Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Fiche: Voorstel 28ste regime voor ondernemingen – ‘EU Inc.’ (Kamerstuk 22112-4320)
2026D25785 Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen aan
het kabinet over de brief «BNC-fiche: Voorstel 28ste regime voor ondernemingen – «EU
Inc.»» (Kamerstuk 22 112, nr. 4320).
De voorzitter van de commissie,
Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie,
Krijger
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
II Antwoord / Reactie van het kabinet
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche:
«Voorstel 28ste regime voor ondernemingen – «EU Inc.». Zij steunen de doelstelling
van het 28e regime onverkort: het voltooien van de interne markt is voor het Europese
verdienvermogen onontbeerlijk, en de rapporten Draghi, Letta en Wennink hebben de
urgentie inmiddels meerdere malen onderstreept. Voor een Europese startup die in meerdere
lidstaten klanten wil bedienen, betekenen 27 bouwstenen in de praktijk vandaag al
tienduizenden euro's aan oprichtings- en nalevingskosten voordat de eerste klant heeft
getekend; voor Amerikaanse of Chinese concurrenten volstaat één entiteit. Dat moet
anders. Deze leden lezen het fiche dan ook nadrukkelijk als de start van een proces,
niet als sluitstuk, en hebben in die geest de volgende vragen.
Tempo en vervolgharmonisatie
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet het 28e regime kwalificeert als
een eerste stap voor verdere harmonisatie. Welke concrete vervolgstappen ziet het
kabinet de komende twee jaar voor materiële harmonisatie van het vennootschaps-, insolventie-
en arbeidsrecht voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid? Is het kabinet
bereid om met een coalition of the willing een formeel voortrekkersinitiatief te starten als geen consensus kan worden bereikt
op EU-niveau? Is het kabinet bijvoorbeeld bereid om dit op te brengen tijdens de E6
overleggen om te kijken of de E6 hierin een voortrekkersrol kan spelen?
Eén regime of zevenentwintig?
De leden van de D66-fractie lezen dat op kernonderwerpen zoals bestuurdersaansprakelijkheid,
vergunningen, rectificatie van fouten in het aandelenregister, en alle onderwerpen
die de verordening of de statuten niet regelen, het voorstel terugverwijst naar nationaal
recht. Geharmoniseerde rechtspraak ontbreekt; geschillen worden door 27 nationale
rechters uitgelegd. Hoe groot acht het kabinet het risico dat hiermee in de praktijk
27 verschillende EU Inc.'s ontstaan, en hoe wil het kabinet dit in de onderhandelingen
ondervangen? Hoe beoordeelt het kabinet in dit licht de wachttermijn van twee jaar
voor omzetting van een EU Inc. binnen dezelfde lidstaat? Staat die niet haaks op de
ambitie van vereenvoudiging en versnelling?
Bestuurderseisen
De leden van de D66-fractie lezen dat het voorstel het bestuurderschap van een EU
Inc. beperkt tot natuurlijke personen en verplicht dat ten minste één bestuurder in
de EU woont. Voor de Nederlandse bv gelden deze beperkingen niet; deze regels staan
op gespannen voet met de internationale aantrekkingskracht die de EU Inc. juist zou
moeten bieden. Acht het kabinet deze beperkingen werkbaar voor internationaal opererende
start- en scale-ups, en zet het kabinet zich actief in voor het schrappen ervan?
Definitie startup en scale-up
Het kabinet noemt de aanbevolen Europese definities terecht te rigide kwantitatief
begrensd. Tegelijkertijd werkt datzelfde kabinet aan een nationale fiscale regeling
(Wet fiscale stimulering startups en scale-ups, internetconsultatie recent gesloten)
1 met een kwalitatieve definitie die door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO) wordt beoordeeld op innovatie, schaalbaarheid en groeipotentieel, met een toepassingsduur
tot 23 jaar. De leden van de D66-fractie vragen hoe beide definities zich tot elkaar
verhouden. Welke lidstaten zoekt Nederland als bondgenoot voor een meer kwalitatieve
en flexibele Europese definitie, en hoe voorkomt het kabinet dat innovatieve Nederlandse
bedrijven door een rigide EU-definitie onbedoeld buiten staatssteunkaders of Europese
Investeringsbank (EIB) en/of Europese Investeringsfondsen (EIF)-instrumenten vallen?
Waarborgen tegen witwassen en misbruik
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet de waarborgen tegen fraude, witwassen
en misbruik in het huidige voorstel onvoldoende acht en dat hij wijst op de spanning
met de Europese anti-witwasverordening per juli 2027. Welke concrete tekstvoorstellen
wil het kabinet in de onderhandelingen inbrengen om de poortwachtersfunctie van notariaat,
Kamer van Koophandel (KvK) en Belastingdienst volwaardig te borgen?
Beursnotering en governance-arbitrage
De leden van de D66-fractie zien het belang van goed bestuur, en zien tegelijk dat
langetermijn-zeggenschapsstructuren zoals rentmeestervennootschappen, bedrijven juist
helpen om groei en missie te combineren. Hoe waarborgt het kabinet dat bestaande beursgenoteerde ondernemingen het 28e regime niet als instrument gebruiken om aandeelhoudersbescherming
en transparantiewaarborgen terzijde te schuiven, zonder daarmee de ruimte weg te nemen
die innovatieve groeibedrijven nodig hebben voor weloverwogen langetermijn-zeggenschapsstructuren?
Verbieden van ondermijnende rechtspersonen
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het kabinet er terecht op wijst dat
het Openbaar Ministerie (OM) bij een ondermijnende EU Inc. aanzienlijk minder bevoegdheden
krijgt dan bij een bv onder artikel 2:20 BW. Hoe groot acht het kabinet de slagingskans
dit in de onderhandelingen volledig te repareren? Blijft artikel 2:20 BW naar het
oordeel van het kabinet als nationale openbare-orde-regel hoe dan ook van toepassing
op een in Nederland gevestigde EU Inc.?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het voorstel
voor een 28ste regime voor ondernemingen, ook wel «EU Inc.» genoemd. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de doelstelling van het 28ste regime, namelijk het vergroten van de Europese en Nederlandse concurrentiekracht.
Zij vinden tegelijkertijd het afwegen van verschillende maatregelen om dat doel te
bereiken essentieel. In de ogen van deze leden vergt het vergroten van de Europese
en Nederlandse concurrentiekracht gedegen en zorgvuldige besluitvorming. Dat geldt
temeer als het gaat om besluitvorming met een te verwachten grote impact.
De leden van de VVD-fractie lezen in het fiche dat de Europese Commissie (EC) vertrekt
vanuit het startpunt dat er een 28ste regime, dat wil zeggen een optioneel gemeenschappelijk vennootschapsrechtelijk kader,
waarbij een nieuwe rechtsvorm wordt geïntroduceerd, moet komen. Andere opties om de
obstakels als gevolg van fragmentatie van regelgeving voor ondernemingen weg te nemen,
en zo de Europese en Nederlandse concurrentiekracht te vergroten, worden in het impact assessment niet benoemd, stelt het kabinet. Denk dan aan het verder harmoniseren van het nationale
vennootschapsrecht of het vereenvoudigen van reeds bestaand Europees vennootschapsrecht,
waaronder het verbeteren van bestaande Europese rechtsvormen, zoals de Societas Europaea (SE), de Europese naamloze vennootschap. In het BNC-fiche staat niet of het kabinet
tijdens de gesprekken in de Raad dientengevolge ook een punt van deze constatering
gaat maken. Graag ontvangen deze leden hier een toelichting op. Daarbij vragen zij
ook hoe de inzet van het kabinet ten aanzien van het voorstel voor een 28ste regime zich verhoudt tot de uitvoering van het coalitieakkoord waarin is afgesproken
dat het kabinet zoveel mogelijk wetgeving die relevant is voor ondernemers harmoniseert,
zoals het vennootschapsrecht en de arbeidswetgeving, en inzet op het voltooien van
de interne markt. Graag ontvangen de leden van de VVD-fractie hier een gedegen kabinetsreactie
op.
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat het kabinet van mening is dat de EC met
dit voorstel buiten haar bevoegdheden treedt indien het gaat om bepalingen in het
voorstel inzake fiscaliteit. Deze leden steunen deze opvatting van het kabinet. Deze
leden onderstrepen het feit dat het voorstel voor een 28ste regime ook niet op termijn mag leiden tot (vennootschaps-)belastingheffing op Europees
niveau.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat het kabinet meent dat een zorgvuldig
vormgegeven 28ste regime een eerste stap kan zijn voor «verdere integratie». Op welke vorm van integratie
doelt het kabinet hier?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC voorstelt dat de lidstaten preventieve
controles uitvoeren op de (wijziging van) statuten van EU Inc.-ondernemingen. Deze
preventieve controles zouden binnen 48 uur gereed moeten zijn in het geval van «versnelde
oprichting» en binnen vijf dagen in het geval er gebruik wordt gemaakt van maatwerkstatuten.
Het kabinet is hier kritisch over omdat dit volgens hem poortwachters onvoldoende
in staat stelt hun rol goed te vervullen. Daardoor kan dit leiden tot een toename
van financieel-economische criminaliteit, zo stelt het kabinet. Hoe wil de EC deze
termijnen van 48 uur en vijf dagen in het voorstel handhaven?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet om bovengenoemde reden in de verordening
wil inzetten op versterking van de bevoegdheden voor relevante poortwachters en voor
heldere bevoegdheden voor nationale autoriteiten. Hoe wil het kabinet tegelijkertijd
snelheid behouden in de termijnen voor oprichting van een EU Inc.-onderneming en de
regeldrukkosten voor ondernemers laag houden, zoals de EC lijkt te beogen? Graag ontvangen
deze leden een toelichting op de visie van het kabinet op dit spanningsveld.
De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens het kabinet de verwachting van de EC
is dat binnen tien jaar in totaal 308.000 28ste-regime-ondernemingen zullen worden gecreëerd. Kan het kabinet aangeven welke aannames
ten grondslag liggen aan deze verwachting en indien dit niet bekend is, dit navragen
bij de EC? Welk aandeel zal Nederland hierin naar verwachting hebben?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet van mening is dat de door de EC
aanbevolen definities voor start- en scale-ups te rigide zijn begrensd (waardoor naar
de opvatting van het kabinet te veel ondernemingen er ten onrechte buiten zouden vallen)
en dat de definities complex zijn. Is het kabinet bereid tijdens de onderhandelingen
in te zetten op verruiming en vereenvoudiging van de definities, zodat Nederland in
nationaal beleid eventueel kan aansluiten bij deze definitie?
Tenslotte lezen de leden van de VVD-fractie dat het kabinet zich afvraagt of het voorgestelde
bedrag van € 100 voor de registratiekosten van een EU Inc.-onderneming realistisch
is. Het kabinet wil hier tijdens de onderhandelingen aandacht voor vragen, door met
een passend alternatief voorstel te komen. Aan welk passend alternatief voorstel denkt
het kabinet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over
de voorgestelde Europese rechtsvorm «EU Inc.». Deze leden erkennen het belang van
grensoverschrijdend ondernemen en van het volmaken van de Europese interne markt,
maar maken zich zorgen over de ruimte die dit voorstel biedt voor verzwakking van
werknemersrechten en gebrekkige handhaving. Deze leden kunnen zich daarom vinden in
de inzet van het kabinet wat betreft het versterken van bevoegdheden voor de relevante
poortwachters voor een volwaardige controle op een EU Inc., heldere bevoegdheden voor
nationale autoriteiten en andere elementen zoals ten aanzien van het bestuursverbod.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat medezeggenschap en andere niet in
de verordening geregelde onderwerpen, worden gekoppeld aan de statutaire zetelleer.
Kan het kabinet bevestigen dat Nederlandse werknemers niet te maken kunnen krijgen
met governance- en medezeggenschapsregels uit bijvoorbeeld Bulgarije of Estland, enkel omdat een
onderneming daar statutair gevestigd is? Waarom wordt niet aangesloten bij de plaats
waar werknemers daadwerkelijk werkzaam zijn? Ook vragen deze leden welke andere rechtsgebieden
hierdoor geraakt kunnen worden. Kan dit in de praktijk leiden tot toepassing van buitenlandse
ondernemings- of arbeidsrechtelijke constructies op ondernemingen die feitelijk volledig
in Nederland opereren?
Verder constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat bestaande ondernemingen
zonder veel aanvullende eisen snel een EU Inc.-dochter in een andere lidstaat kunnen
oprichten. In combinatie met de versnelde digitale oprichting ontstaat volgens deze
leden een reëel risico op forum winkelen en ontwijking van nationale regels. Welke
harde anti-misbruikmaatregelen zijn noodzakelijk om te voorkomen dat ondernemingen
zich uitsluitend vestigen in lidstaten met de zwakste toezicht- of governance-eisen? Is er een risico dat ondernemingen enkel kiezen voor EU inc. in plaats van
een Nederlandse bv of nv omdat deze aan minder stringente eisen moet voldoen?
Daarnaast maken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich zorgen over de voorgestelde
vereenvoudigde insolventieprocedure. Het kabinet wijst zelf op de risico’s van fraude
en beperkt toezicht, maar ook missen er expliciete waarborgen voor werknemers. Welke
garanties bestaan er dat achterstallige lonen, pensioenpremies en andere werknemersvorderingen
daadwerkelijk betaald worden wanneer een EU Inc. failliet gaat terwijl werknemers
in Nederland werkzaam zijn, maar de statutaire zetel elders ligt? Welke instantie
is in zo’n geval verantwoordelijk voor handhaving en verhaal?
Tot slot maken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich zorgen over het betalen
van eerlijke belastingen door bedrijven en via de Nederlandse belastinginkomsten.
Op welke wijze verwacht het kabinet dat ondernemingen gebruik zullen maken van de
EU Inc.-structuur in relatie tot fiscale vestigingsplaatskeuzes binnen de Europese
Unie? Hoe voorkomt het kabinet dat ondernemingen via een EU Inc. gebruikmaken van
de meest gunstige combinatie van nationale fiscale regimes, zonder dat daar reële
economische activiteiten tegenover staan? Welke gevolgen heeft het voorstel voor de
Nederlandse vennootschapsbelastingopbrengsten indien ondernemingen eenvoudiger kunnen
shoppen tussen rechtsstelsels binnen de EU? Hoe beoordeelt het kabinet de handhaafbaarheid
van belastinginning bij ondernemingen die wel een statutaire zetel in één lidstaat
hebben, maar feitelijke activiteiten in meerdere andere lidstaten verrichten? Acht
het kabinet het risico aanwezig dat de EU Inc. kan leiden tot een neerwaartse concurrentie
tussen lidstaten op het terrein van fiscale regimes en toezichtnormen? Gaat het kabinet
voorafgaand aan verdere besluitvorming, de fiscale gevolgen van de effecten van de
EU Inc. op belastinginning, toezichtlasten en uitvoeringskosten voor de Belastingdienst
onderzoeken? Kan het kabinet een indicatie geven van de potentiële budgettaire derving
die kan ontstaan indien Nederlandse startups en scale-ups massaal gebruik gaan maken
van de EU-ESO-regeling?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Harmoniseren Europese markt
De leden van de CDA-fractie zien veel voordelen in het verder harmoniseren en integreren
van de Europese markt, zoals ook wordt geconstateerd door Mario Draghi en Enrico Letta.
Een belangrijk onderdeel hiervan is het verder integreren van het vennootschapsrecht,
aangezien verschillen tussen nationale stelsels een belangrijke barrière vormen voor
het oprichten, opereren en ontbinden van ondernemingen. Uiteenlopende regelgeving
tussen lidstaten bemoeilijkt grensoverschrijdende activiteiten, leidt tot versnippering
en belemmert de opschaling van ondernemingen.
Het voorgestelde 28ste regime kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen
van belemmeringen binnen de interne markt, maar dat laat onverlet dat verdere harmonisatie
van het vennootschapsrechtelijk kader noodzakelijk blijft. De leden van de CDA-fractie
vinden het daarom goed te vernemen dat dit eveneens de inzet van het kabinet is en
dat Nederland hierin samen met gelijkgestemde lidstaten een kopgroep op vormt. Zij
vragen daarbij naar de stand van zaken van de motie van Lanschot en Dassen2 om de Benelux hierin een voortrekkersrol te laten vervullen.
28ste regime
De leden van de CDA-fractie delen de opvatting van het kabinet dat het 28ste regime
kansen biedt, doordat hiermee één duidelijk Europees kader voor ondernemingen kan
ontstaan. De voordelen van dit regime zijn echter mede afhankelijk van de vraag of
daadwerkelijk voldoende uniformiteit wordt bereikt en of de EU Inc. ook breed gebruikt
zal worden. Deze leden delen de zorg van het kabinet dat het voorgestelde 28ste regime
in de praktijk alsnog kan leiden tot aanzienlijke verschillen tussen lidstaten in
toezicht, handhaving en uitvoeringspraktijk. Zij vrezen dat hierdoor feitelijk «27
verschillende 28ste regimes» ontstaan, hetgeen afbreuk doet aan de beoogde rechtszekerheid,
herkenbaarheid en uniformiteit van de EU Inc. Kan het kabinet nader uiteenzetten op
welke wijze wordt voorkomen dat lidstaten via uiteenlopende uitvoeringspraktijken,
aanvullende nationale vereisten of verschillen in toezicht alsnog substantiële verschillen
laten ontstaan tussen EU Inc.-vennootschappen?
In aanvulling hierop vragen de leden van de CDA-fractie, conform eerdere vragen bij
het schriftelijk overleg Raad voor Concurrentievermogen, welke lessen het kabinet
trekt uit het eerdere initiatief rondom de Societas Europaea (SE), mede gelet op het
relatief beperkte gebruik van deze rechtsvorm in de praktijk. 3 Op welke wijze zijn deze lessen volgens het kabinet meegenomen in de vormgeving van
het voorgestelde 28ste regime? In hoeverre biedt het voorstel van EU inc. meer flexibiliteit
dan Societas Europaea (SE)?
Deze leden vragen tevens of de Societas Europeae operationeel blijft als het voorstel
van EU inc wordt aangenomen.
Dat gezegd hebbende, delen de leden van de CDA-fractie de opvatting van het kabinet
dat de huidige vormgeving van het 28ste regime nog veel vragen oproept met betrekking
tot misbruik, fraudebestrijding en witwassen. Eventuele lacunes of geitenpaadjes binnen
de EU Inc. zouden gemakkelijk misbruikt kunnen worden, zeker wanneer toezicht en handhaving
tussen lidstaten onvoldoende uniform zijn ingericht. Deze leden steunen de inzet van
het kabinet om in de onderhandelingen nadrukkelijk aan te sturen op sterkere waarborgen
tegen misbruik dan ook van harte. De leden van de CDA-fractie vragen wel hoe het kabinet
zich ervoor zal inzetten dat de gesignaleerde lacunes binnen het voorstel worden gedicht,
zonder dat lidstaten vervolgens genoodzaakt zijn aanvullende nationale waarborgen
of uitvoeringsvereisten te introduceren, hetgeen de uniformiteit van het 28ste regime
zou kunnen ondermijnen. Kan het kabinet nader toelichten welke voorstellen het overweegt
om de waarborgen tegen fraude, witwassen en misbruik te versterken? Aan welke maatregelen
denkt het kabinet daarbij concreet?
Met betrekking tot de kapitaalvereiste begrijpen de leden van de CDA-fractie de keuze
voor een flexibel kapitaalregime zonder minimumkapitaalvereiste, mede gezien de ervaringen
met het Nederlandse bv recht. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe wordt gewaarborgd
dat de combinatie van lage toetredingsdrempels, snelle digitale oprichting en beperkte
preventieve controle niet leidt tot grotere risico’s op misbruik of onvoldoende bescherming
van schuldeisers. Kan het kabinet daar meer duiding over geven?
De leden van de CDA-fractie merken voorts op dat bij het aantrekken van internationale
kredieten of investeringen de rechtsvorm slechts één van de relevante factoren is
in de krediet- en risicoanalyse van investeerders en kredietverstrekkers. Ook nationale
verschillen in onder meer boekhoudregelgeving, eigendomsrecht, zekerhedenrecht en
het goederenrecht spelen hierbij een belangrijke rol. Is dit volgens het kabinet voldoende
in beeld bij de EC? Worden deze verschillen momenteel in kaart gebracht en voorziet
het kabinet op deze terreinen eveneens een pad richting verdere harmonisatie?
De leden van de CDA-fractie wijzen er daarnaast op dat het huidige Nederlandse stelsel
niet alleen voorziet in registratie van ondernemingen, maar ook in een belangrijke
poortwachters- en adviesfunctie van onder meer het notariaat en de Kamer van Koophandel.
Deze functies dragen niet alleen bij aan fraudepreventie en het tegengaan van witwassen,
maar helpen ondernemers ook om ondernemingen zorgvuldig en toekomstbestendig op te
zetten. Deze leden zien het risico dat bij een sterk vereenvoudigde en versnelde oprichting
van een EU Inc. deze waarborgen onder druk komen te staan. Hoe beoordeelt het kabinet
dit risico en op welke wijze wordt binnen het voorgestelde 28ste regime geborgd dat
voldoende controle, verificatie en poortwachtersfunctie behouden blijven?
Daarbij wijzen de leden van de CDA-fractie erop dat de Kamer van Koophandel momenteel
reeds veel signalen ontvangt van verdachte of mogelijk frauduleuze inschrijvingen,
terwijl de mogelijkheden om hiertegen op te treden beperkt zijn. 4Hoe voorkomt het kabinet dat de introductie van de EU Inc. deze problematiek verder
vergroot, mede gelet op de mogelijkheid van versnelde oprichting via de fast-trackprocedure
binnen 48 uur?
De leden van de CDA-fractie merken op dat Europese vennootschappen hun administratie,
verslaglegging en een belangrijk deel van hun rechtsverhoudingen blijven voeren naar
nationaal recht. Dit stelt crediteuren, investeerders en andere zakenpartners momenteel
in staat om risico’s en rechtsbescherming te beoordelen aan de hand van de in die
lidstaat geldende regels, bijvoorbeeld op het gebied van insolventie, non-betaling,
zekerhedenrecht en rechtsbescherming van schuldeisers. Hoe wordt deze beoordeling
binnen het voorgestelde 28ste regime voorzien? Indien nationale regels van toepassing
blijven, hoe wordt voor crediteuren, investeerders en andere belanghebbenden voldoende
inzichtelijk gemaakt welk nationaal recht van toepassing is? Hoe verhoudt zich dit
bovendien tot de mogelijkheid voor een EU Inc. om zich relatief eenvoudig naar een
andere lidstaat te verplaatsen?
De leden van de CDA-fractie merken op dat het voorstel beoogt het aantrekken van talent
te vergemakkelijken, onder meer door ruimte te bieden voor werknemersparticipatie
en aandelenopties. Tegelijkertijd blijven arbeidsrecht, sociale zekerheid en veel
fiscale regelingen nationaal georganiseerd. Deze leden vragen in hoeverre verschillen
tussen lidstaten op deze terreinen volgens het kabinet gevolgen kunnen hebben voor
de effectiviteit en aantrekkelijkheid van het voorgestelde Europese werknemersoptieregime.
Definitie van startups en scale-ups
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de aanbeveling van de EC
voor een geharmoniseerde Europese definitie van startups en scale-ups. Hoewel deze
leden de voordelen zien van verdere harmonisatie van definities binnen de Europese
Unie, delen zij de zorgen van het kabinet over de uitvoerbaarheid en de rigide kwantitatieve
afbakening van de voorgestelde definities. Welke mogelijkheden ziet het kabinet om
deze definities werkbaarder en beter toepasbaar te maken in de praktijk?
Daarbij vragen de leden van de CDA-fractie in het bijzonder hoe wordt voorkomen dat
innovatieve ondernemingen die zich in een overgangsfase bevinden tussen startup en
scale-up, en zich daarmee juist in een cruciale groeifase bevinden, buiten de definities
vallen.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie in hoeverre de voorgestelde definitie
van de EC van startups overeenkomt of afwijkt van de RVO definitie(s) en de voorgenomen
definitie in het voorgestelde belastingstelsel Box 3. Hoe wordt gewaarborgd dat deze
definities op elkaar blijven aansluiten?
II Antwoord / Reactie van het kabinet
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.