Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 924 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 21 mei 2026
De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand
wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal
hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
De voorzitter van de vaste commissie, Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
INLEIDING
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en de Kamerbrief over de bescherming
van de consument bij achteraf betalen. Deze leden onderschrijven het belang van een
duidelijk beschermingskader bij krediet, in het bijzonder bij «koop nu, betaal later»-diensten
voor consumenten. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel
tot implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). Deze leden
onderschrijven het belang van goede consumentenbescherming en verantwoord kredietgebruik,
zeker nu nieuwe betaalvormen zoals «koop nu, betaal later»-diensten en digitale kredietproducten
steeds meer onderdeel uitmaken van het dagelijks betalingsverkeer. Tegelijkertijd
achten de leden van de VVD-fractie het van belang dat regelgeving proportioneel en
uitvoerbaar blijft, met ruimte voor innovatie en oog voor een goed functionerend Europees
speelveld. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. Deze leden hebben nog enkele
opmerkingen en vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie
van de herziene richtlijn consumentenkrediet.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie
van de CCDII-richtlijn. Deze leden achten het positief dat stappen worden gezet om
de regelgeving rondom consumentenkrediet te moderniseren en beter aan te laten sluiten
op de huidige praktijk, waarin nieuwe kredietvormen en online aanbieders een steeds
grotere rol spelen. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de implementatie lang
op zich heeft laten wachten, terwijl de problematiek van schulden en overkreditering
de afgelopen jaren juist verder is toegenomen.
Daarnaast signaleren de leden van de CDA-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel
nog verschillende lacunes bevat. Daardoor rijst bij deze leden de vraag of de voorgestelde
maatregelen voldoende zijn om burgers daadwerkelijk en volledig te beschermen tegen
problematische schulden. Die zorg geldt in het bijzonder voor kwetsbare huishoudens
en jongeren, voor wie de verleiding van «kopen op de pof» groot is, terwijl de financiële
en maatschappelijke gevolgen van schulden vaak nog veel groter blijken. Juist in een
tijd waarin kredietverlening steeds toegankelijker, sneller en minder zichtbaar wordt
aangeboden, achten deze leden een stevige bescherming van consumenten van groot belang.
Onderstaande inbreng behandelt, aan de hand van de indeling van de memorie van toelichting,
de verschillende vragen die de leden van de CDA-fractie aan de regering hebben over
het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot implementatie
van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het
belang van consumentenbescherming en het voorkomen van problematische schulden. Tegelijkertijd
achten deze leden het van belang dat de implementatie proportioneel, uitvoerbaar en
voorspelbaar blijft voor aanbieders en consumenten. Deze leden hebben daarom nog enkele
vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de
Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. Deze leden achten het van
het groot belang dat diensten als «koop nu, betaal later» gereguleerd worden om (jonge)
consumenten te beschermen tegen overkreditering en schuldgewenning. Deze leden hebben
kennisgenomen van de memorie van toelichting en zijn van mening dat deze in haar huidige
vorm ongestructureerd is en onvoldoende inzicht biedt in de gemaakte keuzes en de
onderliggende afwegingen, bijvoorbeeld rond de inhoud en gevolgen van de kredietwaardigheidstoetsing
en reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik
om vragen te stellen over het voorliggende wetsvoorstel.
ALGEMEEN
1. Inleiding
De leden van de CDA-fractie constateren dat de oorspronkelijke implementatietermijn
van 20 november 2025 inmiddels ruimschoots is overschreden. Deze leden zijn van mening
dat dit onwenselijk is, temeer daar het hier gaat om regelgeving die direct bijdraagt
aan betere bescherming van consumenten en het voorkomen van problematische schulden.
Deze leden benadrukken dat nu maximale inspanning vereist is om verdere vertraging
te voorkomen en te waarborgen dat de regels uiterlijk op 20 november 2026 daadwerkelijk
in werking treden.
Hoewel deze leden constateren dat er inmiddels voortgang wordt geboekt, stellen deze
leden vast dat de regering eerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Herhaalde
oproepen van de leden van de CDA-fractie, zowel via schriftelijke vragen als tijdens
debatten, om het implementatietraject te versnellen, hebben niet geleid tot het gewenste
resultaat. Dit roept bij deze leden vragen op over de prioritering en sturing binnen
de regering.
In de beantwoording van schriftelijke vragen uit oktober 2024 gaf de regering nog
aan dat het wetsvoorstel in het najaar van 2025 naar de Kamer zou worden gestuurd.
Deze planning is echter niet gehaald. In de Kamerbrief van 2 april 2026 wordt de vertraging
verklaard door te wijzen op de omvang en complexiteit van de implementatie van de
CCDII. Deze verklaring voelt te algemeen voor de leden van de CDA-fractie. Deze leden
vragen of de regering concreet kan uiteenzetten wat de belangrijkste oorzaken zijn
van de opgelopen vertraging in het implementatietraject. Ook vragen deze leden waarom
het niet is gelukt om dit traject te versnellen ondanks de breed erkende noodzaak
en het brede politieke draagvlak voor het voorliggende wetsvoorstel.
Deze vertraging leidt er tevens toe dat de parlementaire behandeling onder toenemende
tijdsdruk komt te staan, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Daarnaast betekent
dit dat marktpartijen de implementatie van de richtlijn binnen een zeer korte termijn
moeten realiseren. In dat licht vragen deze leden of het implementatierisico voldoende
in beeld is gebracht. Deze leden vragen of de regering uiteen kan zetten welke risico’s
het voorziet voor zowel de uitvoerbaarheid voor marktpartijen als de handhaafbaarheid
door toezichthouders bij een dergelijke verkorte implementatieperiode. Ook willen
deze leden weten in hoeverre de regering partijen die nu onder tijdsdruk moeten gaan
handelen gaat ondersteunen.
De leden van de JA21-fractie hebben zorgen over de korte implementatietermijn van
het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat de richtlijn uiterlijk op 20 november 2026
moet zijn geïmplementeerd. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de regering het
wetsvoorstel pas laat bij de Kamer heeft ingediend, waardoor de feitelijke voorbereidingstijd
voor aanbieders, toezichthouders en uitvoerende partijen aanzienlijk korter wordt
dan oorspronkelijk door de Europese Commissie lijkt te zijn beoogd. Deze leden vragen
de regering hoe zij haar eigen handelen als wetgever beoordeelt in het licht van een
zorgvuldige implementatie. Acht de regering het redelijk dat ondernemers, aanbieders
en consumenten mogelijk de gevolgen dragen van een krap tijdpad dat mede door het
tempo van de wetgever is ontstaan?
De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de regering ziet om een zorgvuldige
overgang naar het nieuwe regime te faciliteren. Is de regering bereid om te voorzien
in een overgangstermijn, transitieperiode of tijdelijke terughoudendheid in de handhaving
na de invoeringsdatum? Kan de regering daarbij ook ingaan op de mogelijkheid om het
uitstel van zes maanden dat geldt voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
breder van toepassing te verklaren op andere aanbieders die aantoonbaar tijdig stappen
zetten om aan de nieuwe regels te voldoen?
2. Inhoud richtlijn
De leden van de VVD-fractie lezen dat de memorie van toelichting beschrijft dat «koop
nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik
van de wet worden gebracht omdat zij vergelijkbare risico’s voor consumenten zouden
kennen. Daarbij wordt gewezen op het risico van overkreditering en impulsief koopgedrag.
Welke concrete empirische gegevens tonen aan dat kaarten met uitgestelde debitering
vergelijkbare risico’s opleveren als «koop nu, betaal later»-diensten, en waarom rechtvaardigt
dit een gelijke intensiteit wat betreft regulering?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering stelt dat regulering van «koop nu,
betaal later»-diensten kan leiden tot hogere kosten en mogelijk een beperkter aanbod,
maar acht dit aanvaardbaar gelet op de versterking van consumentenbescherming. Daarbij
wordt erkend dat kortlopende kredietvormen ook kunnen bijdragen aan budgetbeheer.
Hoe weegt de regering het risico dat huishoudens met een smalle beurs door deze regulering
juist minder toegang krijgen tot tijdelijk betalingsgemak en welke mitigerende maatregelen
worden overwogen?
De leden van de VVD-fractie constateren dat meerdere Europese lidstaten gebruikmaken
van de mogelijkheid om kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen van de richtlijn.
Nederland kiest ervoor deze producten wel onder het toepassingsbereik te brengen.
Kan de regering toelichten waarom voor deze strengere implementatie is gekozen? Welke
gevolgen verwacht de regering hiervan voor de concurrentiepositie van Nederlandse
aanbieders en de werking van de Europese interne markt? Hoe weegt de regering daarbij
het feit mee dat producten met uitgestelde debitering historisch gezien beperkte betalingsproblematiek
kennen?
Creditcards en andere producten met uitgestelde debitering kennen maandelijkse volledige
aflossing zonder rente en zeer lage wanbetalingspercentages en verschillen daarmee
wezenlijk van «koop nu, betaal later»-diensten, zo constateren de leden van de VVD-fractie.
Desondanks worden deze producten in de implementatie grotendeels gelijk behandeld.
Acht de regering het proportioneel om producten met uitgestelde debitering onder vrijwel
hetzelfde regime te brengen als «koop nu, betaal later»-diensten en hoe wordt voorkomen
dat goed functionerende betaalmiddelen hierdoor minder toegankelijk worden?
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat vrijwel iedere betaal-
of serviceoptie die leidt tot hogere conversie of omzet voor ondernemers in zekere
zin een financieel voordeel oplevert. Hoe voorkomt de regering dat daarmee een te
brede interpretatie van het begrip «financiële beloning» ontstaat?
De leden van de VVD-fractie steunen het verbod op «koop nu, betaal later»-diensten
voor minderjarigen en onderschrijven het belang van leeftijdsverificatie. Deze leden
vragen wel welke vormen van leeftijdsverificatie volgens de regering als proportioneel
en uitvoerbaar worden beschouwd. Hoe wordt voorkomen dat hierbij onnodig veel persoonsgegevens
worden verwerkt?
De regering geeft aan dat aanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor het kiezen van
een passende methode van leeftijdsverificatie en dat geen specifieke methode wettelijk
wordt voorgeschreven. Tegelijkertijd wordt een delegatiegrondslag opgenomen om later
nadere eisen te stellen. Daarom vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt voorkomen
dat verschillen in leeftijdsverificatiemethoden leiden tot rechtsongelijkheid of handhavingsproblemen
en op welk moment de regering het noodzakelijk acht om gebruik te maken van de delegatiegrondslag.
Voor andere vormen van consumptief krediet blijft het mogelijk dat minderjarigen,
met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger en soms de kantonrechter, krediet
aangaan. De regering stelt dat hiervoor geen aanleiding bestaat voor een totaalverbod.
Hoe beoordeelt de regering het risico dat minderjarigen via deze route alsnog schulden
opbouwen en acht de regering het huidige civielrechtelijke beschermingskader hiervoor
voldoende robuust?
De leden van de VVD-fractie lezen dat uitsluitend «onder toezicht staande instellingen»
toegang mogen hebben tot databanken zoals het BKR. Hoe voorkomt de regering dat nieuwe
kredietaanbieders of buitenlandse partijen buiten effectief Nederlands toezicht toch
toegang verkrijgen tot deze gevoelige consumentengegevens?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn en het wetsvoorstel een uitgebreidere
kredietwaardigheidsbeoordeling voorschrijven, waarbij de proportionaliteit wordt gekoppeld
aan aard, duur, waarde en risico’s van het krediet. Tegelijkertijd blijft sprake van
een open norm. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat kredietaanbieders de proportionaliteitstoets
op een uniforme en voorspelbare wijze toepassen zodat rechtszekerheid voor zowel aanbieders
als consumenten ontstaat?
De leden van de VVD-fractie lezen dat wordt erkend dat kredietwaardigheidsbeoordelingen
kunnen leiden tot extra administratieve lasten voor consumenten, bijvoorbeeld door
het aanleveren van financiële gegevens. Tegelijkertijd wordt gesteld dat dit het doenvermogen
niet wezenlijk aantast. Waarop baseert de regering de aanname dat het doenvermogen
van consumenten hierdoor niet significant wordt belast, met name bij laagdrempelige
en kortlopende kredietvormen?
Hoewel het wetsvoorstel expliciet spreekt over een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling,
signaleren marktpartijen dat in de praktijk alsnog wordt uitgegaan van het verplicht
verzamelen en mogelijk verifiëren van inkomens- en uitgavengegevens bij alle transacties,
ongeacht bedrag of risico. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering borgt
dat kredietverstrekkers daadwerkelijk ruimte krijgen om de kredietwaardigheidsbeoordeling
proportioneel in te richten, en niet verplicht worden tot een uniforme en zware toets
bij laag-bedrag en laag-risico kredieten?
De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat perverse prikkels bij kredietverlening
moeten worden voorkomen, maar vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat nieuwe
regels over beloningsbeleid niet leiden tot onnodige administratieve lasten of beperking
van gezonde commerciële prikkels binnen de sector.
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het principe van maximumharmonisatie voordelen
oplevert voor de uniformering van de interne markt. Echter constateren deze leden
ook dat onder andere België en Spanje additionele maatregelen nemen bovenop de CCDII.
Deze leden vragen hoe de regering deze ontwikkelingen duidt in het licht van het uitgangspunt
van maximumharmonisatie. Daarnaast vragen deze leden welke juridische ruimte de CCDII
biedt om, bovenop de bestaande lidstaatopties, aanvullende nationale maatregelen te
treffen. Deze leden vragen of de regering deze juridische ruimte inzichtelijk kan
maken. Ten slotte vragen deze leden op dit punt hoe beoordeeld wordt of afwijkingen
binnen de proportionaliteits- en harmonisatiekaders van het Unierecht blijven, met
name omdat de wet op onderdelen werkt met open normenkaders waardoor interpretatieruimte
ontstaat.
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de samenloop met aanbieders
uit andere Europese lidstaten die weliswaar onder de CCDII vallen, maar gebruikmaken
van andere lidstaatopties, bijvoorbeeld doordat zij geen verbod op BNPL voor minderjarigen
hanteren. Deze leden maken zich zorgen dat strengere Nederlandse regelgeving op deze
wijze in de praktijk kan worden omzeild doordat aanbieders vanuit een andere lidstaat,
met een vergunning uit dat land, alsnog actief diensten aanbieden aan Nederlandse
consumenten.
Deze leden vragen de regering om toe te lichten hoe het bijvoorbeeld werkt als een
16-jarige online een spijkerbroek door middel van BNPL koopt via een aanbieder uit
respectievelijk Duitsland, België of Frankrijk. Ook vragen deze leden wat de gang
van zaken is als een Nederlandse 16-jarige in het buitenland in een fysieke winkel
een spijkerbroek koopt met BNPL. Deze leden vragen of dit valt onder het respectievelijke
buitenlandse regime of onder het Nederlandse regime.
De leden van de CDA-fractie vragen welke gedragsinzichten, zoals toegelicht in de
memorie van toelichting, ten grondslag liggen aan de aanscherping van de precontractuele
informatie. Op welke wijze zijn inzichten uit de gedragswetenschappen betrokken bij
de vormgeving van deze informatieverplichtingen.
Daarnaast vragen deze leden welke onderdelen van het ESIC-formulier de regering aanmerkt
als «noodzakelijke informatie» voor consumenten. Deze leden vragen of de regering
dit concreet kan specificeren. Daarnaast vragen deze leden hoe deze informatieverplichting
specifiek bij BNPL-aanbieders wordt geïmplementeerd. Deze leden vragen op welke wijze
wordt gecontroleerd of BNPL-aanbieders daadwerkelijk voldoen aan de informatie- en
wachttijdvereisten en welke sancties er op niet-naleving staan.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de gedragsregels uit CCDII interpreteert
met betrekking tot beloningsbeleid. Deze leden vragen welke vormen van variabele beloning,
commerciële targets of provisies de regering verenigbaar acht met de verplichting
om in het belang van de consument te handelen en overkreditering te voorkomen. Breed
geldt dat veel van de gedragsregels relatief open normen zijn zoals «eerlijk handelen»,
«voldoende toelichting», «passend» en «rekening houden met belangen van consumenten».
Daardoor krijgen toezichthouders en beleidsmakers aanzienlijke interpretatieruimte.
Deze leden vragen waarom de regering van mening is dat dit passend is bij de voorliggende
wetgeving.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering invulling geeft aan de bepalingen
in CCDII inzake financiële educatie en financiële geletterdheid. Deze leden vragen
of de regering aanvullende nationale initiatieven noodzakelijk acht om consumenten,
en in het bijzonder jongeren, beter bewust te maken van de risico’s van consumentenkrediet
en BNPL-diensten. Ook vragen deze leden of hierbij bestaande en succesvolle initiatieven,
zoals de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid en SchuldenlabNL, actief worden
betrokken.
Deze leden lezen daarnaast dat de kredietgever verplicht is om een redelijke mate
van respijt te geven voordat hij overgaat tot het innen van krediet. Deze leden vragen
hoe geborgd wordt dat de maatregelen beschreven in artikel 7:70 BW ook worden nageleefd.
Deze leden vragen wat het toezicht hierop is.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de zorg- en respijtverplichtingen
uit CCDII zich verhouden tot de bestaande verplichtingen onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening.
Deze leden vragen of er sprake is van overlap, aanvullende normering of een verschillend
toetsingskader. Deze leden vragen of de regering kan toelichten welke toezichthouder
verantwoordelijk is voor handhaving indien zowel kredietverleningsnormen als incassonormen
in het geding zijn.
In het verleden is gebleken dat een BNPL-aanbieder feitelijk incassoactiviteiten verrichtte
zonder onder het daarvoor bedoelde toezichtregime te vallen. De leden van de CDA-fractie
vragen welke lessen de regering heeft getrokken uit deze casus. Deze leden vragen
of naar aanleiding daarvan aanvullende maatregelen, verduidelijkingen of toezicht
instrumenten ontwikkeld zijn om herhaling te voorkomen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat bij BNPL-aanbieders incasso- en aanmaningskosten
in korte tijd relatief hoog kunnen oplopen, met name door het wettelijke minimum van
40 euro. Bij kleinere bedragen leidt dit tot een hoge kostenratio. Deze leden wijzen
erop dat bij reguliere leningen doorgaans wordt gewerkt met een systematiek van vertragingsrente,
die proportioneel als percentage van de openstaande schuld oploopt. De leden vragen
in hoeverre het gerechtvaardigd is om bij BNPL in plaats daarvan of hierboven vaste
incassokosten in rekening te brengen. Deze leden vragen of het mogelijk is om primair
aan te sluiten bij een systematiek van vertragingsrente in plaats van vaste incassokostencomponenten.
Daarnaast uiten deze leden de zorg dat het toestaan van incassokosten een prikkel
kan vormen voor aanbieders om krediet te verstrekken aan hoog-risicoklanten, omdat
kosten bij wanbetaling kunnen worden doorbelast. Deze leden vragen of de regering
deze zorgen herkent en welke maatregelen worden overwogen om dit te voorkomen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er met het voorliggende wetsvoorstel mede wordt
ingezet op vroegsignalering. Deze leden vragen of er een beeld is van hoeveel extra
signalen hierdoor naar gemeenten zullen gaan en of er overleg met gemeenten heeft
plaatsgevonden over de eventuele extra werkdruk die dit met zich mee gaat brengen
en of gemeenten dit ook aankunnen/waar kunnen maken.
Deze leden vragen of de regering aanbieders van BNPL kan oproepen om, aanvullend op
de wettelijke vereisten, een vrijwillig koopstopregister in te stellen voor consumenten
die zichzelf willen beschermen. Deze leden vragen of de regering hierover in gesprek
is met BNPL-aanbieders en wat de actuele stand van zaken is.
3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel
De leden van D66-fractie steunen het verbod op het aanbieden van uitstel van betaling
aan minderjarigen. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat aanbieders over
adequate processen dienen te beschikken om de leeftijd van de consument vast te stellen.
Welke verificatiemethoden volstaan als adequaat proces? Hoe wordt voorkomen, en omgegaan
met, gevallen waarbij een minderjarige gebruik maakt van een account op naam van een
meerderjarige? Kan hier een bepaalde aansprakelijkheid af worden gedwongen bij de
aanbieder?
De leden van de D66-fractie lezen dat in artikel 7:68a BW de verplichting wordt opgenomen
voor de kredietgever om consumenten in financiële moeilijkheden door te verwijzen
naar schuldadviesdiensten. Deze leden zijn benieuwd of hier verdere eisen aan worden
gesteld, dan wel kunnen worden gesteld. Onder welke omstandigheden moet een kredietgever
overgaan tot verwijzing en aan welke eisen dient een dergelijke verwijzing te voldoen?
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe bij de implementatie van de herziene
richtlijn consumentenkrediet rekening is gehouden met de samenhang met andere Europese
richtlijnen op het terrein van de energietransitie, waaronder de Energy Efficiency
Directive (EED) en de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Deze leden
wijzen erop dat in Europees verband expliciet wordt opgeroepen juridische obstakels
voor energieprestatiecontracten weg te nemen teneinde investeringen in woningverduurzaming
mogelijk te maken.
Deze leden constateren dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten
in Nederland momenteel nauwelijks van de grond komen doordat de AFM dergelijke constructies
interpreteert als persoonsgebonden consumentenkrediet onder de Wet op het financieel
toezicht (Wft). Deze leden vragen of de regering onderschrijft dat hierdoor onzekerheid
ontstaat voor investeerders, aanbieders en woningeigenaren, waardoor innovatieve verduurzamingsconstructies
worden belemmerd.
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat gebouwgebonden energieprestatiecontracten
zich juist onderscheiden van reguliere consumptieve kredietvormen doordat kosten,
verantwoordelijkheden en prestaties gekoppeld zijn aan de woning in plaats van uitsluitend
aan de persoon van de eigenaar. Bij verkoop van de woning gaan de afspraken over op
de volgende eigenaar, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een warmteaansluiting of verplichtingen
binnen een VvE. Kan de regering reflecteren op deze vergelijking en uiteenzetten in
hoeverre deze kenmerken volgens hen aanleiding geven tot een andere juridische beoordeling
dan regulier consumentenkrediet?
Deze leden vragen de regering voorts of is onderzocht of binnen de implementatieruimte
van Richtlijn (EU) 2023/2225 expliciet kan worden verduidelijkt dat gebouwgebonden
verduurzamingsdiensten, mits voldaan wordt aan vooraf vastgelegde voorwaarden rondom
transparantie en consumentenbescherming, buiten de reikwijdte van de Wft en titel
2A van Boek 7 van het BW kunnen vallen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht, verzoeken
deze leden de regering om uiteen te zetten welke juridische belemmeringen daarvoor
bestaan.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe de regering voorkomt dat de implementatie
van de herziene richtlijn consumentenkrediet onbedoeld leidt tot extra barrières voor
verduurzaming van particuliere woningen. Deze leden wijzen erop dat gebouwgebonden
verduurzamingsdiensten juist kansen kunnen bieden voor huishoudens die onvoldoende
middelen hebben om zelf grote investeringen in isolatie of warmtepompen te financieren
en daarmee tevens kunnen bijdragen aan het verminderen van energiearmoede.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op dit punt of de regering bereid is om
gezamenlijk met de ministeries van Klimaat en Groene Groei en Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening nader te bezien of aanvullende wettelijke verduidelijking noodzakelijk
is om gebouwgebonden financiering en energieprestatiecontracten beter mogelijk te
maken.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van maatregelen tegen overkreditering
en problematische schulden. Deze leden constateren echter dat het wetsvoorstel verschillende
kredietvormen onder hetzelfde regime brengt, terwijl de risico’s tussen producten
aanzienlijk kunnen verschillen. Kan de regering toelichten hoe wordt gewaarborgd dat
onderscheid blijft bestaan tussen langlopende kredieten met een hoger risicoprofiel
en kortlopende betaalfaciliteiten met een beperkt risico? Op welke wijze wordt voorkomen
dat de regelgeving disproportioneel uitwerkt voor kleine en alledaagse transacties?
De leden van de VVD-fractie maken zich dan ook zorgen over de brede reikwijdte van
het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat mogelijk ook telecomdiensten, parkeerapps,
mobiliteitsdiensten en andere vormen van dagelijks uitgesteld betalen geraakt kunnen
worden door de nieuwe regelgeving. Kan de regering verduidelijken welke diensten precies
onder het toepassingsbereik vallen? Hoe wordt voorkomen dat gebruikelijke maandfacturatie
of praktische betaaloplossingen onbedoeld onder zware kredietregelgeving komen te
vallen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel nieuwe uitzonderingen
toevoegt voor «koop nu, betaal later»-diensten. Een eerste uitzondering betreft MKB-ondernemingen
die uit worden gezonderd van het toepassingsgebied van de Wft als de leverancier of
dienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélf uitstel van betaling verleent.
Deze leden vragen of de regering nader kan duiden welke MKB-ondernemingen nu zelf
uitstel van betaling verlenen, op welke schaal dit gebeurt en of de regering op de
hoogte is van misstanden binnen deze praktijk. Kan deze uitzondering leiden tot een
verschuiving van «koop nu, betaal later»-diensten? Waarom wordt er niet gekozen voor
het harmoniseren door alle aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten onder de
Wft te brengen?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van
State opmerkt dat bij onderdelen zoals het verbod op krediet aan minderjarigen onvoldoende
blijkt hoe deze zich verhouden tot de CCDII. Kan de regering per onderdeel dat niet
direct voortvloeit uit de richtlijn – zoals het specifieke verbod op uitstel van betaling
voor minderjarigen – expliciet motiveren waarom dit noodzakelijk wordt geacht, terwijl
de Raad van State vraagtekens zet bij de juridische basis hiervan?
Naar aanleiding van het verslag van het gesprek dat de wetgevingsrapporteurs hebben
gevoerd met de AFM, merken de leden van de PVV-fractie op dat de regering heeft besloten
betaalkaarten met uitgestelde debitering niet buiten het toepassingsgebied van de
richtlijn te plaatsen. Kan de regering toelichten waarom hier niet is gekozen voor
de lidstaatoptie om deze buiten de scope te laten, aangezien de AFM zelf aangeeft
dat deze kredietvorm momenteel niet tot veel problemen leidt? Ziet de regering in
dat dit wederom een verzwaring van de regeldruk is die niet strikt noodzakelijk is
vanuit de richtlijn?
De leden van de CDA-fractie waarderen dat aanbieders worden verplicht om vroegtijdig
betalingsproblemen bij consumenten te signaleren en dat dit wordt verankerd in artikel
4:35b Wft. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe deze verplichting in de praktijk concreet
wordt ingevuld door aanbieders.
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre wordt voorkomen dat deze signaleringsverplichting
verwordt tot louter «afvinkgedrag» door aanbieders. Deze leden vragen hoe wordt geborgd
dat signalering van betalingsproblemen niet slechts formeel wordt ingericht, maar
daadwerkelijk leidt tot tijdige interventie richting consumenten. Ook vragen zij op
welke wijze de toezichthouder toezicht houdt op de effectiviteit van deze verplichting
in plaats van uitsluitend op de procedurele naleving.
De leden van de JA21-fractie hebben vragen over de proportionaliteit van de gekozen
reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat de herziene richtlijn beoogt
consumenten beter te beschermen tegen problematische schulden, maar vragen of de gekozen
implementatie voldoende onderscheid maakt tussen wezenlijk verschillende vormen van
kredietverlening. Doorlopende consumptief kredieten, creditcards, kaarten met uitgestelde
debitering, achteraf-betalingen bij een webshop en korte betalingstermijnen bij een
dienstverlener kennen niet hetzelfde risicoprofiel. Kan de regering toelichten of
en hoe bij de implementatie per kredietvorm en per maatregel is gewogen of de verplichting
proportioneel is?
Deze leden vragen in het bijzonder aandacht voor achteraf-betalingsconstructies bij
derden. Kan de regering bevestigen of de voorgestelde reikwijdte ook situaties kan
raken waarin geen sprake is van een klassiek kredietproduct, maar van een praktische
betaaltermijn of betaalregeling, zoals bij parkeerapps, facturen voor onverzekerde
zorg of andere dienstverlening waarbij betaling achteraf plaatsvindt? Acht de regering
het wenselijk dat dergelijke situaties onder hetzelfde regime kunnen vallen als commerciële
kredietverlening? Zo nee, hoe wordt dit in de wet of lagere regelgeving uitgesloten?
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat Duitsland kennelijk een pragmatische
benadering hanteert waarbij betalingstermijnen korter dan 14 dagen niet als krediet,
maar als betaalregeling worden beschouwd. Is de regering bereid een vergelijkbare
benadering te hanteren, zodat kortlopende betaaltermijnen met een beperkt risico niet
onnodig onder een zwaar regime komen te vallen terwijl dat in omringende landen niet
hoeft? Hoe weegt de regering dit in het licht van het gelijke speelveld binnen de
interne markt?
Deze leden vragen of de regering voldoende onderscheid maakt tussen BNPL-producten
enerzijds en creditcards en andere betaalproducten anderzijds. Kan de regering toelichten
waarom producten met aantoonbaar verschillende risicoprofielen op onderdelen toch
gelijk worden behandeld? Acht de regering het proportioneel dat betaalproducten waarbij
de consument doorgaans iedere maand volledig afrekent of waarbij reeds bestaande waarborgen
gelden onder dezelfde verplichtingen komen te vallen?
De leden van de fractie van JA21 hebben vragen over de wijze waarop de kredietwaardigheidsbeoordeling
in het wetsvoorstel wordt ingevuld. Deze leden juichen toe dat in het wetsvoorstel
een proportionaliteitsvereiste is opgenomen, maar vragen of de concrete uitwerking
daar voldoende bij aansluit. Kan de regering toelichten hoe het proportionaliteitsvereiste
in de praktijk moet worden toegepast bij verschillende kredietbedragen, looptijden
en producttypen?
Deze leden lezen dat kredietaanbieders inkomsten- en uitgavengegevens moeten betrekken
bij iedere kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze leden vragen of dit betekent dat bij
iedere transactie, ongeacht het bedrag of het risico, gegevens over inkomsten en uitgaven
moeten worden verzameld. Acht de regering het proportioneel dat een consument voor
een beperkte betaalfaciliteit of een kleine aankoop gevoelige financiële gegevens
moet delen, terwijl het risico voor consument en kredietgever beperkt kan zijn?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is om meer ruimte te bieden
voor een risicogebaseerde invulling van de kredietwaardigheidsbeoordeling zonder afbreuk
te doen aan effectieve bescherming tegen overkreditering, met name bij kwetsbare consumenten
en jongeren. Kan de regering ingaan op een model waarbij voor lage kredietbedragen
een klantverklaring kan volstaan, voor een middencategorie beperkte verificatie kan
plaatsvinden, bijvoorbeeld met een recente loonstrook, en pas bij hogere bedragen
of verhoogde risico’s een volledige beoordeling op basis van inkomsten- en uitgavengegevens
noodzakelijk is? Is de regering bereid een dergelijke differentiatie in te passen?
Deze leden vragen voorts of in kaart is gebracht wat het effect is op consumenten
die vanwege privacyzorgen afzien van een aankoop of betaalfaciliteit wanneer zij voor
relatief beperkte transacties inkomens- en uitgavengegevens moeten delen. Is onderzocht
of deze verplichtingen zullen leiden tot minder gebruik van gereguleerde betaalfaciliteiten
of uitwijk naar minder transparante alternatieven?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe volledig geautomatiseerde besluitvorming binnen
de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt beoordeeld. In hoeverre staat het wetsvoorstel
toe dat kredietaanvragen volledig geautomatiseerd worden goedgekeurd of afgewezen?
Welke waarborgen gelden voor consumenten bij een negatieve uitkomst en wanneer bestaat
recht op menselijke tussenkomst, uitleg of herbeoordeling?
Deze leden wijzen erop dat de voorgestelde kredietwaardigheidsbeoordeling kan leiden
tot meer verzameling en verwerking van gevoelige financiële gegevens. Gelet op de
recente zorgen over datalekken vragen deze leden welke aanvullende waarborgen gelden
voor de beveiliging van deze gegevens. Hoe voorkomt de regering dat wetgeving die
aanbieders verplicht tot meer gegevensverzameling, tegelijkertijd het risico vergroot
dat consumenten slachtoffer worden van datalekken of misbruik van financiële persoonsgegevens?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Nederlandse invulling van de kredietwaardigheidsbeoordeling
zich verhoudt tot de implementatie in omringende landen. Kan de regering toelichten
of Nederland op dit punt strenger implementeert dan Duitsland en België? Is de regering
bereid zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij ons omringende landen, mede met
het oog op het gelijke speelveld en het Nederlandse investeringsklimaat?
De leden van de JA21-fractie lezen dat volledige harmonisatie het uitgangspunt van
de richtlijn is en dat lidstaten daar niet van mogen afwijken. In dat kader hebben
deze leden een vraag over de uitleg en implementatie van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Kan de regering bevestigen dat artikel 18 van de richtlijn voorschrijft dat een kredietwaardigheidsbeoordeling
louter plaats mag vinden bij het sluiten van de kredietovereenkomst en bij een significante
verhoging van het totale kredietbedrag? Zo ja, kan de regering dan verduidelijken
of de voorliggende wet ruimte biedt om een periodieke herbeoordeling van doorlopende
kredieten in lagere wetgeving te verankeren?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Wet stelsel kredietregistratie gelijktijdig
met het voorliggende wetsvoorstel in voorbereiding is. Kan de regering toelichten
wat de inhoud van dit voorstel zal zijn, in hoeverre dat wetsvoorstel samenhangt met
voorliggend wetsvoorstel en wat de planning van indiening, behandeling en beoogde
inwerkingtreding van het wetsvoorstel is?
Deze leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat veel van de details van de wet
zullen worden neergelegd in lagere regelgeving. Deze leden vragen de regering een
overzicht te verschaffen van de inhoud van lagere regelgeving en de planning hiervan.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de gekozen reikwijdte van
het implementatiewetsvoorstel. Deze leden vragen de regering duidelijker uiteen te
zetten wat de exacte reikwijdte van het wetsvoorstel is. Deze leden vragen de regering
om te bevestigen dat de implementatiewet in de reikwijdte van het kredietbegrip geen
expliciet materieel onderscheid maakt tussen traditioneel consumptief krediet enerzijds
en kortlopend renteloos betalingsuitstel anderzijds en dat ook bij renteloos en kosteloos
betalingsuitstel sprake kan zijn van consumentenkrediet wanneer een derde partij de
betaling voorschiet, het uitstel faciliteert of de vordering overneemt en dat het
ontbreken van rente of een kredietvergoeding op zichzelf onvoldoende is om buiten
de reikwijdte van CCDII te blijven.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de overwegingen om kortlopende
renteloze betalingsuitstellen binnen de reikwijdte van het wetsvoorstel te laten vallen.
In hoeverre signaleert de regering betalingsproblemen bij dergelijke producten die
aanleiding zijn om dergelijke producten onder de reikwijdte van de implementatiewet
te laten vallen? Kan de regering uitleggen op grond van welke lidstaatoptie dergelijke
producten (geheel of gedeeltelijk) buiten de reikwijdte van de implementatie wet kan
laten vallen?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de afbakening van de implementatiewet.
Deze leden zijn ervan overtuigd dat regulering van «koop nu, betaal later»-diensten
zeer noodzakelijk is (inclusief kredietwaardigheidstoetsing en registratie), omdat
bekend is dat dergelijke producten leiden tot schuldenproblematiek en schuldgewenning.
Deze leden hebben echter begrepen dat met de implementatiewet ook gekozen is om andere
producten die gebruikmaken van automatische incassomachtiging of het voorschieten
van bijvoorbeeld parkeerkosten door een derde partij aan de consument onder de reikwijdte
van de implementatiewet vallen. Deze leden vragen in hoeverre er met de implementatie
van de richtlijn onderscheid behouden en of gemaakt is tussen kredietovereenkomsten
die aan te merken zijn als «koop nu, betaal later»-diensten en producten die met een
automatische incassomachtiging worden betaald, zoals parkeerapps of ongecontracteerde
zorg? In hoeverre geldt er voor deze partijen een vergunningsplicht op grond van artikel
2:60 van de Wft? Acht de regering dit proportioneel en doelmatig?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of de regering inzichtelijk
heeft welke betaalvormen en sectoren met voorliggend wetsvoorstel onder de reikwijdte
van de CCDII komen te vallen. In hoeverre acht de regering het proportioneel en wenselijk
wanneer producten als parkeerapps, ongecontracteerde zorg of het automatisch opladen
van de OV-kaart onder de reikwijdte van het wetsvoorstel (inclusief kredietwaardigheidstoetsing
en kredietregistratie) vallen? Wat is de omvang van het aantal dagelijkse betaalmomenten
van dit soort producten? Zijn aanbieders van deze producten geïnformeerd over de mogelijke
gevolgen van de CCDII voor hun producten? Zo ja, wat was hun reactie? Zo nee, is de
regering dit voornemens te gaan doen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om duidelijk te maken in hoeverre
de gekozen reikwijdte, waarbij ook renteloze en kosteloze betalingsuitstellen onder
de reikwijdte van de CCDII komen te vallen, overeenkomt met de gekozen reikwijdte
van de door ons omliggende landen. In hoeverre kunnen Nederlandse consumenten en/of
Nederlandse bedrijven de bepalingen uit de wet omzeilen door goederen aan te schaffen
in andere lidstaten of hun bedrijfsactiviteiten te verplaatsen naar andere lidstaten?
Artikel 2:81 van de Wft introduceert een verplichting voor aanbieders om een kredietbemiddelaar
aan te melden bij de AFM, zo constateren deze leden. De leden van de ChristenUnie-fractie
vragen de regering een nadere duiding, dan wel een voorbeeld, te geven van situaties
wanneer deze verplichting van toepassing is.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering nader kan uitleggen, bijvoorbeeld
aan de hand van een voorbeeld, wat de voorwaarde uit de richtlijn betekent dat er
ook sprake is van bemiddelen in krediet of een kredietbemiddelaar indien de bemiddelaar
economisch voordeel ondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook als daar geen
vergoeding van de kredietaanbieder tegenover staat.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een tweetal
uitzonderingen worden toegevoegd aan artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, van de
Wft. Deze leden vragen of deze uitzonderingen de bedoelde bedrijven voldoende duidelijkheid
biedt over of hun diensten voldoen aan de uitzondering? Is hierover overleg gepleegd
met het midden- en kleinbedrijf? Kan de regering nader uiteenzetten voor wat voor
soort diensten de uitzondering is bedoeld, dan wel kan de regering hier voorbeelden
bij geven?
Deze leden vragen aanvullend ook hoe de situatie voor deze bedrijven was onder de
oude richtlijn. Hoe verandert de situatie als gevolg van de implementatiewet van de
nieuwe richtlijn?
De leden van de ChristenUnie-fractie achten het verstandig dat de regering een bepaling
voorstelt om een verbod op om kredietovereenkomsten met een minderjarige consument
aan te gaan. Deze leden vragen de regering naar de huidige wettelijke situatie rond
het aangaan van een kredietovereenkomst met een minderjarige. Was dit in alle gevallen
volstrekt legaal of via andere bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek in beginsel nietig?
In de memorie van toelichting wordt door de leden van de ChristenUnie-fractie en uitgebreide
uitleg van de vereisten en overwegingen over de gemaakte keuzes rond kredietregistratie
gemist. Deze leden vragen de regering om dit alsnog toe te lichten.
Voorts vragen deze leden naar het verwachte effect van voorliggend wetsvoorstel. Deze
leden verwachten een verschuiving van veel kortlopende kredietfaciliteiten (zoals
«koop nu, betaal later») naar doorlopende kredietfaciliteiten. Is dit ook de verwachting
van de regering? Kan de regering dit nader toelichten of onderbouwen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te bevestigen dat een consument
onder de huidige leennormen meerdere kortlopende kredietfaciliteiten naast elkaar
kan aanhouden en benutten zolang de toetslasten binnen de toepasselijke normen blijven?
Is de aanname van deze leden dan terecht dat voorliggend wetsvoorstel een stapeling
van kredietruimte mogelijkerwijs maar beperkt voorkomt?
De leden van de ChristenUnie-fractie achten het huidig systeem van kredietregistratie
niet optimaal. Registratie van betaalfaciliteiten signaleert namelijk daadwerkelijke
betalingsproblemen niet eerder omdat negatieve signalen pas ontstaan nadat een consument
al betalingsachterstanden heeft opgebouwd. Deze leden zien graag een reactie van de
regering op deze stellingname.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien, naast registratie van verschillende openstaande
kredieten, een meerwaarde in een systeem dat actuele problematische betalingsachterstanden
signaleert op basis waarvan kredietaanbieders zien of iemand een betalingsachterstand
heeft («ja» of «nee») zodat zij kunnen beoordelen of zij een consument een krediet
kunnen verstrekken. Hoe ziet de regering dit? Is de regering bereid om een dergelijk
systeem vlot te trekken? Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie zien het risico dat met de implementatie van
voorliggend wetsvoorstel wat zal leiden tot een enorme toename aan kredietregistraties
en A-coderingen, ook voor relatief lage vorderingen die een consument te laat heeft
betaald. Wanneer een consument een bestelling bij een kledingwinkel ter waarde van
100 euro te laat heeft betaald, staat de consument voor vijf jaar geregistreerd bij
BKR. Deze consument zou dan vijf jaar lang geen hypotheek kunnen afsluiten. De leden
van de ChristenUnie-fractie zien dit als een onaanvaardbaar disproportioneel gevolg.
Hoe ziet de regering dit? Acht de regering het, net als de leden van de ChristenUnie-fractie,
noodzakelijk dat de huidige handelingspraktijk van BKR wordt aangepast als gevolg
van het voorliggende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat artikel 4:34 van de Wft wordt aangevuld
met een uitzondering op de verplichting van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De
leden van de ChristenUnie-fractie achten de frase op pagina 11 van de memorie van
toelichting onduidelijk. Kan de regering deze tekst verhelderen?
De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie van toelichting een uiteenzetting
van wat de nieuwe kredietwaardigheidsbeoordeling inhoudt, wat de overwegingen zijn
voor de keuzes die de regering heeft gemaakt en wat de gevolgen van de kredietwaardigheidsbeoordelingen
zijn voor zowel consumenten als bedrijven. Deze leden vragen de regering om dit alsnog
(uitgebreid) toe te lichten.
Met artikel 4:35b van de Wft worden aanbieders verplicht om betalingsproblemen bij
een consument vroegtijdig te signaleren. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen
de regering nader toe te lichten waarheen aanbieders deze signalen moeten zenden en
of de ontvangende partij(en) voorbereid zijn op mogelijke toestroom van dergelijke
signalen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er een nieuwe definitie komt van gebundelde
verkoop en koppelverkoop. Kan de regering duidelijk uiteenzetten wat er materieel
gaat veranderen met de koppelverkoopbepaling ten opzichte van de huidige wetgeving?
Wat was eerst wel toegestaan en straks niet meer?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre, dan wel in welke
vormen ongevraagde kredietverlening nu voorkomt, met het oog op het expliciete verbod
uit artikel 7:58a BW.
Het voorliggende wetsvoorstel introduceert bredere reclameregels ten aanzien van kredietovereenkomsten
met consumenten. De leden van de ChristenUnie-fractie juichen dit toe. Echter wordt
uit de memorie van toelichting geenszins duidelijk wat deze bredere reclameregels
behelzen. Kan de regering dit toelichten?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over de gewijzigde bepaling
ten aanzien van geoorloofde debetstand. Wat is nu de termijn waarbinnen het opgenomen
bedrag moet worden terugbetaald voordat een procedure van incasso of invordering wordt
gestart? Of was dit in de huidige wetgeving niet geregeld? De wet introduceert een
verplichting om een «ruime» termijn te hanteren. Wat is volgens de regering «ruim»?
Deze leden vragen de regering of de wetgever hier een open norm laat of dit wel nader
invult?
4. Mate van harmonisatie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of er nader in kan worden
gegaan op de keuze om kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik
van de richtlijn te scharen. Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse consument op
dit punt? Is er bijvoorbeeld sprake van hogere kosten voor consumenten die dergelijke
kaarten aanhouden? Waarom is er gekozen om juist op dit punt geen gebruik te maken
van de uitzondering, daar waar voor MKB-aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten
juist wel een uitzondering wordt gemaakt? Kan de regering toelichten in hoeverre kaarten
met uitgestelde betaling een soortgelijke of andere werking hebben op consumentengedrag
dan «koop nu, betaal later»-diensten zoals Klarna? Met name als het gaat om de beschikbaarheid
onder jongeren?
De leden van de PVV-fractie vragen waarom aan de AFM een nieuwe «productinterventiebevoegdheid»
wordt toegekend die verder gaat dan wat de CCDII minimaal vereist. In hoeverre leidt
dit type bevoegdheden tot rechtsonzekerheid bij bedrijven en een verstikkend werkklimaat?
De leden van de CDA-fractie lezen dat kaarten met uitgestelde betalingen onder het
toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen. Deze leden vragen of dit betekent
dat alle kaarten met een bepaalde vorm van uitgestelde betaling hieronder komen te
vallen of dat er uitzonderingen zijn.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering gebruikmaakt van de lidstaatoptie
om de richtlijnbepalingen ten aanzien van standaardinformatie, reclame en precontractuele
informatie niet van toepassing te laten zijn op bepaalde kredietovereenkomsten, zijnde
kredietovereenkomsten van minder dan 200 euro, zonder rente en korter lopend dan drie
maanden. BNPL-diensten vallen de facto onder deze uitzonderingscategorie. Deze leden
vragen of de regering inhoudelijk inzichtelijk kan maken, bij voorkeur in tabelvorm,
welke informatieverplichtingen in deze situaties nog wel van toepassing blijven en
welke verplichtingen door het gebruik van deze lidstaatoptie komen te vervallen.
Deze leden vragen daarnaast of de regering kan verduidelijken of deze informatieverplichtingen
op transactieniveau of op accountniveau gelden. Met andere woorden: wordt de betreffende
informatie bij iedere afzonderlijke transactie verstrekt of uitsluitend bij het aanmaken
van een account of het aangaan van een eerste kredietrelatie met de aanbieder.
Daarnaast lezen deze leden dat de regering stelt dat het verstrekken van precontractuele
informatie niet het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering is. Deze
leden ontvangen graag een toelichting op de grondslag van deze uitspraak, alsmede
welke elementen volgens de regering wel als de belangrijkste worden beschouwd en welke
maatregelen vervolgens specifiek op die belangrijkste elementen worden genomen.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe deze uitzondering op de reclamevoorschriften
zich verhoudt tot de breed aangenomen motie van het Lid Welzijn (Kamerstuk 24 515, nr. 810), waarin juist wordt opgeroepen om reclame voor BNPL-diensten te verbieden. Deze
leden vragen waarom er desondanks voor wordt gekozen om BNPL (deels) uit te zonderen
van de reclamevoorschriften. Deze leden vragen hoe de regering deze keuze weegt in
het licht van de duidelijke wens van de Kamer om reclame voor deze diensten juist
te beperken of te verbieden.
Voorts vragen deze leden of de regering alsnog wil inzetten op een (verdergaand) verbod
op reclame voor BNPL-diensten mogelijk is. Zo nee, waarom niet.
De leden van de CDA-fractie lezen dat gebruik is gemaakt van de lidstaatoptie om micro-,
kleine en middelgrote bemiddelaars die als nevenactiviteit bemiddelen in krediet,
vrij te stellen van de vergunnings- of registratieplicht. Deze leden vragen allereerst
wat de precieze definitie is van «micro, kleine en middelgrote bemiddelaars» in dit
kader. Daarnaast constateren deze leden dat (web)winkels die BNPL-diensten aanbieden
via een derde partij op deze wijze buiten de registratieplicht kunnen vallen. Deze
leden vragen wat de verwachte impact zou zijn indien deze bemiddelaars wél onder een
registratieplicht zouden vallen.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de regering verwacht dat een dergelijke
verplichting leidt tot een afname van het aanbod van BNPL-diensten in de winkelstraat.
Ook vragen deze leden hoe de regering dit effect weegt ten opzichte van het belang
van consumentenbescherming en toezicht op deze vorm van kredietverlening.
De leden van de CDA-fractie waarderen dat het instrumentarium van de AFM wordt uitgebreid
met betrekking tot productinterventie. Tegelijkertijd lezen deze leden dat, alvorens
direct ingrijpen mogelijk is, eerst het overige handhavingsinstrumentarium moet worden
doorlopen. Deze aanvullende waarborg lijkt op gespannen voet te staan met de benodigde
snelheid van optreden. Deze leden vragen hoe de regering borgt dat de AFM, indien
nodig, tijdig en doelgericht kan ingrijpen. Daarnaast vragen deze leden of de regering
bereid is om te bezien of het handhavingsinstrumentarium zodanig kan worden ingericht
dat de AFM in urgente situaties sneller kan handelen, zonder onnodige procedurele
vertragingen.
De leden van de JA21-fractie constateren dat CCDII-lidstaten ruimte biedt om bepaalde
kredietvormen uit te zonderen of lichter te behandelen. Deze leden vragen waarom Nederland
niet kiest voor een ruimere benutting van die mogelijkheden, bijvoorbeeld voor creditcards
of andere vormen van kredietverlening waarbij het risico op problematische schulden
beperkter of anders van aard is. Kan de regering toelichten waarom zij op deze punten
niet aansluit bij lidstaten die wel gebruikmaken van dergelijke uitzonderingen? Ziet
de regering het risico dat Nederland door een strengere implementatie afwijkt van
andere lidstaten, met mogelijke gevolgen voor het vestigingsklimaat en de beschikbaarheid
van betaalproducten voor Nederlandse consumenten?
Deze leden vragen of de regering heeft onderzocht welke onbedoelde neveneffecten kunnen
ontstaan als relatief laagrisico-betaalproducten onder een zwaarder regime worden
gebracht. Bestaat het risico dat aanbieders bepaalde producten staken, kosten doorberekenen
aan consumenten of de toegang tot betaalfaciliteiten beperken? Is in kaart gebracht
of consumenten daardoor zullen uitwijken naar minder gereguleerde of minder transparante
vormen van krediet?
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat het noodzakelijk is om het onwenselijk
onderscheid tussen wanneer een consument iets van een platform zelf koopt of via een
aangesloten partij op te heffen. Deze leden vragen de regering welke keuzes omliggende
landen hier maken? Maken deze landen ook deze keuze? Kan de regering toelichten waarom
hier door de Richtlijn de mogelijkheid is geboden om hier onderscheid te kunnen maken?
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen de keuze om creditcards onder het toepassingsbereik
van de richtlijn te laten vallen. Welke keuze maken de ons omringende landen? Kunnen
Nederlandse consumenten dan een creditcard krijgen via een andere lidstaat om de wettelijke
voorwaarden te kunnen omzeilen? Zo ja, wat zijn hiervan de mogelijke gevolgen en risico’s?
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen niet goed waarom kaarten met uitgestelde
debitering via een lidstaatoptie onder toepassingsbereik van de Richtlijn kunnen worden
gebracht. Deze leden achten het gezien de argumenten van de regering (onvoldoende
en ongelijke consumentenbescherming en een ongelijk speelveld) onwenselijk wanneer
hierover binnen de Unie verschillen ontstaan. Hoe ziet de regering dit?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de exacte invulling van
de wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering. Klopt het dat de wet (en/of
lagere regelgeving) voorschrijft dat aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
jaarlijks een controle moeten doen op kredietwaardigheid? In hoeverre acht de regering
dit proportioneel gezien de huidige beperkte omvang van consumenten die betalingsachterstanden
oplopen via hun kaart met uitgestelde debitering?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er gebruik gemaakt wordt van een lidstaatoptie
om enkele precontractuele informatieverplichtingen niet van toepassing te verklaren
op kaarten met uitgestelde debitering, «koop nu, betaal later»-diensten en kleine
kredieten tot 200 euro. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om
deze keuze nader te motiveren.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering voorbeelden te schetsen van
micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet die als nevenactiviteit krediet
aanbieden waarvoor de regering regelt dat zij een uitzondering krijgen van de verplichting
om een vergunning aan te vragen bij de AFM? Wat is de schaal van een middelgrote aanbieder?
Wat is een nevenactiviteit? Hoe klein moet deze nevenactiviteit zijn om tot nevenactiviteit
te behoren?
De uitwerking van de nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaats in lagere regelgeving,
zo lezen de leden van de ChristenUnie-fractie. In welke regelgeving wordt dit uitgewerkt?
Wat voor soort zaken worden neergelegd in de lagere regelgeving om de productinterventiebevoegdheid
nader in te vullen en waarom heeft de regering gekozen dit niet op wetsniveau te doen?
5. Verhouding van de richtlijn tot het unierecht en het nationale recht
De leden van de D66-fractie begrijpen dat andere Europese landen ervoor kiezen om
minder aanvullende maatregelen te treffen. Verwacht de regering dat dit negatieve
effecten heeft voor de uitvoering van de maatregelen in Nederland?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat er eindelijk een wettelijk
verbod komt op uitstel van betalingen voor jongeren. Deze leden vragen de regering
hoe de regering effectief het verbod zal handhaven en hoe de sanctionering eruit ziet
voor overtreders.
De leden van de CDA-fractie stellen vast dat aanbieders op grond van de richtlijn
verplicht zijn deel te nemen aan het stelsel van kredietregistratie (in Nederland
het BKR). De nadere voorwaarden voor registratie in het BKR worden echter geregeld
in het wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie, dat nog in behandeling moet worden
genomen in het parlement. In dat licht vragen deze leden wat de voorgenomen inzet
van de regering is ten aanzien van BKR-registraties in het kader van de implementatie
van de CCDII. Deze leden vragen wanneer krediet precies wordt geregistreerd en of
hierbij een minumumdrempelwaarde geldt en zo ja, welke. Daarnaast vragen deze leden
hoe lang deze kredieten geregistreerd blijven. Ook vragen deze leden of bij deze registratie
gekeken wordt naar het effect van stapeling van verschillende kleine kredieten. Als
laatste vragen deze leden of elke vorm van krediet ongeacht de hoogte van het krediet
wordt getoetst.
Naast mogelijke onduidelijkheid voor kredietnemers voorzien de leden van de CDA-fractie
ook implementatieproblemen voor kredietverstrekkers indien deze parameters bij inwerkingtreding
van de CCDII nog niet volledig zijn uitgekristalliseerd. Deze leden vragen op welke
wijze deze samenloop tussen beide trajecten wordt gemitigeerd en hoe geborgd wordt
dat dit niet leidt tot uitvoeringsproblemen of inconsistenties in de praktijk.
De leden van de CDA-fractie staan achter een verbod op BNPL-diensten aan minderjarigen.
Alleen wanneer er sprake is van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger (ouders,
voogd) is er een uitzondering. Deze leden vragen echter op welke wijze wordt geborgd
dat een dergelijke toestemmingsverklaring daadwerkelijk ondubbelzinnig, expliciet
en verifieerbaar door de ouder zelf wordt afgegeven en niet kan worden omzeild of
gefingeerd.
Deze leden benadrukken dat een wettelijk verbod op BNPL voor minderjarigen uiteindelijk
staat of valt met effectieve handhaving en naleving in de praktijk. Hoewel verankering
in de Wft en het BW hierbij een belangrijke basis vormt, achten deze leden het van
belang dat ook de platforms zelf een actieve en controleerbare rol vervullen in de
naleving. Deze leden vragen op welke wijze hier concreet op ingezet wordt. Deze leden
vragen ook welke eisen gesteld worden aan de verificatie van ouderlijke toestemming
en hoe gecontroleerd wordt dat aanbieders deze verplichtingen niet slechts formeel,
maar ook materieel naleven.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er nog recenter onderzoek beschikbaar
is over hoeveel transacties er zijn gedaan via rekeningen op naam van een minderjarige
aan BNPL-aanbieders dan het onderzoek uit 2023 wat genoemd wordt in de memorie van
toelichting? Is bekend of de gedragscode materieel effect heeft gehad? Aanvullend
vragen deze leden of er ook cijfers beschikbaar zijn over het gebruik door minderjarigen
van «koop nu, betaal later»-diensten via platforms die uitgestelde betaling aanbieden?
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat een overeenkomst die gesloten is
met een minderjarige die niet voldoet aan artikel 7:75, vierde lid, van het BW vernietigbaar
is. Deze leden vragen in hoeverre deze vernietigbaarheid ook geldt voor de andere
wettelijke voorwaarden die aan kredietovereenkomsten worden gesteld, bijvoorbeeld
rond kredietwaardigheidsbeoordelingen?
6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie lezen dat de kredietwaardigheidstoets verder wordt uitgebreid.
Deze leden begrijpen het belang van een zorgvuldige toetsing, maar vragen tegelijkertijd
aandacht voor proportionaliteit en privacy. Kan de regering verduidelijken of bij
iedere kleine transactie inkomens- en uitgavengegevens moeten worden verzameld? Hoe
verhoudt dit zich tot het principe van dataminimalisatie en het beperken van administratieve
lasten voor consumenten en ondernemers? Is de regering bereid om ruimte te bieden
voor een risico-gebaseerde en proportionele benadering bij laag-risico kredieten?
In diverse position papers wordt breed gewaarschuwd dat standaard externe verificatie
van financiële gegevens leidt tot grootschalige verwerking van gevoelige persoonsgegevens,
terwijl het merendeel van deze kredieten probleemloos wordt terugbetaald. Dit raakt
volgens de leden van de VVD-fractie aan het AVG-beginsel van dataminimalisatie. Hoe
verhoudt de verplichte gegevensverzameling en -verificatie zich tot het beginsel van
dataminimalisatie onder de AVG en is overwogen de Autoriteit Persoonsgegevens hierover
expliciet te betrekken?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel toestaat dat bijzondere categorieën
van persoonsgegevens tijdelijk worden verwerkt om deze te «lakken» voordat zij worden
gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Dit wordt gerechtvaardigd vanuit
een zwaarwegend algemeen belang. Hoe wordt voorkomen dat deze tijdelijke verwerking
in de praktijk leidt tot ruimere gegevensverzameling dan strikt noodzakelijk en hoe
wordt hier effectief toezicht op gehouden?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de voorgestelde gegevensverzameling zich verhoudt
tot het beginsel van gegevensminimalisatie onder de AVG. Kan de regering toelichten
welke gegevens minimaal noodzakelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en
welke gegevens aanbieders juist niet zouden moeten opvragen? Hoe wordt voorkomen dat
aanbieders uit toezichtsvrees meer persoonsgegevens verzamelen dan noodzakelijk?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er informatie bekend is
over het aantal transacties en de omvang daarvan van de 10 aanbieders van krediet
in de subcategorie «koop nu, betaal later»-diensten? Voorts vragen deze leden of het
doel van deze implementatiewet is om de omvang hiervan terug te dringen?
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat aanbieders die bekend staan om hun «koop
nu, betaal later»-diensten andere wegen zoeken om hun producten aan de man te brengen,
waaronder kaarten met uitgestelde debitering (ofwel creditcards). Deze leden vragen
de regering uiteen te zetten in hoeverre de kosten en de wettelijke vereisten overeenkomen
dan wel verschillen voor het te laat betalen van het tegoed op de creditcard ten opzichte
van de kosten voor het te laat betalen van de «koop nu, betaal later»-vordering?
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat consumenten gebruik maken van het leasen
van witgoed. Deze leden achten dat onverstandig en onwenselijk. Hoe beschouwt de regering
dit? Wat is de verwachting van de regering over het gebruik van deze huur- en leasingsovereenkomsten
nu zij onder toepassingsgebied van de richtlijn worden gebracht?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat huur- of leasingsovereenkomsten
zonder optie tot koop al onder toepassingsbereik van de richtlijn waren gebracht?
Deze leden vragen aanvullend wat de redenering is achter het onderscheid tussen een
optie met of zonder koop?
Wat zijn de huidige wettelijke vereisten aan aanbieders van autolease en op welke
belangrijke punten gaat de wetgeving voor hen veranderen?
Nieuwe en bestaande aanbieders van krediet worden met de implementatiewet verplicht
een mate van respijt aan te houden alvorens een tenuitvoerleggingsprocedure te beginnen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd wat de huidige wettelijke bepalingen
hieromtrent zijn? Zijn bestaande aanbieders nu in het geheel niet wettelijk verplicht
een mate van respijt aan te houden? Welke eisen worden gesteld aan deze «mate van
respijt»?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of aanbieders voor elke transactie die
via «koop nu, betaal later»-diensten worden gedaan een toets moet doen bij BKR en
het krediet moet registreren bij BKR?
Deze leden missen in de memorie van toelichting een nadere beschouwing op de rol van
BKR in het licht van dit wetsvoorstel. Ze verzoeken de regering de rol van het BKR
nader toe te lichten. Wat is de totale verwachte toename van het gebruik van BKR?
In hoeverre is BKR hierop voorbereid en in staat om aan de verwachte vraagtoename
te kunnen voldoen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het klopt dat onder de
huidige Wft conform artikel 4:32, eerste lid, en artikel 11, vierd lid, van de BGfo
kredietaanbieders enkel verplicht zijn deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie?
Klopt het dat de wet Stichting BKR niet bij naam aanwijst, noch een wettelijke taak
toekent? Deze leden vragen de regering om een nadere beschouwing van de taak en rol
van Stichting BKR in het licht van voorliggend wetsvoorstel. Klopt het tevens dat
de Hoge Raad in 2021 expliciet heeft geoordeeld dat registratie door BKR berust op
zelfregulering door de financiële sector en niet op een wettelijke plicht?
7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie lezen dat voor mkb-ondernemingen verschillende uitzonderingen
en lichtere regimes worden gehanteerd, met name bij bemiddeling in krediet als nevenactiviteit.
Tegelijkertijd worden grote online aanbieders strenger gereguleerd. Hoe wordt voorkomen
dat de grens tussen mkb en grootbedrijf leidt tot strategisch gedrag of ontwijkconstructies?
Deze leden lezen voorts dat de AFM met het voorliggende wetsvoorstel een nieuwe productinterventiebevoegdheid
krijgt om kredietproducten of marktpraktijken te verbieden of te beperken. De regering
benadrukt dat deze bevoegdheid terughoudend zal worden ingezet. Welke concrete waarborgen
bestaan er om te voorkomen dat deze bevoegdheid leidt tot rechtsonzekerheid of een
rem op innovatie?
De AFM heeft aangegeven dat de verwachte toezichtpopulatie aanzienlijk groter is dan
waarmee in het kostenkader rekening is gehouden, zo constateren de leden van de VVD-fractie.
Dit kan gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid van het toezicht. Hoe borgt de regering
dat de AFM over voldoende capaciteit beschikt zonder dat dit leidt tot onevenredige
kostenstijgingen voor marktpartijen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat kredietgevers consumenten met financiële moeilijkheden
vroegtijdig moeten opsporen en ondersteunen, maar dat hiervoor geen aanvullende wettelijke
grondslag voor verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk wordt geacht. Kan de regering
nader toelichten op welke bestaande wettelijke grondslag kredietgevers deze persoonsgegevens
verwerken?
De leden van de PVV-fractie wijzen op de nalevingskosten voor nieuwe aanbieders, die
volgens de regering kunnen oplopen tot 368.986 euro per aanbieder. Is de regering
niet bang dat door deze enorme kostenstijging het aanbod van kleine, kortlopende kredieten
zal verschralen of onbetaalbaar wordt voor de gewone burger?
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de nieuwe processen voor kredietwaardigheidsbeoordeling
– inclusief de complexe regels rondom het lakken van persoonsgegevens – leiden tot
extra kosten die uiteindelijk door de consument betaald moeten worden.
8. Uitvoering
De leden van de VVD-fractie begrijpen het belang van kredietregistratie ter voorkoming
van overkreditering. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de uitbreiding van
verplichte BKR-raadplegingen naar grote aantallen kleine transacties aanzienlijke
gevolgen kan hebben voor betaalprocessen en systemen. Kan de regering aangeven of
het BKR technisch en operationeel volledig gereed is voor real-time raadplegingen
op grote schaal? Welke risico’s ziet de regering voor vertragingen of verstoringen
in betaalprocessen? Acht de regering een gefaseerde invoering of overgangsperiode
wenselijk om uitvoeringsproblemen te voorkomen?
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat iedere burger die handelingsbekwaam is
(18 jaar en ouder) zelfstandig over zijn financiën moet kunnen beschikken. Kan de
regering garanderen dat de voorgestelde verplichtingen voor leeftijdsverificatie de
toegang tot kredietmogelijkheden, zoals «koop nu, betaal later» oftwel BNPL, voor
volwassen burgers op geen enkele wijze zal belemmeren of vertragen?
Met betrekking tot de rol van retailers (niet-MKB) die bemiddelen in BNPL-diensten,
heeft de AFM aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht in eerste instantie
bij de BNPL-aanbieders moet komen te liggen. De leden van de PVV-fractie vragen hoe
de regering in de lagere regelgeving gaat waarborgen dat retailers niet worden opgezadeld
met disproportionele administratieve lasten of directe toezichtverplichtingen van
de AFM?
De leden van de JA21-fractie vragen of de AFM in staat is om binnen dit korte tijdsbestek
alle noodzakelijke vergunningsaanvragen zorgvuldig te behandelen. Hoeveel nieuwe of
gewijzigde vergunningsaanvragen verwacht de regering als gevolg van dit wetsvoorstel,
hoeveel capaciteit is daarvoor beschikbaar bij de AFM en wat gebeurt er met aanbieders
die tijdig een aanvraag indienen maar op de invoeringsdatum nog geen besluit hebben
ontvangen?
Deze leden vragen voorts of de systemen voor kredietregistratie tijdig gereed zijn
voor de verwachte toename van realtime raadplegingen. Is onderzocht of de systemen
van BKR de extra belasting vanaf 20 november 2026 aankan? Is hiervoor een stresstest
uitgevoerd, en zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming
De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn sancties niet harmoniseert, maar
wel voorschrijft dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn.
De richtlijn geeft aan dat geldboetes verplicht worden ingevoerd. Hoe wordt gewaarborgd
dat sancties proportioneel blijven, met name voor kleinere aanbieders en bemiddelaars?
Deze leden lezen dat de regering kiest voor een combinatie van civielrechtelijke en
bestuursrechtelijke handhaving, waarbij de AFM ook via de Wet handhaving consumentenbescherming
kan optreden. Leidt deze dubbele handhavingsstructuur niet tot overlap of onduidelijkheid
voor marktpartijen en hoe wordt dit in de praktijk voorkomen?
De leden van de PVV-fractie hebben vragen over de proportionaliteit bij het verifiëren
van informatie. De AFM geeft aan dat de richtlijn bepaalt dat ingewonnen informatie
ook gecheckt moet worden, wat spanning oplevert met dataminimalisatie. Kan de regering
bevestigen dat in de lagere regelgeving wordt vastgelegd dat de proportionaliteitstoets
alleen geldt voor het inwinnen van informatie en niet voor het verplicht verifiëren
van álle opgevraagde informatie, om zo onnodige bureaucreatie en privacyinbreuken
te voorkomen?
De leden van de CDA-fractie vragen of het uitgangspunt dat de kredietwaardigheidstoets
proportioneel moet zijn aan aard, duur, omvang en risico van het krediet ook geldt
voor de mate waarin door consumenten opgegeven financiële gegevens moeten worden geverifieerd
met onafhankelijk controleerbare documenten. Deze leden vragen of verificatie van
gegevens meer risicogestuurd kan plaatsvinden, bijvoorbeeld op basis van signalen
van betalingsachterstanden, waarbij een balans wordt gezocht tussen verantwoorde kredietverstrekking,
dataminimalisatie en beperking van administratieve lasten. Deze leden vragen of de
AFM hiermee rekening dient te houden.
Ook vragen deze leden of de huidige vrijstelling voor bemiddeling in goederenkrediet
als nevenactiviteit gehandhaafd wordt, ook voor ondernemingen die kwalificeren als
grootbedrijf. Zo nee, waarom niet. Deze leden vragen ook of deze ondernemingen dan
ook in aanmerking voor het verlichte registratieregime van artikel 2:81, vierde lid,van
de Wft komen.
10. Evaluatie
De leden van de CDA-fractie constateren dat in de evaluatieparagraaf geen expliciete
aandacht wordt besteed aan de effecten van consumentenkrediet, en in het bijzonder
BNPL-diensten, op het ontstaan van problematische schulden bij kwetsbare groepen.
Deze leden vragen of de regering bereid is om deze effecten van consumentenkrediet
en BNPL expliciet en structureel mee te nemen in de monitoring en evaluatie van de
wet. Deze leden vragen of de regering kan toezeggen dat hierbij wordt gewerkt met
concrete en toetsbare indicatoren, zoals het aantal gebruikers met betalingsachterstanden,
het aandeel jongeren en andere kwetsbare groepen met consumentenkrediet en BNPL gerelateerde
schulden, het aantal doorverwijzingen naar schuldhulpverlening en het aandeel incassotrajecten
dat voortvloeit uit consumentenkrediet.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast onder welke omstandigheden de regering
voornemens is gebruik te maken van de delegatiegrondslag in het geval dat blijkt dat
de huidige eisen ten aanzien van leeftijdsverificatie onvoldoende effectief zijn.
Deze leden vragen welke concrete en bindende voorschriften de regering op basis van
deze delegatiegrondslag kan vaststellen. Deze leden vragen of de regering daarbij
kan specificeren aan welk typen maatregelen wordt gedacht, bijvoorbeeld ten aanzien
van verificatiemethoden of technische standaarden.
Voorts vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen om dergelijke voorschriften
reeds in de wet zelf op te nemen, in plaats van te wachten op mogelijke nadere regelgeving.
Deze leden vragen welke afweging de regering hierbij heeft gemaakt en of de regering
het risico aanvaardbaar acht dat in de tussentijd onvoldoende effectieve leeftijdsverificatie
plaatsvindt.
11. Advies en consultatie
De leden van de PVV-fractie constateren dat de AFM nauw betrokken is bij het opstellen
van de concepten voor de relevante lagere regelgeving. Kan de regering toezeggen dat
de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang van deze lagere regelgeving,
aangezien de AFM aangeeft dat deze cruciaal is voor de inrichting van het toezicht
en IT-aanpassingen bij aanbieders?
Er lopen initiatieven voor woningeigenaren die de energieprestatie van hun woning
willen verbeteren. Woningeigenaren met een slecht energielabel kunnen met gebouwgebonden
financiering en ontzorging in de vorm van een gebouwgebonden energieprestatiecontract
hun label verbeteren. Belanghebbenden geven aan dat door deze contractvorm vanwege
de interpretatie van de Wft door de AFM e.e.a. nog niet van de grond komt. De AFM
ziet deze innovatieve contractvormen als een persoonsgebonden krediet binnen de reikwijdte
van de Wft en herkent niet dat dergelijke gebouwgebonden contractvormen andere eigenschappen
en zekerheden hebben. De initiatiefnemers geven aan dat alleen een verduidelijking
van de Wft de huidige belemmeringen kan wegnemen en de zekerheid kan bieden die nodig
is. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering deze discussie herkent en hoe
de regering deze weegt in het kader van het doel van het voorliggende wetsvoorstel.
12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens
De leden van de D66-fractie lezen dat de kredietwaardigheidsbeoordeling evenredig
moet zijn naar aard, duur, waarde en risico’s van het krediet en dat verdere invulling door middel van een gedragscode wordt bevorderd. Kan de
regering de huidige stand van zaken en planning van deze gedragscode schetsen?
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft gewezen op de ingrijpende risico’s van het gebruik
van volledige rekeningafschriften en heeft alternatieven gesuggereerd, zoals gestandaardiseerde
rapportages. De regering geeft aan dat deze alternatieven technisch nog niet haalbaar
zijn. Welke stappen zet de regering om dergelijke privacyvriendelijkere alternatieven
alsnog te ontwikkelen en op termijn verplicht te stellen, zo vragen de leden van de
VVD-fractie.
13. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie lezen dat de deadline voor implementatie 20 november 2026
is. Wat is er ondertussen gedaan, en wordt er gedaan, om BNPL-aanbieders ondertussen
aan te sporen om consumenten te beschermen in lijn met de CCDII? Is de Gedragscode
BNPL daarvoor voldoende?
Voor kaarten met uitgestelde debitering wordt een overgangstermijn van zes maanden
gehanteerd vanwege de impact op bestaande bedrijfsmodellen en de benodigde aanpassingen.
Tegelijkertijd geldt voor andere nieuw gereguleerde kredietvormen deze overgangstermijn
niet constateren de leden van de VVD-fractie. Waarom is uitsluitend voor kaarten met
uitgestelde debitering een overgangstermijn opgenomen en acht de regering deze termijn
voldoende om ingrijpende aanpassingen in systemen en processen te realiseren?
De leden van de VVD-fractie constateren dat nadere regelgeving nog niet volledig is
uitgewerkt, terwijl de implementatiedeadline snel nadert. Ondernemers moeten systemen,
processen en klantreizen aanpassen en testen. Kan de regering toelichten hoe zij de
uitvoerbaarheid binnen de beschikbare termijn beoordeelt? Is de regering bereid te
kijken naar een gefaseerde invoering, overgangsperiode of terughoudendheid in de handhaving
om onnodige uitvoeringsproblemen te voorkomen?
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de invoeringsdatum samenvalt met de aanloop
naar de feestdagen en daarmee met een piekperiode voor online retail en digitaal betalingsverkeer.
Welke risico’s ziet de regering op verstoringen in het online betalingsverkeer als
gevolg van een abrupte invoering? Is in kaart gebracht welke gevolgen dit kan hebben
voor consumenten, webwinkels en betaaldienstverleners indien systemen, vergunningverlening
of kredietwaardigheidsprocessen op dat moment nog niet volledig zijn ingericht?
Deze leden vragen tevens hoe aanbieders zich tijdig kunnen voorbereiden zolang onderdelen
van het regime nog nader moeten worden uitgewerkt bij algemene maatregel van bestuur.
Kan de regering garanderen dat alle lagere regelgeving, soft law via de toezichthouder
en technische uitvoeringsvereisten ruim voor de invoeringsdatum beschikbaar zijn?
Zo nee, acht de regering het dan verantwoord om aanbieders wel volledig aan de nieuwe
verplichtingen te houden vanaf 20 november 2026?
De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie van toelichting een erkenning
van het feit dat veel cruciale informatie voor zowel toezichthouder als aanbieders
om te kunnen voldoen aan de wet wordt neergelegd in lagere regelgeving. Deze lagere
regelgeving is op dit moment grotendeels nog onbekend. Deze leden vragen de regering
om een reflectie hieromtrent. Wanneer verwacht de regering de lagere regelgeving te
kunnen vaststellen? Is er dan voldoende tijd over voor implementatie in processen
en systemen? Hoe denkt de regering de gevolgen van te late vaststelling van lagere
regelgeving en onvoldoende tijd voor adequate implementatie te kunnen mitigeren? Tot
slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de Kamer nog democratisch invloed
kan uitoefenen op de inhoud van de lagere regelgeving.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Kan de regering middels een tabel uiteenzetten welke aanvullende verplichtingen wel
en niet van toepassing zijn op het aan de Nederlandse consument aanbieden van «koop
nu, betaal later»-diensten door zowel in een andere lidstaat gevestigde aanbieders
als buiten de Europese Unie gevestigde aanbieders? Zijn er juridische voordelen voor
aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten om zich te vestigen in een lidstaat
met minder regels en van daaruit Nederlandse consumenten te bedienen?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.