Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 905 Regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure en Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 26 mei 2026
Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie
voor Justitie en Veiligheid inzake dit voorstel van wet. Ik dank de leden van de verschillende
fracties voor hun vragen en opmerkingen over het voorstel. Bij de beantwoording van
de gestelde vragen is de volgorde van het verslag aangehouden. In het navolgende is
de inhoud van het verslag cursief weergegeven. De antwoorden zijn in gewone opmaak
weergegeven.
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Uitvoeringswet
elektronisch bewijsmateriaal (hierna: het wetsvoorstel). Het is van belang om daadkrachtig
op te kunnen treden tegen de toenemende grensoverschrijdende en digitale criminaliteit
in Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie (EU). Deze leden vinden het
daarom goed dat er een Europees e-Evidence pakket is gekomen om dit mogelijk te maken.
Zo kunnen we samen met onze Europese buren en bondgenoten samenwerken om sneller,
directer en grensoverschrijdend digitaal bewijsmateriaal te verkrijgen. Zeker omdat
erg veel strafonderzoek tegenwoordig een digitale component kent. Toch is het hierbij
van belang om in de gaten te houden dat we het kind niet met het badwater weggooien.
Meer daadkracht mag niet ten koste gaan van grondrechten van Europese burgers en principes
van proportionaliteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid. Ook de uitvoerbaarheid
van de wet is een punt van aandacht, want pas in de toepassing vindt een wet zijn
daadwerkelijke effect. In dit kader hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse en enige zorgen kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Deze leden stellen dat elektronisch bewijsmateriaal tegenwoordig
in circa 85% van de strafzaken een rol speelt. Vaak zijn gegevens echter buiten het
grondgebied van Nederland opgeslagen en de toegang tot deze gegevens blijkt in de
praktijk soms weerbarstig en langdurig. Het wetgevingspakket van de EU inzake elektronisch
bewijsmateriaal is dan ook voor deze leden een waardevolle aanvulling op de bestaande
EU-instrumenten voor de justitiële samenwerking in strafzaken. In die zin steunen
deze leden ook de doelen van het wetsvoorstel. Toch hebben zij een aantal vragen en
opmerkingen over het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat dit wetsvoorstel voortvloeit uit bindende
Europese regelgeving waardoor de speelruimte van de Nederlandse wetgever om eigen
regels te stellen beperkt is. Wel zouden de aan het woord zijnde leden er, wellicht
ten overvloede, op willen wijzen dat met de invoering van het Europees verstrekkingsbevel
en het Europees bewaringsbevel, waardoor buitenlandse opsporingsdiensten rechtstreeks
bij Nederlandse dienstaanbieders elektronische gegevens kunnen opvragen of doen bewaren,
twee ingrijpende instrumenten voor Europese rechtshulp worden ingevoerd. Hoewel deze
leden ook begrijpen dat in deze tijden waarbij ook de criminaliteit als het ware «gedigitaliseerd»
is effectievere en snellere wederzijdse rechtshulp nodig kan zijn, menen zij dat er
reden tot zorg is ten aanzien van onder andere de rechtsbescherming nu het gebruik
van deze instrumenten zonder tussenkomst van een rechter vooraf gaat gebeuren. Deze
leden hebben daarmee een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden hebben nog enkele vragen aan de regering over dit wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een van de voorwaarden voor een Europees verstrekkingsbevel
en bewaringsbevel is dat een bevel slechts kan worden uitgevaardigd indien een soortgelijk
bevel zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijk nationaal geval. De uitvaardigende
autoriteit moet dus ook voorwaarden uit het Wetboek van Strafvordering in acht nemen.
Begrijpen deze leden het goed dat dit dus niet hoeft te gelden voor de autoriteit
die het bevel ontvangt?
In Nederland kunnen de officier van justitie en de rechter-commissaris uitvaardigende
autoriteit zijn. De e-Evidence verordening en het Wetboek van Strafvordering, zoals
gewijzigd door het onderhavige wetsvoorstel, vormen daarbij voor de officier van justitie
en de rechter-commissaris de wettelijke kaders. In de uitvoerende lidstaat vormen
de e-Evidence verordening en het nationale recht van die lidstaat de wettelijke kaders
voor de uitvoering van een verstrekkings- of bewaringsbevel.
In de spiegelbeeldige situatie vormen de e-Evidence verordening en het nationale recht
van de uitvaardigende lidstaat de wettelijke kaders voor de uitvaardiging van een
verstrekkings- of bewaringsbevel. De e-Evidence verordening, het Wetboek van Strafvordering
en de onderhavige uitvoeringswet vormen de wettelijke kaders voor de uitvoering van
deze bevelen in Nederland.
De leden van de CDA-fractie lezen dat in sommige gevallen een verplichting bestaat
tot kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8 van Verordening
2023/1543, bijvoorbeeld als het gaat om verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens.
Is het denkbaar dat een bewarings- of verstrekkingsbevel dat buiten die verplichting
valt, soms ook ter kennisgeving wordt gegeven aan de tenuitvoerleggingsautoriteit?
En zo ja, in welke gevallen?
De e-Evidence verordening biedt het wettelijke kader voor het al dan niet in kennis
stellen van de tenuitvoerleggingsautoriteit in een andere lidstaat van de EU. Hoewel
het wenselijk is dat bevoegde autoriteiten met het oog op de juiste toepassing van
de verordening ook informeel contact kunnen onderhouden en de verordening daarvoor
ook ruimte laat, laat de verordening geen ruimte voor (formele) kennisgevingen buiten
de in artikel 8 van de verordening genoemde gevallen. Daarmee zou immers een kennisgevingsprocedure
ontstaan die uitdrukkelijk niet is beoogd door de Europese wetgever. Dat zou onduidelijkheden
tot gevolg hebben over de toepassing van het wettelijke kader.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er sprake kan zijn van verschillende weigeringsgronden
in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure, zoals het geval waarin naleving niet
mogelijk is vanwege feitelijke omstandigheden. Kan de regering daar verder op ingaan
en aangeven welke gevallen hieronder kunnen vallen?
Van feitelijke onmogelijkheid om uitvoering te geven aan een verstrekkingsbevel is
bijvoorbeeld sprake indien de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd geen klant
is van de dienstaanbieder of de dienstaanbieder niet over de gevorderde gegevens beschikt,
omdat de gegevens niet meer worden bewaard (op grond van de door de dienstaanbieder
gehanteerde termijn voor het bewaren van gegevens).
2. Hoofdlijnen van het elektronisch bewijsmateriaalpakket
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de omschrijving van de hoofdlijnen
van het elektronisch bewijsmateriaalpakket. In de memorie van toelichting is opgenomen
dat elektronisch bewijsmateriaal in dezen gaat over «abonneegegevens, verkeersgegevens
of inhoudelijke gegevens die door of namens een dienstaanbieder zijn opgeslagen op
het tijdstip van de ontvangst van het bevel». Toekomstige gegevens zijn uitgesloten,
net als versleutelde berichten (decryptie/ontsleuteling valt buiten de reikwijdte).
Nationaal kan er niet zomaar getornd worden aan het type gegevens wat onder deze wetgeving
valt. Dat kan alleen via wijziging van de Europese verordening. Dat roept bij deze
leden de vraag op hoe gemakkelijk dit op Europees niveau gewijzigd kan worden en welke
waarborgen er op dat niveau zijn voor oprekken of wijziging van het type gegevens
in de toekomst. Kan de regering daar toelichting op geven?
Voor een wijziging van de e-Evidence verordening geldt de gewone wetgevingsprocedure.
Dit houdt in dat alleen de Europese Commissie een voorstel voor wijziging van de verordening
kan doen betreffende het type gegevens waarop de verordening ziet. De Commissie stuurt
dit voorstel aan de Raad van Ministers van de EU en het Europees Parlement ter behandeling.
Tegelijkertijd legt de Commissie het voorstel ter beoordeling voor aan de nationale
parlementen. Indien nodig wordt het voorstel ook voor advies toegezonden aan andere
EU-instellingen en -organen, zoals het Europees Economisch en Sociaal Comité.
De Raad en het Europees Parlement bespreken beide het voorstel en kunnen het wijzigen.
Deze bespreking wordt een lezing genoemd. De hele procedure kan tot drie lezingen
omvatten. Het voorstel wordt aangenomen als de Raad en het Europees Parlement in een
van de lezingen overeenstemming bereiken over de tekst ervan. Als er geen overeenstemming
wordt bereikt, wordt het voorstel niet aangenomen.
Voor een eventueel voorstel tot wijziging van de verordening geldt – net als dat voor
nationale wetgeving geldt – dat het voorstel in overeenstemming moet zijn met hoger
recht, zoals het Handvest van de Grondrechten van de EU en het Europees verdrag voor
de rechten van de mens. Als dat niet het geval is, kan het Hof van Justitie van de
EU de (wijzigings)verordening ongeldig verklaren, zoals dat bijvoorbeeld in 2014 is
gebeurd met de dataretentierichtlijn (HvJ EU 8 april 2014, gevoegde zaken C-293/12
en C-594/12, Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a.).
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe wordt gecontroleerd dat gegevens
niet breder gebruikt worden dan voor het doel van het strafrechtelijk onderzoek in
kwestie, en wie daar op controleert als er niet altijd sprake is van tussenkomst van
een rechter-commissaris. En onder welke voorwaarden kunnen deze gegevens worden ingezien
op aanvraag? Hoe worden maatregelen tegen misbruik van deze gegevens genomen?
Voor de rechtmatige verwerking van gegevens die met een verstrekkingsbevel zijn verkregen
is het nationale recht van de desbetreffende lidstaat van belang. Dit betekent in
het algemeen dat de rechtmatigheid van het gebruik van gegevens door de rechter kan
worden getoetst in het kader van een specifieke strafzaak, maar betekent ook dat de
regels en waarborgen van het gegevensbeschermingsrecht van toepassing zijn. Waar het
gaat om de verwerking van persoonsgegevens door politie en justitie in het kader van
het strafrecht geldt dat daarop de regels van EU-richtlijn 2016/680 van toepassing
zijn. Deze richtlijn geldt voor alle lidstaten. In Nederland is deze richtlijn met
name geïmplementeerd in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens (Wjsg). Op de naleving van deze wetten wordt toezicht gehouden door de Autoriteit
Persoonsgegevens, die zo nodig een last onder bestuursdwang of een bestuurlijke boete
kan opleggen.
In het kader van een strafzaak heeft de verdachte recht op de kennisneming van de
processtukken op grond van de regeling in het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast
heeft de persoon op wie persoonsgegevens betrekking hebben op grond van de Wpg en
Wjsg het recht op inzage in zijn of haar persoonsgegevens. Een dergelijk verzoek wordt
gericht aan de verwerkingsverantwoordelijke, dat wil zeggen de korpschef bij de politie
en het College van Procureurs-Generaal bij het Openbaar Ministerie. Een verzoek kan
wegens een limitatief aantal in de wet vastgelegde gronden worden geweigerd.
De leden van de VVD-fractie constateren dat criminele netwerken zich niet laten tegenhouden
door landsgrenzen. In dat licht is het cruciaal dat elektronische gegevens over criminele
activiteiten die zijn opgeslagen op servers buiten Nederland en in beheer zijn van
hostingdiensten snel kunnen worden opgevraagd en vervolgens snel kunnen worden betrokken
bij de opsporing, vervolging en berechting van criminelen. Kan de regering aangeven
welke impact het wetsvoorstel zal hebben op de werkdruk en de doorlooptijden bij de
nationale politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de rechtspraak? Is het de bedoeling
dat er na inwerkingtreding van het wetsvoorstel meer capaciteit vrijkomt voor het
verwerken van rechtshulpverzoeken? Kunnen er dus ook meer rechtshulpverzoeken worden
gedaan door Nederland?
Mede op basis van de impactanalyse die de EU Commissie heeft gepubliceerd in 2018
bij de presentatie van het e-Evidencepakket en de concepttekst van de verordening
en de richtlijn, is in het voorjaar van 2024 een nadere impactanalyse uitgevoerd.
De politie, het OM en de rechtspraak zijn daarbij inhoudelijk betrokken en hebben
voor nadere analyse van gegevens over rechtshulp van en naar Nederland en via deskundigenpanels
input geleverd. Die input was gebaseerd op een gezamenlijke beschrijving van de toenmalige
werkprocessen rond rechtshulp en van de toekomstige werkprocessen. Daarbij is uitdrukkelijk
benoemd dat e-Evidence een nieuwe vorm van rechtshulp is, maar dat bestaande vormen
van rechtshulp, zoals rechtshulpverzoeken op grond van de EU rechtshulpovereenkomst,
de richtlijn Europees onderzoekbevel en de rechtshulp op basis van artikel 35 van
het Cybercrimeverdrag, ook in stand blijven. Het e-Evidencepakket kenmerkt zich ten
opzichte van die bestaande instrumenten door aanmerkelijk kortere doorlooptijden van
een bevel tot bewaren of verstrekken van gegevens, een grotere afdwingbaarheid van
de bevelen op grond van de verordening e-Evidence in de richting van bedrijven, mede
door de extraterritoriale werking ten aanzien van bedrijven die in de EU diensten
aanbieden maar daar niet zijn gevestigd en efficiëntere, gedigitaliseerde, communicatie
over de bevelen. In de impactanalyse is daarom aangenomen dat zich een verplaatsingseffect
zal voordoen. Minder rechtshulpverzoeken, Europese onderzoeksbevelen en verzoeken
op basis van artikel 35 van het Cybercrimeverdrag en meer e-Evidencebevelen. Bij de
e-Evidencebevelen die zullen worden gericht aan in Nederland gevestigde of vertegenwoordigde
bedrijven (de inkomende bevelen) valt een deel van het werk van politie en OM weg
omdat de bevelen rechtstreeks naar de bedrijven gaan. Bij de uitgaande bevelen zal
het werk bij politie en OM niet zozeer vervallen, maar zal de capaciteit kunnen worden
ingezet die vrij komt door het initieel minder belastende proces van e-Evidencebevelen,
en zal er sprake zijn van het hiervoor genoemde verplaatsingseffect. Wel zal sprake
zijn van extra impact als gevolg van de notificaties in het geval een justitiële autoriteit
van een andere lidstaat een bevel uitvaardigt aan een in Nederland gevestigd of vertegenwoordigd
bedrijf en dat bevel betrekking heeft op verkeers- en/of inhoudelijke gegevens. Deskundigen
merken daarbij op dat zij verwachten dat gelet op de uitzonderingsgronden waarbij
geen notificatie is vereist, met name de gevallen waarin het in het onderzoek naar
een concreet strafbaar feit gaat om een in het uitvaardigende land gepleegd feit en/of
de verdachte onderdaan is of verblijft in die uitvaardigende lidstaat, het aantal
notificaties een relatief kleiner deel van het totaal zal omvatten. Ten slotte is
vanwege de steeds grotere toename van het aantal strafbare feiten waarin digitaal
bewijs een rol speelt, een mogelijk aanzuigende werking van het e-Evidencepakket aangenomen,
in uitgaande bevelen, als ook in inkomende bevelen.
In de impactanalyse zijn op basis van de beschikbare gegevens over de huidige rechtshulpprocessen
scenario’s (laag, midden, hoog) ontwikkeld waarmee een schatting is gedaan over de
impact op de werklast bij politie en OM. Het middenscenario werd uiteindelijk als
meest waarschijnlijk geduid. Daarin sprake van vermindering van werklast bij de politie
en beperkte toename bij het OM. Vanwege de beschikbare basisgegevens over de werklast
bij de ZM in de huidige rechtshulp was het niet mogelijk daar een schatting te doen
over verandering van de last. De ZM gaf in de begeleiding van het impactonderzoek
aan geen grote impact te verwachten.
Overigens bezien OM en de politie nu al op basis van de verder gevorderde implementatieactiviteiten
of de inzichten over de impact scherper kunnen worden gesteld. Evenwel blijft de verwachting
staan dat het e-Evidence pakket in principe een efficiënter werkproces zal opleveren
waarmee de doorlooptijd (sterk) afneemt, maar dat dit niet per se tot een verminderde
werkdruk zal leiden. In het begin zal dit met name liggen aan het opdoen van ervaring
met het nieuwe werkproces en de automatisering. Naar verloop van tijd, wanneer deze
ervaring wel is opgedaan, is de verwachting dat er meer bevelen kunnen worden uitgestuurd
dan nu gebeurt onder het klassieke rechtshulpstelsel. Omdat e-Evidence ervoor zorgt
dat meer bedrijven dan voorheen rechtstreeks benaderbaar zijn, zal het aantal kansen
voor de opsporing ook toenemen. Hierbij dient vermeld te worden dat de snelheid van
reactie leidt tot het eerder beschikbaar komen van relevante opsporingsinformatie,
wat tot meer opsporingskansen kan leiden. Meer relevante informatie kan ook leiden
tot meer specifieke of uitgebreidere rechtshulpverzoeken. Bovenstaande effecten die
leiden tot meer opsporingskansen kunnen vervolgens voor een hogere werkdruk zorgen.
Bij de eerdere impactanalyse is de aanbeveling gedaan om vanaf de inwerkingtreding
de volumes van het Europees verstrekkings- en bewaringsbevel te meten zodat zicht
komt op daadwerkelijke veranderingen in de werkprocessen en de werklast. Deze aanbeveling
heb ik overgenomen. Op basis hiervan kan worden bekeken of de processen en IT-systemen
moeten worden aangepast en of er voldoende menskracht beschikbaar is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat in het kader van onderlinge rechtshulp
binnen de EU tot nu toe het uitgangspunt van dubbele strafbaarheid geldt. De aan het
woord zijnde leden zouden niet graag zien dat een justitiële autoriteit uit een land
waar bijvoorbeeld euthanasie of abortus wordt vervolgd met behulp van in Nederland
verkregen digitale gegevens iemand zou kunnen vervolgen. Of dat een officier van justitie
uit een uitvaardigende lidstaat waar de rechtsstaat onder druk staat met behulp van
uit Nederland verkregen gegevens een politieke tegenstander kan vervolgen. Deelt de
regering deze mening? Zo ja, welke waarborgen gelden er om te voorkomen dat het Europees
verstrekkingsbevel/bewaringsbevel voor dergelijke doelen wordt gebruikt? Zo nee, waarom
deelt de regering deze mening niet?
Op basis van de e-Evidence verordening is een dienstaanbieder gehouden om gehoor te
geven aan een Europees verstrekkingsbevel, behoudens de in de verordening aangegeven
gevallen. Verder kan de uitvoering van een verstrekkingsbevel alleen worden geweigerd
in de gevallen dat een beroep kan worden gedaan op een weigeringsgrond. Het ontbreken
van strafbaarheid in de tenuitvoerleggende lidstaat is één van die weigeringsgronden.
In de meeste EU landen zijn euthanasie en abortus strafbaar. En overigens ook in Nederland.
Euthanasie en abortus zijn in Nederland alleen niet strafbaar indien deze zijn begaan
door een arts en is voldaan aan wettelijke zorgvuldigheidseisen. Op de reikwijdte
van de weigeringsgrond inzake dubbele strafbaarheid ga ik nader in bij de beantwoording
van de hierna volgende vraag van deze leden.
Andere weigeringsgronden houden verband met de beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid
die verband houden met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere
media en de mogelijkheid van een kennelijke schending van een relevant grondrecht
als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het EU
Handvest. Ik wijs in dit verband ook op overweging 11 van de verordening die luidt:
«Niets in deze verordening mag worden uitgelegd als een verbod voor een tenuitvoerleggingsautoriteit
een Europees verstrekkingsbevel te weigeren wanneer er redenen bestaan om op basis
van objectieve elementen aan te nemen dat het Europees verstrekkingsbevel is uitgevaardigd
om iemand te vervolgen of te bestraffen vanwege het gender, het ras of de etnische
afkomst, de godsdienst, de seksuele geaardheid of genderidentiteit, de nationaliteit,
de taal of politieke overtuigingen van die persoon, of dat de positie van die persoon
om een van die redenen kan worden aangetast.»
Het is aan de officier van justitie – als de op grond van het onderhavige wetsvoorstel
aangewezen tenuitvoerleggingsautoriteit – om te beoordelen of een beroep moet worden
gedaan op een weigeringsgrond. Indien dat het geval is, wordt geen uitvoering gegeven
aan het Europees verstrekkingsbevel en worden dientengevolge door de dienstaanbieder
geen gegevens verstrekt.
Het is in het licht van het voorgaande niet aan de regering om in te gaan op allerlei
verschillende casusposities die zich zouden kunnen voordoen en mogelijke gevallen
waarin een Nederlandse tenuitvoerleggingsautoriteit een beslissing moet nemen over
een beroep op een weigeringsgrond.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tevens in welke mate de voorwaarde
van dubbele strafbaarheid ook gaat gelden voor het Europees verstrekkingsbevel en
het Europees bewaringsbevel. Hoe moeten deze leden in dit verband de voorwaarde dat
een Europees verstrekkingsbevel/bewaringsbevel slechts kan worden uitgevaardigd indien
een soortgelijk bevel zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijk nationaal geval
(artikelen 5 en 6 van Verordening 2023/1543) lezen? En tevens in dit verband: deze
leden lezen dat aan het opvragen van elektronisch bewijsmateriaal betreffende verkeersgegevens
en inhoudelijke gegevens restricties zijn verbonden waaronder dat voor de uitvaardiging
van een Europees verstrekkingsbevel voor dit soort gegevens de tenuitvoerleggingsautoriteit,
in Nederland de officier van justitie, verplicht in kennis moet worden gesteld. Die
officier van justitie kan vervolgens toetsen of er sprake is van een weigeringsgrond
op grond waarvan de gevraagde gegevens niet hoeven te worden verstrekt. Een van die
weigeringsgronden is als een feit niet strafbaar is in de tenuitvoerleggingsstaat,
tenzij het om een van de 32 ernstige misdrijven gaat zoals vermeld in bijlage IV van
Verordening 2023/1543. Betekent dat dat in het geval het niet om een van die 32 misdrijven
gaat, de Nederlandse officier van justitie geen mogelijkheid heeft om een bevel te
toetsen? En, zo vragen de aan het woord zijnde leden, is er als het om abonneegegevens
en identificerende gegevens gaat helemaal geen mogelijkheid dat er in de uitvoerende
staat een toets plaats kan vinden? Met andere woorden: als er vanuit een lidstaat
aan een Nederlandse dienstaanbieder om dergelijke informatie wordt gevraagd is die
direct gehouden daaraan tegemoet te komen zonder mogelijkheid van bezwaar of beroep
in eigen land? Klopt het dat in het geval een dienstaanbieder bezwaar wil maken tegen
het verstrekken van de gevraagde abonnee- of identificerende gegevens die aanbieder
alleen bezwaar dan wel beroep kan aantekenen bij een autoriteit van het uitvaardigende
land?
De voorwaarde dat een verstrekkingsbevel/bewaringsbevel slechts kan worden uitgevaardigd
indien een soortgelijk bevel zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijk nationaal
geval moet als volgt worden begrepen in relatie tot dubbele strafbaarheid. Op grond
van de e-Evidence verordening kunnen verstrekkingsbevelen en bewaringsbevelen uitsluitend
in het kader van de toepassing van het strafrecht worden uitgevaardigd. Wordt een
bevel uitgevaardigd ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek dan zal sprake moeten
zijn van de verdenking van een strafbaar feit. Een bevel kan niet worden uitgevaardigd
als in de uitvaardigende lidstaat geen sprake is van een strafbaar feit. Algemeen
bekend is dat binnen de EU veel dezelfde of vergelijkbare feiten strafbaar zijn gesteld.
Niettemin is het denkbaar dat een feit in de ene lidstaat wel en in de andere lidstaat
niet strafbaar is gesteld. In algemene zin geldt in EU-wetgeving betreffende de wederzijdse
erkenning in strafzaken dat met betrekking tot de zogenaamde lijstfeiten dubbele strafbaarheid
geen voorwaarde is. Dat wil zeggen dat het ontbreken van strafbaarheid in de uitvoerende
lidstaat geen reden is om een uitgevaardigd bevel niet uit te voeren. In de e-Evidence
verordening is deze gebruikelijk regeling ook opgenomen. Op grond van artikel 12 van
de verordening kan in de aldaar bedoelde gevallen de tenuitvoerlegging van een verstrekkingsbevel
worden geweigerd indien het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd op grond van
het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar is. Deze weigeringsgrond geldt
echter niet indien het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd een feit is dat op
de lijst staat van bijlage IV bij de verordening en waarop in de uitvaardigende staat
een strafmaximum van ten minste drie jaar gevangenisstraf is gesteld. Het gaat bij
deze zogenaamde lijstfeiten om de gebruikelijke strafbare feiten in de EU-wetgeving.
Over het algemeen zijn deze feiten in alle lidstaten strafbaar gesteld. Hoewel voor
deze feiten dus niet de voorwaarde van dubbele strafbaarheid geldt, is in de praktijk
in de regel wel sprake van strafbaarheid in beide betrokken lidstaten.
Indien een verstrekkingsbevel wordt uitgevaardigd voor een strafbaar feit dat in de
uitvoerende lidstaat niet strafbaar is en dit strafbare feit staat niet op de lijst
van bijlage IV bij de verordening, dan kan de officier van justitie de uitvoering
van het bevel om die reden weigeren. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de verordening
is de dienstaanbieder dan gehouden de uitvoering van het verstrekkingsbevel te beëindigen
en de gegevens niet over te dragen en is de uitvaardigende autoriteit gehouden het
bevel in te trekken.
De mogelijkheid om de uitvoering van een verstrekkingsbevel te weigeren op grond van
artikel 12 van de verordening in verband met het ontbreken van strafbaarheid in de
uitvoerende lidstaat bestaat in de gevallen waarin het voor de uitvaardigende autoriteit
op grond van artikel 8 van de verordening is aangewezen om een kennisgeving te doen
aan de tenuitvoerleggingsautoriteit. Dat is in de gevallen waarin het bevel dient
om (bepaalde) verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens te verkrijgen. Indien het
bevel ertoe strekt om andere gegevens te verkrijgen, zoals abonneegegevens en de gebruiker
identificerende gegevens, vindt geen kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit
plaats en kan ook geen beroep worden gedaan op de weigeringsgronden van artikel 12
van de verordening, waaronder het ontbreken van strafbaarheid in de uitvoerende lidstaat.
Wel voorziet de verordening in de zogenaamde tenuitvoerleggingsprocedure (artikel
16). Deze houdt in dat de uitvaardigende autoriteit de tenuitvoerleggende autoriteit
kan verzoeken het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel ten uitvoer
te leggen, indien de geadresseerde dienstaanbieder niet binnen de toepasselijke termijn
zonder opgaaf van redenen gevolg heeft gegeven aan het bevel en de tenuitvoerleggende
autoriteit (nog) geen weigeringsgronden heeft aangevoerd. De tenuitvoerleggende autoriteit
kan vervolgens een beroep doen op de weigeringsgronden die in artikel 16, vierde en
vijfde lid, van de verordening zijn opgenomen. Het gaat daarbij onder meer om de volgende
weigeringsgronden: het is feitelijk onmogelijk om het bevel na te leven, de gevraagde
gegevens worden beschermd door voorrechten of immuniteiten, de gevraagde gegevens
vallen onder regels inzake de vaststelling of beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid
die verband houden met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere
media, er zijn gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het Europees
verstrekkingsbevel een kennelijke schending van een relevant grondrecht als bedoeld
in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het EU Handvest zou
inhouden. Op grond van het onderhavige wetsvoorstel beslist de officier van justitie
over de tenuitvoerlegging van het bevel. Indien de officier geen beroep doet op een
weigeringsgrond, beveelt hij de geadresseerde zijn verplichtingen uit hoofde van het
bevel na te komen. Tegen de erkenning van het bevel kan de geadresseerde binnen twee
weken na daarover in kennis te zijn gesteld nog bezwaar instellen bij de officier
van justitie.
Op grond van artikel 18 van de verordening heeft iedere persoon wiens gegevens via
een Europees verstrekkingsbevel werden gevraagd het recht op doeltreffende rechtsmiddelen
tegen dat bevel. Indien die persoon een verdachte of beklaagde is, heeft die persoon
het recht op doeltreffende rechtsmiddelen tijdens de strafprocedure waarin de gegevens
worden gebruikt. Met de mogelijkheid van beklag op grond van de artikelen 552a en
552d van het Wetboek van Strafvordering, zoals neergelegd in het nieuwe artikel 5.11.6,
tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zoals voorzien in het onderhavige
wetsvoorstel, wordt voorts in een passend rechtsmiddel voorzien. Op het beklag wordt
beslist door de raadkamer van de rechtbank. Tegen die beslissing staat beroep in cassatie
open bij de Hoge Raad.
Daarnaast kan het gebruik van gegevens die door middel van een Europees verstrekkingsbevel
zijn verkregen, bij de inhoudelijk behandeling van de strafzaak door de verdachte
aan de orde worden gesteld, zodat de strafrechter zich daarover kan uitspreken.
Hoe verhoudt de rechtsbescherming in het geval van een Europees verstrekkingsbevel
of bewaringsbevel zich tot de rechtsmiddelen die open staan bij de uitvoering of uitvaardiging
van een Europees opsporingsbevel, bijvoorbeeld als het om een toetsende rol van de
rechter(-commissaris) gaat, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. En aanvullend: hoe
gaat de rechtsbescherming, bijvoorbeeld ten aanzien van proportionaliteit en de rechten
van betrokkenen, in de praktijk werken? Welke concrete mogelijkheden zijn er om op
basis van deze gronden geen gegevens te verstrekken of te bewaren?
De rechtsbescherming in het geval van een Europees verstrekkingsbevel of bewaringsbevel
is op vergelijkbare manier vormgegeven als de rechtsbescherming in het geval van een
Europees onderzoeksbevel. Dit houdt in dat de beklagprocedure van artikel 552a Sv
als een belangrijk rechtsmiddel geldt.
Wel is het zo dat een Europees onderzoeksbevel betrekking kan hebben op een grote
variëteit aan onderzoekshandelingen, terwijl een Europees verstrekkingsbevel of bewaringsbevel
enkel ziet op het verkrijgen van abonneegegevens, verkeersgegevens en inhoudelijke
gegevens ter zake van elektronische communicatie en andere diensten als bedoeld in
artikel 3, onderdeel 3, van de verordening. Ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel
kunnen opsporingsbevoegdheden worden toegepast onder dezelfde voorwaarden waaronder
deze kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond
van het Wetboek van Strafvordering. Dit houdt in dat in voorkomend geval ook een machtiging
van de rechter-commissaris moet worden verkregen. Voorts kan de rechter-commissaris
zelf worden belast met de uitvoering van een onderzoeksbevel.
Voor alle genoemde bevelen geldt dat de uitvoering van een bevel alleen kan worden
geweigerd op de gronden en in de gevallen die zijn voorzien in de toepasselijke EU-regelgeving.
Voor zowel het Europees verstrekkingsbevel of bewaringsbevel als het Europees onderzoeksbevel
is één van die weigeringsgronden dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat
de uitvoering van het bevel een kennelijke schending van een relevant grondrecht als
bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het EU Handvest
van de grondrechten zou opleveren. In een dergelijk geval is het dus mogelijk om ter
bescherming van de rechten van de betrokkene geen gegevens te verstrekken of te bewaren.
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de hoofdlijnen van het wetsvoorstel.
Daarbij wordt er ook een onderscheid gemaakt tussen de typen gegevens en de waarborgen
die daaraan verbonden zijn: voor abonnee- of identificerende gegevens is er geen kennisgeving
of tussenkomst van een officier van justitie of rechter-commissaris verplicht. Bij
verkeers- en inhoudelijke gegevens is een machtiging van de rechter-commissaris vereist.
Vooral de uitwerking in de praktijk van deze aspecten van de Verordening roepen enkele
vragen op bij deze leden. Hoe verhouden de vorderingen voor verstrekking of bewaring
van gegevens door een officier van justitie zonder tussenkomst van rechters zich tot
het evenredigheidsbeginsel, effectieve rechtsbescherming en het recht op een eerlijk
proces ten opzichte van partijen die enkel in Nederland gevestigd zijn? Als er geen
tussenkomst is van een rechter in bepaalde gevallen, hoe kan dan van de geadresseerde
verwacht worden dat er een gedegen controle komt op het «ne bis in idem»-beginsel
en tegenstrijdige verplichtingen in de betreffende lidstaat of derde landen? En gezien,
de geadresseerde in sommige gevallen vorderingen ontvangt zonder rechterlijke toetsing
en direct benaderd wordt door (het buitenlandse equivalent van) de officier van justitie:
hoe kan de geadresseerde dan zelf toetsen of voldoen aan de vordering feitelijk onmogelijk
is, of dat weigering gegrond is? Hoe verhoudt zich dat tot het recht op een eerlijk
proces en tot de geldboetes en andere straffen voor niet tijdig voorzien in verstrekking/bewaring?
In de e-Evidence verordening wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën
van gegevens, nl. abonneegegevens, verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens. Dit
strookt met het recht van veel lidstaten, het Unierecht en de rechtspraak van het
Hof van Justitie. Op basis van dit onderscheid is een toetsende rol voor de rechter
wel of niet voorgeschreven. Indien een Europees verstrekkingsbevel strekt tot het
verkrijgen van verkeersgegevens (met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden
opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker) of inhoudelijke gegevens
moet het bevel worden bekrachtigd door een rechter, rechtbank of onderzoeksrechter
(artikel 4, tweede lid, van de verordening). In Nederland betekent dit dan een machtiging
van de rechter-commissaris.
Er kan daarom van worden uitgegaan dat de regeling in de verordening en uitvoering
in het onderhavige wetvoorstel voldoet aan de eisen in de jurisprudentie betreffende
onder meer het evenredigheidsbeginsel, effectieve rechtsbescherming en het recht op
een eerlijk proces. Eisen waaraan alle lidstaten van de EU moeten voldoen in het licht
van het primaire en secundaire EU-recht.
Wat betreft de controle op het «ne bis in idem»-beginsel merk ik het volgende op.
Het is in de eerste plaats aan de uitvaardigende autoriteit om te controleren dat
er geen redenen zijn om aan te nemen dat het uitvaardigen van een Europees verstrekkingsbevel
of bewaringsbevel strijdig zou zijn met het ne bis in idem-beginsel. Indien de uitvaardigende
autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat in een andere lidstaat mogelijk een parallelle
strafprocedure wordt gevoerd, is zij gehouden de autoriteiten van die lidstaat te
raadplegen (overeenkomstig EU-kaderbesluit 2009/948/JBZ dat ziet op het voorkomen
en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht in strafprocedures).
Wordt na deze controle een bevel uitgevaardigd dan is het vervolgens niet aan de geadresseerde
(dienstaanbieder) om te toetsen aan het ne bis in idem-beginsel – die beschikt immers
niet over de daartoe benodigde informatie – maar aan de tenuitvoerleggingsautoriteit
in het kader van een mogelijk beroep op een weigeringsgrond. Voorts merk ik nog op
dat ook de strafrechter in het kader van de behandeling van de strafzaak kan beoordelen
of sprake is van respectering van het ne bis in idem-beginsel.
Voor het geval dat er sprake is van tegenstrijdige verplichtingen voorziet de verordening
in een toetsingsprocedure bij de rechter (artikel 17). Het gaat dan om de situatie
dat een geadresseerde van mening is dat de naleving van een Europees verstrekkingsbevel
in strijd zou zijn met een verplichting uit hoofde van het toepasselijke recht van
een derde land. De geadresseerde kan dan zijn mening dat er sprake is van tegenstrijdige
verplichtingen uiteenzetten in een zogenaamd gemotiveerd bezwaar. De uitvaardigende
autoriteit moet vervolgens het Europees verstrekkingsbevel aan de hand van het gemotiveerde
bezwaar toetsen en eventuele inbreng van de tenuitvoerleggingsstaat. Indien de uitvaardigende
autoriteit voornemens is het Europees verstrekkingsbevel in stand te houden, moet
zij een bevoegde rechter van de uitvaardigende staat verzoeken om een toetsing. De
uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel wordt opgeschort in afwachting van
de voltooiing van de toetsingsprocedure. In Nederland zijn op grond van het onderhavige
wetsvoorstel de rechtbanken bevoegd om te beslissen in de toetsingsprocedure.
De vaststelling dat het feitelijk onmogelijk is een bevel uit te voeren kan wel door
de geadresseerde (dienstaanbieder) worden gedaan. Het gaat hierbij, zoals hierboven
aangegeven in antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie, bijvoorbeeld
om gevallen waarin de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd geen klant is van de
dienstaanbieder of de dienstaanbieder niet over de gevorderde gegevens beschikt, omdat
de gegevens niet meer worden bewaard (op grond van de door de dienstaanbieder gehanteerde
termijn voor het bewaren van gegevens).
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering aangeeft niet aan de kritiekpunten
van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de «fundamentele
kritiekpunten over rechtsbescherming en de systematiek van directe grensoverschrijdende
bevelen» tegemoet te kunnen komen omdat deze punten voortvloeien uit bindende regelgeving.
Dat klinkt deze leden wat tegenstrijdig in de oren. De punten waar meer fundamentele
kritiek op is gegeven op het gebied van rechtsbescherming en systematiek van directe
grensoverschrijdende bevelen zijn de basis waarop deze wet berust en gaan over grondrechten
van betrokkenen. Het betreft bij de kritiekpunten over rechtsbescherming en de systematiek
van grensoverschrijdende bevelen onder anderen: de beperkte rol van zowel Nederlandse
als buitenlandse rechters bij binnenkomende en uitgaande bevelen, de positie van dienstaanbieders,
de bescherming van de gegevens die uitgewisseld worden en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
van de wet. Kan de regering meer context geven bij de (on)mogelijkheden van het tegemoetkomen
aan de deze kritiek en hoe de rechtsbeginselen die in het geding zijn onder de Europese
verordening worden geborgd? Gaat het hier om dwingend EU-recht, en hoe verhoudt zich
dat tot de mogelijk verzwakte rechtspositie van betrokkenen? Zou de regering aan kunnen
geven waar zij mogelijkheden ziet waarop de wet wél ingevoerd kan worden zonder mogelijk
de rechtspositie van betrokkenen te schaden?
De regering heeft in het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over
het onderhavige wetsvoorstel niet de fundamentele kritiekpunten over rechtsbescherming
kunnen vinden waar de leden van de D66-fractie naar verwijzen. Er is ook geen sprake
van dat de regering niet aan de punten in het advies van de Raad van State tegemoet
is gekomen. Zowel aan het advies inzake rechtspersoonlijkheid van dienstaanbieders
als het advies over de bevoegdheden van de ACM is tegemoet gekomen.
Ik merk hierbij op dat de e-Evidence verordening op verschillende manieren in rechtsbescherming
voorziet (door betrokkenheid van rechters voor te schrijven en door te verplichten
tot effectieve rechtsmiddelen). In het onderhavige wetsvoorstel is daaraan uitvoering
gegeven.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel onder andere een nieuwe
titel van het vijfde boek van het Wetboek van Strafvordering introduceert. Deze leden
vragen hoe de uitvoeringswet zich verhoudt tot het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Worden de bevoegdheden uit de uitvoeringswet direct en beleidsneutraal overgezet via
de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek of via de invoeringswet van het nieuwe
Wetboek?
De wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering waarin het onderhavige wetsvoorstel
voorziet zullen deel uitmaken van de invoeringswet voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Daarbij wordt de regeling in het onderhavige wetsvoorstel beleidsneutraal overgezet
naar het nieuwe wetboek.
4. Uitvoering
De leden van de D66-fractie hebben de volgende vragen en opmerkingen met betrekking
tot de uitvoering. Opgemerkt wordt door NLconnect, dat het beoogde systeem voor het
delen van de gegevens in kwestie het Reference Implementation Systeem betreft. Dat
systeem voldoet niet aan alle Nederlandse standaarden voor systemen voor dit soort
gegevensdeling. Heeft de regering alternatieven verkend of gekeken hoe de vereisten
om aan Nederlandse standaarden te voldoen toegepast kunnen worden op het Reference
Implementation Systeem? Hoe reflecteert de regering breder op de zorgen die bij deze
branche leven?
In de triloogfase van het wetgevingsproces voor het e-Evidence pakket is op instigatie
van het Europees Parlement in het wetsvoorstel ingevoegd dat het nieuw in te voeren
rechtshulpinstrument direct ook zou moeten voldoen aan de toen parallel in onderhandeling
zijnde digitaliseringsverordening (Verordening (EU) 2023/2844). Dat is neergelegd
in artikel 19 van de verordening. Lidstaten hebben de opdracht aangewezen vestigingen
of wettelijke vertegenwoordigers van in de lidstaat gevestigde of vertegenwoordigde
bedrijven via hun nationale IT-systeem toegang te verlenen tot het EU gedecentraliseerd
IT-systeem. Artikel 22 geeft aan de Europese Commissie zogenoemde reference implementation software zal creëren, onderhouden en beheren en dat lidstaten die software kunnen gebruiken
in plaats van een nationaal systeem.
Vanwege eerdere ervaringen met dergelijke software bij het implementeren van de Verordening
(EU) 2020/1784 inzake de betekening en de kennisgeving van stukken en met het oog
op de implementatie van de e-Justice verordening, die meer dan twintig instrumenten
op het terrein van de justitiële samenwerking in grensoverschrijdende burgerlijke,
handels- en strafzaken tot 2030 digitaliseert, heeft Nederland een voorkeur voor het
zelf ontwikkelen van een nationaal IT-systeem als «back-end» voor het EU gedecentraliseerd
IT-systeem. Vooralsnog is Nederland de enige lidstaat die werkt aan een eigen nationaal
IT-systeem. De ontwikkeling van en bekendmaking van voldoende specificaties om zelf
een nationaal systeem te maken lopen moeizaam en duren erg lang. Met moeite wordt
nu gewerkt aan een nationaal systeem (portaal) dat als back end voor het EU gedecentraliseerd
IT systeem kan werken voor de justitiële autoriteiten. Eind februari is geconstateerd
dat een nationaal IT-systeem als back end voor bedrijven echter niet meer haalbaar
was gelet op de planning van het in gebruik nemen van dat systeem bij de inwerkingtreding
van de verordening op 18 augustus 2026. Als alternatief is ervoor gekozen dan vooralsnog
voor dit portaal de reference implementation software te gebruiken. Overigens is er op het moment van het schrijven van dit antwoord nog
geen reference implementation software die geschikt is voor e-Evidence. De Europese Commissie heeft een beoogde productieversie
aangekondigd voor deze maand (mei 2026).
De branche die door NLconnect wordt vertegenwoordigd kwam in het voorjaar van 2026
met een notitie dat de reference implementation software niet voldoet aan alle Nederlandse standaarden voor systemen voor dit soort gegevensdeling.
Er wordt met name gewezen op EU eisen ten aanzien van cybersecurity en de nationale
uitwerking daarvan. Van de Europese Commissie heb ik begrepen dat die strijdigheid
niet wordt gezien en van andere lidstaten zijn deze geluiden ook niet gehoord.
Waar dat kon, heeft mijn ministerie bedrijven via informatiesessies, nieuwsbrieven,
en andere contacten zoveel mogelijk meegenomen in de implementatie van het e-Evidencepakket.
Daarbij was het een grote handicap dat niet of pas heel laat meer concrete specificaties
over het systeem gedeeld konden worden. Daarom begrijp ik de zorgen van de branche
zeer zeker, herken ik ze en erken ik ze op onderdelen. Ik blijf mij inspannen om zodanig
met de branche en overigens ook de vele andere branches die onder reikwijdte van het
e-Evidencepakket vallen, zo goed mogelijk te informeren en waar ik dat kan te ondersteunen.
Ik realiseer mij daarbij terdege dat de tijd die rest tot augustus 2026 heel kort
is.
Het streven van de regering is erop gericht dat het onderhavige wetsvoorstel zo snel
mogelijk de instemming van de Tweede Kamer en vervolgens de Eerste Kamer kan krijgen.
Wanneer dat het geval is, zal moeten worden vastgesteld wanneer de inwerkingtreding
ervan met het oog op een goede uitvoering verantwoord is.
De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat NLconnect aangeeft dat er grote zorgen
en vragen zijn over implementatie. Hoe kan verzekerd worden dat geadresseerden voorzien
worden in hun recht op een eerlijk proces als randvoorwaarden voor goede uitvoer nog
niet in werking zijn, maar er wel al gehandhaafd wordt?
De brancheorganisatie NLconnect heeft ook bij mij haar zorgen en vragen aangegeven.
Ik begrijp deze zorgen en de vragen, erken ze op onderdelen en blijf mij inspannen
om zodanig met de branche en overigens ook de vele andere branches die onder de reikwijdte
van het e-Evidencepakket vallen, zo goed mogelijk te informeren en waar ik dat kan
te ondersteunen.
Als ik de vraagstelling goed begrijp, gaat die ervan uit dat de bedrijven vanaf augustus
2026 met handhavende acties vanuit de toezichthouder of vanuit de justitiële autoriteiten
kunnen worden geconfronteerd op basis van de artikelen 5 van de richtlijn en 15 van
de verordening, terwijl de bedrijven er vanwege niet aan hen toe te rekenen omstandigheden
nog niet klaar voor zijn om via de verplicht voorgeschreven digitale wijze te communiceren
over e-Evidence bevelen. Dat niet klaar zijn, kan eruit bestaan dat de registratie
van in Nederland gevestigde of vertegenwoordigde bedrijven nog niet rond is en uitgaande
bevelen daarom nog niet via het EU gedecentraliseerd IT-systeem aan hen kunnen worden
geadresseerd. Deels komt dit doordat er voor de ACM geen rechtsgrondslag is voor toezicht
en handhaving zolang de onderhavige uitvoeringswet nog niet in werking is getreden.
Een en ander betekent dat bedrijven zich op dit moment wel kunnen aanmelden voor registratie,
maar dat het registratieproces nog niet afgerond kan worden. Dit valt de bedrijven
niet aan te rekenen. In de praktijk zal dat betekenen dat een EU lidstaat geen e-Evidence
bevel kan uitsturen naar het bedrijf en zal daardoor ook niet kunnen worden toegekomen
aan het opleggen van een sanctie.
Andere belangrijke redenen dat bedrijven, maar ook de Nederlandse overheid, niet klaar
zijn voor communicatie via de verplicht voorgeschreven digitale wijze, zijn de complexe
en uit de planning gelopen voorbereidingen voor het in werking krijgen van het EU
gedecentraliseerd IT-systeem, te laat kunnen beschikken over specificaties die het
mogelijk maken dat de Nederlandse overheid bedrijven toegang kan verlenen tot een
werkend IT-systeem en dat de bedrijven een redelijke termijn nodig hebben om hun eigen
bedrijfsprocessen zodanig in te richten dat zij met behulp van het IT-systeem bevelen
kunnen ontvangen en behandelen om uiteindelijk gegevens te verstrekken. Sinds enkele
maanden is duidelijk geworden dat de beschikbare termijn in redelijkheid niet meer
kan worden gehaald. De betrokken dienstaanbieders kan dit niet worden aangerekend.
Handhaving vanuit de toezichthouder – zelfs indien dit wetsvoorstel dan in werking
is getreden – kan daarom niet aan de orde zijn.
Het ligt voor de hand dat als dit op grote schaal gebeurt omdat een groot deel of
zelfs de gehele in Nederland gevestigde of vertegenwoordigde industrie niet is geregistreerd,
andere lidstaten Nederland daarop politiek via mij aanspreken. Naast het bovenstaande
zal ik dan aangegeven dat vanwege de complexe inrichtingsvragen voor dit nieuwe systeem
pas in een later stadium dan initieel gepland een geschikte toezichthouder is bevonden,
en dat het voor de justitiële autoriteiten moeizamer was dan initieel gedacht om de
op basis van de verordening te onderscheiden werkstromen op een goede manier in te
passen in de bestaande uitvoeringspraktijk. Dit alles heeft ook geleid tot vertraging
in het wetgevingsproces.
Ik heb de ACM meegegeven dat, wanneer de rechtsgrondslag er wel is, de niet aan de
industrie toe te rekenen omstandigheden waardoor zij nog niet klaar zijn om e-Evidence
bevelen uit te voeren, niet zouden moeten leiden tot het opleggen van boetes.
Het vorenstaande is door mijn ministerie ook verschillende keren gedeeld met medewerkers
van de Europese Commissie. Mijn beeld is dat de Commissie deze punten op zichzelf
uitlegbaar vindt. Verder erkent de Commissie dat er nogal wat andere lidstaten dezelfde
problemen bij implementatie ondervinden en hun zorgen uiten niet op tijd klaar te
zijn. Niettemin wil de Commissie vasthouden aan de in de verordening neergelegde datum
voor inwerkingtreding die ingebruikname per 18 augustus 2026 voorschrijft. Voor de
Commissie is vooral van belang het momentum om op korte termijn tot uitvoering van
e-Evidence te komen en daarmee bij te dragen aan een effectievere opsporing van strafbare
feiten ten behoeve van de veiligheid van burgers en bedrijven in de EU. Volgens de
Commissie zal de realiteit in het najaar mogelijk zijn dat een groep van 5 à 6 lidstaten
wel klaar is voor inwerkingtreding en dat de andere landen later en gaandeweg zullen
aansluiten. Van Nederlands zijde is daarop aangegeven dat dat moeilijk werkbaar en
uitvoerbaar zal zijn. De Commissie wil nader overleg voeren om de uitvoerbaarheid
van een dergelijke gefaseerde invoering van e-Evidence te vergroten.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de verdere gevolgen van de wijze waarop het
wetsvoorstel wordt uitgevoerd voor de regeldruk en administratieve lastendruk voor
bedrijven. Deze leden constateren dat sommige lidstaten ervoor kiezen om bedrijven
eerst te waarschuwen en hulp te bieden bij het inrichten van de wettelijk vertegenwoordiger,
voordat er mogelijk miljoenenboetes worden opgelegd. Hoe kijkt de regering hiernaar?
Ten aanzien van het inrichten van de wettelijke vertegenwoordiger is in Nederland
de ACM de beoogde toezichthouder. De ACM zal bij het mogelijk opleggen van boetes
de gebruikelijke bestuursrechtelijke aanpak hanteren, die mede kan inhouden dat de
ACM met een waarschuwing, via een gesprek of een formele brief, een bedrijf verzoekt
zijn handelwijze aan te passen.
Naast de hierboven al genoemde, in het voorjaar van 2024 uitgevoerde nadere impactanalyse
voor de justitieketen is ook onderzocht welke effecten de Europese e-Evidence verordening
en -richtlijn gaan hebben op de regeldruk van Nederlandse dienstenaanbieders. Tijdens
zowel inventariserende interviews als bij georganiseerde groepsbijeenkomsten brachten
de grotere dienstenaanbieders ter sprake (op dat moment) geen uitspraken te kunnen
doen over de verwachte impact die e-Evidence op hun bedrijfsvoering en werkwijze heeft.
Ze gaven aan dat dit voor hen niet goed mogelijk is vanwege de grote mate van onzekerheid
rondom de exacte uitwerking van e-Evidence die zij ervoeren. Over de werkwijzen van
grote telecomaanbieders voor de afhandeling van een verzoek in de huidige situatie
werd meegedeeld dat die dusdanig uiteenlopend zijn (van grotendeels geautomatiseerd
tot «handmatige verwerking» en maatwerk) dat de aanbieders geen uitspraak kunnen of
willen doen over het verwachte tijdsbeslag. Met de kleinere dienstenaanbieders is
het wel gelukt om een tijdsinschatting voor een «eenvoudig» verzoek te bepalen, evenals
een laag-midden-hoog schatting voor de meer ingewikkelde verzoeken. Het volume van
verzoeken in de huidige en de toekomstige situatie is in dit regeldrukonderzoek gebaseerd
op het onderzoek dat is verricht voor de impactanalyse van werkprocessen bij OM en
politie.
Uit een uiteindelijke doorrekening blijkt dat de regeldruk als gevolg van e-Evidence
wordt ingeschat op € 540.000 tot ongeveer € 2.160.000 in 2026 voor geheel Nederland.
Deze bedragen zijn weergegeven op het verwachte prijspeil in 2026.
Al tijdens de onderhandelingen van het voorstel heeft Nederland sterk aangedrongen
op een zekere bescherming van met name kleine en middelgrote ondernemingen. Mede als
gevolg daarvan is in de verordening opgenomen dat dergelijke bedrijven gezamenlijk
kunnen «poolen» in het organiseren van hetgeen nodig is om als bedrijf aan een bevel
te voldoen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat bij de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel
en het bewaringsbevel gebruik zal worden gemaakt van e-Codex. Dat is een bestaande
gemeenschappelijke dienst in het justitiedomein en de Nederlandse standaard voor digitale
grensoverschrijdende gegevensuitwisseling. Justid verzorgt de fysieke aansluiting.
Gelet op de problemen bij Justid die de afgelopen jaren zijn ontstaan, zoals het moeten
uitvoeren van een correctie bij 8% van de inzageverzoeken (bijlage bij Kamerstuk 35 916, nr. 6) vragen deze leden of er een uitvoeringstoets bij Justid is gedaan en zo ja, of die
met de Kamer kan worden gedeeld.
Er is geen afzonderlijke uitvoeringstoets door Justid uitgevoerd. Wel is Justid betrokken
bij de voorbereiding en implementatie van e-Evidence. Sinds 2023 neemt Justid met
een eigen programmaorganisatie deel aan de programma’s die vanuit mijn ministerie
zijn ingericht voor de implementatie van het Europees verstrekkingsbevel en het bewaringsbevel.
Justid is onder andere verantwoordelijk voor diverse digitale voorzieningen en gegevensuitwisselingssystemen
binnen het justitie- en veiligheidsdomein. Vanuit deze brede rol en expertise is Justid
betrokken bij de ontwikkeling, implementatie en het beheer van voorzieningen voor
(grensoverschrijdende) gegevensuitwisseling, waaronder e-CODEX.
Justid heeft actief bijgedragen aan de architectuur en uitvoering van het nationale
deel van het EU-gedecentraliseerde IT-systeem. Hieronder valt ook het gebruik van
bestaande e-CODEX-structuren ten dienste van e-Evidence. Daarbij zijn uitvoeringsaspecten
gedurende het ontwikkel- en implementatietraject doorlopend betrokken en meegewogen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van een brief van NLconnect,
de branchevereniging van de telecomindustrie, waarin deze sector grote zorgen uit
over de implementatie van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel.
Die zorgen richten zich met name op het ontbreken van belangrijke technische afspraken,
duidelijke procesbeschrijvingen en goede beveiligingsafspraken. NLconnect meent dat
daardoor een zorgvuldige invoering binnen de gestelde implementatietermijn onhaalbaar
is en men voorziet spanning met bestaande cybersecurityregels. Zo stelt NLconnect
dat de benodigde informatie over de werking van e-Evidence te laat is verstrekt, waardoor
de sector nu te weinig tijd heeft om systemen te ontwerpen, bouwen en testen, medewerkers
op te leiden en processen goed in te richten. Zij menen daarom dat zij niet aan de
nieuwe regels die 18 augustus 2026 in werking treden kunnen voldoen. Om die reden
zou toezicht en handhaving pas moeten beginnen als aanbieders een redelijke termijn
hebben gehad om hun systemen op orde te brengen en op een veilige manier de juiste
informatie kunnen delen. Kan de regering hierop in gaan? Voorts wijst NLconnect erop
dat de regels van de Nederlandse Cyberbeveiligingswet aanbieders verplicht om hun
netwerken en systemen zo goed mogelijk te beschermen tegen cyberaanvallen. Dat strookt
naar de mening van NLconnect niet met het wisselen van informatie ten behoeve van
e-Evidence via het openbare internet. Om hackers of inbraak door buitenlandse staten
te voorkomen vragen de aanbieders een fysiek gesloten en zwaarbeveiligd systeem. Deelt
de regering deze mening van de sector? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de invoeringstermijn
of het handhaven van de wettelijke regels? Kan met het opleggen van sancties worden
gewacht tot dat de sector wel in staat is gebleken om de wet veilig uit te voeren?
In het hierboven gegeven antwoord op vragen van leden van de D66-fractie is al ingegaan
op het ontbreken van belangrijke technische afspraken en duidelijke procesbeschrijvingen.
Ik heb aangegeven dat ik deze punten herken en op onderdelen erken. Voor mij is helder
dat de bedrijven maar ook Nederlandse overheid vanwege de complexe en uit de planning
gelopen voorbereidingen voor het in werking krijgen van het EU gedecentraliseerd IT-systeem
te laat kunnen beschikken over de specificaties die het mogelijk maken dat de Nederlandse
overheid bedrijven toegang kan verlenen tot een werkend IT-systeem. Duidelijk is ook
dat de bedrijven een redelijke termijn nodig hebben om hun eigen bedrijfsprocessen
zodanig in te richten dat zij met behulp van het IT-systeem bevelen kunnen ontvangen
en behandelen om uiteindelijk gegevens te verstrekken. Sinds enkele maanden is duidelijk
dat de beschikbare termijn in redelijkheid niet kan worden gehaald. Dat kan de dienstaanbieders
niet worden aangerekend. Handhaving vanuit de toezichthouder kan daarom niet aan de
orde zijn. Handhaving is eerst aan de orde wanneer de bedrijven zich hebben kunnen
voorbereiden en alsdan toch niet aan de wettelijke verplichtingen voldoen.
Waar het de mogelijke samenloop met of tegenstrijdigheid van de beveiligingseisen
op basis van de e-Evidence verordening met andere informatiebeveiligingseisen betreft,
wordt het standpunt van NLconnect nog nader bekeken en loopt nog overleg met NLconnect.
Ik heb er hierboven al op gewezen dat de gesignaleerde strijdigheid door de Europese
Commissie niet wordt gezien en dat van andere lidstaten deze geluiden ook niet zijn
gehoord. Voor de Nederlandse wet- en regelgeving geldt dat deze in overeenstemming
moet zijn met het toepasselijke primaire en secundaire EU-recht. Het is primair aan
de Europese Commissie om ervoor te waken dat EU-regelgeving, zoals het e-Evidence
pakket en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen en Richtlijn (EU) 2022/2555 van
14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging
in de Unie (de NIS 2-richtlijn) consistente en verenigbare beveiligingseisen stellen.
Voor zover Nederlandse wet- en regelgeving niet verenigbaar zou zijn met het EU-recht
dient zo mogelijk sprake te zijn van een EU-recht conforme toepassing.
De leden van de CDA-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel uitvoeringsgevolgen
heeft voor het Openbaar Ministerie (OM), de rechtspraak en de Autoriteit Consument
en Markt (ACM). Kan de regering nader ingaan op de omvang van deze gevolgen en op
de vraag of de uitvoeringsorganisaties voldoende capaciteit beschikbaar hebben om
het wetsvoorstel uit te voeren?
In het antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie is hierboven ingegaan op
de impactanalyse voor uitvoering van het e-Evidence pakket voor OM en politie uit
2024 en op de laatste stand van zaken daaromtrent.
De ACM zal taken verrichten die voortvloeien uit het onderhavige wetsvoorstel dat
uitvoering geeft aan de richtlijn e-Evidence. De kosten voor het uitvoeren daarvan
zijn geschat op jaarlijks € 664.000. De ACM voert deze taak uit onder opdrachtgeverschap
van de Minister van Justitie en Veiligheid, en deze draagt daarmee ook alle kosten
die nodig zijn voor de taakuitvoering. De ACM heeft geen taak ten aanzien van de afdoening
van concrete bevelen.
De Raad voor de rechtspraak heeft in zijn reactie aangegeven dat het wetsvoorstel
geen hoge IT-impact heeft voor de rechtspraak. Evenmin verwacht de Raad grote werklasteffecten
wat betreft eventuele effecten van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving.
Wel geeft de Raad aan dat het wetsvoorstel zorgt voor een toename van de werklast
voor rechter-commissarissen en de raadkamer. In zijn reactie heeft de Raad dit werklasteffect
geschat op € 737.000 per jaar structureel.
5. Toezicht en handhaving
De leden van de D66-fractie hebben de volgende vraag over toezicht en handhaving.
De ACM geeft aan dat zij vier randvoorwaarden schetst voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
van het wetsvoorstel. Kan de regering inmiddels meer informatie verschaffen over de
stand van zaken op deze vier benodigde randvoorwaarden (te weten: rekening houden
met onvoorspelbaarheid en omvang en beweeglijkheid van het aantal marktspelers dat
onder het toezicht valt; een operationeel registratieplatform; een aanpassing met
duidelijke scheiding tussen bestuursrecht en strafrecht; en de opname van een rechtsgrondslag
voor de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen het OM en de ACM)?
Het aantal dienstaanbieders dat in Nederland zal worden geregistreerd en dus onder
het toezicht van de ACM valt, is op voorhand niet precies te voorspellen. Dit is door
de regering onderkend en besproken met de ACM. Ik zorg als opdrachtgever voor voldoende
financiële middelen voor de taakuitvoering.
De ACM voert het toezicht signaalgedreven uit en richt zich daarbij dus primair op
dienstaanbieders ten aanzien van wie er signalen zijn dat zij niet voldoen aan de
gestelde eisen. Mocht voor deze invulling van de toezichttaak in de toekomst het eerder
genoemde budget van € 664.000 onvoldoende zijn, zal in overleg tussen ACM en de Minister
van Justitie en Veiligheid worden bezien wat nodig is.
Ten aanzien van het registratieplatform is als randvoorwaarde gegeven dat het platform
operationeel is ten tijde van de inwerkingtreding van de wet. De zorg was dat de ACM
in de situatie zou komen dat ze formeel een taak zouden hebben in het registratieproces
nog voordat het platform, dat wordt beheerd door de Europese Commissie, operationeel
was. Inmiddels is de situatie omgekeerd; het platform is sinds dit voorjaar operationeel,
maar de wet is nog niet in werking. Het kabinet beziet op dit moment of er mogelijkheden
zijn om, vooruitlopend op inwerkingtreding van het wetsvoorstel, vanuit Nederland
het registratieproces niet te vertragen.
Ten aanzien van het toepasselijke recht is er op grond van het onderhavige wetsvoorstel
geen rol voor de ACM bij het toepassen van het strafrecht en geen rol bij de afhandeling
van concrete bevelen. Het wetsvoorstel is verder aangepast zodat de hoogte van het
bedrag van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete aansluit bij het boeteregime
van de ACM. Tot slot is na nadere bestudering gebleken dat de bestaande wetgeving
al voorziet in grondslagen voor de gegevensuitwisseling tussen de ACM en het OM. Het
gaat dan om grondslagen in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en in de
Instellingswet ACM, verder uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur, de Regeling
gegevensverstrekking ACM 2019.
De leden van de VVD-fractie lezen in de reactie op het verzoek voor een uitvoerbaarheids-
en handhaafbaarheidstoets van de ACM dat door ABDTOPConsult een verkenning is gedaan
om te verkennen welke organisatie een geschikte toezichthouder als bedoeld in de richtlijn
zou zijn. Kan worden toegelicht waarom deze verkenning niet bij verzending van het
wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd?
Het briefadvies van ABDTOPConsult is gepubliceerd op de website van de rijksoverheid
op 25 november 2024.1
De leden van de VVD-fractie lezen in de verkenning dat ABDTOPConsult concludeerde
dat er geen ideale partij is om de taken van de centrale autoriteit op zich te nemen,
maar dat de ACM wel kan worden aangemerkt als de plek die zoveel mogelijk recht doet
aan de opgave en aan de Haagse werkelijkheid. Deze leden vinden het vooral belangrijk
dat er wordt gekeken hoe een autoriteit effectief kan bijdragen aan het oplossen van
problemen van mensen en hoe in dit geval de belangen van de Nederlandse burgers, van
de strafrechtketen en in het bijzonder de opsporing het beste worden gediend. Deze
leden constateren dat de taak die het wetsvoorstel toebedeelt aan de ACM in beginsel
niet goed past bij de ACM, omdat het geen markttoezicht betreft. Ook de kennis en
expertise van de strafrechtketen is bij de ACM niet direct aanwezig. Kan de regering
toelichten hoe de ACM wordt ondersteund om de nieuwe taak uit te voeren zonder dat
uitvoering van de bestaande wettelijke taken van de ACM onder druk komen te staan?
Hoe is de ministeriële verantwoordelijkheid straks geborgd als er fouten worden gemaakt
bij het uitvoeren van het toezicht op de naleving van de richtlijn? Is dat de Minister
van Economische Zaken die verantwoordelijk is voor de ACM of is dat de Minister van
Justitie en Veiligheid als opdrachtgever?
Voor de uitvoering van de nieuwe taak voor de ACM op grond van het onderhavige wetsvoorstel
is kennis van de strafrechtketen niet noodzakelijk. De ACM krijgt geen rol bij de
toepassing van het strafrecht en geen rol bij de afhandeling van concrete e-Evidence
bevelen.
De ACM krijgt wel een rol bij het registratieproces van dienstaanbieders die onder
de regelgeving vallen en hun adres in Nederland willen registeren. Daarnaast gaat
zij het toezicht uitvoeren ten aanzien van de aanwijzing van een wettelijke vertegenwoordiger
door die dienstaanbieders, de vastlegging van de keuze van hun voertaal, en de inrichting
van hun bedrijf zodat zij in staat zijn om bevelen tijdig op te volgen. Daarbij past
de ACM het bestuursrecht toe. Dit toezicht op administratieve conformiteit lijkt op
een aantal de uitvoering van de Digitale dienstenverordening (DSA) betreffende taken
die ook bij ACM zijn belegd. De communicatie met het Openbaar Ministerie gaat over
signalen dat dienstaanbieders niet in staat (lijken te) zijn om bevelen tijdig uit
te voeren, hetgeen kan wijzen op problemen in de bedrijfsinrichting. Er is geen sprake
van communicatie of afstemming over concrete verstrekkings- of bewaringsbevelen en
de ACM heeft daarbij dus ook geen rol.
De ACM voert de e-Evidence-taak uit onder opdrachtgeverschap van de Minister van Justitie
en Veiligheid. Deze Minister is daarmee verantwoordelijk voor de correcte inhoudelijke
uitvoering van de taak en levert de financiële middelen voor de taakuitvoering. De
Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft in het bestuurlijke model in algemene
zin de eigenaarsrol ten aanzien van de ACM, en is op dit dossier slechts voor dat
gedeelte de Minister die de verantwoordelijkheid draagt. Deze verantwoordelijkheid
omvat derhalve niet de inhoud van de taakuitvoering door de ACM en de politieke eindverantwoordelijkheid
daarover.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de ACM straks toeziet op de aanwezigheid
van de wettelijke vertegenwoordiger en dus niet op de inhoud van de gegevensverstrekking.
Wat gebeurt er straks in de praktijk als een bedrijf wel een wettelijk vertegenwoordiger
heeft aangesteld, maar de wettelijk vertegenwoordiger structureel niet thuis geeft
wanneer het OM Europese verstrekkingsbevelen en bewaringsbevelen uitvaardigt en bijvoorbeeld
niet voldoende responsief handelt of adequaat meewerkt aan het bevel? Deze leden constateren
dat de scheidslijn in de praktijk dun kan zijn. Kan de regering nader toelichten hoe
de coördinatie tussen de ACM en het OM is vormgegeven? Wordt er een samenwerkingsprotocol
of convenant opgesteld om afspraken te maken voor gevallen waarin een «papieren» wettelijk
vertegenwoordiger de effectieve opsporing belemmert? En welke grondslag biedt het
wetsvoorstel om de kwaliteit en slagkracht van de wettelijk vertegenwoordiger te toetsen,
naast de enkele formele aanwezigheid?
Wanneer het OM bevelen uitvaardigt, zijn die gericht aan buitenlandse dienstaanbieders,
die niet onder het toezicht van de ACM vallen, maar onder de bevoegde toezichthouder
in de tenuitvoerleggende lidstaat. Wanneer een in Nederland geregistreerde dienstaanbieder,
die daartoe een wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen, niet of niet tijdig
reageert op een bevel van een bevoegde autoriteit uit een andere lidstaat, zal die
autoriteit dat moeten melden bij het Nederlandse OM, die dan in het concrete geval
op kan treden. Wanneer het OM over hetzelfde bedrijf meerdere soortgelijke meldingen
krijgt, kan dit signaal aan de ACM worden gegeven, omdat het een indicatie is dat
de slagkracht van de vertegenwoordiger dan wel de inrichting van het bedrijf niet
goed op orde is, hetgeen onder de toezichtstaak van de ACM valt. Hierbij wordt niet
gecommuniceerd over concrete bevelen, want daarbij heeft de ACM geen rol. En dus ook
niet bij de gegevensverstrekking in de betreffende zaak.
Bij het uitvoeren van de toets naar de kwaliteit en slagkracht van de wettelijke vertegenwoordiger
kan de ACM de gebruikelijke bestuursrechtelijke middelen inzetten, waaronder het vorderen
van informatie bij de dienstaanbieder.
In de bijlage bij de reactie van de ACM op de artikelsgewijze toelichting lezen de
leden van de VVD-fractie dat de ACM heeft voorgesteld om een grondslag op te nemen
in het wetsvoorstel voor samenwerking en gegevensuitwisseling met het OM. Kan de regering
toelichten waarom deze opmerking van de ACM niet heeft geleid tot het opnemen van
een dergelijke wettelijke grondslag?
Naar aanleiding van de door de ACM uitgevoerde uitvoeringstoets is overleg geweest
met de ACM. Op basis van dat overleg is geconcludeerd dat voor de gegevensuitwisseling
tussen de ACM en het OM in de bestaande wetgeving afdoende grondslagen zijn. Zoals
ik hierboven heb aangegeven, gaat het om grondslagen in de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens en in de Instellingswet ACM, verder uitgewerkt in een algemene maatregel
van bestuur, de Regeling gegevensverstrekking ACM 2019.
6. Financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie lezen dat de gereserveerde bedragen voor de implementatie
oplopen van 4.8 miljoen euro in 2024 tot 10.7 miljoen euro in 2029. Naarmate die datum
dichterbij komt en de binnen het programma in te voeren werkprocessen concreter worden,
zal het inzicht in de kosten scherper worden. Deze leden vragen welke aannames er
worden gedaan bij het ramen van deze kosten en welke mogelijkheden er zijn om bij
te sturen als de aantallen van het aantal inkomende en uitgaande Europese verstrekkingsbevelen
en bewaringsbevelen veel hoger zijn dan geraamd
De gereserveerde bedragen zijn gebaseerd op inschattingen in 2024 over de impact op
uitvoeringsorganisaties van de invoering van zowel het e-Evidencepakket als de digitaliseringsverordening
(e-Justice). Vanaf het moment dat de toepassing van e-Evidence daadwerkelijk mogelijk
is, zullen de volumes van e-Evidence bevelen, maar ook van verzoeken en bevelen op
basis van de thans voor het vergaren van dergelijke gegevens gebruikte instrumenten
(rechtshulpverzoeken en Europese onderzoeksbevelen) op verschillende momenten worden
gemeten. Dan zullen de daadwerkelijke impact en de financiële gevolgen daarvan kunnen
worden ingeschat en kan als dat nodig is binnen de regels van de rijksbegroting mogelijk
tot aanpassingen worden gekomen.
7. Reacties van het OM, de Raad voor de rechtspraak, de politie en de ACM
De leden van de D66-fractie hebben op basis van de reacties van het OM, de Raad voor
de rechtspraak, de politie en de ACM de volgende vragen. In reactie op de kritiek
van de Raad voor de rechtspraak en privacy-organisaties wordt gewezen op de wijze
waarop rechtsbescherming van burgers geborgd wordt, in het bijzonder over het op de
hoogte stellen van het opvragen van hun gegevens zodat zij gebruik kunnen maken van
rechtsmiddelen. In de memorie van toelichting staat voorts dat betrokkenen in beginsel
moeten worden geïnformeerd, maar dat uitstel van kennisgeving ook mogelijk is «indien
het belang van het onderzoek dit dringend vereist». In de memorie van toelichting
worden geen vaste termijnen genoemd waarbinnen de kennisgeving alsnog moet plaatsvinden,
en dat betrokkenen achteraf beklag kunnen doen via bestaande rechtsmiddelen (en lijkt
dus vooral ex post te zijn). Daar zit voor betrokkenen een afhankelijkheid in van
actieve kennisgeving door de betreffende (lid)staat/het OM en een risico voor misbruik
van de mogelijkheid tot uitstel van kennisgeving. Kan de regering toelichten hoe deze
afhankelijkheid verholpen wordt en welke maatregelen er zijn om misbruik van de uitstelregeling
te voorkomen?
In de e-Evidence verordening (artikel 13, tweede lid) is bepaald dat de uitvaardigende
autoriteit, overeenkomstig het nationale recht, de kennisgeving aan de betrokkene
wiens gegevens worden gevraagd, kan uitstellen, beperken of achterwege laten. Hierbij
wordt verwezen naar de EU-richtlijn inzake gegevensbescherming in het politie- en
justitiedomein (richtlijn 2016/680) die een vergelijkbare regeling kent voor het uitstellen,
beperken of achterwege te laten van het verstrekken van informatie. De voorwaarden
hierbij zijn dat het uitstellen, beperken of achterwege te laten een noodzakelijke
en evenredige maatregel is om belemmering van officiële of gerechtelijke onderzoeken
of procedures te voorkomen, nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het
onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen
te voorkomen, de openbare veiligheid te beschermen, de nationale veiligheid te beschermen
of de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.
Ook in het Nederlandse strafrecht is een dergelijke regeling voor het uitstellen van
het verstrekken van informatie bekend. Een strafrechtelijk onderzoek kan immers ernstig
worden belemmerd indien een verdachte ontijdig op de hoogte raakt van een tegen hem
of haar lopend onderzoek en de informatie die in dat kader wordt vergaard. In dit
licht is in artikel 5.11.6 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door
het onderhavige wetsvoorstel, bepaald dat de kennisgeving aan de betrokkene over de
verstrekking van gegevens op basis van het Europees verstrekkingsbevel kan worden
uitgesteld indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist. Zodra dit in
het belang van het onderzoek niet meer noodzakelijk is, wordt betrokkene geïnformeerd.
Mij is geen informatie bekend dat van deze mogelijkheid tot uitstel in het kader van
de strafrechtspleging misbruik wordt gemaakt.
Op grond van artikel 18 van de verordening heeft iedere persoon wiens gegevens via
een Europees verstrekkingsbevel werden gevraagd het recht op doeltreffende rechtsmiddelen
tegen dat bevel. Indien die persoon een verdachte of beklaagde is, heeft die persoon
het recht op doeltreffende rechtsmiddelen tijdens de strafprocedure waarin de gegevens
worden gebruikt.
Met de mogelijkheid van beklag op grond van de artikelen 552a en 552d van het Wetboek
van Strafvordering, zoals neergelegd in het nieuwe artikel 5.11.6, tweede lid, van
het Wetboek van Strafvordering, zoals voorzien in het onderhavige wetsvoorstel wordt
in een passend rechtsmiddel voorzien. Daarnaast kan het gebruik van gegevens die door
middel van een Europees verstrekkingsbevel zijn verkregen, bij de inhoudelijke behandeling
van de strafzaak door de verdachte aan de orde worden gesteld, zodat de strafrechter
zich daarover kan uitspreken.
In reactie op de opmerkingen van het OM stelt de regering in dat artikel 2, tweede
lid, van Verordening 2023/1543 de reikwijdte van de Verordening is beperkt tot strafzaken.
In geval van een urgente persoonsvermissing – zonder dat tevens sprake is van een
verdenking van een strafbaar feit – kan daarom geen Europees verstrekkingsbevel of
Europees bewaringsbevel worden uitgevaardigd. De leden van de VVD-fractie vragen naar
aanleiding van deze passage of bij de totstandkoming van artikel 2, tweede lid van
de Verordening expliciet is besproken dat urgente persoonsvermissingen buiten het
toepassingsbereik vallen en zo ja, of de regering bereid is bij de evaluatie van het
e-Evidencepakket dit punt in te brengen, zodat ook in deze gevallen een Europees verstrekkingsbevel
of Europees bewaringsbevel kan worden uitgevaardigd.
De regering is van mening dat het begrijpelijk is dat de reikwijdte van de e-Evidence
verordening beperkt is tot strafzaken. Het gaat immers om bevoegdheden tot het verkrijgen
van gegevens die een ingrijpende inmenging kunnen zijn in de privacy van burgers.
Bij de totstandkoming van het e-Evidence pakket is niet gesproken over het onderwerp
urgente persoonsvermissingen. In situaties waarin bij een vermissing wél sprake is
van vermoedens van een strafbaar feit kan de verordening worden toegepast.
Ter gelegenheid van de evaluatie van de e-Evidence verordening zal kunnen worden vastgesteld
of er in de praktijk behoefte is aan de uitbreiding van de reikwijdte van de verordening
wat betreft persoonsvermissingen zonder dat sprake is van een verdenking van een strafbaar
feit. Zoals gebruikelijk zal Nederland dan relevante instanties betrekken bij die
evaluatie. Dat doet de Europese Commissie, als verantwoordelijke voor de evaluatie,
overigens zelf ook.
De leden van de VVD-fractie betreuren daarnaast dat vooralsnog niet is gekozen om
het onderscheppen van real-time dataverkeer of te verwachten dataverkeer onder het
bereik van de richtlijn en de Verordening te brengen. Datzelfde geldt voor het ontsleutelingsbevel.
Klopt het dat de politie en het OM in de praktijk hier wel om hebben gevraagd of dit
behulpzaam vinden? Kan de regering bevestigen dat Europol hier ook heel erg mee geholpen
zou zijn?
Het e-Evidencepakket richt zich inderdaad alleen op reeds vastgelegde gegevens en
voor zover die in de normale bedrijfsvoering van de onder het pakket vallende dienstaanbieders
worden bewaard. Dat op zich is al een hele stap voorwaarts. In andere verbanden hebben
politie en OM inderdaad aangedrongen op het effectiever toegang verkrijgen tot real-time
informatie. Omdat deze problematiek per definitie grensoverschrijdend is, wordt het
debat daarover gevoerd in de EU. Zo wordt momenteel in Europees verband door een interdisciplinaire
groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige manier
waarbij privacy-grondrechten gewaarborgd blijven, gericht toegang te verkrijgen tot
versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. De regering
heeft de Tweede Kamer hierover geïnformeerd op 29 augustus 2025.2 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn
en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Deze leden merken op dat het onderscheid tussen «opgeslagen gegevens» en «real-time
gegevens» technisch gezien anno 2026 kunstmatig is geworden en dat onder de Amerikaanse
CLOUD-act het bijvoorbeeld wel mogelijk is om vergelijkbare bevelen uit te breiden
met onder andere ontsleutelingsbevelen en het onderscheppen van real-time dataverkeer.
Wil de regering zich hier in EU-verband voor inzetten dat er uiterlijk bij de eerste
evaluatie van de Verordening een voorstel wordt ingediend om de Verordening uit te
breiden naar real-time interceptie en ontsleuteling, om te voorkomen dat de handhavingskloof
tussen de opsporingsdiensten in de Verenigde Staten en de EU te groot wordt? Deze
leden vragen of de regering in dit verband het belang erkent van de aanpak van de
georganiseerde grensoverschrijdende misdaad en of de regering uitgebreid wil motiveren
waarom het toch onwenselijk zou zijn om voor deze uitbreidingen te pleiten.
In de voornoemde brief van 29 augustus 2025 heeft het kabinet aangegeven het belangrijk
te vinden, in het kader van de discussie over rechtmatige toegang tot gegevens, dat
er heldere Europese regels zijn voor rechtmatige toegang tot digitale gegevens. Opsporingspartners
moeten immers hun wettelijke bevoegdheden kunnen uitoefenen, zowel offline als online,
om de samenleving en burgers te beschermen. Het technologische landschap is de afgelopen
jaren sterk veranderd en de gevolgen daarvan hebben grote impact gehad op de mogelijkheid
van de politie om burgers effectief te kunnen beschermen. De politie geeft aan dat,
door de wijze waarop versleuteling wordt uitgerold door grote techbedrijven, zij deze
bescherming op termijn niet langer kunnen bieden. Geconcludeerd werd dat er een noodzaak
bestaat om op Europees niveau gezamenlijk toe te werken naar een stelsel van regels
en toezicht voor onder andere grote communicatiediensten. De regering onderkent deze
noodzaak. Vanzelfsprekend moet dergelijke regulering vorm krijgen met inachtneming
van grondrechten (waaronder privacy en vertrouwelijkheid van communicatie), de jurisprudentie
van het EU-Hof en relevante wetgeving inzake gegevensbescherming – en op proportionele
en evenwichtige wijze, met betrokkenheid van alle relevante stakeholders. Daarbij
is het belangrijk om digitale en nationale veiligheidsrisico’s te voorkomen. De regering
zal daarbij in Europa blijven uitdragen dat end-to-end encryptie niet onmogelijk mag worden gemaakt. In dat kader zal het kabinet het belang
benadrukken dat eventuele wetgeving wordt omkleed met sterke waarborgen en transparant
toezicht. Gezien het grensoverschrijdende karakter van de onderliggende problematiek
is het extra belangrijk dat eventuele oplossingen in gezamenlijkheid met de lidstaten
grondig worden uitgewerkt.
De leden van de VVD-fractie constateren dat diverse organisaties vragen hebben gesteld
over de problemen die in de praktijk mogelijk ontstaan ten aanzien van de eerbiediging
van het verschoningsrecht. Deze leden merken op dat de kring van verschoningsgerechtigden
groter is dan in sommige andere lidstaten en dat het verschoningsrecht in Nederland
anders wordt toegepast dan in andere lidstaten. Gegeven de toename van complexiteit
van de beoordeling van de mate waarin gegevens vallen onder het Nederlandse verschoningsrecht,
stellen deze leden hier nog een aantal vragen over. In Nederland krijgt de rechter-commissaris
straks een rol bij de vraag of er bepaalde gegevens bij Europese verstrekkingsbevelen
en bewaarbevelen onder het verschoningsrecht vallen. In veel andere lidstaten zal
deze beoordeling niet plaatsvinden door een rechter-commissaris. Kan de regering een
inschatting geven van het aantal extra beslissingen die straks na inwerkingtreding
van de uitvoeringswet moeten worden genomen door een rechter-commissaris? Zijn hun
kabinetten hierop ingericht? Wordt hier voldoende extra capaciteit voor vrijgemaakt?
In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is stil gestaan bij
het uitvaardigen van e-Evidence bevelen en het eerbiedigen van het verschoningsrecht.
De verordening legt de verantwoordelijkheid daarvoor eerst en vooral bij de uitvaardigende
justitiële autoriteit (artikel 5, tiende lid, van de verordening). De uitvaardigende
autoriteit mag geen Europees verstrekkingsbevel uitvaardigen indien zij van oordeel
is dat de gevraagde verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens worden beschermd door
voorrechten of immuniteiten uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.
De uitvaardigende autoriteit dient daarom de reikwijdte van het Europees verstrekkingsbevel
of Europees bewaringsbevel – zo nodig na overleg met de bevoegde autoriteit in de
lidstaat van tenuitvoerlegging – zodanig te beperken dat de gevraagde gegevens niet
worden beschermd door het verschoningsrecht.
Indien de geadresseerde (dienstaanbieder) op basis van de informatie in het certificaat
inzake het Europees verstrekkingsbevel of bewaringsbevel van oordeel is dat de tenuitvoerlegging
van het bevel onverenigbaar zou kunnen zijn met het verschoningsrecht, moet hij de
uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit hiervan in kennis stellen.
Aan de hand van de van de geadresseerde of tenuitvoerleggingsautoriteit ontvangen
informatie moet de uitvaardigende autoriteit vervolgens beslissen of het bevel moet
worden ingetrokken, aangepast of gehandhaafd. Indien het bevel zonder aanpassingen
wordt gehandhaafd, kan de tenuitvoerleggingsautoriteit een beroep doen op een weigeringsgrond.
Van de rechter-commissaris wordt in dit verband geen grote rol verwacht. Zoals in
de memorie van toelichting is vermeld, is van een rol van de rechter-commissaris alleen
sprake in een zeer specifiek geval, namelijk als toepassing van artikel 5, negende
lid, van de verordening aan de orde is. De inschatting is dat deze situatie zich weinig
zal voordoen en dan kan passen bij het vermogen van de huidige organisatie.
De leden van de VVD-fractie vragen ook hoe bij de kennisgeving binnen tien dagen,
of bij spoed binnen 96 uur, de rechter-commissaris deze toets op verschoningsgerechtigde
gegevens kan uitvoeren? Hoe beoordeelt de regering het risico dat bedrijven naar aanleiding
van het wetsvoorstel beslissen om hun servers of clouddiensten in Nederland te plaatsen,
omdat hier veel meer gegevens onder het verschoningsrecht vallen dan in de meeste
andere EU-lidstaten? Onderkent de regering dat het wetsvoorstel in die zin rechtsongelijkheid
met zich meebrengt omdat er verschillen ontstaan tussen Nederlandse verschoningsgerechtigden
op basis van waar zij fysiek of juridisch hun servers of clouds hebben staan?
Als ik de vraag van deze leden goed begrijp, gaan zij ervan uit dat de rechter-commissaris
binnen tien dagen een toets op verschoningsgerechtigde gegevens moet doen. Hier is
echter geen sprake van. De termijn van tien dagen is opgenomen in artikel 10 van de
e-Evidence verordening en betreft de termijn waarbinnen aan een Europees verstrekkingsbevel
uitvoering dient te worden gegeven. Zoals ik hierboven in antwoord op de vraag van
deze leden heb aangegeven, moet een uitvaardigende autoriteit de reikwijdte van het
verstrekkingsbevel zodanig beperken dat de gevraagde gegevens niet worden beschermd
door het verschoningsrecht. Hiertoe kan de uitvaardigende autoriteit zo nodig overleggen
met de tenuitvoerleggingsautoriteit. Dit overleg gaat vooraf aan de uitvaardiging
van een verstrekkingsbevel. De termijn van tien dagen is dan dus niet gaan lopen.
Wordt niettegenstaande het voorgaande een bevel uitgevaardigd dat toch ziet op verschoningsgerechtigde
gegevens, dan kan de tenuitvoerleggingsautoriteit een beroep doen op een weigeringsgrond
overeenkomstig de regeling in de verordening. In Nederland is de officier van justitie
de tenuitvoerleggingsautoriteit. De rechter-commissaris heeft hierbij geen rol.
In voorkomend geval kan de rechter-commissaris wel uitvaardigende autoriteit zijn
(artikel 5.11.2, eerste lid, Sv, zoals voorzien in het onderhavige wetsvoorstel).
Verder is een machtiging van de rechter-commissaris vereist indien een Europees verstrekkingsbevel
betrekking heeft op verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens (artikel 5.11.2, tweede
lid, Sv, zoals voorzien in het onderhavige wetsvoorstel). Zoals uit het voorgaande
blijkt, moet de uitvaardigende autoriteit voorafgaand aan de uitvaardiging van het
bevel de reikwijdte van het verstrekkingsbevel zodanig beperken dat de gevraagde gegevens
niet worden beschermd door het verschoningsrecht.
In het WODC-rapport «Internationaal vergelijkend onderzoek professioneel verschoningsrecht»3 wordt door de opstellers ervan vastgesteld dat uit de inventarisatie van hoe in verschillende
jurisdicties wordt omgegaan met het verschoningsrecht, geen enkel systeem naar voren
komt dat in algemene zin als best practice kan worden aangemerkt. De vergelijking van rechtssystemen laat zien dat Nederland
– in vergelijking met de andere rechtssystemen – het verschoningsrecht in het algemeen
relatief ruim interpreteert, aldus de onderzoekers. Mij zijn in dit verband echter
geen signalen bekend dat bedrijven naar aanleiding van het onderhavige wetsvoorstel
zouden beslissen om hun servers of clouddiensten in Nederland te plaatsen en dat dit
tot rechtsongelijkheid zou leiden.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de effectiviteit van de Verordening voor
de Nederlandse opsporing valt of staat met de snelheid en kwaliteit van de kennisgevingsprocedures
in andere lidstaten. Kan de regering toelichten hoe zij omgaat met lidstaten die de
kennisgevingsplicht uit artikel 8 van de Verordening op een wijze hebben ingericht
die minder waarborgen biedt dan de Nederlandse toets door de rechter-commissaris?
Wordt er op EU-niveau gewerkt aan een geharmoniseerde kwaliteitsstandaard voor de
autoriteiten die deze kennisgevingen beoordelen, om te voorkomen dat Nederlandse opsporingsonderzoeken
vertraging oplopen door willekeur in andere lidstaten?
De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 8 van de e-Evidence verordening,
bestaat in het geval dat een Europees verstrekkingsbevel strekt tot het verkrijgen
van verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens. De verplichting tot kennisgeving rust
op de uitvaardigende autoriteit. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de verordening
kan een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens of voor
het verkrijgen van inhoudelijke gegevens uitsluitend worden uitgevaardigd door een
in de betrokken zaak bevoegde rechter, rechtbank of onderzoeksrechter, dan wel een
andere strafrechtelijke onderzoeksautoriteit. In het laatste geval kan het bevel niet
worden uitgevaardigd dan nadat het bevel is bekrachtigd door een rechter. Ik heb op
dit moment nog geen overzicht van de keuzes die andere lidstaten hebben gemaakt wat
betreft het aanwijzen van de bevoegde uitvaardigende autoriteit.
De kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit geschiedt door het certificaat
inzake het Europees verstrekkingsbevel (het CEV) te doen toekomen aan die autoriteit
op hetzelfde moment waarop het CEV wordt doorgegeven aan de geadresseerde (dienstaanbieder).
In bijlage I van de verordening is het voorgeschreven model opgenomen voor het CEV.
Het is aan de professionele deskundigheid van de tenuitvoerleggingsautoriteiten in
de verschillende lidstaten om op basis van de informatie in het CEV te beoordelen
of een beroep moet worden gedaan op een weigeringsgrond. De tenuitvoerleggingsautoriteit
heeft daar tien dagen de tijd voor. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit binnen
tien dagen na ontvangst van het CEV geen weigeringsgrond heeft aangevoerd, moet de
geadresseerde dienstaanbieder ervoor zorgen dat de gevraagde gegevens rechtstreeks
aan de in het CEV vermelde uitvaardigende autoriteit of rechtshandhavingsautoriteiten
worden toegezonden.
Omdat voor alle lidstaten op basis van de verordening dezelfde weigeringsgronden en
termijnen gelden, heb ik op voorhand geen reden om aan te nemen dat Nederlandse opsporingsonderzoeken
vertraging zullen oplopen. Integendeel, de e-Evidence verordening is juist bedoeld
als een doeltreffender mechanisme om elektronisch bewijsmateriaal te verkrijgen waarbij
als uitgangspunt geldt dat dienstaanbieders verplicht zijn om direct te reageren op
bevelen van autoriteiten in een andere lidstaat.
Artikel 33 van de verordening schrijft voor dat de toepassing van de verordening en
de daarmee bereikte resultaten worden geëvalueerd. Op basis van die evaluatie zal
kunnen blijken of de verordening het beoogde doel heeft bereikt.
De leden van de VVD-fractie vragen of zowel de overheid als de telecomaanbieders in
Nederland voldoende in staat zijn en worden gesteld om tijdig systemen te bouwen of
aan te passen om het wetsvoorstel uit te voeren. Voor zover deze leden kunnen overzien,
zijn er tot nu toe te weinig technische specificaties verstrekt om alle dienstaanbieders
in staat te stellen dit te doen. Graag ontvangen deze leden een reactie hierop van
de regering en ook een overzicht van de overleggen en inbreng die er zijn geweest
vanuit de dienstaanbieders. In het verlengde hiervan vragen zij of er is voorzien
in een adequaat implementatieprogramma en op welke wijze aanbieders worden geïnformeerd
over de uitvoering van het wetsvoorstel. Welke rol ziet de regering om aanbieders
voor te lichten over niet alleen de uitvoeringswet maar ook de adequate toepassing
ervan? Is de regering bijvoorbeeld voornemens een handreiking op te stellen voor de
aanbieders?
In het hierboven gegeven antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie ben ik
ingegaan op het ontbreken van belangrijke technische afspraken en duidelijke procesbeschrijvingen.
Ik heb aangegeven dat ik deze punten herken en op onderdelen erken. Duidelijk is dat
dat de bedrijven maar ook Nederlandse overheid vanwege de complexe en uit de planning
gelopen voorbereidingen voor het in werking krijgen van het EU gedecentraliseerd IT-systeem
te laat kunnen beschikken over specificaties die het mogelijk maken dat de Nederlandse
overheid bedrijven toegang kan verlenen tot een werkend IT systeem. De bedrijven hebben
een redelijke termijn nodig om hun eigen bedrijfsprocessen zodanig in te richten dat
zij met behulp van het IT systeem bevelen kunnen ontvangen en behandelen. Pas sinds
enkele maanden is duidelijk dat de beschikbare termijn in redelijkheid niet meer kan
worden gehaald.
Er wordt gewerkt aan een evenwichtig implementatieplan en er is structureel overleg
met de Europese Commissie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat omdat het wetsvoorstel over implementatie
van het EU-recht gaat consultatie niet voorgeschreven was. Wel heeft de regering over
het concept van de voorliggende uitvoeringswet het OM, de Raad voor de rechtspraak,
de politie en de ACM om commentaar heeft gevraagd. De aan het woord zijnde leden zouden
het op prijs stellen indien de regering ook de Nederlandse Orde van Advocaten en de
Autoriteit Persoonsgegevens om commentaar zou vragen. Is de regering daartoe bereid
en zouden die commentaren uiterlijk tegelijkertijd met de nota naar aanleiding van
het verslag aan de Kamer kunnen worden gestuurd?
Bij de verplichte implementatie van EU-regelgeving is het uitgangspunt dat over het
ontwerp van een implementatieregeling geen advies wordt gevraagd of extern overleg
wordt gevoerd (Aanwijzing 9.16, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
Aan het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie, de Raad voor
de rechtspraak, de politie en de Autoriteit Consument en Markt is gevraagd om een
reactie op het wetsvoorstel met het oog op het vaststellen van eventuele uitvoeringsgevolgen.
Nu het wetsvoorstel dient ter verplichte implementatie van het e-Evidence pakket van
de EU en het voorstel ook daartoe is beperkt, is er geen aanleiding om het wetsvoorstel
voor commentaar voor te leggen aan de Nederlandse Orde van Advocaten en de Autoriteit
Persoonsgegevens.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het OM opmerkt te veronderstellen dat de bevoegdheid
van de officier van justitie tot de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel
of Europees bewaringsbevel ruimte laat voor de voorbereiding door de opsporingsambtenaar.
De regering geeft aan dat wordt beoogd dat de officier van justitie de beslissing
neemt en de verantwoordelijkheid draagt over de uitoefening van de bevoegdheid, maar
dat vereist niet dat de officier van justitie deze eigenhandig opstelt. Deze leden
vragen of het feitelijk wel mogelijk is dat de officier van justitie het bevel opstelt,
of dat dit in de praktijk altijd een opsporingsambtenaar zal zijn. En zo ja, wat houdt
dit in voor de toename van de werklast voor de politie?
In de werkprocessen die zijn en worden ontwikkeld, stelt in zeer algemene termen geformuleerd
de politie het bevel op en doet het OM een juridische toets en ondertekent het bevel.
In de gemaakte impactanalyse is daarom voor zogenoemde uitgaande bevelen ook belasting
bij de politie meegenomen. Werklast aan de inkomende kant verdwijnt echter bij de
politie. Niettemin herijken politie en OM op basis van de laatste inzichten van de
wenselijke toekomstige werkprocessen de gemaakte inschattingen van de werklast. De
uitkomsten van deze herijking heb ik nog niet ontvangen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de politie en het OM de vraag stellen of het
niet wenselijk is om ook de opsporingsambtenaar als bevoegde autoriteit aan te wijzen
omdat dit behulpzaam kan zijn in noodsituaties. De regering antwoordt hierop dat dit
niet voor de hand ligt omdat het Europees verstrekkingsbevel en bewaringsbevel instrumenten
zijn in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen bevoegde autoriteiten,
en dat dit het domein is van de officier van justitie. Deze leden vragen of andere
lidstaten de opsporingsambtenaar wel hebben aangewezen als bevoegde autoriteit, nu
de lidstaten de vrijheid hebben om zelf een autoriteit aan te wijzen.
Het is de regering niet bekend dat andere lidstaten opsporingsambtenaren hebben aangewezen
als bevoegde autoriteit. Ik wijs er in dit verband op dat de e-Evidence verordening
wel regels geeft voor het aanwijzen van een bevoegde autoriteit (artikel 4). Zo kan
een autoriteit die in de betrokken zaak optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit
en overeenkomstig het nationale recht bevoegd is opdracht te geven tot het vergaren
van bewijsmateriaal wel worden aangewezen als uitvaardigende autoriteit, maar moet
een verstrekkingsbevel van die autoriteit wel worden bekrachtigd door een rechter,
rechtbank, onderzoeksrechter of openbare aanklager in de uitvaardigende lidstaat of,
in het geval van het bevel strekt tot het verkrijgen van verkeersgegevens of inhoudelijke
gegevens, door een rechter, rechtbank of onderzoeksrechter in de uitvaardigende lidstaat.
Daarnaast lezen de leden van de CDA-fractie dat de Verordening uitsluitend ziet op
strafzaken en daarom niet kan worden toegepast bij urgente persoonsvermissingen zonder
verdenking van een strafbaar feit. Deze leden vragen de regering of zij, juist in
situaties waarin bij een vermissing wél sprake is van een verdenking van een strafbaar
feit en snelheid cruciaal is, mogelijkheden ziet om opsporingsambtenaren een duidelijkere
rol te geven in het proces rond het Europees verstrekkings- of bewaringsbevel.
In situaties waarin bij een vermissing wél sprake is van een verdenking van een strafbaar
feit kan de verordening worden toegepast. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting
bij het onderhavige wetsvoorstel laat de bevoegdheid van de officier van justitie
tot het uitvaardigen van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel
ruimte voor de voorbereiding van zo’n bevel door een opsporingsambtenaar. Dat is ook
staande praktijk bij de uitoefening van de bevoegdheden die de officier van justitie
heeft op grond van het Wetboek van Strafvordering. Indien de situatie daarom vraagt,
kunnen de officier van justitie en de opsporingsambtenaar ook snel in actie komen.
Zo nodig kan in een aanwijzing van het Openbaar Ministerie worden voorzien in een
werkwijze in geval van spoed.
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering wat het wetstraject rondom de modernisering
van het Wetboek van Strafvordering betekent voor onderhavige wet, nu er verschillende
verwijzingen zijn opgenomen naar artikelen uit dat betreffende wetboek.
Vanwege de Europeesrechtelijk voorgeschreven termijnen kan niet worden volstaan met
de uitvoering en implementatie van de e-Evidence verordening en richtlijn in het nieuwe
Wetboek van Strafvordering, dat niet eerder dan 1 april 2029 in werking zal treden.
Daarom voorziet het onderhavige wetsvoorstel in wijziging van het huidige Wetboek
van Strafvordering. Door middel van de invoeringswet voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering
zal de regeling in het onderhavige wetsvoorstel beleidsneutraal worden overgezet naar
het nieuwe wetboek.
8. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat vanuit de telecom- en internetaanbieders
in Nederland grote zorgen zijn geuit over de implementatie van de wet in augustus
2026. Hoe is de regering van plan de zorgen voor de beoogde inwerkingtreding weg te
nemen? En indien dat niet lukt, welk tijdspad ziet de regering voor zich om openstaande
vragen en zorgen over de implementatie van de wet weg te nemen?
In het hierboven gegeven antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie ben ik
ingegaan op het ontbreken van belangrijke technische afspraken en duidelijke procesbeschrijvingen.
Ik heb aangegeven dat ik deze punten herken en op onderdelen erken. De zorgen van
de industrie trek ik mij aan. Via voorlichtings- en expertsessies, alsook in bilateraal
contact, stel ik de informatie zoals ik die heb ter beschikking. Daarnaast heeft mijn
ministerie ook een specifieke webpagina gecreëerd waarop allerhande informatie is
terug te vinden (https://www.eevidence.nl/). Mede op basis van hetgeen in overleg met de Europese Commissie en andere lidstaten
nader en concreter kan worden besloten over een mogelijke gefaseerde invoering van
e-Evidence zal ik het communicatieproces met de industrie intensiveren.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de implementatiedeadline van 18 februari
2026 niet is gehaald. Wat zijn hiervan de consequenties en lopen andere lidstaten
ook achter op schema? Is de regering van mening dat de deadline van 18 augustus 2026,
waarop de Verordening in werking treedt en rechtstreeks werkt, wel wordt gehaald?
Uit informele overleggen in EU-verband blijkt inderdaad dat meerdere lidstaten de
deadline niet hebben gehaald, en ook de deadline van 18 augustus a.s. naar verwachting
niet zullen halen. Nederland heeft in maart 2026 een brief van de Europese Commissie
ontvangen waarin gevraagd is om het niet halen van de deadline uit te leggen. Eind
mei zal de regering deze brief beantwoorden.
De deadline van februari 2026 is in de praktijk op dit moment vooral relevant voor
het aanwijzen van een geadresseerde door dienstaanbieders die in Nederland zullen
worden geregistreerd. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, is afgesproken
met de Europese Commissie dat dienstaanbieders hun registratie kunnen indienen bij
een centraal punt van de Europese Commissie. Het kabinet beziet op dit moment of er
mogelijkheden zijn om, vooruitlopend op inwerkingtreding van het wetsvoorstel, vanuit
Nederland dit proces niet te vertragen.
II ARTIKELSGEWIJS
Artikel 8 (bestuurlijke boete)
De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 7 de grondslag biedt voor de ACM
een last onder dwangsom op te leggen en dat artikel 8 de grondslag biedt voor oplegging
van een bestuurlijke boete. Deze leden vragen of de opbrengst van de lasten onder
dwangsom en bestuurlijke boetes toe komt aan de ACM conform de algemene regeling in
de Algemene wet bestuursrecht in de artikelen 5:10, eerste lid jo. 1:1, vierde lid.
Kan de regering bevestigen dat bedoeld is dat de opbrengsten van de sancties integraal
terugvloeien naar de algemene middelen? Ook vragen deze leden of de ACM bij het vaststellen
van de hoogte van de last onder dwangsom en bestuurlijke boetes rekening houdt met
de grootte van het bedrijf. Deze leden vinden het in dat licht redelijk dat een last
onder dwangsom of een boete in verhouding staat tot de gevolgen voor het bedrijf.
Iemand uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) zal eerder failliet worden verklaard
na oplegging van een boete dan een grote onderneming met duizenden werknemers. Kan
de regering hierop reageren?
Op grond van artikel 6a, tiende lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en
Markt komt, indien een door de Autoriteit Consument en Markt een verplichting tot
betaling van een geldsom is opgelegd, deze geldsom toe aan de Staat der Nederlanden.
Voor zowel het vaststellen van de hoogte van de dwangsom als van de bestuurlijke boete
geldt dat rekening kan worden gehouden met de grootte van een bedrijf. Dat vloeit
voort uit de artikelen 7 en 8 van het onderhavige wetsvoorstel waarin de maximale
hoogte van een dwangsom en bestuurlijke boete is bepaald. Indien de in die artikelen
genoemde zesde categorie van bedragen, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het
Wetboek van Strafrecht geen passende dwangsom of boete toelaat, kan een dwangsom of
boete worden opgelegd van ten hoogste tien procent van de jaaromzet van de dienstaanbieder
in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de last onder dwangsom of bestuurlijke
boete is opgelegd.
Ik wijs in dit verband ook naar de boetebeleidsregels die de ACM heeft opgesteld en
die te raadplegen zijn via wetten.nl.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.