Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 880 Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, ter gedeeltelijke implementatie van een daaraan gerelateerde richtlijn, ter aanvullende implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen en in verband met het opnemen van een grondslag voor de uitvoering van Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen (Wet uitvoering EU-verordening overbrenging van afvalstoffen en implementatie enkele andere EU-rechtshandelingen)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 11 juni 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie van
Infrastructuur en Waterstaat van 25 februari 2026 met betrekking tot het onderhavige
wetsvoorstel. De leden van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA en Partij
voor de Dieren hebben nog enkele vragen en opmerkingen. Wij danken de leden voor hun
gedegen inbreng. In het navolgende ga ik in op de vragen en opmerkingen uit het verslag.
De vragen zijn integraal opgenomen in cursieve tekst en zijn van een nummer voorzien.
De beantwoording is in gewone typografie weergegeven.
Inhoudsopgave
Algemeen
2
Inleiding
2
Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen
11
Doelstelling EVOA 2024
11
Toepassingsbereik EVOA 2024
12
Procedures EVOA 2024
14
Faciliteren van de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik en recycling binnen
de EU
16
Voorkomen dat de EU haar afvalproblemen naar derde landen uitvoert
19
Bestrijden van illegale overbrengingen van afvalstoffen
23
Relatie met de Richtlijn milieucriminaliteit
26
Relatie met de Kaderrichtlijn afvalstoffen
27
Relatie met de Verordening inzake elektronische informatie over goederenvervoer
29
Uitvoering van de EVOA 2024
29
Nationale bevoegde autoriteit
29
Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
31
Opsporing en strafrechtelijke handhaving
31
Gedeeltelijke implementatie van de Richtlijn milieucriminaliteit
32
Aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen
33
Opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening
34
Gevolgen
36
Advies en consultatie
37
Internetconsultatie
37
Toetsing regeldrukgevolgen door het ATR
39
Toetsing handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid door de ILT
40
Overgangsrecht en inwerkingtreding
41
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Zij onderschrijven het belang van een gemoderniseerd Europees kader
voor de grensoverschrijdende verplaatsing van afvalstoffen en hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
tot wijziging van de Wet milieubeheer ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157
(EVOA 2024), de gedeeltelijke implementatie van de Richtlijn milieucriminaliteit,
aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de verbreding van
de grondslag ten behoeve van de Batterijenverordening. Zij hebben hierover de volgende
vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging
van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van de
nieuwe Europese regels voor de overbrenging van afvalstoffen en enkele aanverwante
onderwerpen. Deze leden hebben nog enkele opmerkingen en vragen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat afvalstromen in Europa
nog steeds aanzienlijke risico’s vormen voor milieu, natuur, volksgezondheid en dierenwelzijn.
Zij hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
Inleiding
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van effectieve Europese regels
voor grensoverschrijdend afvaltransport, het tegengaan van illegale afvalstromen en
het bevorderen van hoogwaardige recycling binnen Europa. Tegelijkertijd hechten deze
leden sterk aan uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, rechtszekerheid voor ondernemers
en het voorkomen van onnodige regeldruk.
Vraag 1
De leden van de VVD-fractie constateren dat sprake zou zijn van een «zuivere en lastenluwe
implementatie» van de Europese regelgeving. Zij vragen de regering nader toe te lichten
op welke wijze dit wetsvoorstel daadwerkelijk geen aanvullende nationale lasten introduceert.
In het bijzonder vragen deze leden hoe dit zich verhoudt tot de gewijzigde strafrechtelijke
indeling en de verbreding van artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer. Kan de regering
concreet onderbouwen waarom deze wijzigingen volgens haar niet leiden tot extra nationale
verplichtingen of lasten voor betrokken partijen?
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie de regering om te bevestigen dat in dit
wetsvoorstel geen sprake is van zogeheten nationale koppen op de Europese regelgeving.
Kan de regering expliciet aangeven dat de implementatie volledig in lijn is met de
Europese verplichtingen en niet verder gaat dan strikt noodzakelijk voor de uitvoering
daarvan?
Het wetsvoorstel voorziet conform staand kabinetsbeleid in zuivere en lastenluwe implementatie
van Europese regelgeving. Dit betekent dat het wetsvoorstel alleen regels bevat die
noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van die regelgeving in Nederland.
Het onderdeel van het wetsvoorstel dat gaat over de uitvoering van de herziene Europese
verordening overbrenging van afvalstoffen brengt de Nederlandse regels ter uitvoering
van de oude verordening (EVOA 2006) in lijn met de nieuwe verordening (EVOA 2024).
Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toestemmingen
kan (blijven) verlenen voor overbrengingen van afvalstoffen en handhavend kan (blijven)
optreden tegen overtredingen van de verordening. De verplichtingen voor bedrijven,
bevoegde autoriteiten en andere betrokkenen vloeien allemaal rechtstreeks voort uit
de verordening. Er worden in dit wetsvoorstel geen aanvullende nationale verplichtingen
gesteld. In de antwoorden op de vragen 34 en 36 wordt nader ingegaan op de indeling
van overtredingen van de EVOA 2024 in verschillende strafcategorieën.
Het onderdeel van het wetsvoorstel dat gaat over de aanvullende implementatie van
de Kaderrichtlijn afvalstoffen voorziet in het herstel van enkele onvolkomenheden
in de implementatie van die richtlijn in de Nederlandse regelgeving. Het gaat enkel
om een aantal technische aanpassingen. Deze aanpassingen bevatten geen aanvullende
nationale verplichtingen en hebben geen gevolgen voor de bestaande uitvoeringspraktijk.
Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.
Het onderdeel van het wetsvoorstel dat gaat over de verbreding van de grondslag in
artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer om bij algemene maatregel van bestuur regels
te kunnen stellen over producten, maakt het mogelijk om dit soort regels niet alleen
te stellen in het belang van de bescherming van het milieu, maar ook in het belang
van de bescherming van de gezondheid van de mens en de veiligheid van producten. Dit
is nodig om de Nederlandse regels ter uitvoering van de Batterijenverordening in lagere
regelgeving onder de Wet milieubeheer te kunnen opnemen. Zonder deze verbreding zou
voor de uitvoering van de Batterijenverordening ook regelgeving onder de Warenwet
nodig zijn. In de antwoorden op de vragen 49 en 50 wordt nader toegelicht waarom het
wenselijk is om alle regels ter uitvoering van de Batterijenverordening op grond van
de Wet milieubeheer te kunnen stellen. Het opnemen of wijzigen van een grondslag in
een wet om op lager niveau regels te kunnen stellen brengt op zichzelf geen verplichtingen
met zich mee.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen van harte het doel om de controle
en handhaving op het hanteren van onze (schadelijke) afvalstoffen te versterken. Te
vaak raken gevaarlijke stoffen uit het zicht, door ze simpelweg naar een ander (EU-)land
te brengen en te veel milieucriminelen ontspringen de dans. Tevens wordt met dit wetsvoorstel
hopelijk voldaan aan de EU regels die reeds lang geïmplementeerd hadden moeten worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat dit voorstel beoogt de nationale wetgeving in
overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese verordening en de handhaafbaarheid
te waarborgen. Deze leden onderschrijven het belang van duidelijke regels en effectieve
handhaving, en hebben over de uitvoerbaarheid, proportionaliteit en praktische uitwerking
nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie bezien dit wetsvoorstel nadrukkelijk in het bredere kader
van de circulaire economie. Heldere regels rond einde-afvalstatus, productnormering
en het terugdringen van de import van primaire grondstoffen van buiten Europa zijn
volgens hen essentieel om de markt voor secundaire grondstoffen te versterken. Dit
voorstel moet daarom goed aansluiten op lopende en aangekondigde Europese trajecten,
waaronder de Circular Economy Act, zodat consistent en samenhangend wordt gewerkt
aan een robuuste circulaire economie.
Vraag 2
De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe dit wetsvoorstel concreet bijdraagt
aan het versterken van de markt voor secundaire grondstoffen in Nederland en Europa.
Op welke wijze zorgt de implementatie ervoor dat gerecyclede materialen daadwerkelijk
een gelijkwaardig of aantrekkelijker alternatief worden voor primaire grondstoffen?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
Het wetsvoorstel heeft daarom geen gevolgen voor de secundaire grondstoffenmarkt in
Nederland en Europa. De bepalingen van de EVOA 2024 zelf, die rechtstreeks geldend
zijn, dragen naar verwachting wel bij aan het versterken van de secundaire grondstoffenmarkt.
De EVOA 2024 beoogt onder meer om de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik
en recycling binnen de Europese Unie (EU) te vergemakkelijken. Een concreet voorbeeld
betreft de bepalingen in de EVOA 2024 over schoon kunststofafval. Dat afval mag met
ingang van 21 november 2026 niet meer vanuit de EU naar niet-OESO landen worden geëxporteerd
en zal daardoor binnen de EU of de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking
en Ontwikkeling) moeten worden verwerkt.
Vraag 3
Voorts vernemen de leden van de CDA-fractie graag hoe de regering waarborgt dat de
nationale uitwerking van deze verordening in de praktijk aansluit bij bestaande en
komende Europese wetgeving op het terrein van circulaire economie. Hoe wordt voorkomen
dat verschillen in definities, normen of uitvoeringspraktijk leiden tot onduidelijkheid
voor bedrijven?
Daarnaast vragen deze leden hoe de samenhang wordt geborgd met toekomstige Europese
voorstellen, waaronder de Circular Economy Act. Wordt bij de verdere uitwerking rekening
gehouden met mogelijke aanvullende verplichtingen of aanpassingen, zodat dubbele regelgeving
of tegenstrijdige eisen worden voorkomen?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
Dit wetsvoorstel verandert niets aan (Europese) definities of normen. De regering
onderschrijft het belang van uniforme (uitvoering van) wet- en regelgeving en het
voorkomen van dubbele regelgeving en steunt initiatieven die hier een bijdrage aan
leveren.
Het is aan de Europese wetgever om de samenhang tussen Europese regels te borgen.
De regering heeft daarin een rol als een van de 27 lidstaten in de Raad van de Europese
Unie. De inzet van de regering in onderhandelingen over Europese wetgeving is overeenkomstig
en wordt in voorkomende gevallen in de Kamer behandeld.
Vraag 4
Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering de voortgang richting
een meer circulaire economie meet in relatie tot deze implementatie. Welke indicatoren
of evaluatiemomenten worden voorzien om te beoordelen of de beoogde versterking van
hergebruik en hoogwaardige recycling daadwerkelijk wordt gerealiseerd?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
Het monitoren van de effectiviteit van Europese regelgeving geschiedt op Europees
niveau. Nederland draagt daar aan bij door bijvoorbeeld te voldoen aan de in de Europese
regelgeving opgenomen rapportageverplichtingen. Zo volgt uit artikel 73 van de EVOA
2024 een jaarlijkse rapportageverplichting voor de lidstaten. De aangeleverde gegevens
worden vervolgens door de Europese Commissie geëvalueerd. Meer gegevens over preventie,
hergebruik en recycling komen beschikbaar uit de rapportageverplichtingen die voortvloeien
uit bijvoorbeeld artikelen 8 bis en 37 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Ten behoeve van het monitoren van de voortgang in Nederland naar een meer circulaire
economie verschijnt elke twee jaar de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER).
Het nieuwste ICER-rapport (2025)1 is 20 maart 2025 naar de Kamer verzonden en geeft een overzicht van de stand van
zaken in Nederland. De conclusies uit de ICER zijn een belangrijke basis voor de actualisatie
van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE), die op 13 oktober 2025 naar
de Kamer is verzonden2.
Vraag 5
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen in recente nationale en internationale
berichtgeving dat afvalexport, secundaire grondstoffen en zogenoemde restproducten
regelmatig leiden tot vervuiling van bodem, water en leefomgeving. Kan de regering
uiteenzetten op welke punten de nieuwe verordening daadwerkelijk leidt tot materieel
scherpere milieubescherming en bescherming van gezondheid (en op welke manier), en
op welke punten vooral sprake is van procedurele harmonisatie?
De scherpere milieu en gezondheidsbescherming in de EVOA 2024 is het meest aanwijsbaar
in de aangescherpte voorwaarden voor het toestaan van export van afval uit de EU.
Zo verbiedt de EVOA 2024 met ingang van 21 november 2026 de export van alle kunststofafval
uit de EU naar niet-OESO landen. Export van overige niet gevaarlijke afvalstoffen
is na 21 mei 2027 alleen mogelijk als de Europese Commissie geoordeeld heeft dat het
afvalbeheer in het niet-OESO-land op een vergelijkbaar niveau als in de EU is. Het
in de EVOA 2006 al bestaande verbod op de export van gevaarlijk afval uit de EU naar
niet-OESO-landen is in de EVOA 2024 gecontinueerd. Verder is met ingang van 21 mei
2026 de verwerking van het residu dat bij het nuttig toepassen van het afval ontstaat,
expliciet onderdeel van elke kennisgeving. De verwerking van dit residu is ook een
onderdeel van de onafhankelijke audit. Deze onafhankelijke audit is met ingang van
21 mei 2027 verplicht voor alle verwerkers buiten de EU die afval uit de EU verwerken.
De invoering van de verplichte en tot in detail gespecificeerde digitale administratie
met ingang van 21 mei 2026 zal resulteren in een meer homogene en eenduidige gegevensstroom.
De kwaliteit van deze gegevens is relevant voor toezicht en handhaving.
Verder krijgt de Europese Commissie de bevoegdheid om op basis van beschikbaar gekomen
informatie de export van een afvalstroom uit de EU via een gedelegeerde handeling
te verbieden.
Vraag 6
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat er in het verleden een
gebrek is geweest aan voldoende toetsing op effecten voor gezondheid en milieu als
het gaat om afvalstoffen en hergebruik van grondstoffen. Zo heeft de Commissie mer
een negatief advies gegeven op het Circulair Materialenplan omdat de milieu en gezondheidseffecten
onvoldoende in beeld zijn gebracht. Is de regering van plan om zulke effecten wel
beter in beeld te brengen en onafhankelijk te laten toetsen? Kan de regering toelichten
op welke wijze adviezen van gezondheidsexperts zijn geraadpleegd bij deze wetswijziging?
Hoe wordt bij vergunningverlening expliciet rekening gehouden met en getoetst op cumulatieve
effecten op natuur, waterkwaliteit, bodemecosystemen en gezondheid van burgers?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
Bij deze wetswijziging zijn daarom geen adviezen van gezondheidsexperts betrokken.
De regels in de EVOA 2024 hebben tot doel om de nadelige gevolgen voor het milieu
en de menselijke gezondheid die kunnen voortvloeien uit het overbrengen en verwerken
van afvalstoffen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Eén van de eisen die
de EVOA 2024 stelt, is dat afvalstoffen alleen mogen worden overgebracht naar afvalverwerkingsinstallaties
die over een vergunning beschikken om dat afval te mogen verwerken. In de EU is er
regelgeving voor het beoordelen van de emissies van deze installaties bij een aanvraag
van een vergunning. Adviezen van gezondheidsexperts zijn naar verwachting het meest
effectief indien die mee worden genomen bij het vaststellen van deze emissienormen
in (EU-)regelgeving.
De met ingang van 21 mei 2027 verplichte onafhankelijke audit voor alle verwerkingsinstallaties
buiten de EU moet een vergelijkbare borging bieden.
Bijlage III van de Kaderrichtlijn afvalstoffen geeft de gevaarlijke eigenschappen
waarop afvalstoffen moeten worden ingedeeld. Artikel 7 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen
geeft de Europese Commissie de bevoegdheid de in bijlage III genoemde eigenschappen
uit te werken tot een in een gedelegeerde handeling vast te stellen lijst van afvalstoffen.
Bij dit indelen van afvalstromen op gevaarlijke eigenschappen wordt de beschikbare
expertise op het gebied van gezondheid en milieu ingezet.
Vraag 7
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat recente nieuwsberichten
wijzen op aanhoudende problemen rond kwaliteit en traceerbaarheid van gerecyclede
materialen, plasticafvalstromen en verschillen tussen lidstaten in handhaving. Hoe
voorkomt de regering dat Nederland afhankelijk blijft van export van moeilijk recyclebaar
afval? Welke maatregelen worden genomen om afvalpreventie, hoger in de afvalhiërarchie,
centraal te stellen in plaats van transport en verwerking? Hoe wordt transparantie
voor burgers verbeterd over waar Nederlands afval uiteindelijk terechtkomt?
De «beginselen van zelfvoorziening en nabijheid» volgen uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen
en daarbij is expliciet vastgelegd dat dit niet betekent dat iedere lidstaat zelf
over alle faciliteiten voor definitieve nuttige toepassing moet beschikken. De EVOA
2024 biedt de mogelijkheid om voor een milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van
afval met andere landen samen te werken. Voorwaarde voor de samenwerking is borging
van het milieuhygiënisch verantwoord beheer van dat afval. De EVOA 2024 verbiedt met
ingang van 21 mei 2026 overbrengingen bestemd voor verwijdering van gemengd stedelijk
afval en uit dat afval gewonnen brandstoffen zoals refuse-derived fuels.
Bij het beoordelen van kennisgevingen voor overbrengingen uit Nederland moet de bevoegde
autoriteit – voor Nederland is dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) –
nagaan of het afval wordt verwerkt overeenkomstig afvalbeheerplannen of afvalpreventieprogramma’s
die door de landen van verzending of van bestemming zijn opgezet. Concreet houdt dit
in dat de ILT kennisgevingen voor afvaltransporten uit Nederland toetst op de in het
Circulair Materialenplan opgenomen toetsingskaders. Die toetsingskaders sturen op
hoogwaardige verwerking volgens de afvalhiërarchie.
Gegevens over afvaltransporten worden op landen-niveau onder andere openbaar en daarmee
toegankelijk voor burgers in de vorm van overzichten die worden samengesteld op basis
van rapportageverplichtingen. Organisaties als het Secretariaat van het Verdrag van
Bazel en Eurostat publiceren dergelijke gegevens op internet. Nieuw in de EVOA 2024
is de verplichting van de kennisgever of opdrachtgever voor de overbrenging die afvalstoffen
buiten de Unie uitvoert, om met ingang van 21 mei 2027 jaarlijks langs elektronische
weg informatie openbaar te maken over de wijze waarop hij aan zijn verplichtingen
uit hoofde van artikel 46 van de EVOA 2024 voldoet. Artikel 46 van de EVOA 2024 gaat
over de borging van het milieuhygiënisch verantwoord beheer van uit de EU geëxporteerd
afval.
Verder legt artikel 21 van de EVOA 2024 vast dat de Commissie (met ingang van 21 mei
2026) maandelijks gegevens uit het door de Commissie onderhouden systeem voor de verplichte
digitale EVOA-administratie, DIWASS, over overbrengingen openbaar zal maken.
Vraag 8
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie benadrukken dat een circulaire economie
alleen geloofwaardig is wanneer afvalproductie daadwerkelijk afneemt. Hoe draagt dit
wetsvoorstel concreet bij aan afvalreductie aan de bron, in plaats van efficiëntere
verplaatsing van afval? Worden producentenverantwoordelijkheid en ecodesign voldoende
verbonden aan afvaltransportregels? Hoe wordt geborgd dat afval niet via juridische
herclassificatie als product, bijproduct of bouwstof aan strengere regels ontsnapt?
Welke criteria hanteert Nederland concreet bij het vaststellen van de zogenoemde einde-afvalstatus,
en acht de regering deze criteria voldoende beschermend voor bodem, waterkwaliteit
en volksgezondheid? Op basis van welke adviezen van experts op het gebied van gezondheid
en milieu baseert de regering zich dan? Hoe wordt precies voorkomen dat economische
belangen leidend worden bij de kwalificatie van materialen als product in plaats van
afvalstof?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
Het wetsvoorstel heeft op zichzelf dan ook geen gevolgen voor de afvalproductie.
De EVOA 2024 gaat uitsluitend over internationale overbrengingen van afval en kent
daardoor geen bepalingen over producentenverantwoordelijkheid of ecodesign. De Kaderrichtlijn
afvalstoffen gaat wel over de gehele materialenkringloop en geeft daarmee kaders voor
preventie en hoogwaardigheid van verwerking van afval. Deze kaders kunnen vervolgens
voor specifieke materiaalstromen in de richtlijn zelf of in andere regelgeving nader
worden uitgewerkt.
De beoordeling van de einde-afvalstatus vindt in Nederland plaats aan de hand van
de Europese voorwaarden uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen, die geïmplementeerd zijn
in artikel 1.1 lid 6 van de Wet milieubeheer:
Afvalstoffen die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing hebben
ondergaan, worden niet langer als afvalstoffen beschouwd, indien zij voldoen aan de
volgende voorwaarden:
a. de stoffen, mengsels of voorwerpen zijn bestemd om te worden gebruikt voor specifieke
doelen;
b. er is een markt voor of vraag naar de stoffen, mengsels of voorwerpen;
c. de stoffen, mengsels of voorwerpen voldoen aan de technische voorschriften voor de
specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en
d. het gebruik van de stoffen, mengsels of voorwerpen heeft over het geheel genomen geen
ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.
Uit voorwaarde d volgt dat de toets of er geen ongunstige effecten zijn voor het milieu
of de menselijke gezondheid een integraal onderdeel is van de einde-afvalstatusbeoordeling.
Voor deze beoordeling wordt gekeken naar grenswaarden die voor stoffen zijn opgenomen
in bestaande wet- en regelgeving alsook wetenschappelijke inzichten. Economische belangen
zijn geen onderdeel van de einde-afvalstatusbeoordeling en hebben derhalve ook geen invloed op de kwalificatie. Meer informatie
over deze beoordeling is te vinden in het Circulair Materialenplan3.
Het voldoen aan einde-afval criteria houdt niet in dat dit materiaal vervolgens voor
alle mogelijke toepassingen kan en mag worden ingezet. De status niet afvalstof houdt
feitelijk in dat de kwaliteit (samenstelling) van het materiaal dusdanig is, dat de
extra waarborgen voor een milieuhygiënisch verantwoord beheer, geboden door afvalregelgeving
zoals de EVOA, niet langer noodzakelijk zijn.
Vraag 9
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de implementatie van de richtlijn
gevolgen heeft voor het nationale staalslakken beleid. Hoe verhoudt dit wetsvoorstel
zich tot de toepassing van staalslakken in Nederland, mede gezien recente maatschappelijke
en wetenschappelijke zorgen over uitloging en milieuschade? Specifiek vragen deze
leden of de richtlijn impact heeft op de eventuele verlenging van het gedeeltelijke
verbod op gebruik van staalslakken of het eventueel permanent maken van het verbod.
Ook vragen deze leden of de voorliggende richtlijn het eventueel geven van een afvalstatus
aan staalslakken in de weg staat? Kan de regering in detail ook toelichten op welke
manieren de richtlijn op andere vlakken impact zou kunnen hebben of heeft op het staalslakkendossier?
Acht de regering het mogelijk dat staalslakken die momenteel als bouwstof worden toegepast
juridisch onder de Europese afvalstoffenverordening zouden moeten vallen?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving,
in het bijzonder de EVOA 2024 en de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Het wetsvoorstel
heeft geen gevolgen voor het nationale beleid ten aanzien van (de toepassing van)
staalslakken.
De Kaderrichtlijn afvalstoffen bevat het algemene rechtskader voor afvalstoffen. Deze
richtlijn, die in Nederland onder meer is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer,
bevat bijvoorbeeld de definitie van afvalstof, de voorwaarden waaraan moet worden
voldaan om een stof als bijproduct of als einde-afvalstof aan te merken en de eisen
ten aanzien van de verwerking van afvalstoffen. De EVOA 2024 bevat in aanvulling daarop
specifieke regels voor grensoverschrijdende overbrengingen (import en export) van
afvalstoffen. Deze regels sluiten voor het overige aan bij de algemene regels voor
afvalstoffen in de Kaderrichtlijn afvalstoffen.
De regels voor het toepassen van secundaire bouwstoffen in Nederland hebben niet te
maken met de EVOA 2024, omdat ze niet gaan over internationale transporten van afval.
Wel zijn de regels neergelegd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen indirect relevant.
De regels voor het toepassen van secundaire bouwstoffen zijn neergelegd in het Besluit
activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Regeling bodemkwaliteit
2022 (Rbk). Voor het toepassen van secundaire bouwstoffen is het op grond van de huidige
regelgeving niet relevant of deze bouwstoffen kwalificeren als afvalstof dan wel als
einde-afvalstof of bijproduct. Secundaire bouwstoffen mogen op dit moment namelijk
worden toegepast als wordt voldaan aan de daarvoor gestelde eisen in het Bal, Bbk
en Rbk, ongeacht de afvalstatus van de bouwstoffen. Wel moet de toepassing dan als
nuttige toepassing in de zin van de Kaderrichtlijn afvalstoffen worden aangemerkt.
Dit is opgenomen om te verzekeren dat bij het toepassen van secundaire bouwstoffen
geen sprake is van het verkapt storten van afval (hetgeen geen nuttige toepassing
is maar verwijdering). Het als afval storten van secundaire bouwstoffen is op grond
van het Bal niet toegestaan. Voor de volledigheid moet worden opgemerkt dat waar het
specifiek gaat om staalslakken op dit moment de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht
LD- en ELO-staalslak van kracht is. Deze tijdelijke noodregeling geldt als lex specialis
ten opzichte van de toepassingsregels voor secundaire bouwstoffen in het Bal, Bbk
en Rbk en bevat een verbod om staalslakken toe te passen dan wel een vergunningplicht.
Om in te kunnen staan voor een systeem waarin secundaire bouwstoffen, zoals staalslakken,
verantwoord kunnen worden toegepast zonder milieu en gezondheidsschade, wordt op dit
moment gewerkt aan een nieuw beleidskader voor secundaire bouwstoffen. In de Kamerbrief
van 18 december 2025 is de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken. Bij het opstellen
van het nieuwe beleidskader wordt onder meer gekeken naar het beter op elkaar later
aansluiten van de bodemregelgeving en de afvalstoffenregelgeving. Zo is er nu vaak
verwarring over wanneer secundaire bouwstoffen afval, bijproduct of einde-afval zijn
en ook in hoeverre dit wel of niet relevant is voor de mogelijkheid om deze toe te
passen. De ontwikkeling van dit nieuwe beleidskader staat los van het onderhavige
wetsvoorstel.
Wat betreft de afvalstatus wordt overigens nog opgemerkt dat het op basis van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen niet mogelijk is om in generieke zin staalslakken of andere secundaire
bouwstoffen als afvalstof aan te merken. Dit moet per geval (concrete situatie) worden
beoordeeld. Dat geldt ook voor de vraag of staalslakken als bijproduct of einde-afval
moeten worden aangemerkt op basis van de voorwaarden voor de bijproductstatus of einde-afvalstatus
die zijn neergelegd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Een van de voorwaarden is dat
voldoende moet worden aangetoond dat het gebruik rechtmatig is, dat wil zeggen dat
wordt voldaan aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming
voor het specifieke gebruik en dat gebruik niet zal leiden tot over het geheel genomen
ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid. De Kaderrichtlijn afvalstoffen
biedt de mogelijkheid om deze algemene voorwaarde nader met specifieke criteria in
te vullen.
Vraag 10
De leden van Partij voor de Dieren-fractie zien dat digitalisering van kennis kansen
biedt voor betere controle. Worden transportgegevens publiek toegankelijk gemaakt?
Kunnen maatschappelijke organisaties en omwonenden makkelijk inzicht krijgen in afvalstromen
in hun regio en zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet? Wordt een openbaar register overwogen
van bedrijven die herhaaldelijk overtredingen begaan? Hoe wordt digitale traceerbaarheid
van afvaltransporten gecontroleerd op fraudegevoeligheid?
In de laatste alinea in het antwoord bij vraag 7 en in de laatste alinea in het antwoord
op vraag 41 wordt ingegaan op de beschikbaarheid van gegevens over afvaltransporten
die worden samengesteld op basis van rapportageverplichtingen.
De EVOA 2024 kent geen openbaar register van bedrijven die herhaaldelijk overtredingen
begaan. Wel krijgen bevoegde autoriteiten en inspecteurs rechtstreeks online toegang
tot de digitale administratie van de EVOA 2024.
Vraag 11
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie achten het essentieel dat implementatie
van de verordening niet leidt tot normalisering van grootschalige afvalverplaatsing,
maar juist bijdraagt aan constante vermindering van afvalproductie, strengere milieubescherming
en een economie binnen planetaire grenzen. Kan de regering daarop reflecteren?
De EVOA 2024 gaat uitsluitend over internationale overbrengingen van afval.
Het binnen het kader van de EVOA 2024 verplaatsen van afval is bedoeld om het afval
binnen de EU op een zo hoogwaardig mogelijke manier te verwerken. De EVOA 2024 koppelt
met ingang van 21 mei 2026 in artikel 12, eerste lid, onder b, de hoogwaardigheid
van een nuttige toepassing van het Nederlands afval aan de toetsingskaders in het
nationale Circulair Materialenplan (CMP).
In de EVOA 2024 wordt de export van afval uit de EU uitsluitend toegestaan als het
beheer van dat afval inclusief het restafval, dat bij de verwerking van dat afval
ontstaat, aantoonbaar voldoet aan een vergelijkbaar niveau van bescherming van de
menselijke gezondheid en het milieu als de eisen die voortvloeien uit Europese wetgeving.
Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen
Vraag 12
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vernomen dat het wetsvoorstel
ervoor kan zorgen dat niet alleen ter bescherming van het milieu, maar ook ter bescherming
van de gezondheid regels worden gesteld. Kan dit ook worden toegevoegd voor het gebruik
van staalslakken? Zo ja, is dit ook toegepast voor staalslakken? En zo nee, waarom
niet?
Zoals reeds is toegelicht in het antwoord op vraag 9, zijn de regels voor de toepassing
van staalslakken neergelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit
bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit 2022. Deze regels zijn mede gebaseerd
op de artikelen 9.2.2.1 en 9.5.2 van de Wet milieubeheer. Zoals in de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven wordt artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer
gewijzigd om te expliciteren dat over een product, in dit geval batterijen, niet alleen
in het belang van de bescherming van het milieu, maar ook in het belang van de bescherming
van de gezondheid van de mens regels kunnen worden gesteld. Artikel 9.2.2.1 van de
Wet milieubeheer biedt deze grondslag nu al voor handelingen met stoffen, mengsels
of genetisch gemodificeerde organismen. Zoals aangegeven is deze wijziging nodig om
uitvoering te kunnen geven aan de regels in de Batterijenverordening. Indirect is
het wetsvoorstel ook van betekenis voor andere producten dan batterijen en dat zouden
bijvoorbeeld ook staalslakken kunnen zijn. Om ter bescherming van het milieu en de
gezondheid regels te kunnen stellen zijn er meerdere wettelijke grondslagen mogelijk
die afhankelijk van de situatie kunnen worden gebruikt. Hierbij moet ook de in het
antwoord op vraag 9 genoemde voorwaarde voor de bijproductstatus of einde-afvalstatus
worden genoemd, waarin naast milieu ook expliciet het belang van gezondheidsbescherming
wordt genoemd (zie artikel 1.1, vierde lid, onder d, en zesde lid, onder d, van de
Wet milieubeheer). Overigens is de op dit moment van kracht zijnde Tijdelijke regeling
verbod en vergunningplicht LD- en ELO-staalslak (Staatscourant 2025, 25176) al mede ter bescherming van de gezondheid van de mens vastgesteld. Om die reden
is de grondslag voor deze noodregeling niet alleen artikel 23.6a van de Omgevingswet
(bodembescherming), maar ook artikel 9.2.2.6 van de Wet milieubeheer (milieu en gezondheid).
Doelstelling EVOA 2024
Vraag 13
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het doel om illegale afvalstromen tegen
te gaan en hoogwaardige verwerking binnen de Europese Unie te bevorderen. Tegelijkertijd
vragen zij hoe het verbod op overbrenging voor verwijdering zich verhoudt tot situaties
waarin grensoverschrijdende verwerking aantoonbaar efficiënter of duurzamer kan zijn.
Kan de regering toelichten hoe in dergelijke gevallen wordt voorkomen dat een mogelijk
duurzamere of efficiëntere verwerkingsroute wordt belemmerd?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven biedt de EVOA 2024 de mogelijkheid
om voor een milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van afval met andere landen samen
te werken. Voorwaarde voor die samenwerking is een borging van het milieuhygiënisch
verantwoord beheer van dat afval. In artikel 11 van de EVOA 2024 worden de voorwaarden
opgesomd, waaraan moet worden voldaan om overbrengingen van afvalstoffen bestemd voor
verwijdering toe te staan naar EU-lidstaten en EVA-landen. Met verwijdering worden
in ieder geval de handelingen bedoeld die zijn genoemd in bijlage I van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen. Voorbeelden van verwijderingshandelingen zijn lozen, storten, en verbranden
zonder energieterugwinning. De voorwaarden opgenomen in artikel 11 van de EVOA 2024
wijzen onder andere op de afvalhiërarchie (maat voor de hoogwaardigheid van de verwerking)
en op de technische en economische haalbaarheid. Uiterlijk op 21 mei 2027 stelt de
Europese Commissie een uitvoeringshandeling vast met gedetailleerde criteria voor
de uniforme toepassing van de voorwaarden technische en economische haalbaarheid.
De regering zal de Europese Commissie wijzen op de positieve ervaringen met de bestaande
samenwerking op dit gebied en voorafgaand aan de vaststelling van de uitvoeringshandeling
contact opnemen met de bevoegde autoriteiten in de betrokken buurlanden met het verzoek
samen te werken aan een constructieve en effectieve weg voorwaarts.
Vraag 14
Daarnaast vragen deze leden of het risico bestaat dat als gevolg van deze beperking
capaciteitsknelpunten in Nederland kunnen ontstaan. Kan de regering ingaan op de beschikbare
verwerkingscapaciteit in Nederland en toelichten hoe wordt voorkomen dat het verbod
leidt tot knelpunten in de verwerking van afvalstromen?
Het verbod op de export uit de EU van afvalstoffen bestemd voor verwijdering is een
continuering van een al vele jaren bestaand verbod. In het antwoord op vraag 13 is
aangegeven dat overbrengingen van afvalstoffen bestemd voor verwijdering binnen de
EU mogelijk blijven mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Mochten zich inderdaad
capaciteitsknelpunten manifesteren, dan neemt de regering contact op met de bevoegde
autoriteiten in de betrokken buurlanden met het verzoek samen te werken aan een constructieve
en effectieve weg voorwaarts.
Toepassingsbereik EVOA 2024
Vraag 15
De leden van de VVD-fractie vragen de regering te verduidelijken hoe in de praktijk
het onderscheid wordt gemaakt tussen een afvalstof en een gebruikt goed. Op welke
wijze wordt dit onderscheid in de handhaving en uitvoering toegepast, en hoe wordt
voorkomen dat hierover in de praktijk onduidelijkheid ontstaat voor bedrijven en toezichthouders?
Een materiaal is een afvalstof wanneer wordt voldaan aan de definitie uit de Kaderrichtlijn
afvalstoffen, zoals geïmplementeerd in artikel 1 lid 1 van de Wet milieubeheer: alle
stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich
te ontdoen of zich moet ontdoen. Wanneer er dus sprake is van (willen of moeten) ontdoen,
is er sprake van een afvalstof. De EVOA 2024 verwijst naar de definitie van afvalstoffen
in de Kaderrichtlijn afvalstoffen. In aanvulling op de Kaderrichtlijn afvalstoffen
bevat de EVOA 2024 in artikel 29 specifiek voor grensoverschrijdende overbrengingen
van afvalstoffen een vijftal voorwaarden om te beoordelen of een bepaald materiaal
geen afvalstof is, maar een «gebruikt goed»:
a) verder gebruik of hergebruik van het voorwerp of de stof staat vast;
b) het voorwerp of de stof kan de beoogde functie vervullen zonder significante voorverwerking;
c) indien relevant wordt het voorwerp of de stof getest om de volledige functionaliteit
ervan te waarborgen;
d) verder gebruik is rechtmatig, in die zin dat het voorwerp of de stof voldoet aan alle
relevante voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het
specifieke gebruik en niet zal leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten
op het milieu of de menselijke gezondheid;
e) het voorwerp of de stof wordt tijdens het vervoer, het laden en het lossen naar behoren
bewaard en beschermd tegen schade.
In hetzelfde artikel wordt voor de productgroepen elektrische en elektronische apparaten
en batterijen verwezen naar gedetailleerde criteria die worden vereist voor de export
van gebruikte goederen, opgenomen in respectievelijk de Richtlijn 2012/19/EU van het
Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur en de Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement
en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen. Verder heeft
de Europese Commissie de bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen teneinde
gedetailleerde criteria te bepalen voor de uniforme toepassing van deze voorwaarden
op specifieke stoffen of voorwerpen waarvoor het onderscheid tussen gebruikte goederen
en afvalstoffen van bijzonder belang is voor de uitvoer van afvalstoffen uit de EU.
Vraag 16
Daarnaast vragen deze leden welke gevolgen de regering verwacht voor Nederlandse exporteurs
van gebruikte goederen, zoals elektronica of voertuigen. Kan de regering toelichten
of en in hoeverre deze exporteurs te maken krijgen met aanvullende administratieve
lasten, controles of beperkingen als gevolg van de nieuwe regels?
Als sprake is van een gebruikt goed, dan is geen sprake van een afvalstof en is de
EVOA 2024 niet van toepassing. Maar het is wel van belang dat de exporteur overeenkomstig
de in het antwoord bij vraag 15 genoemde voorwaarden kan aantonen dat het een gebruikt
goed is. Deze verplichting bestond ook al in de EVOA 2006. In de EVOA 2024 is op een
aantal punten duidelijker aangegeven hoe een exporteur dat kan aantonen. Zo wordt
voor de productgroepen elektrische en elektronische apparaten en voor batterijen verwezen
naar gedetailleerde criteria in de hiervoor geldende Europese regelgeving. Ook voor
gebruikte voertuigen zullen binnenkort heldere criteria worden vastgesteld. Exporteurs
van gebruikte goederen krijgen op grond van de EVOA 2024 dus niet te maken met aanvullende
administratieve lasten.
Vraag 17
Voorts merken de leden van de VVD-fractie op dat de Europese Verordening Overbrenging
Afvalstoffen 2024 (EVOA 2024) niet van toepassing is op onder meer afvalstoffen die
ontstaan aan boord van voertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen (tot het moment
waarop deze worden gelost), radioactief afval, dierlijke bijproducten, voedermiddelen
en stedelijk afvalwater. Deze leden vragen de regering waar de overbrenging en verwerking
van deze stoffen wordt gereguleerd. Tevens vragen zij in hoeverre deze regelgeving
is omgeven met vergelijkbare waarborgen als die gelden voor afvalstoffen die wel onder
het toepassingsbereik van de EVOA 2024 vallen.
Het toepassingsgebied van de EVOA 2024 wordt in artikel 2 afgebakend om mogelijke
conflicten met bepalingen uit aanpalende regelgeving te voorkomen. In artikel 2 wordt
meteen verwezen naar de Europese regelgeving en/of internationale verdragen waar de
betreffende afvalstoffen door gereguleerd worden, zoals de Verordening dierlijke bijproducten
en de Richtlijn stedelijk afvalwater. De in deze aanpalende regelgeving opgenomen
waarborgen zijn maatwerk, toegespitst op het toepassingsgebied van deze regelgeving.
Procedures EVOA 2024
Vraag 18
De leden van de VVD-fractie steunen de digitalisering van procedures in het kader
van de uitvoering van de regelgeving. Zij vragen de regering hoe de interoperabiliteit
tussen het Europese digitale systeem en het Nederlandse systeem wordt gewaarborgd.
Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat beide systemen goed op elkaar aansluiten en
dat gegevensuitwisseling tussen nationale en Europese autoriteiten soepel kan verlopen?
Nederland gaat het Europese digitale systeem DIWASS gebruiken. Dit betekent dat Nederlandse
bedrijven hun kennisgevingen en transportmeldingen zelf rechtstreeks in DIWASS dienen
in te voeren. De ILT zal verder zelf gebruik maken van een Application Programming
Interface (API) om data uit DIWASS te downloaden voor haar VTH-taken (vergunningverlening,
toezicht en handhaving). Om deze VTH-taken te ondersteunen ontwikkelt de ILT enkele
applicaties, die gebruik maken van de met deze API gedownloade gegevens. Het bestaande
Nederlandse systeem zal na 21 mei 2026 uitsluitend voor de afhandeling van bestaande
al verleende toestemmingen worden gebruikt.
Vraag 19
Daarnaast vragen deze leden of er risico’s bestaan op vertragingen bij de implementatie
van het digitale platform. Kan de regering toelichten welke stappen worden genomen
om tijdige implementatie te waarborgen en hoe eventuele vertragingen worden voorkomen?
Het digitaal systeem DIWASS, wordt gebouwd in opdracht van de Europese Commissie.
Inmiddels zijn er werkende (test-)versies van het systeem. De verwachting is dat er
op 21 mei 2026 een werkend systeem beschikbaar is. Toegang tot DIWASS is mogelijk
via de gebruikelijke internetbrowsers.
Het tijdig informeren van de belanghebbenden is cruciaal voor een soepele introductie
van DIWASS. Sinds het najaar van 2025 organiseren de ILT en de Europese Commissie
voorlichtingsbijeenkomsten en bieden zij informatie aan op hun websites. De ILT heeft
in het najaar van 2025 drie fysieke voorlichtingijeenkomsten voor bedrijven georganiseerd
in Zwolle, Rotterdam en Utrecht. Daarnaast heeft de ILT meermaals bij betrokken branches
de ledenvergaderingen bezocht om de herziene EVOA toe te lichten. Op 3 en 9 maart
2026 verzorgde de ILT een online bijeenkomst voor bedrijven om de testversie van DIWASS
te demonstreren en op 12 mei is de productieversie gedemonstreerd. Ook organiseert
de ILT bijeenkomsten voor onder andere Douane, Politie en Rijkswaterstaat.
Verder houdt de ILT haar website bij met actuele ontwikkelingen en is een speciaal
e-mailadres voor het stellen van vragen beschikbaar.
De centrale database van DIWASS zal ook met behulp van een software-tool, een «API»
(zie ook het antwoord op de vorige vraag), gekoppeld kunnen worden aan softwarepakketten
zoals bestaande digitale administraties. Ook van die API is er inmiddels een testversie
beschikbaar, maar de definitieve versie van de API is op dit moment, een maand voor
de deadline, nog niet beschikbaar. Het kunnen gebruiken van die API vergt ook het
aanpassen van de software die op dit moment door de bevoegde autoriteit of een bedrijf
wordt gebruikt. Het aanpassen van bestaande software kost tijd en het is daardoor
denkbaar dat die aanpassingen inclusief het bijbehorend testen niet op 21 mei 2026
zijn afgerond. Echter, het gebruik van die API is strikt genomen niet noodzakelijk.
Het biedt vooral voordelen als er gewerkt wordt met grote hoeveelheden data. Een API
kan namelijk het overtypen van informatie bij het invullen van de EVOA-formulieren
tot een minimum beperken. De ILT gebruikt, net zoals sommige bevoegde autoriteiten
uit andere EU-lidstaten, de API voor aanvullende functionaliteit, die niet geboden
wordt door DIWASS maar die de ILT wel nodig heeft voor het goed kunnen uitvoeren van
haar taken.
Op 27 maart 2026 heeft de Europese Commissie de Lidstaten en de Europese brancheorganisaties
geïnformeerd over de actuele ontwikkelingen en de bijbehorende overgangsregelingen
toegelicht. Om tegemoet te komen aan de zorgen over het met ingang van 21 mei 2026
in DIWASS moeten invoeren van de EVOA bijlage VII-formulieren heeft de Europese Commissie
voorgesteld om alleen voor deze bijlage VII-formulieren tot en met 31 december 2026
de huidige procedures uit de EVOA 2006 te blijven hanteren. Informatie over het gebruik
van het bijlage VII-formulier is op de site4 van de ILT beschikbaar.
DIWASS GUI (website) kan in de periode van 21 mei tot en met 31 december 2026 op vrijwillige
basis worden gebruikt om bijlage VII-formulieren te genereren en in te vullen. DIWASS
GUI biedt de mogelijkheid om het bijlage VII-formulier in pdf-formaat te downloaden.
In dergelijke gevallen kunnen de andere bij de betreffende transporten betrokken exploitanten
zelf kiezen hoe zij de relevante vakken van bijlage VII-formulieren invullen, hetzij
via DIWASS GUI, hetzij op papier. Voor alle duidelijkheid, dit uitstel geldt niet
voor kennisgevingen. Kennisgevingen moeten met ingang van 21 mei 2026 wel zoals gepland
via DIWASS worden ingediend.
Veel belanghebbenden hebben gehoor gegeven aan de oproep van de ILT om hun kennisgevingen
voor de zomerperiode van 2026 tijdig, dus voor maart 2026 in te dienen zodat deze
verwerkt konden worden op basis van de huidige procedures uit de EVOA 2006. Wanneer
een kennisgeving niet voor 21 mei 2026 van een ontvangstbevestiging van de autoriteit
van bestemming is voorzien, dan moet die kennisgeving vanaf 21 mei op basis van de
procedures uit de EVOA 2024 worden ingediend en in DIWASS worden ingevoerd.
Als gevolg van dit eerder indienen worden significant minder nieuwe kennisgevingen
verwacht in de drie maanden voor en ook kort na 21 mei 2026. Dit biedt alle betrokkenen
enige ruimte voor het aanpassen van hun werkprocessen voor de verplichte overstap
op DIWASS.
Vraag 20
Tot slot vragen deze leden welke investeringskosten de invoering van dit digitale
systeem met zich meebrengt. Kan de regering aangeven welke kosten worden verwacht
voor bedrijven en welke kosten gemoeid zijn met de implementatie en uitvoering bij
de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)?
In 2024 zijn de structurele jaarlijkse extra kosten als gevolg van de vervanging van
de EVOA 2006 door de EVOA 2024 voor de ILT begroot op € 1,5 miljoen. De invoering
van de wijzigingen vergt daarbovenop een incidentele extra financiering in 2025 van
€ 562.500, in 2026 van € 638.500 en in 2027 van € 114.000.
De structurele extra kosten voor ILT zijn vooral een gevolg van het analyseren van
de extra informatie die met de invoering van DIWASS beschikbaar komt. Deze analyses
zullen onder andere worden ingezet ten behoeve van toezicht, handhaving en ten behoeve
van het optimaliseren van het beleid. Verder zullen de aangescherpte eisen voor het
borgen van een milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van uit de Europese Unie geëxporteerd
afval extra capaciteit gaan vragen. Wel zal door de invoering van het verplicht digitaal
aanleveren van informatie veel van het bewerkelijk overnemen van gegevens uit analoog
aangeleverde kennisgevingen komen te vervallen en dat bespaart de ILT werk en middelen.
Voor bedrijven zal de invoering van het digitale systeem eenmalig een investering
vergen in verband met de verplichte overstap naar DIWASS. Met de invoering van DIWASS
wordt de verplichte administratie gestroomlijnd, worden bijbehorende maximale termijnen
verkort en daarmee wordt de voorspelbaarheid van de administratieve afhandeling vergroot.
De in het antwoord bij vraag 19 genoemde API is ook beschikbaar voor het digitaal
koppelen van administraties van bedrijven aan DIWASS. En, zoals in het antwoord bij
vraag 40 verder is uitgewerkt, voldoen de in DIWASS opgeslagen gegevens aan de specificaties
vastgelegd in eFTI, met als gevolg dat bevoegde autoriteiten in de EU, ook bij inspecties,
de gegevens uit DIWASS moeten accepteren als transportdocumenten. Uiteindelijk zal
het digitale systeem ook voor bedrijven leiden tot een efficiëntere afhandeling van
de verplichte administratie.
Faciliteren van de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik en recycling binnen
de EU
Vraag 21
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat hoogwaardige recyclingcapaciteit niet
alleen een milieudoel dient, maar ook een strategisch-economische dimensie heeft.
In het licht van toenemende geopolitieke spanningen en afhankelijkheden van kritieke
grondstoffen vragen deze leden hoe de regering dit wetsvoorstel beziet in samenhang
met de Europese ambitie tot strategische autonomie. Kan de regering uiteenzetten in
hoeverre de aangescherpte Europese regels bijdragen aan het binnen de Unie houden
van waardevolle secundaire grondstoffen, zoals metalen uit batterijen en elektronische
apparatuur? Ziet de regering kansen om Nederland – mede via de havens en bestaande
industriële clusters – te positioneren als knooppunt voor hoogwaardige recycling binnen
de EU?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
In het antwoord op vraag 2 is al aangegeven dat dit wetsvoorstel op zichzelf daarom
geen gevolgen heeft voor de grondstoffenmarkt.
Primair doel van de EVOA 2024 is de bescherming van gezondheid en milieu door te voorzien
in procedures en controleregelingen voor internationale transporten van afval. De
EVOA 2024 eist een toetsbaar milieuhygiënisch verantwoord beheer van de getransporteerde
afvalstoffen, ook als die afvalstoffen uit de EU worden geëxporteerd en verwerkt.
Dit versterkt de economische positie van de Europese recyclingmarkt doordat hiermee
een gelijk speelveld wordt gecreëerd voor alle verwerkers van uit de EU afkomstige
afvalstoffen, gevestigd binnen of buiten de EU, en dus ook voor de verwerkers binnen
Nederland.
De EVOA 2024 gaat alleen over transporten van afval en is als instrument te grofmazig
om doeltreffend te kunnen worden ingezet voor het sturen van afvalstromen die kritieke
grondstoffen kunnen bevatten. De EVOA 2024 maakt het onder andere door de invoering
van de digitale administratie in DIWASS wel gemakkelijker om afvalstoffen voor hergebruik
en recycling binnen de EU over te brengen. Ook is het toetsen aan het Circulair Materialenplan
(CMP) met daarin opgenomen minimum verwerkingsstandaarden in de EVOA 2024 in meer
detail vastgelegd. Dat verbetert de bruikbaarheid van het CMP als instrument voor
het sturen naar een hoogwaardige verwerking van afvalstoffen. Mochten er voor afvalstromen
met kritieke grondstoffen binnen de EU middels aangescherpte Beste Beschikbare Technieken
(BBT) eisen gesteld worden voor het terugwinnen van deze kritieke grondstoffen, kan
dat als toetsingskader voor het beoordelen van kennisgevingen voor uitvoer uit de
EU worden gebruikt. Samenvattend zal de EVOA 2024 een positief effect hebben op het
binnen de EU houden van kritieke grondstoffen doordat de EVOA stuurt op het binnen
de EU verwerken van afvalstoffen en daarbij ook stuurt op hoogwaardige verwerking
overeenkomstig de afvalhiërarchie.
Vraag 22
De leden van de D66-fractie achten het van belang dat de implementatie van de EVOA
2024 niet uitsluitend wordt benaderd vanuit handhaving en administratieve lasten,
maar nadrukkelijk ook als instrument voor industriële versterking en grondstoffenzekerheid.
Op welke wijze wordt deze bredere strategische dimensie betrokken bij de nationale
uitvoering? Deze leden lezen daarnaast dat de EVOA 2024 beoogt het transport van afval
voor recycling binnen de EU te vergemakkelijken. Kan de regering toelichten welke
specifieke kansen dit wetsvoorstel biedt voor de Nederlandse innovatieve recyclingindustrie,
nu er naar verwachting meer hoogwaardige reststromen binnen de Europese Unie zullen
blijven?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
De algemene doelstelling van de EVOA 2024 is het verhogen van het niveau van bescherming
van het milieu en de menselijke gezondheid tegen de effecten van ondeugdelijke grensoverschrijdende
overbrengingen van afvalstoffen. Daarbij is de EVOA 2024 tevens gericht op het meer
in lijn brengen van de EVOA met de transitie naar een circulaire economie door ervoor
te zorgen dat de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik en recycling binnen
de EU wordt vergemakkelijkt, de EU haar afvalproblemen niet naar derde landen uitvoert
en illegale overbrengingen van afvalstoffen doeltreffender worden bestreden.
De EVOA 2024 regelt, dat uitvoer van afval uit de EU voortaan uitsluitend wordt toegestaan
indien het milieuhygiënisch verantwoord beheer van dat afval toetsbaar van een kwaliteit
is die wij ook binnen de EU accepteren. Dat creëert een gelijk speelveld en daarmee
hoeven verwerkers binnen de EU niet langer te concurreren met verwerkers buiten de
EU die niet gebonden zijn aan binnen de EU geldende milieuvoorschriften en die daardoor
mogelijk minder kosten maken.
Bij het toetsen van EVOA-kennisgevingen dient de bevoegde autoriteit, voor Nederland
is dat de ILT, rekening te houden met een eventueel toetsingskader dat voor die afvalstroom
in het Circulair Materialenplan (CMP) is opgenomen. Het toetsen aan nationale afvalbeheerplannen
of afvalpreventieprogramma’s is expliciet opgenomen in artikel 12, eerste lid, onder
b, van de EVOA 2024. Indien een innovatieve verwerkingswijze aan een aantal voorwaarden
voldoet, kan in het toetsingskader deze verwerkingswijze als minimum verwerkingsstandaard
worden aangewezen. Met het vaststellen van een minimum verwerkingsstandaard wordt
de verwerking van die specifieke stroom afval in zijn geheel naar een hoogwaardiger
niveau getild. Dat kan dergelijke innovaties helpen om door te breken op de Nederlandse
en vervolgens Europese markt.
Vraag 23
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij kan kwantificeren welk effect
de aangepaste termijnen hebben op de doorlooptijd van vergunningprocedures. Kan de
regering aangeven in hoeverre deze wijzigingen naar verwachting leiden tot een verkorting
van de totale proceduretijd? Daarnaast vragen deze leden of de regering verwacht dat
de aangepaste termijnen in de praktijk daadwerkelijk zullen leiden tot een versnelling
van vergunningprocedures. Kan de regering toelichten op basis waarvan deze verwachting
wordt onderbouwd?
Bij de herziening van de EVOA 2006 zijn de termijnen voor de deelstappen in de beoordeling
van een ingediende kennisgeving opnieuw bekeken en in meer detail uitgewerkt. Dit
heeft geleid tot onder andere de volgende aanpassingen:
De EVOA 2006 kent voor de eerste stap in de beoordeling van een ingediende of van
een als correct beoordeelde kennisgeving een termijn van 3 werkdagen. In de praktijk
bleek deze termijn niet realistisch en daarom is deze termijn in de EVOA 2024 verlengd
tot maximaal 10 werkdagen. Op papier is dit een verlenging, maar in de praktijk werd
de termijn van 3 werkdagen regelmatig overschreden.
Voor het opvragen van aanvullende informatie voert de EVOA 2024 nieuwe termijnen in
voor het aanleveren van de gevraagde aanvullende informatie plus een maximum van 3
voor het aantal malen dat om aanvullende informatie kan worden gevraagd. Is de aanvullende
informatie niet toereikend, dan besluit de betrokken bevoegde autoriteit dat de kennisgeving
niet geldig is en verder niet wordt verwerkt.
In de praktijk van de EVOA 2006 bleek het aanleveren van aanvullende informatie door
het ontbreken van duidelijke termijnen soms uit te monden in een slepend proces. Doordat
alle betrokken bevoegde autoriteiten onafhankelijk van elkaar om aanvullende informatie
kunnen vragen, ging er ook tijd zitten in het rondzenden van aanvullende documenten
en het controleren op actualiteit van lopende dossiers. Met de invoering van DIWASS
hebben alle betrokken bevoegde autoriteiten en de kennisgever online toegang tot het
unieke actuele dossier en dit zal het aanvullen van een kennisgeving aanzienlijk stroomlijnen
en versnellen. DIWASS geeft ook voor alle gebruikers (bedrijven alsmede autoriteiten)
aan welke deadlines van toepassing zijn, om het gebruiksgemak te vergroten.
Tabel met belangrijkste termijnen voor de beoordeling van ingediende kennisgevingen
in de EVOA 2024 in vergelijking met de EVOA 2006:
Stap in procedure EVOA-kennisgeving
EVOA 2024
EVOA 2006
Check op correcte indiening kennisgeving (KG) door bevoegde autoriteit van verzending
(BAV)
– KG correct
8.6 BAV meldt (in DIWASS) binnen 10 werkdagen na indiening, of binnen 7 werkdagen
na ontvangst aanvullende info, dat KG correct is.
8.11 De overige betrokken bevoegde autoriteiten (bBAs) melden vervolgens binnen 3
werkdagen of ook zij oordelen dat KG correct is
7.1 BAV zendt KG binnen 3 werkdagen na indiening KG naar alle betrokken bevoegde autoriteiten
(bBAs)
– KG niet correct
8.2 BAV vraagt kennisgever (via DIWASS) binnen 10 werkdagen na indiening KG om aanvullende
info
8.3 Kennisgever verstrekt de gevraagde aanvullende info binnen 10 werkdagen. Op verzoek
kennisgever kan termijn worden verlengd.
8.4 Indien aanvullende info niet voldoet, dan nog max 2x binnen 7 werkdagen verzoek
om aanvullende info binnen 10 werkdagen in te dienen met mogelijkheid tot velenging
op verzoek.
8.5 Na max 3 verzoeken om aanvullende info kan BAV besluiten dat KG niet geldig is
en niet verder wordt verwerkt.
7.2 BAV vraagt kennisgever binnen 3 werkdagen na indiening KG om aanvullende info
NB er is geen maximum voor het aantal iteraties en ook geen termijn voor het aanleveren
van info gespecificeerd.
– KG correct maar BAV maakt bezwaar
7.3 BAV heeft 3 werkdagen om bezwaar te maken tegen correcte KG.
BAV kan behandeling KG stoppen.
Check op volledigheid KG door de overige betrokken bevoegde autoriteiten (bBAs)
– Bevoegde autoriteit van bestemming (BAB) oordeelt KG is volledig
8.12 BAB stelt kennisgever en overige betrokken bevoegde autoriteiten (bBAs) onmiddellijk
in kennis (via DIWASS) van hun oordeel dat de KG volledig is.
8.2 BAB zendt volledige KG binnen 3 werkdagen na ontvangst correcte KG naar kennisgever
en overige betrokken bevoegde autoriteiten (bBAs)
– bBA verzoekt om aanvullende info
8.7 bBAs vragen kennisgever uiterlijk 10 werkdagen na ontvangst correcte KG om aanvullende
info.
8.8 Kennisgever verstrekt de gevraagde aanvullende info binnen 10 werkdagen. Op verzoek
kennisgever kan termijn worden verlengd.
8.9 Indien aanvullende info niet voldoet, dan nog max 2x binnen 7 werkdagen verzoek
om aanvullende info binnen 10 werkdagen in te dienen met mogelijkheid tot velenging
op verzoek.
8.10 Na max 3 verzoeken om aanvullende info kan een bBA besluiten dat KG niet geldig
is en niet verder wordt verwerkt.
8.1 bBA vraagt kennisgever binnen 3 werkdagen na ontvangst correcte KG om aanvullende
info.
NB er is geen maximum voor het aantal iteraties en ook geen termijn voor het aanleveren
van info gespecificeerd
Nemen van besluit op basis van volledige KG door bBAs
– termijn voor nemen besluit op volledige KG
9.1 bBAs hebben 30 dagen na mededeling (via DIWASS) volledige KG om besluit te nemen
9.1 bBAs hebben 30 dagen na ontvangstbevestiging volledige KG om besluit te nemen
12.4 Bezwaren niet binnen 30 dagen opgelost → KG vervalt behalve indien bBAs anders
overeenkomen
11.5 / 12.4 Bezwaren niet binnen 30 dagen opgelost → KG vervalt behalve indien bBAs
anders overeenkomen
fwijkende termijnen voor Vooraf Goedgekeurde Inrichting (VGI) VGI bij nemen van besluit
op basis van volledige KG door bBAs
14.14 Bij VGI wordt maximale termijn voor nemen besluit op volledige kennisgeving
7 werkdagen ipv 30 dagen.
14.16 Deze termijn kan worden verlengd tot max 30 dagen.
14.4 & 14.5 Bij VGI wordt 30 dagen 7 werkdagen, wat verlengd kan worden tot max 30 dagen
14.15 Bij VGI worden de max termijnen voor aanvullende info ook ingekort
Voorkomen dat de EU haar afvalproblemen naar derde landen uitvoert
Vraag 24
De leden van de D66-fractie stellen dat vanaf mei 2027 een strenger regime geldt voor
de uitvoer van niet-gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen. Hoe borgt de regering
dat dit niet leidt tot een ongewenst overschot aan laagwaardig afval in Nederland,
maar juist een prikkel vormt voor investeringen in extra Nederlandse verwerkings-
en innovatiecapaciteit?
De regering kan feitelijk niet borgen dat de hoeveelheid (laagwaardig) afval op de
Nederlandse markt begrensd blijft tot een maximum. Het is in eerste instantie aan
marktpartijen om het afval op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze te (laten) verwerken.
Dit strenger regime was meteen vanaf het begin onderdeel van het voorstel van de Europese
Commissie voor de herziening van de EVOA, gepubliceerd op 17 november 2021. Dat gaf
de betrokken partijen de mogelijkheid om hierover hun standpunt vanaf het begin van
de onderhandelingen hierover kenbaar te maken en ook om te anticiperen op een mogelijke
uitkomst van deze onderhandelingen.
Zoals ook is aangegeven in de antwoorden bij de vragen 21, 22, 26 en 28 eist de EVOA
2024 een toetsbaar milieuhygiënisch verantwoord beheer van de getransporteerde afvalstoffen,
ook als die afvalstoffen uit de EU worden geëxporteerd en verwerkt. Dit versterkt
de economische positie van de Europese recyclingmarkt doordat hiermee een gelijk speelveld
wordt gecreëerd voor alle verwerkers van uit de EU afkomstige afvalstoffen, gevestigd
binnen of buiten de EU, en dus ook voor de verwerkers binnen Nederland.
Als voorbereiding op de komende wijzigingen heeft de ILT voorlichtings-bijeenkomsten
gehouden, expliciet gericht op deze termijnen. Deze voorlichtingsbijeenkomsten waren
druk bezocht. De regering zal uiteraard acteren op signalen, die erop wijzen dat de
verwerking van afval in het geding kan komen.
Vraag 25
Daarnaast moeten bedrijven die afval uitvoeren naar derde landen via onafhankelijke
audits aantonen dat dit milieu hygiënisch verantwoord gebeurt. Deelt de regering de
mening van deze leden dat de kwaliteit van deze audits cruciaal is om «greenwashing»
en illegale dump te voorkomen? Hoe gaat Nederland toezien op de objectiviteit en kwaliteit
van deze private auditbureaus?
De kwaliteit van audits is inderdaad van belang. Zo is in de EVOA 2024 de eis opgenomen
dat de auditor over een vergunning of accreditatie van een nationale officiële instantie
moet beschikken om deze audits op deze afvalverwerkingsbedrijven uit te voeren. Ook
stelt de EVOA 2024 dat als uit betrouwbare bron blijkt dat verplichtingen niet worden
nagekomen, de lidstaten de nodige verificaties dienen uit te voeren. De ILT zal daarnaast
risico gestuurd nadere informatie over uitgevoerde audits opvragen. Afstemming hierover
zal plaats vinden in de opgerichte Europese handhavingsgroep waar alle lidstaten in
deelnemen.
Vraag 26
De leden van de VVD-fractie vragen de regering wat de economische gevolgen zijn voor
Nederlandse bedrijven die momenteel afval exporteren naar landen die geen lid zijn
van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Kan de regering
toelichten welke effecten zij verwacht voor deze bedrijven, bijvoorbeeld ten aanzien
van kosten, afzetmogelijkheden en administratieve lasten? Daarnaast vragen deze leden
of de regering verwacht dat de nieuwe regels zullen leiden tot verschuivingen van
afvalstromen naar andere lidstaten van de Europese Unie of tot stijgende kosten voor
afvalverwerking. Kan de regering ingaan op de mogelijke gevolgen voor de concurrentiepositie
van Nederlandse bedrijven?
Zoals reeds is beschreven in het antwoord op vraag 1, bevat dit wetsvoorstel alleen
regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving.
Het zijn de in EVOA 2024 vastgelegde regels, waarvan het overgrote deel op 21 mei
2026 van toepassing wordt, die impact zullen hebben op internationale afvalstromen.
De algemene doelstelling van de EVOA 2024 is het borgen van de bescherming van het
milieu en de menselijke gezondheid tegen de risico’s verbonden aan internationale
afvaltransporten. De EVOA 2024 ondersteunt de transitie naar een circulaire economie
door toetsbare eisen te stellen aan het milieuhygiënisch verantwoord beheer van de
getransporteerde afvalstoffen. Het naleven van deze eisen moet ook zijn geborgd voor
afvalstoffen die uit de EU worden geëxporteerd en verwerkt. Dit versterkt de economische
positie van de Europese recyclingmarkt doordat hiermee een gelijk speelveld wordt
gecreëerd voor alle verwerkers van uit de EU afkomstige afvalstoffen, gevestigd binnen
of buiten de EU, en dus ook voor de verwerkers binnen Nederland.
Het oorspronkelijk voorstel voor de herziening van de EVOA 2006 is gebaseerd op een
impact assessment5 van de Europese Commissie. Conclusie uit deze effectbeoordeling is dat de gekozen
combinatie van gerichte en structurele veranderingen resulteert in een evenwichtige
aanpak wat betreft effectiviteit (het behalen van de doelstellingen) en efficiëntie
(kosteneffectiviteit).
De voorwaarden voor specifiek de export van afval naar niet-OESO-landen worden in
de EVOA 2024 aanzienlijk aangescherpt. Deze aanscherping kan resulteren in een verbod
op export uit de EU. Vanaf 21 mei 2027 is die export uitsluitend toegestaan naar niet-OESO-landen
die daarvoor bij de Europese Commissie een onderbouwd verzoek hebben ingediend en
waarvan de Commissie heeft vastgesteld dat die landen aan de in de EVOA 2024 opgenomen
voorwaarden voldoen. De Commissie zal uiterlijk op 21 november 2026 in een gedelegeerde
handeling de lijst met landen vaststellen die aan deze voorwaarden voldoen. In deze
gedelegeerde handeling wordt meteen per land vastgelegd voor welke afvalstromen aan
de voorwaarden wordt voldaan.
Op de site van de Europese Commissie6 wordt vermeld welke 32 landen een verzoek hebben ingediend voor plaatsing op deze
lijst.
Vraag 27
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt voorkomen dat afvalstromen zich
verplaatsen naar landen met een lagere handhavingscapaciteit. Welke waarborgen bestaan
er om te voorkomen dat strengere regels leiden tot ontwijkgedrag of minder controleerbare
verwerkingsroutes?
In artikel 66 van EVOA 2024 wordt de Europese handhavingsgroep inzake overbrenging
van afvalstoffen opgericht, waarin alle lidstaten deelnemen en die bedoeld is om onderlinge
samenwerking op het gebied van handhaving te bevorderen. Informatie-uitwisseling en
gezamenlijke prioriteitstelling zijn daarbij cruciaal. Naast deze samenwerking op
strategisch en tactisch niveau, is ook samenwerking op operationeel niveau van belang.
Hiervoor zal de ILT zich blijvend inzetten en de gezamenlijke controles met de Vlaamse
en Duitse EVOA-toezichthouders nabij onze landgrenzen continueren. Ook zal het European
Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law (IMPEL) voor de
EVOA actief blijven. Hierbij worden veelal projectgewijs bepaalde onderwerpen aangepakt.
Door de invoering van DIWASS worden de gegevens van internationale transporten van
afvalstoffen digitaal opgeslagen en daardoor kunnen deze gegevens eenvoudiger worden
ontsloten voor analyse op bijvoorbeeld de in de vraagstelling aangeduide wijzigingen.
Vraag 28
Tot slot vragen deze leden welk stimulerend of flankerend beleid Nederland voert om
afvalverwerking juist binnen Nederland te laten plaatsvinden. Kan de regering toelichten
welke maatregelen worden genomen om hoogwaardige verwerking en recycling in Nederland
te bevorderen?
Na het opnemen van een in Nederland op voldoende grote schaal beschikbare hoogwaardige
verwerkingsmethode als minimum verwerkingstandaard in een toetsingskader in het Circulair
Materialenplan (CMP) zorgt artikel 12, eerste lid onder b, van de EVOA 2024 ervoor
dat deze afvalstof vervolgens in eerste instantie in dit type installatie moet worden
verwerkt (of in een installatie, die een nog hoogwaardigere verwerking mogelijk maakt).
Deze bepaling in de EVOA 2024 maakt het zo mogelijk om geschikt afval ten behoeve
van een hoogwaardige verwerking gericht te sturen naar een nieuwe innovatieve verwerkingsinstallatie,
ook als dit leidt tot hogere kosten, en geeft deze innovatie daarmee de kans om zich
verder te ontwikkelen en een positie op de verwerkingsmarkt te veroveren.
Zoals ook is aangegeven in de antwoorden bij de vragen 21, 22, 24 en 26 eist de EVOA
2024 een toetsbaar milieuhygiënisch verantwoord beheer van de getransporteerde afvalstoffen,
ook als die afvalstoffen uit de EU worden geëxporteerd en verwerkt. Dit versterkt
de economische positie van de Europese recyclingmarkt doordat hiermee een gelijk speelveld
wordt gecreëerd voor alle verwerkers van uit de EU afkomstige afvalstoffen, gevestigd
binnen of buiten de EU, en dus ook voor de verwerkers binnen Nederland.
Speciaal voor het bevorderen van de voor de transitie naar een circulaire economie
zo gewenste innovaties is het Versnellingshuis7 ingericht. Ook is op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
meer informatie beschikbaar over steun voor circulaire projecten8.
Vraag 29
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de EVOA 2024 beoogt
te voorkomen dat de EU haar afvalproblemen afwentelt op derde landen. De verordening
bevat strengere eisen voor export naar niet-OESO-landen. Acht de regering het wenselijk
dat afvalexport naar landen met zwakkere milieustandaarden überhaupt blijft plaatsvinden,
rekening houdende met risico’s voor mens en milieu? Zo ja, waarom precies en op welke
inzichten van experts baseert de regering zich? Hoe wordt gecontroleerd of ontvangende
landen daadwerkelijk beschikken over veilige verwerkingscapaciteit? Hoe wordt gecontroleerd
dat afvalexport niet leidt tot milieuschade buiten de Europese Unie waarvoor feitelijk
Europese verantwoordelijkheid bestaat? Op welke manier zou EVOA 2024 in theorie nog
ingezet kunnen worden om export van staalslakken en bijbehorende milieuproblemen naar
derde landen te beperken? Wordt bij grensoverschrijdende verplaatsing van staalslakken
standaard beoordeeld of sprake is van afvaltransport?
De EVOA 2024 moet ervoor zorgen dat afval uitsluitend uit de EU wordt geëxporteerd
wanneer het niveau van milieuhygiënisch verantwoord beheer buiten de EU overeenkomt
met het niveau dat binnen de EU wordt geaccepteerd. Maatregelen als deze moeten passen
binnen de internationale verdragen waar de EU zich aan heeft verbonden, zoals het
World Trade Organization General Agreement on Tariffs and Trade (WTO / GATT) om een
gelijk speelveld te creëren voor bedrijven binnen en buiten de EU.
De beschikbare verwerkingscapaciteit, inclusief de gevolgen voor de verwerking van
het eigen afval in het niet-OESO-land, zijn onderdeel van de toetsing door de Europese
Commissie van een door dat niet-OESO-land ingediend verzoek om op de in het antwoord
bij vraag 26 genoemde lijst van landen te worden geplaatst. Artikel 42, derde lid,
en bijlage VIII van de EVOA 2024 definiëren het format voor de door het niet-OESO-land
bij de Commissie in te dienen aanvraag. In dat format wordt gevraagd om gedetailleerde
beschrijvingen van de nationale afvalbeheetrategie of het nationale afvalbeheerplan
(inclusief bijvoorbeeld maatregelen tegen zwerfafval), van het bestaande nationale
rechtskader voor afvalbeheer en van de handhavingsstrategie. Verder moet het niet-OESO-land
op internet een actuele lijst bijhouden van de verwerkingsinstallaties die een vergunning
hebben voor het verwerken van het in het verzoek gespecificeerde afval. Met ingang
van 21 mei 2027 is export van afval uit de EU naar niet-OESO-landen uitsluitend toegestaan
indien dit land voor deze afvalstroom op deze lijst staat.
In de antwoorden op vragen 25, 27, 31, 33 en 45 zijn diverse aspecten van toezicht
en handhaving toegelicht.
Wanneer staalslakken in een specifieke casus de status «afvalstof» hebben en deze
grensoverschrijdend worden vervoerd, dan valt dit transport onder de EVOA 2024. De
EVOA 2024 kan voor de verwerking van een afvalstof bijvoorbeeld via het toetsingskader
in het Circulair Materialenplan (CMP) of via de lijst van geautoriseerde niet-OESO-landen,
genoemd in het antwoord bij vraag 26, sturen op de verwerking van deze staalslakken.
Bij grensoverschrijdend transport van secundaire materialen, die niet (langer) de
status «afvalstof» hebben, en dat kunnen ook staalslakken zijn, dient de houder van
die materialen te kunnen onderbouwen dat er geen sprake is van een afvalstof. Hier
vindt toezicht en handhaving op plaats en indien gevraagd, overlegt de houder de benodigde
informatie om te onderbouwen dat er geen sprake is van een afvalstof. In het antwoord
bij vraag 8 is ingegaan op de einde-afvalstatus en in het antwoord op vraag 9 op het
nationale staalslakkenbeleid.
Bestrijden van illegale overbrengingen van afvalstoffen
Vraag 30
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe de samenwerking binnen de Europese
handhavingsgroep concreet wordt ingericht. Kan de regering toelichten op welke wijze
lidstaten binnen deze structuur informatie uitwisselen, gezamenlijke controles uitvoeren
en de handhaving op grensoverschrijdende afvalstromen versterken?
Zie het antwoord bij vraag 27. Binnen de handhavingsgroep neemt ook het Europees bureau
voor fraudebestrijding (OLAF) deel. Voor het uitwisselen van handhavingsinformatie
kan gebruik worden gemaakt van hun systeem AFIS (Anti Fraud Information Systeem).
Vraag 31
Daarnaast vragen deze leden of de ILT over voldoende capaciteit beschikt om de aangescherpte
handhavingsverplichtingen uit te voeren. Kan de regering aangeven in hoeverre de huidige
capaciteit van de ILT toereikend is voor de uitvoering van deze taken?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of de regering inzicht kan geven in de
huidige handhavingscapaciteit en eventuele voorgenomen uitbreidingen. Kan de regering
toelichten welke maatregelen worden genomen om de handhaving waar nodig te versterken?
De ILT heeft een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets
(HUF-toets) over de bepalingen in de EVOA 2024 uitgevoerd. In de HUF-toets is in beeld
gebracht welke capaciteit en middelen de ILT nodig heeft voor de nieuwe en aangepaste
taken. In 2024 zijn de structurele jaarlijkse extra kosten als gevolg van de vervanging
van de EVOA 2006 door de EVOA 2024 voor de ILT begroot op € 1,5 miljoen. De invoering
van de wijzigingen vergt daarbovenop een incidentele extra financiering in 2025 van
€ 562.500, in 2026 van € 638.500 en in 2027 van € 114.000. In het antwoord bij vraag
20 is een korte toelichting gegeven bij deze bedragen.
In de HUF-toets heeft de ILT ook aangegeven dat de benodigde middelen en capaciteit
kunnen wijzigen ten gevolge van de nog vast te stellen uitvoerings- en gedelegeerde
handelingen die op een later moment door de Europese Commissie worden vastgelegd.
Vraag 32
De leden van de CDA-fractie constateren dat in het wetsvoorstel wordt geregeld welke
overtredingen van de Europese regels strafbaar zijn in de Wet milieubeheer. Deze leden
vernemen graag hoe de regering waarborgt dat voor bedrijven, vervoerders en andere
betrokkenen voldoende duidelijk is welke gedragingen precies strafbaar zijn. Hoe wordt
voorkomen dat administratieve vergissingen of onduidelijkheden direct tot strafrechtelijke
vervolging leiden? Kan de regering toelichten welke uitgangspunten worden gehanteerd
bij de keuze om een overtreding strafrechtelijk dan wel bestuursrechtelijk te handhaven?
Het wetsvoorstel voorziet erin dat overtredingen van de EVOA 2024 zowel bestuursrechtelijk
als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Bestuursrechtelijke handhaving en strafrechtelijke
handhaving dienen beide een verschillend doel. Bestuursrechtelijke sancties hebben
een reparatoir karakter en zijn gericht op het beëindigen of ongedaan maken van een
overtreding of de gevolgen daarvan, of om herhaling van een overtreding te voorkomen.
Strafrechtelijke sancties hebben daarentegen een punitief karakter en zijn gericht
op het bestraffen van de overtreder.
Voor een doeltreffende bescherming van het milieu is het van belang om bij niet-naleving
van milieuregelgeving niet alleen bestuursrechtelijke, maar ook strafrechtelijke sancties
te kunnen opleggen. Strafrechtelijke sancties dragen vanwege hun afschrikwekkende
werking bij aan het voorkomen en ontmoedigen van (moreel verwerpelijke) gedragingen
die schade aan het milieu (dreigen te) veroorzaken. Ook vanwege de economische belangen
die verbonden zijn aan het ontduiken van milieuregelgeving en de verstoring van concurrentieverhoudingen
die dit met zich meebrengt, ligt strafrechtelijk ingrijpen voor de hand.
Voor een effectieve handhaving is een integrale benadering van belang. Het is aan
het bevoegd gezag (de ILT) om in concrete gevallen, afhankelijk van de omstandigheden
van het geval, de keuze te maken of bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk optreden
meer voor de hand ligt. Als kader maakt de ILT gebruik van de Landelijke Handhavingsstrategie
Omgevingsrecht: de interventie is afhankelijk van de zwaarte van de overtreding en
het gedrag van de overtreder.
Zo zal een administratieve tekortkoming veelal met een bestuursrechtelijke interventie
worden afgedaan, terwijl bij het willens en wetens overtreden van bijvoorbeeld een
exportverbod een strafrechtelijke interventie passend is.
Om strafrechtelijk te kunnen optreden moet voldoende duidelijk zijn welke gedragingen
precies strafbaar zijn. Dit vloeit voort uit het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel.
Het wetsvoorstel voorziet hierin door alle bepalingen van de EVOA 2024 aan te wijzen
waarvan overtreding strafbaar is. Welke gedragingen precies strafbaar zijn, volgt
rechtstreeks uit de aangewezen bepalingen van de EVOA 2024. Door deze bepalingen te
raadplegen kunnen bedrijven, vervoerders en andere betrokkenen precies zien welke
verplichtingen er op hen rusten. Uit de EVOA 2024 volgt dat kleine schrijffouten in
een kennisgevingsdocument, vervoersdocument of bijlage VII-document niet strafbaar
(kunnen) zijn.
Vraag 33
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat illegale afvaltransporten
volgens Europese inspecties een structureel probleem zijn. Recente berichtgeving wijst
erop dat afvalstromen regelmatig verkeerd worden geclassificeerd of via tussenlanden
worden uitgevoerd. Hoeveel extra handhavingscapaciteit is noodzakelijk om de nieuwe
verordening effectief uit te voeren? Wordt het aantal fysieke controles verhoogd,
en zo ja met welk percentage? Hoe wordt samenwerking tussen ILT, douane en omgevingsdiensten
versterkt? Kan de regering inzicht geven in het aantal geconstateerde overtredingen
bij afvaltransporten in de afgelopen tien jaar en de opgelegde sancties?
Voor de uitvoering van de EVOA 2024 heeft de ILT een HUF toets uitgevoerd. Op grond
hiervan zijn aan de ILT extra middelen toegekend, zie ook het antwoord bij vraag 20.
Met de extra inzet kunnen naar verwachting op jaarbasis 220 extra inspecties worden
uitgevoerd. Gelet op het huidige aantal EVOA-inspecties betekent dat een toename van
ruim 30 procent. De huidige samenwerking tussen ILT en Douane is al geruime tijd een
voorbeeld voor andere lidstaten. De Douane zorgt in samenwerking met de ILT voor het
opleiden van zogenoemde vraagbaken EVOA binnen de Douane. Zij ondersteunen de algemene
douane inspecteurs. Deze inspecteurs voeren voor de ILT jaarlijks 4.000–5.000 EVOA-inspecties
uit. Bij complexe zaken of bij mogelijke overtredingen doen zij een beroep op de EVOA-inspecteurs
van de ILT. Voor de samenwerking met omgevingsdiensten is de ILT sinds enige tijd
gestart met het verstrekken van data over EVOA-transporten. Zodra de informatie in
DIWASS wordt vastgelegd, zal de ILT deze ook verspreiden onder de omgevingsdiensten.
Op deze wijze kunnen inspecteurs van omgevingsdiensten een compleet beeld krijgen
van de aan- en afvoer van afvalstoffen bij (afval-)bedrijven waarop zij toezicht houden.
Verder zal de ILT er voor zorgdragen dat Douane en politie direct toegang tot DIWASS
kunnen krijgen en betrokkenen opleiden voor gebruik van DIWASS. Bij hun (transport-)controles
kunnen zij dan nagaan of aan alle vereisten wordt voldaan.
Wat betreft het aantal overtredingen en opgelegde sancties in de afgelopen 10 jaar
ligt dat jaarlijks rond de 150. Het merendeel wordt afgedaan met een waarschuwing.
Minder dan 10 procent wordt afgedaan met een Last onder Dwangsom om herhaling te voorkomen
en/of met een Proces Verbaal. Bij een gezamenlijke controle met Douane of politie
zal deze handhavingspartner bij een zwaardere overtreding veelal het Proces Verbaal
opmaken.
Relatie met de Richtlijn milieucriminaliteit
Vraag 34
De leden van de D66-fractie stellen dat het wetsvoorstel het aantal strafcategorieën
terugbrengt van drie naar twee. Kan de regering nader onderbouwen waarom een categorie
3 niet langer noodzakelijk wordt geacht? Bestaat het risico dat «lichtere» administratieve
overtredingen, die in de praktijk toch grote milieuschade kunnen faciliteren, hierdoor
minder effectief worden aangepakt?
De indeling van overtredingen van de EVOA 2024 in de strafcategorieën 1° en 2° van
artikel 1a van de WED zorgt voor een passende strafmaat in het licht van de criteria
die de EVOA 2024 stelt voor strafbaarstelling, onder meer omdat in deze strafcategorieën
rekening wordt gehouden met de (al dan niet) opzettelijke aard van de overtreding.
De indeling in twee strafcategorieën zorgt bovendien voor een helder onderscheid tussen
zware en minder zware overtredingen. Het onderscheid tussen de categorieën 2° en 3°
is in de praktijk van de EVOA lastig objectief vast te stellen.
Vraag 35
Er wordt een EU-handhavingsgroep opgericht en de Europese Commissie krijgt bevoegdheden
voor transnationale onderzoeken. Welke extra capaciteit (fte en expertise) stelt de
regering beschikbaar aan de ILT om een leidende rol te spelen in deze grensoverschrijdende
opsporing van milieucriminelen?
De Europese Commissie heeft de bepaling in artikel 67 van de EVOA 2024, waarin de
rol van de Europese Commissie bij de handhaving wordt benoemd, niet gekwantificeerd.
Zodra dat aan de orde is, zal samen met de ILT gekeken worden welke extra capaciteit
en expertise nodig is om aan de EU-handhavingsgroep te kunnen deelnemen of om in te
zetten bij concrete opsporingsonderzoeken.
Vraag 36
De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor een indeling
in twee strafcategorieën in plaats van drie of meer categorieën. Kan de regering toelichten
welke overwegingen aan deze keuze ten grondslag liggen en waarom een verdere differentiatie
niet noodzakelijk wordt geacht?
Daarnaast vragen deze leden of de regering verwacht dat deze indeling in de praktijk
zal leiden tot hogere strafmaten. Kan de regering aangeven welk effect zij verwacht
op de straftoemeting bij overtredingen?
Tot slot vragen deze leden hoe de proportionaliteit wordt gewaarborgd bij administratieve
overtredingen. Kan de regering toelichten op welke wijze wordt voorkomen dat relatief
lichte of administratieve overtredingen leiden tot onevenredig zware sancties?
In het antwoord op vraag 34 is reeds toegelicht waarom is gekozen voor een indeling
in twee strafcategorieën. De indeling van overtredingen van de EVOA 2024 in de strafcategorieën
1° en 2° van artikel 1a van de WED zorgt voor een passende strafmaat in het licht
van de criteria die de EVOA 2024 stelt voor strafbaarstelling, onder meer omdat in
deze strafcategorieën rekening wordt gehouden met de (al dan niet) opzettelijke aard
van de overtreding. De indeling in twee strafcategorieën zorgt bovendien voor een
helder onderscheid tussen zware en minder zware overtredingen. Het is niet de verwachting
dat de indeling in twee strafcategorieën in de praktijk zal leiden tot hogere strafmaten.
Uit de WED volgt dat voor overtredingen in categorie 2° een zelfde straf kan worden
opgelegd als voor overtredingen in categorie 3°. De proportionaliteit bij administratieve
overtredingen wordt gewaarborgd, doordat deze overtredingen in categorie 2° worden
ingedeeld en niet in categorie 1°. Uit de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht
die de ILT hanteert, volgt dat bij lichte administratieve overtredingen waarbij sprake
is van een goedwillend bedrijf, volstaan kan worden met een waarschuwing. Indien sprake
is van zwaardere overtredingen is (ook) een strafrechtelijke interventie een passende
keuze.
Vraag 37
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat er «een gedeeltelijke» implementatie
van de richtlijn Milieucriminaliteit plaatsvindt en vragen zich af of dit betekent
dat er zaken uit die richtlijn niet worden overgenomen. Mocht dit het geval zijn,
willen deze leden graag een gedetailleerde toelichting over wat er wel en niet overgenomen
wordt, waarom precies, en op basis van welke (experts) adviezen.
Het onderhavige wetsvoorstel beperkt zich tot dat deel van de Richtlijn milieucriminaliteit
dat samenhangt met de uitvoering van de EVOA 2024. Deze richtlijn wordt primair geïmplementeerd
door het Ministerie van Justitie en Veiligheid9.
Bij de handhaving van Europese verordeningen staat het de lidstaten in beginsel vrij
om te kiezen voor bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke handhaving. Om het milieu
doeltreffender te beschermen is echter de Europese Richtlijn milieucriminaliteit vastgesteld,
waarin lidstaten worden verplicht om bepaalde overtredingen van Europese milieuwetgeving
aan te merken als strafrechtelijke delicten. In de Richtlijn milieucriminaliteit wordt
onder andere bepaald dat lidstaten illegale overbrengingen van afvalstoffen op grond
van de EVOA 2024 moeten aanmerken als strafrechtelijke delicten. Dit specifieke onderdeel
van de Richtlijn milieucriminaliteit wordt meegenomen in dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel
maakt het mogelijk om illegale overbrengingen van afvalstoffen strafrechtelijk te
handhaven. Daarmee voldoet het wetsvoorstel niet alleen aan de verplichting in de
EVOA 2024 om er voor te zorgen dat overtredingen van de EVOA 2024 kunnen worden gehandhaafd,
maar ook aan de specifiekere verplichting in de Richtlijn milieucriminaliteit om ervoor
te zorgen dat in het geval van een illegale overbrenging strafrechtelijk kan worden
gehandhaafd.
Relatie met de Kaderrichtlijn afvalstoffen
Vraag 38
De leden van de D66-fractie vragen de regering in hoeverre de statusbepaling van afvalstoffen
onder de nieuwe EVOA 2024 voldoende flexibiliteit biedt om innovatieve recyclingtrajecten
te ondersteunen. Hoe wordt voorkomen dat een te rigide interpretatie van «afval» de
transitie naar een circulaire economie frustreert?
Zoals in het antwoord bij vraag 15 is vermeld, is een materiaal een afvalstof wanneer
wordt voldaan aan de definitie van afvalstoffen uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Deze definitie schrijft niet voor hoe de afvalstof vervolgens verwerkt moet worden,
daarvoor dient het Circulair Materialenplan. De EVOA 2024 verwijst naar deze definitie,
maar gaat dus niet over de vraag of iets een afvalstof is of niet. Het toepassingsgebied
van de EVOA 2024 is in artikel 2 van de EVOA 2024 vastgelegd en beperkt zich tot de
overbrenging van afvalstoffen. Als een materiaal niet de status afvalstof heeft, is
de EVOA niet van toepassing. Wel maakt de EVOA het mogelijk om afvalstoffen via het
toetsingskader in het Circulair Materialenplan te sturen naar een innovatieve hoogwaardige
verwerker, ook als die verwerking duurder is.
Vraag 39
De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom de doelstellingen voor recycling
niet eerder wettelijk zijn verankerd. Kan de regering toelichten welke redenen hieraan
ten grondslag lagen en waarom ervoor is gekozen om deze doelstellingen pas nu expliciet
in wetgeving op te nemen? Daarnaast vragen deze leden welke juridische risico’s Nederland
heeft gelopen doordat deze doelstellingen niet eerder wettelijk waren vastgelegd.
Kan de regering aangeven in hoeverre dit gevolgen had voor de naleving van Europese
verplichtingen?
Tot slot vragen zij welke gevolgen de ingebrekestelling door de Europese Commissie
voor Nederland heeft. Kan de regering toelichten welke stappen worden gezet om aan
de Europese verplichtingen te voldoen en verdere juridische procedures of sancties
te voorkomen?
Iedere EU-lidstaat is ervoor verantwoordelijk om Europese richtlijnen tijdig en juist
te implementeren in nationale regelgeving. Als de Europese Commissie van mening is
dat een lidstaat (bepaalde onderdelen van) een richtlijn niet juist heeft geïmplementeerd,
dan kan de Commissie een inbreukprocedure tegen die lidstaat starten. Een inbreukprocedure
begint met een ingebrekestelling van de Commissie, waarin de Commissie aangeeft welke
onderdelen van een richtlijn volgens de Commissie niet juist zijn geïmplementeerd.
De lidstaat wordt gevraagd hier binnen een bepaalde termijn op te reageren. Als de
Commissie niet tevreden is met de reactie van de lidstaat, dan kan zij een met redenen
omkleed advies (MROA) uitbrengen. Als de Commissie ook niet tevreden is met de reactie
van de lidstaat op de MROA, dan kan de Commissie de lidstaat voor het Europese Hof
van Justitie dagen. Dit kan resulteren in een veroordeling door het Europese Hof van
Justitie en de oplegging van een boete en/of dwangsom aan de lidstaat.
De Europese Commissie is een inbreukprocedure tegen Nederland gestart, omdat zij van
mening is dat bepaalde onderdelen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen niet juist door
Nederland zijn geïmplementeerd. Deze inbreukprocedure gaat onder andere over de implementatie
van een aantal doelstellingen voor hergebruik en recycling. Deze doelstellingen zijn
ten tijde van de implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen niet wettelijk verankerd,
omdat destijds de opvatting was dat het niet nodig was om deze doelstellingen in nationale
regelgeving om te zetten omdat de doelstellingen zijn gericht tot de lidstaten. De
doelstellingen zijn destijds wel opgenomen in het Landelijk Afvalbeheerplan (inmiddels
opgevolgd door het Circulair Materialenplan) en maken daarmee wel onderdeel uit van
het nationale beleidsinstrumentarium. Daarnaast zijn de maatregelen die nodig zijn
om de doelstellingen te behalen wel vastgelegd in nationale regelgeving. De ingebrekestelling
van de Europese Commissie heeft aanleiding gegeven om de noodzaak van implementatie
van de doelstellingen nogmaals te bezien. Om aan de bezwaren van de Europese Commissie
tegemoet te komen is besloten om de doelstellingen alsnog ook wettelijk te verankeren.
In de reactie op de ingebrekestelling is ook op een aantal andere punten toegezegd
de Nederlandse regelgeving aan te passen om aan de bezwaren van de Commissie tegemoet
te komen. Voor zover dit aanpassingen op wetsniveau betreft, zijn deze aanpassingen
meegenomen in het wetsvoorstel. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5 van de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel. Door deze aanpassingen door te voeren in onze
nationale regelgeving wordt gepoogd verdere juridische stappen te voorkomen.
Relatie met de Verordening inzake elektronische informatie over goederenvervoer
Vraag 40
De leden van de VVD-fractie vragen de regering in hoeverre bedrijven de mogelijkheid
hebben om te kiezen tussen verschillende systemen. Kan de regering toelichten welke
keuzeruimte bedrijven hebben bij het gebruik van deze systemen en hoe wordt geborgd
dat deze keuze in de praktijk werkbaar is?
Daarnaast vragen deze leden of het bestaan van meerdere systemen kan leiden tot dubbele
administratieve lasten voor bedrijven. Kan de regering toelichten op welke wijze wordt
voorkomen dat bedrijven onnodig met extra administratieve verplichtingen worden geconfronteerd?
Bedrijven in de EU zullen verplicht gebruik moeten maken van DIWASS, de digitale administratie
voor internationale transporten van afval. Daarbij is geen sprake van een keuze. De
bevoegde autoriteit van elke lidstaat heeft voor de verbinding tussen bedrijf en DIWASS
wel de keuze of bedrijven rechtstreeks met DIWASS moeten verbinden of dat bedrijven
via een door de bevoegde autoriteit aangewezen systeem toegang krijgen tot DIWASS.
Voor Nederland zullen bedrijven hun gegevens rechtstreeks in DIWASS moeten invoeren.
De Verordening inzake elektronische informatie over goederenvervoer (eFTI) gaat niet
alleen over transporten van afval, maar na afronding van de gefaseerde invoering over
alle transporten en heeft daardoor een veel breder toepassingsgebied en een ander
uitgangspunt dan de EVOA. Daardoor kent eFTI een andere aanpak dan de EVOA. eFTI is
facultatief voor de vervoerders, maar legt verplichtingen op aan de autoriteiten binnen
de EU die met vervoersdocumenten werken. Indien een bedrijf vervoersdocumenten volgens
de in eFTI vastgelegde specificaties digitaal aanbiedt, moeten de bevoegde autoriteiten
deze digitale documenten accepteren. De in DIWASS opgeslagen gegevens voldoen per
definitie aan de specificaties vastgelegd in eFTI, met als gevolg dat bevoegde autoriteiten
in de EU gegevens uit DIWASS moeten accepteren als transportdocumenten. Dubbel invoeren
van gegevens is hiermee niet aan de orde.
Meer informatie over de investeringen is opgenomen in het antwoord bij vraag 20.
Uitvoering van de EVOA 2024
Nationale bevoegde autoriteit
Vraag 41
De leden van de D66-fractie stellen dat de verordening een volledige digitalisering
van de kennisgevingsprocedures via een centraal EU-systeem verplicht. Deze leden vragen
in hoeverre de systemen van de ILT reeds interoperabel zijn met dit Europese platform?
Kan de regering garanderen dat de digitale transitie op tijd is voltooid om vertragingen
in de circulaire keten te voorkomen?
Verder vragen deze leden of de regering mogelijkheden ziet om de geanonimiseerde data
uit dit centrale systeem openbaar te maken als «open data». Op die manier zouden onderzoekers
en de markt de voortgang van de circulaire economie in Nederland en de EU immers beter
kunnen monitoren.
Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 18 kiest Nederland ervoor om DIWASS te
gaan gebruiken zonder tussenschakel, zodat Nederlandse bedrijven hun kennisgevingen
en transportmeldingen zelf via een van de gangbare internetbrowsers rechtstreeks in
DIWASS dienen in te voeren. Het bestaande Nederlandse systeem zal na 21 mei 2026 uitsluitend
voor de afhandeling van bestaande al verleende toestemmingen worden gebruikt.
In het antwoord op vraag 19 is de inzet beschreven die is en wordt gepleegd om de
transitie naar het digitale platform zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Op grond van het bedrijfsvertrouwelijke karakter van de gegevens in DIWASS in combinatie
met de voorgeschreven bescherming van persoonsgegevens is het niet de verwachting
dat onderzoekers via open data rechtstreeks toegang zullen krijgen tot deze gegevens.
De invoering van DIWASS zal wel een kwaliteitsslag inhouden voor alle bestaande openbare
databases zoals Eurostat en voor alle analyses die door of via de Europese Commissie
worden gemaakt ter ondersteuning van het op feiten gebaseerd maken van beleidskeuzes.
Doordat bedrijven zelf hun gegevens meteen invoeren in DIWASS hoeven deze gegevens
niet meer te worden overgenomen van (analoge) gegevensdragers zoals faxen en mails.
Daarmee verdwijnt deze bron van mogelijke fouten. Verder worden op dit moment de gegevens
op het bijlage VII-formulier niet centraal opgeslagen. Met de komst van DIWASS verandert
dit en daarmee ontstaat een kwalitatief hoogwaardige bron van gegevens over overbrengingen
van ongevaarlijk afval binnen de EU.
Uit artikel 21 van de EVOA 2024 volgt dat de Commissie met ingang van 21 mei 2026
maandelijks gegevens uit DIWASS over overbrengingen openbaar zal maken.
Vraag 42
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of voor de uitvoering van de voorgestelde
maatregelen extra budget of capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Kan de regering
toelichten in hoeverre aanvullende middelen nodig worden geacht en hoe deze worden
ingezet om een goede uitvoering en handhaving te waarborgen?
De ILT heeft een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets
(HUF-toets) over de bepalingen in de EVOA 2024 uitgevoerd. In de HUF-toets is in beeld
gebracht welke capaciteit en middelen de ILT nodig heeft voor de nieuwe en aangepaste
taken. In 2024 zijn de structurele jaarlijkse extra kosten als gevolg van de vervanging
van de EVOA 2006 door de EVOA 2024 voor de ILT begroot op € 1,5 miljoen. De invoering
van de wijzigingen vergt daarbovenop een incidentele extra financiering in 2025 van
€ 562.500, in 2026 van € 638.500 en in 2027 van € 114.000. In het antwoord bij vraag
20 is een korte toelichting gegeven bij deze bedragen.
In de HUF-toets heeft de ILT ook aangegeven dat de benodigde middelen en capaciteit
kunnen wijzigen ten gevolge van de nog vast te stellen uitvoerings- en gedelegeerde
handelingen die op een later moment door de Europese Commissie worden vastgelegd.
Vraag 43
Ten aanzien van de overgang van de oude naar de nieuwe Europese regels vragen de leden
van de CDA-fractie hoe in de praktijk duidelijkheid wordt geboden aan bedrijven en
toezichthouders. Hoe wordt geborgd dat er in de overgangsperiode geen misverstanden
ontstaan over welke regels van toepassing zijn? Op welke wijze wordt hierover gecommuniceerd
richting het veld?
Het kabinet hecht groot belang aan een goede voorlichting aan betrokken bedrijven.
Naast de in het antwoord bij vraag 19 beschreven eigen door de ILT georganiseerde
(digitale) bijeenkomsten, gaat de ILT bij diverse branches (oud papier, bouw- en sloopafval,
kunststofafval, metaalafval, bandenrecycling, Vereniging Afvalbedrijven) langs bij
hun ledenvergaderingen om hen voor te lichten over de herziene EVOA. Verder houdt
de ILT haar website over de herziene EVOA bij met actuele ontwikkelingen.
Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Vraag 44
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe de bestuursrechtelijke handhaving
zich verhoudt tot de strafrechtelijke handhaving binnen dit wetsvoorstel. Kan de regering
toelichten op welke wijze beide handhavingsinstrumenten zich tot elkaar verhouden
en hoe wordt voorkomen dat overlap of onduidelijkheid ontstaat in de toepassing daarvan?
Daarnaast vragen deze leden in welke situaties wordt gekozen voor bestuursrechtelijke
handhaving en in welke gevallen voor strafrechtelijke handhaving. Kan de regering
toelichten welke criteria of afwegingskaders hierbij worden gehanteerd?
Bestuursrechtelijke handhaving en strafrechtelijke handhaving dienen beide een verschillend
doel. Bestuursrechtelijke sancties hebben een reparatoir karakter en zijn gericht
op het beëindigen of ongedaan maken van een overtreding of de gevolgen daarvan, of
om herhaling van een overtreding te voorkomen. Strafrechtelijke sancties hebben daarentegen
een punitief karakter en zijn gericht op het bestraffen van de overtreder. In het
antwoord bij vraag 32 zijn deze verschillen in meer detail uitgewerkt.
Op basis van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht wordt de meeste passende
interventie gekozen. In sommige gevallen kan dat zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk
zijn. Een bestuursrechtelijke interventie is gericht op het beëindigen of ongedaan
maken van (de gevolgen van) een overtreding, of het voorkomen van herhaling van overtredingen.
Een strafrechtelijke interventie heeft een punitief karakter en kan uiteindelijk ook
leiden tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij dat laatste zal
veelal ook de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de ILT (IOD-ILT) een rol hebben.
Opsporing en strafrechtelijke handhaving
Vraag 45
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat zware milieucriminaliteit
effectief wordt aangepakt. Kan de regering toelichten welke instrumenten, bevoegdheden
en samenwerkingsstructuren worden ingezet om ernstige overtredingen op het gebied
van afvaltransport en -verwerking doeltreffend te bestrijden, en hoe wordt gewaarborgd
dat deze zaken daadwerkelijk prioriteit krijgen in de handhaving?
De ILT werkt aan veel verschillende onderwerpen. De inspectie moet daarom kiezen waar
en hoe zij zich het beste kan inzetten. Het uitgangspunt daarbij is om zoveel mogelijk
maatschappelijk effect bereiken. De ILT-brede risicoanalyse IBRA is een belangrijk
hulpmiddel bij het maken van de keuzes doordat het de onderwerpen uitlicht waar het
niet naleven van regelgeving leidt tot risico’s met grote maatschappelijke schade.
Afval scoort in IBRA het hoogst. Daardoor is bij de inspectie aandacht voor afvaltransporten
en afvalverwerking. In de Meerjarenstrategie 2026–2029 (MJS) geeft de ILT aan zich
actief in te zetten voor betere samenwerking tussen de verschillende partners, zoals
omgevingsdiensten, waterschappen, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA),
politie en Douane, met name op de samenwerking bij bovenregionale onderwerpen, zoals
landelijke ketenhandhaving, verbetering van de informatie-uitwisseling en gezamenlijke
aanpak van milieucriminaliteit in de Strategische Milieukamer (SMK).
Meer informatie hierover is terug te vinden op de site van de ILT10.
Vraag 46
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag weten of deze regeling naar verwachting
gaat leiden tot extra taken voor de opsporings- en handhavingsdiensten en of deze
voldoende zijn toegerust. Deze leden wijzen erop dat er nu al forse tekorten zijn
in de capaciteit, ten opzichte van wat nodig is. Is de regering bereid om zo nodig
extra mensen en middelen ter beschikking te stellen?
De ILT heeft een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets
(HUF-toets) over de bepalingen in de EVOA 2024 uitgevoerd. In de HUF-toets is in beeld
gebracht welke capaciteit en middelen de ILT nodig heeft voor de nieuwe en aangepaste
taken. In 2024 zijn de structurele jaarlijkse extra kosten als gevolg van de vervanging
van de EVOA 2006 door de EVOA 2024 voor de ILT begroot op € 1,5 miljoen. De invoering
van de wijzigingen vergt daarbovenop een incidentele extra financiering in 2025 van
€ 562.500, in 2026 van € 638.500 en in 2027 van € 114.000. In het antwoord bij vraag
20 is een korte toelichting gegeven bij deze bedragen.
In de HUF-toets heeft de ILT ook aangegeven dat de benodigde middelen en capaciteit
kunnen wijzigen ten gevolge van de nog vast te stellen uitvoerings- en gedelegeerde
handelingen die op een later moment door de Europese Commissie worden vastgelegd.
Gedeeltelijke implementatie van de Richtlijn milieucriminaliteit
Vraag 47
De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor implementatie
via dit wetsvoorstel en niet via een separaat traject. Kan de regering toelichten
welke overwegingen aan deze keuze ten grondslag liggen en welke voordelen deze aanpak
biedt ten opzichte van een afzonderlijk implementatietraject?
Daarnaast vragen deze leden of er risico’s bestaan op vertraging met het oog op de
implementatiedatum van 21 mei 2026. Kan de regering toelichten welke stappen worden
genomen om tijdige implementatie te waarborgen en hoe eventuele vertragingen worden
voorkomen?
In het antwoord bij vraag 37 is reeds toegelicht dat de Richtlijn milieucriminaliteit
primair wordt geïmplementeerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. In het
onderhavige wetsvoorstel wordt enkel de bepaling uit de Richtlijn milieucriminaliteit
geïmplementeerd waaruit volgt dat lidstaten illegale overbrengingen van afvalstoffen
moeten aanmerken als strafrechtelijke delicten. Vanwege de overlap met de uitvoering
van de EVOA 2024 wordt de implementatie van deze specifieke bepaling uit de Richtlijn
milieucriminaliteit meegenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Nadat de Tweede en
Eerste Kamer hebben ingestemd met het wetsvoorstel, zal de wet zo spoedig mogelijk
worden vastgesteld, waarna de wet in werking kan treden.
Aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen
Vraag 48
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of de registratie van inzamelingsfrequentie
in de praktijk leidt tot extra administratieve lasten voor bedrijven. Kan de regering
toelichten in hoeverre deze verplichting nieuwe administratieve handelingen met zich
meebrengt voor betrokken ondernemingen?
Daarnaast vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat ondernemers dezelfde gegevens
in meerdere systemen moeten registreren. Kan de regering aangeven op welke wijze dubbele
registratie wordt voorkomen en hoe de administratieve lasten voor bedrijven zo beperkt
mogelijk worden gehouden?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of er onder de EVOA 2024 sprake is van
meer registratieverplichtingen ten opzichte van de huidige regeling. Kan de regering
toelichten in hoeverre de administratieve verplichtingen veranderen ten opzichte van
de bestaande praktijk?
Het opnemen van de inzamelingsfrequentie in onze regelgeving is een verplichting die
voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit wetsvoorstel voorziet
hier in. In de Nederlandse meldsystematiek wordt het aantal vrachten van afvalinzamelaars
reeds uitgevraagd en geregistreerd in het datasysteem van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen,
AMICE. Het expliciet opnemen van de verplichting om de inzamelfrequentie te registreren
heeft dus geen gevolgen voor de praktijk en brengt ook geen extra registratieverplichtingen
of financiële lasten met zich mee voor het bedrijfsleven. Er is slechts sprake van
een technische aanpassing van onze Nederlandse regelgeving om deze beter in lijn te
brengen met de Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Om te voorkomen dat ondernemers dezelfde gegevens in meerdere systemen moeten registreren,
zal het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen worden aangepast
in lijn met de EVOA 2024. Dit betekent dat gegevens die in DIWASS moeten worden gemeld,
niet in AMICE hoeven te worden gemeld.
Op grond van de EVOA 2024 moeten niet alleen kennisgevingsplichtige overbrengingen van afvalstoffen, maar óók niet-kennisgevingsgevingsplichtige
overbrengingen worden gemeld in DIWASS. Hierdoor kan er beter toezicht worden gehouden
op afvalstromen.
Opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening
Vraag 49
De leden van de VVD-fractie begrijpen de wens van de regering om te komen tot één
handhavingsregime. Zij vragen de regering waarom er niet voor is gekozen om de uitvoering
primair via de Warenwet te laten plaatsvinden. Kan de regering toelichten welke overwegingen
aan deze keuze ten grondslag liggen?
Daarnaast vragen deze leden of de regering nader kan toelichten waarom samenloop van
verschillende handhavingsregimes als problematisch wordt beschouwd. In hoeverre zou
een combinatie van regimes tot knelpunten leiden in de uitvoering of handhaving?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie welke gevolgen de gekozen systematiek
heeft voor de hoogte van mogelijke sancties. Kan de regering aangeven in hoeverre
de huidige keuze invloed heeft op de aard en omvang van de sancties die kunnen worden
opgelegd?
Er moet bij de uitvoering van EU-verordeningen altijd een keuze worden gemaakt welke
bepaling als wettelijke grondslag voor de uitvoeringsregelgeving kan dienen. Als een
verordening niet dezelfde reikwijdte heeft als Nederlandse wetten, ontstaat er in
beginsel een complexe situatie. Er kan dan niet één wettelijke grondslag voor de benodigde
uitvoeringsregelgeving worden gekozen, maar onderdelen of aspecten van de verordening
moeten op grond van verschillende wetten worden uitgevoerd, of er moet een geheel
nieuwe wet worden gemaakt met dezelfde reikwijdte als de verordening. Als er wordt
gekozen voor uitvoeringsregelgeving in het kader van verschillende wetten, is er sprake
van dubbele uitvoeringsregelgeving. Daarnaast is er op grond van de desbetreffende
wetten sprake van verschillende procedures en uitvoeringsinstanties.
In dit geval is ervoor gekozen de reikwijdte van de Wet milieubeheer, die op «milieubescherming»
betrekking heeft, voor batterijen te verruimen met «veiligheid», zodat alle voor de
uitvoering van de Batterijenverordening benodigde regelgeving op grond van één wet
kan worden vastgesteld. Dit voorkomt dubbele regelgeving, die op onderdelen vanwege
de verschillende systematiek van de desbetreffende wetten inhoudelijk en procedureel
uiteenloopt. De reden dat in het geval van de Batterijenverordening is gekozen voor
uitvoering onder de Wet milieubeheer en niet onder de Warenwet, is dat de EU-Batterijenverordening
primair ziet op milieuaspecten van batterijen, en dat de veiligheidsaspecten van batterijen
een relatief klein aspect van de verordening zijn. Bovendien zijn deze veiligheidsaspecten
vervlochten met de milieueisen. Gezien de onwenselijkheid van een dubbele grondslag
rechtvaardigt dit niet dat daarvoor in het kader van de Warenwet dubbele uitvoeringsregelgeving
wordt vastgesteld.
De expertise van de verschillende uitvoeringsinstanties kan niet zo makkelijk als
de reikwijdte van een wet naar believen worden uitgebreid, waardoor het probleem blijft
bestaan dat al naar gelang het aspect dat in de EU-verordening wordt geregeld, verschillende
instanties met de uitvoering van de verordening in Nederland moeten worden belast.
In het geval van de Batterijenverordening beschikt de ILT over expertise omtrent milieuaspecten
van batterijen. Daarom wordt de ILT alleen belast met de uitvoering voor zover het
de milieuaspecten van batterijen betreft, zoals gebruikelijk in het kader van hoofdstuk
9 van de Wet milieubeheer. Voor de veiligheidsaspecten van batterijen wordt de NVWA
als uitvoeringsinstantie aangewezen, omdat deze instantie de daarvoor benodigde expertise
in huis heeft en de ILT niet. Wel moet de NVWA in dit geval werken op grond van hoofdstuk
9 van de Wet milieubeheer. Omdat de NVWA daar met betrekking tot het toezicht op chemische
stoffen al ervaring mee heeft, ligt ook om die reden de keuze om de Batterijenverordening
volledig in het kader van de Wet milieubeheer uit te voeren het meest voor de hand.
Samenwerking met de ILT (en de Douane en de Autoriteit Consument & Markt (ACM), die
ook met de uitvoering van bepaalde aspecten van de Batterijenverordening zijn belast)
is nodig. Dit is het gevolg van het willen voorkomen van dubbele en uiteenlopende
uitvoeringsregelgeving.
Omdat de Wet milieubeheer door de verruiming van de reikwijdte voor alle aspecten
van de Batterijenverordening de grondslag voor de uitvoeringsregelgeving biedt, verloopt
de sanctionering van overtredingen van verordeningsbepalingen op dezelfde wijze. Strafrechtelijke
handhaving van overtredingen van bepalingen op grond van hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer
verloopt met toepassing van de Wet op de economische delicten. Deze is zo vormgegeven
dat ook de bepalingen van EU-verordeningen waarvoor in het kader van hoofdstuk 9 van
de Wet milieubeheer uitvoeringsregelgeving is vastgesteld, strafrechtelijk kunnen
worden gehandhaafd.
Vraag 50
Met betrekking tot de uitvoering van de Europese Batterijenverordening vragen de leden
van de CDA-fractie hoe de taakverdeling tussen de ILT en de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit (NVWA) wordt vormgegeven. Hoe wordt voorkomen dat bedrijven te maken
krijgen met verschillende toezichthouders of uiteenlopende interpretaties van regels?
Kan de regering aangeven hoe de samenwerking tussen deze instanties in de praktijk
wordt georganiseerd?
In het antwoord bij vraag 49 is aangegeven dat de reikwijdte van EU-verordeningen,
zoals de Batterijenverordening, niet naadloos samenvalt met de reikwijdte van bestaande
nationale regelgeving, zoals in dit geval (hoofdstuk 9 van) de Wet milieubeheer. De
reikwijdte van wetgeving kan – zoals gezegd in het antwoord bij vraag 49 – worden
aangepast, zodat dubbele uitvoeringsregelgeving wordt voorkomen, in het bijzonder
als de uitbreiding van de reikwijdte beperkt is en niet wezensvreemd aan de bestaande
reikwijdte van de wet. De expertise van uitvoeringsinstanties is echter minder eenvoudig
te wijzigen of te verbreden, omdat niet per onderwerp een reorganisatie van die instanties
kan worden doorgevoerd. Dat betekent dat al naar gelang het aspect van de EU-verordening
waar voor de uitvoering specifieke expertise vereist is, verschillende uitvoeringsinstanties
moeten worden aangewezen die met elkaar moeten samenwerken. Dit kan leiden tot een
extra belasting van de betrokken uitvoeringsinstanties. De uitvoeringsinstanties maken
afspraken, die zij in overeenkomsten vastleggen, over de wijze waarop de samenwerking
gestalte krijgt. Ook moeten afspraken worden gemaakt over de uitwisseling van de gegevens
die elke instantie nodig heeft om zijn werk te kunnen doen, in het bijzonder als daarbij
beschermde persoonsgegevens in het geding zijn.
Het is dus niet te voorkomen dat er verschillende toezichthouders worden aangewezen
en bedrijven met verschillende toezichthouders te maken krijgen. De verschillende
toezichthouders richten zich echter op verschillende aspecten van de Batterijenverordening,
waardoor er geen sprake is van overlap in hun optreden. Voor zover afstemming nodig
is, bijvoorbeeld over de interpretatie van regels, wordt dat meegenomen in de afspraken
over de samenwerking tussen de betrokken toezichthouders die al gebruikelijk zijn.
Gevolgen
Vraag 51
De leden van de D66-fractie maken zich grote zorgen over de toenemende onveiligheid
in de afvalketen. De fysieke gevolgen van gevaarlijk afval in de verkeerde stroom
kunnen grote gevolgen hebben zoals branden en explosies bij sorteercentra en afvalverbrandingsinstallaties.
Deze leden steunen de extra maatregelen voor de veilige verwerking van batterijen.
Zij wijzen er echter op dat de veiligheid in de afvalketen momenteel ook ernstig onder
druk staat door de enorme toename van lachgascilinders in het restafval, die leiden
tot levensgevaarlijke situaties en ernstige schade door explosies. Hoewel dit wetsvoorstel
primair over de EVOA 2024 en batterijen gaat, is de veiligheid van de afvalketen een
integraal probleem; een explosie door een lachgasfles kan immers de logistiek van
de (Europese) afvalstroom ontregelen.
Ziet de regering mogelijkheden om de aangescherpte handhavingsstructuur en de rol
van de ILT, zoals voorzien in dit wetsvoorstel, ook in te zetten voor een effectievere
aanpak van dit specifieke veiligheidsrisico?
Kan de regering reflecteren op de stelling dat de doelstellingen van dit wetsvoorstel,
namelijk een hoogwaardige en veilige Europese afvalmarkt, onhaalbaar zijn zolang afvalverwerkers
kampen met een onbeheersbare instroom van lachgas-gerelateerd gevaarlijk afval?
Ten slotte vragen deze leden wie er in de visie van de regering opdraait voor de enorme
schade en extra kosten wanneer het misgaat. In hoeverre wordt het principe «de vervuiler
betaalt» hier gehanteerd en wie draait op voor de schade als het misgaat?
Dit wetsvoorstel voorziet er in dat de ILT toezicht kan houden op de naleving van
de rechtstreeks werkende regels in de EVOA 2024 en, zo nodig, handhavend kan optreden
tegen overtredingen van die regels. De ILT houdt in dat kader toezicht op overbrengingen
(import en export) van afvalstoffen.
Gasflessen en andere drukhouders zijn gevaarlijk afval en kunnen door onjuiste afdanking
in het stedelijk restafval eindigen. Lachgascilinders in het stedelijk restafval kunnen
bij het verwerken (verbranding) tot ontploffing komen. Hierdoor kan schade aan de
verwerkingsinstallatie ontstaan. Dit probleem speelt in meerdere Europese landen,
waaronder Nederland.
Het is aan de exploitant van de afvalverbrandingsinstallatie om afspraken te maken
met de aanbieder van het restafval over eventuele sorteerstappen voorafgaand aan verwerking
(risicoverkleining) en/of afspraken te maken over eventuele schadeafhandeling.
Vraag 52
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij kan bevestigen dat het wetsvoorstel
geen financiële consequenties heeft voor decentrale overheden. Kan de regering toelichten
of gemeenten, provincies of andere decentrale bestuurslagen als gevolg van dit voorstel
met extra kosten of uitvoeringsverplichtingen te maken krijgen?
Decentrale overheden hebben geen rol bij de uitvoering van de EVOA 2024. Decentrale
overheden krijgen als gevolg van dit wetsvoorstel dan ook niet met extra uitvoeringsverplichtingen
of extra kosten te maken.
Vraag 53
Daarnaast vragen deze leden of de regering indirecte economische effecten voorziet
voor de recyclingsector. Kan de regering toelichten welke gevolgen dit wetsvoorstel
mogelijk heeft voor bedrijven die actief zijn in recycling en afvalverwerking, bijvoorbeeld
ten aanzien van kosten, investeringen of marktkansen?
Op de korte termijn is enige frictie onvermijdelijk als gevolg van het van toepassing
worden van de aangescherpte regels in de EVOA 2024, vooral daar waar het gaat om export
van afval afkomstig uit de EU. Zo kan het zijn dat bestaande verwerkers buiten de
EU niet kunnen of willen voldoen aan de in de EVOA 2024 vastgelegde aangescherpte
regels, zoals bijvoorbeeld de in het antwoord bij vraag 5 beschreven onafhankelijke
audit. Die aangescherpte regels moeten ervoor zorgen dat afval uitsluitend uit de
EU wordt geëxporteerd wanneer het niveau van milieuhygiënisch verantwoord beheer buiten
de EU overeenkomt met het niveau dat binnen de EU wordt geaccepteerd. Maatregelen
als deze moeten passen binnen de internationale verdragen waar de EU zich aan heeft
verbonden, zoals het World Trade Organization General Agreement on Tariffs and Trade
(WTO / GATT) om een gelijk speelveld te creëren voor bedrijven binnen en buiten de
EU. Dat gelijk speelveld zorgt ervoor dat verwerkers binnen de EU niet langer hoeven
te concurreren met verwerkers buiten de EU, die niet gebonden zijn aan binnen de EU
geldende milieuvoorschriften en die daardoor mogelijk minder kosten maken.
Door de verplichte digitalisering van de EVOA-administratie hebben bedrijven direct
zicht op de actuele stand van zaken van hun dossiers en daardoor kunnen ze beter anticiperen
op het verdere verloop en het uiteindelijk resultaat en dat biedt hen ook de mogelijkheid
snel te reageren. Ze kunnen bijvoorbeeld direct zien welke aanvullende vragen de bevoegde
autoriteit eventueel heeft en door hen ingediende aanvullende informatie is via datzelfde
systeem meteen zichtbaar voor de betrokken bevoegde autoriteiten. Het tijdig kunnen
reageren voorkomt onnodige kosten voor alle betrokkenen.
Verder kan met behulp van de in het antwoord bij vraag 19 beschreven API het overtypen
van informatie bij het invullen van de verplichte EVOA-formulieren en de verplichte
vervoersdocumenten tot een minimum worden beperkt. Dit zal zeker voor bedrijven met
veel transportbewegingen leiden tot een kostenbesparing.
Advies en consultatie
Internetconsultatie
Vraag 54
De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom is afgezien van een internetconsultatie,
mede gelet op de mogelijke praktische gevolgen van de EVOA 2024 voor ondernemers.
Kan de regering toelichten welke overwegingen aan deze keuze ten grondslag liggen
en hoe de inbreng van betrokken partijen desondanks is meegenomen bij de totstandkoming
van het wetsvoorstel?
Daarnaast vragen deze leden of er informeel overleg is gevoerd met brancheorganisaties
of andere relevante stakeholders. Kan de regering aangeven met welke partijen overleg
heeft plaatsgevonden en op welke wijze hun signalen of zorgen zijn betrokken bij de
voorbereiding van dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel bevat, voor zover het de uitvoering van de EVOA 2024 betreft, enkel
regels die er voor zorgen dat de rechtstreeks werkende bepalingen van de EVOA 2024
in Nederland kunnen worden toegepast en gehandhaafd. Alle verplichtingen voor bedrijven,
bevoegde autoriteiten en andere betrokkenen vloeien rechtstreeks voort uit de EVOA
2024. In lijn met het kabinetsstandpunt over internetconsultatie,11 kon internetconsultatie voor het onderhavige wetsvoorstel daarom achterwege blijven.
Voorafgaand aan de publicatie van het wetgevingsvoorstel voor de herziening van de
EVOA heeft de Europese Commissie wel twee internetconsultaties uitgevoerd. Tijdens
het bepalen van de Nederlandse inzet voor de onderhandelingen over de herziening van
de EVOA is inbreng vanuit het bedrijfsleven meegenomen en is het bedrijfsleven ook
aangespoord hun standpunten waar mogelijk rechtstreeks in de onderhandelingen in te
brengen.
De inbreng uit het bedrijfsleven is expliciet opgehaald in een zogenaamde MKB-toets.
Voor het doen van die MKB-toets is gekozen voor het optimale moment in het meerjarig
onderhandelingstraject:
• Inbreng die bij de schrijvers van de Europese Commissie wordt ingediend nog voordat
die schrijvers de verordening tot in detail hebben uitgewerkt, maakt de grootste kans
om daadwerkelijk onderdeel te zijn van de eerste versie, de publicatie van het uitgewerkte
voorstel door de Commissie. Die inbreng lift daardoor vanaf het begin als onderdeel
van het uitgewerkte voorstel van Commissie in de verdere onderhandelingen mee. Voor
wijzigingen later in het traject, tijdens de in Brussel lopende onderhandelingen,
is voldoende steun van andere lidstaten noodzakelijk en dat maakt het achteraf inbrengen
van grote wijzigingen erg bewerkelijk en minder kansrijk.
• De MKB-toets is daarom uitgevoerd in voorjaar 2019 op een moment, dat de resultaten
mee konden worden genomen in de Nederlandse reactie op de tweede door de Europese
Commissie geïnitieerde openbare raadpleging,12 juli 2020.
• Om een goede MKB-toets te kunnen uitvoeren, moeten de discussiepunten (opties) voldoende
zijn uitgewerkt. Belangrijk document voor de MKB-toets was daarom de in afstemming
met de betrokken overheidsinstanties namens Nederland ingediende reactie op de eerste
openbare raadpleging13 in april 2018.
In de MKB-toets zijn de volgende aandachtspunten expliciet aan de orde gekomen:
• Het inkorten van de doorlooptijd van procedures en voorspelbaarheid van de te nemen
stappen en doorlooptijden. Dit was ook voor de regering een belangrijk punt. In de
EVOA 2024 zijn er expliciete limieten gesteld aan de doorlooptijd en aan het aantal
malen dat om aanvullende informatie kan worden gevraagd.
• De naleving van deze limieten zal naar verwachting ook een onderdeel worden van de
tweejaarlijkse evaluatie van DIWASS door de Europese Commissie (artikel 27, zesde
lid, van de EVOA 2024). Bij deze evaluatie wordt rekening gehouden met feedback van
gebruiker en de resultaten worden medegedeeld aan het Europees Parlement en de lidstaten.
• Het minimaliseren van de inspanning en tijd, die (discussie over) de financiële garantstelling
kost. Ook dat was (en is) voor het kabinet een belangrijk punt. In de EVOA 2024 is
een mogelijkheid ingebouwd voor een nadere uitwerking en EU-brede harmonisering in
de vorm van een uitvoeringshandeling op basis van artikel 7, tiende lid. Nederland
zal zeker blijven pleiten voor het vaststellen van zo een uitvoeringshandeling omdat
de bestaande onduidelijkheid ook vermijdbare capaciteit van onze bevoegde autoriteit
vraagt.
• Uitbreiding van de «experimenteerruimte» ten behoeve van bijvoorbeeld het testen van
een in een ander land aanwezige installatie voor verwerking. Ook dit punt heeft geleid
tot aanpassing, en wel in artikel 4, vijfde lid, van de EVOA 2024. In dit lid is de
drempelwaarde voor de overbrenging van afvalstoffen die uitdrukkelijk bestemd zijn
voor laboratoriumanalyse of experimentele proeven om de fysische of chemische eigenschappen
van de afvalstoffen te beoordelen of om te bepalen of zij geschikt zijn voor nuttige
toepassing of verwijdering opgehoogd van 25 naar 250 kg met daarnaast de mogelijkheid
om onderbouwd te verzoeken om meer dan 250 kg over te mogen brengen.
• Meer mogelijkheden om te sturen op hoogwaardigere verwerking. Ook het kabinet vond
dit punt cruciaal voor de gewenste transitie naar een meer circulaire economie. In
de onderhandelingen naar de EVOA 2024 is daarom expliciet aandacht geweest voor de
positie van het nationaal afvalbeheerplan (de minimum verwerkingsstandaarden in het
toetsingskader in het Circulair Materialenplan, het CMP) als uitgewerkte verbijzonderingen
van de afvalhiërarchie uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen. In de EVOA 2024 is het
toetsen aan nationale afvalbeheerplannen of afvalpreventieprogramma’s expliciet opgenomen
in artikel 12, eerste lid, onder b.
• De «derde-landen verordening» zou frequenter moeten worden geactualiseerd. Ook dit
was voor het kabinet een belangrijk punt. In de EVOA 2024 wordt de derde-landen verordening
met ingang van 21 mei 2027 vervangen door een nieuwe lijst van geautoriseerde niet-OESO
landen (artikelen 40 t/m 43). In artikel 41, vierde lid, is een maximale termijn van
twee jaar vastgelegd voor actualisatie van deze lijst. Om op deze lijst te komen moeten
niet-OESO-landen een onderbouwd verzoek indienen bij de Europese Commissie, waarbij
zij moeten aantonen dat het milieuhygiënisch verantwoord beheer van het uit de EU
te importeren afval van een kwaliteit is die wij ook binnen de EU accepteren.
Toetsing regeldrukgevolgen door het ATR
Vraag 55
De leden van de VVD-fractie merken op dat deze wetswijziging volgens de regering niet
leidt tot extra regeldruk. Zij vragen echter of er een beeld bestaat van de impact
van de EVOA 2024 op de betrokken branche. Kan de regering toelichten welke gevolgen
deze verordening naar verwachting heeft voor bedrijven in de afval- en recyclingsector,
bijvoorbeeld ten aanzien van administratieve lasten, nalevingskosten of aanpassingen
in de bedrijfsvoering?
In de antwoorden bij de vragen 53 en 54 is al aangegeven dat de invoering van de digitale
administratie DIWASS bedrijven de kans biedt om hun systemen digitaal te koppelen
aan DIWASS. De daarvoor benodigde aanpassing in software is een eenmalige investering
die zichzelf door het stroomlijnen van de administratie zal terugverdienen.
De in de EVOA 2024 aangescherpte regels moeten ervoor zorgen dat afval uitsluitend
uit de EU wordt geëxporteerd wanneer het niveau van milieuhygiënisch verantwoord beheer
buiten de EU overeenkomt met het niveau dat binnen de EU wordt geaccepteerd. Daardoor
ontstaat er een meer gelijk speelveld, waardoor verwerkers binnen de EU niet langer
hoeven te concurreren met verwerkers buiten de EU, die niet gebonden zijn aan binnen
de EU geldende milieuvoorschriften en die daardoor mogelijk minder kosten maken. Indien
een verwerker buiten de EU niet kan of wil voldoen aan die aangescherpte regels, dan
zal dat inhouden dat er geen afvalstoffen uit de EU meer naar die verwerker mogen
worden geëxporteerd.
Zoals in het antwoord bij vraag 22 is aangegeven, is het toetsen aan nationale afvalbeheerplannen
of afvalpreventieprogramma’s expliciet opgenomen in artikel 12, eerste lid, onder
b, van de EVOA 2024. Indien een innovatieve verwerkingswijze aan een aantal voorwaarden
voldoet, kan in het toetsingskader deze verwerkingswijze als minimum verwerkingsstandaard
worden aangewezen. Met het vaststellen van een minimum verwerkingsstandaard wordt
de verwerking van die specifieke stroom afval in zijn geheel naar een hoogwaardiger
niveau getild. Dat helpt dergelijke innovaties om door te breken op de Nederlandse
en vervolgens Europese markt.
Vraag 56
De leden van de CDA-fractie vragen naar de gevolgen voor regeldruk en nalevingskosten.
Ook wanneer het wetsvoorstel vooral technisch van aard is, kunnen de onderliggende
Europese verplichtingen in de praktijk impact hebben. Hoe ondersteunt de regering
bedrijven bij de invoering van de nieuwe regels, bijvoorbeeld via voorlichting, handreikingen
of digitale systemen? Op welke wijze wordt in beeld gebracht wat de feitelijke lasten
in de praktijk zijn?
In de antwoorden bij de vragen 19 en 43 zijn de activiteiten omtrent voorlichting
reeds uiteengezet. Sinds het najaar van 2025 organiseren de ILT en de Europese Commissie
voorlichtingsbijeenkomsten en bieden zij informatie aan op hun websites. Verder heeft
de ILT een speciaal e-mailadres ingesteld voor het stellen van vragen.
De antwoorden op de vragen 53 en 54 schetsen een beeld van de te verwachte gevolgen
voor het bedrijfsleven. Op de korte termijn is enige frictie onvermijdelijk als gevolg
van het van toepassing worden van de aangescherpte regels in de EVOA 2024, vooral
daar waar het gaat om export van afval afkomstig uit de EU. Deze aangescherpte regels
zorgen er meteen wel voor, dat verwerkers binnen de EU niet langer hoeven te concurreren
met verwerkers buiten de EU, die niet gebonden zijn aan binnen de EU geldende milieuvoorschriften
en die daardoor mogelijk minder kosten maken.
Artikel 27, zesde lid, van de EVOA 2024 verplicht de Europese Commissie tot een tweejaarlijkse
evaluatie van DIWASS. Bij deze evaluatie wordt rekening gehouden met feedback van
gebruikers. De resultaten worden medegedeeld aan het Europees Parlement en de lidstaten.
Toetsing handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid door de ILT
Vraag 57
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het beschamend dat Nederland telkens
weer in gebreke moet worden gesteld voordat EU-regels worden geïmplementeerd of uitgevoerd.
Kan de regering een actueel overzicht verschaffen van regels en regelingen waarin
Nederland achterloopt, in gebreke is gesteld of dreigt te worden? Kan de regering
bij elk van deze gevallen een korte verklaring geven en een inschatting van wanneer
de Kamer het kan agenderen en wanneer het gebrek naar verwachting is hersteld?
Elk kwartaal stuurt de Minister van Buitenlandse Zaken de Tweede Kamer een brief met
een overzicht van de implementatie van EU-richtlijnen in Nederlandse wet- en regelgeving.
In de bijlage van die Kamerbrief staan de lopende ingebrekestellingen genoemd. Correspondentie
tussen Nederland en de Europese Commissie over lopende ingebrekestellingen is vertrouwelijk.
Over ingebrekestellingen wordt beknopt gerapporteerd aan de Tweede Kamer. De Europese
Commissie zet ook beknopte informatie op haar website.
Vraag 58
De leden van de CDA-fractie vragen aandacht voor de uitvoerbaarheid. Het voorstel
beoogt de handhaving te versterken. Wat betekent dit concreet voor de capaciteit van
de ILT, de douane, de politie en het Openbaar Ministerie? Is voorzien in aanvullende
middelen of prioritering? Op welke wijze wordt gemonitord of de handhaving in de praktijk
effectief en proportioneel uitpakt?
In de antwoorden bij de vragen 20, 31 en 33 is al gewezen op de handhaafbaarheids-,
uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) die de ILT heeft uitgevoerd
om de capaciteit en middelen in kaart te brengen, die nodig zijn om de nieuwe en aangepaste
taken te kunnen verrichten, die voortkomen uit de wijzigingen in de EVOA.
Voor de monitoring en bijsturing kent de ILT een planningscyclus, die in het antwoord
bij vraag 45 kort is aangegeven.
De wijzigingen in de EVOA zullen naar verwachting geen grote consequenties hebben
voor de benodigde budgetten voor de overige diensten. De wijzigingen in de EVOA zijn
hoofdzakelijk aanpassingen en nadere uitwerkingen van al bestaande kaders. Bijstelling
van budgetten voor handhaving en vervolging zullen eerder een gevolg zijn van gesignaleerde
tekorten in naleving.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
Vraag 59
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of het bedrijfsleven tijdig is geïnformeerd
over de overgangsregeling. Kan de regering toelichten op welke wijze betrokken bedrijven
en brancheorganisaties op de hoogte zijn gebracht van de wijzigingen en de gevolgen
daarvan voor lopende en toekomstige procedures?
Daarnaast vragen deze leden of er risico’s bestaan op juridische procedures met betrekking
tot lopende kennisgevingen. Kan de regering aangeven in hoeverre de overgangsregeling
voldoende duidelijkheid en rechtszekerheid biedt om dergelijke procedures te voorkomen?
Zoals in het antwoord bij vraag 54 is vermeld, is het bedrijfsleven al vanaf het eerste
begin in 2019, nog voordat de daadwerkelijke onderhandelingen over de wijzigingen
in de EVOA waren begonnen, betrokken bij het verbeteren van de EVOA en wel heel concreet
door het ophalen van de ervaringen en wensen van het bedrijfsleven in de vorm van
een zogenaamde MKB-toets.
In de antwoord bij vraag 19 is een en ander terug te lezen over de voorlichtingsactiviteiten
en ook hoe daarin recente ontwikkelingen worden meegenomen zoals het later dan gepland
beschikbaar komen van een specifieke softwarecomponent, de zogenaamde API.
In het antwoord bij vraag 43 is kort gewezen op voorlichtingsactiviteiten, die zijn
toegespitst op specifieke branches.
De lopende kennisgevingen zal de ILT volgens de EVOA 2006 afhandelen. Deze kennisgevingen
kunnen alleen worden gebruikt voor transporten van afval als vóór 21 mei 2026 de ontvangstbevestiging
is afgegeven door de autoriteit van bestemming én alle betrokken autoriteiten uiteindelijk
een toestemming hebben gegeven.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.