Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 938 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2027)
Nr. 5
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 1 juni 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
1
Aan artikel III wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
Fa.
Aan artikel 31, vijfde lid, onderdeel b, wordt, onder vervanging van «, of» aan het
slot van subonderdeel 1° door een puntkomma en onder toevoeging van «of» aan subonderdeel
2°, een subonderdeel toegevoegd, luidende:
3º. het andere huisvesting betreft die wordt aangemerkt als extraterritoriale kosten
in de zin van artikel 31a, tweede lid, onderdeel e;.
2
Na artikel IX, onderdeel A, worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
Aa.
In artikel 23, derde lid, wordt «eigen massa van 800 kg» vervangen door «massa rijklaar
van 900 kg» en wordt «eigen massa van 900 kg» door «massa rijklaar van 1.000 kg».
Voorts wordt «eigen massa boven 900 kg» vervangen door «massa rijklaar boven 1.000
kg».
Ab.
In artikel 23a wordt «in afwijking van artikel 23» vervangen door «in afwijking van
artikel 23 en de afdelingen 3 en 5» en wordt «de ingevolge dat artikel verschuldigde
belasting» vervangen door «de belasting die wordt berekend met overeenkomstige toepassing
van artikel 23 waarbij voor «personenauto» telkens wordt gelezen «motorrijtuig met
de aanduiding voor speciale doeleinden SA (kampeerwagen)»».
3
Na artikel X wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XA
In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt in artikel 48, derde lid, «zesde lid»
vervangen door «vijfde lid».
4
Na artikel XIX, onderdeel D, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Da.
In artikel 25c, derde en vierde lid, wordt «artikel 25d» vervangen door «artikel 25e».
5
Artikel XXIX, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel e wordt «artikel II terugwerkt» vervangen door «de artikelen II en
XA terugwerken».
2. Na onderdeel e wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
ea. artikel III, onderdeel Fa, terugwerkt tot en met 1 januari 2011;.
3. Na onderdeel f wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
fa. artikel IX, onderdeel Aa, terugwerkt tot en met 1 juli 2026;.
4. Na onderdeel i wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
ia. artikel XIX, onderdeel Da, terugwerkt tot en met 1 januari 2016;.
TOELICHTING
I Algemeen
Met deze nota van wijziging wordt in het wetsvoorstel een aantal technische wijzigingen
aangebracht. Deze wijzigingen worden hierna toegelicht.
Technische wijziging ETK
Met ingang van 1 januari 2001 is in de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964)
het begrip extraterritoriale kosten geïntroduceerd.1 Dit zijn de extra kosten die een werknemer in redelijkheid maakt omdat hij tijdelijk
buiten het land van herkomst verblijft in het kader van de dienstbetrekking. Een inhoudingsplichtige
kan, ingeval niet de forfaitaire regeling (zie hierna) van toepassing is, de extraterritoriale
kosten gericht vrijgesteld vergoeden als hij deze aannemelijk kan maken. Voor de toepassing
van de vrijstelling voor extraterritoriale kosten is van belang welke kosten tot de
extraterritoriale kosten behoren, welke vergoedingen of verstrekkingen ter zake of
in de vorm van kosten op grond van een andere bepaling kwalificeren als voor de loonbelasting
vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen en welke uitgavenposten de inhoudingsplichtige
in het geheel niet vrij van loonbelasting kan vergoeden of verstrekken. Aan de hand
van dit onderscheid is een vergoeding aan te merken als een vergoeding van extraterritoriale
kosten, als een andere vrijgestelde vergoeding of als verplicht belast loon.
De gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten kent zoals gezegd ook een forfaitaire
variant, de zogenoemde expatregeling.2 Deze regeling houdt in dat inhoudingsplichtigen aan van buiten Nederland in dienstbetrekking
genomen werknemers die aan bepaalde voorwaarden voldoen3 de extra kosten van het verblijf buiten het land van herkomst gedurende maximaal
vijf jaren op een forfaitaire basis gericht vrijgesteld kunnen vergoeden of dat verblijf
verstrekken. De gericht vrijgestelde maximale vergoeding of verstrekking wordt daarbij
bepaald aan de hand van de som van – kortweg – een percentage van het loon4 en het bedrag van de schoolgelden.5 De maximale vrijgestelde forfaitaire vergoeding wordt vanaf 1 januari 2027 gesteld
op 27% van het genoemde loon, vermeerderd met het bedrag van de schoolgelden. Het
onderscheid tussen extraterritoriale kosten, andere vrijgestelde vergoedingen en verplicht
belast loon is ook voor de forfaitaire regeling van belang, omdat vergoedingen en
verstrekkingen ter zake van extraterritoriale kosten niet naast de forfaitaire vergoeding
vrijgesteld verstrekt kunnen worden.
In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet LB 1964 met ingang van 1 januari
20016 is van diverse typen kosten aangegeven of sprake is van extraterritoriale kosten.
Als handreiking voor de praktijk heeft de Directeur-Generaal Belastingdienst namens
de Staatssecretaris van Financiën in aanvulling hierop op 11 februari 2004 een beleidsbesluit7 gepubliceerd waarin voor de in de praktijk meest voorkomende vergoedingen en verstrekkingen
wordt aangegeven of en zo ja, in hoeverre sprake is van extraterritoriale kosten.
In paragraaf 8 van dat beleidsbesluit worden kosten van huisvesting gekwalificeerd.
Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen dubbele huisvestingskosten en eerste
huisvestingskosten.
Dubbele huisvestingskosten zijn de huisvestingskosten buiten het land van herkomst
van een extraterritoriale werknemer die, naar de omstandigheden beoordeeld, in het
land van herkomst is blijven wonen.8 Dubbele huisvestingskosten zijn extraterritoriale kosten voor de periode van de tijdelijke
uitzending.
Als de werknemer, naar de feiten en omstandigheden beoordeeld, echter niet in het
land van herkomst is blijven wonen, dan is geen sprake van dubbele huisvestingskosten.
Als een ingekomen werknemer fiscaal inwoner is geworden van Nederland is de huisvesting
in Nederland eerste huisvesting. Kosten van eerste huisvesting zijn normaliter privé
voor zover ze niet uitgaan boven de normale huisvestingskosten. Uit het oogpunt van
doelmatigheid is bij een beleidsbesluit9 uit 2013 met betrekking tot de werkkostenregeling, waarin de (afgezien van overgangsrecht10) met ingang van 1 januari 2011 geldende regeling voor extraterritoriale kosten, is
toegelicht, aangegeven dat de normale huisvestingskosten in beginsel op 18% van het
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (exclusief een eventuele bijtelling voor huisvesting)
kunnen worden gesteld.11 Het betekent dat bij verstrekte eerste huisvesting of bij vergoede kosten van eerste
huisvesting ten minste dat gebruikelijke bedrag, verminderd met een eventuele eigen
bijdrage, als bij de werknemer te belasten loon in aanmerking wordt genomen. Voor
zover het bedrag van de vergoeding of verstrekking hoger is, is sprake van extraterritoriale
kosten.
Bij de invoering van de werkkostenregeling per 1 januari 2011 is de mogelijkheid om
werknemers een onbelaste vergoeding voor of verstrekking ter zake of in de vorm van
extraterritoriale kosten te geven vormgegeven als een gerichte vrijstelling. Om gebruik
te kunnen maken van een gerichte vrijstelling geldt onder meer als voorwaarde dat
de inhoudingsplichtige de betreffende vergoedingen of verstrekkingen als zodanig heeft
aangewezen als eindheffingsloon.
De Wet LB 1964 benoemt ook enkele vergoedingen en verstrekkingen die niet kunnen worden
aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De Wet LB 1964 bepaalt dat vergoedingen en
verstrekkingen ter zake of in de vorm van een woning niet als onder de werkkostenregeling
vallend eindheffingsloon mogen worden aangewezen, behalve indien het voordeel daarvan
toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen of als sprake is van huisvesting
buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking (dubbele huisvestingskosten).
Dit zogenoemde aanwijsverbod is geïntroduceerd omdat het privévoordeel van de eerste
(dienst)woning, een aanzienlijk beloningsbestanddeel vormt en niet goed past bij een
forfaitaire regeling die is bedoeld voor kosten ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, kleine verstrekkingen en «zwak loon». De vergoeding hiervan of de
waarde van de verstrekking behoort daarom tot het bij de werknemer te belasten loon.12
Bij de omzetting van de tot 1 januari 2011 geldende regeling voor vergoeding en verstrekking
ter zake van extraterritoriale kosten naar een gerichte vrijstelling voor de vergoeding
of verstrekking ter zake van dergelijke kosten onder de werkkostenregeling is in de
toelichting aangegeven dat, behoudens een enkele tekstuele aanpassing, geen wijziging
werd beoogd in de voorwaarden voor het onbelast vergoeden van extraterritoriale kosten
ten opzichte van de regeling zoals deze tot dan toe gold.13 In een standpunt van de Kennisgroep loonheffing algemeen van 28 december 202314 is aangegeven dat aanwijzing van een vergoeding ter zake van een eerste woning weliswaar
op basis van de wettekst in beginsel niet mogelijk is, maar dat een inhoudingsplichtige,
rekening houdende met het uitgangspunt dat geen inhoudelijke wijziging werd beoogd
ten opzichte van de voorafgaand aan 2011 geldende regels, (tot het moment van eventuele
intrekking van het hierna bedoelde standpunt) vertrouwen kan blijven ontlenen aan
de inhoud van het hiervoor genoemde beleidsbesluit uit 2013. Op grond van dat standpunt
kunnen inhoudingsplichtigen er (tot het moment van eventuele intrekking daarvan) derhalve
vertrouwen aan ontlenen dat het aanwijsverbod voor eerste huisvestingskosten niet
geldt voor zover het bedrag van de vergoeding ziet op het bedrag dat uitgaat boven
18% van het loon. Om het betreffende gedeelte van de wet in lijn te brengen met de
uit het betreffende gedeelte van de genoemde memorie van toelichting blijkende bedoeling
voor het onbelast vergoeden van extraterritoriale kosten en met het genoemde beleidsbesluit
uit 2013 wordt voorgesteld eerste15 huisvestingskosten die kwalificeren als extraterritoriale kosten uit te zonderen
van het aanwijsverbod voor de werkkostenregeling. Daarbij zal in lijn met het genoemde
beleidsbesluit uit 2013 door de Belastingdienst als uitgangspunt worden genomen dat
(ingeval ook aan de andere voorwaarden is voldaan) eerste huisvestingskosten als extraterritoriale
kosten kwalificeren voor zover deze hoger zijn dan 18% van het loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking (exclusief een eventuele bijtelling voor huisvesting). Zoals nader
is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting is de voorgestelde wijziging niet
van belang voor de hiervoor genoemde expatregeling, maar alleen voor de regeling op
basis waarvan de werkelijke kosten kunnen worden vergoed. Zoals uit het voorgaande
volgt betreft het een technische wijziging.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De voorgestelde maatregel is vooral technisch van aard zoals in de toelichting is
aangegeven. Deze technische wijziging brengt de wettekst van het betreffende onderdeel
in lijn met de bedoeling en bestaande praktijk. Omdat de voorgestelde maatregel in
lijn is met een reeds bestaande praktijk, kan deze als doeltreffend en doelmatig worden
beschouwd. Er is niet voorzien in een evaluatie gelet op de technische aard van deze
maatregel.
Budgettair
De wijziging heeft geen budgettaire effecten.
Doenvermogen
De wijziging heeft geen gevolgen voor burgers en bedrijven.
Verbetering van een tweetal onvolkomenheden in de motorrijtuigenbelasting
Deze nota van wijziging wijzigt het wetsvoorstel om twee onvolkomenheden in de Wet
op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994) te herstellen. Het betreft in de
eerste plaats een voorstel om te verduidelijken dat het lage kampeerwagentarief van
toepassing is op bestelauto’s en vrachtauto’s die als kampeerwagen zijn geregistreerd.
De hoofdregel is dat kampeerwagens personenauto’s zijn. Echter, op grond van historisch
overgangsrecht kunnen ook bepaalde bestelauto’s en vrachtauto’s uit het jaar 2009
of eerder nog zijn aangemerkt als kampeerwagen. In de Wet op de motorrijtuigenbelasting
is vanaf 1 januari 2027 een redactionele verbetering wenselijk waaruit blijkt dat
deze bijzondere groep motorrijtuigen onder het verlaagde kampeerwagentarief blijven
vallen. Met de voorgestelde aanpassing wordt verduidelijkt dat ook voor deze motorrijtuigen
het bestaande halftarief van toepassing blijft. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging
beoogd. De tweede correctie heeft betrekking op de consequente omzetting van het begrip
«eigen massa» naar «massa rijklaar». Deze omzetting wordt met ingang van 1 juli 2026
ingevoerd voor de houders van motorrijtuigen, maar is abusievelijk nog niet verwerkt
in de kortingsregeling voor LPG-G3-gasinstallaties. Voorgesteld wordt deze omissie
te herstellen en hieraan terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 juli 2026,
zodat de regeling vanaf dat moment op consistente wijze aansluit bij de gewijzigde
grondslag van de motorrijtuigenbelasting. Beide voorgestelde wijzigingen zijn technisch
van aard, leiden niet tot een inhoudelijke beleidswijziging en hebben evenmin financiële
gevolgen voor de houders van deze motorrijtuigen.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De voorgestelde wijzigingen zijn doeltreffend, omdat zij twee technische onvolkomenheden
herstellen en zorgen voor een consistente toepassing van de motorrijtuigenbelasting.
De wijzigingen zijn doelmatig, omdat zij aansluiten bij de bestaande systematiek en
geen aanvullende verplichtingen of uitvoeringslasten voor burgers of bedrijven meebrengen.
Gelet op het technische karakter en de beperkte reikwijdte is geen afzonderlijke evaluatie
voorzien.
Budgettair
De wijziging heeft geen budgettaire effecten.
Doenvermogen
De wijziging heeft geen gevolgen voor burgers en bedrijven.
Verbetering verwijzing in energiebelasting
De energiebelasting is geregeld in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). Voorgesteld
wordt een verwijzingsfout in de Wbm met terugwerkende kracht te herstellen, die is
ontstaan doordat een verwijzing abusievelijk niet is aangepast naar aanleiding van
een vernummering.16 Daarmee wordt geborgd dat de begripsbepaling van een distributienet voor aardgas
niet van toepassing is met betrekking tot waterstof.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De voorgestelde wijziging is doeltreffend, omdat er een technische onvolkomenheid
mee wordt hersteld. De wijziging is doelmatig, omdat deze technisch van aard is en
daarom geen aanvullende verplichtingen of uitvoeringslasten voor burgers of bedrijven
meebrengen. Gelet op dit technische karakter is geen afzonderlijke evaluatie voorzien.
Budgettair
De wijziging heeft geen budgettaire effecten.
Doenvermogen
De wijziging heeft geen gevolgen voor burgers en bedrijven.
Herstel redactionele omissie in de Algemene wet inzake rijksbelastingen
De Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bevat een onjuiste verwijzing. Deze
nota van wijziging wijzigt het wetsvoorstel om die onjuiste verwijzing met terugwerkende
kracht tot en met 1 januari 2016, zijnde de datum waarop de onjuiste verwijzing is
ontstaan, te herstellen.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Het doel van de voorgestelde wijziging is om een redactionele omissie te herstellen.
Dit doel wordt met de voorgestelde maatregel bereikt en is daarmee doeltreffend. Tevens
is het doelmatig, omdat het de meest efficiënte wijze is om deze verbetering door
te voeren. Vanwege de aard van de voorgestelde maatregel is het niet nodig om de wijziging
te betrekken bij een evaluatie.
Budgettair
De wijziging heeft geen budgettaire effecten.
Doenvermogen
De wijziging heeft geen gevolgen voor burgers en bedrijven.
Uitvoeringsgevolgen nota van wijziging
Deze wijzigingen in de nota van wijziging zijn beoordeeld met de uitvoeringstoets.
Voor de onderdelen 1, 2 en 3 zijn de dienaangaande eerder vastgestelde uitvoeringstoetsen17onverkort van kracht. Voor onderdeel 4 is de uitvoeringstoets in de bijlage bij deze
nota van wijziging te vinden.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Onderdeel 1
Artikel II, onderdeel Fa (artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB 1964 bevat een algemene beperking ten
aanzien van het onder de werkkostenregeling als eindheffingsloon kunnen aanwijzen
van vergoedingen en verstrekkingen. Op basis van die bepaling kunnen, voor zover sprake
is van tegenwoordige arbeid, vergoedingen en verstrekkingen slechts als dergelijk
eindheffingsloon worden aangewezen voor zover de omvang daarvan niet in belangrijke
mate groter is dan de omvang van de vergoedingen en verstrekkingen die in voor het
overige overeenkomstige omstandigheden in de regel worden aangewezen (gebruikelijkheidscriterium).
Naast dit (algemene) gebruikelijkheidscriterium bevat artikel 31, vijfde lid, Wet
LB 1964 specifieke vergoedingen en verstrekkingen die niet kunnen worden aangewezen
als een onder de werkkostenregeling vallend eindheffingsbestanddeel. De reden hiervoor
is onder andere dat het aanzienlijke loonbestanddelen kunnen zijn die niet goed passen
in een forfaitaire regeling (de werkkostenregeling) die in principe is bedoeld voor
kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, kleine verstrekkingen en
zogenoemd «zwak loon».18 Een van de uitzonderingen die in artikel 31, vijfde lid, Wet LB 1964 zijn opgenomen
betreft vergoedingen of verstrekkingen ter zake of in de vorm van een woning. Op dit
in artikel 31, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, Wet LB 1964 opgenomen aanwijsverbod
voor vergoedingen of verstrekkingen die betrekking hebben op een woning wordt in artikel
31, vijfde lid, onderdeel b, aanhef en onder 1° en 2°, Wet LB 1964 slechts een uitzondering
gemaakt voor voordelen die toerekenbaar zijn aan buitengewone beveiligingsmaatregelen,
onderscheidenlijk voor huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking
(dubbele huisvesting). Op basis van de tekst van artikel 31, vijfde lid, onderdeel
b, Wet LB 1964 kunnen vergoedingen en verstrekkingen ter zake of in de vorm van eerste
huisvesting dus niet worden aangewezen als een onder de werkkostenregeling vallend
eindheffingsbestanddeel en dienen deze tot het bij de werknemer te belasten loon te
worden gerekend.
In lijn daarmee staat ook in het standpunt van de Kennisgroep loonheffingen algemeen
van 28 december 202319 dat aanwijzing van een vergoeding ter zake van een eerste woning in beginsel niet
mogelijk is. Een beleidsbesluit van 23 augustus 201320 staat, uitgaande van het uitgangspunt dat bij de invoering van de werkkostenregeling
ten aanzien van vergoedingen en verstrekkingen ter zake van extraterritoriale kosten
geen inhoudelijke wijziging werd beoogd, echter toe dat voor werknemers die tijdelijk
buiten het land van herkomst verblijven in het kader van de dienstbetrekking, maar
niet onder de forfaitaire regeling vallen, kosten van eerste huisvesting gericht vrijgesteld
kunnen worden vergoed voor zover de vergoeding of de waarde van de verstrekking meer
bedraagt dan 18% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (exclusief een eventuele
bijtelling voor huisvesting) van de werknemer. Daarbij wordt niets gezegd over het
aanwijsverbod dat is opgenomen in artikel 31, vijfde lid, Wet LB 1964. Inhoudingsplichtigen
kunnen (tot het eventuele moment van eventuele intrekking van bovengenoemd standpunt)
vertrouwen ontlenen aan bovengenoemd standpunt en derhalve een beroep blijven doen
op de tekst van bovengenoemd beleidsbesluit en dus kosten van eerste huisvesting boven
18% van het loon uit tegenwoordige arbeid (exclusief een eventuele bijtelling voor
huisvesting) van de werknemer gericht vrijgesteld vergoeden. Dit gebeurt in de praktijk
ook. Om overeenstemming te bereiken tussen enerzijds het beleidsbesluit en de praktijk
en anderzijds de tekst van de Wet LB 1964, zoals hierboven beschreven, wordt voorgesteld
om aan artikel 31, vijfde lid, onderdeel b, Wet LB 1964 een subonderdeel toe te voegen
op basis waarvan vergoedingen of verstrekkingen ter zake van eerste huisvestingskosten
die kwalificeren als extraterritoriale kosten worden uitgezonderd van het aanwijsverbod
voor de werkkostenregeling van artikel 31, vijfde lid, Wet LB 1964. Inhoudingsplichtigen
hadden vanaf 1 januari 2011 de mogelijkheid om de werkkostenregeling toe te passen.21 Daarom wordt voorgesteld aan de voorgestelde wijziging van artikel 31, vijfde lid,
onderdeel b, Wet LB 1964 terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2011.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de voorgestelde wijziging niet van belang is
voor de in artikel 31a, achtste en negende lid, Wet LB 1964 opgenomen forfaitaire
regeling voor extraterritoriale kosten (expatregeling), aangezien bij die regeling
huisvestingskosten niet als zodanig als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen,
maar onderdeel zijn van de aan de forfaitaire vergoeding ten grondslag liggende kosten.
Onderdeel 2
Artikel IX, onderdeel Aa (artikel 23 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)
Met ingang van 1 juli 2026 wordt de grondslag van de motorrijtuigenbelasting gewijzigd
van «eigen massa» naar «massa rijklaar». De «massa rijklaar» is in alle gevallen 100
kg hoger dan de «eigen massa» van het motorrijtuig. Dat is de reden dat naast de terminologie
ook de schrijfgrenzen met 100 kg worden verhoogd. Deze aanpassing is zuiver technisch
van aard en dient ertoe om aan te sluiten bij de begrippen zoals die in Europees verband
en voor het kentekenregister worden gebruikt. Abusievelijk is deze aanpassing niet
doorgevoerd in artikel 23, derde lid, Wet MRB 1994, dat betrekking heeft op de kortingsregeling
voor LPG-G3-gasinstallaties. Dat lid zou met ingang van 1 januari 2026 vervallen op
grond van artikel XX, onderdeel A, van het Belastingplan 2024. Die wijziging van artikel
23 Wet MRB 1994 is als gevolg van een aangenomen amendement op het Belastingplan 2026
teruggedraaid.22 Er is echter niet gelijktijdig een wijziging van artikel 23, derde lid, Wet MRB 1994
opgenomen om aan te sluiten bij de aanpassing van de grondslag van de motorrijtuigenbelasting
per 1 juli 2026. Op grond van de onderhavige wijziging van het wetsvoorstel wordt
daarom voorgesteld de kortingsregeling voor LPG-G3-gasinstallaties te baseren op de
massa rijklaar van het motorrijtuig met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2026.
Artikel IX, onderdeel Ab (artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)
Het Belastingplan 2025 regelt dat met ingang van 1 januari 2027 de definitie van personenauto
wordt aangepast.23 Een personenauto is dan niet langer «een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht
voor personenvervoer en wel voor het vervoer van niet meer dan acht personen, de bestuurder
daaronder niet begrepen». In plaats hiervan wordt aangesloten bij de Europese voertuigdefinitie
en is een personenauto «een motorrijtuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie
M1».
Voor kampeerwagens geldt dat zij altijd een motorrijtuig van de voertuigcategorie
M zijn en daarmee dus altijd een personenauto. Voor kampeerwagens geldt in de motorrijtuigenbelasting
een halftarief. Echter, het Nederlandse wagenpark kent ook nog bestelauto’s (N1) en
vrachtauto’s (N2/N3) die voor 29 april 2009 tot kampeerwagen zijn omgebouwd en die
formeel dus niet als personenauto (M1) staan geregistreerd. Op grond van in artikel
11.7 van de Regeling voertuigen opgenomen overgangsrecht blijven zij tot voertuigcategorie
bestelauto of vrachtauto (categorie N) behoren en worden zij nog steeds als kampeerwagen
aangemerkt.
De wetgever heeft met het Belastingplan 2025 beoogd dat deze bijzondere groep kampeerwagens
onder het halftarief blijven vallen.24 In dit verband blijkt een redactionele verbetering wenselijk. In artikel 23a Wet
MRB 1994 wordt verwezen naar artikel 23 Wet MRB 1994, dat met ingang van 1 januari
2027 uitsluitend betrekking heeft op personenauto’s (M1). Om te verzekeren dat ook
bestelauto’s en vrachtauto’s die voor 29 april 2009 tot kampeerwagen zijn omgebouwd
in aanmerking blijven komen voor het verlaagde tarief, wordt het wetsvoorstel aangepast.
Met de voorgestelde aanpassing van artikel 23a Wet MRB 1994 wordt verduidelijkt dat
het kampeertarief ook voor deze kampeerwagens van toepassing blijft. Dat wil zeggen
dat ook voor bestelauto’s en vrachtauto’s (N2/N3) die op grond van het in artikel
11.7 van de Regeling voertuigen neergelegde overgangsrecht worden aangemerkt als kampeerwagen
geldt, dat de belasting nog altijd de helft bedraagt van het tarief dat wordt berekend
met overeenkomstige toepassing van artikel 23 Wet MRB 1994. Er is geen inhoudelijke
wijziging ten opzichte van de huidige situatie beoogd.
Onderdeel 3
Artikel XA (artikel 48 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 48, derde lid, Wbm wordt verwezen naar artikel 47, zesde lid, Wbm. Met
die verwijzing is bedoeld om de begripsbepaling van een distributienet voor aardgas
niet van toepassing te laten zijn met betrekking tot waterstof.25 Ingevolge artikel VI, onderdeel D, onder 2, van de Fiscale verzamelwet 2026 is artikel
47, zesde lid, Wbm per 1 januari 2026 vernummerd tot het vijfde lid van dat artikel.
Artikel 48, derde lid, Wbm is abusievelijk niet aangepast naar aanleiding van die
vernummering, waardoor ten onrechte niet naar de begripsbepaling van een distributienet
voor aardgas wordt verwezen. Met deze nota van wijziging wordt na artikel X van het
wetsvoorstel een artikel ingevoegd. Met dat artikel XA van het wetsvoorstel wordt
voorgesteld om deze omissie te herstellen door de verwijzing in artikel 48, derde
lid, Wbm naar artikel 47, zesde lid, Wbm te vervangen door een verwijzing naar het
vijfde lid van laatstgenoemd artikel.
Omdat de onjuiste verwijzing in artikel 48, derde lid, Wbm per 1 januari 2026 is ontstaan,
wordt voorgesteld terugwerkende kracht te verlenen aan de correctie van die onjuiste
verwijzing tot en met die datum.
Onderdeel 4
Artikel XIX, onderdeel Da (artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
In artikel 25c, derde en vierde lid, AWR wordt verwezen naar «de collectieve uitspraak,
bedoeld in artikel 25d». Niet artikel 25d AWR maar artikel 25e AWR gaat echter over
de collectieve uitspraak. Dat betekent dat in artikel 25c, derde en vierde lid, AWR
naar artikel 25e AWR moet worden verwezen. De voorgestelde aanpassing van artikel
25c AWR betreft dus geen inhoudelijke wijziging maar enkel het herstel van een redactionele
onvolkomenheid. Er wordt voorgesteld deze wijziging terug te laten werken tot en met
1 januari 2016, omdat deze onjuiste verwijzing per die datum is ontstaan.
Onderdeel 5
Artikel XXIX
Dit onderdeel wijzigt de inwerkingtredingsbepaling van het wetsvoorstel. Voor een
aantal wijzigingen van het wetsvoorstel ingevolge deze nota van wijziging is voorzien
in een inwerkingtreding met terugwerkende kracht. Dit is toegelicht bij de toelichting
op de betreffende onderdelen.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Indieners
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën