Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake het onderwerp Kwaliteitszorg (inclusief Patiënten- en cliëntenrechten)
2026D24662 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over het onderwerp Kwaliteitszorg (inclusief Patiënten- en cliëntenrechten).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II. Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
op de agenda van het schriftelijk overleg over kwaliteitszorg. Deze leden hebben hierover
enkele vragen opgesplitst per onderwerp.
Transparantie van keuze-informatie
De leden van de D66-fractie lezen in de brief van de Minister over transparantie van
keuze-informatie voor patiënten dat de Minister toewerkt naar een toekomstbeeld waarin
patiënten vanuit huis inzicht hebben in behandelopties en verschillen tussen zorgaanbieders,
zodat zij samen met hun zorgverlener een goed geïnformeerde keuze kunnen maken. Deze
leden vinden het daarbij cruciaal dat er blijvende aandacht is voor uitkomsten die
voor patiënten zelf van betekenis zijn, waaronder kwaliteit van leven, ervaren functioneren
en de impact van behandelingen op het dagelijks leven. Deze leden waarderen dan ook
dat de Minister expliciet aangeeft dat juist dit soort informatie onderdeel moet zijn
van toekomstige keuze-informatie voor patiënten.
Tegelijkertijd constateren deze leden dat de praktijk nog ver verwijderd is van dit
toekomstbeeld. Uit onderzoek van het Zorginstituut Nederland en de Patiëntenfederatie
blijkt immers dat voor een groot deel van de ziektelast binnen de medisch specialistische
zorg nog geen kwaliteitsdata openbaar beschikbaar is. Ook lezen deze leden dat informatie
over verschillen tussen zorgaanbieders vaak ontbreekt of onvoldoende begrijpelijk
beschikbaar is voor patiënten. Kan de Minister aangeven welke concrete doelen zij
zichzelf stelt voor de komende jaren om deze achterstand in te lopen? Op welke momenten
en manieren wordt inzichtelijk gemaakt welke aandoeningen inmiddels beschikken over
begrijpelijke en openbaar beschikbare keuze-informatie voor patiënten en welke nog
niet?
Verder lezen deze leden dat de Minister veldpartijen aanmoedigt om versnelling aan
te brengen in het realiseren van meer openbare en begrijpelijke keuze-informatie voor
patiënten. Kan de Minister nader toelichten welke instrumenten hierbij concreet gebruikt
worden? Welke mogelijkheden heeft de Minister wettelijk beschikbaar om naast aanmoediging
ook meer sturende of dwingende instrumenten in te zetten om openbaarmaking van kwaliteitsinformatie
te bevorderen?
Ook lezen deze leden in de brief over keuze-informatie voor patiënten dat de Wet kwaliteitsregistraties
zorg een belangrijke rol moet spelen in het beter benutten van bestaande kwaliteitsregistraties
voor keuze-informatie voor patiënten. Is deze wet volgens de Minister voldoende toegerust
om daadwerkelijk versnelling te realiseren? Op welke wijze kan deze wet concreet worden
ingezet om verdere stappen te zetten richting meer transparantie voor patiënten? Welke
beperkingen in het optreden van de overheid op het openbaar maken van kwaliteitsdata
blijven volgens de Minister bestaan, ook na de inwerkingtreding van deze wet? Kan
de Minister daarbij ook ingaan op de balans tussen transparantie en uitvoerbaarheid?
Tot slot vragen deze leden aandacht voor het feit dat de huidige inzet zich primair
richt op de medisch specialistische zorg. Bestaat inmiddels meer duidelijkheid over
een eventuele uitbreiding van de Wet kwaliteitsregistraties zorg naar andere sectoren,
zoals de eerstelijnszorg, wijkverpleging of de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Wanneer verwacht de Minister de Kamer hierover verder te informeren?
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)
De leden van de D66-fractie lezen in de evaluatie van de Wmcz 2018 dat op verschillende
punten ruimte voor verbetering bestaat in de wijze waarop medezeggenschap binnen zorginstellingen
functioneert.
Deze leden onderschrijven het belang van goede medezeggenschap, omdat dit eraan bijdraagt
dat zorg beter aansluit bij de behoeften van patiënten en cliënten. In de evaluatie
wordt onder meer geadviseerd de inspraakcultuur binnen instellingen verder te versterken.
Ook wordt gewezen op het belang van tijdige, volledige en begrijpelijke informatievoorziening
richting cliëntenraden. Kan de Minister aangeven hoe zij concreet gevolg geeft aan
deze aanbevelingen?
Daarnaast lezen deze leden dat de huidige wet onvoldoende basis biedt voor medezeggenschap
binnen regionale samenwerkingsverbanden. Juist nu samenwerking tussen verschillende
zorgdomeinen steeds belangrijker wordt, bijvoorbeeld om capaciteitsvraagstukken aan
te pakken en zorg beter rondom de patiënt te organiseren, achten deze leden dit een
relevant knelpunt. Welke stappen zijn inmiddels gezet om medezeggenschap binnen regionale
samenwerkingsverbanden beter te organiseren? Acht de Minister aanvullende wet- of
regelgeving nodig om cliënten en patiënten ook binnen regionale samenwerking goed
vertegenwoordigd te laten zijn?
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat een deel van de ervaren regeldruk
in de zorg ook voortkomt uit verplichtingen die vanuit de overheid worden opgelegd,
maar die weinig toevoegen. In deze evaluatie wordt bijvoorbeeld benoemd dat in de
eerstelijnszorg cliëntenraden relatief veel tijd kosten terwijl de toegevoegde waarde
beperkt wordt ervaren. Is de Minister bereid kritisch te kijken naar mogelijke knelpunten
in de Wmcz 2018 voor de eerstelijnszorg, en te bezien of daar meer proportionele vormen
van medezeggenschap mogelijk zijn? Is zij daarnaast bereid breder te kijken naar manieren
om administratieve lasten, bijvoorbeeld rond jaarverantwoordingen en rapportages,
verder te verminderen?
Uitkomstgerichte Zorg
De leden van de D66-fractie lezen in de voortgangsrapportages over Uitkomstgerichte
Zorg en de begeleidende brief dat het programma Uitkomstgerichte Zorg bedoeld is om
zorg beter af te stemmen op de behoeften, voorkeuren en waarden van patiënten en daarmee
een belangrijke bouwsteen vormt voor passende zorg. Deze leden steunen die beweging
nadrukkelijk. Zij zien hierin een belangrijke stap in de transitie van een systeem
waarin productie centraal staat naar een systeem waarin de best mogelijke uitkomsten
voor patiënten leidend zijn.
In de begeleidende brief van de rapportage uit 2024 lezen deze leden dat zorginstellingen
actief zijn opgeroepen gebruik te maken van de WensenScan om instellingen te ondersteunen
bij samen beslissen en het werken met uitkomstinformatie. Kan de Minister aangeven
of inmiddels zichtbaar is geworden dat dit instrument daadwerkelijk heeft bijgedragen
aan zorg die beter aansluit bij de behoeften en voorkeuren van patiënten? Hoe heeft
dit instrument zich de afgelopen jaren verder ontwikkeld? Zijn er inmiddels ook andere
instrumenten ontwikkeld of breder ingezet om zorginstellingen actief te ondersteunen
bij uitkomstgericht werken?
Verder lezen deze leden dat het programma sterk inzet op databeschikbaarheid en op
betere toegankelijkheid van uitkomstinformatie voor patiënten en zorgverleners. Kan
de Minister toelichten op welke wijze de randvoorwaarden voor uitkomstgerichte zorg
worden meegenomen in bredere digitaliseringsvraagstukken binnen de zorg, bijvoorbeeld
in relatie tot de uitwerking van de European Health Data Space (EHDS)? Hoe wordt voorkomen
dat verschillende trajecten naast elkaar ontstaan zonder voldoende samenhang in databeschikbaarheid,
standaarden en governance?
Daarnaast merken deze leden op dat het programma zich vooralsnog richtte op de medisch
specialistische zorg. Welke mogelijkheden ziet de Minister om de lessen en ervaringen
uit dit programma breder toe te passen, bijvoorbeeld in de eerstelijnszorg, wijkverpleging
en de ggz?
Tot slot constateren deze leden dat het programma Uitkomstgerichte Zorg richting afronding
gaat. Hoewel belangrijke stappen zijn gezet, zijn deze leden van mening dat de zorg
als geheel nog niet klaar is met de omslag naar uitkomstgerichte zorg. Instellingen
blijven volgens de rapportages zelfstandig doorgaan met verdere ontwikkeling, maar
deze leden vragen de Minister hoe deze ontwikkeling structureel wordt geborgd. Op
welke wijze blijft de Minister deze ontwikkeling actief stimuleren en ondersteunen,
ook nu het programma formeel afloopt? Welke rol ziet de Minister hierin voor haar
eigen ministerie, Zorginstituut Nederland, zorgverzekeraars en eventueel voor andere
betrokken partijen?
VVT
De VVT-sector werkt met het Generiek Kompas om richting te geven aan passende zorg,
waarbij er meer nadruk wordt gelegd op het open gesprek met de cliënt, kwaliteit van
leven en de kracht van samen, waardoor er meer regie bij de cliënt komt te liggen.
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze de Minister beoogt dat de randvoorwaarden
die relevant zijn voor het Generiek Kompas, zoals leren en ontwikkelen en de inzet
van technologie, voldoende worden gerealiseerd?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende
brieven aangaand de onderwerpen die betrekking hebben op kwaliteitszorg. Zij zijn
van mening dat het verbeteren van het inzicht in de kwaliteit van zorg een van de
belangrijkste manieren is om de belofte van de Zorgverzekeringswet waar te maken.
Daarom vinden zij het goed dat hier aandacht voor is. Over de geagendeerde brieven
hebben zij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het verbeteren van de beschikbaarheid
van keuze-informatie voor patiënten een belangrijke stap is in het verbeteren van
niet alleen de kwaliteit van zorg, maar ook van het vertrouwen daarin. Daarom zijn
deze leden blij met het geschetste toekomstbeeld. Deze leden zien dat in Denemarken
sprake is van een vergevorderde persoonlijke gezondheidsomgeving. Kan de Minister
aangeven in welke mate hier lessen uit getrokken kunnen worden voor de Nederlandse
situatie? Zo ja, welke lessen zijn dit? Zo nee, welke verschillen zijn er tussen de
Nederlandse en Deense situatie die het trekken van lessen onmogelijk maken?
Hoewel de leden van de VVD-fractie aan de ene kant blij zijn met de afspraken met
medische specialistische zorg (msz)-partijen om tot meer keuze-informatie te komen
voor patiënten, hebben zij vragen bij de effectiviteit hiervan. Kan de Minister aangeven
of zij enigszins vrijblijvende afspraken voldoende acht, of zal zij op een bepaald
moment meer dwingende maatregelen nodig achten? Kan zij hierbij ook een reflectie
geven op het gebrek aan vooruitgang op dit vlak sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet.
De leden van de VVD-fractie hebben eerder hun zorgen geuit over de gebrekkige voortgang
in het programma Uitkomstgerichte Zorg. Sinds 2017 lijkt hier nauwelijks voortgang
in geboekt, met name vanwege bestuurlijke drukte. Deze leden zijn blij dat er in 2025
meer resultaten geboekt zijn. Tegelijkertijd begrijpen zij dat – wederom – in Denemarken
grote vooruitgang is geboekt op dit vlak, in het kader van de Danish Health Care Quality
Programma (DHCQP). Kan de Minister aangeven welke lessen zij hieruit trekt? Is hier
wederom vrijblijvendheid voldoende om deze informatie beschikbaar te krijgen? Zo ja,
waarom wel? Zo nee, welke stappen wil de Minister verder nemen?
De leden van de VVD-fractie zijn verheugd te lezen dat het kabinet zich zo inzet voor
vrouwen en dan specifiek voor de groep vrouwen met een dicht borstweefsel. Deze leden
zijn ook blij te lezen dat er opdracht is gegeven tot het opstellen en uitvoeren van
het implementatieplan. De leden van de VVD-fractie delen de frustratie van het kabinet
over de tijd die alsnog nodig is om dit allemaal te realiseren. Zij erkennen dat dit
voor een groot deel invloeden zijn die buiten het kabinet vallen en zijn verheugd
te lezen dat het kabinet vaart maakt waar zij dit kan. Ziet de Minister mogelijkheden
om de implementatie van MRI-scans voor vrouwen met dicht borstweefsel sneller te realiseren?
En zo ja, welke?
De leden lezen dat het kabinet extra alert is op dataveiligheid voornamelijk door
een hack in het baarmoederhalskankeronderzoek. Door deze hack is het vertrouwen in
bevolkingsonderzoeken gedaald. Hoe gaat de Minister hier mee om? Denkt zij dat dit
gevolgen heeft voor dit specifieke onderzoek? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er in
dit onderzoek voldoende vertrouwen is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor het
schriftelijk overleg over kwaliteitszorg (inclusief patiënten- en cliëntenrechten).
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de huidige subsidieregeling
patiënt- en gehandicaptenorganisaties (PG) loopt tot en met 31 juli 2028. In het coalitieakkoord
is echter afgesproken dat de subsidiebudgetten bij departementen worden verlaagd,
wat voor de begroting van het Ministerie van VWS een bezuiniging van 30 miljoen euro
zou betekenen vanaf 2027. Genoemde leden hebben signalen ontvangen van pg-organisaties
dat zij zich hier zorgen over maken in verband met hun posities. Zou nader toegelicht
kunnen worden op welke wijze deze bezuiniging van € 30 miljoen verdeeld zal worden
bij VWS en kan expliciet toegezegd worden dat de voorgenomen bezuiniging geen gevolgen
gaat hebben voor de subsidieregeling PG’s?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstig zorgen over de huidige
personeelstekorten binnen de zorg en eventuele gevolgen voor patiëntveiligheid. Zou
nader toegelicht kunnen worden op welke wijze de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) toezicht houdt op situaties waarin er structureel sprake is van onderbezetting,
met als gevolg dat er verhoogde veiligheidsrisico’s zijn? Hoe reflecteert de Minister
op de huidige meldcultuur binnen zorginstellingen? Op welke concrete wijze wordt ook
voldoende toezicht gehouden op zorginstellingen waarbij zorg wordt verleend aan kwetsbare
personen, die niet altijd (verbaal) melding kunnen maken van overschrijdend gedrag
of klachten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Patiëntveiligheid
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij in algemene zin beoordeelt
of patiëntveiligheid in Nederland daadwerkelijk verbetert. Welke indicatoren gebruikt
de Minister om vast te stellen of patiënten nu veiliger zijn dan enkele jaren geleden?
Welke signalen, meldingen of incidenten laten volgens de Minister juist zien dat verbetering
nog steeds noodzakelijk is?
Rapport labonderzoeksrapport RIVM naar mesh-implantaten
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het RIVM-onderzoek naar mesh-implantaten.
Deze leden vinden het belangrijk dat patiënten met langdurige klachten na plaatsing
van een implantaat serieus worden genomen, ook wanneer klachten ingewikkeld zijn,
moeilijk aantoonbaar zijn of niet meteen binnen een standaard medisch kader passen.
Kan de Minister aangeven wat er sinds het verschijnen van dit rapport concreet is
veranderd voor patiënten met klachten na mesh-implantaten?
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel meldingen over mesh-implantaten sinds het
rapport zijn ontvangen, bij welke instanties deze meldingen terechtkomen en wat daar
vervolgens mee gebeurt. Hoe wordt voorkomen dat patiënten van loket naar loket worden
gestuurd? Is er voor deze groep één duidelijke route voor melding, erkenning, medische
beoordeling en nazorg?
Deze leden vragen of patiënten voorafgaand aan plaatsing van een implantaat voldoende
begrijpelijke informatie krijgen over risico’s, alternatieven en mogelijke langetermijnklachten.
Hoe wordt gecontroleerd of informed consent in de praktijk meer is dan een handtekening onder een formulier? Wordt ook achteraf
actief gevolgd hoe het met patiënten gaat?
Patiënten- en cliëntenrechten
De leden van de PVV-fractie vinden dat patiënten- en cliëntenrechten niet alleen op
papier moeten bestaan. Kan de Minister aangeven welke rechten patiënten en cliënten
in de praktijk het vaakst niet weten te vinden of niet goed kunnen afdwingen? Welke
concrete verbeteringen zijn de afgelopen jaren doorgevoerd om patiënten en cliënten
sterker te maken tegenover grote zorgorganisaties, zorgverzekeraars of geschilleninstanties?
Deze leden vragen hoe de Minister kijkt naar de informatiepositie van patiënten. Is
de Minister het met deze leden eens dat patiënten vaak afhankelijk zijn van informatie
die door dezelfde instelling wordt geleverd waarover zij een keuze moeten maken of
waartegen zij een klacht willen indienen? Hoe wordt die afhankelijkheid verminderd?
Beleidskader subsidiëring pg-organisaties
Kan de Minister aangeven hoeveel geld jaarlijks naar pg-organisaties gaat en hoe wordt
gemeten wat patiënten en cliënten daar concreet aan hebben? Welke eisen worden gesteld
aan bereik, representativiteit en aantoonbare meerwaarde? Wordt ook gekeken of organisaties
daadwerkelijk gedragen worden door hun achterban?
Rapportage ontwikkeltraject vertrouwenswerk en klachtenopvang
De leden van de PVV-fractie vragen wat het ontwikkeltraject vertrouwenswerk en klachtenopvang
concreet heeft opgeleverd voor cliënten en patiënten. Is de toegang tot vertrouwenswerk
eenvoudiger geworden? Weten mensen beter waar zij terechtkunnen? Zijn doorlooptijden
korter geworden?
Deze leden vragen of de Minister erkent dat het huidige landschap van vertrouwenswerk,
klachtenfunctionarissen, geschilleninstanties en toezichthouders voor gewone mensen
ingewikkeld kan zijn. Is de Minister bereid om te werken aan één herkenbare en laagdrempelige
route voor mensen die vastlopen in de zorg?
Evaluatie Wkkgz en verslag schriftelijk overleg
Deze leden vragen specifiek naar de positie van patiënten en cliënten in een klachtenprocedure.
Staat de patiënt in de praktijk niet vaak tegenover een professionele zorgaanbieder
met meer kennis, meer tijd en meer middelen? Hoe wordt die ongelijkheid gecorrigeerd?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de klachtenfunctionaris. Hoe onafhankelijk
is een klachtenfunctionaris wanneer deze door of namens de zorgaanbieder wordt ingezet?
Hoe wordt voorkomen dat patiënten het gevoel krijgen dat zij hun klacht moeten indienen
binnen hetzelfde systeem waarover zij klagen?
Ook vragen deze leden hoe vaak klachten onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz) leiden tot concrete herstelmaatregelen, excuses, aanpassing van beleid,
schadevergoeding of toezicht door de IGJ. Kan de Minister deze cijfers geven, uitgesplitst
naar type zorgaanbieder?
De leden van de PVV-fractie vragen ook naar kleinere zorgaanbieders en solistisch
werkende zorgverleners. Welke verplichtingen onder de Wkkgz zijn volgens de Minister
noodzakelijk voor patiëntveiligheid en welke verplichtingen leveren vooral administratieve
belasting op? Is de Minister bereid om de uitvoeringslast voor kleinere aanbieders
te verlagen zonder de bescherming van patiënten te verminderen?
Onbedoelde en ongewenste uitkomsten in de zorg, normhandhaving, leren en herstel
Deze leden vragen hoe vaak de IGJ de afgelopen jaren heeft ingegrepen na herhaalde
signalen van patiënten of nabestaanden. Hoe wordt voorkomen dat instellingen vooral
intern reflecteren, terwijl patiënten vooral behoefte hebben aan erkenning, openheid
en herstel?
Voortgangsrapportages Uitkomstgerichte Zorg
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voortgangsrapportages over
uitkomstgerichte zorg. Deze leden vinden het uitgangspunt begrijpelijk: patiënten
moeten beter kunnen meewegen wat een behandeling betekent voor hun gezondheid, kwaliteit
van leven en dagelijks functioneren. Tegelijkertijd vragen deze leden de Minister
waarom dit na zoveel jaren nog steeds vooral klinkt als een programma in ontwikkeling.
Kan de Minister concreet aangeven wat patiënten vandaag meer weten dan vóór de start
van het programma? Welke informatie over behandeluitkomsten is inmiddels openbaar,
begrijpelijk en bruikbaar voor patiënten? Voor welke aandoeningen of behandelingen
kan een patiënt nu daadwerkelijk beter kiezen?
Deze leden vragen hoeveel geld sinds de start van het programma is besteed aan uitkomstgerichte
zorg en welke meetbare resultaten daar tegenover staan. Kan de Minister aangeven welke
onderdelen aantoonbaar succesvol zijn en welke onderdelen zijn gestopt omdat zij onvoldoende
opleverden?
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe wordt voorkomen dat uitkomstgerichte zorg
leidt tot extra registratiedruk voor zorgverleners. Welke registraties zijn geschrapt
of vereenvoudigd? Hoe wordt geborgd dat verpleegkundigen, artsen en andere zorgverleners
niet nog meer tijd achter het scherm doorbrengen?
Eindevaluatie Citrienfonds 2019–2022
De leden van de PVV-fractie vragen wat de eindevaluatie van het Citrienfonds concreet
betekent voor patiënten. Welke projecten hebben geleid tot blijvende verbetering in
de zorg? Welke resultaten zijn structureel ingebed? Welke projecten zijn niet voortgezet
omdat zij onvoldoende meerwaarde hadden?
Deze leden vragen hoeveel geld met het Citrienfonds gemoeid was en hoe de Minister
beoordeelt of dit geld doelmatig is besteed. Is de Minister bereid om bij toekomstige
fondsen vooraf scherper vast te leggen welke concrete uitkomsten voor patiënten moeten
worden bereikt?
Onderzoek geschilleninstanties Wkkgz en reactie daarop
De leden van de PVV-fractie maken zich zorgen over de positie van patiënten en cliënten
bij geschilleninstanties. Wie een geschil begint, staat vaak tegenover een professionele
zorgaanbieder met meer kennis, meer tijd en meer middelen. Kan de Minister aangeven
hoe wordt gewaarborgd dat de procedure eerlijk en begrijpelijk is voor gewone mensen?
Deze leden vragen waarom verdere professionalisering van geschilleninstanties nodig
is als het stelsel al jaren bestaat. Wat zegt dit over de bescherming die patiënten
en cliënten tot nu toe hebben gehad? Welke tekortkomingen zijn geconstateerd en wanneer
zijn deze opgelost?
De leden van de PVV-fractie vragen of uitspraken van geschilleninstanties inmiddels
op één vaste en goed vindbare plaats openbaar worden gemaakt. Zo nee, waarom is dit
nog steeds niet geregeld? Zo ja, hoe wordt gezorgd dat patiënten hier daadwerkelijk
iets aan hebben?
Deze leden vragen ook of de Minister bereid is om de onafhankelijkheid, deskundigheid,
doorlooptijden, kosten en begrijpelijkheid van geschilleninstanties periodiek openbaar
te laten beoordelen.
Stichting Zorggeschil en Stichting Fokus
De leden van de PVV-fractie lezen dat in de kabinetsreactie op het Q-Consult-onderzoek
naar sociale veiligheid, communicatie en bejegening binnen Fokus is aangegeven dat
Fokus werkt aan herstel van vertrouwen en sociale veiligheid, dat het ministerie de
relatie met Fokus heeft herijkt en dat VWS als systeemverantwoordelijke randvoorwaarden
stelt aan het transformatieplan van Fokus en toezicht houdt op de uitvoering daarvan.
Kan de Minister aangeven wat op dit moment de actuele stand van zaken is bij de opvolging
van de aanbevelingen uit het onderzoek?
Welke concrete stappen heeft Fokus sinds de kabinetsreactie gezet, welke aanbevelingen
zijn inmiddels uitgevoerd en welke aanbevelingen vragen nog opvolging? Kan de Minister
daarbij ook ingaan op de stand van zaken van het transformatieplan en de externe ondersteuning
op locaties waar veel meldingen zijn ontvangen?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe VWS de voortgang van de opvolging van de aanbevelingen
bewaakt. Welke randvoorwaarden heeft het ministerie aan het transformatieplan gesteld,
op welke momenten wordt beoordeeld of de verbeteringen daadwerkelijk effect hebben
en wanneer wordt de Kamer daarover opnieuw geïnformeerd?
Kan de Minister daarnaast aangeven of er sinds de kabinetsreactie van 12 februari
2026 nog meldingen, signalen of klachten over Fokus bij VWS zijn binnengekomen? Zo
ja, hoeveel meldingen betreft dit, wat is de aard daarvan en op welke wijze zijn deze
opgepakt?
Handreikingen over vertegenwoordiging
De leden van de PVV-fractie vragen wat de handreikingen over vertegenwoordiging concreet
veranderen voor patiënten, cliënten, naasten en zorgverleners. Hoe wordt gezorgd dat
deze handreikingen niet in een la verdwijnen, maar daadwerkelijk worden gebruikt in
de praktijk?
Deze leden vragen hoe wordt omgegaan met situaties waarin familie, vertegenwoordigers
en zorgverleners verschillen van mening over wat in het belang van de cliënt is. Is
de huidige ondersteuning voor vertegenwoordigers voldoende?
Laboratoriumdiagnostiek
Deze leden vragen of er signalen zijn dat druk op tarieven, personeelstekorten, concentratie
van laboratoria of afhankelijkheid van leveranciers gevolgen hebben voor patiënten.
Hoe wordt geborgd dat huisartsen, ziekenhuizen en patiënten tijdig toegang houden
tot noodzakelijke diagnostiek?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat diagnostiek steeds
verder van de patiënt af komt te staan. Wat betekent concentratie van laboratoriumdiagnostiek
voor regionale beschikbaarheid, snelheid van uitslagen en de positie van huisartsen
en streekziekenhuizen?
Onderzoek naar effecten van behandelingen en medicatie op vrouwen
De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat medische kennis ook voldoende
is gebaseerd op vrouwen. Deze leden vragen welke concrete acties zijn ondernomen om
verschillen tussen mannen en vrouwen in onderzoek, diagnostiek, medicatie en behandeling
beter mee te nemen.
Kan de Minister aangeven bij welke aandoeningen of geneesmiddelen inmiddels concrete
verbeteringen zijn doorgevoerd? Hoe wordt voorkomen dat vrouwengezondheid blijft steken
in erkenning van het probleem, zonder afdwingbare verandering in onderzoek en praktijk?
Deze leden vragen ook hoe de Minister borgt dat richtlijnen, geneesmiddelenonderzoek
en behandelprotocollen voldoende rekening houden met verschillen tussen mannen en
vrouwen. Wie is hierop aanspreekbaar als verbetering uitblijft?
Alternatieve behandelwijzen en aanpak kwakzalverij
De leden van de PVV-fractie vinden keuzevrijheid belangrijk, maar patiënten mogen
niet worden misleid, zeker niet wanneer zij ernstig ziek, kwetsbaar of wanhopig zijn.
Kan de Minister aangeven hoe vaak de afgelopen jaren is opgetreden tegen misleidende
medische claims of aanbieders van onbewezen behandelingen?
Deze leden vragen of het huidige toezicht voldoende is om patiënten te beschermen
tegen aanbieders die onbewezen behandelingen presenteren als alternatief voor noodzakelijke
reguliere zorg. Welke rol hebben de IGJ, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de Autoriteit
Consument & Markt (ACM) en andere toezichthouders hierbij? Is die rol duidelijk genoeg?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om steviger op te treden
tegen aanbieders die valse hoop verkopen, zeker bij kanker, chronische ziekten, kinderen
of andere kwetsbare groepen.
Misstanden bij een zorgaanbieder en de geschillencommissie zorg
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister omgaat met signalen dat mensen
niet alleen vastlopen bij een zorgaanbieder, maar vervolgens ook bij de geschillencommissie.
Welke mogelijkheden hebben patiënten of cliënten nog als zowel de zorgaanbieder als
de klachten- of geschillenroute geen oplossing biedt?
Deze leden vragen of de Minister bereid is om te onderzoeken of er een laagdrempelige
escalatiemogelijkheid nodig is voor ernstige of langdurige casussen waarin patiënten
of cliënten aantoonbaar vastlopen. Hoe wordt voorkomen dat kwetsbare mensen het simpelweg
opgeven omdat de procedure te ingewikkeld, te duur of te langdurig is?
Meer weten, beter kiezen
De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat patiënten begrijpelijke keuze-informatie
krijgen. Een patiënt die een ziekenhuis of behandeling moet kiezen, heeft niets aan
ingewikkelde rapporten of informatie die alleen voor professionals begrijpelijk is.
Kan de Minister aangeven welke keuze-informatie op dit moment openbaar, begrijpelijk
en goed vindbaar is voor patiënten in de medisch specialistische zorg? Voor welke
aandoeningen is informatie beschikbaar over kwaliteit, wachttijden, complicaties en
behandeluitkomsten?
Deze leden vragen waarom het realiseren van begrijpelijke keuze-informatie zo lang
duurt. Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt met ziekenhuizen, zorgverzekeraars en
andere partijen? Wat gebeurt er als partijen onvoldoende leveren?
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe wordt voorkomen dat keuze-informatie vooral
wordt ontwikkeld vanuit het perspectief van systemen en instellingen, in plaats van
vanuit de patiënt die gewoon wil weten waar hij goed en snel geholpen wordt.
Uitvoeringstoets MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel
De leden van de PVV-fractie vragen naar de actuele stand van zaken bij de uitvoering
van het besluit om vrouwen met zeer dicht borstweefsel vanaf 2030 aanvullend een MRI
aan te bieden binnen het bevolkingsonderzoek borstkanker. Ligt het aangekondigde tijdpad
nog op koers en wanneer ontvangt de Kamer het implementatieplan van het RIVM en Bevolkingsonderzoek
Nederland?
Deze leden wijzen erop dat de Kamer op 10 maart 2026 de motie-Paulusma c.s. heeft
aangenomen, waarin wordt verzocht vrouwen binnen het huidige bevolkingsonderzoek borstkanker,
waar dat met bestaande onderzoeken en apparatuur mogelijk is, actief te informeren
of bij hen sprake is van zeer dicht borstweefsel. Kan de Minister aangeven welke opvolging
inmiddels aan deze motie wordt gegeven? Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de
uitwerking en implementatie?
Kan de Minister aangeven of uitvoering van deze motie ertoe kan leiden dat vrouwen
al vóór 2030 informatie krijgen over zeer dicht borstweefsel? Zo nee, welke belemmeringen
staan daaraan in de weg? Zo ja, op welke termijn kan dit worden gerealiseerd en hoe
wordt daarbij helder gecommuniceerd wat zeer dicht borstweefsel betekent voor de betrouwbaarheid
van de mammografie en het handelingsperspectief voor vrouwen?
Ziet de Minister mogelijkheden om de MRI voor vrouwen met dicht borstweefsel te versnellen?
Bijvoorbeeld middels een pilot?
Kan de Minister tot slot toelichten hoe de uitvoering van de aangenomen motie-Paulusma
c.s. zich verhoudt tot het eerder gekozen ingroeimodel voor MRI-screening, de capaciteitsgestuurde
instroom en de wens om de start van het MRI-aanbod zo veel mogelijk te versnellen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brieven van
de Minister over kwaliteitszorg. Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende
vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Algemeen
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geagendeerde
stukken voor het schriftelijk overleg Kwaliteitszorg (inclusief Patiënten- en cliëntenrechten).
Deze leden hechten aan goede kwaliteit van zorg, stevige patiënten- en cliëntenrechten
en proportionele regelgeving. Zij willen de Minister daarom nog enkele vragen voorleggen.
Beleidskader subsidiëring pg-organisaties
De leden van de JA21-fractie constateren dat in het schriftelijk overleg ook het Beleidskader
subsidiëring patiënt- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties) is geagendeerd.
Deze leden vragen de Minister welke betekenis de aangekondigde verlaging van subsidiebudgetten
bij departementen vanaf 2027 kan hebben voor de subsidieregeling voor pg-organisaties.
Kan de Minister daarbij expliciet ingaan op de continuïteit van de regeling, de rol
van pg-organisaties bij informatievoorziening, ondersteuning, signalering en belangenbehartiging?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister hoe wordt geborgd dat patiënten, cliënten,
mensen met een beperking en hun naasten ook in de komende beleidsperiode voldoende
onafhankelijk vertegenwoordigd blijven in beleid en uitvoering. Kan de Minister aangeven
op welke wijze ervaringskennis wordt meegewogen bij de herziening van het beleidskader
en de daarop volgende subsidieregeling?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of bij de voorbereiding van het nieuwe
beleidskader voor de Kamer inzichtelijk wordt gemaakt welke financiële scenario’s
worden onderzocht, welke criteria daarbij worden gehanteerd en welke gevolgen deze
scenario’s kunnen hebben voor kleinere en middelgrote pg-organisaties.
Wetsevaluatie Wmcz 2028
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de Wetsevaluatie Wmcz 2018.
Deze leden onderschrijven het belang van inspraak van cliënten en patiënten, maar
vinden dat medezeggenschap ook uitvoerbaar, proportioneel en passend bij de schaal
en aard van de zorgaanbieder moet zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of het juist is dat de evaluatie in
belangrijke mate is gebaseerd op gesprekken met enkel leden van cliëntenraden. Hoeveel
eerstelijnszorgverleners zijn daadwerkelijk gehoord of betrokken geweest bij de evaluatie?
De leden van de JA21-fractie constateren dat eerstelijnszorgaanbieders signaleren
dat het instellen en in stand houden van een cliëntenraad in de praktijk tijdrovend
en belastend kan zijn, terwijl zij vaak al via laagdrempelig en direct patiëntcontact,
patiëntenpanels of patiëntenenquêtes input ophalen. Hoe beoordeelt de Minister deze
signalen? Welke concrete meerwaarde ziet de Minister van een formele cliëntenraad
bij kleinschalige eerstelijnspraktijken waar dit laagdrempelige contact al bestaat?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister hoe zij de uitkomsten beoordeelt van
de flitspeiling van de Eerstelijnscoalitie, waaruit volgens de coalitie blijkt dat
het draagvlak voor het inrichten van een cliëntenraad beperkt is, onder meer omdat
het moeilijk is voldoende leden te vinden, het oprichten en onderhouden veel tijd
kost en de gesprekken volgens respondenten weinig nieuwe informatie opleveren. Heeft
het ministerie deze uitkomsten ontvangen en betrokken bij de beleidsreactie? Zo ja,
op welke wijze?
De leden van de JA21-fractie vragen waarom bij de Wmcz 2018 is gekozen voor de verplichting
tot het instellen van een cliëntenraad vanaf meer dan vijfentwintig zorgverleners.
Waarom is destijds niet aangesloten bij de grens voor het verplicht hebben van een
ondernemingsraad, te weten meer dan vijftig personen in dienst? Is de Minister van
mening dat de grens van vijfentwintig bij de wetsbehandeling arbitrair is gekozen?
Wat zouden de juridische, praktische en financiële gevolgen zijn van het ophogen van
deze grens?
De leden van de JA21-fractie ontvangen signalen dat zorgverleners afzien van het aanbieden
van een stageplaats, een extra opleidingsplek of uitbreiding van hun praktijk om onder
de grens van vijfentwintig zorgverleners te blijven en daarmee de verplichting tot
het instellen van een cliëntenraad te vermijden. Is de Minister hiervan ook op de
hoogte? Acht zij dit wenselijk, mede gelet op de personeelstekorten en de noodzaak
om voldoende opleidingsplekken in de zorg beschikbaar te houden?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister erkent dat de organisatie, schaal
en aard van eerstelijnszorg wezenlijk verschillen van instellingen zoals ziekenhuizen
en verpleeghuizen. In hoeverre acht de Minister het passend dat praktijkhouders die
primair zorgverlener zijn, tijd moeten besteden aan formele overlegstructuren wanneer
die tijd niet aan patiëntenzorg kan worden besteed en de opbrengst volgens betrokkenen
beperkt is?
De leden van de JA21-fractie vragen welke ruimte de huidige Wmcz 2018 biedt aan kleinschalige
zorgaanbieders, zoals huisartsen en tandartsen, om medezeggenschap op een lichtere
of alternatieve manier vorm te geven zonder volledige formele structuur met advies-
en instemmingsrechten. Kan de Minister uiteenzetten welke vormen van cliënten- of
patiënteninspraak binnen de huidige wet als toereikend kunnen worden beschouwd?
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de Wet op de ondernemingsraden (WOR)
voor ondernemingen met tien tot vijftig medewerkers een lichter medezeggenschapsregime
kent. Is de Minister bereid te onderzoeken in hoeverre een vergelijkbaar lichter regime
binnen de Wmcz 2018 mogelijk en wenselijk is voor kleinschalige eerstelijnszorgaanbieders?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister mogelijkheden ziet om praktijkoverstijgend
een cliëntenraad in te stellen wanneer de verplichting bestaat, bijvoorbeeld op wijk-,
regio- of samenwerkingsverbandniveau. Kan de Minister aangeven of dit binnen de huidige
wettelijke kaders mogelijk is, en of dit volgens haar kan bijdragen aan minder administratieve
lasten en meer inhoudelijke meerwaarde?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister te reageren op een praktijkervaring
die deze leden heeft bereikt, waarbij een huisartsenpraktijk met ongeveer veertig
zorgverleners en de cliëntenraad na meerdere bijeenkomsten gezamenlijk tot de conclusie
kwamen dat het nut en de noodzaak van voortzetting beperkt waren, omdat de belangrijkste
onderwerpen inmiddels waren besproken en de agenda opdroogde. Welke wettelijke ruimte
bestaat er in zo’n situatie om de cliëntenraad te beëindigen, tijdelijk te laten rusten
of op een lichtere wijze voort te zetten? Welke gevolgen heeft dit voor verslaglegging,
accreditatie en toezicht door de IGJ?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister inzicht heeft in de administratieve
lasten en kosten die eerstelijnszorgaanbieders maken voor het oprichten, werven, ondersteunen
en onderhouden van een cliëntenraad. Zo ja, kan zij dit inzichtelijk maken? Zo nee,
is zij bereid dit alsnog te laten onderzoeken, en wel voornamelijk voor eerstelijnszorgaanbieders?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister bereid is te bezien of de Wmcz
2018 voor kleinschalige zorgaanbieders moet worden aangepast, en zo ja onder welke
voorwaarden. Kan de Minister daarbij betrekken dat cliënten- en patiënteninspraak
waardevol is, maar dat deze inspraak ook proportioneel moet zijn en niet onnodig ten
koste mag gaan van beschikbare tijd voor patiëntenzorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken over kwaliteitszorg.
Zij hebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie constateren dat er de afgelopen jaren, onder druk van vrouwen
en vrouwenrechtenorganisaties, meer aandacht is gekomen voor vrouwengezondheid. Tegelijkertijd
zien ze dat de huidige kabinetsinzet nog fors achterloopt op wat er daadwerkelijk
nodig is, met name als het gaat om de financiering voor vrouwengezondheid. Is de Minister
al bereid om vrouwengezondheid de prioriteit (en dus ook de financiering) te geven
die het verdient?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de onderliggende brieven en stukken bij het schriftelijk
overleg over kwaliteitszorg gelezen en zij hebben daarover vooralsnog geen vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en
wachten de beantwoording van de Minister met belangstelling af en hebben voor nu geen
vragen en/of opmerkingen.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.