Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 957 Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met diverse wijzigingen van pensioenwetgeving (Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN
Hoofdstuk 1. Aanleiding en doelen
Op 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in werking getreden. Bij de behandeling
van de Wtp is toegezegd de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen mogelijk
te maken en ook de definitie van het «kind» te uniformeren in de Pensioenwet. Deze
twee zaken worden doorgevoerd met voorliggend wetsvoorstel. Het wetsvoorstel bevat
daarnaast een verruiming van het overgangsrecht voor premievrije voortzetting van
pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, voor zowel fondsen als verzekeraars. Gebleken
is dat de huidige vormgeving van het overgangsrecht leidt tot knelpunten in de uitvoering.
De Tweede Kamer is hierover al geïnformeerd, evenals het voornemen om de wet op dit
punt te verruimen.1
Dit wetsvoorstel bevat meer dan alleen de toezeggingen die zijn gedaan aan de Eerste
Kamer ten tijde van de behandeling van de Wtp. Zo is ook een aanpassing aan de regeling
gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereenkomst in dit wetsvoorstel opgenomen
en wordt de verplichte voortzetting van risicodekking van het nabestaandenpensioen
op grond van een cao of periodieke uitkering geregeld. Ook naar aanleiding van de
internetconsultatie zijn nog enkele wijzigingen doorgevoerd (zie paragraaf 4.1). Het
wetsvoorstel bevat verder enkele (technische) aanpassingen en verduidelijkingen. Deze
voorstellen beogen bij te dragen aan het initiële doel van de stelselherziening die
ten grondslag lag aan de Wtp en aan een soepele transitie naar het nieuwe stelsel.
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de voorstellen. Hoofdstuk 3 gaat in op de gevolgen
voor burger, bedrijven en overheid. In hoofdstuk 4 worden de consultatie en toetsen
van eerdere versies van dit wetsvoorstel verantwoord.
Hoofdstuk 2. Uitwerking toezeggingen en andere gewenste wijzigingen
2.1 Vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen
Op grond van de Wtp is het partner- en wezenpensioen ter dekking van het overlijden
vóór pensioendatum enkel nog op risicobasis verzekerd. Kenmerkend aan een partner-
en wezenpensioen op risicobasis is dat de risicodekking vervalt op het moment dat
er niet langer sprake is van deelnemerschap in de pensioenregeling. Om het risico
te verkleinen dat iemand die tussen twee dienstverbanden in zit of iemand die werkloos
of zelfstandige wordt, tijdelijk geen of een lagere dekking voor partnerpensioen heeft,
is in de Wtp een aantal maatregelen opgenomen.2 Een van die maatregelen betreft de mogelijkheid voor gewezen deelnemers om het ouderdomspensioen
uit te ruilen voor het voortzetten van het partnerpensioen vóór pensioendatum op risicobasis.3 In de Wtp is deze uitruilmogelijkheid niet mogelijk gemaakt voor het voortzetten
van het wezenpensioen. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wtp is een motie
van het lid Oomen-Ruijten c.s. aangenomen waarin het kabinet wordt verzocht om ook
de dekking voor het wezenpensioen voort te zetten op dezelfde wijze als voorzien voor
de vrijwillige voortzetting van de dekking voor partnerpensioen vóór pensioendatum.4 Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan deze motie. De regering stelt voor
de gewezen deelnemer de mogelijkheid te geven om de risicodekking voor het wezenpensioen
vrijwillig voort te zetten en daarmee eventuele financiële risico’s te beperken op
het moment waarop de voortzetting van het nabestaandenpensioen op risicobasis eindigt.
Het vervolg van deze paragraaf richt zich op de keuzemogelijkheid van de gewezen deelnemer
om te kiezen voor vrijwillige voortzetting van de risicodekking voor het wezenpensioen
en de financiering daarvan.
In paragraaf 2.1.1 wordt kort ingegaan op de vraag waarom het wenselijk kan zijn om
de risicodekking voor het wezenpensioen voort te zetten. Paragrafen 2.1.2 en 2.1.3
gaan vervolgens in op de duur van de vrijwillige voortzetting en op de situatie wanneer
geen recht (meer) bestaat op de vrijwillige voortzetting. In de paragrafen 2.1.4 en
2.1.5 wordt kort aangestipt voor welk kind het wezenpensioen vrijwillig kan worden
voortgezet. Ook wordt ingegaan op het feit dat de gewezen deelnemer afzonderlijk kan
kiezen voor de vrijwillige voortzetting van het partner- of wezenpensioen. In de paragrafen
2.1.6 en 2.1.7 staat de financiering van de vrijwillige voortzetting centraal. Ten
slotte ziet paragraaf 2.1.8 op overgangsrecht voor pensioenuitvoerders die al vóór
de inwerkingtreding van deze Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen (hierna:
Toezeggingenwet) zijn overgestapt op de uitvoering van de gewijzigde pensioenregeling onder het nieuwe
pensioenstelsel.
2.1.1 Vrijwillige voortzetting risicodekking wezenpensioen
Vanuit het perspectief van de gewezen deelnemer kan het wenselijk zijn om de risicodekking
voor het wezenpensioen langer voort te zetten na de afgesproken uitloopperiode, dan
wel na afloop van de voortzetting van de risicodekking gedurende de Ziektewet- of
Werkloosheidswet-periode of de combinatie daarvan.5 Een voortzetting van de risicodekking kan voor de gewezen deelnemer een manier zijn
om het financiële risico af te dekken dat achterblijvende kinderen kunnen hebben bij
overlijden van de gewezen deelnemer voor de pensioendatum. De regering stelt daarom
voor de gewezen deelnemer bij het einde van de uitloopperiode dan wel na afloop van
de risicodekking gedurende de Ziektewet- of de Werkloosheidswet-periode een keuzemoment
te geven om de risicodekking voor het wezenpensioen vrijwillig voort te zetten. Voor
de financiering van deze vrijwillige voortzetting wordt het reeds opgebouwde pensioenvermogen
voor ouderdomspensioen gebruikt. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat ook het
partnerpensioen vanaf pensioendatum hiervoor gebruikt kan worden als dit in de pensioenovereenkomst
is opgenomen.6 Deze wijze van financiering wordt ook wel uitruilen genoemd. Opgemerkt dient te worden
dat er geen sprake is van bovengenoemde uitloopperiode als er direct aansluitend aan
de beëindiging van de deelneming een dienstverband wordt aangegaan. In dat geval is
vrijwillige voortzetting van de risicodekking voor het wezenpensioen niet aan de orde.7
2.1.2 Minimale duur vrijwillige voortzetting wezenpensioen
Bij de parlementaire behandeling van de Wtp is een amendement aangenomen over de duur
van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen.8 Gewezen deelnemers die gekozen hebben om het partnerpensioen op risicobasis vrijwillig
voort te zetten, kunnen minimaal 15 jaar gebruikmaken van deze vrijwillige voortzetting.9 Desgewenst kunnen sociale partners de vrijwillige voortzetting ook voor een langere
periode dan 15 jaar aanbieden. De minimale duur kan overigens korter zijn bijvoorbeeld
vanwege het bereiken van het maximum voor de omvang van de uitruil indien een dergelijke
voorwaarde is opgenomen in de pensioenregeling.10 Ook kunnen gewezen deelnemers besluiten van een kortere periode gebruik te maken.
De regering acht het wenselijk om voor vrijwillige voortzetting van de risicodekking
voor het wezenpensioen aan te sluiten bij de hiervoor omschreven minimale periode
van voortzetting van de vrijwillige risicodekking partnerpensioen. Een gewezen deelnemer
kan ervoor kiezen om na afloop van de uitloopperiode of het einde van de Ziektewet-
of Werkloosheidswet-periode, de risicodekking voor het wezenpensioen voort te zetten
door uitruil van het reeds opgebouwde pensioenvermogen voor ouderdomspensioen en indien
dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst ook voor het partnerpensioen vanaf pensioendatum.11 De vrijwillige voortzetting loopt door tot de maximale duur wordt bereikt, tenzij
al eerder een van de volgende situaties van toepassing is:12
– de gewezen deelnemer besluit eerder te stoppen met de vrijwillige voortzetting;
– de partner verleent geen toestemming (meer) voor de uitruil naar de toekomst toe als
de financiering deels ten laste komt van het pensioenvermogen voor het partnerpensioen
op of na pensioendatum;13
– de afkoopgrens van klein ouderdomspensioen wordt bereikt; of
– het maximum voor de omvang van de uitruil wordt bereikt, als deze voorwaarde is opgenomen
in de pensioenregeling.
2.1.3 Geen recht op uitruil
In de Wtp was al opgenomen wanneer er geen recht bestaat op uitruil voor de voortzetting
van de dekking van het partnerpensioen vóór pensioendatum. Het recht op de voorgestelde
uitruil voor voortzetting risicodekking van het wezenpensioen stopt of is er ook niet
in onderstaande situaties:
1. Als het ouderdomspensioen onder de afkoopgrens klein pensioen14 komt, is vrijwillige voortzetting niet toegestaan.
2. Als de pensioenregeling voorziet in een maximale duur voor de vrijwillige voortzetting
die langer dan of gelijk is aan vijftien jaar, bij het bereiken van de maximale duur.
3. Voor zover de pensioenregeling voorziet in een maximum voor de omvang van de uitruil
bij het bereiken van dat maximum. Bij een maximum voor de omvang van de uitruil kan
bijvoorbeeld worden bepaald dat jaarlijks niet meer dan een bepaald percentage van
het pensioenvermogen kan worden uitgeruild of dat na uitruil een bepaald pensioenvermogen
moet resteren (hoger dan de afkoopgrens). Voor de goede orde zij opgemerkt dat een
afspraak in de pensioenregeling over een maximum van de omvang van de uitruil feitelijk
met zich kan brengen dat een duur van de vrijwillige voortzetting korter dan vijftien
jaar kan zijn.
4. Voor zover de financiering voor de vrijwillige voortzetting (deels) ten laste komt
van het pensioenvermogen voor het partnerpensioen op of na pensioendatum (uitruil),
en de partner die begunstigde is voor dit pensioen niet (meer) instemt met de uitruil.
Overigens is deze voorwaarde ook nieuw voor de vrijwillige voortzetting van de dekking
van het partnerpensioen vóór de pensioendatum. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld
dat de uitruil ten laste mag komen van het pensioenvermogen voor het ouderdomspensioen
of van het pensioenvermogen voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen op of
na pensioendatum. De wijze van financieren volgt uit de pensioenregeling.15
2.1.4 Vrijwillige voortzetting kinddefinitie
Met dit wetsvoorstel wordt ook de kinddefinitie geüniformeerd.16 Het wezenpensioen kan vrijwillig worden voortgezet ten behoeve van kinderen die onder
de definitie van «kind» vallen op het moment van de start van de vrijwillige voortzetting.
Als een gewezen deelnemer kiest voor vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen,
kan dit wezenpensioen ook gelden ten behoeve van kinderen die gedurende de vrijwillige
voortzetting aan de definitie van kind voldoen. In de laatste situatie is sprake van
een zogenaamd onbepaald systeem bij de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen.
Bij dit systeem wordt pas op moment van overlijden onderzocht welke kinderen aanspraak
maken op een wezenpensioen. In de pensioenregeling is opgenomen waarvan sprake is.
2.1.5 Keuze tussen vrijwillig voortzetten van het partnerpensioen en/of wezenpensioen
Vanuit het perspectief van de gewezen deelnemer is het wenselijk dat zowel het wezenpensioen
als het partnerpensioen vóór pensioendatum afzonderlijk kan worden voortgezet. De
regering stelt voor dat de gewezen deelnemer de mogelijkheid heeft om bij de start
van de vrijwillige voortzetting te kiezen voor zowel de risicodekking voor het partner-
én wezenpensioen of afzonderlijk te kiezen voor de vrijwillige voortzetting van het
partner- of wezenpensioen. Hierdoor heeft een gewezen deelnemer zonder partner, maar
met kinderen het recht te kiezen om alleen het wezenpensioen vrijwillig voort te zetten.
En ook de gewezen deelnemer met partner en kinderen heeft met dit voorstel het recht
te kiezen om bijvoorbeeld alleen het wezenpensioen voort te zetten.
2.1.6 Financiering van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen
De huidige Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling regelen dat de
financiering van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen ten laste komt
van het opgebouwde ouderdomspensioen (artikel 61a van de Pensioenwet en artikel 73a
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling). Met dit wetsvoorstel wordt een tweede
financieringswijze voorgesteld. De uitruil voor de vrijwillige voortzetting mag ook
ten laste komen van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen én partnerpensioen
op of na pensioendatum.
In overleg met de uitvoerende partijen is geconcludeerd dat niet alle pensioenuitvoerders
in de opbouwfase eenvoudig onderscheid kunnen maken tussen pensioenvermogen voor het
ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioeningang. De uitvoering
van deze specifieke uitruil is daarmee veelal lastig uitvoerbaar. Daarnaast is de
uitruil van invloed op de verhouding van het ouderdomspensioen en partnerpensioen
op of na pensioendatum. De uitruil van alleen het ouderdomspensioen zorgt ervoor dat
de hoogte van het partnerpensioen op of na pensioendatum meer dan 70% van het ouderdomspensioen
kan bedragen.
Daarom wordt een tweede financieringswijze voorgesteld als de pensioenovereenkomst
voorziet in een partnerpensioen op of na pensioendatum. In die situatie kan de uitruil
voor de vrijwillige voortzetting van de risicodekking van het partnerpensioen vóór
pensioendatum en/of het wezenpensioen17 ten laste komen van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen of het pensioenvermogen
voor ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum. Een van beide financieringsvormen
moet in de pensioenovereenkomst worden opgenomen. Met deze aanpassing kan een keuze
worden gemaakt tussen twee financieringsvormen voor de vrijwillige voortzetting.
Bij de financieringswijze «ten laste van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen
én partnerpensioen op of na pensioendatum» geldt de voorwaarde dat de uitruil niet
van invloed is op de verhouding tussen het partnerpensioen op of na pensioendatum
en het ouderdomspensioen. Ook is bij deze financieringswijze de uitruil alleen mogelijk
als de partner, die begunstigde is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum,
toestemming geeft voor de uitruil naar een partnerpensioen en/of wezenpensioen op
risicobasis. De toestemming is vereist omdat het opgebouwde partnerpensioen na pensioendatum
lager wordt door de uitruil. Ook bij een latere scheiding zal het bijzonder partnerpensioen
lager zijn vanwege de uitruil. Het toestemmingsvereiste voor uitruil van het opgebouwde
partnerpensioen is al bestaande praktijk voor uitruil op pensioendatum.
Voor de volledigheid merkt de regering op dat de bestaande aanspraken op bijzonder
partnerpensioen – het deel van het nabestaandenpensioen waarop een ex-partner recht
heeft na een scheiding – geheel buiten beschouwing worden gelaten bij de uitruil.
Heeft de gewezen deelnemer (met partner) gekozen voor vrijwillige voortzetting van
de risicodekking, dan dient de gewezen deelnemer ieder jaar geïnformeerd te worden
over de gevolgen van de vrijwillige voortzetting. Het pensioenvermogen wordt namelijk
lager door uitruil voor de vrijwillige voortzetting. De uitruil wordt stopgezet als
de gewezen deelnemer aangeeft de uitruil niet te willen voortzetten.18
2.1.7 Keuze financiering van de vrijwillige voortzetting met het bij invaren opgebouwde
partnerpensioen
In de Wtp is overgangsrecht voor het opgebouwde partnerpensioen getroffen zodat een
partner die voor het invaren begunstigde is voor het opgebouwde partnerpensioen geen
rechten kwijtraakt door de transitie.19 Dit overgangsrecht is met name van belang voor het opgebouwde partnerpensioen ter
dekking van het risico op overlijden vóór pensioendatum. Het partnerpensioen bij overlijden
vóór pensioendatum is immers onder het nieuwe pensioenstel op risicobasis. Het overgangsrecht
in de Wtp ziet echter zowel op het behouden van het opgebouwde partnerpensioen vóór
pensioendatum als na pensioendatum. In de Wtp zijn geen specifieke regels opgenomen
over de wijze waarop pensioenuitvoerders het opgebouwde en behouden partnerpensioen
moeten administreren.
Zoals aangegeven in de vorige paragraaf maakt dit wetsvoorstel een tweede financieringswijze
van de vrijwillige voortzetting van de risicodekking mogelijk als de pensioenovereenkomst
voorziet in een partnerpensioen op of na pensioendatum. Bij deze financieringswijze
komt de vrijwillige voortzetting ten laste van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen
én partnerpensioen op of na pensioendatum. Hierbij is de uitruil niet van invloed
op de verhouding tussen het partnerpensioen op of na pensioendatum en het ouderdomspensioen.
In overleg met de uitvoerende partijen kwam naar voren dat het betrekken van het opgebouwde
en behouden partnerpensioen bij de uitruil voor verschillende pensioenuitvoerders
complexiteit in de uitvoering zou toevoegen. Daarom wordt voorgesteld dat (een deel
van) het opgebouwde en behouden partnerpensioen op of na pensioendatum van vóór de
transitie niet bij de financiering van de vrijwillige voortzetting betrokken hoeft
te worden. De keuze wordt vastgelegd in de pensioenovereenkomst.
Voor de volledigheid zij nog opgemerkt dat de bij invaren opgebouwde en behouden aanspraken
van het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum geheel buiten beschouwing
worden gelaten voor de uitruil ten behoeve van de vrijwillige voortzetting van de
risicodekking. Een belangrijk argument hiervoor is dat de uitvoering van deze specifieke
uitruil lastig uitvoerbaar is voor veel pensioenuitvoerders. Daarnaast is het moeilijk
uitlegbaar als het opgebouwde partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum (dat
na invaren behouden is) uitgeruild zou worden voor een partnerpensioen bij overlijden
vóór pensioendatum op risicobasis.
Bij overlijden vóór de pensioendatum komt het vrijwillig voortgezette nabestaandenpensioen
tot uitkering als de gewezen deelnemer hiervoor gekozen heeft, als ook het opgebouwde
partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum.
2.1.8 Overgangsrecht vrijwillige voortzetting
De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is in volle gang. Vanaf 1 juli 2023 zijn
er rechtstreeks verzekerde regelingen die onder het nieuwe pensioenstelsel vallen
en ook steeds meer pensioenfondsen stappen over naar het nieuwe pensioenstelsel.
In dit wetsvoorstel is ook overgangsrecht opgenomen voor deze pensioenregelingen.
De voorgestelde aanpassingen zijn een tweede financieringsvorm van de vrijwillige
voortzetting waarbij het reeds opgebouwde pensioenvermogen voor ouderdomspensioen
en het partnerpensioen vanaf pensioendatum wordt gebruikt als dit in de pensioenovereenkomst
is opgenomen. Ook wordt voorgesteld de vrijwillige voortzetting uit te breiden met
wezenpensioen.
2.1.8.1 Wezenpensioen
Er kunnen gewezen deelnemers zijn die het partnerpensioen niet vrijwillig hebben voortgezet,
wel vrijwillig hebben voortgezet of nog steeds voortzetten, vóórdat de Toezeggingenwet in werking is getreden.
In dit wetsvoorstel wordt het volgende voorgesteld met betrekking tot het wezenpensioen.
Voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het nieuwe pensioenstelsel
en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet, blijft de situatie gelden zoals die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet.
Dit betekent concreet dat de gewezen deelnemer niet (opnieuw) de keuze krijgt om het
partner- en/of wezenpensioen voort te zetten. Het aanbieden van vrijwillige voortzetting
van het wezenpensioen, al dan niet met terugwerkende kracht, brengt hoge uitvoeringskosten
met zich, brengt risicoselectie met zich en is uitvoeringstechnisch complex.
Overigens bestaan in de praktijk pensioenregelingen onder het nieuwe pensioenstelsel
maar voor de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet waarbij voortzetting van het wezenpensioen mogelijk is via de vangnetbepaling artikel 62
Pensioenwet respectievelijk artikel 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Ook die situatie blijft gelden zoals die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet.
2.1.8.2 Aangepaste financiering vrijwillige voortzetting
In dit wetsvoorstel wordt het volgende voorgesteld met betrekking tot de financiering
van vrijwillige voortzetting. De mogelijkheid wordt geboden om over te stappen naar
een andere financieringswijze, in plaats van alleen het ouderdomspensioen. De keuze
hoe de vrijwillige voortzetting van de risicodekking wordt gefinancierd, is vastgelegd
in de pensioenovereenkomst (en het pensioenreglement).
Voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het nieuwe pensioenstelsel
en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet, kan de wijze van financiering worden gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals
die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet. Pensioenuitvoerders mogen, voor gewezen deelnemers die gekozen hebben om partnerpensioen
vrijwillig voort te zetten, deze aangepaste financieringswijze wijzigen vanaf de inwerkingtreding
van de Toezeggingenwet. In dat geval verstrekt de pensioenuitvoerder informatie over de gevolgen om de financiering
in plaats van ouderdomspensioen te kiezen voor ouderdomspensioen en partnerpensioen
vanaf pensioendatum. De informatie ziet in ieder geval op de gevolgen van deze vrijwillige
voortzetting, de toestemming van de partner en de omvang van het pensioenvermogen
dat wordt uitgeruild bij voortzetting in het volgende jaar.20
De gewijzigde financieringswijze wordt vastgelegd in de pensioenovereenkomst (en het
pensioenreglement). Indien de gewezen deelnemer en de partner niet instemmen met de
gewijzigde financieringswijze wordt de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen
beëindigd (op grond van artikel 61a PW en artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).
Wel bestaat de mogelijkheid om het partnerpensioen vrijwillig voort te zetten via
de vangnetbepaling (artikel 62 Pensioenwet en artikel 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).
2.1.8.3 Overwogen alternatieven
Overwogen is in hoeverre voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het
nieuwe pensioenstelsel, waarbij de Toezeggingenwet nog niet in werking is getreden, vanaf het moment dat dit wetsvoorstel in werking
treedt alsnog met terugwerkende kracht het wezenpensioen aangeboden moet worden. Dit
alternatief wordt om een aantal redenen niet als wenselijk beschouwd. Bij de inwerkingtreding
van de Toezeggingenwet krijgen de gewezen deelnemers die gekozen hebben voor wel of geen voortzetting van
de risicodekking niet de mogelijkheid hun keuze nog te wijzigen. De risicodekking
zoals die bestond, wordt dan ook na inwerkingtreding van de Toezeggingenwet voortgezet. De keuze om met terugwerkende kracht de risicodekking te wijzigen is
vanuit het oogpunt van risicoselectie en beheerste uitvoering zeer onwenselijk. Ook
is de communicatie richting de gewezen deelnemer complex. Er is risicopremie betaald
voor een bepaalde dekking, die dekking is ook gegeven en de gekozen dekking had tot
uitkering kunnen komen.
Een wijziging met terugwerkende kracht heeft correctie van premie, vermogensrendementen
en biometrische rendementen (plus of min) tot gevolg. Fondsen moeten de betreffende
gewezen deelnemer informeren over de correcties in het persoonlijke pensioenvermogen
en moeten de verschillen verklaren. Dit is complex in communicatie en keuzebegeleiding
richting de gewezen deelnemer.
2.2 Een uniforme definitie van «kind» voor het wezenpensioen
De Wtp regelt onder andere één uniform partnerbegrip en tot welke leeftijd kinderen
recht hebben op een wezenpensioen. Het wezenpensioen wordt uitgekeerd tot het kind
25 jaar wordt.21 In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel toekomst pensioenen
is aangekondigd om in navolging van de uniformering van het partnerbegrip ook het
wezenbegrip verdergaand te uniformeren.22
In de huidige Pensioenwet23 wordt een wezenpensioen beschreven als «een geldelijke uitkering, die vastgesteld
of variabel is, voor een kind tot wie de overleden werknemer of gewezen werknemer
als ouder in familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of pleegkind,
wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer.» Deze definitie geeft
de pensioenuitvoerders enige ruimte voor nadere invulling aangezien niet precies wordt
voorgeschreven in welke situaties er sprake is van een stiefkind of pleegkind. Deze
nadere invulling wordt in de praktijk in de pensioenregeling gegeven en kan daardoor
verschillen van pensioenregeling tot pensioenregeling. Dit betekent dat het mogelijk
is dat een kind op basis van de pensioenregeling van de ene ouder wel recht kan hebben
op een wezenpensioen en op basis van de pensioenregeling van de andere ouder dit recht
niet heeft, alleen omdat de gebruikte definities in beide pensioenregelingen niet
dezelfde zijn. Dit is moeilijk uitlegbaar. Op verzoek van de Eerste Kamer heeft de
regering toegezegd om ook de definitie van kind voor het wezenpensioen te uniformeren.24
Om zoveel mogelijk een einde te maken aan de verschillende voorwaarden voor wezenpensioen
per pensioenregeling wordt met dit wetsvoorstel één wettelijke definitie voorgesteld
die geldt voor alle wezenpensioenen in de tweede pijler.25 Het doel van dit wetsvoorstel is om deelnemers en nabestaanden (partner en kinderen)
meer helderheid te geven over waar zij op kunnen rekenen. Bij het formuleren van de
voorgestelde kinddefinitie is nauw overlegd met de Pensioenfederatie en het Verbond
van Verzekeraars. Het is van groot belang dat de nieuwe definitie in de praktijk begrijpelijk
en uitvoerbaar is.
2.2.1 Doel wezenpensioen en kinddefinitie
Het doel van het wezenpensioen is een financiële bijdrage geven aan het kind dat zijn
ouder(s) heeft verloren. Het is een uitkering voor kinderen indien één of beide ouders
komen te overlijden.
Direct na het overlijden van de ouder(s) keert de pensioenuitvoerder het wezenpensioen
uit. Als beide ouders zijn overleden, is het mogelijk dat een kind van meerdere pensioenuitvoerders
een wezenpensioen ontvangt of een dubbel wezenpensioen. Bij een dubbel wezenpensioen
kan de hoogte van het wezenpensioen worden verdubbeld.
Het wezenpensioen zorgt voor een financiële compensatie vanwege het wegvallen van
de financiële zorg die de ouder bij leven gaf. Vanuit dit doel geredeneerd is de kern
van de kinddefinitie dat het gaat om een relatie tussen de ouder en het kind waarbij
sprake is van financiële zorg voor het kind. Bij jonge kinderen zal het kind meestal
behoren tot het huishouden van de ouder. Bij jongvolwassenen tussen 18 en 25 jaar
oud zal dit minder vaak het geval zijn, omdat zij bijvoorbeeld uitwonend zijn vanwege
studie of werk. Dat een kind uitwonend is, wil echter niet zeggen dat er geen financiële
band meer is tussen de ouder en het kind. De kinddefinitie zoals deze nu wordt voorgesteld,
houdt ook rekening met deze situatie. Zoals hierboven reeds vermeld, hebben kinderen
aanspraak op een wezenpensioen tot 25 jaar.
Voor veel van de situaties die vallen onder de voorgestelde uniforme definitie van
kind, is sprake van een onderhoudsplicht van de ouder voor het kind op grond van het
Burgerlijk Wetboek (BW). De voorgestelde uniforme kinddefinitie is echter breder dan
de doelgroep voor wie de onderhoudsplicht geldt. Het wezenpensioen geldt voor wezen
tot de leeftijd van 25 jaar, terwijl de onderhoudsplicht maximaal tot de leeftijd
van 21 jaar geldt.
Daarnaast beoogt de regering bij de voorgestelde uniforme kinddefinitie zo veel mogelijk
aan te sluiten bij de definities die al gehanteerd worden in de pensioenregelingen.
Dit leidt tot een bredere toepassing dan de situaties waar een onderhoudsplicht ingevolge
afdeling 1 van titel 17 van Boek 1 van het BW aan de orde is.
Met bovenstaande als uitgangspunt bestaat de voorgestelde uniforme kinddefinitie uit
een eigen kind, een stiefkind en een pleegkind. Aan de hand van de volgende situaties
wordt uiteengezet wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden:
– eenouder- of tweeoudergezin (juridische ouders);
– samengestelde gezinnen;
– stiefgezinnen; en
– pleeggezinnen.
In navolgende paragrafen wordt op deze situaties ingegaan.
2.2.2 Eenouder- of tweeoudergezin (juridische ouders)
Bij een eenouder- of tweeoudergezin (juridische ouders) is aansluiting gezocht bij
de artikelen 198 en 199 van Boek 1 van het BW. In vijf situaties wordt voldaan aan
de voorgestelde definitie van een «eigen kind». Dit zijn de volgende situaties waarbij
een kind in afstammingsrechtelijke relatie staat tot de deelnemer:
1. een kind dat is geboren uit de deelnemer, of dat is geboren tijdens huwelijk of geregistreerd
partnerschap van de deelnemer;
2. een kind dat is erkend door de deelnemer;
3. een kind waarbij het ouderschap van de deelnemer gerechtelijk is vastgesteld; en
4. een kind dat door de deelnemer is geadopteerd.
In deze situaties wordt in het kader van de kinddefinitie verondersteld sprake te
zijn van financiële zorg voor het kind. Elke ouder is richting zijn kinderen onderhoudsplichtig
op basis van het BW, althans tot 21 jaar. Dat vanaf de leeftijd van 21 jaar de onderhoudsplicht
vervalt, wil niet zeggen dat de financiële band met het kind op dat moment verdwijnt.
Om die reden hoeft die financiële zorg niet door de ouders aangetoond te worden voor
kinderen voor wie de onderhoudsplicht geldt of heeft gegolden.
Ten slotte ziet de vijfde situatie op het overlijden van de deelnemer voor de geboorte
van het kind. Bij deze vijfde situatie moet de deelnemer gehuwd of geregistreerd partner
zijn met de ouder uit wie het kind wordt geboren. Het kind valt onder de definitie
van «eigen kind» als het kind wordt geboren binnen 306 dagen na het overlijden van
de deelnemer. En in het geval van kunstmatige donorbevruchting als het overlijden
van de deelnemer plaatsvindt na de kunstmatige donorbevruchting en voor de geboorte
van het kind. Ook bij de vijfde situatie staat het kind in afstammingsrechtelijke
relatie tot beide ouders, zowel degene uit wie het kind is geboren, als de overleden
deelnemer.
Voor de definitie van «eigen kind» is het ook niet noodzakelijk dat het kind onderdeel
uitmaakt van het huishouden van deze ouders. Wanneer een kind uitwonend is, heeft
dat in deze situaties geen invloed op de vraag of er recht is op wezenpensioen.
2.2.3 Samengestelde gezinnen
Er is sprake van een samengesteld gezin als één of beide partners kinderen hebben
uit een eerdere relatie. De juridische ouders van een kind26 zijn gehuwd met een andere partner of vormen één huishouden met een andere partner.
Als de juridische ouders van een kind zijn gescheiden of niet langer samenwonen en
met een andere partner samenleven of getrouwd zijn, dan wordt er per huishoudenssituatie
bekeken of het kind voldoet aan de kinddefinitie zoals neergelegd in dit wetsvoorstel.
Hierbij wordt als het ware een tweetrapsraket voorgesteld in het geval van de deelnemer,
die niet de juridisch ouder is. Allereerst moet de juridische ouder als partner op
grond van de partnerdefinitie gekwalificeerd worden.27 Is dit het geval, dan wordt vervolgens beoordeeld of het kind voldoet aan de kinddefinitie
van «stiefkind».28 Is dat ook het geval, dan komt dit kind in aanmerking voor een wezenpensioen bij
het overlijden van de partner van de juridische ouder.
Voor de goede orde merkt de regering op dat het kind voor beide huishoudenssituaties
aangemerkt kan worden als kind op grond van de kinddefinitie in dit wetsvoorstel;
dus zowel voor de pensioenregeling met een wezenpensioen van de juridisch ouders als
van hun partners. Dit is een bewuste keuze.
Een alternatieve beleidsoptie die overwogen is, was maximaal één huishoudenssituatie
toe te staan. Dit zou betekenen dat in de praktijk beoordeeld moet worden in welke
van de twee huishoudenssituaties het kind gezien moet worden als kind. Dat is erg
lastig objectief vast te stellen en stuitte op uitvoeringstechnische bezwaren. Om
die reden wordt hiervan afgezien. Dit betekent wel dat het kind in theorie voor vier
«ouders» een wezenpensioen kan ontvangen.
2.2.4 Stiefgezinnen
In het BW is ook de onderhoudsplicht van de stiefouder voor het stiefkind geregeld.29 Deze plicht geldt alleen voor de stiefouder die met de partner is gehuwd of een geregistreerd
partnerschap is aangegaan en waarbij het kind tot het gezin behoort.
In dit wetsvoorstel (en dus in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling)
gaat het bij een «stiefkind» om een kind van de partner dat niet het eigen kind is,
maar dat wel als eigen kind wordt opgevoed en onderhouden. Bij de voorwaarden voor
een stiefkind wordt geen onderscheid gemaakt tussen de stiefouder die met de partner
is gehuwd of die met de partner ongehuwd samenwoont. Voor de invulling van het begrip
partner verwijst de regering naar de definities in de Pensioenwet.30 Wanneer een werknemer een relatie heeft met de (juridische) ouder van de kinderen,
dan kunnen deze kinderen onder voorwaarden ook worden beschouwd als stiefkinderen
voor de pensioenregeling van de werknemer.
Om vast te stellen of een kind van de partner dat niet het eigen kind is, als eigen
kind wordt opgevoed en onderhouden, wordt gekeken naar de verschillende voorwaarden
die zijn benoemd in het nieuwe artikel 2b Pensioenwet respectievelijk artikel 2b Wet
verplichte beroepspensioenregeling. Of het kind als eigen kind wordt opgevoed en onderhouden,
kan ook worden vastgesteld door een aantoonbare bijdrage in het levensonderhoud van
het kind van de partner vanuit het huishouden van de (gewezen) werknemer. In de vier
paragrafen hierna zijn de situaties beschreven waarin het stiefkind in aanmerking
kan komen voor een wezenpensioen.
2.2.4.1 Ingeschreven op hetzelfde adres als de (gewezen) werknemer
Het kind valt onder de voorgestelde definitie van stiefkind als de (gewezen) werknemer
en het kind van de partner van de (gewezen) werknemer ingeschreven staan op hetzelfde
woonadres in de basisregistratie personen (BRP). Op grond van inschrijving in de basisregistratie
personen wordt beoordeeld of het kind behoort tot het huishouden van de (gewezen)
werknemer. Als het kind op hetzelfde adres staat ingeschreven als de (gewezen) werknemer,
dan heeft het kind recht op een wezenpensioen.
2.2.4.2 Tijdelijk verblijf elders gedurende maximaal zes maanden
Als het kind tijdelijk elders verblijft, en daardoor niet langer ingeschreven staat
op hetzelfde adres als de (gewezen) werknemer, wordt het kind geacht tot het huishouden
te behoren. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een kind in het kader van een uitwisselingsprogramma
of opname in een inrichting of ziekenhuis tijdelijk elders verblijft. Een dergelijk
verblijf van het kind wordt als tijdelijk beschouwd indien dit verblijf niet langer
dan zes maanden zal duren. Als het verblijf korter dan zes maanden duurt, dan behoort
het kind tot het huishouden en komt in aanmerking voor een wezenpensioen. Als het
kind niet meer ingeschreven staat bij de (gewezen) werknemer en (achteraf bezien)
tijdelijk langer dan zes maanden elders verblijft, dan wordt het kind na afloop van
die periode niet meer geacht tot het huishouden te behoren. Na een verblijf van zes
maanden is er geen sprake meer van een tijdelijk verblijf.
Voor de goede orde zij opgemerkt dat onder tijdelijk verblijf niet wordt beschouwd
wanneer het kind uitwonend is, bijvoorbeeld vanwege studie of werk. In zo’n geval
gaat het om een langdurig verblijf op een ander adres, waar het kind een zelfstandig
woonadres heeft. Het kind heeft daar een vaste woonplek.
In dat geval voldoet het kind niet aan de definitie van stiefkind op grond van het
onderdeel «Tijdelijk verblijf elders gedurende maximaal zes maanden» en komt het op grond daarvan niet in aanmerking voor een wezenpensioen. Dit laat
onverlet dat het kind op een andere grond «Bijdrage kosten levensonderhoud kinderen»
wel kan voldoen aan het begrip «stiefkind» (zie 2.2.4.4).
2.2.4.3 Co-ouderschap
Co-ouderschap is een omgangsregeling waarin de juridische ouders, na een huwelijk,
geregistreerd partnerschap of samenwonen met een kind, afspraken maken hoe de zorg
over de kinderen wordt verdeeld en wanneer de kinderen bij welke ouder verblijven.
Als er sprake is van co-ouderschap, een overeenkomst of rechterlijke beschikking,
kunnen kinderen tot twee gezinnen behoren. Voor het wezenpensioen is sprake van co-ouderschap
als het kind ten minste 156 dagen per kalenderjaar in het huishouden verblijft van
de (gewezen) werknemer. Aan de eis van 156 dagen is voldaan als de juridische ouders
deze afspraak hebben vastgelegd in een ouderschapsplan. Uit het ouderschapsplan moet
blijken dat het kind ten minste 156 dagen van een kalenderjaar in het huishouden van
de (gewezen) werknemer verblijft.
Vóórdat op 1 maart 2009 de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
in werking trad, bestond deze verplichting (ouderschapsplan) niet. Op grond van deze
wet moeten alle scheidende ouders die getrouwd waren of een geregistreerd partnerschap
hadden of die gezamenlijk het gezag hebben over minderjarige kinderen vanaf die datum
een ouderschapsplan maken wanneer zij uit elkaar gaan. De personen die getrouwd waren
of een geregistreerd partnerschap hadden, moeten dit ouderschapsplan indienen bij
de rechter; de personen met gezamenlijk gezag die ongehuwd samenwoonden hebben deze
verplichting niet. In de praktijk werden voor de inwerkingtreding van deze wet al
regelmatig afspraken gemaakt over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en in
welk huishouden het kind verblijft. Als in een overeenkomst, bijvoorbeeld een vaststellingsovereenkomst
of echtscheidingsconvenant, van vóór maart 2009, de verdeling van het kind over beide
huishoudens is vastgelegd, dan worden deze afspraken gelijkgesteld aan een ouderschapsplan
zoals deze vanaf 1 maart 2009 verplicht is geworden. Ook wanneer op grond van een
rechterlijke beschikking de verdeling is bepaald, wordt dit gelijk gesteld aan een
ouderschapsplan.
2.2.4.4 Bijdrage kosten levensonderhoud kinderen
Het kind wordt ook als stiefkind van de (gewezen) werknemer aangemerkt als de (gewezen)
werknemer of de partner aantoonbaar bijdraagt aan het levensonderhoud van het kind.
Hiervan is sprake bij een bedrag per kalenderkwartaal dat gelijk is aan of hoger is
dan € 522,– per kalenderkwartaal (norm 2025).31 Dit bedrag sluit aan bij de norm die vastligt bij het kindgebonden budget. Bij deze
bijdrage in de kosten van levensonderhoud wordt verondersteld dat een kind in belangrijke
mate onderhouden wordt. Om in aanmerking te komen voor het wezenpensioen op grond
van dit onderdeel moet de financiële bijdrage worden aangetoond. Er zijn verschillende
manieren mogelijk waarop deze verplichte financiële bijdrage aangetoond kan worden,
enkele voorbeelden daarvan zijn:
– er worden uitgaven gedaan voor het kind;
– er worden betalingen gedaan aan het kind;
– er worden betalingen gedaan aan derden;
– er worden betalingen gedaan aan de verzorger van het kind.
2.2.4.5 Samenvattend: vier situaties waarin stiefkinderen in aanmerking komen voor
wezenpensioen
Zoals hierboven gesteld, worden er vier situaties onderscheiden waarbij het stiefkind
in aanmerking komt voor een wezenpensioen. Om te beginnen moet de (gewezen) werknemer
als partner op grond van de partnerdefinitie (art. 1 jo art. 2a Pensioenwet) gekwalificeerd
worden. Aan de voorgestelde definitie van «stiefkind» wordt vervolgens voldaan als
een kind van de partner dat niet het eigen kind is, wel als eigen kind wordt opgevoed
en onderhouden.
Het stiefkind wordt als eigen kind opgevoed en onderhouden als het op hetzelfde adres
woont als de (gewezen) werknemer, op hetzelfde adres woonde, maar nu gedurende maximaal
zes maanden tijdelijk elders verblijft, op grond van een ouderschapsplan ten minste
156 dagen per kalenderjaar in het huishouden van de (gewezen) werknemer verblijft
of er sprake is van een aantoonbare financiële bijdrage in het levensonderhoud van
het kind vanuit het huishouden van de (gewezen) werknemer.32
2.2.5 Pleeggezinnen
Als een kind niet kan worden opgevoed en verzorgd door de eigen ouder(s), dan kan
het kind in een pleeggezin worden geplaatst. In dat geval woont een kind tijdelijk
of permanent in een pleeggezin. Een pleegkind komt alleen in aanmerking voor een wezenpensioen
indien de deelnemer of de partner die als pleegouder is aangemerkt voor dit pleegkind
kinderbijslag ontvangt. Wanneer het pleegkind ouder is dan 18 jaar ontvangen de pleegouders
geen kinderbijslag meer. In dat geval heeft een pleegkind recht op een wezenpensioen
wanneer de deelnemer of de partner als pleegouder is of was aangemerkt, de deelnemer
of partner voor dit pleegkind kinderbijslag heeft ontvangen tot 18 jaar en de deelnemer
of de partner aantoonbaar bijdraagt aan het levensonderhoud van het pleegkind voor
een bedrag van minimaal € 522,– per kalenderkwartaal (norm 2025). Bij pleegkinderen
wordt, in tegenstelling tot de situatie van stiefkinderen, geen onderscheid gemaakt
tussen thuiswonende en uitwonende kinderen, voor beide kinderen gelden dezelfde voorwaarden.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat het kind geen recht heeft op een wezenpensioen
als sprake is van een pleegkind waarvoor de deelnemer of de partner een pleegvergoeding
ontvangt of ontving. De pleegvergoeding is namelijk in beginsel kostendekkend. De
pleegouders dragen daarmee niet zelf financieel bij aan de kosten van dit pleegkind.
Bij het overlijden van één van beide pleegouders valt er dus ook geen inkomen weg
dat anders was besteed aan het kind. Er is geen aanleiding om in die gevallen een
wezenpensioen te verstrekken. Deze kinderen vallen dus niet onder de definitie van
pleegkind in dit wetsvoorstel.
2.2.6 Overgangsrecht
Personen die voorafgaand aan inwerkingtreding van deze nieuwe definitie in de pensioenregeling
van de deelnemer werden aangemerkt als kind van de deelnemer, zullen in het kader
van het overgangsrecht aangemerkt blijven als kind. Personen die volgens de pensioenregeling
niet voldeden aan de kinddefinitie, maar wel voldoen aan de definitie zoals deze nu
wordt voorgesteld, komen niet in aanmerking voor het opgebouwd wezenpensioen van voor
de inwerkingtreding van deze nieuwe definitie dan wel over de periode voor het overgangstijdstip
naar het nieuwe pensioenstelsel onder de Wtp.33 Immers, bij de premiestelling en opbouw van dit wezenpensioen is er geen rekening
gehouden met de met dit wetsvoorstel geïntroduceerde wijziging. De opbouw voor kinderen
die wel onder de nieuwe definitie vallen, start op het invaarmoment naar het nieuwe
pensioenstelsel of – als dit wetsvoorstel later in werking treedt dan het invaarmoment
– bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
2.2.7 Overwogen alternatieven
In de voorbereiding van dit wetsvoorstel (uniformering van de kinddefinitie) zijn
verschillende alternatieven overwogen voor de definitie van «kind». Een van de alternatieven
die is onderzocht, is om de definitie van het kind in de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) te hanteren. Uiteindelijk werd deze definitie als te beperkend beoordeeld. Uitgangspunt
van het wezenpensioen is om een financiële bijdrage te geven aan het kind dat zijn
ouder heeft verloren.
Er is ook onderzocht in hoeverre «stiefkind» eenvoudiger gedefinieerd kan worden dan
nu wordt voorgesteld. Eén van de opties die is overwogen was de voorwaarde «tot het
gezin behorend». Stiefkinderen die tot het gezin behoren, zouden in aanmerking komen
voor het wezenpensioen. Het blijkt voor pensioenuitvoerders te ingewikkeld om de invulling
van deze open norm uit te voeren. Uiteindelijk is geconcludeerd, onder andere vanwege
de uitvoeringstechnische complexiteit, dat dit geen oplossing biedt voor de pensioensector.
2.3 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid
Dit wetsvoorstel regelt verder een verruiming van het overgangsrecht voor de voortzetting
van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid voor zowel pensioenfondsen als verzekeraars.
2.3.1 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid bij pensioenfondsen
In artikel 220h van de Pensioenwet en in artikel 214f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
is overgangsrecht opgenomen voor pensioenfondsen die een beëindigde pensioenregeling
uitvoeren (gesloten pensioenfondsen) en waarvan de onderneming van de werkgever heeft
opgehouden te bestaan. Dit overgangsrecht geeft deze fondsen de mogelijkheid om de
pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsovereenkomst, die als gevolg van premievrije
voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd, te blijven voortzetten.
Hiermee wordt voorkomen dat deze fondsen een nieuwe pensioenregeling moeten afspreken.
Er is immers geen werkgever meer om een wijziging van de pensioenregeling mee overeen
te komen.
Door het overgangsrecht te beperken tot gesloten regelingen waarbij er geen werkgever
meer is, is de consequentie dat alle gesloten pensioenfondsen waarbij nog wel een
werkgever bestaat, de premievrije opbouw van pensioenaanspraken op grond van de uitkeringsovereenkomst
moeten omzetten naar een pensioenovereenkomst die voldoet aan artikel 10 van de Pensioenwet;
oftewel een premieovereenkomst.
In de praktijk zal het aantal deelnemers dat, binnen gesloten pensioenfondsen waarbij
nog wel een werkgever bestaat, recht heeft op premievrije voortzetting op grond van
een uitkeringsovereenkomst beperkt zijn. Hierdoor worden gesloten fondsen gedwongen
om voor deze relatief kleine groep deelnemers een nieuwe pensioenregeling op te zetten
of bij een andere pensioenuitvoerder onder te brengen. Het gevolg hiervan is dat gesloten
fondsen voor een relatief kleine groep deelnemers hoge kosten moeten maken voor het
opzetten van een nieuwe pensioenregeling. De regering is van mening dat dit ongewenst
is.
Zodoende wordt voorgesteld artikel 220h van de Pensioenwet en artikel 214f van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling aan te passen. Met de voorgestelde aanpassing
wordt mogelijk gemaakt dat alle (gesloten) fondsen de mogelijkheid hebben om bij een
beëindigde pensioenregeling de premievrije opbouw van pensioenaanspraken op grond
van een uitkeringsovereenkomst voort te zetten, ongeacht of de onderneming van de
werkgever nog bestaat. Voor een algemeen pensioenfonds geldt dat deze mogelijkheid
wordt toegepast per collectiviteitkring. Ook wordt de voorwaarde dat het pensioenfonds
gesloten is voor 1 juli 2023 aangepast naar uiterlijk voor het einde van de transitietermijn.
Ook wordt in dit wetsvoorstel het overgangsrecht verruimd voor deelnemers die ziek
zijn geworden onder het oude stelsel (in de beëindigde regeling), maar op een later
moment, na afloop van een wachttijdperiode, arbeidsongeschikt worden. In die situatie
is premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid onder het oude stelsel mogelijk.
Als aanvullende voorwaarde voor artikel 220h Pensioenwet en artikel 214f van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling is opgenomen dat het pensioenfonds geen collectieve
waardeoverdracht doet als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet respectievelijk
artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Wordt immers wel voor
die collectieve waardeoverdracht gekozen, dan wordt de pensioenregeling gewijzigd
en worden alle aanspraken en rechten omgezet, ook van de deelnemers met het recht
op premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid. Volledigheidshalve merkt
de regering op dat als de pensioenregeling wel wordt gewijzigd, arbeidsongeschikte
deelnemers niet in de oude pensioenregeling kunnen blijven, terwijl de overige deelnemers
wel invaren. Een uitzondering op deze hoofdregel maken, past niet bij de afspraken
rond de stelselherziening en is volgens de regering niet wenselijk.
Tot slot wordt geregeld dat in het geval van een collectieve waardeoverdracht naar
een andere pensioenuitvoerder, die plaatsvindt na de transitieperiode en waarbij het
pensioenfonds al dan niet liquideert, de pensioenregeling voor de deelnemers met premievrije
voortzetting kan worden voortgezet bij de nieuwe uitvoerder.
Dat geldt ook voor een algemeen pensioenfonds waarbij een collectieve waardeoverdracht
plaatsvindt naar een andere collectiviteitkring. De premievrije voortzetting ziet
op een collectieve waardeoverdracht vanwege beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst
met de werkgever, in geval van overgang van onderneming of de liquidatie van het fonds
(artikel 83, eerste lid, onderdelen a, b en d of artikel 84 van de Pensioenwet en
artikel 91 eerste lid, onderdeel a, artikel 4a lid 4 of artikel 92 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling).
De overige voorwaarden uit artikel 220h van de Pensioenwet en artikel 214f van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling blijven ongewijzigd.
2.3.2 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid bij verzekeraars
In het huidige artikel 220ha van de Pensioenwet en in het huidige artikel 214fa van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling is overgangsrecht getroffen voor premievrije
voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid wanneer deze wordt uitgevoerd door een
verzekeraar. Artikel 220ha regelt dat in bepaalde situaties deze premievrije voortzetting
onder het karakter van de oude regeling voortgezet mag worden. Het verwerven van pensioenaanspraken
bij een verzekeraar mag worden voortgezet als dit het gevolg is van premievrije voortzetting
vanwege arbeidsongeschiktheid waarbij:
– zowel de eerste ziektedag als ook het doorlopen van de wachttijd (veelal 104 weken)
onder het oude pensioenstelsel heeft plaatsgevonden; of
– de deelnemer ziek uit dienst treedt onder het oude pensioenstelsel en de wachttijd
plaatsvindt na de uitdiensttreding.
In de verzekeringsovereenkomst (inclusief de polisvoorwaarden) is veelal bepaald dat
de arbeidsongeschikte (ex-)werknemer een rechtstreekse vordering op de verzekeraar
heeft op voortzetting van de betaling van overeengekomen premiebedragen voor pensioenopbouw
bij arbeidsongeschiktheid. Daarbij is veelal overeengekomen dat de pensioenregeling
waarin een (ex-) werknemer deelnam op het moment dat hij ziek werd, bepalend is voor
de hoogte en voortzetting van deze premiebedragen. Dit betekent dat in de gevallen
waarin de premievrijstelling vanwege arbeidsongeschiktheid al is ingegaan, de verplichtingen
van de verzekeraar en de premierechten van de arbeidsongeschikte (ex-)werknemer vaststaan
en niet zonder instemming van de (voormalige) werkgever, (ex-)werknemer en verzekeraar
aangepast kunnen worden. Het is niet wenselijk om in deze situatie te verplichten
dat voormalig werkgevers en ex-werknemers de pensioenovereenkomst aanpassen zodat
de verzekeringsovereenkomst en het pensioenreglement met de verzekeraar aangepast
worden. Zonder overgangsrecht zouden de afspraken in de verzekeringsovereenkomst niet
geëerbiedigd kunnen worden.
Het huidige overgangsrecht geldt niet voor deelnemers die in dienst zijn bij de werkgever
en die op het moment van overgang naar het nieuwe stelsel ziek zijn maar nog niet
de wachttijd hebben doorlopen. Deze deelnemers kwalificeren dan nog niet als arbeidsongeschikt
conform het pensioenreglement. De pensioenovereenkomst van deze deelnemers kan gewijzigd
worden conform de daarvoor geldende regels.
In dit wetsvoorstel wordt het overgangsrecht verruimd. Met de voorgestelde wijziging
van artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet wordt het overgangsrecht
verruimd zodat ook deelnemers die in dienst zijn bij de werkgever en op het moment
van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel ziek zijn en op een later moment, na
afloop van de wachttijd, vrijgesteld worden van premiebetaling vanwege arbeidsongeschiktheid,
hieronder kunnen vallen. De voorgestelde aanpassing ziet zowel op de situatie waarbij
de werkgever de gewijzigde pensioenregeling onder het nieuwe pensioenstelsel onderbrengt
bij een andere verzekeraar, als bij dezelfde verzekeraar. Met de voorgestelde aanpassing
kan de bestaande praktijk gehandhaafd blijven.
De voorgestelde wijziging van artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet
heeft twee subonderdelen. Het eerste subonderdeel gaat uit van de situatie dat het
recht op premievrije voortzetting moet zijn ontstaan onder het oude stelsel, het tweede
subonderdeel daarentegen gaat uit van de situatie dat de eerste ziektedag moet zijn
aangevangen onder het oude pensioenstelsel.
Situatie
Artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b van de Pensioenwet:
1e ziektedag en de wachttijdperiode zijn in het oude pensioenstelsel
subonderdeel 1
1e ziektedag is in het oude pensioenstelsel; de wachttijdperiode (deels) in het nieuwe
pensioenstelsel
subonderdeel 2
1e ziektedag en tijdens de wachttijdperiode ziek uit dienst in het oude pensioenstelsel;
de wachttijdperiode (deels) in het nieuwe pensioenstelsel
subonderdeel 2
1e ziektedag in het oude pensioenstelsel; en tijdens de wachttijdperiode ziek uit dienst
in het nieuwe pensioenstelsel; de wachttijdperiode (deels) in het nieuwe pensioenstelsel
subonderdeel 2
Door het overgangsrecht te verruimen wordt voorkomen dat er kwetsbare groepen deelnemers
bij wijziging van de regeling en bij een mogelijke wisseling van de uitvoerder mogelijk
tussen wal en schip vallen. Voor de goede orde, artikel 220ha, tweede lid, onderdeel
b, van de Pensioenwet, verplicht niet tot verruiming van het toepassingsbereik maar
geeft slechts de bevoegdheid om hier tussen werkgever, werknemer en verzekeraar afspraken
over te maken.
In lijn met de voorgestelde aanpassingen in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling
zoals hiervoor toegelicht, wordt ook voorgesteld het overgangsrecht in de Wet op de
loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) overeenkomstig aan te passen.
2.4 Verplichte voortzetting risicodekking van het nabestaandenpensioen op grond van
een cao of periodieke uitkering
In het nieuwe pensioenstelsel geldt een verplichte uitloopperiode voor het nabestaandenpensioen
op risicobasis van drie of zes maanden bij het einde van een dienstverband.34 De risicodekking wordt ook voortgezet zolang er sprake is van een uitkering uit hoofde
van de Werkloosheidswet (WW) of de Ziektewet (ZW).
Indien de pensioenregeling voorziet in een nabestaandenpensioen op risicobasis, wordt
de risicodekking bij werkloosheid direct aansluitend op het einde van de deelname
voortgezet, zolang de gewezen deelnemer recht heeft op een uitkering uit hoofde van
de WW of een werkloosheidsuitkering van zijn woonland en de gewezen deelnemer deze
uitkering ook ontvangt.
De maximale duur van de wettelijke WW-uitkering is per 2016 stapsgewijs teruggebracht
van 38 naar 24 maanden.35 Daarbij is ook afgesproken dat de sociale partners via cao-afspraken de verantwoordelijkheid
kunnen nemen voor privaat gefinancierde aanvullende uitkering na afloop van de maximale
duur van de wettelijke WW-uitkering.
In de praktijk, voor de inwerkingtreding van de Wtp, was het voortzetten van het nabestaandenpensioen
op risicobasis tijdens deze bovenwettelijke WW-periode, veelal een onderdeel van de
cao-afspraken. De financiering daarvan kwam niet ten laste van het pensioenvermogen
van de gewezen deelnemer, maar werd vanuit het collectief gefinancierd door middel
van een opslag op de risicopremie voor de werkgever.
De Wtp houdt geen rekening met de loongerelateerde werkloosheidsuitkering op grond
van een cao of periodieke uitkering ter vervanging van gederfd loon of te derven loon.
De regering vindt dit onwenselijk en wil dit met een aanpassing corrigeren. Zonder
aanpassing kan dit leiden tot een versobering van de pensioenregeling. Als de gewezen
deelnemer de risicodekking wil voortzetten, zou de gewezen deelnemer deze dekking
zelf vrijwillig moeten voortzetten en financieren vanuit het persoonlijke pensioenvermogen,
door uitruil op grond van artikel 61a Pensioenwet of artikel 73a van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling. Dit terwijl de uitloopdekking van het nabestaandenpensioen
op risicobasis vóór de Wtp automatisch was geregeld en gefinancierd werd vanuit de
collectieve risicopremie.
De voorgestelde aanpassing zorgt ervoor dat de gewezen deelnemer pas na afloop van
de privaat gefinancierde aanvullende werkloosheidsuitkering het nabestaandenpensioen
op risicobasis vrijwillig hoeft voort te zetten door uitruil van het persoonlijke
pensioenvermogen (artikel 61a Pensioenwet of artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).36 De pensioenuitvoerder die dekking van het nabestaandenpensioen biedt gedurende deze
privaat gefinancierde aanvullende werkloosheidsuitkering, zorgt ervoor dat bij beëindiging
van deze private aanvullende werkloosheidsuitkering tijdig een aanbod voor vrijwillige
voortzetting wordt gedaan. De pensioenuitvoerders zijn ervoor verantwoordelijk dat
zij tijdig door de werkgever of gewezen deelnemer worden geïnformeerd dat de (gewezen)
deelnemer een private werkloosheidsuitkering ontvangt en de beëindiging daarvan. Deze
informatie is relevant voor het tijdig doen van een aanbod voor vrijwillige voortzetting
van het nabestaandenpensioen aan de gewezen deelnemer en de keuzebegeleiding daarbij.
Gelet op het gegeven dat deze verlengde uitloopperiode in feite al staande praktijk
is en de pensioensector heeft aangegeven de betreffende informatie van de werkgever
en/of de (gewezen) deelnemers te kunnen ontvangen, zal er geen wettelijke grondslag
volgen tussen pensioenuitvoerders en de stichtingen die de private werkloosheidsuitkeringen
uitvoeren, zoals PAWW. Deze gegevensuitwisseling is niet noodzakelijk.
Voorgesteld wordt om het huidige artikel 55, vierde lid, Pensioenwet en artikel 66,
vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, te wijzigen en rekening
te houden met eventuele aanvullingen op de werkloosheidsduur via cao-afspraken of
periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd loon of te derven loon, indien dit
in de pensioenovereenkomst is opgenomen. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat
de verplichte voortzetting van het nabestaandenpensioen op risicobasis bij een private
werkloosheidsuitkering, alleen van toepassing is als dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst.
Het kan dus ook voorkomen dat de cao-afspraak wel voorziet in een private werkloosheidsuitkering,
maar de pensioenovereenkomst niet voorziet in voortzetting van de dekking tijdens
de duur van de private werkloosheidsuitkering.
2.5 Gelijke aanpassingen direct na pensionering
2.5.1 Gelijke aanpassingen direct na pensionering
Binnen het collectief toedelingsmechanisme is het mogelijk om gelijke aanpassingen
van pensioenuitkeringen en het spreiden van financiële resultaten te realiseren. In
de eerste jaren direct na pensioendatum van een pensioengerechtigde is het in de praktijk
uitvoeringstechnisch complex om het collectief toedelingsmechanisme zodanig in te
richten dat de pensioenuitkeringen van een net pensioengerechtigde in gelijke mate
meebewegen met de pensioenuitkeringen van andere pensioengerechtigden. Veel pensioenuitvoerders
kiezen er daarom voor om bij de flexibele premieregeling de pensioenuitkeringen van
net pensioengerechtigden niet in gelijke mate aan te passen. Daardoor krijgen net
gepensioneerden een andere verhoging of verlaging van de pensioenuitkering. Dit past
niet bij het doel van gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen en zorgt voor een
complexe uitvoering, ook op communicatief vlak. De regering stelt daarom een aanpassing
aan de regeling gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereenkomst voor.
Om gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen van net gepensioneerden minder complex
en zonder ex-ante herverdeling mogelijk te maken, zijn er een aantal aanpassingen
noodzakelijk. Zo is het nodig dat uiterlijk bij ingang van het pensioen rekening kan
worden gehouden met de toekomstige aanpassingen van uitkeringen voor reeds gepensioneerden
die veroorzaakt zijn door het financiële resultaat van eerdere jaren voorafgaand aan
de ingang van het pensioen van de net gepensioneerde. Wanneer in het collectief toedelingsmechanisme
gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om het financiële resultaat te spreiden
over een spreidingperiode van bijvoorbeeld tien jaar, dan heeft dit geen invloed op
het kapitaal van degene wiens pensioen vijf jaar na dit financiële resultaat ingaat.
De regering wil het mogelijk maken dat bij pensioneren rekening gehouden kan worden
met de aanpassingen die op dat moment nog niet volledig zijn verwerkt vanwege de spreiding
van eerdere financiële resultaten. Dit kan door het eenmalig alloceren van een deel
van het kapitaal op pensioeningang voor de toekomstige gelijke aanpassingen. De pensioenuitkering
van de net gepensioneerde kan hiermee in de eerste jaren van het pensioen zonder ex-ante
herverdeling in gelijke mate meebewegen met de pensioenuitkeringen van andere pensioengerechtigden.
Deze handelwijze is voor pensioenuitvoerders beter uitvoerbaar en communicatief eenvoudiger
uitlegbaar. Pensioenuitvoerders kunnen kiezen om hier gebruik van te maken.
Bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme via een uiterlijk op pensioeningang
vastgestelde variatie is op voorhand geen herverdeling mogelijk. Dit is vastgelegd
in het voorgestelde artikel 63a, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75a, vierde
lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Omdat de op pensioeningang vastgestelde
variatie afhankelijk is van de gelijke aanpassingen die op dat moment bekend zijn
en deze gelijke aanpassingen enkel wijzigen als gevolg van nieuwe financiële resultaten
die ook aan de nieuwe pensioengerechtigde toekomen, is er ook geen ex-ante herverdeling
nodig om gelijke aanpassingen te realiseren.
In artikel 63, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75, vierde lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, is ook verduidelijkt dat bij de mate van variatie
in een variabele uitkering de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren, buiten
aanmerking blijft. Omdat er bij de solidaire premieovereenkomst sprake is van een
verdeling bij pensioeningang tussen het uitkeringsvermogen en een spreidingsvermogen
om gelijke aanpassingen te realiseren wordt in artikel 63, vierde lid, van de Pensioenwet
en artikel 75, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, verwezen
naar de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren in het algemeen. Dit ziet zowel
op de mechanismen om gelijke aanpassingen te realiseren van de solidaire als de flexibele
premieregeling.
2.5.2 Nabestaandenpensioen vóór pensioendatum en gelijke aanpassingen
Gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen en spreiden van financiële resultaten
kan ook worden toegepast bij het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum (partner-
en/of wezenpensioen). In dat geval bestaat bij een solidaire premieregeling het voor
pensioenuitkering bestemd vermogen bij het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum
vanaf het moment van pensioeningang van dit nabestaandenpensioen uit een uitkeringsvermogen
en spreidingsvermogen. In het geval van de flexibele premieregeling kan uiterlijk
op ingangsdatum een kapitaal worden gealloceerd. Het spreidingsvermogen of het kapitaal
wat wordt gealloceerd kan positief of negatief zijn en heeft daarmee een positief
of negatief effect op de hoogte van de uitkering vanaf ingangsdatum van het nabestaandenpensioen.
Door toepassing van gelijke aanpassingen en spreiden kan de uitkering van het partnerpensioen
bij overlijden voor pensioendatum of het wezenpensioen de begrenzingen van 50% respectievelijk
20% of 40% voor volle wezen van het laatstgenoten pensioengevend loon overschrijden.37 Het overschrijden van deze begrenzingen kan bijvoorbeeld plaatsvinden als het spreidingsvermogen
dat op pensioendatum nodig is of het kapitaal dat wordt gealloceerd negatief is en
dit negatieve vermogen wordt verrekend met het vermogen of het kapitaal bestemd voor
de uitkering. Hierdoor is op ingangsdatum de uitkering hoger en wordt het negatieve
spreidingsvermogen of negatieve kapitaal dat is gealloceerd gedurende de spreidingsperiode
verwerkt in het vermogen of het kapitaal bedoeld voor de uitkering en tenslotte in
de uitkering zelf. Daarnaast kan een pensioenuitvoerder er ook voor kiezen dat er
vanuit de risicopremie zowel een vermogen bestemd voor de uitkering als een spreidingsvermogen
of kapitaal dat wordt gealloceerd op pensioendatum wordt gefinancierd. Op ingangsdatum
kan vanuit het vermogen bestemd voor de uitkering het afgesproken percentage, bijvoorbeeld
50%, van het laatstgenoten pensioengevend loon worden uitbetaald. Daarnaast kan met
de risicopremie ook het spreidingsvermogen of gealloceerd kapitaal worden gefinancierd.
Als het spreidingsvermogen of gealloceerd kapitaal positief is, dan wordt met de risicopremie
een partnerpensioen van 50% van het laatstverdiende loon plus een positief spreidingsvermogen
of te alloceren kapitaal gefinancierd. Hierdoor is het totale vermogen of kapitaal
op ingangsdatum hoger dan benodigd voor een uitkering van 50% van het laatstverdiende
loon. In het geval dat het spreidingsvermogen of het gealloceerd kapitaal negatief
is, dan is het totale vermogen of kapitaal lager dan benodigd voor een partnerpensioen
van 50% van het laatstverdiende loon. Op deze manier wordt rekening gehouden met negatieve
resultaten in voorgaande jaren die nog niet volledig zijn verwerkt. Dit hoeft overigens
niet altijd te leiden tot verlagingen van de uitkering. Een verlaging kan immers worden
voorkomen door inzet van de risicodelings- of solidariteitsreserve38 of door positieve resultaten na ingangsdatum.
Met dit wetsvoorstel wordt geregeld met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023
dat de hiervoor genoemde overschrijdingen van de begrenzingen voor de fiscaliteit
buiten beschouwing blijven (en dus fiscaal toegestaan zijn). Het wordt hiermee fiscaal
mogelijk om uiterlijk op de ingangsdatum van het nabestaandenpensioen een spreidingsvermogen
te vullen of kapitaal te alloceren in het geval van gelijke aanpassingen met spreiden.39 Voor de terugwerkende kracht is gekozen zodat ook eventuele situaties waarin dit
al is toegepast onder deze verruiming vallen.
Door toepassing van gelijke aanpassingen en spreiden kan op ingangsdatum de uitkering
van het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum of het wezenpensioen hoger
of lager zijn dan een in de pensioenregeling opgenomen percentage van het laatstgenoten
pensioengevend loon. Ook is de toepassing van gelijke aanpassingen en spreiden relevant
voor het verloop van de uitkeringen en of deze waarschijnlijk zullen dalen, stijgen
of gelijk blijven. Het blijft essentieel dat pensioenuitvoerders deelnemers en hun
nabestaanden hierover correct, tijdig, evenwichtig en duidelijk informeren. In het
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling zal worden
geregeld dat de pensioenuitvoerder concrete en persoonlijke informatie over het verloop
van de uitkeringen aan de deelnemer en de nabestaande moet verstrekken.
Voor de goede orde, het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum is op risicobasis
verzekerd. Indien het spreidingsvermogen of te alloceren kapitaal wordt gefinancierd
vanuit de risicopremie, dan heeft dit vóór pensioeningang (dus voor overlijden van
de deelnemer) geen waarde. Het leidt niet tot kapitaalopbouw; het gaat om een risicokapitaal
op risicobasis en vervalt bij einde deelneming. Voor zover de risicopremie in rekening
wordt gebracht door een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds moet sprake zijn
van een doorsneepremie (artikel 17, tweede lid, van de Pensioenwet).
2.6 Technische aanpassingen en verduidelijkingen
Met dit wetsvoorstel wordt een aantal technische zaken die de Wtp heeft geregeld aangepast
of verduidelijkt. Ook worden enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.
2.6.1 Aanpassing in verwijzing bij definities gedetacheerde werknemeren gedetacheerd
beroepsgenoot
In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
wordt voor het begrip «gedetacheerde werknemer» respectievelijk «gedetacheerd beroepsgenoot»
verwezen naar Verordening (EEG) 1408/71. Evenwel bestaat Vo. 1408/71 al niet meer
sinds 1 mei 2010. De opvolger van Vo. 1408/71 is Verordening (EG) 883/2004. De verwijzing
wordt aangepast zodat deze weer juist is.
2.6.2 Uitsluiten meerderjarig pleegkind en aanverwantschap bij partnerdefinitie
In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
wordt de definitie van «partner» aangepast. Meerderjarig voormalig pleegkind wordt
vervangen door meerderjarig pleegkind, om te voorkomen dat een meerderjarig pleegkind
zowel als kind als partner van de deelnemer kan kwalificeren.
Ook wordt een aanverwant in de eerste graad of in de tweede graad in de rechte lijn
uitgezonderd van het partnerbegrip. De uitsluiting van een aanverwant in de eerste
graad in rechte lijn was tot de inwerkingtreding van de Wtp reeds opgenomen in artikel 18
van de Wet op de loonbelasting 1964. Sinds de Wtp wordt in dit artikel verwezen naar
de begripsbepaling van partner in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1,
eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Door de voorgestelde aanpassing
wordt een aanverwant in de eerste of tweede graad in rechte lijn (weer) uitgesloten
van het partnerbegrip.
2.6.3 Wijziging artikel 63 Pensioenwet en artikel 75 Wet verplichte beroepspensioenregeling
In deze artikelen staat een onjuiste verwijzing opgenomen naar artikel 18d van de
Wet op de Loonbelasting. Er wordt verwezen naar het derde lid, terwijl dit het tweede
lid zou moeten zijn. Dit wordt aangepast met dit wetsvoorstel.
2.6.4 Wijziging artikel 171 Wet verplichte beroepspensioenregeling
In de Pensioenwet en in de Wet verplichte beroepspensioenregeling is vastgelegd bij
welke overtredingen de toezichthouder een bestuurlijke boete kan opleggen. In het
betreffende artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling was de verwijzing
naar de artikelen niet meer correct en klopte de volgorde van de artikelen niet meer.
Dit wordt aangepast met dit wetsvoorstel.
2.6.5 Wijziging artikelen 214f en 214fa van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
en artikelen 220h en 220ha van de Pensioenwet
In het opschrift van zowel de artikelen 214f en 214fa van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
als de artikelen 220h en 220ha van de Pensioenwet zit dezelfde typefout: voorzetting
i.p.v. voortzetting. Dit wordt aangepast met dit wetsvoorstel.
2.6.6 Uitvoering pensioen op het loonstrookje
Artikel XIIB van de Wtp wijzigt art. 626, tweede lid, van Boek 7 van het BW, zodat
op de loonstrook van de werknemer wordt aangegeven of er in het betreffende tijdvak ouderdomspensioen is opgebouwd. De inwerkingtreding van dit artikel is uitgesteld tot deze bepaling uitvoerbaar
was. In overleg met uitvoerende partijen is geconcludeerd dat de huidige wettekst
te moeilijk uitvoerbaar is, nu in de salarisadministratie niet altijd zichtbaar is
wanneer een werknemer ouderdomspensioen opbouwt.
Goed denkbaar is bijvoorbeeld de situatie dat er wel een pensioenregeling aanwezig
is, maar de werknemer bij een pensioengevend salaris lager dan de franchise toch geen
ouderdomspensioen opbouwt. Ook in het geval van een pensioenregeling waar de premiebetaling
volledig ten laste komt van de werkgever, is in de salarisadministratie veelal niet
direct zichtbaar welke werknemer ouderdomspensioen opbouwt.
Deze en andere voorbeelden kunnen leiden tot onnodig alarmerende meldingen. Om dit
te voorkomen wijzigen we het artikel zodat er op de loonstrook melding moet worden
gemaakt van de aanwezigheid van een pensioenregeling. Dit verhelpt veel foute positieven en negatieven over de opbouw van ouderdomspensioen.
Deze bepaling zorgt voor een betere uitvoering en leidt niet tot additionele regeldruk.
De voorgestelde wijziging is geen nieuw politiek besluit, maar een aanpassing om de
politieke wens van het beter zichtbaar maken van pensioen voor de werknemer, beter
uitvoerbaar te maken. De achterliggende gedachte is om werknemers erop te attenderen
dat zij door de afwezigheid van een pensioenregeling mogelijk te weinig ouderdomspensioen
opbouwen om hun inkomen bij pensionering adequaat te vervangen. Voor een werknemer
met een pensioengevend salaris lager dan de franchise geldt dat de AOW het inkomen
doorgaans adequaat vervangt. Een melding zou daarmee onnodig alarmerend zijn. Deze
melding op de loonstrook is één van de instrumenten om de informatievoorziening over
pensioen te verbeteren. Het politieke besluit over dit instrument is reeds genomen
bij de behandeling en aanname van de Wet toekomst pensioenen.
2.6.6 Schrappen overbodige voorwaarde artikel 150e Pensioenwet/145d Wet verplichte
beroepspensioenregeling
De in artikel 150e, derde lid, onderdeel c, van de Pensioenwet (artikel 145d, derde
lid, onderdeel c, Wet verplichte beroepspensioenregeling) genoemde voorwaarde dat
geen gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet
(artikel 214d Wet verplichte beroepspensioenregeling) is overbodig en daarom geschrapt.
In de situatie dat er gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht is art. 150e van
de Pensioenwet, als onderdeel van hoofdstuk 6b, sowieso niet van toepassing.
2.6.7 Verduidelijking reikwijdte compensatieregeling artikel 150f Pensioenwet
De Pensioenwet schrijft voor dat compensatie ten behoeve van het afschaffen van de
doorsneesystematiek kan worden verstrekt aan deelnemers, maar verplicht dit niet.
Sociale partners kunnen voor de compensatie een compensatieregeling overeenkomen.
Als er een compensatieregeling wordt afgesproken, gelden er specifieke voorwaarden
waar de compensatieregeling aan moet voldoen. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in
artikel 150f. Vanwege onduidelijkheid of vrijwillige voortzetters ook voor de compensatieregeling
in aanmerking komen, wordt met dit wetsvoorstel verduidelijkt dat indien vrijwillige
voortzetters zijn opgenomen in de compensatieregeling, de specifieke voorwaarden die
zijn voorgeschreven op grond van artikel 150f Pensioenwet, van toepassing zijn op
vrijwillige voortzetters. Vrijwillige voortzetters zijn namelijk op grond van de Pensioenwet
deelnemers. Het is daarom logisch dat de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 150f
gelden voor vrijwillige voortzetters, indien zij zijn opgenomen in de compensatieregeling.
Dit wordt met dit wetsvoorstel expliciet gemaakt. Hierbij wordt opgemerkt dat sociale
partners afspraken maken over een eventuele compensatieregeling. Omdat compensatie
toekennen niet verplicht is, kunnen sociale partners er ook bewust voor hebben gekozen
om de vrijwillige voortzetters uit te sluiten van de compensatieregeling. De voorwaarden
uit artikel 150f van de Pensioenwet zijn dan niet van toepassing. Bij de bepaling
of de compensatieregeling wel of niet geldt voor vrijwillige voortzetters, dient de
evenwichtigheid centraal te staan.
Hoofdstuk 3 Gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid
Dit wetsvoorstel heeft beperkte gevolgen in termen van regeldruk voor burgers, bedrijven
en de overheid. Enkel de maatregelen rondom het wezenpensioen en het uniformeren van
de kinddefinitie hebben regeldrukgevolgen voor burgers en pensioenuitvoerders.
Dit wetsvoorstel geeft naar verwachting met name meer regeldruk aan de zijde van burgers
en pensioenuitvoerders. Het voorstel regelt onder andere de vrijwillige voortzetting
van het wezenpensioen, één uniforme kinddefinitie en de verruiming van het overgangsrecht
voor pensioenfondsen en verzekeraars.
3.1 Regeldrukeffecten vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen
Op dit moment hebben de gewezen deelnemers niet de mogelijkheid om de risicodekking
voor het wezenpensioen voort te zetten. In dit voorstel wordt geregeld dat de gewezen
deelnemer na afloop van de uitloopperiode dan wel na het einde van de WW-uitkering
of ZW-uitkering het nabestaandenpensioen (partner- en wezenpensioen) vrijwillig kan
voortzetten.40 Om in aanmerking te komen voor deze (keuze)mogelijkheid moet de burger een inspanning
verrichten: het nabestaandenpensioen wordt pas voortgezet nadat de (gewezen) deelnemer
hiertoe een verzoek heeft ingediend. Wanneer de (gewezen) deelnemer gekozen heeft
voor de vrijwillige voortzetting dan loopt die dekking door totdat de deelnemer de
risicodekking stopt of het recht op uitruil voor de voortzetting van de dekking niet
meer bestaat. Het is hierbij van belang om op te merken dat de vrijwillige voortzetting
van het wezenpensioen geen verplichting is. Zodra de (gewezen) deelnemer heeft besloten
om gebruik te maken van deze mogelijkheid, heeft dit gevolgen voor de (gewezen) deelnemer
en voor pensioenuitvoerders. Deze extra aanvragen zorgen voor extra regeldruk voor
pensioenuitvoerders. Het is op voorhand niet aan te geven wat de exacte omvang van
de regeldruk zal zijn. De omvang van de regeldruk is namelijk afhankelijk van de vraag
of de pensioenuitvoerder zo’n regeling aanbiedt (dekking nabestaandenpensioen) en
zo ja, of de (gewezen) deelnemer hier daadwerkelijk gebruik van wil maken. Daarbovenop
komen de kosten om de deelnemer goed en tijdig te informeren (informatieverplichtingen
pensioenuitvoerders). Het betreft hier regelmatig terugkerende kosten (het verwerken
van de aanvraag). Deze kosten worden geraamd op € 110,60 per aanvraag.41 Op voorhand is niet te bepalen hoeveel aanvragen worden ingediend. Stel dat er per
jaar 150 aanvragen worden ingediend en de gemiddelde kosten per aanvraag bedragen
€ 110,60, dan worden de totale kosten per jaar € 16.590 (kosten per aanvraag vermenigvuldigd
met aantal aanvragen).
Veel van deze terugkerende regeldrukkosten zijn vergelijkbaar met kosten die pensioenuitvoerders
nu ook maken voor de uitvoering van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen.
3.2 Regeldrukeffecten uniformering kinddefinitie
In de Wtp is één uniform partnerbegrip opgenomen. Hiermee is het partnerbegrip duidelijker
geworden voor de deelnemers en hun partners. Verzoek vanuit de Eerste Kamer was om
het wezenbegrip óók te uniformeren. Dit voorstel regelt wanneer er sprake is van een
kind.
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet dan wel na het overgangstijdstip
naar het nieuwe pensioenstelsel onder de Wtp is het niet meer mogelijk dat een kind
op basis van de pensioenregeling van de ene ouder wel recht kan hebben op een wezenpensioen
en op basis van de pensioenregeling van de andere ouder dit recht niet heeft, terwijl
met beide ouders dezelfde relatie bestaat. Onder het nieuwe pensioenstelsel gaan we
uit van één definitie van kind.
Als gevolg van dit voorstel moet de pensioenregeling aangepast worden en wel zodanig
dat het wezenpensioen één uniforme kinddefinitie kent. De (gewezen) deelnemer en zijn
nabestaanden weten vooraf wat ze kunnen verwachten (duidelijkheid) en er worden geen
regels en/of ingewikkelde processen (regeldruk) geïntroduceerd. In alle pensioenregelingen
wordt de definitie gelijk. De gevolgen voor de regeldruk, wat betreft de uniformering
van de kinddefintie, zijn naar verwachting nihil.
3.3 Regeldrukeffecten voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid
Voorts wordt met het voorstel een verruiming van het overgangsrecht voorgesteld voor
de voortzetting van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid voor zowel gesloten pensioenfondsen
als verzekeraars. Beoogd is hiermee te voorkomen dat (gesloten) pensioenfondsen met een beëindigde pensioenregeling waarbij nog wel een werkgever bestaat gedwongen
zijn om voor een zeer kleine groep deelnemers binnen het pensioenfonds een nieuwe
pensioenregeling op te zetten of bij een andere pensioenuitvoerder onder te brengen,
met navenant hoge kosten. Terwijl de overige groep (gewezen deelnemers en gepensioneerden)
niet over hoeven gaan naar een nieuwe pensioenregeling. Het voorstel regelt dat alle
(gesloten) fondsen de mogelijkheid hebben om bij de beëindigde pensioenregeling de
premievrije opbouw van pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsovereenkomst
voort te zetten, ongeacht of de onderneming van de werkgever nog bestaat. De (gesloten)
pensioenfondsen met een beëindigde pensioenregeling waarbij nog wel een werkgever
bestaat, worden zodoende dezelfde mogelijkheden geboden als gesloten pensioenfondsen
zonder werkgever, ten aanzien van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid. Deze wijziging
heeft daarmee een regeldrukverlagend effect voor deze gesloten pensioenfondsen. De
wijziging beoogt immers onevenredige regeldruk en bijkomende kosten te voorkomen.
Voor verzekeraars wordt iets soortgelijks geregeld. De verruiming wordt voorgesteld
om te voorkomen dat een groep zieke deelnemers in een specifieke situatie, namelijk
bij wisseling van pensioenuitvoerder, tussen wal en schip valt. De verruiming sluit
aan bij de bestaande praktijk. Ook sluit de voorgestelde verruiming aan bij het «Convenant
over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen».42 In dit convenant hebben verzekeraars onderling afspraken gemaakt over onder andere
de premievrijstelling in pensioenregelingen bij collectieve beëindigingen. Zodoende
heeft deze wijziging geen regeldrukeffecten voor verzekeraars. De wijziging beoogt
juist de huidige praktijk en de afspraken uit het convenant wettelijk vast te leggen.
3.4 Regeldrukeffecten overige onderwerpen
De Verplichte voortzetting risicodekking van het nabestaandenpensioen op grond
van een cao of periodieke uitkering
heeft geen gevolgen voor de regeldruk voor burgers, bedrijven en overheid. De wijziging
beoogt juist de huidige praktijk wettelijk vast te leggen. Ook is de wijziging een
mogelijkheid; het is geenszins een verplichting.
De aanpassing aan de regeling gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereenkomst heeft naar verwachting op de korte termijn beperkte regeldrukverhogende gevolgen
voor pensioenfondsen die ervoor kiezen om dit aan te bieden. Het is niet verplicht
om dit te doen. De verwachting is, voor de pensioenfondsen die hiervoor kiezen, dat
dit op langere termijn (binnen 1 tot 2 jaar) een sterk regeldrukverlagend effect heeft.
Immers hoeft de administratie hiervoor maar één keer ingeregeld te worden.
3.5 Regeldrukeffecten technische verduidelijkingen
De technische verduidelijkingen hebben geen gevolgen voor de regeldruk voor burgers,
bedrijven en de overheid.
3.6 Andere gevolgen (waaronder privacy, doenvermogen, gendergelijkheid)
Met behulp van het Beleidskompas is bekeken welke verplichte gevolgenbeoordelingen
(toetsen) voor dit voorstel van toepassing zijn.43 Omdat het voorstel geen gevolgen heeft voor bijvoorbeeld privacy, doenvermogen (anders
dan hierboven al toegelicht), gendergelijkheid of mkb-ondernemingen zijn verder geen
toetsen uitgevoerd.
Hoofdstuk 4 Consultatie en toetsen
Over de conceptversie van dit wetsvoorstel is in verschillende fasen commentaar en
advies ingewonnen waar dankbaar gebruik van is gemaakt. De eerste conceptversie heeft
vanaf 1 juni 2024 tot en met 27 juli 2024 opengestaan in internetconsultatie. In deze
periode zijn 19 openbare reacties ontvangen. Parallel aan de internetconsultatie is
advies gevraagd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). In dit hoofdstuk wordt
eerst ingegaan op het advies van het ATR, vervolgens wordt ingegaan op hoe is omgegaan
met de reacties uit de internetconsultatie.
Advies ATR
Het ATR heeft de regeldrukgevolgen getoetst aan een toetsingskader met daarin vier
criteria, waaronder:
– Nut en noodzaak
– Minder belastende alternatieven
– Werkbaarheid
– Gevolgen regeldruk
Het college concludeert dat bij elk van de voorgenomen maatregelen van het wetsvoorstel
toereikend onderbouwd is waarom deze nodig en nuttig zijn. Het college heeft geen
opmerkingen over minder belastende alternatieven en de werkbaarheid van de voorstellen.
Ook de regeldrukgevolgen zijn toereikend beschreven en berekend. Het eindoordeel van
het college ten aanzien van dit wetsvoorstel is daarmee positief.
4.1 Reacties internetconsultatie
In deze paragraaf wordt ingegaan op commentaren die betrekking hebben op het voorliggende
wetsvoorstel. De ingebrachte reacties zijn zorgvuldig bezien en gewogen. Waar een
reactie aanleiding gaf tot een andere beleidsmatige keuze wordt dat in deze paragraaf
toegelicht. Dat geldt ook voor reacties die noopten tot verduidelijking, aanscherping
of verdieping van de memorie van toelichting. Reacties die na weging geen aanleiding
vormden voor een andere beleidsmatige keuze zijn eveneens weergegeven, evenals de
reden waarom het commentaar niet is overgenomen. De reacties zijn hieronder – waar
mogelijk – gecombineerd en samengevat. De paragraaf is thematisch ingedeeld overeenkomstig
de volgorde van de toelichting op dit wetsvoorstel.
4.1.1 Vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen
De Kring van Pensioenspecialisten (KPS) heeft verschillende informerende vragen gesteld
over het uithollingsrisico en de informatieverplichting vanwege de mogelijkheid tot
vrijwillige voortzetting van het volledige nabestaandenpensioen. Vanwege de vermindering
van het pensioenkapitaal is het van belang dat een deelnemer jaarlijks een bewuste
keuze maakt voor de vrijwillige voortzetting. Om het uithollingsrisico te voorkomen,
zal de gewezen deelnemer jaarlijks evenwichtig geïnformeerd worden, zodat hij een
juiste keuze kan maken ten aanzien van de vrijwillige voortzetting van de risicodekking.
Evenwichtige informatieverstrekking door de pensioenuitvoerder hierover is daarbij
van belang, waarbij specifiek aandacht is voor de risico’s van het voortzetten dan
wel beëindigen van de vrijwillige voortzetting van risicodekking door middel van uitruil.44 De wijze van informeren bij vrijwillige voortzetting als ook het risico van uithollen
van het ouderdomspensioen is uitgebreid aan de orde geweest bij de parlementaire behandeling
van de Wtp. Ten aanzien van de financiering van de vrijwillige voortzetting van het
wezenpensioen en van het partnerpensioen vóór pensioendatum kan naast het ouderdomspensioen
ook het partnerpensioen op opbouwbasis vanaf pensioendatum in de uitruil betrokken
als dit in de pensioenovereenkomst is afgesproken. In overleg met de Pensioenfederatie
en het Verbond van Verzekeraars zijn hierbij twee categorieën uitgezonderd. Het opgebouwde
partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum (vóór de transitie) blijft buiten
beschouwing. Het opgebouwde partnerpensioen vanaf pensioendatum dat bij invaren behouden
is gebleven kan bij de uitruil buiten beschouwing blijven.
Verder bevestigt de regering dat in het voorgestelde artikel 61a, zevende lid, Pensioenwet
en artikel 73a, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de vrijwillige
voortzetting van het nabestaandenpensioen niet ten laste mag gaan van het bijzonder
partnerpensioen.
Verder moet de partner die begunstigd is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum,
een schriftelijke toestemming geven voor de uitruil. De risicodekking wordt voortgezet
totdat de gewezen deelnemer intrekt; de partner moet dit expliciet aan de pensioenuitvoerder
doorgeven. Bij een eventuele latere scheiding zal het bijzonder partnerpensioen lager
worden.
De Pensioenfederatie heeft geadviseerd om de definitie van kind uit te breiden ten
behoeve van pensioen voor wezen van pensioengerechtigden. De Pensioenfederatie adviseerde
om een kind van een gepensioneerde ook in aanmerking te laten komen voor een wezenpensioen.
De regering heeft deze wens voor gepensioneerden overgenomen; de wens is echter niet
overgenomen om wezenpensioen uit te breiden voor alle pensioengerechtigden. Een gepensioneerde
is een persoon voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan; een gepensioneerde is een
werknemer of gewezen werknemer. Zie voor een nadere toelichting op het kindbegrip
hoofdstuk 2. De Pensioenfederatie vraagt in hun reactie verder om de uitkering per
het eind van de maand te laten aflopen (slotuitkering). De aanpassing van de slotuitkering
is opgenomen in de Fiscale Verzamelwet 2026.
Verder is het opschrift van artikel 61a Pensioenwet en artikel 73a Wet verplichte
beroepspensioenregeling aangepast naar aanleiding van een opmerking van KPS. Hierdoor
is het opschrift in lijn met de gewijzigde inhoud van beide artikelen. De uitruil
kan zowel zien op het ouderdomspensioen als op het partnerpensioen op of na pensioendatum.
In het opschrift wordt nu slechts benoemd dat het gaat om het keuzerecht rondom het
vrijwillig voortzetten van het nabestaandenpensioen op risicobasis na afloop van artikel 55
Pensioenwet of artikel 66 Wet verplichte beroepspensioenregeling. De uitruil kan dus
zowel zien op het ouderdomspensioen als op het partnerpensioen op of na pensioendatum,
dit clausuleert het opschrift verder niet.
4.1.2 Uniforme kinddefinitie
De Kring van Pensioenspecialisten (KPS) geeft aan wat het doel is van de uniformering
van de kinddefinitie. Het doel is namelijk «dat er geen verschil meer kan bestaan
tussen regelingen met betrekking tot de vraag of een ouder wel of niet recht heeft
op een wezenpensioen.» Uit de reacties komt naar voren dat men positief is over uniformering
van de kinddefinitie. Een uniforme kinddefinitie geeft namelijk meer duidelijkheid
aan werknemers en hun nabestaanden (partner en kinderen) over waar zij recht op hebben
na het overlijden van de (gewezen) werknemer.
De internetconsultatie heeft veel reacties opgeleverd inzake het stiefkind. Het stiefkind,
zoals gedefinieerd in artikel 2b van de Pensioenwet, wordt door pensioenuitvoerders
en pensioenprofessionals als (te) complex en omvangrijk ervaren. Er worden veel verschillende
situaties onderscheiden met de daarbij behorende criteria. Deze reacties hebben ertoe
geleid dat de definitie van het begrip stiefkind is aangepast. Het uitgangspunt blijft
dat het wezenpensioen een financiële compensatie is vanwege het wegvallen van de financiële
zorg die een ouder bij leven gaf. In het huidige voorstel wordt er geen onderscheid
meer gemaakt tussen een huwelijk/geregistreerd partnerschap, samenlevingscontract
of ongehuwd samenwonen. Om in aanmerking te komen voor een wezenpensioen geldt als
uitgangspunt het partnerbegrip van artikel 2a van de Pensioenwet. Er wordt ook geen
onderscheid meer gemaakt tussen minderjarige (jonger dan 18) en meerderjarige jongeren
(18 en ouder). Getoetst wordt of het kind deel uitmaakt van het gezin van de gewezen
werknemer of dat er sprake is van een aantoonbare financiële bijdrage vanuit het huishouden
van de (gewezen) werknemer.
4.1.3 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid
De reacties op dit onderdeel van de wet zijn overwegend positief, maar uit de reacties
blijkt ook de wens om het overgangsrecht nog meer te verruimen. De voorgestelde verruiming
van het overgangsrecht, zoals opgenomen in de artikelen 220h en 220ha van de Pensioenwet,
wordt ondersteund door de ingediende reacties.
Mollema Pensioenconsultancy geeft aan dat het huidige overgangsrecht ziet op de situaties
van volledige arbeidsongeschiktheid. Het overgangsrecht maakt geen onderscheid tussen
volledig arbeidsongeschikten en/of gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Het overgangsrecht
is van toepassing als het recht op premievrije voortzetting is ontstaan voor de overstap
naar het nieuwe pensioenstelsel, maar uiterlijk aan het einde van de transitieperiode.
Het recht op premievrije voortzetting (en arbeidsongeschiktheidspensioen) is gekoppeld
aan de WIA-uitkering; het overgangsrecht is niet afhankelijk van de soort uitkering
die het UWV toekent (IVA/WGA).
De onderstaande vijf punten zijn verwerkt in het wetsvoorstel.
1. Een aantal partijen heeft aandacht gevraagd om de overgangsregeling uit te breiden
naar de groep personen die ziek is geworden onder het oude stelsel maar nog niet arbeidsongeschikt
zijn en waarbij de uitloopdekking van toepassing is.
2. Achmea Pensioenservices heeft voorgesteld «om het derde lid van artikel 220h Pensioenwet
niet alleen van toepassing te laten zijn op een collectieve waardeoverdracht zoals
bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel a Pensioenwet, maar ook op de overige
in dat lid genoemde situaties». Dit is nu het vijfde lid van artikel 220h Pensioenwet.
3. Sprenkels heeft aandacht gevraagd voor de situaties waarbij gesloten fondsen gaan
«invaren». Het verzoek is om mogelijk te maken dat wanneer deze fondsen invaren, de
bestaande premievrije voortzetting voor de arbeidsongeschikten ongewijzigd kan worden
voortgezet.
4. Het Verbond van Verzekeraars merkt op «dat de verruiming van artikel 220h ook van
toepassing zou moeten zijn in de situatie dat een pensioenfonds binnen twee jaar na
het beëindigen van de pensioenregeling de pensioenverplichtingen door middel van een
zogenaamde buy-out overdraagt naar een verzekeraar.» In lijn met de afspraken die
het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie in het Convenant over dekking
van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen hebben
gemaakt, «moeten deelnemers die ziek waren op het moment van beëindigen van de pensioenregeling
en vervolgens arbeidsongeschikt worden, een beroep kunnen doen op premievrije voortzetting
van de pensioenregeling van het inmiddels gesloten pensioenfonds waarin ze deelnamen
op het moment dat zij ziek werden».
5. De Pensioenfederatie heeft voorgesteld om het derde lid van artikel 220h Pensioenwet
(nu het vijfde lid) van toepassing te laten zijn op een collectieve waardeoverdracht
zoals bedoeld in artikel 83, eerste lid, Pensioenwet. Daarnaast bepleiten zij, conform
het Convenant van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars, deelnemers
die op het moment van sluiting van de pensioenregeling ziek waren en vervolgens arbeidsongeschikt
worden ook in aanmerking te laten komen voor premievrije voortzetting van de pensioenregeling
van het inmiddels gesloten pensioenfonds waarin ze deelnamen op het moment dat zij
ziek werden.
Mede naar aanleiding van deze reacties op de internetconsultatie is het wetsvoorstel
aangepast en is de overgangsregeling gewijzigd. Dit betreft de volgende wijzigingen:
i. Het overgangsrecht geldt voor de groep waarvoor het recht op premievrije voortzetting
is ontstaan voor overstap naar het nieuwe stelsel maar uiterlijk aan het einde van
de transitieperiode (2028).
ii. Het overgangsrecht geldt voor de groep die ziek is geworden onder het oude stelsel
maar arbeidsongeschikt wordt onder het nieuwe stelsel en waarbij de uitloopdekking
van toepassing is.
iii. Het overgangsrecht geldt voor fondsen die een beëindigde pensioenregeling uitvoeren
en waarvan de onderneming van de werkgever heeft opgehouden te bestaan.
iv. Het overgangsrecht geldt ook voor fondsen die een beëindigde pensioenregeling uitvoeren
en waarvan de onderneming van de werkgever nog wel bestaat.
v. Het is toegestaan dat een fonds zowel een beëindigde pensioenregeling als een actieve
pensioenregeling uitvoert.
vi. Zolang de gesloten pensioenregeling niet wordt ingevaren, kan de premievrije voortzetting
in de gesloten regeling worden voortgezet.
vii. Op een later moment (na de transitieperiode) kan een collectieve waardeoverdracht
naar een andere pensioenuitvoerder plaatsvinden, waarbij de premievrije voortzetting
kan worden voortgezet bij de nieuwe uitvoerder.
viii. Dit geldt ook voor de situatie van een collectieve waardeoverdracht in geval van overgang
van onderneming.
ix. Dit geldt ook als de deelnemer ziek is maar nog niet arbeidsongeschikt en waarbij
de uitloopdekking nog van toepassing is.
Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid bij verzekeraars
Het Verbond van Verzekeraars signaleerde een knelpunt bij het bestaande overgangsrecht,
waarbij een beperkte groep deelnemers tussen wal en schip zou vallen. Het knelpunt
ziet met name op een zieke deelnemer en een collectieve beëindiging bij een verzekeraar
waarbij de werkgever de gewijzigde pensioenregeling onder het nieuwe pensioenstelsel
onderbrengt bij een andere verzekeraar. Verzekeraars hebben in een convenant45 onderling afspraken gemaakt over onder andere de premievrijstelling in pensioenregelingen
bij collectieve beëindigingen. In verzekeringstermen is er sprake van een uitlooprisico;
het risico dat wordt gedragen door de verzekeraar van de pensioenregeling waarin de
werknemer deelnemer was op de eerste ziektedag. Dus als de werkgever de pensioenregeling
onderbrengt bij een andere verzekeraar, is het uitlooprisico voor de oude verzekeraar.
Deze afspraken zijn bedoeld om werknemers die ziek zijn te beschermen tegen inkomensverlies
bij onder meer collectieve beëindigingen.
Over dit knelpunt en de aangekondigde wettelijke oplossing zijn de Eerste en Tweede
Kamer in de kamerbrieven van 9 november 2023,46 15 januari 202447 en 8 november 202448 geïnformeerd.
Het voorstel van Sprenkels om arbeidsongeschikte personen achter te laten in de oude
pensioenregeling terwijl de overige deelnemers wel invaren, neemt de regering niet
over. Als uitgangspunt hierbij geldt: als een pensioenregeling invaart, dan vaart
iedereen in. Uitzonderingen op dit uitgangspunt acht de regering niet passend bij
het doel van de stelselherziening die ten grondslag lag aan de Wtp.
Tot slot is naar aanleiding van een opmerking van KPS de inwerkingtredingsbepaling
zodanig gewijzigd dat mogelijk is dat de wijzigingen van de artikelen 220h en 220ha
Pensioenwet, 214f en 214fa Wet verplichte beroepspensioenregeling en 38c Wet op de
Loonbelasting 1964 in werking treden met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023.
Op deze manier sluit de inwerkingtreding van de fiscale artikelen over voortzetting
van pensioen bij arbeidsongeschiktheid aan bij de inwerkingtreding van de niet-fiscale
artikelen hierover.
4.1.4 Overige (technische) aanpassingen en verduidelijkingen
Gedetacheerde werknemer en het VK
De Orde van Advocaten heeft een opmerking gemaakt over de werking van de bepalingen
over gedetacheerde werknemers voor werknemers uit het Verenigd Koninkrijk (VK). Op
grond van het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid bij de
Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK gelden de bepalingen
over gedetacheerde werknemers inderdaad ook voor werknemers uit het VK. Door de rechtstreekse
werking van dit protocol geldt dit echter ook zonder dat het VK expliciet wordt genoemd
in het betreffende artikel over gedetacheerde werknemers. In de artikelsgewijze toelichting
op artikel 1 is dit verduidelijkt.
Aanvullen eigen vermogen uit solidariteits- en risicodelingsreserve en uit de voor
de pensioenuitkering bestemde vermogens
Door de Pensioenfederatie is verzocht om artikel 134 van de Pensioenwet en artikel 11a
van het Besluit financieel toetsingskader te verduidelijken in het licht van het nieuwe
stelsel.49 Opgemerkt moet worden dat met het Besluit toekomst pensioenen artikel 11a in het
Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is geïntroduceerd.50 Daarnaast heeft de Pensioenfederatie verzocht om een tekort in het eigen vermogen
of de operationele reserve aan te kunnen vullen vanuit de solidariteitsreserve of
risicodelingsreserve.
Ten aanzien van het eerste verzoek merkt de regering op dat een verduidelijking is
opgenomen in het Verzamelbesluit pensioentransitie. Ten aanzien van het tweede verzoek,
om het eigen vermogen of de operationele reserve aan te kunnen vullen vanuit de solidariteits-
of risicodelingsreserve, wordt allereerst opgemerkt dat de term «operationele reserve»
een term is die alleen van toepassing is op het transitiemoment. Na het transitiemoment
wordt gesproken over de algemene reserve. De algemene reserve is onderdeel van het
eigen vermogen. In het Verzamelbesluit pensioentransitie wordt een wijziging voorgesteld
op grond waarvan het eigen vermogen (waar dus de algemene reserve onderdeel van is)
onder voorwaarden aan kan worden gevuld vanuit de solidariteits- of risicodelingsreserve.
Geleidelijke toetreding in de flexibele premieregeling met risicodelingsreserve
De Pensioenfederatie, Achmea Pensioenservices en Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten
geven aan dat het tijdsevenredig toetreden tot een collectief toedelingsmechanisme
bij de flexibele premieregeling in combinatie met de vulling van de risicodelingsreserve
een uitvoeringstechnisch eenvoudige en uitlegbare toetreding in de weg staat. Partijen
stellen een variant voor waarbij rond de pensioendatum een uitzondering op de tijdsevenredige
toetreding kan worden gemaakt. In plaats van een tijdsevenredige inbreng wordt er
een afwijkende inbreng in het collectief gedaan en kan met het resterende deel de
risicodelingsreserve worden gevuld. In het Commissiedebat van 21 november 2024 heeft
Kamerlid Joseph (BBB) ook aandacht gevraagd voor het vullen van de risicodelingsreserve
in relatie met het shoprecht. De regering begrijpt de wens van de partijen en Kamerlid
Joseph. Wegens uitvoerbaarheidsredenen is besloten om artikel 10b, zevende lid, onderdeel
a van de Pensioenwet en artikel 28b, zevende lid, onderdeel a, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling te wijzigen. Er wordt geregeld dat eenmalig in het jaar voorafgaand
aan de pensioendatum afgeweken kan worden van de tijdsevenredige toetreding tot het
collectieve toedelingsmechanisme. Met het resterende kapitaal kan in het laatste jaar
voorafgaand aan de pensioendatum de risicodelingsreserve worden gevuld. Het blijft
mogelijk om de risicodelingsreserve pas met kapitaal te vullen nadat een deelnemer
een keuze heeft gemaakt over het eventuele shoprecht op pensioendatum. Hierdoor wordt
het meenemen van het volledige kapitaal bij shoprecht op pensioendatum beter uitvoerbaar
voor pensioenuitvoerders. Hiermee is invulling gegeven aan de wens van de partijen
en aan de toezegging in het Commissiedebat van 21 november 2024.51
Vullen solidariteitsreserve uit overrendement van een deel van de populatie
De Pensioenfederatie heeft ingebracht dat een aantal partijen de solidariteitsreserve
alleen wil inzetten om de nominale verlagingen van uitkeringen van pensioengerechtigden
te voorkomen. Omdat de reserve alleen ingezet wordt voor pensioengerechtigden, kan
de wens bestaan om het vullen van de reserve te beperken tot het overrendement van
(bijna) pensioengerechtigden. Omdat de term overrendement in artikel 1 van de Pensioenwet
is gedefinieerd als het saldo van het totaal behaalde rendement op de beleggingen,
de ontwikkeling van de levensverwachting en het sterfteresultaat en het toebedeelde
beschermingsrendement op basis van de toedelingsregels, is onduidelijk of de vulling
van de solidariteitsreserve uit overrendement door een deel van de fondspopulatie
mogelijk is.
Op basis van artikel 1 en artikel 10d, tweede lid, van de Pensioenwet zal inderdaad
het vullen van de reserve vanuit het collectief overrendement moeten komen. Daarbij
is het mogelijk om na toedeling vanuit het collectief overrendement aan de solidariteitsreserve,
direct weer vanuit de reserve aan een deel van de populatie van het fonds uit te delen.
Daarmee wordt in principe tegemoetgekomen aan de wens van de Pensioenfederatie. Wel
zijn er in artikel 10d Pensioenwet, artikel 28d Wet verplichte beroepspensioenregeling
en artikel 1h Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
regels opgenomen rondom de solidariteitsreserve waar de pensioenuitvoerder zich aan
moet houden. Zo dienen de regels rondom het vullen en uitdelen van de solidariteitsreserve
evenwichtig, transparant en onderling consistent te zijn. Onder de evenwichtigheid
wordt onder meer verstaan dat bij de inrichting van de reserve op voorhand wordt voorkomen
dat een bepaalde generatie binnen een pensioenregeling uitsluitend baten of lasten
heeft van de reserve.
Risicodelingsreserve vullen uit rendementen
Achmea Pensioenservices verzoekt het mogelijk te maken om de risicodelingsreserve
uit rendement te vullen als er geen sprake is van beleggingsvrijheid, zowel in de
opbouw- als in de uitkeringsfase. Het betreft hier geen eerdere toezegging. De flexibele
premieregeling kent in beginsel een individueel karakter, waardoor het delen van rendementen
minder past bij deze contractvorm. Het vullen van de risicodelingsreserve uit beleggingsresultaten
(rendement), ook als er geen sprake is van beleggingsvrijheid, wordt daarom niet toegestaan.
Dit is ook in de beantwoording van Kamervragen tijdens de behandeling van de Wtp in
de Tweede Kamer aangegeven.52
Kostenvoorziening
Achmea Pensioenservices en de Pensioenfederatie hebben aangegeven dat het wenselijk
is om de voorziening excassokosten onderdeel te laten zijn van het kapitaal.
Uit artikel 126 van de Pensioenwet en artikel 2 van het Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen, volgt dat pensioenfondsen verplicht zijn om toereikende voorzieningen
vast te stellen met betrekking tot het geheel van pensioenverplichtingen. De hoogte
van de voorzieningen wordt vastgesteld op basis van de contante waarde van de verwachte
uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde
pensioenverplichtingen. Dit betekent dat pensioenfondsen te allen tijde een toereikende
voorziening moeten treffen. De voorziening voor excassokosten, ook wel de voorziening
toekomstige uitvoeringskosten genoemd, valt hier ook onder.
Door het aanhouden van een adequate voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten
is het pensioenfonds in staat deze uitvoeringskosten naar verwachting onder alle omstandigheden
geheel zelf te dragen zonder daarbij afhankelijk te zijn van toekomstige bijdragen.
Een pensioenfonds houdt deze kostenvoorziening separaat in stand als onderdeel van
de technische voorzieningen voor risico van het fonds. De kostenvoorziening maakt
geen deel uit van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van de deelnemers.
Het separaat administreren van de voorziening volgt tevens ook uit de richtlijnen
voor de jaarverslaggeving, hoofdstuk 610 pensioenfondsen. In de richtlijnen voor de
jaarverslaggeving wordt de voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten aangeduid
als voorziening operationele kosten.
Gelet op bovengenoemde kan niet aan de wens tegemoet worden gekomen om de voorziening
toekomstige uitvoeringskosten onderdeel te laten zijn van het kapitaal.
De Pensioenwet schrijft niets voor ten aanzien van het wel of niet aan de deelnemer
mee geven van (een deel van) de voorziening toekomstige uitvoeringskosten, indien
de deelnemer bij het bereiken van de pensioendatum de waarde van zijn pensioenaanspraken
per de pensioendatum over wil dragen aan een andere uitvoerder.
Samenvoegen van de vaste uitkering in de FPR met niet ingevaren pensioenen
Achmea Pensioenservices en Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Zorgverzekeraars (SBZ)
geven aan dat de niet ingevaren pensioenvermogens momenteel moeten worden gezien als
afgescheiden vermogen die onder het FTK vallen. Ook de vaste uitkeringen van de flexibele
premieregeling vallen onder het FTK. De partijen vinden het onwenselijk dat deze vaste
uitkeringen en deze niet ingevaren pensioenvermogens niet als één financieel geheel
kunnen worden gezien. De wens van de partijen ziet op onder andere artikel 10b en
150l van de Pensioenwet. De regering begrijpt de wens van beide partijen en is voornemens
om de komende periode te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Op een later moment
zal worden bezien of en op welke manier deze wens in wetgeving verankerd kan worden.
Geheugenloos spreiden met gelijke aanpassingen voor iedereen in het collectief bij
FPR
AZL en Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Media PNO gaan in de consultatiereactie
in op de situatie van de flexibele premieregeling in combinatie met de collectieve
toedelingskring. De vraag daarbij is of geheugenloos spreiden mogelijk is, waarbij
wordt aangegeven dat dit in de solidaire regeling reeds is mogelijk gemaakt door het
besluit van 5 juli 2024 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet
verplichte beroepspensioenregeling in verband met de uitvoering van gelijke aanpassingen
met spreiden in de uitkeringsfase bij een solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire
premieregeling.
De regering wijst erop dat het hierboven genoemde besluit van 5 juli 2024 ziet op
het verduidelijken van het amendement van Palland, omdat deze zonder kaders onvoldoende
duidelijkheid geeft over de voorwaarden waaraan een uitkeringsfase met gelijke aanpassingen
met spreiden moet voldoen in de uitvoering van een solidaire premieregeling.
Het zogenoemde geheugenloos spreiden is en blijft zowel in de solidaire premieregeling
als in de flexibele premieregeling niet mogelijk, onder andere omdat financiële schokken
in maximaal 10 jaar in de uitkeringen moeten zijn verwerkt. Met de huidige wet- en
regelgeving kunnen in de flexibele premieregeling financiële schokken collectief worden
gespreid in een van de individuele opbouwfase gescheiden uitkeringsfase via de zogenoemde
dakpansgewijze methode. In de praktijk is reeds gebleken dat deze methode uitvoerbaar
is. Bovendien past de zogenoemde dakpansgewijze methode goed bij het meer individuele
karakter van de flexibele premieregeling. De regering zal daarom geen beleid vormen
waarmee geheugenloos spreiden in de flexibele premieregeling mogelijk wordt.
Collectieve afspraken waardoor gepensioneerden in FPR kunnen kiezen tussen vaste/variabele
uitkering
Door Achmea is verzocht om pensioenfondsen de ruimte te geven om -ter uitvoering van
het eenmalige shoprecht bij invaren- bij de eenmalige overgang naar het nieuwe stelsel
afspraken te maken met een voorkeurspartij over een collectieve waardeoverdracht van
(een groep van) gepensioneerden.
Dit verzoek wordt niet overgenomen. Allereerst dient opgemerkt te worden dat het eenmalige
shoprecht bij invaren geldt voor deelnemers aan de flexibele premieregeling.
Het pensioenfonds dat een flexibele premieregeling aanbiedt, besluit of zowel een
vaste als variabele uitkering wordt aangeboden of slechts één van de twee uitkeringsvormen.
Hierbij weegt een fonds ook af in hoeverre het aanbieden van één uitkeringsvorm evenwichtig
is. Als sociale partners er bijvoorbeeld voor kiezen dat de variabele uitkering de
standaard wordt en het pensioenfonds zowel een vaste als variabele uitkering aanbiedt,
dan varen gepensioneerden in principe in naar de variabele uitkering, maar kunnen
zij bij hetzelfde pensioenfonds binnen een jaar ook kiezen voor een vaste uitkering.
Uitsluitend als het pensioenfonds niet beide opties (de variabele uitkering en de
vaste uitkering) aanbiedt, krijgt de deelnemer het recht het eenmalig shoprecht in
te zetten om een uitkering bij een verzekeraar aan te kopen. De norm keuzebegeleiding
is hierbij ook van toepassing.
De keuze die geboden wordt binnen de flexibele premieregeling is een individuele keuze.
Zodoende kan er niet door iemand anders besloten worden welke uitkeringsvorm de gepensioneerde
moet kiezen als deze gebruikmaakt van het shoprecht. Het pensioenfonds kan, in het
kader van de keuze tussen een vaste en variabele uitkering, dus niet besluiten dat
een collectief gezamenlijk overgaat naar een verzekeraar. Als een pensioenfonds enkel
een van de twee uitkeringsvormen aanbiedt kunnen zij deelnemers, of in dit geval gepensioneerden,
wel wijzen op mogelijke handelingsopties. Als de gepensioneerde bijvoorbeeld een uitvoerder
van een vaste uitkering op het oog heeft, kan het pensioenfonds, na machtiging door
de gepensioneerde, vervolgens behulpzaam zijn met het verstrekken van gegevens aan
de door de gepensioneerde geselecteerde uitvoerder zodat berekeningen kunnen worden
gemaakt.
Het huidige wettelijke kader biedt aldus voldoende mogelijkheden om ervoor te zorgen
dat deelnemers een weloverwogen keuze kunnen maken voor een vaste of variabele uitkeringsvorm.
Maximale daling van de uitkering afhankelijk maken van de beleggingsmix van de individuele
deelnemer
Achmea pleit ervoor de maximale vaste daling afhankelijk te maken van de beleggingsmix
van een individuele deelnemer in plaats van de parameter van verwacht rendement van
aandelen van de Commissieparameters. De regering gaat hier niet in mee omdat het maximum
van de vaste daling uniform moet zijn voor alle deelnemers. Het gebruik van de parameter
voor verwacht rendement op aandelen van Commissie Parameters en de risicovrije rente
op pensioendatum zijn beiden objectief te observeren en van tevoren vastgelegd.
Delen van biometrische resultaten
De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Media PNO en de Pensioenfederatie verzoeken
om het fonds te laten bepalen in welke balanspost de biometrische risico’s worden
verwerkt. Momenteel worden de verschillende biometrische risico’s in verschillende
begrotingsposten verwerkt. Dit voorkomt dat verschillende biometrische risico’s op
een hoop worden gegooid en er herverdeling plaatsvindt tussen deze verschillende biometrische
risico’s. Kortom, vanuit het oogpunt van transparantie is ervoor gekozen de verschillende
biometrische risico’s in verschillende posten te verwerken.
Vrijwillige voortzetters en compensatie
Uit reactie op de internetconsultatie blijkt dat het onduidelijk is of de gewezen
werknemer die ervoor heeft gekozen om de pensioenregeling vrijwillig voort te zetten
op grond van artikel 54 Pensioenwet recht heeft op compensatie. De Pensioenwet schrijft
voor dat compensatie kan worden verstrekt aan deelnemers, maar verplicht dit niet.
Vrijwillige voortzetters zijn op grond van de Pensioenwet deelnemers. Voor werknemers
zijn specifieke voorwaarden voorgeschreven in artikel 150f, indien er een compensatieregeling
overeengekomen is. Met dit wetsvoorstel wordt in de Pensioenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling verduidelijkt dat indien vrijwillige voortzetters zijn opgenomen
in de compensatieregeling, de specifieke voorwaarden die zijn voorgeschreven voor
werknemers op grond van artikel 150f, ook van toepassing zijn op vrijwillige voortzetters.
Dit betekent niet dat indien er een compensatieregeling overeengekomen is, deze voorwaarden
automatisch gelden voor vrijwillige voortzetters. Vrijwillige voortzetters dienen
op grond van de compensatieregeling recht te hebben op compensatie. Bij de bepaling
of de compensatieregeling wel of niet geldt voor vrijwillige voortzetters, dient de
evenwichtigheid centraal te staan.
Vrijwillige voortzetting van de regeling aansluitend of direct aansluitend op einde
deelneming
De Pensioenfederatie geeft daarnaast in reactie op de internetconsultatie aan dat
het niet meer logisch lijkt om te eisen dat vrijwillige voortzetting met terugwerkende
kracht begint vanaf einde deelneming (artikel 54, vijfde lid, van de Pw of artikel 65,
vijfde lid van de Wvb). De regering kan zich vinden in deze redenering, en heeft in
overleg met het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst een
oplossing gevonden via een verduidelijking van de wet met een Vraag & Antwoord van
het CAP. Hierbij wordt opgemerkt dat hier dus ruimte is voor pensioenfondsen om zelf
te bepalen of vrijwillige voortzetting geldt vanaf einde diensttijd of vanaf het moment
van de aanvraag. Dit moet worden opgenomen in het reglement van het pensioenfonds.
4.2 Uitkomsten toezicht- en uitvoeringstoetsen
Uitkomsten toetsing wetsvoorstel door De Nederlandsche Bank (DNB)
Op 2 december 2024 heeft DNB over dit wetsvoorstel een toezichttoets uitgebracht.
Uit deze toets volgde een technische aanpassing op het overgangsrecht van premievrije
voortzetting bij arbeidsongeschiktheid bij een gesloten pensioenfonds. Hierdoor heeft
het invaren van eventuele overige aanspraken geen invloed op het al dan niet toepassen
van het overgangsrecht. Deze wijziging (van artikel 220h, eerste lid, onderdeel d,
Pensioenwet en artikel 214f, eerste lid, onderdeel d, Wet verplichte beroepspensioenregeling)
is doorgevoerd in het wetsvoorstel.
Uitkomsten toetsing wetsvoorstel door Autoriteit Financiële Markten (AFM)
De AFM heeft op 16 december 2024 een toezichttoets uitgebracht over dit wetsvoorstel.
De AFM heeft aangegeven haar toezicht te kunnen uitvoeren en heeft daarbij geen aanvullende
opmerkingen.
Uitkomsten uitvoeringstoets wetsvoorstel door de Belastingdienst
De Belastingdienst heeft in haar uitvoeringstoets dit wetsvoorstel beoordeeld als
uitvoerbaar.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikelen I en II (wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling
(Wvb))
Artikel I, onderdeel A, en artikel II, onderdeel A (artikel 1 Pensioenwet en 1 Wvb)
In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1 Wvb wordt een aantal aanpassingen voorgesteld.
Gedetacheerde werknemer
De definitie van gedetacheerde werknemer wordt aangepast omdat nog verwezen werd naar
een oude verordening. De verordening (EEG) nr. 1408/71 is vervallen per 1 mei 2010; de correcte verordening is verordening nr. 883/2004.
Onder de voorloper, verordening 1408/71, was de maximumperiode van detachering twaalf
maanden (artikel 14), waarbij de periode met een periode van twaalf maanden kon worden
verlengd in geval van onvoorziene omstandigheden. Onder artikel 12, eerste lid, Verordening
(EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels is de
maximumperiode van detachering 24 maanden. Verlenging van de detacheringsperiode is
niet mogelijk. Verder volgt uit artikel 12, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004
betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels dat de gedetacheerde werknemer
onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van waaruit de werknemer wordt
gedetacheerd. De definitie van gedetacheerde werknemer is hierop aangescherpt.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de bepalingen over gedetacheerde werknemers
in de Pensioenwet op grond van het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale
zekerheid bij de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het Verenigd
Koninkrijk ook gelden voor werknemers uit het VK en voor werknemers die naar het VK
gedetacheerd worden, zolang aan de voorwaarden uit dit protocol wordt voldaan.
Partner
In de definitie van partner wordt een van de uitzonderingen op de partner in de zin
van de pensioenovereenkomst aangepast. Meerderjarig voormalig pleegkind wordt vervangen door meerderjarig pleegkind, om te voorkomen dat een meerderjarig
pleegkind zowel als kind als partner van de deelnemer kan kwalificeren. Op grond van
de nieuwe definitie van kind in artikel 1 van de Pensioenwet en de Wvb in combinatie
met het nieuwe artikel 2b, tweede lid, onderdeel b, Pensioenwet en de Wvb, kan een
meerderjarig pleegkind immers ook als kind kwalificeren.
Ook zijn niet alleen een bloedverwant in de eerste graad en een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn uitgezonderd
van het zijn van partner, maar ook een aanverwant in de eerste graad en een aanverwant in de tweede graad in de rechte lijn. Het is immers niet de bedoeling dat bijvoorbeeld
een schoonzoon of schoondochter van de deelnemer, die bij de deelnemer inwoont, als
partner wordt gezien. Een schoonzoon of schoondochter is echter geen bloedverwant,
maar slechts een aanverwant. Een aanverwant wordt met deze wijziging daarom ook als
een van de uitzonderingen op het partnerbegrip genoemd. Zie voor een verdere toelichting
ook paragraaf 2.6.2. van het algemeen deel van de toelichting.
Kind
In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
(Wvb) wordt een definitie van «kind» ingevoegd. Daarmee wordt het begrip «kind» geüniformeerd
en is op het niveau van de wet geregeld wie er als kind geldt in de zin van de Pensioenwet
en de Wvb. Het zijn van kind is een voorwaarde voor het ontvangen van wezenpensioen
op grond van de Pensioenwet of Wvb. Hiervoor moet sprake zijn van een kind van een
deelnemer of gewezen deelnemer aan een (beroeps)pensioenregeling. In artikel 1 van
de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wvb is aangegeven dat onder een kind
zowel een eigen kind als een stiefkind of pleegkind wordt verstaan. De precieze voorwaarden
waaronder iemand als stiefkind of pleegkind wordt gezien, zijn uitgewerkt in het nieuwe
artikel 2b (Pensioenwet en Wvb). Door deze voorwaarden niet in artikel 1 (Pensioenwet
en Wvb) zelf op te nemen, blijft dit artikel goed leesbaar. Wanneer een kind als eigen
kind van de (gewezen) deelnemer wordt gezien, is wel direct in artikel 1 opgenomen,
omdat deze definitie vrij beknopt is. Hieronder wordt de definitie van eigen kind
nader toegelicht. In de artikelsgewijze toelichting bij het nieuwe artikel 2b, worden
de definities van stiefkind en pleegkind verder toegelicht.
Begripsbepaling eigen kind
Er zijn verschillende manieren waarop iemand als kind kan worden gezien. De eerste
manier is die waarbij sprake is van een kind van een moeder of vader als bedoeld in
artikel 198 respectievelijk 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Wanneer
een dergelijke ouder overlijdt en (gewezen) deelnemer was in de zin van de Pensioenwet
of Wvb, heeft het kind in principe recht op wezenpensioen.
Onder deze definitie vallen ook geadopteerde kinderen, erkende kinderen en kinderen
bij wie het ouderschap van de (gewezen) deelnemer gerechtelijk is vastgesteld (zie
artikel 198, eerste lid, onderdelen c, d en e en artikel 199, onderdelen c, d en e,
van Boek 1 van het BW).
De partner van de ouder uit wie het kind is geboren, wordt ook als ouder gezien, als
sprake is van een geregistreerd partnerschap of huwelijk tussen beiden (zie artikel 198,
eerste lid, onderdeel b en artikel 199, onderdeel a, van Boek 1 van het BW). Als de
(gewezen) deelnemer die geregistreerd partner of huwelijkspartner is van degene uit
wie het kind wordt geboren, overlijdt binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind
(artikel 199, onderdeel b, van Boek 1 van het BW) of na de kunstmatige donorbevruchting
en voor de geboorte van het kind (artikel 198, eerste lid, onderdeel b, van Boek 1
van het BW), geldt deze als ouder van het kind. Hierop geldt in sommige gevallen een
uitzondering, wanneer er in feite sprake was van gescheiden leven (zie artikel 198,
tweede lid en artikel 199, onderdeel b, tweede en derde zin, van Boek 1 van het BW).
Als er sprake is van een ouder als hierboven omschreven, geldt het kind van deze ouder
als kind in de zin van de Pensioenwet en de Wvb.
Een kind als hierboven omschreven wordt aangeduid als eigen kind, om het verschil
met pleegkinderen en stiefkinderen te verduidelijken.
Wezenpensioen
In de begripsbepalingen van wezenpensioen in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1,
eerste lid, van de Wvb wordt enkel nog verwezen naar een kind, omdat een kind met
deze wijziging van beide wetten is gedefinieerd in de artikelen 1 en 2b. In de begripsbepaling
van wezenpensioen hoeft daarom niet meer uitgelegd te worden om wat voor soort kind
het precies gaat.
Artikelen I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel B (artikel 2b van de Pensioenwet
en artikel 2b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling)
Begripsbepaling stiefkind
Op grond van de begripsbepaling van kind in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1,
eerste lid, van de Wvb, vallen zowel eigen kinderen als stief- en pleegkinderen onder
de definitie van kind. In het nieuwe artikel 2b (van de Pensioenwet en de Wvb), worden
de voorwaarden gesteld waaronder een kind als stief- of pleegkind wordt gezien. In
het eerste lid is bepaald wanneer een kind als stiefkind wordt gezien. Er kan daarbij
sprake zijn van vier verschillende situaties.
Een kind wordt als stiefkind van een (gewezen) werknemer gezien als het gaat om het
eigen kind van diens partner zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet. Aanvullend
moet op dat kind één van de situaties van toepassing zijn die zijn beschreven in de
onderdelen a tot en met d.
De eis uit onderdeel a houdt in dat het kind staat ingeschreven op hetzelfde adres
als de (gewezen) werknemer.
Onderdeel b. Wanneer een kind eerder wel ingeschreven stond op hetzelfde adres als
de (gewezen) werknemer, maar nu niet meer, kan het kind nog steeds als stiefkind kwalificeren.
Dat is het geval wanneer het kind tijdelijk gedurende maximaal zes maanden ergens
anders verblijft. Het gaat daarbij enkel om de zes maanden direct aansluitend aan
de uitschrijving. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld een verblijf in een zorginstelling
of verblijf in het buitenland in verband met een uitwisselingsprogramma. Vereist is
dat het gaat om een tijdelijk verblijf. Wanneer een kind bijvoorbeeld uit huis is gegaan in verband met studie,
en in een studentenkamer verblijft, is er geen sprake van een tijdelijk verblijf elders.
Wanneer een kind niet op hetzelfde adres staat ingeschreven, omdat het kind in de
praktijk bij beide gescheiden ouders verblijft, kan onderdeel c mogelijk van toepassing
zijn. Dat onderdeel geeft aan dat iemand ook als stiefkind van een (gewezen) werknemer
wordt gezien wanneer er een ouderschapsplan, overeenkomst of rechterlijke beschikking
is, waarin is opgenomen dat het kind gedurende ten minste 156 dagen per kalenderjaar
in het huishouden verblijft van de (gewezen) werknemer. Zie voor een verdere toelichting
op dit onderdeel de algemene toelichting.
In alle bovenstaande situaties wordt ervan uitgegaan dat de (gewezen) deelnemer financiële
zorg levert aan het kind.
Dergelijke financiële zorg kan echter ook meer expliciet worden aangetoond. Onderdeel
d noemt namelijk de laatste voorwaarde op grond waarvan een kind als stiefkind van
een (gewezen) werknemer kan kwalificeren. De (gewezen) werknemer of diens partner
moet in dat geval aantoonbaar bijdragen in het levensonderhoud van het kind in kwestie.
Daarvan is sprake als er wordt bijgedragen voor een bedrag van minimaal € 522,00 per
kalenderkwartaal (norm 2025). Dit bedrag wordt genoemd in artikel 5, eerste lid, van
het Besluit uitvoering Kinderbijslag (dat zijn grondslag vindt in artikel 7, achtste
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet) en wordt wanneer nodig geïndexeerd. Dit bedrag
kan bijvoorbeeld zijn bedoeld voor zorgkosten, huurkosten, of kosten voor de boodschappen,
maar ook als een bedrag wordt verstrekt dat is bedoeld voor andersoortige kosten,
kan sprake zijn van aantoonbaar bijdragen in het levensonderhoud. In een dergelijk
geval wordt ervanuit gegaan dat de (gewezen) deelnemer financiële zorg levert aan
het kind en wordt het kind dus gezien als stiefkind van de (gewezen) werknemer, ook
als niet aan één van de andere vereisten uit artikel 2b, eerste lid, wordt voldaan.
Begripsbepaling pleegkind
Ook pleegkinderen kunnen onder bepaalde voorwaarden worden gezien als kind in de zin
van artikel 1 van de Pensioenwet of de Wvb. Deze voorwaarden zijn genoemd in het tweede
lid van het nieuwe artikel 2b (van de Pensioenwet en de Wvb). Ook daarbij wordt er
weer uitgegaan van de financiële zorg die bij leven door de (gewezen) werknemer aan
het kind werd verleend. Er wordt van uitgegaan dat deze financiële zorg wordt gegeven,
als de (gewezen) werknemer of diens partner pleegouder is en kinderbijslag voor het
pleegkind ontvangt of, in het geval van een pleegkind van 18 jaar en ouder voor wie de (gewezen) werknemer
of partner pleegouder is of was en kinderbijslag ontving, als de (gewezen) werknemer of partner aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud
voor een bedrag van minimaal € 522,00 per kalenderkwartaal (norm 2025). Het maakt
daarbij niet uit of het pleegkind nog thuis woont of niet.
Artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel C (artikelen 10b Pensioenwet en 28b
Wvb)
Aan het zevende lid van artikel 10b van de Pensioenwet en artikel 28b van de Wvb is
een deel toegevoegd, zodat eenmalig kan worden afgeweken van de tijdsevenredige toetreding
tot het collectief toedelingsmechanisme, die in het zevende lid van de betreffende
artikelen is voorgeschreven. Hierdoor kan bij de flexibele premieovereenkomst/premieregeling
in het laatste jaar voorafgaand aan de pensioendatum een niet-tijdsevenredige inbreng
in het collectief worden gedaan, en kan met het resterende deel de risicodelingsreserve
worden gevuld. Het vullen van de risicodelingsreserve kan nog plaatsvinden nadat een
deelnemer er al dan niet voor heeft gekozen gebruik te maken van het shoprecht.
Artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel D (artikelen 11 Pensioenwet en 29
Wvb)
Artikel 11 van de Pensioenwet en artikel 29 van de Wvb worden redactioneel verbeterd.
Artikel I, onderdeel E, en artikel II, onderdeel E (artikelen 55 Pensioenwet en 66
Wvb)
Artikel 55, vierde lid, van de Pensioenwet (en artikel 66, vierde lid, Wvb) is redactioneel
aangepast, zodat niet alle mogelijke situaties waarin uitkeringen elkaar op kunnen
volgen apart hoeven te worden beschreven. In het vierde lid, onderdeel a, aanhef en
subonderdeel 6°, wordt simpelweg aangegeven dat direct na beëindiging van de deelneming
de voortzetting duurt zolang verschillende van de genoemde uitkeringen elkaar zonder
onderbreking opvolgen. De volgorde van de uitkeringen is daarbij niet van belang.
Inhoudelijk is enkel een extra situatie toegevoegd, waarin de dekking voor het nabestaandenpensioen
op risicobasis ook wordt voortgezet. Dit is verwerkt in de subonderdelen 4° en 5°.
Er wordt daarbij aangesloten bij de situatie zoals deze gold voor inwerkingtreding
van de Wet toekomst pensioenen. Het gaat om de situatie waarin een gewezen deelnemer
op grond van een CAO of op grond van een regeling van de voormalig werkgever na de
beëindiging van de voortzetting op grond van de WW of op grond van een werkloosheidsuitkering
van het woonland van de gewezen deelnemer een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering
krijgt, een zogenoemde privaat gefinancierde aanvullende uitkering. In beide gevallen
moet in de pensioenovereenkomst zijn vastgelegd dat hiervan sprake is. Zie voor een
verdere toelichting paragraaf 2.4 van het algemeen deel van de toelichting.
De voortzetting duurt dus zolang de verschillende uitkeringen elkaar opvolgen, zolang
de eerste uitkering direct aansluit op de beëindiging van de deelneming en de verschillende
uitkeringen vervolgens op elkaar aansluiten. Dit ongeacht de precieze volgorde van
de uitkeringen. De situatie kan zich echter niet voordoen dat iemand op grond van
een CAO of op grond van een regeling van de voormalig werkgever eerst een bovenwettelijke
werkloosheidsuitkering krijgt (subonderdelen 4° en 5°) en daarna weer een uitkering
krijgt op grond van de Werkloosheidswet of op grond van een werkloosheidsuitkering
van diens woonland (subonderdelen 1° en 2°). Een dergelijke bovenwettelijke werkloosheidsuitkering,
volgt immers altijd juist ná definitieve beëindiging van de WW-uitkering.
Op grond van onderdeel d wordt voor de hoogte van de dekking rekening gehouden met
de omvang van de werkloosheid, wanneer het gaat om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
(subonderdeel 1°), een uitkering op grond van een werkloosheidsuitkering van het woonland
van de gewezen deelnemer (subonderdeel 2°), een loongerelateerde werkloosheidsuitkering
(subonderdeel 4°), een periodieke werkloosheidsuitkering ter vervanging van gederfd
loon of te derven loon (subonderdeel 5°), of een combinatie van deze uitkeringen (subonderdeel
6°). Dat geldt dus niet voor de uitkering op grond van de Ziektewet, ook niet als
deze onderdeel is van de reeks uitkeringen, bedoeld in subonderdeel 6°.
Artikel I, onderdeel F, en artikel II, onderdeel F (artikelen 61a Pensioenwet en 73a
Wvb)
In artikel 61a van de Pensioenwet en artikel 73a Wvb is het keuzerecht voor uitruil
van ouderdomspensioen voor de vrijwillige voortzetting van partnerpensioen op risicobasis
geregeld. Het eerste lid is ten behoeve van de leesbaarheid opgesplitst in drie leden.
In het nieuwe tweede lid wordt geregeld dat de gewezen deelnemer niet alleen kan kiezen
voor voortzetting van het partnerpensioen, maar ook voor voortzetting van (alleen)
het wezenpensioen of voor voortzetting van beiden (dus het hele nabestaandenpensioen).
Daarnaast wordt de uitruil waarmee het vrijwillig voortzetten van het partnerpensioen
en/of het wezenpensioen gefinancierd wordt gewijzigd. De uitruil zag uitsluitend op
het opgebouwde ouderdomspensioen; de uitruil wordt in het nieuwe derde lid aangepast
zodat de uitruil ook ziet op het opgebouwde ouderdomspensioen én partnerpensioen vanaf
pensioendatum, voor zover de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen
op of na pensioendatum. Het partnerpensioen vanaf pensioendatum wordt enkel in de
uitruil betrokken, indien dit is vastgelegd in de pensioenovereenkomst. Verder volgt
in het nieuwe derde lid dat de uitruil niet van invloed mag zijn op de verhouding
tussen het deel van het partnerpensioen op of na pensioendatum dat bij de uitruil
betrokken wordt en het ouderdomspensioen. Als de verhouding voor de uitruil 100:70
is, dan is deze verhouding dus na de uitruil nog steeds 100:70. Hierbij wordt benadrukt
dat het gaat om het deel dat bij de uitruil betrokken wordt. Op grond van het nieuwe artikel 220ga van de Pensioenwet en het nieuwe artikel 214ea
Wvb kan er, indien de pensioenovereenkomst hierin voorziet, voor gekozen worden (een
deel van) het opgebouwde en na invaren behouden partnerpensioen vanaf pensioendatum
niet bij de uitruil te betrekken. Voor het deel dat wel betrokken wordt bij de uitruil,
geldt dat de verhouding met het ouderdomspensioen gelijk blijft.
Verder wordt in het nieuwe vierde lid een onderdeel d toegevoegd. Op grond van dit
onderdeel moet de partner, die begunstigde is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum,
toestemming verlenen voor de uitruil. De toestemming is vereist omdat het partnerpensioen
op of na pensioendatum door de uitruil lager wordt. Ten overvloede wordt opgemerkt
dat wanneer niet (langer) aan onderdeel d wordt voldaan, en de partner dus geen toestemming
voor de uitruil (meer) geeft, de uitruil op grond van het nieuwe vijfde lid moet worden
stopgezet. In het nieuwe vijfde lid, waarin een aantal verwijzingen wordt aangepast
maar dat verder niet inhoudelijk wordt gewijzigd, wordt immers bepaald dat de uitruil
wordt stopgezet indien er niet langer recht op uitruil op grond van het (nieuwe) vierde
lid is. Wanneer de partner geen toestemming (meer) geeft, is er op grond van het (nieuwe)
vierde lid geen recht op uitruil meer.
Ten slotte is een nieuw zevende lid ingevoegd. Op grond van het zevende lid (nieuw)
is uitruil op grond van dit artikel niet mogelijk voor de aanspraak op bijzonder partnerpensioen
van de gewezen partner.
Zie voor een verdere toelichting op het vrijwillig voortzetten van het nabestaandenpensioen
ook paragraaf 2.1 van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel I, onderdeel G, en artikel II, onderdeel G (artikelen 63 Pensioenwet en 75
Wvb)
In artikel 63 van de Pensioenwet en artikel 75 Wvb is in het tweede lid een foutieve
verwijzing gecorrigeerd. In het vierde lid wordt de huidige tekst omgezet in een geletterde
opsomming en wordt voor de duidelijkheid telkens een verwijzing toegevoegd naar artikelen
waarin dat onderwerp is geregeld. Verder wordt aan het vierde lid toegevoegd, in onderdeel
c, dat de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren eveneens niet wordt meegenomen
bij de maximale variatie zoals bepaald in het eerste lid. Het gaat hierbij om gelijke
aanpassingen vanaf pensioneren bij zowel de solidaire premieovereenkomst als de flexibele
premieovereenkomst.
Artikel I, onderdeel H, en artikel II, onderdeel H (artikelen 63a Pensioenwet en 75a
Wvb)
Aan artikel 63a, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 75a, tweede lid, van de
Wvb wordt toegevoegd dat een pensioenuitkering na ingang kan variëren indien deze
variatie bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme vaststaat. Hierdoor
wordt het ook bij de flexibele premieregeling mogelijk dat in de eerste jaren na toetreding
tot het collectief toedelingsmechanisme de pensioenuitkeringen en -aanspraken op nabestaandenpensioen
gelijk kunnen worden aangepast met de uitkeringen van al langer gepensioneerden. Voorwaarde
is dat bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme de toekomstige aanpassingen
reeds vaststaan, zodat een deel van het kapitaal hiervoor gealloceerd kan worden,
zodat bij deze toetreding geen ex-ante herverdeling plaatsvindt. In het vierde lid
wordt verduidelijkt dat de uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde
variatie om gelijke aanpassingen te realiseren niet mag leiden tot ex-ante herverdeling.
Artikel I, onderdeel I, en artikel II, onderdeel I (artikelen 150e Pensioenwet en
145d Wvb)
Artikel 150e, derde lid, onderdeel c, van de Pensioenwet (respectievelijk artikel 145d,
derde lid, onderdeel c, Wvb) wordt geschrapt wegens overbodigheid. Dit artikel noemt
als voorwaarde dat geen gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht bedoeld in artikel 220e
van de Pensioenwet (respectievelijk artikel 214d Wvb). Art. 150e van de Pensioenwet
staat in hoofdstuk 6b van de Pensioenwet. Volgens art. 150b, eerste lid, aanhef en
onder c is hoofdstuk 6b alleen van toepassing als geen gebruik wordt gemaakt van het
overgangsrecht bedoeld in art. 220e van de Pensioenwet. Dit is een puur technische
wijziging, zonder inhoudelijke gevolgen.
Artikel I, onderdeel J, en artikel II, onderdeel J (artikelen 150f Pensioenwet en
145e Wvb)
In artikel 150f van de PW en artikel 145e van de Wvb is opgenomen dat de afspraken
in een pensioenovereenkomst over compensatie aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen.
Abusievelijk was onduidelijk of artikel 150f van de Pensioenwet (en 145e van de Wvb)
ook ziet op de gewezen werknemer/gewezen beroepsgenoot die op grond van vrijwillige
voortzetting deelneemt aan de pensioenregeling/beroepspensioenregeling. Artikel 150f, eerste lid, onderdelen b en c, van de Pensioenwet zijn wel
van toepassing op de gewezen werknemer/ gewezen beroepsgenoot die vrijwillig voortzet.
Dit is naar aanleiding van een reactie op de internetconsultatie verduidelijkt. Voor
de voorwaarde genoemd in artikel 150f, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet
geldt dat aangesloten wordt bij de voorwaarden voor compensatie voor vrijwillige voortzetters
zoals opgenomen in de pensioenovereenkomst. In de praktijk betekent dit dus dat voor
een vrijwillige voortzetter afwijkende afspraken kunnen gelden met betrekking tot
compensatie. Zie voor een verdere toelichting het algemeen deel van de toelichting.
Artikel I, onderdeel K, en artikel II, onderdeel K (artikel 150p Pensioenwet en 145o
Wet verplichte beroepspensioenregeling)
In de artikelen 150p Pw en artikel 145o Wvb wordt een technische wijziging doorgevoerd.
Het tweede lid wordt zodanig gewijzigd, dat niet meer naar 1 juli wordt verwezen.
Door het dynamiseren van de uiterste inleverdatum van het implementatieplan kan een
implementatieplan immers ook op een ander uiterst moment worden ingeleverd dan 1 juli
2025, zolang dat uiterlijk 12 maanden voor invaren gebeurt. Dit wordt geregeld in
de algemene maatregel van bestuur waarnaar verwezen wordt in artikel 150p, tweede
lid, Pw en artikel 145o, tweede lid, Wvb.
Verder is een redactionele fout hersteld in artikel 145o Wvb. Het tiende lid wordt
vernummerd tot het negende lid, aangezien voor dat lid abusievelijk het cijfer 10
stond.
Artikel I, onderdeel L, en artikel II, onderdeel M (artikelen 220g Pensioenwet en
artikel 214e Wvb)
Dit artikel regelt het overgangsrecht rondom het nabestaandenpensioen en wordt aangepast
in verband met de geüniformeerde definitie van een kind in de zin van de Pensioenwet
en de Wvb. Het nieuwe zesde lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe
zesde lid van artikel 214e, van de Wvb, regelen dat deze nieuwe begripsbepaling niet
van toepassing is op een wezenpensioen dat al is ingegaan voor het overgangstijdstip,
bedoeld in artikel 220g, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 214e, eerste lid,
van de Wvb. Dat betekent dat voor deze wezenpensioenen nog wordt uitgegaan van de
definitie van kind zoals deze per (beroeps)pensioenregeling is bepaald.
Naar huidig recht bepalen de partijen die de pensioenovereenkomst overeenkomen in
welke gevallen iemand als kind wordt aangemerkt en derhalve in aanmerking komt voor
wezenpensioen. Met dit wetsvoorstel wordt de definitie van het «kind» geüniformeerd
en wordt wettelijk vastgelegd wanneer iemand als kind in de zin van de Pensioenwet
wordt aangemerkt. Hoewel met dit wetsvoorstel een ruime kinddefinitie wordt geïntroduceerd,
is het mogelijk dat door de uniformering van de kinddefinitie en de daaruit voortvloeiende
wijzigingen van de pensioenovereenkomsten bepaalde personen niet langer als kind in
de zin van de Pensioenwet worden aangemerkt. Het wordt onwenselijk geacht dat deze
personen bij overlijden van de (gewezen) deelnemer enkel als gevolg van deze wetswijziging
en de daaruit voortvloeiende wijziging van de pensioenovereenkomst niet langer aanspraak
kunnen maken op wezenpensioen. Met het oog op het voorgaande wordt voorgesteld met
het nieuwe zevende lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe zevende lid
van artikel 214e van de Wvb voor te schrijven dat een persoon die vóór het overgangstijdstip
kwalificeerde als kind zoals gedefinieerd in de pensioenregeling, als kind in de zin
van de Pensioenwet blijft aangemerkt zo lang de betreffende relatie tussen het kind
en de (gewezen) werknemer wordt voortgezet. Dit zal in de pensioenovereenkomst vastgelegd
en geborgd moeten worden.
Het nieuwe achtste lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe achtste lid
van artikel 214e van de Wvb regelen dat een kind dat voor het overgangstijdstip recht
had op een opgebouwd wezenpensioen, na introductie van deze nieuwe kinddefinitie nog
steeds recht heeft op dat opgebouwde wezenpensioen, voor zover dat is opgebouwd voor
het overgangstijdstip.
Het nieuwe negende lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe negende lid
van artikel 214e van de Wvb regelen dat een kind dat niet onder de definitie van kind
viel onder de (beroeps)pensioenregeling, niet alsnog als kind wordt gezien met een
recht op wezenpensioen voor de periode vóór het overgangstijdstip, als dat kind wel
voldoet aan de nieuwe definitie van kind in de Pensioenwet en de Wvb. Een dergelijk
kind heeft dus pas recht op een wezenpensioen vanaf het overgangstijdstip, wanneer
de nieuwe definitie van toepassing is. Het kind voldoet immers aan de nieuwe definitie
van kind, maar voldeed niet aan de oude definitie.
Het nieuwe tiende lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe tiende lid
van artikel 214e van de Wvb zijn van belang voor fondsen die overgaan op uitvoering
van een gewijzigde pensioenovereenkomst vóórdat de nieuwe kinddefinitie wordt geïntroduceerd
met de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel. Voor hen geldt dat in het
nieuwe zesde tot en met negende lid «het moment van inwerkingtreding van artikel I
of II, onderdelen A en B, van de Toezeggingenwet» moet worden gelezen in plaats van «overgangstijdstip». Dit heeft tot gevolg dat
fondsen die voor inwerkingtreding van deze wet overgaan op uitvoering van een gewijzigde
pensioenovereenkomst, niet al vanaf dat moment de nieuwe kinddefinitie hoeven te hanteren,
inclusief het in dit artikel geregelde overgangsrecht. Zij hoeven dat pas te doen
vanaf het moment dat deze wet in werking treedt.
Zie voor een verdere toelichting over de nieuwe kinddefinitie ook paragraaf 2.2 van
het algemeen deel van de toelichting.
Artikel I, onderdeel M, en artikel II, onderdeel N (artikelen 220ga en 220gb Pensioenwet
en 214ea en 214eb Wvb)
De nieuwe artikelen 220ga en 220gb Pensioenwet (en 214ea en 214eb Wvb) regelen het
overgangsrecht rondom het in dit wetsvoorstel gewijzigde artikel 61a Pensioenwet (en
73a Wvb). In artikel 220ga wordt het overgangsrecht met betrekking tot de nieuwe financieringswijze
geregeld: de uitruil van het ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum.
In artikel 220ga, eerste lid wordt een mogelijkheid opgenomen om bij de uitruil van
artikel 61a (en 73a Wvb) de opgebouwde aanspraak op partnerpensioen bij overlijden
op of na pensioendatum die bij invaren behouden is gebleven buiten beschouwing te
laten. Volgens artikel 61a, derde lid (nieuw), wordt het partnerpensioen op opbouwbasis
bij overlijden op of na pensioendatum betrokken bij de uitruil. Dus ook het ingevaren
opgebouwde partnerpensioen.Op grond van het eerste lid van artikel 220ga hoeft de
aanspraak, die in artikel 220g, derde lid (214e, derde lid, Wvb) wordt genoemd, dus
niet te worden meegenomen in de uitruil van artikel 61a (73a Wvb). Voor de duidelijkheid
wordt opgemerkt dat het hier gaat om een mogelijkheid de aanspraak buiten beschouwing te laten, maar het is niet verplicht van deze mogelijkheid
gebruik te maken.
Voor fondsen die overgaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst vóórdat
het onderhavige wetsvoorstel in werking treedt geldt dat de opgebouwde aanspraak op
partnerpensioen op of na pensioendatum die bij invaren behouden is gebleven geheel
of gedeeltelijk buiten beschouwing kan worden gelaten vanaf de inwerkingtreding van
het onderhavige wetsvoorstel. Uiteraard moet deze mogelijkheid ook in dit geval wel
in de pensioenovereenkomst/beroepspensioenregeling zijn opgenomen.
Het tweede lid is (ook) van belang voor fondsen die overgaan op uitvoering van een
gewijzigde pensioenovereenkomst voordat het onderhavige wetsvoorstel in werking treedt.
In een dergelijk geval kan het partnerpensioen op opbouwbasis bij overlijden op of
na pensioendatum voor de gewezen deelnemer die voor inwerkingtreding van de Toezeggingenwet gewezen deelnemer is geworden bij de uitruil worden betrokken vanaf het moment dat
onderhavig wetsvoorstel in werking treedt. Uiteraard gelden ook in dat geval de voorwaarden
uit artikel 61a Pensioenwet, wat betekent dat deze mogelijkheid in de pensioenovereenkomst
moet zijn opgenomen en dat de partner hiermee in moet stemmen. Ook regels die op grond
van artikel 61a, nieuwe achtste lid, bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld
over de uitruil, zijn van toepassing.
In artikel 220gb is overgangsrecht opgenomen dat regelt dat de gewezen deelnemer,
die onder het nieuwe pensioenstelsel en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet gewezen deelnemer is geworden, op of na inwerkingtreding van de Toezeggingenwet niet (opnieuw) de keuze krijgt om het wezenpensioen voort te zetten.53 Voor deze gewezen deelnemers blijft dus de situatie gelden zoals deze gold voor invoering
van de Toezeggingenwet.
Zie voor een verdere toelichting met betrekking tot het overgangsrecht van de nieuwe
financieringswijze en het overgangsrecht met betrekking tot het wezenpensioen ook
paragraaf 2.1.8 van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel I, onderdeel N, en artikel II, onderdeel O (artikelen 220h Pensioenwet en
214f Wvb)
Artikel 220h, eerste lid, onderdeel a, (en artikel 214f, eerste lid, onderdeel a,
Wvb) wordt zodanig gewijzigd dat de voorwaarde dat de onderneming van de werkgever
heeft opgehouden te bestaan, wordt geschrapt. Hierdoor kunnen alle (beroeps)pensioenfondsen
die een beëindigde (beroeps)pensioenregeling uitvoeren, premievrij blijven voortzetten
op grond van de oude uitkeringsovereenkomst, ongeacht of de werkgever al dan niet
heeft opgehouden te bestaan. Voor een algemeen pensioenfonds wordt deze voorwaarde
toegepast per collectiviteitkring. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat onderdeel
a ook ziet op (beroeps)pensioenfondsen die zowel een beëindigde als een actieve (beroeps)pensioenregeling
uitvoeren. De gewijzigde voorwaarde is immers dat een fonds een beëindigde pensioenregeling
uitvoert, maar dat sluit niet uit dat een fonds óók nog een actieve pensioenregeling
uitvoert.
Overigens is in het aangepaste onderdeel a geen peildatum opgenomen voor het moment
waarop de pensioenregeling eindigt. Uit het nieuwe eerste lid, onderdeel c, volgt
immers al wanneer het recht op de premievrije voortzetting moet zijn ontstaan. Dat
in samenhang bezien is voldoende duidelijk dat het moment waarop de regeling eindigt
sowieso moet plaatsvinden vóór overgang naar het nieuwe stelsel.
In onderdeel b is verduidelijkt dat het moet gaan om pensioenaanspraken in de beëindigde pensioenregeling. Dit is verduidelijkt, omdat er door de wijziging van onderdeel a sprake kan zijn van
zowel een actieve als een beëindigde pensioenregeling bij een (beroeps)pensioenfonds.
Artikel 220h gaat specifiek over het premievrij voortzetten op grond van de oude uitkeringsovereenkomst
binnen de beëindigde pensioenregeling.
In onderdeel c is vastgelegd wanneer het recht op premievrije voortzetting moet zijn
ontstaan. Dit hoeft niet langer te zijn ontstaan voorafgaand aan 1 juli 2023 (het
tijdstip van inwerkingtreding van de Wtp), maar uiterlijk op een van de momenten die
in het nieuwe tweede en derde lid worden genoemd. Dit betekent dat het recht op premievrije
voortzetting moet zijn ontstaan voordat een (beroeps)pensioenfonds een beëindigde
pensioenregeling uitvoert en voor uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst
(tweede lid). Wanneer het (beroeps)pensioenfonds niet overgaat op uitvoering van een
gewijzigde pensioenovereenkomst, omdat het bijvoorbeeld enkel nog gesloten regelingen
uitvoert, moet de pensioenregeling uiterlijk zijn geëindigd voor het einde van de
transitieperiode.
Wanneer er sprake is van een werknemer die ziek is geworden onder het oude stelsel,
kan het recht op premievrije voortzetting ook zijn ingegaan na overgang op het nieuwe
stelsel, wanneer de wachttijd, bedoeld in artikel 220ha, tweede lid, onderdeel a,
is begonnen vóórdat het (beroeps)pensioenfonds een beëindigde pensioenregeling uitvoert (derde lid). Ook hierbij geldt
weer de voorwaarde dat de pensioenregeling moet zijn beëindigd voor uitvoering van
een gewijzigde pensioenovereenkomst, maar uiterlijk voor het einde van de transitieperiode.
Door de formulering van deze voorwaarde, valt hier zowel een werknemer onder die ziek
is geworden onder het oude stelsel en ook uit dienst is gegaan onder het oude stelsel,
als een werknemer die ziek is geworden onder het oude stelsel, maar pas arbeidsongeschikt
wordt onder het nieuwe stelsel, als een werknemer die ziek wordt onder het oude stelsel
en uit dienst gaat onder het nieuwe stelsel, nog voordat de wachttijd, bedoeld in
artikel 220ha, tweede lid, onderdeel a (214fa, tweede lid, onderdeel a, Wet verplichte
beroepspensioenregeling), is afgelopen.
In het nieuwe onderdeel d is de voorwaarde toegevoegd dat het (beroeps)pensioenfonds de beëindigde pensioenregeling niet mag invaren in het nieuwe stelsel.
Tot slot is er een nieuw vijfde lid ingevoegd, waarin wordt bepaald dat het mogelijk
is dat na de transitieperiode een collectieve waardeoverdracht plaatsvindt naar een
andere pensioenuitvoerder, waarbij opbouw van pensioenaanspraken als gevolg van premievrije
voortzetting en de regeling van het nabestaandenpensioen (eerste en vierde lid) kunnen
worden voortgezet bij de nieuwe pensioenuitvoerder. Het moet hierbij gaan om een collectieve
waardeoverdracht vanwege:
a. beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever (artikel 83, eerste lid,
onderdeel a, Pensioenwet/artikel 91, eerste lid, onderdeel a, Wvb);
b. overgang van onderneming (artikel 83, eerste lid, onderdeel b, Pensioenwet/bij een
beroepspensioenfonds is dit onderdeel niet aan de orde, daar is immers geen sprake
van een werkgever);
c. het onderbrengen van de waarde in een andere collectiviteitkring bij hetzelfde algemeen
pensioenfonds (artikel 83, eerste lid, onderdeel d, Pensioenwet/artikel 4a, vierde
lid, in samenhang met artikel 91 Wvb), maar enkel voor zover er geen sprake is van
waardeoverdracht naar een gewijzigde pensioenovereenkomst zoals bedoeld in artikel 83,
eerste lid, onderdeel c, Pensioenwet/91, eerste lid, onderdeel b, Wvb; of
d. de liquidatie van de pensioenuitvoerder (artikel 84 Pensioenwet/92 Wvb).
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit ook geldt voor werknemers die ziek zijn
geworden onder het oude stelsel, maar die pas arbeidsongeschikt worden verklaard onder
het nieuwe stelsel. Ook bij hen is er immers sprake van «opbouw van pensioenaanspraken
als gevolg van een premievrije voortzetting, bedoeld in het eerste lid». Hun situatie
wordt in het eerste lid immers ook genoemd.
Zie voor een verdere toelichting ook paragraaf 2.3.1 van het algemeen deel van de
toelichting.
Artikel I, onderdeel O, en artikel II, onderdeel P (artikelen 220ha Pensioenwet en
214fa Wvb)
In het opschrift van artikel 220ha van de Pensioenwet en artikel 214fa van de Wvb
is een redactionele wijziging doorgevoerd. Verder wordt het tweede lid, onderdeel
b, van deze artikelen aangepast.
In de aanhef van onderdeel b is gewijzigd dat het moet gaan om het moment waarop het
recht op premievrije voortzetting moet zijn ontstaan, in plaats van het moment waarop het is ingegaan. Hiermee wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.
In subonderdeel 1° is uitsluitend de wetstechnische verwijzing naar de datum van de
overstap naar het nieuwe stelsel aangepast.
Subonderdeel 2° is inhoudelijk nieuw en regelt dat ook deelnemers die ziek worden
vóórdat de verzekeraar is overgegaan naar het nieuwe stelsel, maar pas arbeidsongeschikt
worden verklaard nádat de verzekeraar is overgegaan, premievrij pensioenaanspraken
kunnen blijven verwerven onder het oude pensioenstelsel vanwege arbeidsongeschiktheid.
Hiermee wordt voorkomen dat dergelijke deelnemers tussen wal en schip vallen.
Het oude subonderdeel 2° is komen te vervallen. Mogelijke situaties die onder dit
subonderdeel vielen, vallen nu onder het nieuwe subonderdeel 2°. De voorwaarde dat
de premievrije voortzetting uiterlijk op een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen tijdstip moet zijn ontstaan, wordt niet meer expliciet genoemd. Met het besluit
van 4 december 2025, houdende de vaststelling van de transitietermijnen van de overgang
naar het nieuwe pensioenstelsel, is dit tijdstip vastgesteld op 31 december 2029.
Dit vanuit de gedachte dat verzekeraars uiterlijk 1 januari 2028 over moeten gaan
op het nieuwe stelsel.
De datum van 31 december 2029 zag op de situatie dat de eerste ziektedag, die het
begin van de wachttijd markeert, onder het oude stelsel plaatsvindt, en het einde
van de wachttijd van twee jaar daarmee uiterlijk op 31 december 2029. Dat is nu ook
voorgeschreven in het nieuwe subonderdeel 2°, waarin wordt aangegeven dat de wachttijd
moet zijn aangevangen onder het oude stelsel. Aangezien de wachttijd start met de
eerste ziektedag, moet die eerste ziektedag dus ook onder het oude stelsel vallen.
Inhoudelijk is hierin dus niets gewijzigd, het is enkel op een andere manier opgeschreven,
zonder koppeling aan een specifieke datum. De bepaling in het Besluit uitvoering Pensioenwet
en Wet verplichte beroepspensioenregeling waarin dit tijdstip is bepaald, zal worden
geschrapt en daarmee kan ook het vierde lid van artikel 220ha van de Pensioenwet en
artikel 214fa van de Wvb vervallen, aangezien dat de voorhang voorschrijft van het
besluit waarmee de desbetreffende datum zou worden bepaald.
Zie voor een uitgebreidere toelichting op de mogelijke verschillende situaties ook
paragraaf 2.3.2 van de algemene toelichting.
Artikel II, onderdeel L (artikel 171 Wvb)
De in artikel 171, eerste lid, van de Wvb genoemde artikelen stonden niet meer volledig
in de juiste volgorde. Met deze wijziging is de volgorde kloppend gemaakt. Ook is
artikel 73a van de Wvb toegevoegd aan de opsomming in dit artikellid. Dit artikel
was per abuis niet in artikel 171, eerste lid, van de Wvb opgenomen, maar het vergelijkbare
artikel uit de Pensioenwet (artikel 61a Pensioenwet) stond wel in artikel 176 van
de Pensioenwet (de evenknie van artikel 171 van de Wvb) genoemd.
Artikel III, onderdeel A (artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, Wet LB 1964 voorziet in een definitie
van het wezenpensioen. Voorgesteld wordt om deze definitie zodanig aan te passen dat
de fiscale regeling voor wezenpensioen ook voor stiefkinderen geldt. Dit voorstel
hangt dan ook samen met de in dit wetsvoorstel voorgestelde uniformering van de kinddefinitie
waarin ook expliciet stiefkinderen worden opgenomen. Daarnaast dient het ter codificering
van de bestaande praktijk waarin ook aan stiefkinderen een wezenpensioen wordt toegekend.
Artikel III, onderdeel B (artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964)
In artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 is met de Wet toekomst pensioenen per 1 juli
2023 opgenomen dat aanpassingen van de uitkeringen als gevolg van de in dat lid genoemde
omstandigheden voor de toepassing van artikel 18d, eerste lid, Wet LB 1964 buiten
aanmerking blijven. Voor de toepassing van artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 is
het niet nodig dat ook feitelijk voor een mate van variatie, als bedoeld in het eerste
lid van dat artikel wordt gekozen. Voor een partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum
en een wezenpensioen betekent dat, dat de in de artikelen 18b en 18c Wet LB 1964 opgenomen
maxima kunnen worden overschreden als gevolg van toepassing van artikel 18d, derde
lid, Wet LB 1964, ook wanneer niet gekozen is voor een mate van variatie als bedoeld
in het eerste lid van dat artikel. Voorgesteld wordt om aan artikel 18d, derde lid,
Wet LB 1964 nog een aantal situaties toe te voegen en dat lid in dat kader in verschillende
onderdelen te verdelen. Hiermee wordt aangesloten bij de opbouw van het met dit wetsvoorstel
voorgestelde artikel 63, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75, vierde lid,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. De in het voorgestelde artikel 18d,
derde lid, Wet LB 1964 opgenomen onderdelen a, b en d komen inhoudelijk overeen met
de huidige tekst van artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964. De in het voorgestelde onderdeel
c genoemde situatie is nieuw. Daarin wordt verwezen naar de in de artikelen 10a, vijfde
en zevende lid, 10b, vierde en negende lid, en 63a, van de Pensioenwet en de artikelen
28a, vijfde en zevende lid, 28b, vierde en negende lid, en 75a van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling opgenomen variatiemogelijkheid om gelijke aanpassingen te
realiseren. In hoofdstuk 2.5 van het algemeen deel van deze memorie is deze variatiemogelijkheid
toegelicht. De fiscale wetgeving volgt hierin de voorgestelde aanpassingen in artikel 63,
vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Ook de in het voorgestelde artikel 18d, derde lid, onderdeel e, Wet LB 1964 opgenomen
situatie is nieuw. Daarin is geregeld dat de pensioenuitkering ten opzichte van de
bandbreedte, genoemd in artikel 18d, eerste lid, Wet LB 1964, extra kan variëren als
dat het gevolg is van een loon- of prijsontwikkeling. Hierin was nog niet voorzien,
terwijl een dergelijke variatie wel is toegestaan voor vastgestelde uitkeringen.54 Voorgesteld wordt aan deze wijzigingen van artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 terugwerkende
kracht te verlenen tot en met 1 juli 2023, de datum van inwerkingtreding van de Wet
toekomst pensioenen. Hiermee wordt deze uitbreiding ook van kracht voor eventuele
bestaande situaties.
Artikel III, onderdeel C (artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 38c Wet LB 1964 voorziet in overgangsrecht voor voortgezette premie-inleg
voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Als een werknemer langdurig ziek is
gaat de werknemer in de regel (doorgaans na een wachttijd van 104 weken) uit dienst
bij de werkgever en wordt, als dit is verzekerd in de pensioenregeling, de pensioenopbouw
onder voorwaarden voortgezet voor rekening van de verzekeraar. Met het overgangsrecht
van artikel 38c Wet LB 1964 wordt een reeds bestaande voortgezette premie-inleg voor
pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid gerespecteerd voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid
die bestond voor de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen. Daarnaast wordt
ook een voor 1 januari 2029 ingegane voortgezette premie-inleg gerespecteerd voor
pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid op grond van een pensioenregeling waaraan
op grond van artikel 38q Wet LB 1964 is deelgenomen mits de werknemer tijdens de wachttijd
van doorgaans 104 weken niet al deelnemer is geworden aan een pensioenregeling waarop
hoofdstuk IIB Wet LB 1964 zoals dat geldt vanaf de inwerkingtreding van de Wet toekomst
pensioenen van toepassing is (een pensioenregeling conform de Wet toekomst pensioenen).
De premie-inleg mag in deze gevallen uitstijgen boven de fiscaal maximale grens van
artikel 18a, eerste lid, Wet LB 1964.
Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 38c, eerste lid, onderdeel a, Wet LB 1964
wordt het mogelijk om de voortgezette premie-inleg voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid
te laten plaatsvinden in de pensioenregeling waaraan de werknemer op de eerste ziektedag
deelnam ongeacht de datum waarop de voortgezette premie-inleg aanvangt (de datum van
1 januari 2029 geldt niet langer) en ongeacht of de werknemer tijdens de wachttijd
van doorgaans 104 weken is gaan deelnemen aan een pensioenregeling waarop het fiscale
kader van toepassing is van hoofdstuk IIB Wet LB 1964 zoals dat geldt vanaf de inwerkingtreding
van de Wet toekomst pensioenen. Met de voorgestelde aanpassing van artikel 38c, eerste
lid, onderdeel a, Wet LB 1964 wordt voor de beoordeling of het overgangsrecht van
artikel 38c Wet LB 1964 kan worden toegepast dus aangesloten bij de eerste ziektedag.
Dit betekent dat als tijdens de eerste ziektedag een pensioenregeling van toepassing
was op de werknemer van voor de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen of
een pensioenregeling waarop het overgangsrecht van artikel 38q Wet LB 1964 van toepassing
is, artikel 38c Wet LB 1964 kan worden toegepast. Daarbij wordt dus ook voorgesteld
de in artikel 38c, eerste lid, onderdeel a, Wet LB 1964 genoemde einddatum van 1 januari
2029 niet meer op te nemen. Deze einddatum was gekozen rekening houdend met een wachttijd
van 104 weken bij ziekte alvorens de voortgezette premie-inleg aanvangt en een einddatum
van de transitieperiode van 1 januari 2027. In de praktijk kan een wachttijd echter
langer duren dan 104 weken waardoor het niet goed mogelijk is een vaste einddatum
te bepalen.
De voorgestelde verruiming van het overgangsrecht sluit aan bij de in de bestaande
verzekeringspraktijk geldende afspraken rondom het uitlooprisico zoals dit is toegelicht
in paragraaf 2.3.2 van het algemeen deel van deze memorie. Vanaf de inwerkingtreding
van 1 juli 2023 doorkruiste de in de Wet toekomst pensioenen opgenomen wijzigingen
van artikel 38c Wet LB 1964 deze afspraken. Voorgesteld wordt daarom om de voorgestelde
aanpassingen van artikel 38c Wet LB 1964 te laten terugwerken tot en met 1 juli 2023,
de datum van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.
Artikel IV, onderdeel A (artikel XIIB Wet toekomst pensioenen)
In artikel XIIB van de Wet toekomst pensioenen wordt artikel 626, tweede lid, van
boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd. Artikel XIIB van de Wet toekomst pensioenen
is nog niet bij koninklijk besluit in werking getreden. Het nog niet in werking getreden
artikel wordt gewijzigd.
Door de aanpassing moet er op het loonstrookje vermeld worden of er binnen de periode
waarop het loonstrookje betrekking heeft wel of geen deelname aan de pensioenregeling
in de zin van de Pensioenwet is. Zie verder ook paragraaf 2.6.6 van het algemeen deel
van de toelichting.
Artikel IV, onderdeel B (artikel XIV Wet toekomst pensioenen)
Met de wet van 4 december 2025 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting
1964 en enige andere wetten in verband met de verlenging van de transitieperiode naar
het nieuwe pensioenstelsel is artikel XIV, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toekomst
pensioenen gewijzigd. Daarbij is abusievelijk enkel naar het betreffende artikel uit
de Pensioenwet verwezen en niet ook naar het equivalent uit de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Dat wordt hier hersteld.
Artikel V (Inwerkingtreding)
Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Het moment van inwerkingtreding van deze wet
wordt bij koninklijk besluit vastgesteld, waarbij voor de verschillende artikelen
of onderdelen verschillende tijdstippen kunnen worden vastgesteld. Bij koninklijk
besluit kan ook worden bepaald dat bepaalde artikelen of onderdelen daarvan met terugwerkende
kracht in werking treden. Dat zal in ieder geval gelden voor de wijzigingen van de
artikelen 63, 63a, 220h en 220ha Pensioenwet, 75, 75a, 214f en 214fa Wvb en 18d en
38c Wet LB 1964. Deze artikelen zullen terugwerken tot en met 1 juli 2023, het moment
van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen. De terugwerkende kracht van deze
artikelen heeft geen nadelige gevolgen voor betrokkenen. Voor de transitie naar het
nieuwe pensioenstelsel is het van belang dat deze artikelen gelden vanaf inwerkingtreding
van de Wet toekomst pensioenen.
Deze toelichting wordt gegeven mede namens de Staatssecretaris van Financiën.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.