld de ernstige inbreuken op
het Gemeenschappelijk Visserijbeleid Europees bepaald, in plaats van nationaal. Hierdoor
moeten alle overtredingen van de visserijregelgeving getoetst worden aan de herziene
Europese controleverordening. Deze veranderingen hebben invloed gehad op het actualisatieproces
van het interventiebeleid van de NVWA en daarmee ook op de handhaving. Door bovenstaande
zaken was het niet in lijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur om in
de afgelopen twee jaar bestuurlijke boetes op te leggen voor overtredingen op de (vangst)registratie.
Deze overtredingen zijn via het strafrecht afgedaan.
De onduidelijkheid heeft sinds de inwerkingtreding van de bestuurlijke boete in de
Visserijwet 1963 op 1 april 2024 niet tot lagere boetes geleid dan beoogd omdat de
boetecategorie waarop het boetemaximum ziet tot op heden nog niet gekoppeld is aan
een overtreding in de bijlage bij de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963.
Met de wijziging van de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963, die nog in de
fase van ambtelijke voorbereiding zit, zal dit wel het geval zijn.
Vraag 6
De leden van de PVV-fractie constateren dat de directe aanleiding de herziening van
de Europese controleverordening is die lidstaten verplicht de ruimte voor administratieve
sancties te vergroten. Kan de regering bevestigen dat dit wetsvoorstel louter een
gevolg is van Brusselse regelgeving en dat de Nederlandse visserijsector hierdoor
opnieuw geconfronteerd wordt met strengere handhavingskaders?
De aanleiding van het wetsvoorstel is tweeledig. Enerzijds om te voldoen aan de herziene
Europese controleverordening en anderzijds om een onduidelijkheid in de formulering
van artikel 54c, derde lid, van de Visserijwet 1963 weg te nemen. De voorgestelde
tekst biedt een algemeen maximum voor de oplegging van een bestuurlijke boete, voor
alle mogelijke overtredingen. Het wetsvoorstel wijzigt het gefixeerde boetestelsel
zoals opgenomen in het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 niet. Van een strenger
handhavingskader is daarom geen sprake. Een wijziging van dat besluit om te voldoen
aan de herziene controleverordening is in het najaar van 2025 in internetconsultatie
geweest en het voornemen is om het in het tweede kwartaal van 2026 bij de afdeling
advisering van de Raad van State aanhangig te maken ter advisering.
Vraag 7
De leden van de PVV-fractie vragen verder naar verduidelijking van artikel 54c, derde
lid. De regering stelt dat de huidige tekst onduidelijk is over strafverzwarende omstandigheden.
Kan nader worden toegelicht waarom deze onduidelijkheid nu pas wordt opgelost en in
hoeverre dit in de praktijk tot hogere boetes voor de vissers heeft geleid vóór deze
wijziging?
Artikel 54c, derde lid, van de Visserijwet 1963 is op 1 april 2024 in werking getreden.
Bij de uitwerking is gebleken dat er onduidelijkheid is over de uitleg van de bepaling.
Daarnaast is inmiddels in aanwijzing 5.43 van de Aanwijzingen voor de regelgeving
opgenomen dat bij het vaststellen van een maximale bestuurlijke boetehoogte expliciet
verwezen moet worden naar een van de boetecategorieën in het Wetboek van Strafrecht.
Daar wordt met dit voorstel aan voldaan.
De onduidelijkheid heeft sinds de inwerkingtreding van de bestuurlijke boete in de
Visserijwet 1963 op 1 april 2024 niet tot hogere boetes geleid.
Vraag 8
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het wetsvoorstel voortvloeit uit de implementatie
van de Verordening (EU) 2023/2842. Deze leden vragen de regering toe te lichten in
hoeverre deze verordening ruimte laat voor lidstaten om aanvullende nationale regels
te stellen ter bescherming van dierenwelzijn. Kan de regering aangeven waarom ervoor
is gekozen om deze implementatiewet uitsluitend te richten op het verhogen van boetemaxima,
en niet tevens te benutten om bredere verbeteringen in de Visserijwet 1963 door te
voeren, bijvoorbeeld op het gebied van dierenwelzijn en de bescherming van onze kwetsbare
wateren?
Verordening (EU) 2023/2832 is de wijzigingsverordening van de Europese controleverordening.
Deze verordening biedt geen mogelijkheid voor lidstaten om aanvullende nationale regels
te stellen ter bescherming van dierenwelzijn. De herziene Europese controleverordening
biedt daarnaast ook geen eigenstandige mogelijkheid om kwetsbare wateren te beschermen.
Deze verordening ziet alleen op het toezicht, de controle en de handhaving van visserijactiviteiten.
Bovendien worden in lijn met het kabinetsbeleid en de Aanwijzingen voor de regelgeving
(9.4) bij implementatie in de implementatieregelgeving geen andere regels opgenomen
dan voor de implementatie noodzakelijk zijn. Gelet op de noodzaak van tijdige implementatie
wordt vermeden dat de implementatie van bindende EU-rechtshandelingen wordt «meegenomen»
in een bredere herziening van de desbetreffende regelgeving of dat in de implementatieregeling
«extra» nationaal beleid wordt meegenomen.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
Vraag 9
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre het verhogen
van het boetemaximum ook daadwerkelijk zal bijdragen aan betere naleving van de regels.
Ter illustratie wijzen deze leden op het onderzoek waaruit blijkt dat visgiganten
op grote schaal wetgeving overtreden, met ernstige gevolgen voor de oceanen en de
vissen (Dirty Dozen, «Europe’s Dirty Dozen. The floating factories killing Europe’s
fisheries» (https://stopthedirtydozen.org/pages/dirty-dozen-landing-page?l=en-US)).
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6 is met dit wetsvoorstel geen sprake
van een strenger handhavingskader. De verduidelijking van het boetemaximum voor de
zwaarste categorie overtredingen wordt voorgesteld om te voldoen aan de herziene Europese
controleverordening. Deze verduidelijking is niet direct gericht op betere naleving
van de visserijregelgeving. Verdere uitwerking van het boetemaximum op overtredings-
en overtrederscategorieën en de aanwijzing van specifieke overtredingen die bestuurlijk
beboetbaar zijn vinden plaats in de wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet
1963 en de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 die zijn voorzien in 2026.
Met die wijzigingen wordt de overtreder direct geconfronteerd met diens handelen,
het zogenoemde lik-op-stuk beleid. Dit zal mogelijk leiden tot betere naleving van
de visserijregelgeving.
2.1 Boetemaximum
Vraag 10
De leden van de D66-fractie erkennen het belang om voor de zwaarste categorie overtredingen,
zoals het vissen op kwetsbare soorten of het gebruik van verboden methoden zoals explosieven,
aan te sluiten bij het strengste sanctieregime uit de Wet op de economische delicten
(WED). Deze leden vragen de regering of zij kan toelichten hoe de mogelijkheid om
een boete van tien procent van de jaaromzet op te leggen specifiek zal helpen bij
het afromen van wederrechtelijk verkregen voordeel bij grote rechtspersonen en rederijen.
Acht de regering dit instrumentarium toereikend om de economische prikkel voor grootschalige
illegale visserij definitief weg te nemen?
De zesde boetecategorie bedraagt sinds 1 januari 2026 ten hoogste € 1.100.000. Alleen
wanneer 10 procent van de omzet hoger is dan dat bedrag, kan de bestuurlijke boete
die een overtreder wordt opgelegd maximaal 10 procent van de omzet bedragen. Het is
dus een boetemaximum voor overtreders met een jaaromzet van meer dan € 11.000.000.
Het betekent niet dat de daadwerkelijke bestuurlijke boete 10 procent van de jaaromzet
bedraagt. Hoe hoog de bestuurlijke boete is en hoe het verkregen voordeel wordt verhaald,
wordt bepaald in de artikelen 5 en 6 van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet
1963. Een wijziging van dat besluit om te voldoen aan de herziene controleverordening
is in het najaar van 2025 in internetconsultatie geweest en het voornemen is om het
in het tweede kwartaal van 2026 bij de afdeling advisering van de Raad van State aanhangig
te maken ter advisering. De regering acht het instrumentarium toereikend om de economische
prikkel voor grootschalige illegale visserij weg te nemen.
Vraag 11
De leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen over de voorgestelde verhoging
van het boetemaximum naar de zesde categorie (€ 1.030.000) of tien procent van de
jaaromzet van de onderneming. Is de regering het met deze leden eens dat een boete
van tien procent van de omzet voor veel visserijbedrijven, die al onder enorme financiële
druk staan, feitelijk een faillissement betekent? Hoe verhoudt dit astronomische bedrag
zich tot de economische realiteit van de gemiddelde Nederlandse kottervisser?
Het boetemaximum is alleen van toepassing op de hoogste overtreders- en overtredingsklasse
zoals vastgesteld in het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963. De boetemaxima
gelden dus voor zeer ernstige overtredingen en voor eigenaren van een vissersvaartuig
met een lengte langer dan 59 meter of meer dan 1.200 brutoton en voor eigenaren van
een onderneming met meer dan 50 mensen in dienst. Daarnaast kan het boetemaximum gelden
als de hoogte van de boete door het met de overtreding behaalde voordeel aanmerkelijk
wordt overschreden. Dergelijke overtredingen door dergelijke ondernemingen komen nauwelijks
voor en worden in het algemeen niet begaan door MKB-bedrijven van de gemiddelde Nederlandse
kottervisser.
Vraag 12
De leden van de JA21-fractie lezen dat wordt voorgesteld om de maximumhoogte van bestuurlijke
boetes voor overtredingen van de Visserijwet 1963 vast te stellen op de zesde categorie,
bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht of, indien dat meer
is, tien procent van de omzet van de overtreder. Hoeveel hoger is de nieuwe maximale
boete vergeleken met de oude? Hoe vaak zijn de afgelopen drie jaar boetes opgelegd
voor dit delict? Hoe vaak was daarbij sprake van een inbreuk die als «ernstig» kan
worden (of is) aangemerkt en waar ging het dan om?
Hoeveel het voorgestelde algemeen maximum voor de oplegging van een bestuurlijke boete
afwijkt van de huidige bepaling is afhankelijk van het strafrechtelijke boetemaximum
dat voor overtreding van hetzelfde voorschrift kan worden opgelegd. In de bijlage
bij de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 is een tabel opgenomen waarin
de verschillende boetecategorieën aan de overtredingen gekoppeld zijn. Alleen wanneer
boetecategorie F (overtredingen die gekwalificeerd worden als ernstige inbreuk waarvoor
in het kader van het puntensysteem uit de controleverordening 6 of 7 punten worden
toegewezen) staat genoteerd, kan het boetebedrag 11 (de hoogste categorie) worden
opgelegd. Dit volgt uit de artikelen 4 en 5 van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet
1963. Op dit moment staan er nog geen overtredingen in de bijlage bij de Regeling
bestuurlijke boete Visserijwet 1963 waaraan boetecategorie F is verbonden. Er is dus
ook nog geen boete voor de zwaarste categorie overtredingen opgelegd. Een wijziging
van de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 wordt ambtelijk voorbereid waarin
er wel overtredingen aan boetecategorie F worden gekoppeld. Hier zal binnenkort de
internetconsultatie voor worden gestart.
Vraag 13
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering of en hoe bij de bepaling van de hoogte
van de concrete boete rekening wordt gehouden met de mate van dierenleed die met een
overtreding gepaard gaat.
De hoogte van de bestuurlijke boete is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid,
de ernst van de overtreding en het behaalde voordeel. Hierop is nader ingegaan in
het antwoord op vraag 1.
2.2 Herziening Europese controleverordening gemeenschappelijk visserijbeleid
Vraag 14
De leden van de D66-fractie onderstrepen het belang van een effectieve implementatie
van de herziene controleverordening per 10 januari 2026. Deze leden vragen de regering
in hoeverre de koppeling tussen het puntensysteem voor visvergunningen en de verhoogde
administratieve boetes de naleving door de pelagische visserij, waar de financiële
belangen zeer groot zijn, zal versterken. Kan de regering verduidelijken hoe zij borgt
dat bij recidive van ernstige inbreuken de sanctie inderdaad in verhouding staat tot
de waarde van de illegale vangst, conform de Europese vereisten?
De administratieve boetes worden niet verhoogd door het wetsvoorstel. Hierop is nader
ingegaan in het antwoord op vraag 6. De herziene controleverordening stelt strengere
eisen aan het verhalen van het behaalde voordeel bij het begaan van een ernstige inbreuk,
ook bij recidive. Aan die strengere eisen wordt uitvoering gegeven door een wijzigingsvoorstel
van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 dat voor de zomer aanhangig wordt
gemaakt bij de afdeling advisering van de Raad van State. Met die wijziging wordt
een koppeling gemaakt tussen de omvang van het behaalde voordeel en het op te leggen
boetebedrag. Aanvullend worden, ongeacht de omvang van het behaalde voordeel, bij
bepaalde categorieën ernstige inbreuken punten in het kader van het puntensysteem
toegekend (artikel 92 van de controleverordening). Deze punten kunnen voor vissers
gevolgen hebben voor mogelijke deelname aan subsidieregelingen, maar kunnen bij overschrijding
van vastgestelde drempels ook leiden tot bijvoorbeeld tijdelijke schorsing van de
visvergunning. Uitvoering van beide systemen moet de naleving van wet- en regelgeving
versterken.
Vraag 15
De leden van de PVV-fractie constateren dat bij herhaling van ernstige inbreuken een
boete kan worden opgelegd van acht keer de waarde van de verkregen producten. De regering
geeft aan dat bij overschrijding van het boetemaximum strafrechtelijke vervolging
in de rede ligt. Kan de regering garanderen dat vissers niet dubbel gepakt worden
via zowel het bestuursrecht als het strafrecht voor hetzelfde feit?
Natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen voor hetzelfde feit niet tweemaal worden
bestraft. Een bestuurlijke boete (bestraffend) in combinatie met strafrechtelijke
sanctionering (bestraffend) voor hetzelfde feit, is in strijd met het ne bis in idem-rechtsbeginsel
(geen dubbele bestraffing voor hetzelfde feit). Het is wel mogelijk om in het kader
van bestuursrecht herstelsancties in te zetten, bijvoorbeeld de last onder dwangsom
om een overtreding ongedaan te maken, en tegelijkertijd strafrechtelijk te handhaven.
De bestuursrechtelijke herstelsancties zijn gericht op herstel van de rechtmatige
situatie en worden daarom niet als bestraffend aangemerkt.
2.3 Evenredigheid
Vraag 16
De leden van de D66-fractie zijn tevreden dat de evenredigheid wordt gewaarborgd door
een duidelijk onderscheid te maken tussen incidentele overtredingen door natuurlijke
personen en ernstige schade door omvangrijke bedrijven. Deze leden vragen de regering
of zij kan uiteenzetten hoe het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 specifiek
wordt ingezet om de «goede» vissers te ontzien, terwijl de volle kracht van het nieuwe
boetemaximum wordt gericht op die partijen die willens en wetens substantiële schade
aanrichten aan het mariene ecosysteem.
Een visser die de visserijregelgeving naleeft krijgt niet te maken met de bestuurlijke
boete. De verwijtbaarheid van een overtreding wordt geacht hoger te zijn naarmate
de overtreder professioneler is en het behaalde voordeel zal naar verwachting over
het algemeen groter zijn naarmate de overtreder een grotere onderneming is. Een groter
vissersvaartuig vangt meer (extra) kilo’s vis dan een kleiner vaartuig. Daarom worden
overtredingen begaan door een natuurlijk persoon (bijvoorbeeld een sportvisser) gekoppeld
aan een lager boetebedrag en overtredingen begaan met een groot vissersvaartuig of
door een omvangrijk bedrijf aan een hoger boetebedrag. De verduidelijking van dit
wetsvoorstel ziet alleen op het hoogste boetebedrag of als het behaalde voordeel hoog
is. Een boetebedrag wordt verdubbeld als een overtreder binnen drie jaar nadat voor
een overtreding een bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, deze overtreder
opnieuw eenzelfde of specifiek genoemde soortgelijke overtreding begaat.
Vraag 17
De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering stelt dat de evenredigheid is gewaarborgd
doordat de hoogste categorie alleen geldt voor omvangrijke bedrijven en «ernstige
schade».
Kan de regering exact definiëren wat onder een omvangrijk bedrijf wordt verstaan in
de context van de Nederlandse visserij? Valt een familiebedrijf met één grote pelagische
trawler (een groot vissersschip met een lengte tussen de 55 en 100 meter) hier ook
onder? De leden van de PVV-fractie vrezen dat de drempel voor boetebedrag 11 (vastgesteld
op € 10.000, of als dat hoger is, 10 procent van de jaaromzet) sneller wordt bereikt
dan de regering doet voorkomen.
In artikel 3 van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 zijn de verschillende
categorieën overtreders omschreven. Een omvangrijk bedrijf is een onderneming als
bedoeld in onderdeel d:
– de eigenaar van een vissersvaartuig indien het vissersvaartuig waarmee de overtreding
is begaan een lengte over alles heeft van 59 meter of meer of een brutotonnage heeft
van meer dan 1.200 brutoton; of
– een onderneming welke op de dag waarop de overtreding werd begaan meer dan 50 werknemers
telde, indien de normadressaat van het beboetbare feit niet de eigenaar of kapitein
van een vissersvaartuig is.
Een familiebedrijf met één grote pelagische trawler kan dus onder deze definitie vallen
als het vaartuig 59 meter of langer is of als de brutotonnage van dat vaartuig meer
dan 1.200 brutoton is. In de bijlage bij de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet
1963 is een tabel opgenomen waarin de verschillende boetecategorieën aan de overtredingen
gekoppeld zijn. Alleen wanneer boetecategorie F staat genoteerd, kan het boetebedrag
11 worden opgelegd. Dit volgt uit de artikelen 4 en 5 van het Besluit bestuurlijke
boete Visserijwet 1963. Op dit moment staan er nog geen overtredingen in de bijlage
bij de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 waaraan boetecategorie F is verbonden.
Een wijziging van de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 wordt ambtelijk
voorbereid waarin er wel overtredingen aan boetecategorie F worden gekoppeld. Hier
zal binnenkort de internetconsultatie voor worden gestart.
4. Uitvoering, toezicht en handhaving
Vraag 18
De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de uitvoering naar de operationele
gereedheid van de NVWA. Deze leden lezen dat het stelsel nog niet volledig operationeel
is en vragen de regering welke stappen worden ondernomen om te garanderen dat de NVWA
de nieuwe maximale boetes per direct en effectief kan toepassen zodra de wet in werking
treedt. Hoe wordt de afstemming met het Openbaar Ministerie (OM) vormgegeven om te
zorgen dat de meest schadelijke excessen altijd een passende en afschrikwekkende bestraffing
krijgen?
Zie ook de beantwoording van vraag 5. Met de invoering van de bestuurlijke boete onder
de Visserijwet 1963 in 2024 is een duaal stelsel gecreëerd waarbij er van zowel het
bestuurs- als het strafrecht gebruik gemaakt kan worden. In het gepubliceerde interventiebeleid
van de NVWA en in de interne werkafspraken met het Openbaar Ministerie is vastgelegd
wanneer een inspecteur van de NVWA gebruik maakt van het strafrecht. Het gaat om grove
overtredingen, meervoudige overtredingen, meervoudige recidive of wanneer de inzet
van strafrechtelijke bevoegdheden noodzakelijk is.
Vraag 19
De leden van de PVV-fractie lezen dat de NVWA belast is met de uitvoering. Is de NVWA,
gezien de bekende capaciteitsproblemen, wel in staat om dit nieuwe boetestelsel op
een rechtvaardige en zorgvuldige manier uit te voeren? Kan de regering uitsluiten
dat de verhoogde boetemaxima worden gebruikt als «melkkoe» om de rijkskas te spekken?
De NVWA is in staat om binnen de beschikbare middelen en capaciteit de bestuurlijke
boete onder de Visserijwet 1963 proportioneel en zorgvuldig uit te voeren. Voor de
uitvoering van de bestuurlijke boete onder de visserijregelgeving zijn al middelen
beschikbaar op de Rijksbegroting. Naar aanleiding van de herziene Europese controleverordening
zijn aan de NVWA voor de aanvullende taken die uit die verordening volgen extra noodzakelijke
middelen toegezegd. Het toezicht van de NVWA vindt risico gebaseerd plaats. Dat betekent
dat de frequentie waarmee de NVWA toeziet op de naleving van een wettelijke bepaling
afhangt van het risico op het begaan van die overtreding en de impact daarvan op de
visbestanden en/of het milieu.
Vraag 20
De leden van de CDA-fractie zien het belang van de wijziging van de Visserijwet 1963
voor het streven naar een gelijk speelveld. Versterking van controle en handhaving
op Europees niveau is belangrijk voor een eerlijke en transparante visserijsector
en duurzaam beheer van visbestanden wordt beter geborgd. Deze leden vinden het daarom
belangrijk dat goed wordt gehandhaafd en gecontroleerd op overtreding van de regels.
Zij vragen zich af wat de stand van zaken daarop is en of er extra capaciteit nodig
is om dat voldoende te kunnen doen.
Voor de huidige stand van zaken wordt verwezen naar het eerste gedeelte van het antwoord
op vraag 5. Daar wordt ingegaan op het ingroeimodel dat is voorzien bij de invoering
van de bestuurlijke boete. Voor de vraag omtrent capaciteit wordt verwezen naar de
beantwoording op vraag 19.
Vraag 21
De leden van de JA21-fractie vragen op welke manier en met welke frequentie op deze
overtredingen wordt gecontroleerd. Wordt daarbij gebruik gemaakt van de camera’s aan
boord van schepen?
Toezicht op de naleving van de visserijregelgeving en de handhaving daarop is in Nederland
bij de NVWA belegd. Het toezicht van de NVWA is risico gebaseerd en bestaat onder
andere uit fysiek toezicht en (permanent digitaal) administratief toezicht. De frequentie
waarmee wordt toegezien op de naleving van een wettelijke bepaling hangt af van het
risico op het begaan van die overtreding en de impact daarvan op de visbestanden en/of
het milieu. De verplichting tot cameratoezicht aan boord volgt uit de herziene controleverordening
en geldt vanaf 2028. Deze camera’s zijn primair bedoeld voor het toezicht op de naleving
van de aanlandplicht.
Vraag 22
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre de NVWA
momenteel beschikt over voldoende capaciteit om effectief toezicht te houden op visserijpraktijken.
Kan de regering aangeven of dierenwelzijn expliciet onderdeel is van het handhavingsbeleid
van de NVWA binnen de visserijsector? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Op de capaciteit van de NVWA en effectief toezicht houden is nader ingegaan in het
antwoord op vraag 19.
De NVWA kan alleen handhaven op dierenwelzijn als daar specifieke regelgeving voor
is. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de bedwelming van aal. Dierenwelzijn is binnen
het domein visduurzaamheid van de NVWA, dat toeziet op de naleving van de visserijregelgeving,
een beperkt onderdeel van het handhavingsbeleid omdat de visserijregelgeving met name
gericht is op bescherming van de visbestanden en natuurbelangen. Bij excessen kan
dierenwelzijn onderdeel zijn van het proces-verbaal (strafrecht) of het rapport van
bevindingen (bestuursrecht).
5. Regeldruk
Vraag 23
De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering beweert dat deze wijziging geen
gevolgen heeft voor het bedrijfsleven, omdat de voorschriften zelf niet wijzigen.
Deze leden vinden dit een zeer merkwaardige redenering. Erkent de regering dat het
risico op een boete van 10 procent van de omzet een enorme impact heeft op de bedrijfsvoering,
financierbaarheid en het psychisch welzijn van de ondernemers?
Hoewel een bestuurlijke boete grote impact kan hebben op een persoon of bedrijf, worden
kosten die aan de burger of het bedrijfsleven zelf te wijten zijn, zoals boetes bij
het overtreden van de visserijregelgeving, niet aangemerkt als regeldruk. Deze wetswijziging
heeft daarom geen gevolgen voor de regeldruk voor het bedrijfsleven en de burger aangezien
de voorschriften die zij moeten naleven niet wijzigen. Het boetemaximum van 10 procent
geldt alleen voor zeer ernstige overtredingen door grote ondernemingen, zoals nader
toegelicht in de beantwoording van vraag 17.
6. Advies en consultatie
Vraag 24
Het bevreemdt de leden van de PVV-fractie dat er geen internetconsultatie heeft plaatsgevonden.
De regering stelt dat dit de sector niet zou raken, maar de impact van de boetehoogte
is evident.
Waarom is er niet voor gekozen om de visserijorganisaties expliciet om hun mening
te vragen over de proportionaliteit van de boete van 10 procent omzet? Is de regering
bereid dit alsnog te doen?
Dit wetsvoorstel betreft implementatie van Europese regelgeving en daarom is internetconsultatie
van het wetsvoorstel achterwege gelaten. Consultatie kan daarnaast niet in betekenende
mate leiden tot aanpassing van het voorstel, omdat het voorstel immers enkel ziet
op het wijzigen en verduidelijken van de formulering van de maximaal op te leggen
bestuurlijke boete. Inhoudelijk wijzigt de maximumboete niet. De regering zal daarom
geen internetconsultatie op dit wetsvoorstel doen. Eind 2025 heeft een wijziging van
het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963, waarin de bestuurlijke boete nader
wordt uitgewerkt, ter internetconsultatie gelegen en het voornemen is om dat besluit
voor de zomer voor te leggen aan de afdeling advisering van de Raad van State ter
advisering. Een ambtelijk voorbereide wijziging van de Regeling bestuurlijke boete
Visserijwet 1963 gaat binnenkort in internetconsultatie.
Vraag 25
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering of zij al gesprekken heeft gevoerd
met dierenbeschermingsorganisaties en wetenschappers over de mogelijkheden om het
welzijn van vissen te verbeteren. Zo nee, is de regering hier alsnog toe bereid?
Er lopen op dit moment een aantal onderzoeken die input moeten leveren om de discussie
over vissenwelzijnsaspecten in Europees verband te kunnen voeren. Dit heeft bijvoorbeeld
betrekking op onderzoek naar doding van een aantal vissoorten aan boord van vissersschepen.
Hierbij wordt nadrukkelijk samengewerkt met wetenschappers over de mogelijkheid om
het welzijn van vissen te verbeteren. Dierenwelzijnsorganisaties worden waar mogelijk
meegenomen in de voorbereiding op de besluitvorming. Voor een nadere uitwerking van
de bestuurlijke boete in de visserijregelgeving is, zoals in de beantwoording van
vraag 24 is ingegaan, een internetconsultatie voorzien waarin eenieder een reactie
en/of visie ten aanzien van de voorgestelde wijzigingen kan inbrengen.
OVERIG
Vraag 26
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten welke maatregelen
worden genomen om eventuele concurrentienadelen voor de Nederlandse en Europese visserijsector
te beperken.
De eisen aan de bestuurlijke boete volgen gedeeltelijk uit de Europese herziene controleverordening
en moeten door alle lidstaten worden geïmplementeerd binnen hun nationale rechtskader
en overwegingen. De boetebedragen die zijn voorzien in het wijzigingsvoorstel voor
het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 sluiten aan bij boetebedragen die
de lidstaten rond de Noordzee opleggen voor vergelijkbare overtredingen. Hierdoor
worden eventuele concurrentienadelen beperkt. Eind 2025 heeft de hierboven bedoelde
wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963, waarin de bestuurlijke
boete nader wordt uitgewerkt, ter internetconsultatie gelegen en het voornemen is
om het besluit deze zomer voor te leggen aan de afdeling advisering van de Raad van
State ter advisering.
Vraag 27
De leden van de PvdD-fractie vragen tot slot aandacht voor de positie van gemeenten
bij het beheer van gemeentelijke wateren. Heeft de regering er kennis van genomen
dat verschillende gemeenten, zoals Arnhem, Den Haag, Utrecht en Amersfoort, actief
beleid ontwikkelen om het welzijn van vissen in hun gemeenten te verbeteren? Onderschrijft
de regering het belang van dergelijke initiatieven? Zo ja, op welke wijze worden deze
gemeenten hierin ondersteund? Zo nee, waarom niet?
De regering is op de hoogte van de lokale ontwikkelingen omtrent het verbeteren van
vissenwelzijn. Gemeenten kunnen in de lokale verhuur van visrechten op gemeentelijke
wateren voorwaarden opnemen die zien op het welzijn van vissen. Deze afweging is aan
de betreffende gemeenten en past binnen de verantwoordelijkheid van gemeenten om zelf
te bepalen hoe zij met de private toestemmingverlening op hun eigen wateren willen
omgaan.
Vraag 28
Deze leden wijzen erop dat een van de onderdelen waar gemeenten actie op ondernemen
het gebruik van weerhaken is. Het gebruik van weerhaken bij hengelen leidt tot ernstig
en onnodig dierenleed, doordat deze haken vaak de mond en de ingewanden van vissen
openscheuren. Dierenartsen en medewerkers van dierenambulances hebben bij een bezoek
aan de Tweede Kamer verteld dat achtergebleven weerhaken daarnaast regelmatig ernstige
verwondingen veroorzaken bij andere dieren, zoals een meeuw «die lang heeft moeten
lijden voordat hij stierf van ellende» (Tweede Kamer, 25 september 2025, rondetafelgesprek
«Toekomst van de diergeneeskundige zorg» (https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/…). Niet voor niets zijn verschillende gemeenten overgegaan tot een lokaal verbod op
het gebruik van weerhaken. Onderschrijft de regering dat het gebruik van weerhaken
bij hengelen leidt tot onnodig en ernstig dierenleed? Zo nee, waarom niet? Is de regering
bereid om over te gaan tot een landelijk verbod op weerhaken? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 27 kunnen gemeenten voorwaarden verbinden
aan de private verhuur van viswateren met betrekking tot vissenwelzijn in hun gemeente.
In een aantal gemeenten zijn hierover ook afspraken gemaakt met de SportvisUnie, die
ook zien op vishaakjes met weerhaken. In het Commissiedebat dierenwelzijn buiten de
veehouderij van 2 oktober 2025 is aangegeven dat de regering niet voornemens is om
aanvullend hierop op nationaal niveau regels te stellen.
Vraag 29
De leden vragen de regering voorts of zij bekend is met signalen dat gemeenten momenteel
beperkte juridische mogelijkheden hebben om hengelen in gemeentelijke wateren te reguleren
of te verbieden (GLD, 17 april 2025, «Arnhem haalt bakzeil: sportvisverbod blijkt
juridisch niet haalbaar» (https://www.gld.nl/nieuws/8298636/arnhem-haalt-bakzeil-sportvisverbod-b…)). Kan de regering toelichten waarom visstand de enige bepalende factor is voor het
verstrekken en verlengen van visrechtovereenkomsten en dierenwelzijn en ecologische
waarde geen expliciete rol spelen bij deze beoordeling van visrechtovereenkomsten?
Ziet de regering mogelijkheden om deze aspecten alsnog te verankeren in de Visserijwet
1963? Zo nee, waarom niet? Deelt de regering de opvatting dat gemeenten de mogelijkheid
zouden moeten hebben om, wanneer zij dat zelf wensen, hengelen in wateren van de gemeenten
te beperken of geheel te stoppen, om zo vissen en de natuur beter te beschermen? Zo
nee, waarom niet? Is de regering bereid om een dergelijke bevoegdheid te creëren in
de Visserijwet 1963? Zo nee, waarom niet?
Zoals is aangegeven in de beantwoording van de vragen 27 en 28 is het voor gemeenten
mogelijk om via de private verhuur van gemeentewateren te sturen op de visserij en
de voorwaarden waaronder de visserij op die wateren is toegestaan. Daarbij gelden
regels die bestaande huurovereenkomsten beschermen voor tussentijdse of eenzijdige
wijzigingen. Tussentijdse eenzijdige wijziging van de voorwaarden in een huurovereenkomst
is daarbij in de regel niet mogelijk, maar na afloop van een verhuurperiode kunnen
in een nieuw huurcontract wijzingen worden doorgevoerd en aanvullende bepalingen worden
opgenomen. Daarbij dienen uiteraard de wettelijke procedureregels met betrekking tot
de aanbieding van gewijzigde (nieuwe) huurovereenkomsten in acht te worden genomen
en moet door de verhuurder (bijvoorbeeld in vastgesteld gemeentelijk beleid) worden
onderbouwd welke afwegingen aan de gewijzigde overeenkomst ten grondslag liggen. Binnen
deze systematiek kunnen dan desgewenst aanvullende bepalingen worden opgenomen bijvoorbeeld
met betrekking tot het gebruik van weerhaakjes in de sportvisserij of andere welzijnsaspecten.
Deze mogelijkheden bestaan dus reeds voor gemeenten op de eigen gemeentelijke wateren.
De regering is niet voornemens om een specifieke bepaling in de Visserijwet 1963 op
te nemen die het mogelijk maakt voor gemeenten om de sportvisserij te verbieden in
bepaalde wateren of aan specifieke voorwaarden te verbinden.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur