Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 962 Wijziging van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet, de Wet op het notarisambt, de Wet op het accountantsberoep, de Loodsenwet en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, ter nadere implementatie van richtlijn (EU) 2018/958 ten aanzien van beroepsorganisaties met regelgevende bevoegdheid (implementatie Proportionaliteitsrichtlijn inzake beroepsorganisaties met regelgevende bevoegdheid)
ARTIKEL I
ARTIKEL II
ARTIKEL III
ARTIKEL IV
ARTIKEL V
ARTIKEL VI
ARTIKEL VII
ARTIKEL VIII
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene wet erkenning
EU-beroepskwalificaties, de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet, de Wet op het
notarisambt, de Wet op het accountantsberoep, de Loodsenwet en de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg te wijzigen ter implementatie van Richtlijn (EU)
2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling
voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (implementatie Proportionaliteitsrichtlijn
inzake beroepsorganisaties met regelgevende bevoegdheid);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. In het eerste lid worden in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepalingen
ingevoegd:
beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid:
organisatie ter bevordering van in ieder geval een goede en vakbekwame uitoefening
van een gereglementeerd beroep:
a. waarvan aangeslotenen beoefenaren zijn van dat gereglementeerde beroep; en
b. die een orgaan heeft dat over regelgevende bevoegdheid beschikt en waarvan de regelgeving
bindend is voor de beoefenaren van het beroep waarop de organisatie betrekking heeft;
onafhankelijk orgaan:
een bij wet ingesteld orgaan van een beroepsorganisatie:
a. dat in ieder geval een adviserende taak heeft ten aanzien van ontwerpregelgeving die
is opgesteld door het daartoe bevoegde orgaan binnen de beroepsorganisatie; en
b. dat zodanig is samengesteld en ingericht dat het zijn taken op objectieve en onafhankelijke
wijze, zonder belangenconflicten en onbevooroordeeld, kan uitvoeren;
proportionaliteitsrichtlijn:
Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe
reglementering van beroepen (PbEU 2018, L 173);
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Een wijziging van de proportionaliteitsrichtlijn gaat voor de toepassing van deze
wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet
zijn gegeven.
B
Na hoofdstuk 3b wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 3C. VERPLICHTINGEN OMTRENT BEROEPSREGLEMENTERING VANUIT BEROEPSORGANISATIES
MET REGELGEVENDE BEVOEGDHEID
Artikel 30d. Verplichtingen voor beroepsorganisaties met regelgevende bevoegdheid
met en zonder onafhankelijk orgaan
1. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, zijn:
a. de artikelen 30f, 30g en 30h van toepassing op beroepsorganisaties met regelgevende
bevoegdheid die geen onafhankelijk orgaan hebben;
b. de artikelen 30i, 30j, 30k van toepassing op beroepsorganisaties met regelgevende
bevoegdheid die een onafhankelijk orgaan hebben; en
c. dit artikel en artikel 30e van toepassing op beroepsorganisaties met regelgevende
bevoegdheid, ongeacht of ze een onafhankelijk orgaan hebben.
2. Indien het orgaan dat binnen een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid
bevoegd is tot het ontwerpen van regelgeving een ontwerp opstelt dat strekt tot invoering
van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening
van het betreffende gereglementeerde beroep beperkt:
a. voorziet dit orgaan deze ontwerpbepaling van een toelichting die dusdanig gedetailleerd
is dat op basis daarvan in ieder geval in het kader van de evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in artikel 30f, tweede lid, onderdeel b, dan wel artikel 30i, tweede lid,
onderdeel b, de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel ten aanzien van deze bepaling
kan worden beoordeeld;
b. wordt deze ontwerpbepaling op elektronische wijze ter inzage gelegd voor eenieder,
met inbegrip van de toelichting daarop;
c. kan eenieder gedurende een door dit orgaan te bepalen redelijke termijn na de elektronische
terinzagelegging, bedoeld in onderdeel b, een zienswijze indienen ten aanzien van
deze ontwerpbepaling; en
d. brengt dit orgaan in de regelgeving of in de bijbehorende toelichting tot uitdrukking
welke gevolgtrekkingen zijn verbonden aan de naar voren gebrachte zienswijzen.
3. Indien een besluit van een orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid
strekt tot vaststelling van een bepaling die de toegang tot of de uitoefening van
het betreffende gereglementeerde beroep beperkt, kan dit besluit ten aanzien van die
bepaling bij koninklijk besluit worden vernietigd.
4. Ingeval van vernietiging als bedoeld in het derde lid geschiedt deze binnen zes maanden
na de in artikel 30f, vierde lid, bedoelde kennisgeving dan wel de in artikel 30i,
vierde lid, bedoelde mededeling van het besluit waarin de betreffende bepaling is
opgenomen.
5. In afwijking van het vierde lid kan vernietiging als bedoeld in het derde lid ook
na zes maanden plaatsvinden indien:
a. Onze Minister die het aangaat in het in artikel 30g, vierde lid, onderdeel b, of zesde
lid, onderdeel b, of artikel 30h, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel
b, bedoelde verslag, dan wel het onafhankelijke orgaan in het in artikel 30j, vierde
lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel b, of artikel 30k, vierde lid, onderdeel
b, of zesde lid, onderdeel b, bedoelde verslag heeft geadviseerd tot wijziging of
schrapping van de betreffende bepaling; en
b. de betreffende bepaling ongewijzigd in stand is gebleven.
6. De vernietiging in het in het vijfde lid bedoelde geval geschiedt binnen zes maanden
nadat de schriftelijke reactie, bedoeld in artikel 30g, zevende lid, onderdeel a,
30h, zevende lid, onderdeel a, 30j, zevende lid, onderdeel a, dan wel 30k, zevende
lid, onderdeel a, ter kennis is gekomen van Onze Minister die het aangaat.
Artikel 30e. Reikwijdte verplichtingen voor beroepsorganisaties met regelgevende bevoegdheid
met en zonder onafhankelijk orgaan
De artikelen 30d en 30f tot en met 30k zijn niet van toepassing voor zover een in
die artikelen bedoelde bepaling de toegang tot of de uitoefening van het betreffende
gereglementeerde beroep weliswaar beperkt, maar deze specifieke beperking is vastgelegd
in een afzonderlijke handeling van de Europese Unie die de lidstaten geen keuze laat
ten aanzien van de precieze wijze waarop deze specifieke beperking wordt omgezet in
nationaal recht.
Artikel 30f. Aanvullende verplichtingen voor beroepsorganisaties met regelgevende
bevoegdheid zonder onafhankelijk orgaan
1. Indien een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid geen onafhankelijk orgaan
heeft, behoeft regelgeving van die beroepsorganisatie die strekt tot invoering van
een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening
beperkt van het gereglementeerde beroep waarop die beroepsorganisatie ziet, voorafgaande
goedkeuring van Onze Minister die het aangaat.
2. Voorafgaand aan de besluitvorming omtrent de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid:
a. beoordeelt Onze Minister die het aangaat de verenigbaarheid van de in het eerste lid
bedoelde bepaling met de artikelen 5 en 6 van de proportionaliteitsrichtlijn;
b. verricht Onze Minister die het aangaat ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
bepaling een evenredigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in samenhang
met artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn, waarbij:
1°. de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van
de te beoordelen bepaling;
2°. de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt geacht,
door Onze Minister die het aangaat met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant,
kwantitatieve elementen worden onderbouwd; en
3°. de onder 2° bedoelde redenen en onderbouwing worden opgenomen in het besluit omtrent
goedkeuring.
3. De in het eerste lid bedoelde goedkeuring kan worden onthouden wegens onverenigbaarheid
van de bepaling met artikel 5 of 6 van de proportionaliteitsrichtlijn of wegens onevenredigheid
van de bepaling, in de zin van die richtlijn.
4. De regelgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt, na de goedkeuring en de vaststelling
door het daartoe bevoegde orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid,
onverwijld ter kennis gebracht van Onze Minister die het aangaat en vervolgens bekendgemaakt
in de Staatscourant. Bij de bekendmaking van deze regelgeving wordt het besluit vermeld
waarbij deze is goedgekeurd.
Artikel 30g. Rapportage en periodieke beoordeling bepalingen van beroepsorganisaties
met regelgevende bevoegdheid zonder onafhankelijk orgaan, vastgesteld vóór inwerkingtreding
wijzigingswet
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid,
die de toegang tot of de uitoefening van het gereglementeerde beroep beperken waarop
die beroepsorganisatie ziet, en die in werking zijn getreden na 30 juli 2020 en vóór
de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat daartoe door
die beroepsorganisatie gekwalificeerd wordt geacht, brengt aan Onze Minister die het
aangaat een rapport uit ten aanzien van een bepaling als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerste kalenderjaar waarin sinds de inwerkingtreding van de
wet waarbij dit artikel is ingevoerd, twaalf maanden zijn verstreken; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het betreffende gereglementeerde
beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop
het rapport ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het derde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister die het aangaat op basis van in ieder geval de op dat moment
uitgebrachte rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek
een evenredigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met
artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn, waarbij de omvang van die beoordeling
evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister die het aangaat daarvan een verslag aan het orgaan van de beroepsorganisatie
met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld waarop het verslag
ziet:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat nog
in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister die het aangaat in dat verslag een advies op aan het in onderdeel
b bedoelde orgaan over het gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling
naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat zou moeten hebben ten aanzien van
de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het betreffende gereglementeerde beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister die het aangaat onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als
bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn,
waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten
van de te beoordelen bepaling; en
b. Onze Minister die het aangaat daarvan aan het orgaan van de beroepsorganisatie met
regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld, een verslag met een advies
uitbrengt dat de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft vastgesteld waarop het advies ziet, slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken.
Deze motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister die het aangaat gerichte schriftelijke reactie van het in
de aanhef bedoelde orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt
gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het
zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg voor dat in voorkomend geval de in het
zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke reactie binnen een redelijke termijn
wordt gezonden aan Onze Minister die het aangaat.
Artikel 30h. Rapportage en periodieke beoordeling bepalingen van beroepsorganisaties
met regelgevende bevoegdheid zonder onafhankelijk orgaan, vastgesteld na inwerkingtreding
wijzigingswet
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid,
die de toegang tot of de uitoefening van het gereglementeerde beroep beperken waarop
die beroepsorganisatie ziet, en die in werking zijn getreden na de inwerkingtreding
van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat daartoe door
die beroepsorganisatie gekwalificeerd wordt geacht, brengt aan Onze Minister die het
aangaat een rapport uit ten aanzien van een bepaling als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerstvolgende kalenderjaar, gerekend vanaf het moment dat sinds
de inwerkingtreding van die bepaling twaalf maanden zijn verstreken, waarin ook ten
aanzien van een in artikel 30g, eerste lid, bedoelde bepaling overeenkomstig het tweede
lid van dat artikel een rapport wordt uitgebracht; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het betreffende gereglementeerde
beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop
het rapport ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het zesde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister die het aangaat op basis van in ieder geval de op dat moment
uitgebrachte rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek
een evenredigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met
artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn, waarbij de omvang van die beoordeling
evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister die het aangaat daarvan een verslag aan het orgaan van de beroepsorganisatie
met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld waarop het verslag
ziet:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat nog
in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister die het aangaat in dat verslag een advies op aan het in onderdeel
b bedoelde orgaan over het gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling
naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat zou moeten hebben ten aanzien van
de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het betreffende gereglementeerde beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister die het aangaat onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als
bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn,
waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten
van de te beoordelen bepaling; en
b. Onze Minister die het aangaat daarvan aan het orgaan van de beroepsorganisatie met
regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld, een verslag met een advies
uitbrengt dat de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft vastgesteld waarop het advies ziet, slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken.
Deze motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister die het aangaat gerichte schriftelijke reactie van het in
de aanhef bedoelde orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt
gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de uitkomst van de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het
zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg voor dat in voorkomend geval de in het
zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke reactie binnen een redelijke termijn
wordt gezonden aan Onze Minister die het aangaat.
Artikel 30i. Aanvullende verplichtingen voor beroepsorganisaties met regelgevende
bevoegdheid met onafhankelijk orgaan
1. Indien een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid een onafhankelijk orgaan
heeft, wordt in ieder geval het ontwerp voor regelgeving die strekt tot invoering
van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening
beperkt van het gereglementeerde beroep waarop die beroepsorganisatie ziet, voorafgaand
aan vaststelling van deze regelgeving voor advies aan dit orgaan voorgelegd.
2. Indien het ontwerp strekt tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande
bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het betreffende beroep beperkt:
a. beoordeelt het onafhankelijke orgaan de verenigbaarheid van die bepaling met de artikelen
5 en 6 van de proportionaliteitsrichtlijn;
b. verricht het onafhankelijke orgaan ten aanzien van die bepaling een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in samenhang met artikel 7 van proportionaliteitsrichtlijn,
waarbij:
1°. de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van
de te beoordelen bepaling;
2°. de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt geacht,
door het onafhankelijke orgaan met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve
elementen worden onderbouwd en in een advies worden opgenomen; en
3°. dit advies eveneens een advies omvat over het gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling
naar het oordeel van het onafhankelijke orgaan zou moeten hebben ten aanzien van de
betreffende bepaling; en
4°. het advies van dit onafhankelijke orgaan wordt overgelegd bij het indienen van het
ontwerp waarin de beoordeelde bepaling is vervat bij het orgaan van de beroepsorganisatie
met regelgevende bevoegdheid dat bevoegd is tot vaststelling van de regelgeving waarop
het advies ziet.
3. Het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat bevoegd is
tot vaststelling van de regelgeving kan van het advies, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken, in welk geval de motivering
tot afwijking van het advies wordt opgenomen in de toelichting bij de regelgeving
waarin de betreffende bepaling is vervat.
4. Het orgaan van de beroepsorganisatie dat de bepaling heeft opgesteld waarop het advies,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg voor dat het advies binnen
een redelijke termijn wordt gezonden aan Onze Minister die het aangaat. De regelgeving,
bedoeld in het eerste lid, wordt na vaststelling onverwijld medegedeeld aan Onze Minister
die het aangaat en gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 30j. Rapportage en periodieke beoordeling bepalingen van beroepsorganisaties
met regelgevende bevoegdheid met onafhankelijk orgaan, vastgesteld vóór inwerkingtreding
wijzigingswet
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid,
die de toegang tot of de uitoefening van het gereglementeerde beroep beperken waarop
die beroepsorganisatie ziet, en die in werking zijn getreden na 30 juli 2020 en vóór
de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat daartoe door
die beroepsorganisatie gekwalificeerd wordt geacht, brengt aan het onafhankelijke
orgaan van die beroepsorganisatie een rapport uit ten aanzien van een bepaling als
bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerste kalenderjaar waarin sinds de inwerkingtreding van de
wet waarbij dit artikel is ingevoerd, twaalf maanden zijn verstreken; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het betreffende gereglementeerde
beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop
het rapport ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
Het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat het rapport
heeft opgesteld, zendt het rapport aan het onafhankelijke orgaan en Onze Minister
die het aangaat.
4. In het derde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht het onafhankelijke orgaan op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte
rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn,
waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten
van de te beoordelen bepaling;
b. zendt het onafhankelijke orgaan daarvan een verslag aan het orgaan van de beroepsorganisatie
met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld waarop het verslag
ziet:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van het onafhankelijke orgaan nog in
overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt het onafhankelijke orgaan in dat verslag een advies op aan het in onderdeel
b bedoelde orgaan, over het gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling
naar het oordeel van het onafhankelijke orgaan zou moeten hebben ten aanzien van de
betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het betreffende gereglementeerde beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. het onafhankelijke orgaan onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld
in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn,
waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten
van de te beoordelen bepaling; en
b. het onafhankelijke orgaan daarvan aan het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende
bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld, een verslag met een advies uitbrengt
dat de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft vastgesteld waarop het advies ziet, slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken.
Deze motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan het onafhankelijke orgaan gerichte schriftelijke reactie van het orgaan
van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld
waarop het advies ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt
gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het
zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg voor dat aan Onze Minister die het aangaat
binnen een redelijke termijn wordt gezonden:
a. het in het vierde lid, onderdeel b, en zesde lid, onderdeel b, bedoelde verslag van
het onafhankelijke orgaan; en
b. in voorkomend geval de in het zevende lid, onder a, bedoelde schriftelijke reactie.
Artikel 30k. Rapportage en periodieke beoordeling bepalingen van beroepsorganisaties
met regelgevende bevoegdheid met onafhankelijk orgaan, vastgesteld na inwerkingtreding
wijzigingswet
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid,
die de toegang tot of de uitoefening beperken van het gereglementeerde beroep waarop
die beroepsorganisatie ziet, en die in werking zijn getreden na de inwerkingtreding
van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het orgaan van een beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat daartoe door
die beroepsorganisatie gekwalificeerd wordt geacht, brengt aan het onafhankelijke
orgaan van die beroepsorganisatie een rapport uit ten aanzien van een bepaling als
bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerstvolgende kalenderjaar, gerekend vanaf het moment dat sinds
de inwerkingtreding van die bepaling twaalf maanden zijn verstreken, waarin ook ten
aanzien van een in artikel 30j, eerste lid, bedoelde bepaling overeenkomstig het tweede
lid van dat artikel een rapport wordt uitgebracht; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het betreffende gereglementeerde
beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop
het rapport ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
Het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat het rapport
heeft opgesteld zendt dit rapport aan het onafhankelijke orgaan en Onze Minister die
het aangaat.
4. In het zesde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht het onafhankelijke orgaan op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte
rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn,
waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten
van de te beoordelen bepaling;
b. zendt het onafhankelijke orgaan daarvan een verslag aan het orgaan van de beroepsorganisatie
met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld waarop het verslag
ziet:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van het onafhankelijke orgaan nog in
overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt het onafhankelijke orgaan in dat verslag een advies op aan het in onderdeel
b bedoelde orgaan over het gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling
naar het oordeel van het onafhankelijke orgaan zou moeten hebben ten aanzien van de
betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het betreffende gereglementeerde beroep die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. het onafhankelijke orgaan onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld
in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van de proportionaliteitsrichtlijn,
waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten
van de te beoordelen bepaling; en
b. het onafhankelijke orgaan daarvan aan het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende
bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld, een verslag met een advies uitbrengt
dat de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft vastgesteld waarop het betreffende advies ziet, slechts deugdelijk gemotiveerd
afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan het onafhankelijke orgaan gerichte schriftelijke reactie van het orgaan
van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling heeft vastgesteld
waarop het advies ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt
gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de beroepsorganisatie met regelgevende bevoegdheid dat de bepaling
heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het
zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg voor dat aan Onze Minister die het aangaat
binnen een redelijke termijn wordt gezonden:
a. het in het vierde lid, onderdeel b, en zesde lid, onderdeel b, bedoelde verslag van
het onafhankelijke orgaan; en
b. in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke reactie.
ARTIKEL II
De Advocatenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot zesde en zevende lid worden twee
leden ingevoegd, luidende:
4. Onverminderd het derde lid, worden voorstellen voor verordeningen en voor regels
krachtens verordening die strekken tot invoering van een nieuwe of wijziging van een
bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van advocaat
beperken:
a. voorzien van een toelichting die dusdanig gedetailleerd is dat op basis daarvan in
ieder geval in het kader van de evenredigheidsbeoordeling, bedoeld in artikel 32a,
derde lid, de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel ten aanzien van de betreffende
bepaling kan worden beoordeeld; en
b. ten aanzien van die bepaling op elektronische wijze ter inzage gelegd voor eenieder,
met inbegrip van de toelichting daarop.
5. Eenieder kan gedurende een door de algemene raad te bepalen redelijke termijn na
de elektronische terinzagelegging van een voorstel voor een verordening of regels
als bedoeld in het vierde lid, bij de algemene raad een zienswijze indienen ten aanzien
van de betreffende bepaling. De algemene raad brengt in de betreffende verordening
of regels, of in de bijbehorende toelichting tot uitdrukking welke gevolgtrekkingen
zijn verbonden aan de naar voren gebrachte zienswijzen.
2. Aan het zesde lid (nieuw) wordt de zin toegevoegd «Regels als bedoeld in het vierde
lid worden na vaststelling onverwijld medegedeeld aan Onze Minister voor Rechtsbescherming
en op elektronische wijze voor eenieder kenbaar gemaakt.».
B
Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt «artikel 28, vierde lid» vervangen door «artikel 28, zesde
lid».
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
3. In afwijking van het tweede lid kan schorsing of vernietiging van een besluit als
bedoeld in het eerste lid, voor zover dat besluit strekt tot vaststelling van een
bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van advocaat beperkt,
ook na de in het tweede lid bedoelde termijn plaatsvinden, indien:
a. de raad van advies in het in artikel 32b, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel
b, dan wel artikel 32c, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel b, bedoelde
verslag heeft geadviseerd tot wijziging of schrapping van de bij dat besluit vastgestelde
bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van advocaat beperkt;
b. blijkens de schriftelijke reactie bedoeld in artikel 32b, zevende lid, onderdeel a,
dan wel artikel 32c, zevende lid, onderdeel a, wordt afgeweken van dat advies; en
c. de betreffende bepaling ongewijzigd in stand is gebleven.
4. De schorsing of vernietiging in het in het derde lid bedoelde geval geschiedt binnen
zes maanden nadat de schriftelijke reactie, bedoeld in artikel 32b, zevende lid, onderdeel
a, dan wel artikel 32c, zevende lid, onderdeel a, ter kennis is gekomen van Onze Minister
voor Rechtsbescherming.
C
Artikel 32a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt na «wordt ingediend,» ingevoegd «en alvorens een voorstel
voor regels krachtens verordening als bedoeld in artikel 28, vierde lid, door het
daartoe bevoegde orgaan wordt vastgesteld,».
2. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid en het vierde en vijfde lid tot
zevende en achtste lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
3. Indien het voorgelegde voorstel voor een verordening of voor regels krachtens verordening
strekt tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de
toegang tot of de uitoefening van het beroep van advocaat beperkt:
a. beoordeelt de raad van advies de verenigbaarheid van die bepaling met de artikelen
5 en 6 van richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een
nieuwe reglementering van beroepen (PbEU 2018, L 173); en
b. verricht de raad van advies ten aanzien van die bepaling een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in samenhang met artikel 7 van die richtlijn,
waarbij:
1°. de omvang van die beoordeling door de raad van advies evenredig is met de aard, de
inhoud en de effecten van de te beoordelen bepaling;
2°. de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt geacht,
door de raad van advies met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve
elementen worden onderbouwd en in een advies worden opgenomen; en
3°. dit advies eveneens een advies omvat over het gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling
naar het oordeel van de raad van advies zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende
bepaling.
2. In het vierde lid (nieuw) wordt na «advisering» ingevoegd «, behoudens ten aanzien
van een voorstel als bedoeld in het derde lid» en wordt de zin toegevoegd «In afwijking
van de voorgaande zin wordt het uitgebrachte advies, indien dit ziet op een bepaling
als bedoeld in het derde lid die is opgenomen in krachtens een verordening vastgestelde
regels, overgelegd aan het orgaan dat krachtens die verordening bevoegd is tot vaststelling
van de betreffende regels.».
3. Na het vierde lid (nieuw) worden twee leden ingevoegd, luidende:
5. Van het advies ten aanzien van een voorstel als bedoeld in het derde lid, kan, indien
het advies ziet op een verordening of op krachtens verordening vast te stellen regels,
het college van afgevaardigden, respectievelijk het orgaan van de Nederlandse orde
van advocaten dat bevoegd is tot vaststelling van die regels, slechts deugdelijk gemotiveerd
afwijken, in welk geval de motivering tot afwijking van het advies opgenomen wordt
in de toelichting bij de betreffende verordening of regels.
6. De algemene raad draagt er zorg voor dat het advies, bedoeld in het derde lid, onderdeel
b, binnen een redelijke termijn aan Onze Minister voor Rechtsbescherming wordt gezonden.
D
Na artikel 32a worden vier artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 32b
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de Nederlandse orde van advocaten, die de toegang
tot of de uitoefening van het beroep van advocaat beperken, en die in werking zijn
getreden na 30 juli 2020 en vóór de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel
is ingevoerd.
2. De algemene raad brengt aan de raad van advies een rapport uit ten aanzien van een
bepaling als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerste kalenderjaar waarin sinds de inwerkingtreding van de
wet waarbij dit artikel is ingevoerd, twaalf maanden zijn verstreken; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van advocaat
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
De algemene raad zendt het rapport aan de raad van advies en Onze Minister voor Rechtsbescherming.
4. In het derde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht de raad van advies op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte
rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2018
betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering
van beroepen (PbEU 2018, L 173), waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is
met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt de raad van advies daarvan aan de algemene raad een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van de raad van advies nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt de raad van advies in dat verslag een advies op aan de algemene raad over het
gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van de raad
van advies zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van advocaat die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de
bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. de raad van advies onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in
artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2018 betreffende een
evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (PbEU
2018, L 173), waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling; en
b. de raad van advies daarvan aan de algemene raad een verslag met een advies uitbrengt
dat de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan, indien het advies ziet op een verordening, het college van afgevaardigden,
of, indien het advies ziet op krachtens verordening vast te stellen regels, het orgaan
van de Nederlandse orde van advocaten dat bevoegd is tot vaststelling van die regels,
slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies
wordt opgenomen:
a. in een aan de raad van advies gerichte schriftelijke reactie van het college van afgevaardigden
respectievelijk het orgaan dat bevoegd is tot vaststelling van de betreffende regels,
ingeval de bepaling waarop het advies ziet in afwijking van het advies niet wordt
gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de verordening of bij de krachtens verordening vast te stellen
regels tot wijziging van de bepaling waarop het advies ziet, ingeval die bepaling
in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. De algemene raad draagt er zorg voor dat aan Onze Minister voor Rechtsbescherming
binnen een redelijke termijn wordt gezonden:
a. het in het vierde lid, onderdeel b, en zesde lid, onderdeel b, bedoelde verslag van
de raad van advies; en
b. in voorkomend geval de in het zevende lid, onder a, bedoelde schriftelijke reactie.
Artikel 32c
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de Nederlandse orde van advocaten, die de toegang
tot of de uitoefening van het beroep van advocaat beperken, en die in werking zijn
getreden na de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. De algemene raad brengt aan de raad van advies een rapport uit ten aanzien van een
bepaling als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerstvolgende kalenderjaar, gerekend vanaf het moment dat sinds
de inwerkingtreding van die bepaling twaalf maanden zijn verstreken, waarin ook ten
aanzien van een in artikel 32b, eerste lid, bedoelde bepaling overeenkomstig het tweede
lid van dat artikel een rapport wordt uitgebracht; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van advocaat
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet;
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
De algemene raad zendt dit rapport aan de raad van advies en Onze Minister voor Rechtsbescherming.
4. In het zesde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht de raad van advies op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte
rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2018
betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering
van beroepen (PbEU 2018, L 173), waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is
met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt de raad van advies daarvan aan de algemene raad een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van de raad van advies nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt de raad van advies in dat verslag een advies op aan de algemene raad over het
gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van de raad
van advies zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van advocaat die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de
bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. de raad van advies onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in
artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2018 betreffende een
evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (PbEU
2018, L 173), waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling; en
b. de raad van advies daarvan aan de algemene raad een verslag met een advies uitbrengt
dat de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan, indien het advies ziet op een verordening, het college van afgevaardigden,
of, indien het advies ziet op krachtens verordening vast te stellen regels, het orgaan
van de Nederlandse orde van advocaten dat bevoegd is tot vaststelling van die regels,
slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies
wordt opgenomen:
a. in een aan de raad van advies gerichte schriftelijke reactie van het college van afgevaardigden
respectievelijk het orgaan dat bevoegd is tot vaststelling van de betreffende regels,
ingeval de bepaling waarop het advies ziet niet wordt gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de verordening of bij de krachtens verordening vast te stellen
regels tot wijziging van de bepaling waarop het advies ziet, ingeval die bepaling
wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. De algemene raad draagt er zorg voor dat aan Onze Minister voor Rechtsbescherming
binnen een redelijke termijn wordt gezonden:
a. het in het vierde lid, onderdeel b, en zesde lid, onderdeel b, bedoelde verslag van
de raad van advies; en
b. in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke reactie.
Artikel 32d
De artikelen 28, vierde, vijfde en zesde lid, tweede zin, 30, derde en vierde lid,
32a, derde lid, vierde lid, slotzin, vijfde en zesde lid, 32b en 32c, zijn niet van
toepassing voor zover de in die artikelen bedoelde regels of bepalingen de toegang
tot of de uitoefening van het beroep van advocaat weliswaar beperken, maar deze specifieke
beperkingen zijn vastgelegd in een afzonderlijke handeling van de Europese Unie die
de lidstaten geen keuze laat ten aanzien van de precieze wijze waarop deze specifieke
beperkingen worden omgezet in nationaal recht.
Artikel 32e
Een wijziging van richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand
aan een nieuwe reglementering van beroepen (PbEU 2018, L 173) gaat voor de toepassing
van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering
moet zijn gegeven.
ARTIKEL III
De Gerechtsdeurwaarderswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. In het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
k door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
l. richtlijn (EU) 2018/958: richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de
Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een
nieuwe reglementering van beroepen (PbEU 2018, L 173).
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Een wijziging van richtlijn (EU) 2018/958 gaat voor de toepassing van deze wet gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
B
In artikel 5 wordt in onderdeel b na «heeft doorlopen» ingevoegd «, dan wel in het
bezit is van een ten aanzien van het beroep van gerechtsdeurwaarder afgegeven erkenning
van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties».
C
In artikel 25, eerste lid, wordt na «heeft doorlopen» ingevoegd «, dan wel in het
bezit is van een ten aanzien van het beroep van gerechtsdeurwaarder afgegeven erkenning
van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties,».
D
Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
2. Onverminderd het eerste lid, wordt een voorstel van een verordening en een voorstel
van nadere regels als bedoeld in artikel 80, vijfde lid, dat strekt tot invoering
van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van gerechtsdeurwaarder beperkt:
a. voorzien van een toelichting die dusdanig gedetailleerd is dat op basis daarvan in
ieder geval in het kader van de evenredigheidsbeoordeling, bedoeld in artikel 82,
tweede lid, onderdeel b, de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel ten aanzien
van de betreffende bepaling kan worden beoordeeld; en
b. ten aanzien van de betreffende bepaling op elektronische wijze ter inzage gelegd voor
eenieder, met inbegrip van de toelichting daarop.
3. Eenieder kan gedurende een door het bestuur van de KBvG te bepalen redelijke termijn
na de elektronische terinzagelegging van een voorstel voor een verordening of nadere
regels als bedoeld in het tweede lid bij het bestuur een zienswijze indienen ten aanzien
van de betreffende bepaling. Het bestuur brengt in de betreffende verordening of nadere
regels, of in de bijbehorende toelichting tot uitdrukking welke gevolgtrekkingen zijn
verbonden aan de naar voren gebrachte zienswijzen.
E
Artikel 82 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na de eerste zin ingevoegd «Nadere regels als bedoeld in
artikel 80, vijfde lid, behoeven goedkeuring van Onze Minister, voor zover deze nadere
regels strekken tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling
die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder beperkt.».
2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
2. Indien het ter goedkeuring voorgelegde voorstel van een verordening of nadere regels
strekt tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de
toegang tot of de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder beperkt:
a. beoordeelt Onze Minister de verenigbaarheid van die bepaling met de artikelen 5 en
6 van richtlijn (EU) 2018/958; en
b. verricht Onze Minister ten aanzien van die bepaling voorafgaand aan het besluit omtrent
goedkeuring een evenredigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in
samenhang met artikel 7 van die richtlijn, waarbij:
1°. de omvang van die beoordeling door Onze Minister evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
2°. de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt geacht,
door Onze Minister met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve
elementen worden onderbouwd; en
3°. de onder 2° bedoelde redenen en onderbouwing worden opgenomen in het besluit omtrent
goedkeuring.
3. Een lid wordt toegevoegd, luidende:
4. Nadere regels als bedoeld in het eerste lid, worden, nadat zij zijn goedgekeurd,
door de zorg van het bestuur van de KBvG op elektronische wijze voor eenieder kenbaar
gemaakt.
F
Na artikel 82 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 82a
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de KBvG, die de toegang tot of de uitoefening van
het beroep van gerechtsdeurwaarder beperken, en die in werking zijn getreden na 30 juli
2020 en vóór de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het bestuur brengt aan Onze Minister een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerste kalenderjaar waarin sinds de inwerkingtreding van de
wet waarbij dit artikel is ingevoerd, twaalf maanden zijn verstreken; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van gerechtsdeurwaarder
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het derde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte rapporten,
bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister in dat verslag een advies op aan het bestuur over het gevolg dat
de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van Onze Minister zou
moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van gerechtsdeurwaarder die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in artikel
4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958, waarbij de omvang
van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen
bepaling; en
b. Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag met een advies uitbrengt dat de
in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de KBvG dat de bepaling waarop het advies ziet, heeft vastgesteld,
slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies
wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister gerichte schriftelijke reactie van het in de aanhef bedoelde
orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt gewijzigd of geschrapt;
of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de KBvG dat de bepaling heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld
in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg
voor dat in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke
reactie binnen een redelijke termijn wordt gezonden aan Onze Minister.
Artikel 82b
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de KBvG, die de toegang tot of de uitoefening van
het beroep van gerechtsdeurwaarder beperken, en die in werking zijn getreden na de
inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het bestuur brengt aan Onze Minister een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerstvolgende kalenderjaar, gerekend vanaf het moment dat sinds
de inwerkingtreding van die bepaling twaalf maanden zijn verstreken, waarin ook ten
aanzien van een in artikel 82a, eerste lid, bedoelde bepaling overeenkomstig het tweede
lid van dat artikel een rapport wordt uitgebracht; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van gerechtsdeurwaarder
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het zesde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte rapporten,
bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister in dat verslag een advies op aan het bestuur over het gevolg dat
de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van Onze Minister zou
moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van gerechtsdeurwaarder die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet, en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in artikel
4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958, waarbij de omvang
van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen
bepaling; en
b. Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag met een advies uitbrengt dat de
in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de KBvG dat de bepaling waarop het advies ziet, heeft vastgesteld,
slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies
wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister gerichte schriftelijke reactie van het in de aanhef bedoelde
orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt gewijzigd of geschrapt;
of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de KBvG dat de bepaling heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld
in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg
voor dat in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke
reactie binnen een redelijke termijn wordt gezonden aan Onze Minister.
Artikel 82c
De artikelen 81, tweede en derde lid, 82, eerste lid, tweede zin, tweede en vierde
lid, 82a, 82b en 83, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing voor zover de in
die artikelen bedoelde regels of bepalingen de toegang tot of de uitoefening van het
beroep van gerechtsdeurwaarder weliswaar beperken, maar deze specifieke beperkingen
zijn vastgelegd in een afzonderlijke handeling van de Europese Unie die de lidstaten
geen keuze laat ten aanzien van de precieze wijze waarop deze specifieke beperkingen
worden omgezet in nationaal recht.
G
Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
2. In afwijking van het eerste lid kan vernietiging van een besluit van de ledenraad,
met inbegrip van een verordening die op grond van artikel 82 rechtsgeldig tot stand
is gekomen, of van een besluit van het bestuur voor zover dat strekt tot vaststelling
van een bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder
beperkt, ook na de in het eerste lid bedoelde termijn plaatsvinden, indien:
a. Onze Minister in het in artikel 82a, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel
b, dan wel in het in artikel 82b, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel
b, bedoelde verslag adviseert tot schrapping of wijziging van de bij dat besluit vastgestelde
bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder
beperkt; en
b. de betreffende bepaling in afwijking van dit advies ongewijzigd in stand is gebleven.
3. De vernietiging in het in het tweede lid bedoelde geval geschiedt binnen zes maanden
nadat de schriftelijke reactie, bedoeld in artikel 82a, zevende lid, onderdeel a,
dan wel artikel 82b, zevende lid, onderdeel a, ter kennis is gekomen van Onze Minister.
ARTIKEL IV
De Wet op het notarisambt wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
l door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
m. richtlijn (EU) 2018/958: richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling
voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (PbEU 2018, L 173).
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Een wijziging van richtlijn (EU) 2018/958 gaat voor de toepassing van deze wet gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
B
Artikel 90 komt te luiden:
Artikel 90
1. Het voorstel van een verordening wordt met een toelichting ten minste twee maanden
vóór de dag waarop de ledenraad daarover beraadslaagt ter kennis gebracht van de leden
van elke ring.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt een voorstel van een verordening
en een voorstel van nadere regels als bedoeld in artikel 89, vijfde lid, dat strekt
tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang
tot of de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris beperkt:
a. voorzien van een toelichting die dusdanig gedetailleerd is dat op basis daarvan in
ieder geval in het kader van de evenredigheidsbeoordeling, bedoeld in artikel 91,
tweede lid, onderdeel b, de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel ten aanzien
van de betreffende bepaling kan worden beoordeeld; en
b. ten aanzien van de betreffende bepaling op elektronische wijze ter inzage gelegd voor
eenieder, met inbegrip van de toelichting daarop.
3. Eenieder kan gedurende een door het bestuur van de KNB te bepalen redelijke termijn
na de elektronische terinzagelegging van een voorstel als bedoeld in het tweede lid
bij het bestuur een zienswijze indienen ten aanzien van de betreffende bepaling. Het
bestuur brengt in de betreffende verordening of nadere regels, of in de bijbehorende
toelichting tot uitdrukking welke gevolgtrekkingen zijn verbonden aan de naar voren
gebrachte zienswijzen.
4. Het bestuur van de ring brengt, na raadpleging van de leden, zijn advies omtrent
het voorstel ten minste drie weken vóór de dag waarop daarover wordt beraadslaagd
ter kennis van de ledenraad.
C
Artikel 91 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na de eerste zin de zin ingevoegd «In afwijking van artikel
89, vijfde lid, tweede zin, behoeven ook nadere regels als bedoeld in dat artikel
89, vijfde lid, goedkeuring van Onze Minister, voor zover deze nadere regels strekken
tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang
tot of de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris beperkt.».
2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
2. Indien het ter goedkeuring van Onze Minister voorgelegde voorstel van een verordening
of voorstel van nadere regels strekt tot invoering van een nieuwe of wijziging van
een bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris
beperkt:
a. beoordeelt Onze Minister voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring de verenigbaarheid
van die bepaling met de artikelen 5 en 6 van richtlijn (EU) 2018/958; en
b. verricht Onze Minister ten aanzien van die bepaling voorafgaand aan het besluit omtrent
goedkeuring een evenredigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in
samenhang met artikel 7 van die richtlijn, waarbij:
1° de omvang van die beoordeling door Onze Minister evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
2° de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt geacht,
door Onze Minister met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve
elementen worden onderbouwd; en
3° de onder 2° bedoelde redenen en onderbouwing worden opgenomen in het besluit omtrent
goedkeuring.
3. Een lid wordt toegevoegd, luidende:
4. Nadere regels als bedoeld in het eerste lid worden, nadat zij zijn goedgekeurd, door
de zorg van het bestuur van de KNB op elektronische wijze voor eenieder kenbaar gemaakt.
D
Na artikel 91 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 91a
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de KNB, die de toegang tot of de uitoefening van het
beroep van kandidaat-notaris beperken, en die in werking zijn getreden na 30 juli
2020 en vóór de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het bestuur brengt aan Onze Minister een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerste kalenderjaar waarin sinds de inwerkingtreding van de
wet waarbij dit artikel is ingevoerd, twaalf maanden zijn verstreken; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van kandidaat-notaris
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het derde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte rapporten,
bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister in dat verslag een advies op aan het bestuur over het gevolg dat
de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van Onze Minister zou
moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van kandidaat-notaris die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in artikel
4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958, waarbij de omvang
van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen
bepaling; en
b. Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag met een advies uitbrengt dat de
in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de KNB dat de bepaling waarop het advies ziet, heeft vastgesteld,
slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies
wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister gerichte schriftelijke reactie van het in de aanhef bedoelde
orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt gewijzigd of geschrapt;
of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de KNB dat de bepaling heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld
in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg
voor dat in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke
reactie binnen een redelijke termijn wordt gezonden aan Onze Minister.
Artikel 91b
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de KNB, die de toegang tot of de uitoefening van het
beroep van kandidaat-notaris beperken, en die in werking zijn getreden na de inwerkingtreding
van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het bestuur brengt aan Onze Minister een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerstvolgende kalenderjaar, gerekend vanaf het moment dat sinds
de inwerkingtreding van die bepaling twaalf maanden zijn verstreken, waarin ook ten
aanzien van de in artikel 91a, eerste lid, bedoelde bepaling overeenkomstig het tweede
lid van dat artikel een rapport wordt uitgebracht; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van kandidaat-notaris
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het zesde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte rapporten,
bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister in dat verslag een advies op aan het bestuur over het gevolg dat
de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van Onze Minister zou
moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van kandidaat-notaris die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in artikel
4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van de richtlijn (EU) 2018/958, waarbij de
omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van
de te beoordelen bepaling; en
b. Onze Minister daarvan aan het bestuur een verslag met een advies uitbrengt dat de
in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de KNB dat de bepaling waarop het advies ziet, heeft vastgesteld,
slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies
wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister gerichte schriftelijke reactie van het in de aanhef bedoelde
orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt gewijzigd of geschrapt;
of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de KNB dat de bepaling heeft opgesteld waarop het advies, bedoeld
in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel b, ziet, draagt er zorg
voor dat in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde schriftelijke
reactie binnen een redelijke termijn wordt gezonden aan Onze Minister.
Artikel 91c
De artikelen 90, tweede en derde lid, 91, eerste lid, tweede zin, tweede en vierde
lid, 91a, 91b en 92, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing voor zover:
a. de in die artikelen bedoelde regels of bepalingen de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van kandidaat-notaris weliswaar beperken, maar deze specifieke beperkingen
zijn vastgelegd in een afzonderlijke handeling van de Europese Unie die de lidstaten
geen keuze laat ten aanzien van de precieze wijze waarop deze specifieke beperkingen
worden omgezet in nationaal recht; of
b. de in die artikelen bedoelde bepalingen betrekking hebben op het beroep van kandidaat-notaris
voor zover deze is belast met waarneming als bedoeld in artikel 29.
E
Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
2. In afwijking van het eerste lid kan vernietiging van een besluit van de ledenraad
of van het bestuur voor zover dat strekt tot vaststelling van een bepaling die de
toegang tot of de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris beperkt, met inbegrip
van een verordening die op grond van artikel 91 rechtsgeldig tot stand is gekomen,
na de in het eerste lid bedoelde termijn plaatsvinden, indien:
a. Onze Minister in het in artikel 91a, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel
b, dan wel het in artikel 91b, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel b,
bedoelde verslag heeft geadviseerd tot wijziging of schrapping van de bij dat besluit
vastgestelde bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris
beperkt; en
b. de betreffende bepaling in afwijking van dit advies ongewijzigd in stand is gebleven.
3. De vernietiging in het in het tweede lid bedoelde geval geschiedt binnen zes maanden
nadat de schriftelijke reactie, bedoeld in artikel 91a, zevende lid, onderdeel a,
dan wel artikel 91b, zevende lid, onderdeel a, ter kennis is gekomen van Onze Minister.
ARTIKEL V
De Wet op het accountantsberoep wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. In het eerste lid wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepaling ingevoegd:
– richtlijn (EU) 2018/958:
richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende
een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen
(PbEU 2018, L 173).
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Een wijziging van richtlijn (EU) 2018/958 gaat voor de toepassing van deze wet gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
B
In artikel 4 wordt «en een bureau» vervangen door «, een bureau en een raad van advies».
C
Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een
lid ingevoegd, luidende:
2. Een ontwerp van een verordening die en van een nader voorschrift dat strekt tot invoering
van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van accountant beperkt, wordt voorzien van een toelichting die dusdanig
gedetailleerd is dat op basis daarvan in ieder geval in het kader van de evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in artikel 22b, tweede lid, onderdeel b, de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel
ten aanzien van de betreffende bepaling kan worden beoordeeld.
2. In het derde lid (nieuw) wordt na «nadere voorschriften» ingevoegd «, alsmede nadere
voorschriften als bedoeld in artikel 19, derde lid, met de in het tweede lid bedoelde
strekking,», en wordt na «ter inzage» ingevoegd «, met inbegrip van de toelichting
op het ontwerp indien het een ontwerp betreft als bedoeld in het tweede lid».
3. Aan het vierde lid (nieuw) wordt toegevoegd «en brengt, indien het een ontwerp betreft
als bedoeld in het tweede lid, in dat ontwerp of in de bijbehorende toelichting tot
uitdrukking welke gevolgtrekkingen zijn verbonden aan de naar voren gebrachte zienswijzen».
D
Na artikel 22 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 22a
1. De raad van advies bestaat uit ten minste vijf leden, de voorzitter en de plaatsvervangend
voorzitter daaronder begrepen. De raad van advies bestaat in meerderheid uit leden
die geen accountant zijn.
2. Het lidmaatschap van de raad van advies is niet verenigbaar met:
a. het lidmaatschap van het bestuur of van enig ander orgaan van de beroepsorganisatie,
uitgezonderd de ledenvergadering, ongeacht of het betreffende orgaan bij of krachtens
deze wet of bij verordening tot stand is gebracht; of
b. een arbeidsovereenkomst met de beroepsorganisatie of het verrichten van werkzaamheden
voor deze beroepsorganisatie uit hoofde van een andere overeenkomst.
3. Bij verordening worden regels vastgesteld over de verdere samenstelling en de inrichting
van de raad van advies.
Artikel 22b
1. Alvorens een ontwerpverordening bij de ledenvergadering wordt ingediend ter vaststelling,
of een ontwerp van een nader voorschrift als bedoeld in artikel 22, tweede lid, door
het bestuur wordt vastgesteld, wordt het ontwerp voor advies aan de raad van advies
voorgelegd, overeenkomstig de navolgende leden van dit artikel, over de verenigbaarheid
van een dergelijke verordening of een dergelijk nader voorschrift met richtlijn (EU)
2018/958.
2. Indien de voorgelegde ontwerpverordening of het ontwerp van een nader voorschrift
strekt tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de
toegang tot of de uitoefening van het beroep van accountant beperkt:
a. beoordeelt de raad van advies de verenigbaarheid van die bepaling met de artikelen
5 en 6 van richtlijn (EU) 2018/958; en
b. verricht de raad van advies ten aanzien van die bepaling een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in samenhang met artikel 7 van die richtlijn,
waarbij:
1°. de omvang van die beoordeling door de raad van advies evenredig is met de aard, de
inhoud en de effecten van de te beoordelen bepaling;
2°. de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt geacht,
door de raad van advies met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve
elementen worden onderbouwd en in een advies worden opgenomen; en
3°. dit advies eveneens een advies omvat over het gevolg dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling
naar het oordeel van de raad van advies zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende
bepaling.
3. Nadat een advies is uitgebracht, wordt dit voorgelegd aan het bestuur. Het bestuur
betrekt het advies van de raad van advies bij de finalisering van de ontwerpverordening
of het ontwerp van een nader voorschrift en, indien het om een ontwerpverordening
gaat, dient het bestuur deze vervolgens in bij de ledenvergadering.
4. Van het advies ten aanzien van een ontwerpverordening of een ontwerp van een nader
voorschrift als bedoeld in het tweede lid, kan de ledenvergadering respectievelijk
het bestuur slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken, in welk geval de motivering tot
afwijking van het advies wordt opgenomen in de toelichting bij de betreffende verordening
of het betreffende nadere voorschrift.
5. Het bestuur draagt er zorg voor dat het advies binnen een redelijke termijn aan Onze
Minister wordt gezonden.
E
Na artikel 23 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 23a
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de beroepsorganisatie, die de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van accountant beperken, en die in werking zijn getreden na 30 juli
2020 en vóór de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het bestuur brengt aan de raad van advies een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerste kalenderjaar waarin sinds de inwerkingtreding van de
wet waarbij dit artikel is ingevoerd, twaalf maanden zijn verstreken; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van accountant
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid, ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
Het bestuur zendt dit rapport aan de raad van advies en Onze Minister.
4. In het derde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht de raad van advies op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte
rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt de raad van advies daarvan aan het bestuur een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van de raad van advies nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt de raad van advies in dat verslag een advies op aan het bestuur over het gevolg
dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van de raad van
advies zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van accountant die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van
de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. de raad van advies onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in
artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958, waarbij
de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van
de te beoordelen bepaling; en
b. de raad van advies daarvan aan het bestuur een verslag met een advies uitbrengt dat
de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan, indien het advies ziet op een verordening, de ledenvergadering, of, indien
het advies ziet op nadere voorschriften, het bestuur, slechts deugdelijk gemotiveerd
afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan de raad van advies gerichte schriftelijke reactie van de ledenvergadering
respectievelijk het bestuur, ingeval de bepaling waarop het advies ziet in afwijking
van het advies niet wordt gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de verordening of bij de nadere voorschriften tot wijziging
van de bepaling waarop het advies ziet, ingeval de die bepaling in afwijking van het
advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het bestuur draagt er zorg voor dat aan Onze Minister binnen een redelijke termijn
wordt gezonden:
a. het in het vierde lid, onderdeel b, en zesde lid, onderdeel b, bedoelde verslag van
de raad van advies; en
b. in voorkomend geval de in het zevende lid, onder a, bedoelde schriftelijke reactie.
Artikel 23b
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de beroepsorganisatie, die de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van accountant beperken, en die in werking zijn getreden na de inwerkingtreding
van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. Het bestuur brengt aan de raad van advies een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerstvolgende kalenderjaar, gerekend vanaf het moment dat sinds
de inwerkingtreding van die bepaling twaalf maanden zijn verstreken, waarin ook ten
aanzien van een in artikel 23a, eerste lid, bedoelde bepaling overeenkomstig het tweede
lid van dat artikel een rapport wordt uitgebracht; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van accountant
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
Het bestuur zendt dit rapport aan de raad van advies en Onze Minister.
4. In het zesde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht de raad van advies op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte
rapporten, bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt de raad van advies daarvan aan het bestuur een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van de raad van advies nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt de raad van advies in dat verslag een advies op aan het bestuur over het gevolg
dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van de raad van
advies zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van accountant die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van
de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. de raad van advies onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in
artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958, waarbij
de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van
de te beoordelen bepaling; en
b. de raad van advies daarvan aan het bestuur een verslag met een advies uitbrengt dat
de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan, indien het advies ziet op een verordening, de ledenvergadering, of, indient
het advies ziet op nadere voorschriften, het bestuur, slechts deugdelijk gemotiveerd
afwijken. Deze motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan de raad van advies gerichte schriftelijke reactie van de ledenvergadering
respectievelijk het bestuur, ingeval de bepaling waarop het advies ziet, niet wordt
gewijzigd of geschrapt; of
b. in de toelichting bij de verordening of de nadere voorschriften tot wijziging van
de bepaling waarop het advies ziet, ingeval die bepaling wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het bestuur draagt er zorg voor dat aan Onze Minister binnen een redelijke termijn
wordt gezonden:
a. het in het vierde lid, onderdeel b, en zesde lid, onderdeel b, bedoelde verslag van
de raad van advies; en
b. in voorkomend geval de in het zevende lid, onder a, bedoelde schriftelijke reactie.
Artikel 23c
De artikelen 22, tweede lid, derde lid, wat betreft de zinsnede na de eerste komma
over nadere voorschriften als bedoeld in artikel 19, derde lid, alsook wat betreft
de zinsnede na de laatste komma, en vierde lid, wat betreft het slot na de zinsnede
«ter kennis van de leden», 22b, 23a en 23b zijn niet van toepassing voor zover de
in die artikelen bedoelde regels of bepalingen de toegang tot of de uitoefening van
het beroep van accountant weliswaar beperken, maar deze specifieke beperkingen zijn
vastgelegd in een afzonderlijke handeling van de Europese Unie die de lidstaten geen
keuze laat ten aanzien van de precieze wijze waarop deze specifieke beperkingen worden
omgezet in nationaal recht.
ARTIKEL VI
De Loodsenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
l door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
m. richtlijn (EU) 2018/958:
richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende
een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen
(PbEU 2018, L 173).
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Een wijziging van richtlijn (EU) 2018/958 gaat voor de toepassing van deze wet gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
B
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid en het vierde
tot en met zesde lid tot negende tot en met elfde lid, worden na het eerste lid twee
leden ingevoegd, luidende:
2. Ontwerpen voor verordeningen en voor nadere voorschriften als bedoeld in artikel
15, tweede lid, die strekken tot invoering van een nieuwe of wijziging van een bestaande
bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van registerloods beperkt,
worden voorzien van een toelichting die dusdanig gedetailleerd is dat op basis daarvan
in ieder geval in het kader van de evenredigheidsbeoordeling, bedoeld in het zevende
lid, onderdeel b, de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel ten aanzien van de
betreffende bepaling kan worden beoordeeld.
3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde bepaling in nadere voorschriften geldt
dat:
a. deze op elektronische wijze ter inzage worden gelegd voor eenieder, met inbegrip van
de toelichting daarop; en
b. eenieder gedurende een redelijke termijn, te bepalen door het orgaan dat bevoegd is
tot vaststelling van de betreffende bepaling, na de in onderdeel a bedoelde terinzagelegging
bij het betreffende bevoegde orgaan een zienswijze kan indienen. Dit bevoegde orgaan
brengt in de betreffende nadere voorschriften of in de bijbehorende toelichting tot
uitdrukking welke gevolgtrekkingen zijn verbonden aan de naar voren gebrachte zienswijzen.
2. Aan het vijfde lid (nieuw) wordt de zin toegevoegd «Indien de zienswijzen betrekking
hebben op bepalingen in ontwerpen voor verordeningen als bedoeld in het tweede lid,
brengt de algemene raad in de verordening of in de bijbehorende toelichting tot uitdrukking
welke gevolgtrekkingen zijn verbonden aan de naar voren gebrachte zienswijzen.».
3. Na het vijfde lid (nieuw) worden drie leden ingevoegd, luidende:
6. Onverminderd artikel 4, eerste lid, behoeven verordeningen of nadere voorschriften
als bedoeld in het tweede lid, de goedkeuring van Onze Minister.
7. Indien ter goedkeuring van Onze Minister voorgelegde ontwerpen van verordeningen
of van nadere voorschriften als bedoeld in artikel 15, tweede lid, strekken tot invoering
van een nieuwe of wijziging van een bestaande bepaling die de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van registerloods beperkt:
a. beoordeelt Onze Minister voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring de verenigbaarheid
van die bepaling met de artikelen 5 en 6 van richtlijn (EU) 2018/958; en
b. verricht Onze Minister ten aanzien van die bepaling voorafgaand aan het besluit omtrent
goedkeuring een evenredigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in
samenhang met artikel 7 van die richtlijn, waarbij:
1°. de omvang van die beoordeling door Onze Minister evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
2°. de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt geacht,
door Onze Minister met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve
elementen worden onderbouwd; en
3°. de onder 2° bedoelde redenen en onderbouwing worden opgenomen in het besluit omtrent
goedkeuring.
8. De in het zesde lid bedoelde goedkeuring kan ten aanzien van een bepaling als bedoeld
in het tweede lid worden onthouden wegens onverenigbaarheid van de bepaling met artikel
5 of 6 van richtlijn (EU) 2018/958 of wegens onevenredigheid van de bepaling, in de
zin van die richtlijn.
4. In het elfde lid (nieuw) wordt «vierde en vijfde lid» vervangen door «negende en
tiende lid».
C
Na artikel 16 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 16a
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de corporatie of de regionale corporatie, die de toegang
tot of de uitoefening van het beroep van registerloods beperken, en die in werking
zijn getreden na 30 juli 2020 en vóór de inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel
is ingevoerd.
2. De algemene raad brengt aan Onze Minister een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerste kalenderjaar waarin sinds de inwerkingtreding van de
wet waarbij dit artikel is ingevoerd, twaalf maanden zijn verstreken; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van registerloods
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het derde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte rapporten,
bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister daarvan aan de algemene raad een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister in dat verslag een advies op aan de algemene raad over het gevolg
dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van Onze Minister
zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van registerloods die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in artikel
4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958, waarbij de omvang
van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen
bepaling; en
b. Onze Minister daarvan aan de algemene raad een verslag met een advies uitbrengt dat
de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de corporatie of de regionale corporatie dat de bepaling waarop
het advies ziet, heeft vastgesteld, slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze
motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister gerichte schriftelijke reactie van het in de aanhef bedoelde
orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt gewijzigd of geschrapt;
of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de corporatie of de regionale corporatie dat de bepaling heeft opgesteld
waarop het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, ziet, draagt er zorg voor dat in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel
a, bedoelde schriftelijke reactie binnen een redelijke termijn wordt gezonden aan
Onze Minister.
Artikel 16b
1. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van bepalingen, vastgesteld door
het daartoe bevoegde orgaan van de corporatie of krachtens verordening vastgesteld
door het bestuur van de regionale corporatie, die de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van registerloods beperken, en die in werking zijn getreden na de inwerkingtreding
van de wet waarbij dit artikel is ingevoerd.
2. De algemene raad brengt aan Onze Minister een rapport uit ten aanzien van een bepaling
als bedoeld in het eerste lid:
a. voor het eerst in het eerstvolgende kalenderjaar, gerekend vanaf het moment dat sinds
de inwerkingtreding van die bepaling twaalf maanden zijn verstreken, waarin ook ten
aanzien van een in artikel 16a, eerste lid, bedoelde bepaling overeenkomstig het tweede
lid van dat artikel een rapport wordt uitgebracht; en
b. vervolgens telkens in het volgende derde kalenderjaar.
3. In een rapport als bedoeld in het tweede lid:
a. wordt aangegeven of sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van het beroep van registerloods
die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van de bepaling waarop het rapport
ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van die bepaling;
b. wordt op basis van de bevindingen in het rapport een inschatting opgenomen van de
effecten die deze ontwikkelingen in de praktijk hebben op de evenredigheid van de
bepaling waarop het rapport ziet; en
c. wordt gemotiveerd aangegeven of het rapport aanleiding geeft tot het verrichten van
een onverwijlde evenredigheidsbeoordeling overeenkomstig het zesde lid ten aanzien
van de bepaling waarop het rapport ziet.
4. In het zesde kalenderjaar nadat ten aanzien van een bepaling het eerste rapport,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is uitgebracht, en vervolgens telkens in het
volgende zesde kalenderjaar:
a. verricht Onze Minister op basis van in ieder geval de op dat moment uitgebrachte rapporten,
bedoeld in het tweede lid, ten aanzien van die bepaling periodiek een evenredigheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU)
2018/958, waarbij de omvang van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud
en de effecten van de te beoordelen bepaling;
b. zendt Onze Minister daarvan aan de algemene raad een verslag:
1°. waaruit blijkt of de bepaling naar het oordeel van Onze Minister nog in overeenstemming
is met het evenredigheidsbeginsel; en
2°. waarin de redenen waarom de bepaling al dan niet gerechtvaardigd en evenredig wordt
geacht, met kwalitatieve en, indien mogelijk en relevant, kwantitatieve elementen
worden onderbouwd; en
c. neemt Onze Minister in dat verslag een advies op aan de algemene raad over het gevolg
dat de uitkomst van de evenredigheidsbeoordeling naar het oordeel van Onze Minister
zou moeten hebben ten aanzien van de betreffende bepaling.
5. Bij de periodieke evenredigheidsbeoordeling en in het verslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de ontwikkelingen ten aanzien van
het beroep van registerloods die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding
van de bepaling waarop deze beoordeling ziet en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid
van die bepaling.
6. Onverminderd het vierde lid geldt dat indien uit het in het tweede lid bedoelde rapport
redelijkerwijs valt af te leiden dat de evenredigheid van een bepaling waarop dat
rapport betrekking heeft, door de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen in het
geding is of dreigt te raken:
a. Onze Minister onverwijld een evenredigheidsbeoordeling verricht als bedoeld in artikel
4, zesde lid, in samenhang met artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/958, waarbij de omvang
van die beoordeling evenredig is met de aard, de inhoud en de effecten van de te beoordelen
bepaling; en
b. Onze Minister daarvan aan de algemene raad een verslag met een advies uitbrengt dat
de in het vierde lid, onderdelen b en c, beschreven elementen bevat.
7. Van het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, kan het orgaan van de corporatie of de regionale corporatie dat de bepaling waarop
het advies ziet, heeft vastgesteld, slechts deugdelijk gemotiveerd afwijken. Deze
motivering tot afwijking van het advies wordt opgenomen:
a. in een aan Onze Minister gerichte schriftelijke reactie van het in de aanhef bedoelde
orgaan, ingeval die bepaling in afwijking van het advies niet wordt gewijzigd of geschrapt;
of
b. in de toelichting bij de regelgeving tot wijziging van de bepaling waarop het advies
ziet, ingeval die bepaling in afwijking van het advies wordt gewijzigd of geschrapt.
8. Indien de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde onverwijlde evenredigheidsbeoordeling
is verricht en de beoordeelde bepaling vervolgens ongewijzigd in stand blijft, ongeacht
of dat een afwijking vormt van het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde advies,
geldt dat:
a. in afwijking van het vierde lid, aanhef, de eerstvolgende periodieke evenredigheidsbeoordeling,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, plaatsvindt in het zesde kalenderjaar nadat
het rapport werd uitgebracht dat aanleiding gaf tot deze onverwijlde evenredigheidsbeoordeling;
en
b. de periodieke evenredigheidsbeoordeling vervolgens, overeenkomstig het vierde lid,
plaatsvindt telkens in het volgende zesde kalenderjaar.
9. Het orgaan van de corporatie of de regionale corporatie dat de bepaling heeft opgesteld
waarop het advies, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het zesde lid, onderdeel
b, ziet, draagt er zorg voor dat in voorkomend geval de in het zevende lid, onderdeel
a, bedoelde schriftelijke reactie binnen een redelijke termijn wordt gezonden aan
Onze Minister.
Artikel 16c
De artikelen 16, tweede en derde lid, vijfde lid, tweede zin, zesde, zevende en achtste
lid, 16a, 16b en 18, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing voor zover de in
die artikelen bedoelde regels of bepalingen de toegang tot of de uitoefening van het
beroep van registerloods weliswaar beperken, maar deze specifieke beperkingen zijn
vastgelegd in een afzonderlijke handeling van de Europese Unie die de lidstaten geen
keuze laat ten aanzien van de precieze wijze waarop deze specifieke beperkingen worden
omgezet in nationaal recht.
D
Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «de ledenvergadering van de corporatie» ingevoegd «, alsook
besluiten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van het bestuur van een regionale
corporatie die strekken tot vaststelling van bepalingen die de toegang tot of de uitoefening
van het beroep van registerloods beperken,».
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
3. In afwijking van het tweede lid kan vernietiging van een besluit als bedoeld in het
eerste lid voor zover dat strekt tot vaststelling van een bepaling die de toegang
tot of de uitoefening van het beroep van registerloods beperkt, ook na de in het tweede
lid bedoelde termijn plaatsvinden, indien:
a. Onze Minister in het in artikel 16a, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel
b, dan wel het in artikel 16b, vierde lid, onderdeel b, of zesde lid, onderdeel b,
bedoelde verslag heeft geadviseerd tot wijziging of schrapping van de bij dat besluit
vastgestelde bepaling die de toegang tot of de uitoefening van het beroep van registerloods
beperkt; en
b. de betreffende bepaling in afwijking van dit advies ongewijzigd in stand is gebleven.
4. De vernietiging in het in het derde lid bedoelde geval geschiedt binnen zes maanden
nadat de schriftelijke reactie, bedoeld in artikel 16a, zevende lid, onderdeel a,
dan wel artikel 16b, zevende lid, onderdeel a, ter kennis is gekomen van Onze Minister.
ARTIKEL VII
De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. In het eerste lid wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepaling ingevoegd:
– richtlijn (EU) 2018/958:
richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende
een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen
(PbEU 2018, L 173);
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Een wijziging van richtlijn (EU) 2018/958 gaat voor de toepassing van deze wet gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
B
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt «tweede lid, onder d» vervangen door «tweede lid, onder c
of d» en wordt «het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap» vervangen
door «het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie».
2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, het vijfde lid tot achtste
lid en het zesde tot en met dertiende lid tot negende tot en met zestiende lid wordt
na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
4. Ten aanzien van het opstellen en de totstandkoming van regels als bedoeld in het
tweede lid, onder c, en onder d, tweede gedachtestreepje, die de toegang tot of de
uitoefening van het betrokken beroep beperken, is artikel 30d, tweede lid, van de
Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties van toepassing.
3. Na het vijfde lid (nieuw) worden twee leden ingevoegd, luidende:
6. Voorafgaand aan het besluit omtrent instemming als bedoeld in het vijfde lid:
a. beoordeelt Onze Minister ten aanzien van regels, als bedoeld in het tweede lid, onder
c, en onder d, tweede gedachtestreepje, die de toegang tot of de uitoefening van het
betrokken beroep beperken, de verenigbaarheid van die regels met de artikelen 5 en
6 van richtlijn (EU) 2018/958; en
b. verricht Onze Minister ten aanzien van deze regels een evenredigheidsbeoordeling als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, in samenhang met artikel 7 van die richtlijn. Hierbij
is artikel 30f, tweede lid, onder b, subonderdelen 1° tot en met 3°, van de Algemene
wet erkenning EU-beroepskwalificaties van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat in plaats van «goedkeuring» wordt gelezen «instemming».
7. Ten aanzien van de in het vierde lid bedoelde regels die in werking zijn getreden
na 30 juli 2020:
a. brengt het daartoe bevoegde orgaan van de organisatie, bedoeld in het tweede lid,
na de inwerkingtreding van die regels periodiek een rapport uit over de ontwikkelingen
ten aanzien van het betreffende beroep die zich sinds de inwerkingtreding van die
regels hebben voorgedaan en die invloed kunnen hebben op de evenredigheid van de regels
waarop het rapport betrekking heeft;
b. verricht Onze Minister in ieder geval periodiek een evenredigheidsbeoordeling en brengt
daarvan een verslag uit.
De artikelen 30g en 30h van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties zijn
van toepassing.
4. Het elfde lid (nieuw) komt te luiden:
11. Onze Minister kan:
a. een organisatie als bedoeld in het tweede lid, onder c, in verband met richtlijn (EU)
2018/958 aanwijzingen geven met betrekking tot regels van deze organisatie die de
toegang tot of de uitoefening van het betreffende beroep waarop de regels zien, beperken
indien:
1°. Onze Minister in het in artikel 30g, vierde lid, onder b, dan wel 30h, vierde lid,
onder b, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties bedoelde verslag heeft
geadviseerd tot wijziging of schrapping van een vastgestelde bepaling die de toegang
tot of de uitoefening van het betrokken beroep beperkt; en
2°. de betreffende bepaling in afwijking van dit advies ongewijzigd in stand is gebleven;
b. een orgaan als bedoeld in het tweede lid, onder d, met betrekking tot de in dit artikel
bedoelde taken en verplichtingen aanwijzingen geven in verband met bindende rechtshandelingen
van de Europese Unie, alsmede ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele
gezondheidszorg.
Alvorens tot het geven van de onder a en b bedoelde aanwijzingen over te gaan, hoort
Onze Minister de betrokken organisatie of het betrokken orgaan. Een aanwijzing kan
niet inhouden dat een specialistenregister voor een bepaald deelgebied tot stand dient
te worden gebracht. Een aanwijzing heeft geen betrekking op een individuele specialist,
opleidingsinstelling of opleider.
5. In het vijftiende lid (nieuw), onderdeel a, wordt «het eerste, vierde, achtste en
negende lid» vervangen door «eerste, vijfde, elfde en twaalfde lid».
6. In het zestiende lid (nieuw) wordt «Het vierde en twaalfde lid» vervangen door «Het
vijfde en vijftiende lid».
C
Na artikel 14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 14a
Artikel 14, vierde, zesde, zevende en elfde lid, onderdeel a, is niet van toepassing
voor zover de in dat artikel bedoelde regels de toegang tot of de uitoefening van
het beroep met een wettelijk erkende specialistentitel weliswaar beperken, maar deze
specifieke beperkingen zijn vastgelegd in een afzonderlijke handeling van de Europese
Unie die de lidstaten geen keuze laat ten aanzien van de precieze wijze waarop deze
specifieke beperkingen worden omgezet in nationaal recht.
ARTIKEL VIII
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
De Minister van Financiën,
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.