Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de Algemene Rekenkamer, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 36945-XXII-2)
36 945 XXII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2025
Nr. 5
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een aantal
vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over de brief van 20 mei 2026 inzake
het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 36 945 XXII, nr. 2).
De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen
en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Beekmans
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Kan de Algemene Rekenkamer nader toelichten op basis van welke normen, indicatoren
en gegevens zij concludeert dat de nieuwbouwdoelen «ver af van de praktijk» blijven?
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) heeft de bouw van 100.000
woningen per jaar als doel gesteld. In het rapport bij het Jaarverslag 2025 schrijven
we dat er in 2025 79.900 woningen zijn bijgekomen. Dat betreft nieuwbouwwoningen en
andere vormen van toevoegingen aan de woningvoorraad, bijvoorbeeld door transformatie
of woningsplitsing. We baseren ons daarbij op onderzoek van het CBS. We schrijven
ook dat dit het derde jaar op rij is, waarin het aantal nieuwe woningen daalt ten
opzichte van het jaar ervoor.
Vraag 2
Kan de Algemene Rekenkamer aangeven welke regelingen of budgetposten zijn meegenomen
in het bedrag van € 731 miljoen en het gerealiseerde bedrag van € 327 miljoen, en
welk deel van de niet-bestede middelen is doorgeschoven naar latere jaren?
De bedragen € 731 miljoen (begroot) en € 327 miljoen (gerealiseerd) hebben betrekking
op subartikel 1.2 Woningbouw, en omvatten alle begrotingsposten die daar onder vallen.
Het is volgens ons aan de Minister van VRO om een antwoord te geven op de vraag welk
deel van de niet-bestede middelen is doorgeschoven naar latere jaren.
Vraag 3
Welke risico’s ziet de Algemene Rekenkamer rond herplaatsbaarheid van flexwoningen
en welke gevolgen heeft dat voor doelmatigheid, levensduurkosten en risicoverdeling
tussen betrokken stakeholders?
Flexwoningen mogen tijdelijk ergens staan, meestal 15 jaar. Vaak is nog onduidelijk
wat er na die periode met de woningen gaat gebeuren. Het financiële risico dat dit
met zich meebrengt ligt in principe bij de investeerder, vaak een woningcorporatie.
Het risico bestaat dat de flexwoningen niet herplaatst kunnen worden, omdat er geen
geschikte nieuwe locatie gevonden wordt. Daarnaast bestaat voor woningcorporaties
het risico dat er geen geschikte nieuwe locatie gevonden wordt in het werkgebied van
de woningcorporatie, zodat de flexwoningen herplaatst moeten worden buiten het werkgebied
van de woningcorporatie.
De Minister probeert de risico’s rond herplaatsbaarheid kleiner te maken, bijvoorbeeld
met de Regeling tegemoetkoming herplaatsing flexwoningen (RTHF). Als het niet lukt
een locatie voor herplaatsing te vinden, en de woningen moeten worden verkocht, dan
deelt het Rijk in het verschil tussen de daadwerkelijke verkoop en de minimale gegarandeerde
restwaarde van de flexwoningen bij verkoop. De verdeling van dit verschil is 60% Rijk,
25% gemeente en 15% investeerder. Het aantal deelnemers aan de RTHF is echter laag.
Tot en met 2025 vielen er in totaal 1.918 flexwoningen onder.
U vraagt naar de gevolgen van de risico’s rond herplaatsing van flexwoningen voor
doelmatigheid en levensduurkosten, daar hebben we geen specifiek onderzoek naar gedaan.
In algemene zin geldt dat hoe langer een flexwoning verhuurd kan worden, hoe gunstiger
de verhouding tussen kosten en opbrengsten zal zijn.
Vraag 4
Kan de Algemene Rekenkamer aangeven of uit haar onderzoek blijkt dat verhoging van
de subsidie per flexwoning nog een effectief instrument is, of dat andere knelpunten
– zoals locaties, exploitatie, draagvlak en herplaatsbaarheid – zwaarder wegen?
Een hogere bijdrage kan helpen om het probleem van het rondkrijgen van de businesscase
kleiner te maken. In sommige gevallen zullen andere knelpunten zwaarder wegen, zoals
het niet kunnen vinden van een geschikte locatie. Daar heeft een verhoging van de
subsidie geen invloed op.
Vraag 5
Hoe heeft de Algemene Rekenkamer de financiële risico’s van flexwoningen beoordeeld,
en in hoeverre verschillen deze risico’s voor de betrokken stakeholders?
In ons onderzoek geven we aan dat de financiële risico’s van flexwoningen samenhangen
met de tijdelijkheid van de locatie. De tijdelijkheid van de locatie zorgt voor onzekerheid
over huurinkomsten op de lange termijn en dit kan een belemmering zijn voor het rondkrijgen
van de businesscase en daarmee voor de realisatie van flexwonignen. Voor de verdeling
van de risico’s verwijzen we naar het antwoord op vraag 3.
Vraag 6
Kan de Algemene Rekenkamer nader toelichten in welke omstandigheden
flexwoningen naar haar oordeel wél doelmatig kunnen zijn, en welke voorwaarden minimaal
nodig zijn om te voorkomen dat flexwoningen permanente woningbouw verdringen of financiële
risico’s vergroten?
Op geschikte locaties waar permanente woningbouw (nog) niet mogelijk of wenselijk
is kunnen flexwoningen een aanvulling vormen op permanente woningen. In algemene zin
geldt dat geld en ambtelijke capaciteit die besteed worden aan flexwoningen niet besteed
kunnen worden aan permanente woningbouw. Als flexwoningen worden gebouwd op locaties
waar in de toekomst permanente woningbouw gepland is, is het belangrijk dat de investeerder
en de gemeente goede afspraken maken. Die afspraken zouden niet alleen moeten gaan
over wanneer de locatie beschikbaar moet komen voor permanente woningbouw, maar ook
over de inspanningen van beide partijen om tijdig een andere locatie voor de flexwoningen
te vinden.
Vraag 7
Kan de Algemene Rekenkamer verder toelichten waarom zij een Woningbouwimpuls met als
enig doel betaalbaarheid aanbevelen? Waarom is dit doeltreffender?
We concluderen in ons rapport Woningbouwimpuls; Vervolgonderzoek 2025 dat de Minister
voor het instrument Woningbouwimpuls (Wbi) grote, algemene doelen stelt (sneller,
meer en meer betaalbare woningen bouwen), waarmee de Minister verwachtingen wekt over
het effect van de Wbi die zij met dit specifieke instrument niet kon waarmaken. We
bevolen daarom aan om één specifiek doel te stellen voor de Wbi. Op basis van de resultaten
van de projecten die geld kregen uit de eerste 3 rondes van de Wbi kwamen we tot de
conclusie dat de Wbi geen effect heeft op het versnellen van woningbouw en dat het
twijfelachtig is of de Wbi tot meer woningen leidt, maar dat de Wbi wel enig effect
heeft op het bouwen van meer betaalbare woningen. Alleen op het vlak van betaalbaarheid
zagen we dus een beperkte doeltreffendheid.
Vraag 8
Welke informatie zou volgens de Algemene Rekenkamer nodig zijn om de nieuwe verwachting
van jaarlijks 5.000 flexwoningen controleerbaar, realistisch en navolgbaar te maken?
Voor de controleerbaarheid en navolgbaarheid is het nodig om informatie te verkrijgen
over de plannen voor het aantal te bouwen flexwoningen, het jaarlijks aantal afgegeven
vergunningen voor flexwoningen en het jaarlijks aantal gebouwde flexwoningen. De informatie
zou moeten gaan over alle (geplande, vergunde en gebouwde) flexwoningen in Nederland,
en niet alleen over het aantal flexwoningen dat gebouwd wordt met financiële steun
vanuit de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen.
Het is volgens ons aan de Minister om te onderbouwen dat het door haar genoemde aantal
van 5.000 flexwoningen per jaar realistisch is.
Overigens heeft de Minister in haar reactie op ons rapport alleen aangegeven dat ze
nu verwacht dat er jaarlijks gemiddeld 5.000 flexwoningen per jaar kunnen worden gerealiseerd.
Ze heeft niet aangegeven dat dit een doelstelling is, waarover de Minister jaarlijks
gaat rapporteren. We hebben de Minister wel aanbevolen concrete doelen in het beleid
voor flexwoningen te stellen en daarmee realistische verwachtingen te wekken.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier