Brief Presidium : Brief van het Presidium over een adviesaanvraag aan de Onderwijsraad over het onderwerp 'Verschillen tussen scholen'
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Nr. 155
BRIEF VAN HET PRESIDIUM
Aan de Leden
Den Haag, 10 juni 2026
Het Presidium legt hierbij, conform artikel 7.35 lid 2 van het Reglement van Orde,
aan u voor het verzoek van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
bij brief van 21 mei 2026, om advies te vragen aan de Onderwijsraad over het onderwerp
«Verschillen tussen scholen».
Het Presidium stelt u voor in te stemmen met het bijgevoegde verzoek en dit door te
geleiden aan de Onderwijsraad.
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Van Campen
BIJLAGE 1 BRIEF VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan het Presidium
Den Haag, 21 mei 2026
Namens de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verzoek
ik u aan de Kamer voor te stellen1 om een adviesaanvraag bij de Onderwijsraad in te dienen om in het Werkprogramma 2027–2028
het volgende onderwerp op te nemen:
– Verschillen tussen scholen
In de bijlage treft u een uitgewerkte vraagstelling aan.
Ik verzoek u te bevorderen dat de Kamer hierover zo spoedig mogelijk een beslissing
neemt.
De voorzitter van de commissie, Koorevaar
De griffier van de commissie, Verhoev
BIJLAGE 2
De Onderwijsraad is bereid en heeft ruimte in haar werkprogramma om in te gaan op
het verzoek van de Kamer om een advies uit te brengen over «Verschillen tussen scholen».
Op 1 april 2026 heeft de Kamer, via het Presidium en op verzoek van de commissie OCW
de adviesvraag «Wat is de definitie van goed onderwijs?» ingediend bij de Onderwijsraad
(Kamerstuk 36800 VIII-140).
In overleg met de Onderwijsraad is de formulering van de adviesaanvraag als volgt
vormgegeven:
Verschillen tussen scholen
Advies op verzoek van de Tweede Kamer
Er zijn grote verschillen tussen scholen als het gaat om kwaliteit, zowel op het gebied
van opbrengsten, zoals leerprestaties, als van het proces om daartoe te komen, zoals
de professionele cultuur en het lerend en organiserend vermogen van de schoolorganisatie.
Er zijn achterblijvers, maar ook scholen die het juist goed doen op deze terreinen.
In het recente regeerakkoord wordt ingezet op verbeteren van vakmanschap van leraren
en schoolleiders en het benutten van kennis afkomstig van goede praktijken. Het is
nodig beter te doorgronden wat ervoor nodig is om verschillen tussen scholen te verkleinen
en de achterblijvers te helpen hun kwaliteit te verbeteren.
Een advies op dit onderwerp zou een analyse kunnen bevatten van achterliggende oorzaken
van het lerend en organiserend vermogen van scholen. Zo is een belangrijke vraag voor
onderwijsbeleid welke institutionele factoren (zoals de inrichting van de infrastructuur,
financieringsmechanismen en prikkels) bijdragen aan of juist belemmerend werken voor
het beperken of voortbestaan van schoolverschillen. Daarvoor is het nodig beter zicht
te krijgen op de vraag waarom het een deel van de scholen binnen de kaders van het
huidige onderwijsbestel lukt om hun lerend en organiserend vermogen aan te boren of
te versterken en andere niet.
In dit advies richt de raad zich op de vraag: hoe kan het lerend en organiserend vermogen van scholen worden vergroot om verschillen
tussen scholen te verminderen?
Ondertekenaars
A.A.H. van Campen, voorzitter van het Presidium
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.