Brief regering : Voortgang van en beleidskeuze rondom onderzoeksprogramma’s passende zorg
31 765 Kwaliteit van zorg
Nr. 982
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juni 2026
Het kabinet wil dat passende zorg altijd en overal de norm wordt en dat alleen zorg
wordt vergoed die meerwaarde heeft voor de patiënt. Dit betekent dat zorg bewezen
effectief moet zijn en dat minder arbeidsintensieve of meer kosteneffectieve zorg
de voorkeur hebben.1 Om deze ambitie voor elkaar te krijgen, is voldoende kennis over wat zorg daadwerkelijk
bijdraagt randvoorwaardelijk. Deze kennis wordt ontwikkeld in verschillende subsidieprogramma’s
voor onderzoek naar passende, effectieve zorg.
In deze brief informeert het kabinet de Kamer over een beleidskeuze om een vervolg
op het lopende Kaderprogramma Passende Zorg (KPPZ) mogelijk te maken. Daarnaast informeert
het kabinet de Kamer over de stand van zaken en voortgang van het beleid rondom Voorwaardelijke
Toelating (VT) en het subsidieprogramma Veelbelovende Zorg (VeZo). Recent heeft het
kabinet de Kamer reeds geïnformeerd over de beleidsmatige evaluatie van het separate
beleid voor de voorwaardelijke toelating van weesgeneesmiddelen, conditionals en exceptionals.2
Beleidskeuze vervolg Kaderprogramma Passende Zorg
Om de kennisontwikkeling over passende, effectieve zorg te stimuleren is in 2025 het
KPPZ bij ZonMw van start gegaan. Met dit subsidieprogramma dat loopt t/m 2028 kunnen
partijen uit alle sectoren van de Zvw onderzoek doen naar de effectieve en doelmatige
organisatie en inzet van hun zorgaanbod. Het programma maakt hierbij ook mogelijk
dat in alle sectoren de hiervoor benodigde onderzoeksinfrastructuur wordt ontwikkeld.
In deze brief informeert het kabinet de Kamer over de beleidskeuze om een vervolg
op dit subsidieprogramma mogelijk te maken, om zo de inzet van het kabinet op het
gebied van passende zorg verder te bestendigen.
Omdat deze beleidskeuze financiële gevolgen van € 20 miljoen of meer heeft in enig
jaar, wordt – conform wetsartikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 – hieronder ingegaan
op de doelen, beleidsinstrumenten, financiële gevolgen, nagestreefde doeltreffendheid
en doelmatigheid en voorgenomen evaluatie en monitoring. Zoals dit sinds eind 2021
Rijksbreed gebeurt, doet het kabinet dit via de werkwijze «Beleidskeuzes Uitgelegd»
in het onderstaande CW3.1-kader. De middelen voor deze beleidskeuze zijn door het
kabinet-Rutte IV beschikbaar gesteld voor (onderzoek naar) passende zorg.
Beleidskeuzes uitgelegd
Onderbouwing doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie (CW3.1)
Doel(en)
Het kabinet wil dat passende zorg de norm wordt, ook in de aanspraak, en dat alleen
zorg met bewezen meerwaarde wordt vergoed. Hiervoor is het nodig dat onderzoek naar
de pakketwaardigheid van zorg structureel plaatsvindt in alle sectoren van de Zvw,
met een focus op effectiviteit, kosteneffectiviteit en arbeidsinzet. Met onderstaande
beoogde inzet wordt hier invulling aan gegeven.
Beleidsinstrument(en)
Het beleidsinstrumentarium is een subsidieprogramma gericht op kennisontwikkeling
over de pakketwaardigheid van zorg, met een focus op effectiviteit en kosteneffectiviteit.
Onderdeel van deze inzet is dat partijen in staat worden gesteld een passende onderzoeksinfrastructuur
in te richten, die een vaste basis oplevert voor structurele kennisontwikkeling. Met
dit subsidieprogramma wordt een vervolg mogelijk gemaakt voor het huidige KPPZ, dat
loopt t/m 2028.
Aanvullend hierop wordt de inzet van het instrument Vergoeding in Onderzoek (ViO)1 geïntensiveerd. Dit instrument maakt het mogelijk om bestaande zorg waarvan de effectiviteit
onduidelijk is tijdelijk onder voorwaarde van onderzoek uit de Zvw te blijven vergoeden.
Hiermee kan aanvullend worden gestuurd op de totstandkoming van onderzoek.
Financiële gevolgen voor het Rijk
Het vervolgprogramma KPPZ vraagt om incidentele middelen in 2029 t/m 2031 (2029: € 5
miljoen, 2030: € 10 miljoen, 2031: € 21 miljoen; totaal: € 36 miljoen). Deze middelen
zijn opgenomen op de aanvullende post en zijn door het kabinet-Rutte IV beschikbaar
gesteld voor (onderzoek naar) passende zorg.
Financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren
Het vervolgprogramma KPPZ levert naar verwachting een maatschappelijke kostenbesparing
op. Een inschatting kan worden afgeleid uit de in 2024 uitgevoerde externe evaluatie
van het programma DoelmatigheidsOnderzoek 2018–2023.2 Hierin is berekend dat elke euro aan doelmatigheidsonderzoek 3 tot 9 euro kan besparen.
Daarnaast geeft het rapport «Geschat Potentieel Effectieve Zorg» van SiRM scenario’s
voor impact op passende zorg vanuit onderzoek. Dit rapport was de financiële onderbouwing
voor de ombuiging van het kabinet-Rutte IV op Passende zorg.
Nagestreefde doeltreffendheid
Overheid en veldpartijen kunnen enkel onderbouwde keuzes maken in het pakketbeheer
als zij hiervoor de benodigde kennis hebben. Het beoogde programma werkt via de cirkel
van gepast gebruik, waarbij betrokken partijen gezamenlijk afspraken maken over de
uitvoering van het onderzoek en de daadwerkelijke implementatie van de resultaten
in de praktijk. Waar nodig kan met het instrument ViO worden gestuurd op de totstandkoming
van het onderzoek.
Nagestreefde doelmatigheid
Om de rollen van veldpartijen in het pakketbeheer te versterken zijn verschillende
afspraken gemaakt in het IZA en AZWA. Daarnaast is de rol van het Zorginstituut versterkt
via de inzet op het Verbeteren en Verbreden van de Toets op het Basispakket (VVTB). Om de versterkte rollen impact te laten hebben in de praktijk moet wetenschappelijk
bewijs beschikbaar zijn – het intensiveren van onderzoek is hiervoor een doelmatig
instrument.
Het onderzoek binnen het vervolgprogramma KPPZ concurreert minimaal met onderzoek
dat door (veld)partijen zelf wordt gefinancierd. Het onderzoeksbelang van markt-/veldpartijen
ligt in het aantonen van de effectiviteit van nieuwe zorginnovaties. Het (vervolg)
KPPZ richt zich juist op onderzoek naar de effectiviteit van het bestaande behandelaanbod,
waar maatschappelijk gezien de meeste winst is te behalen.
Evaluatieparagraaf
De evaluatie van het vervolgprogramma KPPZ gebeurt onder verantwoordelijkheid van
ZonMw en wordt uitgevoerd door een externe partij. Monitoring van het programma vindt
eens per kwartaal plaats via voortgangsrapportages van ZonMw. Daarnaast is eenmaal
per jaar een formeel bijsturingsmoment, waarin VWS als opdrachtgever het programma
inhoudelijk en financieel kan bijsturen.
X Noot
1
Kamerstukken II, 2025/26, 29 689, nr. 1322
X Noot
2
TwynstraGudde (2024), Externe evaluatie van het ZonMw-programma DoelmatigheidsOnderzoek
2018–2023
Stand van zaken huidige trajecten in Voorwaardelijke Toelating en Subsidieregeling
veelbelovende zorg
Jaarlijks informeert het kabinet de Kamer over de stand van zaken met betrekking tot
de voorwaardelijke toelating (VT) en de Subsidieregeling veelbelovende zorg (VeZo).
De voortgangsrapportage van VT en VeZo voor het kalenderjaar 2025 is als bijlage bij
deze brief toegevoegd. Het Zorginstituut beschrijft hierin de voortgang van de lopende
VT-trajecten en de Subsidieregeling VeZo.
De resultaten van deze onderzoeken dragen bij aan de toegang tot potentieel veelbelovende
en innovatieve zorg, en helpen tegelijkertijd niet-passende zorg te voorkomen. Waar
in voorgaande jaren de trajecten ook leidden tot opname van innovatie zorg in het
pakket, hebben de trajecten die in 2025 afgerond zijn geleid tot negatieve standpunten.
Het gaat vaak om dure en intensieve zorg. Het is extra belangrijk dat we weten dat
zulke zorg écht werkt, zodat we patiënten en zorgmedewerkers niet onnodig belasten.
Voor de nog lopende trajecten verwacht het Zorginstituut tot en met 2033 nog 28 standpunten
of adviezen uit te brengen.
Voortgang trajecten Voorwaardelijke Toelating
Per 1 januari 2012 is de VT geïntroduceerd om zorg die nog niet of niet meer bewezen
effectief is toch tijdelijk toe te kunnen laten tot het basispakket. Als voorwaarde
geldt dat in de periode van de tijdelijke toelating gegevens worden verzameld over
de effectiviteit en de kosteneffectiviteit van de zorg. In de laatste zes maanden
van de periode van tijdelijke toelating gebruikt het Zorginstituut die onderzoeksgegevens
om vast te stellen of de vergoeding van de betreffende zorg uit het basispakket voortgezet
kan worden.
In 2025 liepen er vijf VT-trajecten. Er zijn twee trajecten afgerond en de zorg is
beoordeeld:
– Geïntensiveerde, alkylerende chemotherapie met stamceltransplantatie bij stadium III
BRCA-1-like borstkanker.
– Combinatiebehandeling van een maagoperatie met plaatselijke chemotherapie (HIPEC)
bij patiënten met maagkanker met beperkte uitzaaiingen.
Voor beide trajecten concludeerde het Zorginstituut dat de behandelingen niet voldoen
aan het wettelijk criterium «de stand van de wetenschap en praktijk». Er is geen meerwaarde
aangetoond tegenover de standaardbehandeling. De zorg is daarom niet ingestroomd in
het basispakket.
Voortgang trajecten subsidieregeling Veelbelovende Zorg
Met de Subsidieregeling VeZo was het mogelijk een tijdelijke financiering te krijgen
voor behandelingen die veelbelovend lijken, maar nog niet uit het basispakket worden
vergoed. Na afronding van een gesubsidieerd onderzoeksproject volgt een duiding van
het Zorginstituut over opname van de behandeling in het basispakket. Bij een positief
advies stroomt de zorg automatisch het pakket in.
Zoals eerder gemeld is de Subsidieregeling VeZo per 1 januari 2026 beëindigd.3 Lopende onderzoeken worden voortgezet en afgerond. Daarnaast heeft de uitvoering
van verschillende projecten vertraging opgelopen als gevolg van onder meer de COVID-19-pandemie.
Daarom is de maximale looptijd van projecten in 2025 verlengd van zeven naar tien
jaar.4
In 2025 waren er 34 projecten in uitvoering. Er zijn in 2025 vijf nieuwe subsidies
verleend:
– Orgaansparende immuuntherapie bij patiënten met mondholtekanker;
– CAR T-celtherapie voor patiënten met bepaalde auto-immuunziektes;
– Dendritische cel-vaccinatie voor het voorkomen van Lynch-syndroom-gerelateerde tumoren;
– Autologe vettransplantatie voor borstreconstructie na borstverwijdering en bestraling
vanwege borstkanker;
– Gepersonaliseerde bacteriofagenbehandeling bij patiënten met terugkerende urineweginfecties.
De eerste duiding naar aanleiding van deze subsidieregeling is in 2025 gepubliceerd.
– Standpunt operatietechniek EBD voor ziekte van Ménière
Naar aanleiding van het eindrapport van dit traject heeft het Zorginstituut op 24 september
een uitspraak gedaan. Het Zorginstituut concludeerde dat endolymfatische ductus blokkade
(EDB) als operatietechniek voor de onderzochte patiëntengroep niet effectief is en
daarom niet wordt opgenomen in het basispakket.
In 2025 is in totaal € 46,1 miljoen aan nieuwe subsidies verleend. Dit was het laatste
jaar waarin nieuwe subsidies konden worden toegekend, aangezien de subsidieregeling
per 1 januari 2026 is beëindigd.
Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport